U bent hier: Startbladzijde > Wij over ons > De Tien Geboden > Het negende en tiende gebod

Het negende en tiende gebod



De beide laatste geboden kunnen wij samenvatten, omdat hun inhoud veel op elkaar lijkt. In de Scofield bijbel met de vertaling van Martin Luther zegt het negende gebod: »Je zult niet het huis van je naaste begeren« en het tiende gebod: »Je zult niet de vrouw van je naaste begeren, noch zijn knecht of zijn dienstmaagd, noch zijn os of zijn ezel, noch alles, wat je naaste bezit«.

In de herziene vertaling van Martin Luther uit het jaar 1984 zegt het negende gebod ongeveer hetzelfde: »Je zult niet begeren het huis van je naaste« en het tiende gebod: »Je zult niet begeren de vrouw, knecht, dienstmaagd, rund, ezel van je naaste, noch iets anders, dat je naaste toebehoort«.

In de bijbel »De blijde boodschap« zijn het negende en tiende gebod reeds samengevat. Daar heet het: »Probeer je niets toe te eigenen, wat een ander toebehoort, niet zijn vrouw, noch zijn slaven, rund of ezel, noch iets anders, dat hem toebehoort«.

Laten wij ons afvragen: wat behoort mij eigenlijk toe? Zie ik mezelf als datgene wat ik in waarheid ben, als het huis van de Heilige Geest, als de tempel Gods - wat bezit ik dan? Ik bezit Gods overvloed, de hemel en de aarde. Alles, wat is, is als essentie en kracht in mij, in mijn geestelijke lichaam, dat de mikrokosmos in de makrokosmos is. Het is mijn geestelijke erfdeel. Mijn Vader, die eveneens de Vader is van alle reine wezens, zielen en mensen, heeft ieder van ons de ontelbare krachten van de oneindigheid als erfgoed gegeven. Dit alles is in ons, en wij dienen het weer te ontsluiten door een leven volgens de goddelijke wet.

Wat in het uiterlijke, het aardse, van ons is, dat is als het ware ons aardse erfdeel. Het is een geschenk van God, dat wij goed moeten beheren, maar waaraan wij ons nooit moeten binden.

Daaruit volgt, met het oog op het negende gebod "Je zult niet begeren het huis van je naaste": wees tevreden met dat, wat God je gegeven heeft, wat je mag beheren. Het is jouw opgave om dat, wat je op aarde bezit, te achten, het wetmatig te vermeerderen en te verzorgen, maar niet afgunstig te zijn op dat, wat je naaste bezit.

Velen zijn afgunstig op have en goed van hun naasten, omdat in onze wereld veel onevenwichtigheid en ongelijkheid bestaat. Zou iedereen hetzelfde hebben, dan zou niemand in armoe hoeven te leven. Iedereen zou min of meer tevreden zijn, omdat hij tenslotte hetzelfde heeft als zijn buurman. Misschien is het zijne anders ingericht, anders opgebouwd, anders toebereid of opgeknapt, maar, als energie beschouwd, zou hij hetzelfde hebben. Zolang deze onevenwichtigheid op aarde bestaat, zondigen mensen ook tegen het negende gebod: »Je zult niet begeren het huis van je naaste«.

In de standaardvertaling lezen wij daarover, hoe de eerste christenen in de eerste eeuw na de dood en de verrijzenis van Jezus, leefden. Daar staat: »De gemeente der gelovigen was één hart en één ziel. Niemand noemde iets van wat hij had, zijn eigendom, maar zij hadden alles gemeenschappelijk ... Er was ook niemand onder hen, die nood leed. Want allen, die grondstukken of huizen bezaten, verkochten hun bezit, brachten de opbrengst mee en legden het aan de voeten van de apostelen. Ieder werd daarvan zoveel toebedeeld, als hij nodig had.« (Apg 4, 32-35)

Wij zien: als mensen de christelijke idealen naleven, de geboden van het met-elkaar, de eenheid, de gemeenschappelijkheid, de broederlijkheid, dan is voor hen de aanspraak van het negende en tiende gebod helemaal niet meer actueel, want zij zijn niet meer aan persoonlijk eigendom gebonden. Alles behoort de gemeenschap toe en allen werken in de gemeenschap voor het welzijn van allen.

Ook de oerchristenen van nu streven iets dergelijks na. Steeds meer mensen doen hun best naar deze zin te leven. Zij leggen hun have en goedbij elkaar, zodat iedereen in dezelfde mate kan deelhebben aan datgene, wat de gemeenschap beheert en onderhoudt en in dezelfde mate van dat ontvangen kan, wat in de gemeenschap wordt verdiend.

Werden wij in een welgesteld gezin geboren of brachten onze levensomstandigheden - b.v. een goed betaald beroep, een goed geleide en florerende zaak - ons welstand, veel have en goed, dan komt het erop aan, hoe wij met hetgeen wij bezitten, omgaan.

Beheren wij onze have en goed op de juiste manier en geven wij dat verder, wat wij niet per sé nodig hebben, dan kan het ook onze erfgenaam - de zoon of de dochter - zo doen. Hij zal het van de ouders ontvangen, zal het goed beheren en dat, wat hij niet per sé nodig heeft, verdergeven.

Hebben ouders hun have en goed niet op rechtmatige wijze verworven, hoe kan het dan in het verdere verloop gaan? De erfgenamen krijgen na het overlijden van de ouders, volgens de aardse wet, het bezit toegewezen. Maar hoe staat het met de geestelijke wetmatigheid? Kan een bezit, dat niet met de positieve krachten van het leven - geven en ontvangen - werd opgebouwd, van duur zijn?

Als wij in de wereld kijken, dan zien wij vaak, dat menig bedrijf zich in de tweede of derde generatie oplost. De erfgenamen hebben misschien heel andere interessen. Zo vervalt vaak dat, wat de ouders op onjuiste wijze hebben verworven.

Het negende gebod »Je zult het huis van je naaste niet begeren« kunnen wij ook geestelijk zien.

Wij oerchristenen geloven, dat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is, dus het huis van God. Hoe is het, als wij een mens begeren, om zijn huis, de tempel - misschien op lichamelijke wijze - te verontreinigen, te beschadigen en te schenden? Hoe is het, wanneer wij het huis, de tempel van onze naaste als ons eigendom beschouwen, om met deze tempel, dit huis, te doen wat wij willen?

Gebruiken wij b.v. dit huis, waarin de Geest Gods woont - de mens - als slaaf, leggen wij hem de zwaarste last en het zwaarste werk op, laten wij onze medemensen voor een gering loon voor ons werken, terwijl wijzelf verslaafd zijn aan onze rijkdom, haar verafgoden en verbrassen - dan voelen wij ons gelijk aan God en dringen zodoende als afgod in de tempel, in het huis van onze naaste en maken hem tot ons werktuig.

Een blik in de geschiedenis van de Westerse wereld: in de middeleeuwen bestond het lijfeigenschap. De boeren stonden ter beschikking van de adel, om voor deze te werken en ontvingen zelf slechts een fractie van hetgeen zij verdienden. Denken wij ook aan de slavenhandel. Europeanen hebben in Afrika mensen geroofd, hen per schip naar Amerika gebracht, om hen dan daar als handelswaar bij opbod te verkopen. De bezittende klasse van de nieuwe wereld veilden slaven, betaalden geld voor hen, hielden hen soms als dieren, gebruikten hun werkkracht en lieten hen vaak onder erbarmelijke omstandigheden leven.

De geschiedenis laat zien, dat één der »christelijke" ambtskerken nog tot in de 19de eeuw slaven hield. Nu is de vraag: wie bepaalde de richting van deze institutie? Was het de Christus-Gods, die als Jezus de broederlijkheid leerde of waren er andere krachten aan het werk?

In Afrika werden mensen gevangen genomen en per opbod verkocht - er werd dus slavenhandel bedreven. Dat vindt tegenwoordig op deze wijze niet meer plaats. Maar gebeurt er bij het zuigelingendoopsel niet iets soortgelijks? Wij zijn nog niet helemaal bevrijd van de slavernij, want: kinderen, die nog niet kunnen beslissen, omdat zij nog te jong zijn en daarom niet het onderscheidingsvermogen bezitten, worden gewoon genomen en door het doopsel bij een institutie ingelijfd, ofschoon Jezus leerde: »Onderwijst eerst en doopt dan«, dat wil zeggen laat je naaste vrij beslissen, of hij deze of gene religie wil aannemen.

We zien en beseffen, dat wij niet aan de letter van de bijbel moeten vasthouden, anders zouden velen van ons kunnen zeggen: »Ik begeer het huis van mijn naaste niet, ik neem genoegen met het mijne en ben tevreden, dus zondig ik niet tegen het negende gebod: ´Je zult het huis van je naaste niet begeren´. Ik ben dus een goed christen". Wie zichzelf niet controleert, zijn gedachten niet doorgrondt, wie de zin van de woorden in de bijbel niet begrijpt, vlijt zich met de gedachte, dat hij de Tien Geboden grotendeels vervult. Hoe een overtreding tegen het negende gebod er ook nog uit kan zien, volgt, - in samenhang met het tiende gebod - met een voorbeeld.

In de bijbel van Luther zien wij het tiende gebod, dat ongeveer zo klinkt als het negende: »Je zult niet begeren de vrouw, knecht, (dienst)maagd, rund, ezel van je naaste noch iets anders, dat je naaste toebehoort.« Dit gebod zegt, dat wij onze naaste dit alles en andere dingen niet af mogen nemen. Dit hoeft niet met geweld of met uiterlijke represailles te gebeuren; vaak gaat het veel subtieler - via ons wensen en willen. Zo kan het volgende gebeuren:

we hebben een oog geworpen op een bezit, b.v. een grondstuk. Lange tijd, jaren en jaren, hebben wij deze wensgedachten, tot op een dag onze naaste door een of andere situatie zijn grondstuk verkoopt en wij het kunnen kopen. Dan denken we: »Dit grondstuk van mijn naaste heb ik altijd al willen hebben. Nu wil het toeval, dat hij het verkoopt en ik kan dit grondstuk kopen. Wat een geluk!«

Was het werkelijk toeval of geluk? Heeft God ons aan deze koop geholpen? Of was het onze wens en onze wil? Hebben wij er misschien intensief van gedroomd - ons dus in beelden voorgesteld - dit grondstuk te bezitten? Gedachten zijn krachten, ook wensbeelden; beiden streven ernaar, zich te verwezenlijken

Dat kan als volgt gebeuren:

we hebben - misschien jarenlang - wensgedachten uitgezonden. Wij hebben een hele wensaura om dit grondstuk gelegd en nu is de eigenaar in moeilijkheden geraakt. Wie heeft deze moeilijkheden veroorzaakt? Wij misschien - door onze wensgedachten. Het is mogelijk, dat bij onze naaste al moeilijkheden waren, die gunstig waren voor deze ontwikkeling. Doch als zij geleidelijk aan tevoorschijn waren gekomen, dan had hij ze stap voor stap in orde kunnen maken en zijn bezit niet hoeven te verkopen. Dus zijn ook wij schuldig aan dit verloop van verkoop en koop.

Laten wij dit voorbeeld eens verder uitwerken: wij kopen een grondstuk. Het is mogelijk, dat wij ook de knecht, de dienstmaagd, het rund, de ezel en alles, wat de eerste eigenaar bezat, overnemen. Eerst gaat alles goed. In de tweede, derde generatie echter neemt de energie af, omdat onze kinderen en kleinkinderen geen interesse hebben in het grondstuk. Dan stelt zich de vraag: waarom is dat zo? Het bezit werd vals, dus onwaarachtig, oneerlijk verworven, namelijk op basis van een begeerte, een afgunst; uiteindelijk bestond er een roofzuchtige opzet.

Ook de in het tiende gebod vermelde vrouw kan er nog bijkomen: wij zenden net zo lang gedachten naar een andere vrouw, tot wij haar eventueel hebben, zoals wij het eigendom van onze naaste bezitten, beheersen en als het onze beschouwen.

Velen voelen zich eigenaar van een kleiner of groter vermogen. Hoe doen wij het met ons zogenaamde bezit? Beschouwen wij het als ons eigendom, waarmee wij kunnen doen wat wij willen - of beschouwen wij onszelf alleen als beheerder van dat, wat God ons heeft toevertrouwd?

Geven wij alles, wat wij meer hebben dan wij nodig hebben, verder, zodat op deze aarde, in deze wereld, gelijkheid kan ontstaan, dan bezitten wij ons grondstuk terecht. Dan zullen wij ook met onze vrouw, met onze knecht, de dienstmaagd, met rund en ezel en met hetgeen er verder nog allemaal voorhanden is, tevreden zijn. Wie met hetgeen God hem ter beheer heeft toevertrouwd, niet tevreden is, kan dan datgene zoeken en nemen, wat met zijn wensbeeld overeenstemt. Wie echter streeft naar het bezit van zijn naaste, het dus begeert, wil uitsluitend iets voor zichzelf. Wie alleen iets voor zichzelf wil, eigendom, bezit, zal dat vroeg of laat ook verkrijgen - maar niet door de goddelijke krachten en nauwelijks heeft hij het, of hij zal het weer verliezen. Want een wetmatigheid in de wet van oorzaak en gevolg luidt: wat je wilt behouden, zul je verliezen.

Voor ons oerchristenen is »begeren" zoveel als »stelen", want wij weten, dat wij met langer aanhoudende wensgedachten vaak meer negatiefs kunnen veroorzaken dan met woorden, die wij even uitspreken, die wij echter dan in gedachten niet meer versterken.

Gedachten zijn krachten. Begeerlijke gedachten zijn roofzuchtige krachten. Al kunnen wij ook niet direct het bezit van onze naaste stelen - ooit zullen wij het hem afnemen door ons begeerlijke denken, ons oneerlijke spreken en eventueel door ons onoprechte handelen, als onze naaste hiervoor bevattelijk is.

Ook het afkeuren van onze naaste op grond van een eigenschap, capaciteit of bezittingen) die wij hem benijden, is een overtreding tegen dit negende en tiende en ook tegen het zevende gebod: »Je zult niet stelen".

In de weinige woorden van het negende en tiende gebod ligt, zoals wij zien, veel ter zelfkennis - van de ene kant het aspect van het materiële, van de andere kant het geestelijke, de tempel Gods, de naaste, onze broeder, onze zuster.

Zo dus zien wij oerchristenen de tien geboden en daarnaar richten wij ons. Zo menigeen van ons kan zeggen, dat hij daardoor een gelukkig en vrij leven heeft gekregen, dat hij sober geworden is en dat hij alles bezit, wat hij nodig heeft en vaak meer dan dat. Want God is overvloed en beschenkt degene, die niet begeert, die geen valse getuigenis aflegt tegen zijn naaste, die zijn naaste noch in gedachten, noch in daden besteelt.

Velen van onze medemensen zullen de Tien Geboden anders zien. Wij willen geen mens dwingen zo te denken en en te leven, zoals wij het doen. Iedereen is vrij en iedereen heeft een andere graad van inzicht. Als wij naar onze maatstaf en ons inzicht van de Tien Geboden leven, als wij deze dus in ons dagelijkse leven betrekken, dan zullen wij uit ieder gebod steeds meer concluderen, omdat ons bewustzijn zich dan verruimt en wij dieper schouwen.

Wij oerchristenen in Universeel Leven hebben één wens: dat zich steeds meer mensen tot de Tien Geboden wenden en hun leven daarnaar inrichten. Wij oerchristenen voelen ons met alle mensen verbonden, want in God zijn wij allemaal broeders en zusters, omdat wij Gods kinderen zijn.

Wij wensen U veel kracht en de voelbare liefde van onze Heer en Verlosser, Christus.

God zij gegroet!



verder naar "Nawoord"   /    terug naar "Het achtste gebod"

De Tien Geboden

»De letter begint pas te leven, als de mens de geboden begint te vervullen. Daardoor groeit hij heel geleidelijk in de alomvattende wet van de liefde en het leven. Alleen wie met het hart en in de geest van de liefde de geboden vervult, zal de alomvattende wet erkennen en de waarheid vinden, die binnen in de ziel van de mens is.«
uit het boek »Dit is Mijn woord«.

 

Deze tekst is ook als boek »De Tien Geboden van God« verkrijgbaar bij Verlag DAS WORT.

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum