U bent hier: Startbladzijde > Wij over ons > De boodschap der waarheid > Reïncarnatie

Reïncarnatie
Een genadegeschenk van het leven


De boodschap der waarheid


c Manu/Fotolia.com

Het geloof in de wedergeboorte is zo oud als de mensheid. Meer dan de helft van de mensheid houdt de wet van oorzaak en gevolg en de gedachte, dat men meermaals kan incarneren, voor een volledig natuurlijke zaak. Het is te vinden in oude natuurkringen – in geen geval alleen in het oosten, bijv. in het Boeddhisme en het Hindoeïsme.
De gedachte van de reïncarnatie was een deel van de Griekse filosofie, bij Pythagoras, bij Plato; zij was in Egypte voorhanden en er waren en zijn ook telkens weer grote geesten en dichters, die er vanzelfsprekend van uitgaan, dat wij vaker op aarde mogen leven om ons te louteren. In de tijd van Jezus was de reïncarnatiegedachte ook te vinden in het joodse volksgeloof.
De joodse religiewetenschapper Schalom Ben Chorin schrijft: „De gedachte van de wedergeboorte is in het jodendom in de tijd van Jezus klaarblijkelijk een volksgeloof ... Zo hielden de mensen Jezus voor een van de oude profeten, die teruggekomen is.“(Luc. 9,8 en 19) ...
Ook in de tijd van het oerchristendom gingen nog talrijke geschriften van hand tot hand, waarin als vanzelfsprekend van de reïncarnatiegedachte werd uitgegaan. Zo bijv. in de Pistis Sofia, een der aprocriefe (= verborgen) evangeliën, waarin Jezus in samenhang met de terugkeer van een ziel uit het hiernamaals in een menselijk lichaam ervan spreekt, dat de ziel een „beker met de dronk van vergetelheid drinkt“.
Deze geschriften werden echter, zoals veel andere, niet opgenomen in de officiële canon van de kerkelijke bijbel. De ontstaande machtskerk, die Jezus van Nazareth niet gesticht heeft, begon er pas tegen het einde van de 2e eeuw mee om bepaalde teksten de voorkeur te geven. Pas tegen het de 4e eeuw werd dit proces van de doelgerichte keuze (canonisering) afgesloten.

In het jaar 383 ontving Hieronymus (345-420), de bijbelschrijver, de opdracht van paus Damasus I, om een uniforme Latijnse bijbel tot stand te brengen. Zo ontstond de zogenaamde Vulgata, de Latijnse bijbel, die tot heden aan het goedgelovige volk als het foutloze woord van God wordt „verkocht“. Hieronymus had echter heel wat anders dan een uniforme tekstbasis. Men kent thans circa 4860 Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, waarvan geen twee teksten met elkaar overeenstemmen. Theologen tellen nu circa 100.000 verschillende variaties. Hieronymus, die bij zijn werk ongeveer 3500 passages in de evangeliën veranderde, schreef toendertijd aan de paus:„Zou er ook slechts een te vinden zijn, die mij niet ... luidkeels voor een vervalser en religiemisdadiger uitscheldt, omdat ik de vermetelheid bezat, het een en ander in de oude boeken, de evangeliën, toe te voegen, te veranderen of weg te laten?“ Maar wat liet hij weg, wat voegde hij toe? En wat veranderde hij? ....
Het gaat vooral om het weten van de reïncarnatie en de preëxistentie van de ziel. Hieronymus wist zeer goed, dat de wedergeboorte een bestanddeel van de vroegchristelijke leer was. In een brief schrijft hij over de vroegchristelijke wijsheidsleraar Origenes (185-254), dat volgens zijn leer de ziel van de mens „haar lichaam wisselt“. (Epistula 16) En in een andere brief staat de uitspraak: „De leer van de wedergeboorte werd sinds de allereerste tijden ... verkondigd als een overgeleverd geloof.“...

Ondanks de massieve manipulaties aan de bijbelteksten is tussen de regels nog het een en ander behouden gebleven, wat zo menige aanwijzing kan geven voor het feit van de reïncarnatie en de preëxistentie van de ziel.
In het boek Wijsheid (8,19) vindt men een duidelijke verwijzing naar de preëxistentie van de ziel. Salomo, de schrijver van deze tekst in de bijbel, zegt over zichzelf: „Ik was een begaafd kind en had een goede ziel gekregen, of veelmeer: goed, zoals ik was, kwam ik in een onverdorven lichaam.“
Ook in het Nieuwe Testament zijn er aanwijzingen op de reïncarnatie. Zo vraagt Jezus bijv. aan Zijn discipelen: „Voor wie houden de mensen mij, Jezus van Nazareth, de mensenzoon?“ En Zijn discipelen antwoordden: „Sommigen houden je voor Elias, anderen voor Jeremias of een andere profeet.“(Mt 16,13 e.v.) Hoe de leer van de wedergeboorte leefde in het vroege christendom, voordat zij het slachtoffer werd van een complot van de priesterkaste, wordt voorbeeldig getoond door de grote vroegchristelijke leraar Origenes (185-254). Hij was zonder twijfel de bekendste en belangrijkste geleerde van de christelijke klassieke oudheid. Zijn weten en leven heeft meer dan drie eeuwen het hele Middellandse zeegebied geestelijk verlicht. De preëxistentie van de ziel onder andere hoorde tot het weten, dat Origenes verbreidde.
Origenes leefde echter in een tijd, waarin de ompoling van het oerchristendom tot een op uiterlijke rituelen en uit het heidendom overgenomen gebruiken opgebouwde machtsinstitutie, in volle gang was. Al tijdens zijn leven werd hij zeer vijandig bejegend.
De geschriften van Origenes waren tegen het einde van de 4e eeuw al vervalst en werden daarbij nog door vertegenwoordigers van de kerk systematisch vernietigd. Van zijn originele geschriften bestaan tegenwoordig nog slechts schamele resten. Toch verspreidde de leer van Origenes zich via Arius (ca. 260-336) en Wulfila (313-383) als zogenaamd „Arianisme“ over grote delen van Europa. Deze „ketterij“ was voor de kerk een doorn in het oog. Keizer Justinian liet op een synode van de Oostkerk 543 in Constantinopel de leer van Origenes, voor zover ze toen nog bekend was, in negen krijgshaftig klinkende banvloeken verbieden ...
De reïncarnatie werd in deze vervloekingen wel niet uitdrukkelijk aangehaald, wel echter de preëxistentie van de ziel en „het herstel van alle dingen“, dus de leer, dat alle mensen en zielen eens weer bij God zullen zijn, dat er dus geen „eeuwige verdoemenis“ bestaat. Daarmee heeft men de vroegchristelijke reïncarnatieleer de grond in geboord. En waarom gebeurde dat? Omdat het geloof in de reïncarnatie de mensen van alle dogma’s en kerkelijke wetten ontbindt ...
Zou Hieronymus het oerchristelijke weten van de reïncarnatie, dat zowel in de geschriften van Origenes, alsook in apocriefe evangeliën te vinden is, mee hebben opgenomen in de bijbel en de westelijke kultuurkring hebben ontsloten, dan waren de laatste 1700 jaren heel anders verlopen.
De mensheid zou heel andere, hogere ethisch-morele waarden in het dagelijkse leven verwezenlijken. Want het weten van de reïncarnatie en van de wet van oorzaak en gevolg behelst eveneens het verantwoordingsbewustzijn voor het eigen leven en gedrag ...
De mensheid zou heel andere, hogere ethisch-morele waarden in het dagelijkse leven verwezenlijken. Want het weten van de reïncarnatie en van de wet van oorzaak en gevolg behelst eveneens het verantwoordingsbewustzijn voor het eigen leven en gedrag ...

Maar inplaats van de leer van de reïncarnatie en de liefde van God voor Zijn kinderen, inplaats van de leer, dat God in ieder van ons woont en in alle dingen het leven is en dat de aarde een proefgebied is voor gevallen zielen – zoals het Jezus, de Christus, Zijn discipelen en zodoende ook ons leerde -, werd er een uiterlijke leer door de kerk verkondigd, vol met bloeddorstige offercultussen, zoals in het stenen tijdperk en de leer van de eeuwige verdoemenis en een straffende, wrede God ...

Maar de tijd is gekomen, waarin de Christus Gods in het profetische woord, gegeven door Gabriële, Gods leerprofetes en verkondigster voor deze tijd, de mensheid het weten van de reïncarnatie opnieuw heeft geschonken en bijgebracht. Al meer dan 30 jaar spreekt God, de almachtige, goedhartige Vader, weer tot Zijn kinderen. En Hij heeft ons, zoals Jezus van Nazareth 2000 jaar geleden heeft aangekondigd, door het profetische woord in alle waarheid geleid, in zoverre mensen het kunnen begrijpen ...

De mens oogst, wat hij zelf vooraf heeft gezaaid. Wat ons in dit leven overkomt, hebben wij dus – mogelijk in een vorig leven – zelf veroorzaakt. Nu mogen wij het inzien en met de hulp van de Christus Gods bereinigen. Is dat geen grote genade? Wij kunnen dankbaar zijn, dat God ons telkens weer een nieuwe kans geeft om ons van onze belastingen te bevrijden en te louteren – inplaats van, zoals de kerk beweert, slechts een enkel leven ter beschikking te hebben, waarin voor eens en voor altijd alles beslist zou moeten worden.
Het principe van de reïncarnatie heeft ook niets te maken met een „eigen verlossing“, die mogelijk de verlossersdaad van de Nazarener overbodig zou maken. Integendeel: de verlosserskracht van de Christus Gods geeft ons weer de mogelijkheid om telkens met Zijn hulp op te staan, als wij gevallen zijn, steeds weer van binnenuit om te keren en ons geleidelijk, van incarnatie tot incarnatie, hoger te ontwikkelen door steeds meer Zijn wil te vervullen ...

Waar christendom is een absoluut vrij christen-zijn. Het betekent, Christus toe te behoren, want Hij, Jezus van Nazareth, vroeg de mensen Hem na te volgen. Hem na te volgen betekent, Zijn leer niet alleen aan te nemen, maar ook in het dagelijkse leven om te zetten. Daaruit ontstaat een innerlijke religie, het innerlijke christendom. Want de Geest Gods is binnenin ieder mens!
Waartoe dan een uiterlijke religie, een uiterlijk christendom? Waarom kerken, als toch iedereen zelf de tempel is van God en ieder mens rechtstreeks kan bidden tot de Christus Gods? Een stille, rustige plek is aan te raden om zich te verinnerlijken, om innig te bidden – een pronkvolle kerk is daarvoor niet nodig. Dat onderwees Jezus van Nazareth al. Een van Zijn discipelen, Stefanus, betuigde het al: „De Allerhoogste woont niet in huizen, die door mensenhanden zijn gemaakt.“ (Apg 7,48)

De ziel was oorspronkelijk een onbelast geestwezen in het rijk Gods. Maar toen wendden zich enkele van de geestwezens van God af; zij vielen af en vielen – beeldend gesproken – in de diepte. Deze val ontstond dus door een opstand tegen God. Goddelijke wezens wilden alomtegenwoordig zijn, wilden zijn zoals God. Daar er echter slechts een God bestaat, een Absolute Wet, die alles omvat, kan men eigenlijk niet tegen God in opstand komen. Wie in opstand komt, komt in het gevolg van zijn oorzaken, in de oogst van zijn zaad.
Zo kwamen de gevallen wezens door het valgebeuren in een steeds grotere verdichting, van het geestelijke, de fijnstoffelijkheid tot een materieel bestaan, in een grofstoffelijke omhulling. In deze materiële inkleding – als mens – is de ziel in haar lichamelijke voertuig gebonden aan de wet van oorzaak en gevolg, die zij uiteindelijk zelf heeft geschapen. Zolang de ziel in haar fysieke lichaam aan deze wetmatigheden onderhevig is, moet zij ook de wanorde, waarin zij door de misstappen ten opzichte van de kosmische orde is gekomen, weer goedmaken. Dat is eigenlijk zeer begrijpelijk en klaarblijkelijk ook rechtvaardig. Want men kan niet van God verwachten – zoals het blijkbaar de theologen doen -, dat Hij de wanorde, die de ziel veroorzaakt heeft door al-te-menselijk, zondig gedrag, gewoon wegtovert. Want God heeft Zijn kinderen de vrijheid geschonken. En deze vrijheid, in verbinding met de wet van oorzaak en gevolg, stelt als voorwaarde, dat ik, hetgeen ik zelf heb aangericht, ook zelf weer goed te maken heb.
Zou God eenvoudig onze zonden van ons  wegnemen, wat zouden we dan winnen? Zou Hij bijv. een gewelddadig mens vreedzaam maken, dus zijn schuld, datgene, wat hij anderen heeft aangedaan, zonder inzicht, berouw en ommekeer van deze mens wegnemen – wat zou er dan gebeuren? Zonder eigen inzicht en erkenning zou de mens zichzelf toch niet veranderen; hij zou na een tijdje weer hetzelfde doen, bijv. weer geweld gebruiken. Zou God echter de mens met Zijn kracht vreedzaam houden – wat zou de mens dan anders zijn dan een marionet? ...

Ieder mens beslist uiteindelijk zelf over een volgende incarnatie van zijn ziel of het doelgerichte naar huis gaan naar het Vaderhuis. Daarom leerde ons de Eeuwige toch de Tien Geboden door Mozes. Daarom kwam Zijn zoon, Jezus, de Christus. Hij leerde ons de liefde tot God en de weg terug naar de Vader. In Zijn overgrote liefde voor ons mensen bracht Hij ons de vrijheid en het licht ...

Als we volgens de geboden van God en volgens de leer van Jezus, de Christus, leven, dan zijn er geen verdere incarnaties meer nodig.
Om het nog eens duidelijk te zeggen: het is niet de wil van God, dat een ziel veel incarnaties doorloopt. Het is Zijn wil, dat de mens zich hier en nu, in dit aardse leven, zover aan ziel en lichaam reinigt, dat er geen verdere incarnaties meer noodzakelijk zijn ...

In de reïncarnatie ligt geen dwang, maar weer de vrije wil van de ziel! Hoe meer belast een ontlichaamde ziel is, des te meer trekt het de ziel ter incarnatie, in een mensenlichaam. Hoe lichter een ziel in het lichaam van een mens wordt, des te minder denkt de ziel na de dood aan een reïncarnatie, maar zet alles op alles om zo spoedig mogelijk naar de eeuwigheid, naar God, terug te keren.

Uit de eeuwige wet des levens weten we: als een kind verwekt wordt, komt er een ziel uit het hiernamaals naderbij. Wij weten ook, dat alles energie is en dat het gelijke weer het gelijke aantrekt. De aanstaande ouders trekken een ziel aan, die overeenkomstig de vibratie bij hen past. Dat betekent in de allermeeste gevallen: het kind en de ouders hebben met elkaar iets te bereinigen; daarom hebben de aanstaande ouders een grote verantwoording. Zij moeten weten, dat ze een kind aantrekken, dat met hun genen overeenkomt.
Het kan zijn, dat in vorige levens het kind bijv. de moeder resp. de vader van deze ouders was, dat zij als gezinsleden oorzaken met elkaar hebben geschapen, die hen nu karmisch aan elkaar ketenen. Deze ketenen kunnen zij nu weer met elkaar   verbreken – nu, in dit leven, vader, moeder en kind. Zo gauw dit is gebeurd, gaat eventueel het kind zijn eigen weg. De betrokkenen komen dus eerst in een gezin samen, om zo het een en ander in orde te brengen, om zich van deze schuld te bevrijden, om volgens de leer van het leven hun ziel te reinigen en om, ieder voor zich, zo spoedig mogelijk vrij de verdere weg naar het Vaderhuis voort te zetten.
Wat voor de relatie tussen ouders en kinderen geldt, kan men op de verhouding tussen alle mensen overbrengen, die zich in deze incarnatie op aarde ontmoeten. Dat is zonder twijfel een heel belangrijk aspect van de reïncarnatie: wij komen niet toevallig met bepaalde medemensen in contact. Wij ontmoeten elkaar mogelijk nu opnieuw, om de gelegenheid waar te nemen om onafgedane opgaven uit vorige incarnaties af te werken. Hoe? Door onze medemensen serieus te nemen, bijv. naar elkaar te luisteren en vooral, door elkaar wederkerig te vergeven ...

Als we in aanmerking nemen, dat hetgeen ons in dit leven overkomt, vaak oorzaken heeft, die betrekking hebben op een vorige incarnatie, verschijnt ook God ons in een heel ander licht. We zullen God dan niet meer zo gemakkelijk aanklagen, waarom ons dit of dat „onrecht“ overkomt en waarom het uitgerekend ons gebeurt, maar we denken er eerder over na, in hoeverre het noodlot, dat ons nu treft, misschien aan negatieve energieën te wijten is, die wij vroeger hebben uitgezonden en die nu weer op ons afkomen ...
Dat betekent echter niet, dat wij de noodlottigheden van anderen kunnen doorschouwen of zelfs laatdunkend op hen mogen wijzen, omdat zij toch „zelf schuld hebben“. Daarmee zou men zich weer zelf belasten, afgezien van het feit, dat niemand weet, wat hem zelf in dit leven nog te wachten staat.
Als wij ons lot accepteren – zeg maar: niet anderen daarvoor verantwoordelijk maken -, dan betekent dat niet, dat wij moeten berusten en ons in ons noodlot moeten laten vallen! Het lot is niet vastgelegd; in het hele leven bestaat geen stilstand. God wil, dat wij Zijn geboden/wetmatigheden navolgen, opdat het ons goed gaat. Zo gauw we ons tot Hem wenden en moeite doen om steeds meer naar Zijn geboden te leven, zal eventueel ook ons lot een wending nemen – als het goed is voor onze ziel.

Vaak vragen mensen: waarom grijpt God niet in? – God gaf ons toch de vrije wil! Hoe kan Hij, die ons de vrije wil gaf, dan ingrijpen in onze al-te-menselijke wil, in onze hardnekkigheid, in onze boosaardigheid, in onze overtredingen van Zijn geboden? ...
Als we het grote kosmische gebeuren beschouwen, dan zien we: op een bepaalde manier heeft God wel degelijk ingegrepen – wel niet in de wet van oorzaak en gevolg, maar Hij zond Zijn zoon, die ons de verlossing bracht. En wat is de verlossing? Zij is niets anders dan het licht in de ziel en zodoende de bescherming voor de ziel, opdat ze niet steeds dieper valt en zich ook niet oplost, zoals het in Oosterse religies wordt onderwezen ...
Christus heeft ons de verlosserdaad gebracht – hoe moet dan een eeuwige verdoemenis tot stand komen? Hier kan men weer de tweeslachtigheid van de theologen herkennen. Zoals zij zeggen, heeft Christus ons van alle zonden „vrijgekocht“ door de verlossersdaad. Als echter alle mensen door Zijn „volbracht“ in één keer vrijgekomen zouden zijn, dus zonder schuld – waarom is er in deze wereld dan nog steeds boosaardigheid, strijd, moord en doodslag, het tegen elkaar zijn? Waarom? Dat zijn toch zonden! Wij zien dus: Jezus, de Christus, heeft de zonde niet eenvoudig weggenomen, zoals de kerk beweert, doch het was en is anders: Hij heeft onze zielen een energetische steun gegeven en Hij is in ons aanwezig als licht, als kracht, als hulp, opdat de ziel zich reinigt en eindelijk als het weer reine geestwezen terugkeert naar het eeuwige vaderland ...

Wij mensen zijn gepersonifieerde geestwezens. In ons dragen wij een ziel en in de diepte van de ziel het goddelijke wezen, dat van God komt. Als nu het fysieke lichaam sterft – waar gaat de ziel dan heen?
Door de Godsprofetie van Gabriële weten wij, wat er na het aardse leven gebeurt: wij wisselen alleen de aggregatietoestand. De ziel leeft verder zoals ze hier op aarde geleefd heeft – met al haar positieve en negatieve eigenschappen. Deze zal zij meenemen; en ze zal dan voor de vraag staan, wat zij daarmee doet: of ze zich in de werelden aan gene zijde verder wil ontwikkelen of dat ze opnieuw incarneert om een nieuw aards bestaan op zich te nemen voor een snellere loutering van de ziel ...

God is liefde en toen de val begon, heeft God de zogenaamde valwezens gedeelten van geestelijke gesternten meegegeven, die zich overeenkomstig ommantelden. Na de afsplintering uit het eeuwige Zijn waren het valwerelden; in die tijd bestond de verdichting van de materie nog niet. In deze valwerelden hielden de afvallige wezens zich op. Telkens weer kwamen lichtboden tot de valwezens en wilden hen terughalen. Velen kwamen niet terug, omdat zij altijd nog wilden zijn als God, en verdichtten zich daardoor steeds meer. Deze voortschrijdende afkering van het goddelijke erfdeel, bracht heel geleidelijk de verdere verdichting van de gesternten voort, de grofstoffelijke planeten, de grofstoffelijke zonnensystemen tot aan de materie van de aarde, die het woongebied van de mensen is, het steunpunt van de belaste zielen.
De mens zelf is niets anders dan een uit veel lagen bestaand omhulsel van de ziel, een verdichting, die overeenkomstig de belaste zielenomhulsels van kleur wisselt. Daarom zijn de karakters van de mensen zo verschillend ...
Na de dood gaat de ziel naar de gebieden in het hiernamaals. Als ze naar lagere reinigingsgebieden gaat, omdat ze zeer belast is, bevindt ze zich nog in het rad van wedergeboorte. Als de ziel licht geworden is, is ze het rad van wedergeboorte ontgroeit en stijgt ze naar hogere gebieden, naar de zogenaamde voorbereidingsgebieden, om daar stap voor stap het Vaderhuis toe te streven.
Iedereen weet: er gaat geen energie verloren. Op grond daarvan gaat noch de energie van onze positieve of negatieve gedachten verloren, noch die van onze woorden, onze handelwijze, ons hele gedrag. Omdat energieën, postief of negatief, werken, kenmerken we overeenkomstig daarmee onze ziel. Deze energetische gravure blijft in de ziel, ook na het sterven van ons fysieke lichaam. Met al deze kenmerken is de ziel omhuld; wij noemen deze omhullingen de „kleren“ van de ziel ...
Goddelijke wezens, broeders en zusters, reine geestwezens, onderrichten de ziel en zijn haar behulpzaam om deze verschillende kleren, deze verschillende al-te-menselijke, zondige gravures, af te leggen. En hoe meer de ziel meedoet om van deze kleren in de reinigingsgebieden vrij te komen, des te eerder wordt ze lichter en stralender.
En dan beslist de ziel: zet zij haar reinigingsproces in de reinigingsgebieden voort? Of begeeft ze zich nog eens ter incarnatie, om resten van haar zondigheid af te leggen, omdat dit op aarde eventueel sneller gaat? Of blijft ze niet voor rede vatbaar en zegt: „Wat mij hier verklaard wordt, geloof ik niet; de aarde trekt mij aan“? Naar de aarde, in een volgende incarnatie, kan ze dan gaan, als een mensenlichaam wordt verwekt, dat overeenkomt met haar ingaven, haar actieve gravure.
Wel draagt de ziel verschillende kleren, verschillende belastingen, maar hetgeen actief is, trekt haar naar de aarde ...
Daaruit blijkt: in ons huidige leven kenmerken wij eventueel al ons lichaam en de levensweg van onze eventuele toekomstige incarnaties op deze aarde. Dat is vooral het geval, wanneer de mens zich niet overgeeft aan de reiniging van de ziel, maar in het tijdelijke voortdurend verstoot tegen de wet van de liefde, de vrijheid, de eenheid en de broederlijkheid.

Hoe komen we nu uit deze kringloop van sterven, geboren worden, van het oponthoud in de zielenrijken, het opnieuw geboren worden, het opnieuw sterven?
De leer van Jezus, de Christus, is het ideale richtsnoer voor ons denken en leven in het dagelijkse leven. Dus hebben we waardevolle maatstaven gekregen: de Tien Geboden en de leer van Jezus, de Christus. Volgen wij deze aanwijzingen stap voor stap op, reinigt zich onze ziel ...

Een eenvoudig, maar werkzaam grondbeginsel zou kunnen zijn: wat wij niet willen, dat ons geschiedt, behoren we niet onze naaste aan te doen, noch de dieren, noch de natuurrijken. – Als wij zo handelen, wordt onze ziel langzamerhand vrij van haar belastingen ...

Zo gauw de ziel lichter is en niet meer ter incarnatie, naar de aarde, tendeert, kan ze zich in de reinigingsgebieden, die in het hiernamaals voor de zielen klaarstaan, louteren, om stap voor stap naar het Vaderhuis terug te keren, naar haar eeuwige oerexistentie, naar haar oervaderland.
Ook hier ziet men weer de handreiking van de Heer: je „moet“ niet reïncarneren, behalve als je ter incarnatie wordt getrokken. Als er niets anders in het zielenbewustzijn is dan weer mens te worden, gaat de ziel opnieuw in het aardse lichaam.
Als echter in de ziel een bepaalde loutering heeft plaats gevonden, werd de ziel dus lichter, dan voelen zulke zielen er steeds minder voor om terug naar de aarde te gaan. Ze zeggen dan tegen zichzelf: „Ik kan me ook als ziel in een reinigingsgebied louteren“, dus reinigen. Wel is voor zielen in de reinigingsgebieden de loutering heel wat moeilijker en langduriger, vooral, als de ziel zeer belast is. Daarom dringt het haar vaak weer ter incarnatie, omdat zij als ziel aan de andere kant door leed en pijn, hetgeen zij als mens anderen heeft aangedaan, moet verdragen en lijden, in beelden moet zien en voelen: bijv. hoe zij haar naaste heeft behandeld; hoe zij hem van de weg af heeft gebracht; hoe zij hem heeft gemanipuleerd, beïnvloed en gedwongen heeft, eventueel tot moord en doodslag toe. – Daarom onderwijst Jezus, de Christus, toch de vrede.
Als zulke schuldaspecten actief zijn, trekt het de ziel weer terug. Is zij echter grotendeels vervuld van het leven in Christus, dan gaat zij als mens op weg naar huis, naar het Vaderhuis. De pijnen, die zij als ziel te verdragen had, voelt ze niet meer. Zij heeft als mens door de dagenergie ingezien, wat ze bereinigen moet, voordat de pijnen, het leed, begonnen, voordat een ziekte de mens overkwam. Zo loutert de ziel zich en wendt zich hemelwaarts, dus naar huis, naar haar oorsprong.
Zien we ook hier de genade van de Heer: via de dagenergie krijgen we impulsen – eventueel maanden-, zelfs jarenlang, voordat een of ander leed, een ziekte, uitbreekt -, dat we het negatieve moeten berouwen en bereinigen, zodat hetgeen in de ziel is, tijdig oplost en wij niet het noodlot tegemoetgaan, maar we lossen het op, voordat het uiterlijk zichtbaar wordt. Is dat geen genade?
Het is een hoopgevende, optimistische en troostvolle leer. Zij werd – zoals reeds gezegd– in de derde eeuw door Origenes onderwezen. En op het concilie van Constantinopel in de 6e eeuw werd deze leer verdoemd en vervloekt. Men veroordeelde niet alleen de leer van Origenes – dat de ziel voor haar geboorte reeds existeerde -, maar verdoemde ook zijn optimisme: dat tenslotte alles goed wordt, dat alle dingen naar God terugkeren. Ook dat verdoemde dus de kerk – uiteindelijk om te kunnen dreigen met de hel ...

Waarom is Jezus, de Christus, gestorven?

Door Zijn verlossersdaad werd een verdere oplossing van alle vormen verhinderd. Dat is een zeer belangrijke boodschap, die pas door de profetie in onze dagen weer aan de mensen wordt doorgegeven ...
Christus stierf niet, zoals de kerken het voorstellen, als offerlam voor een toornige God, maar Hij stierf in trouw aan Zijn opdracht ten opzichte van de Vader, omdat de mensen Zijn boodschap niet hadden aangenomen. Om een verdere neerwaartsontwikkeling van de mensheid te verhinderen, stelde Hij Zijn liefde in de vorm van de verlosservonk alle mensen en zielen ter beschikking. Daardoor gaf Hij ieder mens en elke ziel de kracht, in vrijheid naar God terug te keren ...
De goddelijke wezens, die zich tegen God hadden opgeworpen, wilden de oplossing van alle door God geschapen vormen, dus alle goddelijke wezens, de hemelse natuur, de vaderlandsplaneten, waarop geestwezens leven. Zij wilden de terugbrenging van al het geschapene in de oerstroom, waaruit de Eeuwige geestelijke, goddelijke, reine vormen schiep, vormgeworden, eeuwige, goddelijke wet van de liefde. – En waarom wilden ze dat? Zij wilden geen kinderen van God, maar zelf God zijn, alomtegenwoordig en schepper ... Zoals reeds gezegd: Christus heeft onze zonden niet eenvoudig weggenomen. Hij helpt ons echter om onze zonden te bereinigen en de geboden van God in acht te nemen. Zijn leer, de Bergrede tot in de diepte te erkennen en toe te passen, om op deze manier rein te worden, weer terug te keren naar de oorsprong, naar het eeuwige vaderland ...

Het gebed van de eenheid, het onzevader, begint met de woorden: „Onze Vader, die in de hemel is, geheiligd is Jouw naam. Jouw rijk komt en Jouw wil geschiedt, zoals in de hemel, zo ook op aarde.“ – Dat is absoluut gesproken door Jezus, de Christus. Daarmee heeft Hij ons gezegd: je keert weer terug naar God door het werken van de eeuwige Vader, door Zijn zoon, door de verlossing.

Wij allen gaan weer terug naar de Vader, van wie wij zijn uitgegaan, want in ieder van ons is een stralend wezen. Dit keert terug naar het Vaderhuis. Want God schept geen ziel: Hij schiep het lichtwezen, dat diep in de ziel is. De ziel reinigt zich, zij loutert zich, en wat komt meer en meer aan het licht? Het lichtwezen, dat zich ontpopt heeft.
Ieder van ons is de tempel Gods. God woont in ons. Hoe meer wij Gods wil vervullen, door Zijn wetmatigheden des levens, de geboden en de leer van Jezus, de Christus, te vervullen, des te meer naderen we onze hemelse Vader, des te consequenter gaan we aan de hand van onze Verlosser – weg uit het rad van wedergeboorte, naar het lichtrijk, naar God, naar Hem, die ons een oereeuwigheid geleden heeft geschouwd en geschapen!

Het is voor ons mensen zeer troostvol, dat na het aardse leven – voor zover men de geboden en de wetmatigheden van God heeft nagevolgd – de ziel de reis naar huis kan beginnen, want ook Christus heeft ons al inhoudelijk beloofd: „In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen. Als het niet zo was, zou ik jullie dan gezegd hebben: Ik ga, om voor jullie een plaats voor te bereiden? Als Ik gegaan ben en een plaats voor jullie voorbereid heb, kom Ik terug en zal jullie tot Mij halen, opdat jullie ook daar zijn , waar Ik ben.“(Joh 14,2)
De woningen in het Vaderhuis staan dus leeg; onze geestelijke families verwachten ons. Zij verlangen naar ons; zij verlangen naar de grote kosmische eenheid in het Vaderhuis. En het Vaderhuis is het oneindig grote rijk van God! De Godskracht straalt ons toe; daarom kwamen telkens opnieuw de profeten en leerden de mensen: „Keert om! Wendt jullie tot God. God is liefde. De Vader heeft jullie lief. Hij houdt van Zijn door Hem geschapen kind!“
Hij zou toch een wrede God zijn, als Hij ons zou bestraffen of zelfs in de eeuwige verdoemenis zou sturen! Maar nee – Hij is onze Vader, die ons liefheeft. Alleen wijzelf kunnen ons als het ware verdoemen. Waardoor? Door ons in donkere gebieden van het bestaan te begeven, ver weg van God – door onze eigen donkere gedachten, woorden en werken, die in tegenstelling staan tot de wet van het leven, tot ons ware goddelijke erfdeel, dat onbaatzuchtige liefde is. Maar ook deze door eigen schuld ontstane duisternis  zal nooit eeuwig zijn, want een eeuwige verdoemenis bestaat niet! Er is misschien een lang schaduwrijk bestaan, voor zover wij de schaduwen de voorrang geven. Maar God is licht! Licht is liefde en liefde is warmte – dat is God, onze Vader! Hij is de Vader-Moeder-God. Hij heeft ons lief en roept ons. Hij heeft ons Zijn zoon, de mederegent van de hemelen, gezonden, om ons de deelkracht van de Oerkracht, een deel van Zijn goddelijke erfdeel, te schenken, opdat wij daarmee een steun hebben op de weg naar huis in de eeuwigheid. En deze steun is Christus, onze Verlosser, het licht van de verlossing in ons ...

Hoe reiner wij worden, des te gemakkelijker zullen we sterven als ons uur gekomen is, omdat we bespeuren: Christus neemt ons aan de hand en leidt ons stap voor stap naar het Vaderhuis. Voorbij is het met de reïncarnaties – het gaat rechtstreeks terug naar het rijk Gods!

De boodschap der waarheid
Reïncarnatie
Een genadegeschenk van het leven

Deze en andere brochures uit de reeks
De boodschap der waarheid
kun je gratis bestellen. (Nog niet in het Nederlands)

Hier vind je het bestelformulier...

Reïncarnatie -
Een genadegeschenk van het leven

Uit dit boek van Gabriële
werden de uittreksels ontnomen.

Bestellen bij
Verlag DAS WORT

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum