U bent hier: Startbladzijde > Wij over ons > De boodschap der waarheid > De Tien Geboden van God

De Tien Geboden van God
Aanwijzingen voor een hoger leven


De boodschap der waarheid


Het eerste gebod

»Ik Ben de Heer, je God. Je zult geen andere goden naast Mij hebben.«

Alles, wat niet overeenkomt met de goddelijke wet, het eeuwige woord Gods, zijn »andere goden«, dus afgoden. Daartoe behoren ook overdreven wensen, hartstochten en begeerten, alles, waarnaar mensen - boven een gezonde maatstaf uit - streven
Tot de »andere goden« horen ook mensen, die wij op een voetstuk plaatsen, die wij bewonderen en vereren, inplaats van hen gewoon als onze naasten te achten.

Wij oerchristenen weten, dat de Geest Gods in ieder mens woont ... wij gaan in ons innerlijk en bidden daar tot God. Wij hebben geen beelden nodig, geen tabernakels, geen kruisbeelden of andere dingen, want wij weten, dat de Geest Gods in ons leeft. Tot Hem wenden wij ons. Hij is onze steun en ons houvast.

Wij oerchristenen in Universeel Leven hebben ook geen kruis met corpus. Voor ons is Christus verrezen. Wij zijn ons ervan bewust, dat wij de Verlossersdaad van de Heer in onze ziel, in ons hart dragen. Zij wordt gesymboliseerd door het kruis zonder corpus. Voor ons is het opstandingskruis tegelijk de wegwijzer naar het eeuwige Zijn.

Het tweede gebod

Het tweede gebod luidt in de Luther-bijbel: »Je zult de naam van de Heer, je God, niet misbruiken, want de Heer zal diegene niet ongestraft laten, die Zijn naam misbruikt.«

Wij oerchristenen zien als misbruik van Gods naam, als mensen, die de geboden van God en de leer van Christus kennen, daartoe ja gezegd hebben en er zich desondanks niet aan houden; wanneer zij eventueel zelfs anderen op de geboden wijzen, hen daarover onderwijzen en zelf heel anders handelen.

De naam van God wordt vaker ernstig misbruikt dan in het algemeen wordt aangenomen, want velen bedriegen anderen en zichzelf over de ware beweegredenen van hun doen en laten.

Christus, de profetische Geest, leerde ons, dat niet God ons straft voor hetgeen wij doen, maar dat wij onszelf bestraffen door de wet: »Wat de mens zaait, zal hij oogsten«.
God zaait toch niet, maar wij zaaien het; en wat w i j zaaien, zullen w i j ook oogsten. Wij zullen de gevolgen van ons doen en laten dus ondervinden, want iedereen is voor zichzelf verantwoordelijk.

Als wij in de straffende God geloven, dan ontkennen wij deze wetmatigheid, zaad en oogst, waardoor wij uiteindelijk - via het zelfinzicht en het in het reine brengen van onze zonden - indirect worden geleid.

Wij zijn christenen en zouden moeten beslissen: óf wij geloven in de straffende God - of in de God van liefde en barmhartigheid: in de God, die verzoent, die vergeeft, die ons uit Zijn liefde Zijn Zoon zond, Jezus, de Christus.

Het derde gebod

»Gedenk de sabbatdag, heilig hem.«

Wij oerchristenen geven samen op de »sabbatdag« onze eeuwige Vader de eer en zijn op deze dag meer met het innerlijke bezig dan met het uiterlijke. Zo is deze dag voor ons een krachtbron.

Het vierde gebod

»Je zult je vader en moeder eren, opdat je lang leeft in het land, dat de Heer, je God, je zal geven«.

Ook vader en moeder zijn onze naasten. Wij behoren hen te achten en te waarderen, wij behoren hen - zoals alle mensen - in het hart te dragen. De eer komt echter alleen God, onze Heer, toe. Er is dus een verschil tussen »achten« en »eren«: wij eren God, door Hem boven alles lief te hebben, Hem boven onze menselijke aspecten te plaatsen en met Zijn kracht onze menselijkheid, het zondige, in orde te brengen. Onze naaste achten wij, door hem van harte het goede te wensen, hem met begrip tegemoet te treden, hem niets te benijden, hem niet af te wijzen, hem vrij te laten en voor hem eerst datgene te doen, wat wij van hem verwachten.

Het vijfde gebod

»Je zult niet doden.«

Doden of moorden - iedereen weet: wie ten oorlog trekt, zal eventueel zijn broeder doden. Omdat Jezus van Nazareth ons heeft verkondigd, dat wij allen broeders en zusters zijn, kinderen van é é n Vader, is dat zonder meer broedermoord - of het nu doden of moorden wordt genoemd.

Geweld roept altijd geweld op. Wij beseffen de zinloosheid van oorlogen. Daar geldt: soldaten worden de oorlog ingestuurd, opdat er vrede komt, maar kan men door wapens, door kanonnen, door het doden van onze naaste vrede verkrijgen?

Wat zouden wij liever hebben: gedood te worden of vermoord?

Bij beiden betekent het: dood. Het leven werd bewust genomen.

Het vijfde gebod geldt ook voor ons gedrag ten opzichte van de dieren. Beide instituties, katholiek en evangelisch, zijn vóór dierproeven.
Ook dieren hebben gevoel! De dieren in de slachthuizen schreeuwen, omdat zij voelen, dat zij binnen enkele minuten het leven zullen laten.
De ervaringen, het leed en het lijden van honderden, duizenden jaren, worden door de deelzielen van veel dieren gedragen. Dat maakt veel dieren treurig, andere agressief. Wie is schuldig?

Het zesde gebod

»Je zult niet echtbreken.«

Heb ik, b.v. als vrouw of man, met mijn partner de bond voor God gesloten, dan blijf ik hem trouw in gedachten, woorden en daden.

Streven wij er met een flirt naar, onze partner en ons ja tot de partner trouw te blijven?
Jezus zei het zo in de Bergrede: »Je zult geen echtbreuk plegen. Doch Ik zeg jullie: wie een vrouw alleen al met begeerte bekijkt, die heeft met haar het huwelijk al verbroken in zijn hart«.

Is voor ons de trouw het gebod in Christus, dan ontstaan er zoveel mogelijkheden van samenleven in huwelijk en partnerschap. Dan proberen wij mogelijkheden te creëren, waarin zich beiden in gelijke mate persoonlijk kunnen ontwikkelen.

Er wordt gezegd: »zoals in de hemel, zo ook op aarde«. Het huwelijk i s door God gewenst - echter niet de beperkte levenswijze. Niet de echtbreuk, maar het met-elkaar-zijn.

In de Bergrede hebben wij aanwijzingen, met behulp waarvan wij kunnen inzien, waarom wij fouten hebben gemaakt en hoe wij deze weer in orde kunnen brengen.
Ongeacht, welke zonden wij bij onszelf moeten erkennen - omkeer is altijd mogelijk. Want God heeft al Zijn kinderen lief. Hij weert niemand uit Zijn hart. Daarom bestaat er geen eeuwige verdoemenis, maar de ommekeer door de genade Gods. Dat wil zeggen: als wij zondigen, moeten wij niet blijven liggen en ook niet verder in deze gedachten en zonden volharden. Wij moeten de moed hebben, de hand van de Eeuwige te grijpen en op te staan, en het zondige met de hulp van Christus in ons in orde brengen en niet meer doen. Dat is de weg naar de vrijheid. Dat is de weg tot onze naaste en met onze naaste.

Het zevende gebod

Welke zin ligt ... in het zevende gebod »Je zult niet stelen«?

Stelen betekent, dat wij onze naaste iets afnemen, hem iets ontvreemden. Eventueel stelen wij geld van onze naaste of zijn have en goed, maar wij stelen ook de tijd van onze naaste, b.v. door onbelangrijke gesprekken met hem te voeren. Wij grijpen eveneens in in zijn levensgebied, wanneer wij hem hinderen, zijn weg te gaan, door hem onze mening op te dringen en van hem te verwachten, dat hij deze gepresenteerde mening aanneemt.

In Zijn grote openbaringswerk »Dit is Mijn woord« onderwijst ons ... Christus:
»Wie zich door zijn medemensen laat ringeloren, wie dus doet, wat anderen zeggen, ofschoon hij inziet, dat dit niet zijn weg is, die wordt geleefd en leeft aan zijn eigenlijke aardse bestaan voorbij. Hij benut de dagen niet; hij wordt gebruikt door degenen, waarvan hij afhankelijk is en kent daarom zijn weg als mens op deze aarde niet.
Hij kent zichzelf niet en bindt zich gelijktijdig aan zijn slachtoffers - en omgekeerd bindt ook het slachtoffer, dat zich laat uitzuigen, zich aan hem. In een van de levens, op aarde of als ziel in de gebieden aan gene zijde, worden beiden weer samengebracht - en dat zo vaak en zo lang, tot de een de ander heeft vergeven«.

Onderzoeken wij de ware beweegredenen van ons spreken en handelen, dan zullen wij wellicht ontdekken, dat wij achterbaks gehandeld hebben en zo onze naaste hebben bestolen.

De rechtvaardige kringloop van de handel en wandel berust op het principe »geven en ontvangen«. Is deze kringloop in evenwicht, dan ontvangen wij zoveel, als wij tevoren onbaatzuchtig hebben gegeven. Daarop berust het vóór-elkaar en het met-elkaar van het ware christelijke gemeenschapsleven en daaruit ontstaat het welzijn voor allen, het gemeenschappelijk welzijn.

Het achtste gebod

»Je zult geen valse getuigenis geven tegen je naasten« of »tegen je naaste.«

Wij overtreden dus het achtste gebod, als wij onwaarheden over onze naasten vertellen. Maar valse getuigenis geven betekent ook onze naaste naar de mond te praten, hem te vleien, te loven, hem te bevestigen, en dat met veel en fraaie woorden, om eventueel iets voor ons persoonlijk te bereiken. Ons denken en willen is dan heel anders dan onze woorden. Dat is valse getuigenis - onwaarheid.

Een waarheid, een wetmatigheid van innerlijk leven, kan dus alleen door diegene worden overgedragen en doorgegeven, die deze zelf in praktijk brengt, dus ernaar leeft.

Wij allen zouden dagelijks moeten controleren wat wij zeggen ... Stemmen onze woorden niet met de waarheid overeen, zijn het dus vermoedens of meningen en wij weten dat, omdat onze gedachten iets heel anders laten zien en omdat wij misschien zelfs heel anders handelen, dan geven wij valse getuigenis.

Het negende en tiende gebod

Het negende gebod: »Je zult niet het huis van je naaste begeren« en het tiende: »Je zult niet de vrouw van je naaste begeren, noch zijn knecht of zijn (dienst)maagd, noch zijn os of zijn ezel, noch alles, wat je naaste bezit«.

Wat in het uiterlijke, het aardse, van ons is, is als het ware ons aardse erfdeel. Het is een geschenk van God, dat wij goed moeten beheren, maar waaraan wij ons nooit moeten binden.
Daaruit volgt, met het oog op het negende gebod »Je zult niet begeren het huis van je naaste«: wees tevreden met dat, wat God je gegeven heeft, wat je mag beheren. Het is jouw opgave om hetgeen je op aarde bezit, te achten, het wetmatig te vermeerderen en te verzorgen, maar niet afgunstig te zijn op hetgeen je naaste bezit.
Velen zijn afgunstig op have en goed van hun naasten, omdat in onze wereld veel onevenwichtigheid en ongelijkheid bestaat ...

Als mensen de christelijke idealen naleven, de geboden van het met-elkaar, de eenheid, de gemeenschappelijkheid, de broederlijkheid, dan is voor hen de vereiste van het negende en tiende gebod helemaal niet meer actueel, want zij zijn niet meer aan persoonlijk eigendom gebonden. Alles behoort de gemeenschap toe en allen werken in de gemeenschap voor het welzijn van allen.

Het negende gebod »Je zult het huis van je naaste niet begeren« kunnen wij ook in geestelijke zin zien.
Wij oerchristenen geloven, dat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is, dus het huis van God.
Hoe is het, wanneer wij het huis, de tempel van onze naaste, als ons eigendom beschouwen, om met deze tempel, dit huis, te doen wat wij willen?

Een blik in de geschiedenis van de westerse wereld: in de middeleeuwen bestond de lijfeigenschap. De boeren stonden ter beschikking van de adel, om voor deze te werken en ontvingen zelf slechts een fractie van hetgeen zij zouden moeten verdienen.

Denken wij ook aan de slavenhandel. In Afrika werden mensen gevangen genomen en per opbod verkocht - er werd dus slavenhandel bedreven.
(Ook een vorm van lijfeigenschap):
kinderen, die nog niet kunnen beslissen, omdat zij nog te jong zijn en daarom niet het onderscheidingsvermogen bezitten, worden gewoon genomen en door het doopsel bij een institutie ingelijfd, ofschoon Jezus leerde: »Onderwijst eerst en doopt dan«, dat wil zeggen laat je naaste vrij beslissen, of hij deze of gene religie wil aannemen.

In de bijbel van Luther zien wij het tiende gebod, dat ongeveer zo klinkt als het negende: »Je zult niet begeren de vrouw, knecht, (dienst)maagd, rund, ezel van je naaste noch iets anders, dat je naaste toebehoort.« Beschouwen wij onszelf alleen als beheerder van hetgeen God ons heeft toevertrouwd?

Geven wij alles, wat wij meer hebben dan wij nodig hebben, verder, zodat op deze aarde, in deze wereld, gelijkheid kan ontstaan?

Wie echter streeft naar het bezit van zijn naaste, het dus begeert, wil uitsluitend iets voor zichzelf.

Ook het afkeuren van onze naaste op grond van een eigenschap, capaciteit of bezittingen die wij hem benijden, is een overtreding tegen dit negende en tiende en ook tegen het zevende gebod: »Je zult niet stelen«.

 

De boodschap der waarheid
De Tien Geboden van God-
Aanwijzingen voor een hoger leven

 

 

De Tien Geboden van GOD
Het leven der oerchristenen

De keuze van de teksten stamt uit dit boek.

Te bestellen bij
Verlag DAS WORT

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum