U bent hier: Startbladzijde > Wij over ons > De Tien Geboden > Het zevende gebod

Het zevende gebod



Het zevende gebod zegt: »Je zult niet stelen«. Zo staat het in de meeste bijbels. In de bijbel »De blijde boodschap« staat: »Beroof niemand van zijn vrijheid en zijn eigendom«.

Weer zien we, dat wij de bijbel niet letterlijk mogen nemen, maar naar de zin. Als wij de zin leren begrijpen, weten wij ook, welke bijbelteksten overeenkomen met de eeuwige waarheid en welke niet. Wij kunnen het bijbelse woord alleen naar de zin begrijpen, als wij onszelf op God afstemmen, door stap voor stap de Tien Geboden en de Bergrede te vervullen. Al het andere is een mening. En het blijft een mening en is niet de waarheid, zolang wij niet zelf naar de waarheid streven. Met andere woorden: wat wij uit een uitspraak opmaken en eruit concluderen, wat wij denken of spreken, is eerst dan waarheid, als het gevuld is met onze verwezenlijking van de geboden van God.

Welke zin ligt dus in het zevende gebod »Je zult niet stelen«?

Stelen betekent, dat wij onze naaste iets afnemen, iets ontvreemden. Hier en daar stelen wij geld van onze naaste of zijn have en goed, maar wij stelen ook de tijd van onze naaste, b.v. door onbelangrijke gesprekken met hem te voeren. Wij grijpen eveneens in zijn levensgebied in, wanneer wij hem eraan hinderen, zijn weg te gaan, door hem onze mening op te dringen en van hem te verwachten, dat hij deze gepresenteerde mening aanneemt.

Een vorm van diefstal is ook, de naaste energie te beroven, doordat wij - al is het maar in gedachten - zolang met hem bezig zijn, tot hij ons aandacht schenkt en datgene voor ons doet, dat wij zelf niet willen doen. Kan een van onze naasten hierdoor zijn weg niet gaan, kan hij niet zijn eigen gedachten en wil vervullen - al zouden ze ook tegenstrijdig zijn - dan hebben wij ons aan hem gebonden, om energie van hem te nemen. Hij moet dan doen, wat wij willen. In Zijn grote openbaringswerk »Dit is Mijn woord« leert Christus ons hierover:

»Wie zich door zijn medemensen laat ringeloren, wie dus doet wat anderen zeggen, ofschoon hij inziet, dat dit niet zijn weg is, die wordt geleefd en leeft aan zijn eigenlijke aardse bestaan voorbij. Hij benut de dagen niet; hij wordt gebruikt door degenen, waarvan hij afhankelijk is en kent daarom zijn weg als mens op deze aarde niet.

Wie zijn medemensen aan zich bindt, door hen zijn wil op te dringen, is te vergelijken met een vampier, die energie van zijn medemensen opzuigt. Hij kent zichzelf niet en bindt zich gelijktijdig aan zijn slachtoffers - en omgekeerd bindt zich ook het slachtoffer, dat zich laat uitzuigen, aan hem. In een van de levens, op aarde of als ziel in de gebieden aan gene zijde, worden beiden weer samengebracht - en dat zo vaak en zo lang, tot de een de ander heeft vergeven".

Waarom is iedere gedachte eigenlijk beslissend? Waarom kan ik, via gedachten, energie, - de zielen- en lichaamsenergie van mijn naaste - stelen? Mijn naaste kent mijn gedachten toch niet?

Het is ons nog te weinig bewust, dat gedachten krachten zijn en dat wij ons alleen al door onze gedachten t.o.v. onze naaste schuldig kunnen maken. Wij kunnen via gedachten van onze naaste zielen- en lichaamsenergie stelen, door hem bepaalde zondige gedachten, b.v. wensen, toe te zenden. Liggen in de ziel van onze naaste, eventueel latent, ongeveer dezelfde fouten als in de gedachten die wij hem toezenden, dan gaat dit potentieel in hem werken, het wordt dus actief. Het stijgt op naar zijn gevoels- en gedachtewereld. Door het zenden van gedachten hebben wij in hem deze reactie opgeroepen, hebben hem met onze gedachten, onze wil en wensen besmet.

Dan groeit het verder, want misschien vervult onze naaste, die slachtoffer geworden is van onze gedachten, een tegenstrijdige wens, omdat wij hem zolang onze gedachten hebben toegezonden, tot bij hem iets overeenkomstigs ontwaakt en geactiveerd wordt, waardoor hij zondig handelt. Wat is er gebeurd? Wij hebben ingewerkt op zijn zielen- en lichaamsenergie, waardoor lichaam en ziel zwakker werden, omdat het tegenstrijdige te snel losbrak. Kan onze naaste deze wensen en zonden, die voor hem weer een belasting zijn, niet aan, dan zijn wij medeschuldig.

Een voorbeeld: een man ziet een vrouw. In hem komt het gevoel, deze vrouw nader te leren kennen, met haar in contact te komen. De vrouw denkt niet aan hem. Hij echter denkt steeds weer aan haar. Het resultaat daarvan kan zijn: zij wordt op hem opmerkzaam, houdt zich met hem bezig. Misschien ontstaan in haar dezelfde wensen, die ook in hem leven. Zo heeft hij door zijn initiatief deze gedachtegang bij haar in beweging gezet, misschien zelfs tot begerens toe.

Ontbrandt bij deze vrouw de begeerte, omdat iets dergelijks in haar ligt, maar richt zij zich helemaal niet op de zender, maar op een andere man, die nu weer naar de vrouw terugzendt, dan is de (eerste) man, die het zondenpotentieel heeft gewekt, mede betrokken bij de daardoor teweeggebrachte zonden van de vrouw en ook die van de tweede man, bij wie eventueel ook hetzelfde of iets dergelijks werd opgewekt. De gedachten gingen dus van de zender, de man, naar de vrouw; in de vrouw werd het een en ander teweeggebracht; van de vrouw gingen de gedachten naar een andere man, in wie weer het een en ander actief werd. Misschien denkt die man weer aan een andere vrouw of wordt hij door de spanning tegenstrijdig actief, eventueel zelfs gewelddadig. Wie heeft nu schuld aan de zondige daad van die man?

We zien, dat zo een keten van schuld kan ontstaan, waaraan ieder, die daar deel aan had, nu met zijn aandeel gebonden is.

In zo’n schuldcomplex kan veel leed verborgen zijn. Een van de betrokkenen wordt misschien zijn partner ontrouw, een ander kan eventueel zijn levensdoel niet meer bereiken, weer een ander vervalt in zelfmedelijden en wordt depressief, enz.

Uitgangspunt van al dit onheil zou in dit voorbeeld de zendende man zijn. Wie draagt de grootste schuld? Hij of de medemensen, die door hem werden aangezet? De grootste schuld heeft hij te dragen, want hij heeft zijn naaste bestolen. Hij heeft bij de bewuste vrouw energie weggenomen, zodat bij haar te vroeg deze oorzaken werden gewekt.

Ook als de oorzaken bij de naaste in de ziel liggen, hebben wij toch niet het recht, ze door onze gedachten en wensen te activeren. Daarom zijn gedachten zeer gevaarlijk en zo kunnen wij ook via onze gedachten onze naaste bestelen.

Is ons deze samenhang niet bewust, weten wij niets van een gedachten-zendpotentieel, dat in de naaste veel kan teweegbrengen, dan zijn wij ervan overtuigd, niet tegen het zevende gebod »Je zult niet stelen« te hebben verstoten. Wij hebben nooit geld gestolen, onze naaste ook niet zijn have en goed afgenomen; dus denken we, dat wij betreffende het zevende gebod, onberispelijk zijn.

Laten wij onszelf dus de vraag stellen: zijn wij ook in onze gedachten onberispelijk? Wij kunnen ook moeite doen om dieper zelfinzicht te verkrijgen met de vraag: wie hebben wij door het zenden van gedachten energie onttrokken? Wie hebben wij door ons wensen en willen, door ons zenden, beïnvloed, op wie hebben wij dus ingewerkt, om daardoor iets voor onszelf te bereiken?

Men zou denken, dat onze bedoelingen - zowel voor onszelf alsook voor onze naaste - in onze woorden en handelingen duidelijk zichtbaar, dus herkenbaar worden in onze gevoelens, gewaarwordingen en gedachten. Doch ook hier is voorzichtigheid geboden, want vaak bedriegt de schijn.

Onderzoeken wij de ware beweegredenen van ons spreken en handelen, dan zullen wij wellicht ontdekken, dat wij achterbaks gehandeld hebben en zo onze naaste hebben bestolen. Misschien hebben wij b.v. opzettelijk onze naaste een geschenk gegeven om een groter geschenk terug te krijgen. Of wij hebben hem naar de mond gepraat, hem gevleid, om hem voor ons te winnen, opdat hij doet, wat wij in onze gedachten willen. Vleiers, jaknikkers en huichelaars willen altijd iets voor zichzelf en beroven hun naasten.

Laten wij eens naar de wereld kijken. Daar is strijd om de energie - b.v. het geld - van de naasten. De rechtvaardige kringloop van de handel en wandel berust op het principe »geven en ontvangen". Is deze kringloop in evenwicht, dan ontvangen wij evenveel, als wij tevoren onbaatzuchtig hebben gegeven. Daarop berust het vóór-elkaar en met-elkaar van het ware christelijke gemeenschapsleven en daaruit ontstaat het welzijn voor allen, het gemeenschappelijk welzijn.

Het principe »geven en ontvangen« wordt in het zakenleven niet alleen maar zo nu en dan misbruikt. Eén voorbeeld: wanneer prijzen te hoog worden gemaakt, dan is dat diefstal van de naaste. Waar men ook kijkt, - overal is ongelijkheid. Er wordt over het algemeen meer genomen dan gegeven. Daardoor zal op een dag de wereld kantelen.

In de natuur ziet het er hetzelfde uit. Moeder aarde wordt uitgebuit. Duizenden jaren lang hebben wij haar krachten afgenomen - gegeven hebben wij haar nauwelijks iets anders dan gif. Daarom is ook onze voeding gedeeltelijk vergiftigd en daarom zullen ook wij ons stap voor stap vergiftigen. De vruchten laten de gevolgen zien, van dat, wat wij hebben veroorzaakt. Zo werkt de wet van zaad en oogst.

De vele ziekten - waar komen ze vandaan? Ze komen niet alleen uit de onzuivere voeding, uit het slechte, bedorven water, maar uit ons zaad, dat bestaat uit de ontelbare negatieve, tegenstrijdige, egoïstische gevoelens, gedachten, woorden en daden. Het water, het slechte voedsel zijn slechts het product, dat wij tot ons nemen en dat dan het lichaam, dat reeds door de wet van zaad en oogst verzwakt is, ziek maakt.

Het is blijkbaar zo, dat juist de z.g. christenen in de westelijke, hoogbeschaafde, vertechniseerde, kapitalistische en succesvolle wereld, juist het zevende gebod met voeten hebben getreden. De fatale gevolgen beginnen wij nu al te zien.

Ook hier beleven wij weer de keten van oorzaken. Wie b.v. vergif produceert, is medeschuldig aan de schade en nood in de natuurrijken. Ook medeschuldig daaraan, dat mensen door het gif ziek worden, die door de misschien te vroeg uitgebroken ziekte ook overeenkomstig negatieve gedachten zenden. Dit negatieve gedachten- en zendpotentieel zet weer mensen aan tot negatief denken en handelen. Zo kan de keten van oorzaken zich steeds meer uitbreiden. De gifproducent is de hoofdschuldige aan deze keten, maar iedereen, die door zijn doen en laten - ook door onverschilligheid tegenover duidelijke wantoestanden - daaraan deel heeft, draagt mede schuld.

»Je zult niet stelen« - nemen wij alleen maar de woorden, dan begrijpen wij weinig van hetgeen erin ligt. Om de zin, die alleen levend maakt, dagelijks meer te begrijpen, hebben wij oerchristenen ons tot opgave gesteld, stap voor stap de Tien Geboden en de Bergrede te vervullen. Zo streven wij naar de waarheid, om steeds meer de waarheid te leven en de oprechtheid in de wereld te brengen, de gerechtigheid tegenover onze naaste en de natuur. Dan erkennen wij ook de waarheid in de bijbel.



verder naar "Het achtste gebod"   /   terug naar "Het zesde gebod"

De Tien Geboden

»De letter begint pas te leven, als de mens de geboden begint te vervullen. Daardoor groeit hij heel geleidelijk in de alomvattende wet van de liefde en het leven. Alleen wie met het hart en in de geest van de liefde de geboden vervult, zal de alomvattende wet erkennen en de waarheid vinden, die binnen in de ziel van de mens is.«
uit het boek »Dit is Mijn woord«.

 

Deze tekst is ook als boek »De Tien Geboden van God« verkrijgbaar bij Verlag DAS WORT.

 

© 2014 Universelles Leben e.V. • E-mail: info@universelles-leben.orgImpressum