De dood is de nacht van de ziel. In het aangezicht van het eeuwige leven sterven, is voor de ziel de eeuwige dag.
Het is de vraag: waarom hebben zoveel mensen angst voor de zogenaamde dood? Waarom dat huiveren, die angst, de verdringing van hetgeen toch ieder mens heel vanzelfsprekend te wachten staat? Is datgene, wat als voorstelling „dood“ in zo menig mens schrik, paniek of hulpeloze vertwijfeling veroorzaakt, misschien een vertekend beeld, een produkt uit de onwetendheid, het niet-willen-weten, het gevolg van een verkeerde instelling tot het leven? Waar ligt dit aan?
Omdat veel mensen zich meestal niet kosmisch oriënteren, zichzelf niet bezighouden met de onuitputtelijke kosmische energie en niet boven het materiële bestaan uitkijken, boezemt velen het sterven angst in.
Het leven kan niet ophouden met leven. Leven is een onuitputtelijke, onophoudelijk vloeiende stroom van licht, van goddelijke energie. Er gaat geen energie verloren.
Onze geboorte op aarde bracht het sterven al met zich mee, want elk mensenleven heeft nu eenmaal een einde, door de mens dood genoemd. Het sterven, de dood, is dus even natuurlijk als onze geboorte.
Wie God, het leven, ontkent, heeft zichzelf voor het licht afgesloten. Hij is aangekomen in het schaduwrijk, in de geestelijke onwetendheid, in het irreële. Hij neemt het leven niet meer als zulks waar, maar is geestelijk blind, dus geestelijk dood. – De „dood“ is dus de duisternis van de ziel. Omdat veel mensen de dood als het einde van het leven zien, zijn er op aarde veel geestelijk doden en in het hiernamaals veel, zeer veel geestelijk dode zielen.
Met ons doen en laten zijn wij onderhevig aan de wet van „oorzaak en gevolg“, „zaad en oogst“.
De inhoud van ons gedrag – hetgeen, vaak niet toegegeven, in ons voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen werkzaam is, in het aanslaan van ons geweten, in de reactie van ons zenuwstelsel – is een aanwijzing van wat er aan het complex angst ten grondslag ligt.
Zou het geloof alleen voldoende zijn, dan had God ons door Mozes niet de Tien Geboden gegeven en Jezus niet de leer, die de mens de hemel openen, als hij ze in acht neemt. Als het geloof alleen voldoende zou zijn, zou de Eeuwige ons zeker aanraden: het geloof alleen is voldoende; blijft blind.
„Dood“ is een woord, waarmee men het leven uitsluit.
Het Goddelijke, het positieve, het geweten, komt via de ziel tot ons. De vermaner, het goddelijke aankloppen, het geweten, is de eeuwige Geest, die het eeuwige leven is.
Als we naar het Goddelijke luisteren, naar het reine geweten, leidt het ons naar huis, terug naar het eeuwige vaderland, naar het Absolute, naar het zuiver geestelijke Zijn, vanwaar wij zijn uitgegaan en waar wij ooit weer in eeuwigheid zullen leven. De weg daarheen van onze ziel gaat via „het hiernamaals“, via de reinigingsgebieden.
Van degene, die leert te luisteren, te voelen, wat zijn geweten hem aanraadt en die overweegt om voortaan het goede te doen, valt langzamerhand de angst weg; hij voelt zich vrij en door een goede macht gedragen, die hem van binnen de zekerheid en het houvast geeft en hem gelukkig maakt. Het is de oerbron, God.
Ieder aards leven is een groot geschenk uit de oneindige genade, liefde en zorg van de Eeuwige aan Zijn kind. Ieder mens is in de aardse school, om zich met zijn leven bezig te houden.
Als je consequent handelt overeenkomstig je goede inzicht, bevind je je dus in overeenstemming met de ware leer van Jezus, dan reik je daardoor Hem, Christus, de hand, die je met Zijn licht, Zijn liefde en wijsheid terzijde staat. Dan word je ook steeds meer door de goede en lichte krachten van het leven geleid en word je goed beschermd.
Wie bereidwillig is zichzelf te ondervragen, zichzelf in de situaties van de dag te doorgronden en te erkennen, die wint. Zijn eigen fouten en misgrepen schrikken hem steeds minder af; hij analyseert, schept duidelijkheid, trekt zijn lering eruit en gaat verder. Daaruit ontstaat een rustig geweten, zodoende zekerheid, gelatenheid en standvastigheid in het eigen innerlijk.
Het woord „dood“ is voor de kerk een machtsinstrument, waarmee degenen, die de mens zijn aan-de-kerk-gewijd leven lang het leven tot een hel hebben gemaakt, de onwetendgehouden, met schuldbeladen, door angst gepijnigte en vertwijfelde stervende nog het laatste geld uit de zak kloppen, tot hij dan het doodshemd draagt, dat geen zakken meer heeft.
Het zou ons bewust moeten worden: geen mens kan zijn aardse leven aan anderen overlaten, ook niet aan een uiterlijke religie. Ieder mens is door de grote Geest geroepen zichzelf te verfijnen, zijn karakter te veredelen. Opdat ons dat lukt, hebben wij Gods wijsheid in Zijn geboden en in de leer van de Bergrede van Jezus, de Christus, en momenteel wordt ons het hele uitgebreide spectrum van de hoogste goddelijke leer in telkens nieuwe variaties - voor iedereen toegankelijk - aangeboden, om deze in het individuele dagelijkse leven toe te passen.
De reïncarnatie, de wedergeboorte, geeft de nieuwe mens de mogelijkheid om fouten, die hij in vorige levens heeft gemaakt, in deze incarnatie weer goed te maken, dus te vereffenen.
Omdat bij elke incarnatie het herinneringsvermogen aan vorige existenties wordt afgedekt, is elk aardse leven alsof het weer helemaal nieuw is.
In God, de eeuwige Schepper van de oneindigheid, is verandering, transformatie – en geen vernietiging.
In de hele oneindigheid bestaat er niets wat dood is – alles is energie en energie is leven. Het leven doorstroomt zowel het hiernamaals alsook deze zijde.
De kosmische levensstroom, ook kosmische energie genoemd, het leven, kent geen onderbreking. Leven is onuitwisbaar.
Leven is energie, is aandrijvingskracht. Door de aandrijving van energie lopen de levensgebeurtenissen af.
Ook de levensstroom, die wij onze adem noemen, is kosmische energie.
Met onze ademhaling zijn wij aan het heelal, de kosmische levensstroom, aangesloten.
Alles, wat van God komt, zoals bijv. onze adem, die het leven van de ziel en het sterfelijke omhulsel, de mens, is, gaat weer in de geest binnen, in het leven. De geest, het leven in de ziel, neemt via de ziel de adem tot zich en laat hem na de laatste uitademing van de mens weer in een ander ritme naar de ziel stromen. Dat wil zeggen, na de laatste uitademing van de mens ademt de ziel in en ademt in een ander ritme verder. Al naargelang, hoe wij (als mens) denken en hoe we ons gedragen, lopen in ons processen af, die of tot verfijning en doorstraling van de ziel en ook van ons fysieke lichaam leiden, of tot verschaduwing, waardoor ziel en lichaam in een lagere trilling komen.
De ziel bevindt zich in de buurt van de hypofyse. Zoals we al hebben gehoord, is het etherlichaam van het reine geestwezen – zodoende ook de ziel, die daaruit voortkwam - in geestelijke deelstructuur opgebouwd.
De zielenomhulsels zijn het bewustzijn van de mens; zij formeren zich in het fysieke lichaam tot zogenaamde bewustzijnscentra, die in de nabijheid van de ruggegraat zijn gerangschikt. De omhulsels van de ziel, de bewustzijnscentra, doorstromen met hun straling elke cel, elke bouwsteen van het fysieke lichaam. De bewustzijnsstand van de mens ontstaat uit de uitstraling van de ziel. De totale uitstraling is de aura van de mens.
Deze stralingsintensiteit, de energetische zielenomhulsels in het lichaam, vormen onder andere ook de informatieband tussen mens en ziel en de overeenkomstige planetenconstellaties van de fijnstoffelijke zielenrijken, waarin de ingaven van de mens zijn opgeslagen. Deze verbindings- ook informatieband wordt ook zilversnoer of geestelijke navelstreng genoemd. Deze energetische band is quasi ook een soort pijnoverbrenger.
Als in het lichaam ingrepen worden gedaan, zoals bijv. een lijkschouwing of zelfs een orgaanontname, kan de mens (de stervende), die dit overkomt, via de pijnoverbrenger, de informatieband, de orgaanontname pijnlijk waarnemen. Hij lijdt onuitsprekelijk.
Vooral het ontnemen van een orgaan beleeft de schijnbaar overledene, want het lichaam van de voor dood verklaarde mag bij een orgaanontname nog niet volstrekt dood zijn, omdat anders het ontnomen orgaan medisch-chirurgisch niet meer te gebruiken zou zijn ... Deze verschrikkelijke situatie is helaas al te vaak een bittere en smartelijke werkelijkheid.
Als een ziel ter wedergeboorte, dus ter incarnatie gaat, om op aarde als mens te leven, dan brengt zij haar aardse tijd, de duur van haar aardse leven, mee. Deze begint bij de geboorte en eindigt met het sterven, de zogenaamde dood.
De ziel ziet haar verbindingen met mensen, wat zij anderen heeft aangedaan en hoe deze haar hebben behandeld. Als zielenlichaam bespeurt de ziel het leed of de nood – alles, wat zij haar toenmalige medemensen, maar ook de dieren en de natuur heeft aangedaan. Deze zelfervaring geeft haar de mogelijkheid te berouwen, wat in deze zielenomhulsels of in aspecten van de zielenomhulsels is opgeslagen. Al naargelang de belasting ligt in het dan actieve zielenomhulsel of in de zielenomhulsels ook de gang in een volgende incarnatie, om als mens veel te berouwen en te bereinigen, wat zij zich heeft opgeladen en wat uiteindelijk de mens tekent.
Al in weinig aardse jaren heeft de ziel de kans om vrij te komen van menige last, er bestaat echter ook de mogelijkheid, dat zij zich op aarde opnieuw belast. Het voor en tegen van de incarnatie kan zij in de zielenrijken met haar beschermengel of een leer-engel van te voren afwegen. Deze wijst haar op de zin en het doel van het aardse leven, op haar opgave. Zo kan de ziel een beslissing nemen. Geen enkele ziel gaat zonder voorlichting ter incarnatie, of zij dit wil aanhoren en accepteren of niet.
Het sterven, om in een andere vorm verder te leven, is een deel van het aardse leven.
Het aardse leven is kostbaar! Wij zouden ons vaker bewust moeten maken: tegenover elke fout die wij maken, staan deugden en levensbevestigende krachten, die wij door bevestiging en vervulling kunnen ontwikkelen. Het hangt altijd van onszelf af, welke krachten wij werkzaam laten worden.
Elke doodstrijd is een strijd van de mens met zijn ziel. De mens wil „het leven“ behouden, dat echter in de ziel is – het leven van de onsterfelijke ziel, die nu het leven, de adem, tot zich neemt.
Mensen, die bewust hebben geleefd, beleven tijdens het sterven, hoe in hen een lichtbrug wordt opgebouwd, die hen de wens overbrengt om over de brug te gaan.
Als de ziel zich van haar sterfelijke omhulsel helemaal heeft losgekoppeld, bevindt zij zich in een andere agregaattoestand. Zij heeft een vorm, een gestalte, die lijkt op een menselijke, maar haar stof, haar consistentie, is fijner en lichter.
Direct na de dood staat de ziel meestal naast haar lichaam. Zij kan dit aanzenden, als het ware toestralen, misschien zelfs nog doorstralen, als het nog warm is, maar zij kan het niet meer bewegen en zich door de gestorven, dichte stof, het lichaam, ook niet meer uiten.
Na de dood schouwt de ziel in haar actieve zielenomhulsel enkele van haar gestorven verwanten. Zij ziet ze, zoals zij deze als mens zag, die destijds ook mens waren en die haar eventueel – al naar gelang, hoe de relatie tot hen was en omgekeerd – in de andere wereld begroeten en welkom heten.
Hoe het verderleven van de ziel na de dood eruit zal zien, hangt af van de zwaarte van haar belastingen resp. de graad van haar doorlichting.
Laten we ons bewust maken: „hemel“ en „hel“ zijn bewustzijnsgraden, die wij onszelf scheppen.
Aardgebonden zielen blijven vaak lange tijd als zielen onder de mensen. Zij hangen zich aan mensen, omgeven resp. bezetten deze dus, en zetten hen eventueel aan tot bepaalde negatieve handelingen, door alle voorhanden tegenstrijdige, al-te-menselijke tendensen voor hun suggesties, manipulaties en beïnvloeding te benutten.
Wij zouden moeten inzien, dat alles, wat ons overkomt, zij het positief of negatief, ergens goed voor is en ons ten beste zou kunnen dienen, als wij uit het negatieve het positieve halen, het bevestigen en het tegenstrijdige bereinigen. Wie de positieve krachten opbouwt, door ernaar te handelen, heeft een sleutel in de hand en het gereedschap om waarachtig te leven. Met dit inzicht kan hij de geestelijke dood overwinnen.
Wijs handelt degene, die de aardse tijd benut om de ware schat, de schat van het innerlijk, op te graven en te vergroten, door het beste, dat uit God komt, te geven en ernaar te streven, innerlijke blijdschap te schenken. Wie waarachtig de schat van het leven opgraaft, behoudt hem in zijn aardse dagen en ook na de dood. Als de kring van zijn aardse leven is gesloten, leven zijn goede werken in het hiernamaals verder, zoals evenals zijn ziel in stralende gebieden van het leven binnengaat, omdat de werken des levens goed waren.