U bent hier: Startbladzijde > Wij over ons > De boodschap der waarheid > Jezus en de dieren

Jezus en de dieren


De boodschap der waarheid


Jezus leerde ons de liefde voor alle schepselen. Tijdens Zijn aardse leven gaf Hij ook de dieren een stem, waarvan typisch genoeg in de bijbel zo goed als niets meer te vinden is. In aprocriefe evangeliën daarentegen, bijv. in „Het evangelie van Jezus“ wordt ongecensureerd en uitvoerig over de dierenliefde van Jezus bericht.
Daartoe hier enkele voorbeelden uit het boek: „Dit is Mijn woord. Alfa en omega. Het evangelie van Jezus“.

Jezus kwam in een dorp en zag daar een kleine poes, die onbeheerd was, en ze had honger en schreeuwde naar Hem. En Hij tilde haar omhoog, hulde haar in Zijn gewaad en liet haar aan Zijn borst rusten.
En toen Hij door het dorp liep, gaf Hij de poes te eten en te drinken.

En ze at en dronk en betoonde Hem haar dank. En Hij gaf haar aan een van zijn discipelen, een weduwe met de naam Lorenza, en zij zorgde voor haar.

En sommigen uit het volk zeiden: „Deze man zorgt voor alle dieren. Zijn het Zijn broeders en zusters, dat Hij hen zo liefheeft?“ En Hij sprak tot hen: „Waarlijk, deze zijn jullie medebroeders uit de grote familie van God, jullie broeders en zusters, die dezelfde adem des levens van de Eeuwige hebben.
En wie altijd voor een van de kleinsten van hen zorgt en hem spijs en drank geeft in zijn nood, die doet dit aan Mij, en wie het wetens en willens duldt, dat een van hen gebrek lijdt en het niet beschermt als het wordt mishandeld, die laat dit kwaad toe als wanneer het Mij aangedaan werd. Want net zoals jullie in dit leven hebben gedaan, zo zal het jullie in het komende leven worden gedaan.“

En op een dag liep Hij op een bergpad langs de rand van de woestijn; daar trof Hij een leeuw, die door een massa mensen met stenen en speren werd vervolgd en zij wilden hem doden.
Maar Jezus berispte hen, zeggende: „Waarom jagen jullie op de schepselen van God, die edeler zijn dan jullie? Door de wreedheid van vele generaties werden zij tot vijanden van de mensen gemaakt, die eigenlijk hun vrienden zouden moeten zijn.
Zoals in hen de macht Gods zichtbaar wordt, zo toont zich ook Zijn geduld en Zijn medelijden. Houdt op, dit schepsel te vervolgen! Het wil jullie geen leed aandoen, zien jullie niet, hoe het vlucht voor jullie en geschrokken is van jullie gewelddadigheid?“
En de leeuw kwam naderbij en legde zich voor Jezus‘ voeten en betoonde Hem zijn liefde. En het volk verwonderde zich zeer en sprak: „Ziet, deze mens heeft alle schepselen lief en Hij heeft zelfs macht over de dieren van de woestijn en zij gehoorzamen Hem.“

Toen Jezus daar met enige discipelen liep, ontmoette Hij een man, die honden africhtte voor de jacht op andere dieren; en Hij sprak tot de man: „Waarom doe je dat?“ En de man antwoordde: „Omdat ik daarvan leef. Wat hebben deze dieren dan voor nut? Deze dieren zijn zwak, de honden echter zijn sterk.“
En Jezus sprak tot hem: „Het ontbreekt jou aan wijsheid en liefde. Zie, ieder schepsel, dat God heeft geschapen, heeft zijn zin en doel. En wie kan zeggen, wat voor goeds in hem is en tot welk nut voor jou of de mensheid?
En voor je levensonderhoud: zie de velden, hoe zij groeien en vruchtbaar zijn en de vruchtdragende bomen en kruiden! Wat wil je nog meer dan dat, wat het eerlijke werk van je handen je schenkt?
Wee de sterken, die hun kracht misbruiken! Wee de sluwe, die de schepselen van God verwondt! Wee de jagers! Want zij zullen zelf gejaagd worden.“

Het geschiedde, dat de Heer de stad uit trok en met Zijn discipelen over het gebergte ging. En toen kwamen zij aan een berg met zeer steile wegen. Daar ontmoetten zij een man met een lastdier.
Het paard was echter ineengestort, want het was overbelast. De man sloeg het, tot er bloed vloeide. En Jezus ging naar hem toe en sprak: „Jij zoon van wreedheid, waarom sla je je dier? Zie je dan niet, dat het veel te zwak is voor zijn last en weet je niet dat het lijdt?“
De man echter antwoordde: „Wat heb Jij daarmee te maken? Ik kan mijn dier slaan zoveel het mij bevalt, want het is van mij en ik kocht het voor een mooie som gelds. Vraag hen die bij Je zijn, zij zijn uit mijn buurt en weten het.“
En enkele van de discipelen antwoordden en zeiden: „Ja, Heer, het is zoals hij zegt, wij waren erbij, toen hij het paard kocht.“ En de Heer antwoordde: „Zien jullie dan niet hoe het bloedt en horen jullie niet, hoe het kreunt en jammert?“ Zij echter antwoordden en zeiden: „Nee, Heer, wij horen niet dat het kreunt en jammert.“

Ik, Christus, verklaar, verbeter  en verdiep het woord:

Zelfs als de mens een dier verworven heeft, is het toch niet zijn eigendom. Zoals het geestelijke lichaam, de ziel in de mens, tot het eeuwige Zijn behoort, omdat de Eeuwige het geestelijke lichaam heeft geschapen en het geestwezen door de Eeuwige in het eeuwige Zijn leeft, zo werd ook het dier door de eeuwige Scheppergeest geschapen en behoort tot dat leven, dat is en eeuwig zal zijn – tot God.
De hele oneindigheid is dienende liefde, dienend leven: ook de mens is door Mij, Christus, geroepen om zijn naaste op onbaatzuchtige wijze te dienen. Daartoe behoort ook de overnaaste, het dier. Want ook het dier is met de gaven van onbaatzuchtig dienen uitgerust en dient graag en bereidwillig de mens, die het liefheeft.
Als de mens zijn naasten, zijn medemensen dus, niet onbaatzuchtig liefheeft, zal hij hen ook niet onbaatzuchtig dienen. Zijn zelfzuchtigheid brengt hij dan eveneens over op de dieren- planten- en mineralenwereld.
Het dier kan niet spreken. Stil lijdt en duldt het en kan zijn pijn en leed nauwelijks mededelen. Slechts diegene kan waarnemen wat het dier aan leed en pijn duldt, die mensen, dieren, planten en stenen onbaatzuchtig liefheeft.

En de Heer werd verdrietig en sprak: „Wee jullie, door de afgestomptheid van jullie hart horen jullie niet, hoe het klaagt en roept tot zijn hemelse Schepper om erbarmen, en driemaal wee over hen, tegen wie het roept en kreunt in zijn pijn!“
En Hij ging verder en raakte het paard aan en het dier stond op en zijn wonden waren genezen. Tot de man echter sprak Hij: „Ga nu heen en sla het voortaan niet meer, als ook jij erbarmen hoopt te vinden.“

En toen Jezus naar Jericho ging, ontmoette Hij een man met jonge duiven en een kooi vol met vogels, die hij had gevangen. En Hij zag hun leed over het feit, dat zij hun vrijheid hadden verloren en bovendien honger en dorst leden.
En Hij sprak tot de man: „Wat doe je met hen? En de man antwoordde: „Ik leef ervan, dat ik de vogels verkoop, die ik heb gevangen.“
En Jezus sprak tot hem: „Wat denk je, als iemand die sterker en slimmer is dan jij, jou gevangen zou nemen en in boeien zou slaan of ook je vrouw of je kinderen en jouzelf in de gevangenis zou werpen, om je voor zijn eigen voordeel te verkopen en zijn levensonderhoud daarmee te verdienen?
Zijn dit niet jouw medeschepselen, alleen zwakker dan jij? En zorgt niet dezelfde God, Vader en Moeder, voor hen evenals voor jou? Laat deze jouw kleine broeders en zusters vrij en zie erop toe, dat je zoiets nooit meer doet, maar dat je eerlijk je brood verdient.“
En de man verbaasde zich over deze woorden en Zijn volmacht en liet de vogels vrij. Toen de vogels eruit kwamen, vlogen zij naar Jezus toe, gingen op Zijn schouders zitten en zongen voor Hem.
En de man vroeg verder naar Zijn leer, en hij ging zijns weegs en leerde manden vlechten. Door zijn werk verdiende hij zijn brood en brak zijn kooien en strikken af en werd een discipel van Jezus ...

Op een dag, nadat Jezus zijn rede had beëindigd, geschiedde het op een plaats nabij Tiberias, waar zeven bronnen zijn, dat een jonge man hem levende konijntjes en duiven bracht, opdat Hij ze samen met zijn discipelen zou eten.
En Jezus keek de jonge man liefdevol aan en sprak tot hem: „Je hebt een goed hart en God zal je verlichten; maar weet je niet, dat God in het begin aan de mens de vruchten der aarde tot voedsel gaf en hem daardoor niet minder maakte dan de aap of de os of het paard of het schaap, dat hij zijn medeschepselen doodt en hun vlees en bloed eet?
Jullie menen, dat Mozes terecht beval, zulke schepselen te offeren en te eten, en zo doen jullie het in de tempel; maar zie, een grotere dan Mozes is hier en komt, om de bloedoffers van de wet en de gelagen af te schaffen en weer te herstellen de reine gave en het onbloedige offer, zoals het in het begin was, namelijk granen en vruchten van de aarde.“

Jezus trok naar Jeruzalem en kwam een kameel tegen met een zware last hout. De kameel kon haar niet de berg opslepen en de drijver sloeg hem en mishandelde hem op een wrede manier, maar kon het dier niet van zijn plaats krijgen.
En toen Jezus dit zag, sprak Hij tot hem: „Waarom sla je je broeder?“ En de man antwoordde: „Ik wist niet, dat het mijn broeder was. Is het niet een lastdier en gemaakt, om mij te dienen?“
En Jezus sprak: „Heeft niet dezelfde God van dezelfde stof dit dier geschapen en jouw kinderen, die je dienen, en hebben jullie niet beiden dezelfde adem van God ontvangen?“
En de man was zeer verbaasd over deze woorden. Hij hield op, de kameel te slaan en bevrijdde hem van een deel van zijn last. Zo ging de kameel de berg op en Jezus ging hem voor, en hij bleef niet meer staan tot aan het einde van de dagreis.
De kameel herkende Jezus; want hij had de liefde Gods in Hem gevoeld. En de man wilde meer weten van de leer, en Jezus leerde hem graag, en hij werd Zijn aanhanger.

Erken: ook wat je de dieren aandoet, doe je Mij, de Christus, aan en evenzeer jezelf. De kwellingen en pijnen van de dieren zullen eens jouw kwellingen en pijnen zijn. God, de Eeuwige, heeft de mens ook de dieren toevertrouwd - echter niet, om deze te kwellen, maar om met hen te leven.

De aarde is de mensen gegeven, opdat zij zich weer bewust worden, dat zij kinderen van God zijn, dat hun leven – zoals al het leven – uit God is, opdat zij het leven leren waarderen en liefhebben. In welke vorm en in welke bewustzijnsstand het leven de mensen ontmoet en zich openbaart: in alles is God – het leven.

Noch door de apostelen, noch door de discipelen werd bevolen, om een lam te slachten. Maar zowel aan Mij, alsook aan de apostelen en discipelen, werden delen van een toebereid lam als gave van liefde gereikt. Onze naasten wilden ons daarmee een geschenk aanbieden, omdat zij niet beter wisten. Ik zegende de gave en begon het vlees tot Mij te nemen. Mijn apostelen en discipelen deden hetzelfde. Daarop stelden zij Mij de vraag: wij behoren toch afstand te nemen van het eten van vlees. Zo heb Je het ons bevolen. Nu heb Je zelf vlees gegeten.
Ik onderwees de Mijnen: de mens behoort geen dier moedwillig te doden en ook niet het vlees van dieren te eten, die werden gedood voor het eten van hun vlees. Maar wanneer mensen, die nog onwetend zijn, vlees als voedsel hebben toebereid en het de gast als geschenk aanbieden en het hem bij het gastmaal aanreiken, dan behoort de gast de gave niet af te wijzen. Want het is een verschil, of de mens vlees eet uit begeerte of als dank aan de gastheer voor zijn moeite.

De wetende zou echter, als het hem mogelijk is en de uiterlijke omstandigheden en de tijd het mogelijk maken, de gastheer algemene aanwijzingen moeten geven, hem echter niet trachten te beleren. Als de tijd rijp is, zal ook de gastheer deze algemene aanwijzingen begrijpen ...

Waarlijk, Ik zeg jullie, daarom Ben Ik in de wereld gekomen, dat Ik alle bloedoffers en het eten van vlees van dieren en vogels afschaf, die door mensen worden geslacht.

Ik, Christus, verklaar, verbeter en verdiep het woord:

... Het leven in God omvat niet slechts de naaste, maar eveneens alle levensvormen, zoals dieren, planten, mineralen en stenen, want al het Zijn draagt het leven, God. Wie in eenheid is met het leven, doodt niet moedwillig dieren, noch zal hij moedwillig planten vernietigen. Hij respecteert ook het leven - de bewustzijnskrachten - van de mineralen en de stenen.

En wat jullie de geringsten van Mijn kinderen aandoen, dat doen jullie Mij aan. Want Ik Ben in hen en zij zijn in Mij. Ja, Ik Ben in alle schepselen en alle schepselen zijn in Mij. Over al hun vreugden verheug ook Ik Mij en als ze leed hebben lijd ook Ik. Daarom zeg Ik jullie: weest goed voor elkaar en voor alle schepselen Gods.“

Weest dus voorkomend, goedig, meevoelend en vriendelijk, niet alleen voor jullie gelijken, maar ook voor alle creaturen, die onder jullie hoede zijn; want jullie zijn voor hen als goden, waarnaar ze opkijken in hun nood.

De boodschap der waarheid
Jezus en de dieren

Deze en andere brochures uit de reeks
De boodschap der waarheid
kun je gratis bestellen. (Nog niet in het Nederlands)

Hier vind je het bestelformulier...

Dit is Mijn woord. Alfa en Omega.
Het evangelie van Jezus.

De Christus-openbaring, die inmiddels
de ware christenen over de hele wereld kennen

Uit dit boek van Gabriële
werden de uittreksels ontnomen

Te bestellen bij
Verlag DAS WORT

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum