U bent hier: Startbladzijde > Profetie > Waarom spreekt God, de Eeuwige?

Waarom spreekt God, de Eeuwige?



Gabriële, de profetes en verkondigster van God
antwoordde op deze vraag:

Uit het historische verleden weten wij, dat God, de Eeuwige, altijd profeten tot ons mensen zond, door wie Hij niet alleen ernstig vermaande, maar ook intensief de weg wees, als de verwildering van het volk toenam, die zich in de laagste excessen en extasen van het menselijke ego uitdrukte en door de grove overtredingen tegen de fundamentele principes van de goddelijke orde een beslissende ommekeer in de geschiedenis van de mensheid inleidde.

Beschouwen we onze huidige wereld en analyseren we de dagelijkse gebeurtenissen en voorvallen, dan is het duidelijk, waarom God in deze tijd een profeet zendt, door wie Hij Zich openbaart. De waakzame mens beseft, dat wij nu op een geweldig keerpunt van het aardse leven staan, een omwenteling, zoals er in de geschiedenis van de mensheid nog nooit is geweest. In onze tijd beleven we het begin van de gebeurtenissen, die in de openbaring van Johannes beeldend worden weergegeven.

Catastrofen, zowel in de wereld alsook van de aarde uitgaand, nemen de overhand. De mensen hebben de aarde en haar beschermende laag, de atmosfeer, grotendeels vernietigd. De stratosfeer wordt steeds meer geopend. De invloeden uit het heelal treffen ons mensen op verschillende manieren.

De zeeën zijn de vuilnisbelten van het menselijke gebrek aan beschaving; we vinden daarin het afvalwater van talloze fabrieken en gedeponeerd, stralend radioactief afval. De bodem van de aarde is uitgeput. De regenwouden, die de longen van de aarde zijn, worden landstreek voor landstreek gerooid. Reusachtige watermassa’s worden omgeleid en overeenkomstige stuwdammen gebouwd. Aan planten en dieren wordt gemanipuleerd; dieren worden onuitsprekelijk gekweld, ook in laboratoria voor experimenteerdoeleinden. Duizenden en duizenden diersoorten sterven, omdat de aarde hen tengevolge van het ingrijpen van de mensen in de werkingsstructuur van de natuur, geen leefruimte meer kan bieden met de hen overeenkomstige levensvoorwaarden.

De mensen worden steeds meedogenlozer. Men drijft handel met menselijke organen. Wetenschappers van verschillende studierichtingen grijpen bewust in in gebieden en structuren van het leven. Inbreuk in de door God gegeven orde, waarvan tot nu toe nog een bepaalde natuurlijke schroom de mensen terughield. Tot nu toe onbekende ziekten nemen toe. Lotgevallen nemen toe en hopen zich op. Hongersnood, ziekten, beestachtige oorlogszuchtige handelingen, geweldmisdaden bedreigen de mensen in alle gebieden van de aarde. Het verschil tussen rijk en arm wordt steeds groter. Er zijn steeds meer schandalen, steeds meer gevallen van corruptie. Ongelijkheid, ongerechtigheid, manipulatie, leugen en bedrog in het klein en in het groot evenals werkeloosheid leiden toenemend tot spanningen. De onhoudbare toestand in de wereld wordt zienderogen erger en alarmerender; ontwikkelingen volgen elkaar reeds in razend snel tempo op – wat gisteren nog gold, is vandaag al van nul en gener waarde. Dat geldt ook voor het woord der machtigen op deze aarde. Uit deze paar uiteenzettingen kan men al concluderen, dat wij in de eerste fase staan van een omwenteling van geweldige omvang en met catastrofale gevolgen.

Voor de toestand van de verwildering van het volk is karakteristiek, dat alle ethische en morele waarden verdwijnen. Teugeloosheid grijpt om zich heen. Het is duidelijk, dat het institutionele »christendom« de mensen geen houvast meer biedt. De kerken worden ondanks hun pracht en praal steeds leger – zo leeg als menig "vroom" woord, dat daarin werd en wordt gesproken. Velen, die God, hun Vader, en de weg naar Hem in de kerk zochten, moesten vaststellen, dat Hij daar niet te vinden is. De god van de kerkleer helpt hen niet hun persoonlijk lot te begrijpen, noch dit het hoofd te bieden. Omdat de mensen het niet met het geloofsbeeld van een liefhebbende God in overeenstemming kunnen brengen, dat hun noodlot, hun ziekten, hun gebrek en alles, wat de wereld aan onraad draagt, door deze god niet werd verzacht, noch opgeheven werd, hebben ze het geloof in God verloren. Een God, die Zijn kinderen in de eeuwige verdoemenis stuurt, kan men moeilijk vertrouwen. De kerkelijke machtdragers en hun persoonlijke uiterlijke vertoon plaatsen alleen zichzelf op de voorgrond, inplaats van de duidelijke en onvervalste leer van Jezus, de Christus, te onderwijzen en deze zelf in praktijk te brengen in het bewustzijn, dat zijzelf niets zijn, maar de dienaren van Degene, Die alles is en Hem de eer geven, Die God ons heeft gezonden: Zijn zoon.

De zogenaamde kerkelijke overheid hangt zich aan de staat, om via de staat kerkbelasting en dergelijke te innen, dus de overeenkomstige voordelen, die een kerk – als het ware een staatskerk – zich aanmatigt om er aanspraak op te kunnen maken. Het kerkvolk en het volk betalen de kerkelijke overheid, zonder te vragen waarvoor. (Kerkbelasting in Duitsland)

Als we ons bezinnen op het leven van Jezus, op Zijn leer, de blijde boodschap, de verkondiging van de grote liefde van God, en we vergelijken daarmee het huidige christendom, dan stellen we vast: van de eenvoudige leer van Jezus is nauwelijks meer iets overgebleven. Alles is gericht op kerkelijke macht en profijt. Weinig kerkchristenen weten, dat zij zelf de tempel van God zijn en dat de Geest Gods in hen woont. Weinig mensen weten,dat ze zich gewoon en eenvoudig naar binnen tot God kunnen wenden, om rechtstreeks met Hem te kunnen communiceren door het gebed, dat zij in het dagelijkse leven trachten te vervullen, en dichter bij Hem te komen door de vervulling van de geboden en de Bergrede van Jezus. Daarvoor zijn er geen kerkvorsten nodig, geen met goud versierde kerkgebouwen, geen dogma’s en erediensten, maar alleen de wetenschap, dat God, Die in de harten der mensen woont, hen liefheeft en hen wil helpen, als ze dat willen. Wij hebben niet meer nodig dan het weten, dat de mens voor alles, wat hij doet, zelf verantwoordelijk is, volgens de woorden van Jezus in de Bergrede: voor elk overbodig woord moet je rekenschap afleggen op de dag van het gerecht. Dat geldt ook voor boosaardige gedachten, voor onzuiver voelen en lager handelen, voor het handelen volgens de laagste menselijke driften.

Daaruit resulteert, dat de mens hetgeen hij zaait ook zal oogsten. Niet God zendt ons wat wij nu te dragen en te lijden hebben; niet God heeft de aarde en de zeeën verontreinigd; niet God grijpt in de atmosfeer in om haar te openen; niet God zendt ons hongersnood, ziekte en leed. God heeft Zijn zoon niet gezonden om ons te leren, hoe men kinderen in de derde wereld de organen uit het lijf rukt, hoe men dieren kwelt, doodt en consumeert, hoe men regenwouden rooit en de wateraderen van de aarde via reusachtige stuwdammen omleidt. God zond ons Zijn zoon niet om ons te leren, hoe men door elleboogpraktijken rijk wordt, zodat het verval van de armoede ontstaat. Jezus leerde ons ook niet de beestachtige, oorlogszuchtige handelingen en gaf ons ook niet de raad, naar kerkelijke machthebbers te luisteren. Hij sprak tot ons mensen: volgt Mij, Jezus, de Christus, na! Hoe? Dat leerde Hij ons in eenvoudige levensregels, die tevens de hoogste leer zijn. De massa werd traag en dom gehouden en liet dat toe, ook dat theologen, kerkelijke machtsdragers tot beheerders van een religie werden, die slechts het manteltje »christelijk« draagt.

Moet de Christus Gods zwijgen, als Zijn leer verdraaid wordt en voor machtsuitoefening en verzameling van rijkdom wordt gebruikt en de gelovigen worden misleid? Van de innerlijke religie, de religie van het hart, het diepe geloof in het juiste vervullen van de leer, is in de institutionele kerken niets meer voorhanden.

Dat God in deze tijd de mensen een profeet zendt, door wie Hij Zich openbaart, om Zijn kinderen, die Hij liefheeft, van hun zelfopgelegde kwalen, die volgens de wet van zaad en oogst op iedereen ooit zullen afkomen, te redden, kan alleen degene begrijpen, voor wie het een zekerheid geworden is, dat God liefde is, dat Hij, God, onze eeuwige Vader, voor ons, Zijn kinderen, zorgt. Het bewijs van Zijn grote liefde is Zijn goddelijke zoon, de mederegent der hemelen, die tot ons mensen kwam, die als Jezus van Nazareth onze eeuwige Vader der liefde dichter bij ons bracht, Die alleen i n ieder mens te vinden is – in het gebed in de stille ruimte en door de vervulling van Zijn geboden en de Bergrede.

Deze eenvoudige Jezuswoorden, deze aanwijzingen en realistische leer, God, onze eeuwige Vader, in ons hart te ervaren, werd door de kerkelijke overheid opzettelijk onderdrukt. De mensen werden afgestemd op kerkelijke ambtenaren, op pastoors, priesters, bisschoppen, kardinalen of op hem, die zich »heilige vader« laat noemen. Dit alles wilde Jezus niet. Dit hebben wij ook niet nodig. Jezus leerde ons het onzevader en dat we onze naaste vergeven en hem voor onze zonden om vergeving moeten vragen, dat ons onze eeuwige Vader alleen kan vergeven, als wij dat van harte zelf doen. Ook daarvoor is er geen kerkelijke ambtspersoon en geen biecht nodig, die zondaars zich permitteren andere zondaars af te willen nemen – zogenaamd in opdracht van God.

Heb God van ganser harte lief, met je hele ziel, met al je krachten en je naaste als jezelf. Dat is een eenvoudige leer, »natuurlijk« te eenvoudig voor de kerkelijke overheid. Nu en dan wordt zij door hen ingewikkeld geformuleerd weergegeven, maar de juiste zin van deze grote en unieke leer wordt niet verduidelijkt en vooral niet voorgeleefd. Als de vertegenwoordigers van de kerken deze unieke leer, God van ganser harte lief te hebben, zouden personifiëren, zouden ze geen recht meer hebben om zich kerkelijke waardigheidsbekleders te noemen.

Juist in deze tijd, waarin zich een geweldige ineenstorting aankondigt, zond God opnieuw een profeet, om de mensheid te zeggen: IK BEN aanwezig. IK BEN er, ook in de moeilijkste tijd. – God zal echter geen mens dwingen, naar Hem te luisteren. God geeft door de profeet, en wie Zijn woorden aan- en opneemt, deze dus in het dagelijkse leven verwezenlijkt, beleeft God in zijn hart.

Na meer dan 20 jaar profetisch werken voel ik mij nog steeds niet tegen deze machtige opgave opgewassen. Ik wilde nooit profeet zijn. Maar in de ziel van een profeet ligt de profetische opdracht van God, die door de profeet moet worden vervuld.

Toen ik God in mijn hart vond, wilde ik uitsluitend Zijn kind, Zijn dochter zijn en Zijn wil vervullen. Het profetenambt is mij altijd al zwaargevallen en doet het vandaag nog, maar ik doe het, omdat God het zo wil. Uiteindelijk ben ik profetes tegen wil en dank

 

 

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum