|
|
|
De profetes van God spreekt in onze tijd Het fundamentele in onze tijd om over na Nr. 10 De jeugd en de profeet De jongere: Hallo... Neem me niet kwalijk, maar als ik eraan denk, dat ons gesprek genoteerd wordt als basis voor een brochure, dan weet ik niet goed, hoe ik je moet aanspreken. Als wij jonge mensen over of met jou praten, dan noemen we je gewoon "Gabriële" of "Gaby". Je zegt altijd tegen ons, dat je onze zuster bent en zo praat je ook met ons, maar je zou tenslotte, wat leeftijd betreft, onze moeder kunnen zijn. Van Christus en van jou weten wij, dat we allemaal - vanuit de Geest gezien - broeders en zusters zijn. Dat hebben we wel begrepen. In onze gezinnen of bijeenkomsten of in de oerchristelijke bedrijven tutoyeren we ook iedereen. En als we samen aan iets werken, of iemand aan de telefoon hebben, dan doet het er eigenlijk niet toe, hoe oud hij is. Hij is gewoon René of Walter, of zij is Ulrike of Gaby - zij staan net zo vanzelfsprekend voor ons klaar, als wij voor hen, maar in het openbaar? Hoe moet ik je nu aanspreken, als »waarde profetes« of »lieve profetes«, of als »Gabriële« of »Gaby«? De profeet: Waarom zo gecompliceerd? Door onze vele gesprekken weet je, dat profeet geen titel is, maar de aanduiding voor een maner onder de mensen. De profeet, die een instrument is van God, moet datgene uitspreken, wat God wil zeggen en dat is voor de mensen niet altijd aangenaam. Tot nu toe heb ik nooit de indruk gehad, dat jullie jonge mensen mij als maner zien en van mij uit gezien hebben we elkaar altijd als broeders en zusters ervaren, ook al is, zoals je al zei, het leeftijdsverschil tamelijk groot, bijvoorbeeld van 18 tot 64 jaar. Blijft het hart jong, omdat de ziel licht geworden is, dus doordrongen wordt van Gods licht, dan speelt de leeftijd nauwelijks een rol. Het geestelijke bewustzijn blijft actief en geeft ons steeds door, dat het geestelijke lichaam, de lichte ziel, niet ouder kan worden, omdat de Geest Gods het eeuwige leven is en daardoor de eeuwige jeugd. Omdat God, de hemelse Vader, de Vader is van alle mensen, zijn wij in Zijn Geest allemaal broeders en zusters. Dus laten we het ongecompliceerd houden, zoals de Geest Gods nu eenmaal is: jij en de andere jonge mensen kunnen gewoon "Gabriële" of "Gaby" zeggen. De jongere: Dat is goed. Dank je wel. Ik heb me voorgenomen, je speciale en eventueel ook precaire vragen te stellen, is dat goed? De profeet: Ja natuurlijk! Dat vind ik prima. Alsjeblieft geen schuchterheid of geremdheid. Dan zal ik mij er maar op voorbereiden. De jongere: We leven in een wereld, waarmee juist wij jonge mensen vaak niet overweg kunnen. Ieder van ons, die naar ethische en morele waarden op zoek is, moet constateren, dat deze nauwelijks meer te vinden zijn. Waar is nog het echte en ware? Alles, maar dan ook alles gebeurt volgens een vast schema en voordat je het weet, word je tot na-aper of ben je al iemand geworden, die zich op veel levensgebieden aanpaste en aanpast. Als een jong mens probeert individueel te leven, volgens zijn waardebegrippen en zijn eigen inzicht, wordt hij vaak als buitenbeentje bestempeld en al gauw heeft hij geen vrienden meer. Men heeft toch vrienden nodig en men wil ook graag voorbeelden hebben. Goed, ik heb vrienden, maar ik ken er veel die zeggen, dat het moeilijk is om echte vrienden te vinden. Gaby, jij hebt ons gezegd: »Probeer je niet te oriënteren op mensen, maar laat steeds weer het beeld van Jezus van Nazareth voor je innerlijk verschijnen, wat Hij onderwees en hoe Hij leefde. Projecteer Zijn leer en Zijn leven in de huidige tijd, want dat is de maatstaf voor alle tijden en alle eeuwigheid.« Gabriële, jij bent toch ook mens en weet, dat het vaak niet gemakkelijk is, Jezus van Nazareth tot maatstaf te nemen voor ons huidige leven. Ik stel me soms voor, hoe het leven en het gedrag van Jezus van Nazareth er uit zou zien, als Hij nu onder ons - bijvoorbeeld als jongeman - leefde. Gabriële, ik wil je nu de volgende vraag stellen: als jij nu zo oud zou zijn als wij, zo ongeveer 20 jaar - hoe zou jouw leven er dan uitzien? De profeet: Nu moet ik wel even wat uitvoeriger worden. Toen ik tussen de 16 en de 20 was, leed ons land nog overwegend onder de nawerkingen van de 2e wereldoorlog. Er was veel gebombardeerd. In de steden heerste in menig opzicht nog chaos en toch begon hier en daar de wederopbouw. De meeste mensen hadden weinig geld en datgene wat ze bezaten, hadden ze nodig voor het dagelijkse levensonderhoud. De mogelijkheden om een vak te leren waren toen ook schaars. Niet iedereen die een goed eindexamen had gedaan, kon verder studeren, omdat er ten eerste geen vervoersmogelijkheden waren en ten tweede geen geld. Op de radio waren maar weinig programma's; niet ieder gezin had een radio. Er waren geen TV's of computers, geen discotheken of open-air-concerten, noch al datgene, waarmee jonge mensen zich tegenwoordig amuseren. Men vroeg niet naar de modetrend; men kleedde zich met dat wat men had of kreeg. Maar ook wij jongeren hadden idealen en voorstellingen, maar niet zo hoog gegrepen en veeleisend, als nu in het algemeen het geval is. Hoe zag mijn leven er met 18, 20 jaar uit? Ik was een zeer spontaan, vrolijk, blij en sportief type. Met 10, 12 jaar was voor mij geen boom te hoog, of ik moest hem beklimmen, geen water te diep, dan dat ik er niet insprong. Alle soorten sport, die er toen waren, betrok ik in mijn leven. Handbal, lange afstand lopen, hardlopen, turnen aan de rekken en de ringen - alle soorten sport, die toen gebruikelijk waren, waren een deel van mijn leven. Mijn levendigheid en levensblijheid, alsook mijn lichamelijke kracht en dynamiek vonden daarin een geschikte uitdrukking. Ik had altijd veel vrienden, maar ook veel wensen; ik had b.v. de wens een eigen thuis en een eigen gezin te hebben, als ik volwassen zou zijn. Of je het gelooft of niet, voor een jongere als ik was aan een auto of een motor, zoals jullie tegenwoordig hebben, in mijn stoutste dromen niet te denken, maar mijn grootste wens was een nieuwe fiets, want ik ontzag de goed onderhouden fiets van mijn vader niet. Deze had, zoals alle herenfietsen, een stang in het midden, die te hoog voor mij was en waarover ik niet zo snel mijn rechterbeen kon slingeren. Dus reed ik, schuin op de fiets liggend, door mijn rechterbeen onder de stang door te steken om zo bij de trappers te kunnen. Totdat ik daarbij mijn evenwicht kon houden, ben ik vaak gevallen, mijn knieën waren meestal meer geschonden dan de fiets, waaraan deze ongelukjes natuurlijk ook sporen achterlieten. Mijn vader was daar helemaal niet blij mee en vond, dat ik mijn moeders fiets maar moest nemen. Maar dat was een oud karretje, het zadel was zo hoog, dat ik er niet op kon. Met mijn studiegeld kocht ik later een eigen fiets, waar ik heel trots op was. Met 17, 18 jaar kwam de leeftijd, waarop men dansgelegenheden bezocht. In die tijd waren er bij ons nog geen danscursussen; men keek de danspassen af van de ouderen. Ook carnaval was voor ons jongeren een welkome gelegenheid om vrienden te leren kennen, waarmee je dan ging dansen, wat ook betekende, dat je een »cocktailjurk« liet maken. Zoals je weet, groeide ik op in een kleine stad, waar alles nog fatsoenlijk en zedelijk hoorde te zijn. De vriendschappen met jongens bleven meestal vriendschappen. Ze ontaardden niet in sex in elk geval niet bij mij, want ik was een wildebras, die zich minder verloor in romantische dromen of dergelijke gevoelens, maar veel meer werd aangetrokken door sport, ook zwemmen b.v. Ik hield ook van gezelligheid. Als ik jullie leven van nu beschouw en het overdraag naar die tijd, waarin ik 16, 20 jaar was en als ik nu mijn gevoelsleven overdenk van toen, dan is het meer dan waarschijnlijk, dat ook ik naar discotheken zou zijn gegaan, naar open-air-concerten en wat er zo meer geboden werd. Maar als ik daarentegen mijn huidige kennis naar mijn tijd leven tussen 18 en 20 jaar verplaats, dan komt het jeugdtype Gabriële tevoorschijn, die alles zou hebben gewikt en gewogen en zich niet georiënteerd zou hebben aan de massa. Mijn aangeboren vrijheidsdrang en waarheidsliefde zouden tot innerlijke zelfstandigheid en een waarachtig zelfbewustzijn hebben bijgedragen en zouden mij vermoedelijk vroeg een zekere soevereiniteit hebben verschaft. Ook zou ik heel anders geleefd hebben in mijn latere huwelijk en gezin dan de katholieke Gaby, die geen notie had van de fijnste wetmatigheden Gods, die juist een huwelijk en gezin waardevol maken. Omdat ik ten aanzien van het Innerlijke Leven, dus van de geestelijke waarden en wetten, onwetend was, heb ik veel verkeerd gedaan, ook met mijn vrienden en later in huwelijk en gezin. Had ik toen geweten, wat ik nu ken aan goddelijke wetmatigheden, dan was ik in geen geval een na-aper geworden, zoals Gabriële, het jonge meisje, het in veel opzichten was, omdat ze niet anders wist. Juist het na-apen heeft me vaak van mijn stuk gebracht en heel wat ruzies, ontevredenheden en meningsverschillen veroorzaakt. Als jongmens met geestelijk weten, zou ik me nooit binden, zeker niet aan een mens, ook niet aan de eigen partner. Ik zou hem niet voor mijn eigen doeleinden gebruiken. Ik zou ernaar streven en mijn best doen om in de relatie een gelijkwaardige partner te zijn, die met haar levensgezel over alles kan praten. Ook zou ik mijn kinderen vrij laten en ze niet aan mij binden; ik zou mijn best doen hen te leiden, niet zo op te voeden, zoals in die tijd gebruikelijk was. Ik ben een weegschaaltype, dat zeer sociaal is. Als ik nu jong was, zou ik vrienden hebben, maar geen »vriendschapsrelaties« onderhouden, waarmee ik de oppervlakkige, meestal op een bepaald doel gerichte, uiterlijke »saamhorigheid« bedoel. In alle situaties was toen de trouw voor mij al belangrijk. Trouw is het tegendeel van binding. Trouw zijn betekent vrij zijn. Trouw te zijn is nu ook de vrijheid, die mij de mogelijkheid geeft, over alles te kunnen praten, als het niet direct is, dan indirect - dat hangt af van de gesprekspartner, van hetgeen hij bereid is aan te nemen en te verwerken. De jongere: Gabriële, toen jij je jeugd schilderde, werd het me zeer ernstig te moede. In de tijd van jouw jeugd na de 2de wereldoorlog, kan ik me slecht verplaatsen, want zo´n tijd heb ik niet meegemaakt. Nu merk ik: wie dat niet heeft meegemaakt, kan zich ook niet de belevenissen van een mens indenken, die b.v. de oorlogse of de na-oorlogse tijd heeft doorstaan. Hier begrijp ik de leer van de Christus Gods, dat, wie geen ervaring of programmas heeft met situaties of dingen, de ander in deze aspecten niet kan begrijpen. Ik moest lachen, toen je zo levendig over je jeugd vertelde, van je escapades met de fiets, het klauteren in bomen en hoe je je sportieve jeugdleven hebt geschilderd tot en met de eerlijke bekentenis, dat je door je katholicisme gekenmerkte onwetendheid betreffende de geestelijk-goddelijke wetmatigheden, ook veel fout hebt gedaan. Nu is mij ook duidelijk, hoe het komt, dat jij je zo goed kunt verplaatsen in ons jongeren van deze tijd: je hebt aan de hand van het huidige goddelijke weten, de goddelijke wijsheid, jouw jeugd belicht, om ons, de jongeren van vandaag, beter te kunnen begrijpen. Zo kun je ons vanuit dit weten - beter gezegd wijsheid, in veel situaties helpen. Voor je raad en hulp zijn we je zeer dankbaar. De profeet: Ik stel me graag beschikbaar voor mijn jongere broeders en zusters. Ik kan jullie wel menige raad en hulp geven, dus aanbieden - of jullie het aannemen, wordt aan ieder van jullie zelf overgelaten. Vooral het doen, het omzetten, het in de ware realiteit brengen, moet iedereen zelf. Dat geldt voor iedereen, jongere of oudere, op basis van de wet van de vrije wil. De jongere: Mag ik jou uit de lange lijst van vragen, die ik heb meegebracht, nog enkele stellen? Als jij je met de in je ontsloten goddelijke wijsheid in jouw jeugd verplaatst: wat zou je dan na het werk doen? Wat zou je voor interesses hebben? Hoe zou jij als jongere proberen de wereld te veranderen? De profeet: Wat je eerste vraag betreft: wat zou ik als jongere na het werk doen? In mijn tijd was er in het beroepsleven niet zoveel vrije tijd als nu. Er werd eigenlijk altijd gewerkt tot 18.00 of 18.30 u. s zaterdags meestal tot l4.00 of 15.00 u. Je vraagt me echter, hoe ik het zou doen, als ik nu zo jong zou zijn als jij en het geestelijke weten zou hebben. Voor mij zou het belangrijk zijn, dat ik na mijn werkdag balans opmaak en mezelf weeg op de gevoelsweegschaal: wat was er vandaag enigszins goed, wat minder goed, wat misschien zelfs miserabel? Alle drie de aspecten - het goede, het minder goede en het miserabele - zou ik de revue laten passeren. Over het goede zou ik me verheugen en het door bevestiging in mijn dagbewustzijn stabiliseren. Wat niet zo goed was zou ik nader bekijken met de vraag: wat ligt er in mijn onderbewustzijn, dat mijn dagbewustzijn - mijzelf dus - steeds weer parten speelt? Want je moet weten, het onderbewustzijn is te vergelijken met een killer, die op de loer ligt om de goede voornemens in het dagbewustzijn steeds weer te »killen«, dus te vernietigen en ons, wat dit betreft in het negatieve te trekken. Het miserabele zou ik met al mijn ter beschikking staande krachten, vooral met de Christus-Godskracht, te lijf gaan, dus het spoor tot de wortel volgen, om deze met de hulp van de Geest van Christus uit te roeien. Juist het miserabele kan ons tot daden brengen, die we in het dagbewustzijn helemaal niet willen. Het miserabele is dus een reuzenkiller, die voortdurend op de loer ligt om onze goede voornemens te doden en onze ontwikkeling de negatieve kant op te sturen. Met de hulp van de Christus Gods zou ik dus mijn dag afsluiten en de weg gaan, die Jezus van Nazareth ons heeft gewezen: erken je zonden, berouw ze, breng ze in het reine en doe ze niet meer. Het niet-meer-doen is beslissend. Daar hebben we een portie kracht voor nodig, om de goddelijke wetmatigheden in het dagbewustzijn vast te houden, want de killer onderbewustzijn, waarin het verkeerde en miserabele nog aanwezig en levendig is, probeert steeds het dagbewustzijn te pakken te krijgen, ons dus tot herhaling te bewegen van oude ondeugden, het verkeerde, dat op onze ziel, op ons ware wezen, drukt. Zoals ik het vanuit mijn huidige gezichtspunt in mijn jeugd zou hebben gedaan, zo doe ik het nu op latere leeftijd: ik sluit dagelijks mijn dag af. De jongere: Zou men deze killer onderbewustzijn de »verleider« kunnen noemen? De profeet: Je hebt helemaal gelijk. Strikt genomen is het zo: het negatieve, dat we niet overwonnen hebben is - evenals het positieve dat we hebben ingegeven - opgeslagen in het onderbewustzijn. Aanvankelijk geeft het onderbewustzijn uit datgene, wat we hebben opgeslagen, steeds weer impulsen aan het dagbewustzijn, om hetzelfde of iets gelijksoortigs te denken, omdat het negatieve, dat meestal domineert in het onderbewustzijn, hongert naar meer negatieve energie. De »verleider« - het negatieve in het onderbewustzijn - zet het dagbewustzijn dus steeds weer aan tot tegenstrijdig denken. Handelt de mens, het dagbewustzijn, dan inderdaad zo, dan brengt dit meer negatief energiepotentiëel in het onderbewustzijn bij datgene, wat daar reeds aanwezig is. Lukt het de »verleider« steeds weer, het dagbewustzijn aan te zetten tot tegenstrijdig handelen, dan vult het onderbewustzijn zich steeds meer met deze energie. Voor zover deze niet wordt afgebouwd, is het onderbewustzijn op een dag gevuld met datgene, wat wij hebben ingegeven. Bezwijkt de mens dus voortdurend onder de »verleiding«, de tegenstrijdige impulsen uit het onderbewustzijn - gehoorzaamt hij deze als het ware, dan voedt hij dit zondige energiecomplex, brengt het weer tot leven en bouwt het op, zodat het steeds sterker wordt. Is het onderbewustzijn tenslotte gevuld met deze ingaven, dan is het tot machthebber geworden en is daarmee ook de drijvende kracht. Dat wil zeggen, het onderbewustzijn heeft macht over het dagbewustzijn en bepaalt nu de mens, dit of dat te doen - het heerst over de mens. Deze is nu gedreven en - wat betreft deze zondige geaardheid - niet meer baas over zichzelf. We kunnen ook zeggen, het onderbewustzijn is nu autonoom: de mens brengt ten uitvoer, wat hij gedurende lange tijd heeft ingegeven in het onderbewustzijn. Neemt de mens nu ten aanzien van deze speciale zwakte, deze zondige aanleg, een goed voornemen, dan bevindt zich dit eerst in het dagbewustzijn. Omdat dit echter als het ware machteloos is, kan het tegen de oppermachtig geworden imput in het onderbewustzijn nauwelijks nog iets bereiken. De overwegingen en bezwaren uit het dagbewustzijn hebben geen effect meer - de mens kan zijn positieve voornemens, toch dat te doen wat goed is, niet uitvoeren. De »killer« onderbewustzijn verijdelt dus de stap in de goede richting, hij »killt« het goede, dat de mens zich voorneemt - de mens voert zijn goede voornemen niet meer uit. De bewuste afsluiting van de dag dient er o.a. voor, het ingeziene negatieve, ook datgene, dat actief is in het onderbewustzijn, te analyseren, - dus de wortel te vinden - het op te heffen en niet meer te doen, voordat het onderbewustzijn gevuld is. Het goede, positieve, moeten we ons steeds weer voornemen, tot ons positieve programma, b.v. een gebod Gods, »pakt«. Terug naar je vragen: wat zou ik nu, als jongere, nog meer doen? Ik zou alles verwezenlijken, wat me na aan het hart ligt, b.v. schilderen, zwemmen, sporten, b.v. tennis of een andere sport van tegenwoordig en wel die, waarbij ik niet afhankelijk zou zijn van anderen, b.v. geen wedstrijdssport om daarmee geld te verdienen. Enerzijds zou prestatiesport mijn gevoelsleven overbelasten, anderzijds zou ik afhankelijk zijn van een trainer, ook van mensen, die mijn trainingsuren betalen en uiteindelijk van het publiek, dat mij moet aanvuren, om nog meer te presteren. Ik zou ook een vriendenkring onderhouden, door bij elkaar te komen om samen iets te ondernemen en van gedachten te wisselen. Als ik een hechtere vriendschap zou aangaan, zou ik ernaar streven, alles vanuit het aspect van mijn hooggewaardeerde vrijheid te beschouwen, mij dus nooit binden aan wensen - ook al zouden het seksuele wensen zijn - noch aan de mijne, noch aan die van anderen. Mijn vrijheid zou het hoogste goed voor me zijn, waaruit volgt, dat ik ook mijn naaste de vrijheid geef, hem niet dwing tot iets of hem tot iets overhaal, ook dan niet, als seksuele wensen mij zouden lastig zouden vallen. Het zou een behoefte voor mij zijn om te achterhalen, waar deze drang vandaan komt - dus te onderzoeken, wat er ten grondslag ligt aan mijn dringende wensen. Bovendien was en ben ik een muzikaal type. Ik zou een instrument leren bespelen, waarvoor ik talent zou hebben. Gedurende de oorlogsjaren, toen ik nog een kind was, leerde ik een diatonisch instrument te bespelen. Omdat het tweedehands was, moest het steeds weer gerepareerd en gestemd worden. Mettertijd kregen we geen onderdelen meer en moest ik het verder leren opgeven. Later, als jonge vrouw, begon ik piano te spelen. Toen kwam de profetische oproep. Opnieuw hield ik op met oefenen. Op latere leeftijd, toen ik ongeveer 50 was heb ik de muziek nog steeds niet opgegeven; weer begon ik ermee in mijn eentje te oefenen.. Ook nu nog speel ik af en toe piano, natuurlijk alleen in de huiselijke kring. Ik bezoek ook graag harmonische concerten. Je ziet, aan het muzikale zijn wat leeftijd betreft geen grenzen gesteld.
Je vroeg, of ik als jongere met het huidige geestelijke weten, zou proberen de wereld te veranderen. Waarom niet! Ik zou echter niet de straat op gaan om te protesteren en mij er speciaal op toeleggen, om mijn medemensen angst aan te jagen. Mijn hartewens zou zijn, eerst mijzelf te veranderen, mezelf duidelijk te maken, wat ik werkelijk wil en of mijn levensdoel het ontstaan van een betere, geestelijk soevereine en ontvankelijke maatschappij kan zijn. Ik zou me niet overgeven aan utopische voorstellingen, maar mezelf duidelijke, realistische en ethisch-morele doelstellingen voornemen, die ik dan zou trachten te bereiken. Weet je, beste Martin, wie in het klein bij zichzelf begint, hogere ethische doelstellingen te verwezenlijken, wie zichzelf dus verandert en niet alleen anderen wil veranderen, wordt een goed voorbeeld en trekt mettertijd mensen aan, die hetzelfde of iets soortgelijks willen. Of ze zich eraan zullen houden, wat ze zich hebben voorgenomen, dat kun je niet beïnvloeden. Er zullen echter altijd mensen bij zijn, die het zo willen doen als jij en zo de waarden behartigen, die een zedelijk georiënteerde maatschappij levensvatbaar maken met stabiele normen. De jongere: Gaby, wat zou jij doen, als iemand iets van je wil, of als er vaak een klant op je af zou komen, die je uitnodigt voor een kop koffie, maar je merkt, dat hij heel iets anders in de zin heeft? Ik kan hem toch niet steeds voor het hoofd stoten? Hoe zou jij je gedragen? En wat adviseert de goddelijke wijsheid hier? De profeet: Met die uitdrukking, »als iemand iets van je wil« bedoel je zeker, als iemand probeert je mee te krijgen, je als het ware lastig valt. Een mens, die een beetje verstand en wijsheid bezit, zou op zulke »pogingen« niet reageren of duidelijk maken, hoe hij erover denkt. We moeten leren inzien, dat ieder mens een andere bewustzijnsgraad heeft en iedereen overeenkomstig zijn gevoelens, gewaarwordingen, gedachten, woorden en handelingen, zijn dag- en onderbewustzijn, zijn lichaam en ook zijn ziel geprogrammeerd heeft en programmeert. De programmas van ieder mens vormen zijn bewustzijnsgraad. Overeenkomstig daarmee voelt, denkt, spreekt en handelt hij. Dat betekent, dat niemand de ander helemaal kan begrijpen, omdat ieder van ons nu eenmaal een andere bewustzijnsgraad heeft. Als ons dit duidelijk en tot realiteit wordt, zullen we er ons veel minder over opwinden, als een ander, zoals je zegt: »iets van je wil«. Je kent toch ook de wet van de overeenkomst: hetgeen me aan anderen opwindt, datzelfde of iets soortgelijks heb ik ook in mij. Je zegt, dat een klant je vaak uitnodigt om met hem koffie te drinken en je voelt, dat hij daarmee iets heel anders bedoelt. Met jouw uitspraak, dat je hem niet steeds »voor het hoofd wilt stoten«, heb je gelijk. Men moet een uitnodiging niet zonder gegronde reden afwijzen. Hoe zou het zijn, als jij die klant eens uitnodigt om koffie te drinken en hem meteen aankondigt, dat je 'n paar vrienden meebrengt? Wat die klant dan beslist, moet je aan hem overlaten. Daaruit kun je dan je conclusie trekken. De jongere: Op mijn blaadje staan nog een heleboel vragen. Dit is de volgende: Voor ons jongeren zijn er heel sterke modetrends: bont geverfde haren, piercing, zeventiger-jaren-spullen en bepaalde merken, die iedereen »moet« hebben. Wat zou jij doen? Zou jij ook met groene haren, spijkerbroek en plateauschoenen rondlopen of zou je een wit, golvend gewaad dragen? De profeet: In mijn gevoelsleven als jongere kan ik me goed verplaatsen. Ook jullie gevoelswereld is mij niet vreemd. Omdat in iedere situatie de vrije wil gehandhaafd moet worden, wil ik dat, wat bij de huidige jeugd domineert, slechts globaal aanspreken, ik wil jullie dus niet veranderen. Dat moet uit eenieder zelf komen. Hoe zou ik mij als jeugdige hebben gedragen, als toen de tegenwoordige mogelijkheden en modetrends actueel zouden zijn geweest en ik het weten van de wetmatigheden Gods niet zou hebben gehad? Beslist zou ook ik een na-aper zijn geweest, die zich óók zo zou hebben gedragen als de vele jonge mensen nu, om tenslotte niet aan de kant te staan, zonder vrienden. Aan »piercing« zou ik zeker niet hebben meegedaan, want het doorboren van de huid, al zou het alleen maar in neus en wangen zijn, heeft mij altijd al tegengestaan. Zó mijn lichaam voor altijd te tekenen, daar heb ik nooit van gehouden. Een wit, golvend gewaad zou ik niet hebben gedragen en draag ik ook nu niet, want wie zich door zijn kleding van de massa wil onderscheiden, heeft het e.e.a. te verbergen. Hij wil zich anders voordoen dan hij is en hoe hij is, wil hij met alle mogelijkheden en trucs verbergen. Daarom kleedt hij zich anders dan de massa. In geen geval wil ik jullie jongelui beleren, want ieder mens moet zelf de wortel vinden van zijn gevoelens, gedachten en wensen, die hem aanzetten, zijn uiterlijk te veranderen. Wat wil hij ermee bereiken? Zou ik in mijn jeugd geweten hebben van de goddelijke wetmatigheden, dan zou ik geen na-aper zijn geworden - want het geestelijk-goddelijke weten geeft de jonge alsook de oudere mens de mogelijkheid, de achtergrond van zijn gedrag te analyseren, deze te verwerken, te overwinnen en daardoor onafhankelijk en vrij te worden. Laten we eens samen de achtergrond onderzoeken van de bont geverfde haren, piercing, de zeventiger-jaren-spullen en de merken, die iedereen »moet« hebben. Laten we bij de natuur beginnen. De mens is een natuurlichaam dat uit water en aarde bestaat. Beschouwen we het natuurlichaam aarde, dan zien we, dat het alleen verandert overeenkomstig de jaargetijden. In de lente ontwaakt de natuur; alles bloeit. In de zomer ervaren we het rijp worden van de vruchten en in de herfst het afnemen van de levenssappen. De winter brengt de rustfase en hier en daar het witte kleed, de sneeuw. De veranderingen in de natuur voltrekken zich zonder toedoen van de mens, dus in cycli. Grijpt de mens in in het verloop van de natuur door kruisingen, genetische manipulatie en, zoals nu aan het licht komt, ook door klonen, dan kan hij wel de uiterlijke vormen van de natuur veranderen, de basis-wezenstrekken echter, de geestelijk-goddelijke structuren, blijven. Wat is het motief van een mens, die zijn natuurlijke geaardheid verandert? Wat ligt daaraan ten grondslag? Waarom verloochent de mens zijn wezen, past zich aan, vervormt zijn karakter, neemt vreemde programma's over, meningen van anderen en gebruikt veel energie om zo te lijken als hij niet is? Omdat zelden iemand zijn gedrag analyseert om zichzelf te doorzien, wordt hij tot na-aper of tegenstander van personen of van de maatschappij. Veel jongeren laten zich in deze categorie indelen. Zo menige jongere bevalt het niet, hoe b.v. zijn ouders zich gedragen, hoe ze denken en spreken. Ook de maatschappij, waarin hij leeft, staat hem in veel opzichten tegen. Omdat de jonge mens met zijn voorstellingen en meningen niet aankomt bij de ouders, bij andere mensen, waarmee hij in contact komt en in de maatschappij, omdat hij de ervaring heeft als incompetent, onervaren en onverstandig te worden afgewezen, gaat hij er eerst met woorden, uitingen en gedrag tegenin. Later, als hij moet inzien, dat hij zijn voorstellingen en meningen toch niet door kan zetten, begint hij te rebelleren en kleedt hij zich vaak als opstandige tegen de maatschappij. Zo menigeen denkt: als ze dan niet naar mij luisteren en ik mijn zin niet krijg, als ik dus niet »gewaardeerd« word zoals ik ben, dan zullen ze maar moeten zien »hoe ik ben« en me op deze manier aandacht geven. Daarom verft men de haren in bonte kleuren en schakelt zich - door na-apen - het principe huldigend: eenheid maakt sterk - gelijk met andere leeftijdgenoten, door de genoemde kleren der zeventiger-jaren, plateauschoenen, door het van het gebruikelijke afwijkende gedrag, etc. etc. De jongere: Mag ik daar eens iets over zeggen? Wij, d.w.z. de jongeren, die ik goed ken, hebben allen absoluut het gevoel, dat dat zo niet goed is, Gaby. Maar wat kun je eraan doen? Hoe zou het trouwens anders kunnen? Dat is de vraag, waarmee we niet verder komen. De profeet: De natuur toont ons de ongekunstelde en rechtlijnige loop van ons leven. Wij mensen willen vaak onze aardse levensloop bepalen en gedragen ons in velerlei opzicht als clowns, die zich bont uitgedost aan het publiek presenteren. Daarmee zijn niet alleen de jongeren aangesproken, maar vooral degenen, die volwassen willen zijn en voorwenden, in de maatschappij te kunnen functioneren. Laten we de jaargetijden eens beschouwen. De lente wil niet de zomer zijn en de zomer niet de lente. De herfst wil niet de zomer zijn, de winter niet de herfst. Veel mensen denken echter dat ze, als ze in het midden van hun leven staan, dus in de zomer of de nazomer, de lente moeten zijn. Zo doffen ze zich op. Ze zoeken een haardracht of kleding uit, die bij de jeugd, de lente past en niet bij degene, die midden in het leven staat, in de zomer. Wie in de herfst van zijn leven staat, wil vaak het leven van het midden, de zomer, dichterbij halen; daarom verft hij zijn haren en schaft zich precies die kleding aan, die bij jonge mensen hoort, met de bedoeling er jeugdig uit te zien. Voor zo iemand speelt het geen rol, dat hij daarmee eventueel zijn onrijpheid laat zien. Voor hem is het belangrijk, dat hij schijnt, wat hij niet is. Wie in de winter van het leven staat, wiens haar al wit is als sneeuw, wil het vaak ook niet waar hebben. Hij hoopt de kentekenen van zijn levensfase te kunnen verdoezelen, om tenminste de herfst nog dichterbij te kunnen halen. Dat vernislaagje is dan het bruin- of roodgeverfde haar, make-up in meerdere lagen en kleding, die nog een beetje wil laten zien van wat er tenslotte niet meer is: slanke benen in chique schoenen. Wat eruit komt is het oude been, vol met spataderen, met schoenen, die alleen het been van een mens in de zomer (van zijn leven) zouden sieren. Beste jongeman, jullie zijn dus niet alleen met jullie ongebruikelijke kleding. Er is een spreekwoord: »zoals de ouden zongen, piepen de jongen«. Willen jullie deze uitspraak aannemen of willen jullie haar veranderen, door een ander parool te kiezen, b.v. »zoals de ouden zongen, zo piepen wij jongeren niet!« Voor jullie jongeren zou b.v. het volgende interessant kunnen zijn om over na te denken: heeft de mens waardering voor zichzelf, dan verzorgt hij ook zijn lichaam en kleedt zich overeenkomstig. Niets tegen jeans en slobbertrui, maar alles op zijn tijd. Ordentelijke kleding kan slechts worden gekozen door een esthetisch afgestemd mens, dat zijn lichaam verzorgt. Zo'n mens zal zich ook fatsoenlijk, dus verzorgd kleden. Heb je achting voor jezelf door bewust te leven, dat let je op hetgeen je denkt, controleert je woorden en ben je je er altijd van bewust, dat je met je voelen, denken, spreken en handelen, ook met al je wensen en driften, je eigen mensbeeld schept, waarmee je op je naaste inwerkt. Waarom wil men eigenlijk iedere leeftijd ontkennen? Omdat een mens zelden in het moment leeft en zijn dagen en uren benut. Wie in de lente van zijn leven niet de lentedagen benut, doordat hij innerlijke waarden schept, dus een hogere ethiek en moraal nastreeft en de zedenleer aanwendt, verliest zichzelf en geeft zijn persoonlijkheid op. Zo verkwist zo iemand zijn in deze wereld meegebrachte levensinhoud, door er voortdurend over na te denken, wat hij wil, wat hij nu eenmaal niet heeft en misschien ook nooit zal krijgen. Dan klampt hij zich eventueel vast aan de TV, om zich in gedachten te verplaatsen in de rol van de acteur, omdat hij wil zijn, zoals deze ook alleen maar uitbeeldt. Of hij zoekt zijn »heil« in de computer, door internet te doorzoeken naar wat de wereld allemaal te bieden heeft, en datgene na te apen wat van zijn gading is. Daarnaast verandert hij zijn uiterlijk door zich op een bepaalde manier te kleden en door overdreven gedrag. Omdat dus maar weinig mensen hun aardse levensloop bewust leven, omdat er maar weinig datgene overwinnen en in praktijk brengen, wat voor hen in de dag-energie ligt, zijn zij voortdurend bezig, iets in te willen halen, dat allang verleden tijd is. Omdat ze dat niet willen inzien, denken ze, dat ze nog het een en ander kunnen inhalen, als ze zich vermommen. Beste jongelui,willen jullie ook zo piepen, zoals de ouden al generaties lang zongen en zingen? Of willen jullie het leven in de hand nemen, door de zedenleer te praktiseren en jezelf hogere ethisch-morele waarden eigen te maken? Dan piepen jullie niet, zoals de ouden zongen. Door jullie en tenslotte met de hulp van de Geest Gods ontstaat dan een waardevolle christelijke maatschappij, die vóór het leven is, dat zich iedere dag opnieuw laat zien en ook voor het leven van de natuurrijken. Daaruit ontstaat de eenheid met alle positieve krachten van de oneindigheid en harmonie onder de mensen. Dan verdwijnen overmatige rijkdom en erbarmelijke armoede. Als we onze huidige maatschappij beschouwen, waarbij ook de ouders horen, met het oog op de goddelijke wetmatigheden en het wetmatige verloop van de natuur, dan treffen we een verdeelde samenleving aan van opinievormers en gelijkschakelaars, van z.g. volwassenen, die echter nooit volwassen worden, want ook zij zijn na-apers en clowns, om zo goed als het kan sociaal aanvaardbaar te blijven. Gaat een jongere over de schreef, breekt hij uit dit starre systeem, dan schudt de maatschappij alleen maar het hoofd en zo menigeen kijkt minachtend neer op degene, die b.v. een speciale haardracht of bont geverfde haren, zeventiger-jaren-kleding of plateauschoenen draagt enz. Wat er echter achter zit, daar vraagt nauwelijks iemand van deze maatschappij-verslaafden naar, want zij staan, - zoals gezegd in het natuurbeeld - niet in hun cyclische levensafloop, in hun realiteit, maar in hun vermomming. Hand op het hart, beste jongeman: jullie zijn nog niet rijp, net zo min als de maatschappij-verslaafde volwassenen. Daarom hebben de jeugd en de ouderen vaak wrijving over verschillende meningen en voorstellingen. Menige jongere, die als jeugdige een rebel tegen de maatschappij was, werd met ongeveer 30 jaar een conformist en opportunist, liet zich inpakken in de maatschappij, in hun spelregels en hun schijnmoraal en werd één van hen, die dan ook het aanzien, het succes, de macht en het geld najoeg en dat nog doet. Waarom eigenlijk? Als we de verlangens van de jeugd analyseren, die meestal op grond van ontbrekende ervaring niet evenwichtig doch eerder fantasieën zijn, dan zien we, dat de jeugd wel veel wil veranderen, maar niet de ervaring heeft, hoe dit in zn werk zou kunnen gaan. Ook veel ouders en veel aspirant carriëremakers, kunnen momenteel de jonge mensen niet instrueren, omdat ze zelf de levenskwaliteiten niet kennen, die een maatschappij stabiel maken en deze kwalitatief kenmerken, die het gemeenschappelijk welzijn op alle levensterreinen nodig heeft. Elk van deze maatschappij-verslaafden wil alles alleen voor zichzelf, volgens het principe: »alles alleen voor mij, de ander interesseert mij uiteindelijk niet.« Ofschoon in onze maatschappij veel wordt gesproken over jeugdwerk en hulp voor de jeugd en wat dat betreft ook het e.e.a. gedaan wordt, ontbreekt toch de basis, waarop een jongere zou kunnen opbouwen. Bijvoorbeeld zou het goed zijn, de jonge mens en zijn karaktertrekken te leren begrijpen. Het zou nodig zijn, te bestuderen, waarom hij in opstand komt, waarom hij door uiterlijk gedrag opponeert. Men zou moeten proberen te begrijpen, waarom hij zich als jongere aan de andere jongeren aanpast en waarom hij zich later, met ongeveer 30 jaar, aansluit bij de schijnbaar alomheersende egomaatschappij, zijn tenminste in de kiem aanwezige idealen en waarden, als gelijkheid en vrijheid, opgeeft en meedoet met de duizenden jaren oude »modetrend«: »Ik! Ik! Ik! Alles alleen voor mij!« Veel jonge mensen geloven in reïncarnatie en zijn zich ervan bewust, dat de verschillende karaktertrekken van de mens geërfde of uit vorige incarnaties meegebrachte eigenschappen zijn. Iedereen brengt andere, al te menselijke attributen mee in dit aardse leven. Wat in de mens aan al te menselijke karaktertrekken actief is, dat kenmerkt zowel de volwassene als de jongere. De jongeren en ook de volwassenen onderwerpen zich - de één meer, de ander minder - aan de uiterlijke aanpassing. Ieder is van mening, dat zijn maatschappelijke maatstaf het doel van de samenleving dient. Kijken we achter dit aanpassingsmechanisme, dan merken we, waar het naar toe gaat. Ofwel men wil, indien mogelijk, een groot stuk van de koek, òf men wil iets worden of zijn baan behouden en deze eventueel nog uitbouwen. Zelden stelt de maatschappij-verslaafde zich de vraag, of datgene, waarnaar hij streeft, moreel of immoreel is. Menigeen denkt: »Het kan me niet schelen, wat het is, aanpassing of niet, belangrijk is, dat het stuk van de maatschappijkoek voor mij zo groot mogelijk is«. Als ik nu jong zou zijn en dit inzicht zou hebben en tevens het weten van de geestelijke, hogere ethisch-morele waarden, zou ik er zeker naar streven, de naaste te leren begrijpen, hem aan te nemen inplaats van af te wijzen, mezelf niet boven hem plaatsen, maar me aan zijn zijde zien, d.w.z. welwillend en tolerant te zijn tegenover hem, dus dat toe te passen, wat reeds in de Bergrede staat: wat jij wilt, dat anderen voor je doen, doe jij dat eerst voor de ander. Met de trend om na te apen zou ik dan beslist niet meedoen en mij zo gedragen en kleden, zoals hogere, morele en ethische waarden het mij zeggen. Overeenkomstig mijn geestelijke weten van nu - »het gelijke trekt steeds weer het gelijke aan« - zou me ook bewust zijn dat ik vrienden zou vinden, die hetzelfde of iets soortgelijks nastreven. Alleen in het bewustzijn en in de vervulling van de goddelijke wetmatigheden kan de jeugd een ethisch-morele waardevolle maatschappij opbouwen, die niet alleen hoogstaande gedachten heeft over het algemeen welzijn en mooie redevoeringen daarover houdt, maar het ook actief bevordert voor allen, wat inhoudt, dat de enorme verschillen tussen rijk en allerarmst er niet zouden mogen zijn. Zo'n jongere, die zijn innerlijke waarden uitwerkt, die in ieder mens liggen, zal zich, als hij boven de 30 is, ook niet aanpassen, zich dus niet in laten pakken door de egomaatschappij, met haar machtsaanspraak en welvaartsdenken. We werpen nog even een blik op de natuur. De lente is de jeugd. Geen blad en ook geen bloem zal zich uit zichzelf inkleuren. Ze zijn mooi, zoals ze zijn. Geen enkel dier laat zijn pels verven of op een andere wijze zijn aard veranderen. Het is, zoals het is en zo is het mooi. Kleedt de jongere zich, zoals het bij zijn type past en bij zijn zich opbouwende innerlijke waarden, dan brengt hij zijn jeugdige deugden en karakterwaarden tot uitdrukking. De zomer, de rijpheid en ook de reeds beginnende oogsttijd symboliseren dan de mens, die over kwaliteiten en capaciteiten beschikt, dus over uitgewerkte beroepswaarden, die hij heeft verworven door vlijt en doorzettingsvermogen, maar ook door gemeenschapszin, en door erkenning en het in acht nemen van ethische en morele grondbegrippen. Zulke mensen staan actief in het beroepsleven en zullen vrucht dragen - en niet alleen aan zichzelf denken, maar ook aan het welzijn voor allen. Zij zijn rijk aan innerlijke ervaringen en hebben goede karaktereigenschappen. Ze prefereren het echte gemeenschappelijke welzijn vóór oververzadigde welvaart. Zulke mensen praten niet alleen over het algemeen welzijn, maar zetten zich ervoor in, dat het alle mensen in zoverre goed gaat, als deze ernaar streven, het gemeenschappelijk welzijn te dienen en daarvoor nuttig te zijn. Ieder van ons weet: wie het gemeenschappelijk welzijn schaadt, schaadt zichzelf; hij sluit zich geleidelijk aan af van de ontwikkeling van het algemeen welzijn en bouwt alleen op zijn eigen welzijn. Zo ageert de huidige maatschappij. Zoals we nu zien, heeft dit geen bestendigheid. Willen we een ethisch-morele, hoogstaande maatschappij, dan zou deze zich moeten ontwikkelen uit een jeugd, die niet alleen rebelleert, en met geverfde haren, piercing, 70er jaren-spullen en merkkleding die iedereen »moet« hebben, met jeans en plateauschoenen de aandacht trekt, maar innerlijke, dus hoogstaande waarden ontwikkelt, die borg staan voor een zedelijk gekenmerkte maatschappij. Dit bevordert de gemeenschapszin voor alle mensen, die voor het ware algemeen welzijn willen denken en handelen en de kwalitatieve capaciteiten in gezin en beroep ontwikkelen. De jongere: Nu wordt me veel duidelijk: dat men door demonstratie »wij willen het anders« en door rebelleren geen betere wereld kan scheppen en dat het uiteindelijk aan ieder persoonlijk ligt, wat hij van zijn leven maakt. Niemand kan zich in plaats van de ander veranderen, niemand kan zijn medemensen een goede mentaliteit en hogere ethische en morele waarden opdringen. Gaby, je spreekt over de confrontatie van de rebellerende jeugd met de maatschappij, maar vaak zijn het ook onze ouders, waarmee wij - op persoonlijk gebied - botsen. Wij vinden dat zij vaak gewoon bekrompen reageren en dwarsliggen. De profeet: Hier zou ik toch graag eens een beroep doen op jullie jongeren, om voor jullie ouders, eventueel voor jullie grootouders, wat meer begrip op te brengen. Hoe vaak hoort men van de jongeren: »Mijn ouders liggen dwars. Ze zijn zonderling, ze zijn incompetent, wat de tegenwoordige jeugd betreft.« Ik heb in het woordenboek nagekeken wat zonderling betekent. Daar staat: »vreemd, vreemdsoortig, buitenissig excentriek«. Als jullie de tegenwoordige welvaartsgeneratie zouden kunnen vergelijken met de vorige generaties, zouden jullie meer begrip hebben voor jullie ouders en eventueel grootouders. Niet alle ouders en grootouders kun je als zonderling betitelen, want in de terugliggende generaties, waarin jullie grootouders en ouders in de puberteit waren, bestonden er heel andere levensgewoontes. Juist in de tijd van de grootouders, was er een verplichtende, strenge etikette; dit had men te laten en dat had men te doen. Daar was voor de jeugd geen gemaar. Het was gewoon: »dat doet men« en »dat doet men niet«, ook wat betreft de vaak te hoog gegrepen tafelgewoontes of het gedrag in gezelschap, dat zich een bijzondere uitdrukkingswijze had eigen gemaakt, respectievelijk had opgelegd. Voor kinderen werd veel voorgeschreven. 's Zondags droeg men bepaalde kleding en schoenen, die doordeweeks niet werden gedragen. De ouders van toen waakten streng over hun kinderen: met wie zij omgingen en dat ze geen voorechtelijke relaties hadden. De kinderen en jongeren hadden meestal weinig persoonlijke vrijheid. Ze moesten over 't algemeen volgzaam en braaf zijn, zich dus aanpassen. Het leven van het kind tot volwassene was dikwijls doorweven met strenge, starre voorschriften en verboden, opdat de kinderen als paradepaardje schitterden voor verwanten en vrienden. Niet altijd waren de ouders van de toenmalige generatie zelf zo onberispelijk, als zij hun kinderen opvoedden. Wat ze zichzelf heimelijk gunden, verboden ze vaak hun kinderen, die vanzelfsprekend hadden te gehoorzamen en dat over 't algemeen ook deden. Uit hun eigen gedrag leidden ze vaak de opvoeding van hun kinderen af. Bij jullie ouders ging het er meestal niet meer zo vormelijk en stijf aan toe als het bij hun ouders was, maar ook zij kregen - zoals jullie zouden zeggen - het muffe waas van vorige generaties mee. Het gedrag van jullie ouders en grootouders kunnen jullie dus niet globaal als »zonderling« betitelen. Het toont de stempel door de toenmalige opvoeding, aan wie zich zeker zo menige vroegere jongere onttrok - tot ontzetting van de familieleden, waarvoor het »zwarte schaap« in de familie pijnlijk was. Zeker kunnen de ouders en grootouders ook daarvan berichten, hoe ze nu en dan moedwillig dat deden, wat ze niet hoorden te doen, hoe ze streken uithaalden en zo meer. Dat bleef echter de uitzondering in de burgerlijke maatschappij van toen. Jullie jongeren zijn in een tijd van bloei van een zogenaamd economisch wonder (Wirtschaftswunder) geboren, in een maatschappij, die de belangrijke ethisch-morele principes - over etikette en bijzonder gedrag wil ik niet eens spreken - verregaand verloren heeft. Jullie ouders zijn wel opgegroeid in deze tijd van economische bloei, maar hebben hun opvoeding nog van hun ouders gekregen, wier normen beslist een stempel op hen hebben gedrukt. Gedragspatronen, die in de kinderjaren en jeugd duidelijk tot uitdrukking komen, zijn vaak nog het hele verdere aardse leven min of meer werkzaam. Velen van de oudere generatie kunnen het tegenwoordige gedrag van de jeugd, die door de economische groei een reuze generatiesprong heeft gemaakt, niet begrijpen, omdat in hen nog altijd het opvoedingsbeeld van hun kindheid en jeugd levendig is. Vanuit deze instelling voeden ze nu vaak hun kinderen op en werken met de maatstaven en normen van toen op de jeugd in. Houden velen van jullie de ouders voor incompetent wat betreft de tegenwoordige jeugd, dan zou ik jullie te bedenken willen geven, dat het eenvoudig om een gebrek aan ervaring zou kunnen gaan. Jullie ouders zijn niet op de hoogte van jullie levensstijl, omdat »vroeger alles anders« was. Zij kunnen jullie in veel opzichten niet begrijpen, omdat ze geen ervaring hebben in vele dingen, die voor jullie in deze bloeiende generatie vanzelfsprekend zijn. Omdat ze door deze generatiesprong onzeker zijn in de opvoeding van hun kinderen, reageren ze soms te heftig of zelfs te ouderwets, nu eenmaal vanuit hun herinneringspotentiaal, hun kindertijd en jeugd van toen. Hoe zou het zijn, als jullie jongeren eens met elkaar daarover zouden praten en voor ogen zouden houden, dat jullie ouders nu eenmaal niet zoals jullie opgegroeid zijn in een welvaartsmaatschappij? Praat er, als je wilt ook over, dat jullie grootouders en ouders in hun kindertijd en jeugdjaren een overdreven strenge en gereglementeerde opvoeding moesten ervaren, dat ze hieruit weliswaar nu en dan heimelijk ontsnapten. Dan deden ze dingen, die beslist niet altijd onschuldig en ongevaarlijk waren, wat de ouders beslist grote zorgen had gebaard, als ze ervan hadden geweten. Ook deze herinneringen en ervaringen van het uitbreken uit de benauwdheid van een autoritaire opvoeding in hun jeugd, werken mee in de opvoeding van jullie in de heimelijke zorg, dat jullie het ook zo zouden doen als zij vroeger. De angst en de bezordheid van de ouders resulteert dikwijls in het streven, jullie voor onheil te bewaren. Ook jullie auto- en motorrijden, dat af en toe meer een racen is, geeft jullie ouders aanleiding tot ongerustheid. Ze maken zich zorgen om jullie welzijn en jullie leven. Veel ouders betreuren het, als ze terugkijken, dat hun jeugd, door te strenge aanpak, dwang tot gehoorzaamheid, door beperkingen en verboden, dus door autoritaire druk, overschaduwd werd. Ze zijn blij, dat ze iets dergelijks van hun opgroeiende zonen en dochters niet meer hoeven te eisen. Weer anderen benijden de jeugd hun vrijheid en vrijheden. Met deze woorden zou ik graag bij jullie enig begrip opwekken voor jullie ouders. Misschien leren jullie in gesprekken met andere jongeren en met jullie ouders, ook de ouders te begrijpen. Dan zouden jullie eventueel begrijpen en beleven, waarom ze zo zijn, zoals ze nu eenmaal reageren. Een eerlijk moeite doen van beide kanten, vooral ook van jullie jongeren, met jullie voorstellingswereld, zou menig oordeel, als bijvoorbeeld »zonderling« en »incompetent« opheffen en jullie helpen, elkaar en ook jullie ouders hetzelfde te zien als jullie zijn: jongere en oudere broeders en zusters, die samen door dit aardse leven gaan en door veel positiefs met elkaar zijn verbonden. Staan jullie ouders dan in de herfst van het leven en zijn jullie volwassen, in het beroepsleven werkzaam en hebben jullie eventueel zelf al een gezin, dan zal zo menig ouder zeggen: had ik toch in die tijd, toen mijn zoon of dochter in de puberteit was, maar niet zo heftig gereageerd; had ik dit of dat maar niet gezegd of zelfs afgedwongen. In de terugblik ziet echter ook menig volwassene in: het kon nauwelijks anders gaan, als het gegaan is. Ik was toen eenmaal zo en de kinderen waren ook zo. Misschien denkt zo menig ouder stil bij zichzelf: ze waren uiteindelijk net zo, als ik ben geweest. De jongere: We zullen ons dat eens door het hoofd laten gaan en erover praten. Een volgende vraag: als je de media wilt geloven, draait alles bij ons, jongeren, in het dagelijkse leven om »sex, drugs en rock 'n roll«. We doen er wel min of meer aan mee, zonder er veel over na te denken, bij gelegenheid hebben we er ook echt plezier in, om eens de bloemetjes buiten te zetten. Hoe weten we, wat voor ons juist is? De profeet: We hadden het al over onze maatschappij, die zich, zoals ik even heb aangeduid, heeft verwijderd van ethische en morele normen. Waarom is dat zo? Wie lang nadenkt over onze tegenwoordige maatschappij, over het hele voor en tegen van de mensheid, over de extreme ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek en technologie, over de diverse activiteiten van de massamedia, over al de uitspattingen zoals sex, drugs en »rock 'n roll«, over geld verdienen, moord, seksuele misdaden enzovoort enzovoort en dit alles vanuit de leer van Christus belicht en ziet, hoe de jeugd aan dit alles is overgeleverd en wordt meegetrokken, komt tot de conclusie, dat de jeugd van de vorige generaties geen voorbeelden had. Generatie na generatie oriënteerde men zich aan de rijken. Veel rijken leefden en leven een buitensporig leven, gekenmerkt door geld en macht, zoals men het vóór het verval van veel z.g. hoge beschavingen kon zien. Wie de woorden »ik ben een christen« of zelfs »ik ben een christelijke hoogwaardigheidsbekleder zoals kardinaal, bisschop, pastoor, priester« enz. in de mond neemt, zou op zijn minst een goed voorbeeld moeten zijn voor de vervulling van de christelijke leer, de leer van Jezus van Nazareth. Maar omdat de meeste kerkelijke overheden de geestelijk-ethische basiswaarden, die ons Jezus van Nazareth leerde, zelf niet navolgen, maar uit hun z.g. christelijke kerk een machtsorgaan en veel bombarie maakten; die veel kerkelijke concessies doet aan rijken, hebben de z.g. zieleherders het overzicht verloren over de christelijke normen, die Jezus van Nazareth ons leerde en zo is ook voor hun kudde - hun navolgers, die zich zoals zij protestants en katholiek noemen - de verbinding daarmee verloren gegaan. Onze huidige maatschappij is op het lage niveau beland van vroegere »hoge beschavingen« in de tijd van hun ondergang, om zoals eens Rome en Babylon onder te gaan. Als de mens geen ethisch-morele waarden meer heeft, is zijn grootste behoefte macht, aanzien, rijkdom, seksuele bevrediging, vraatzucht, alcoholisme en drugs. Dan verliest hij meestal ook het gevoel om te bespeuren, wat goed is en niet goed. Apropos gevoel: als je mensen in deze gezelschapsbehoeftige maatschappij vraagt, wat gevoel is, dan zullen ze misschien antwoorden: gevoel is ouderwets. Het moet worden uitgeschakeld, om het leven ongestoord te kunnen genieten. Juist het gevoel - niet te verwisselen met overdreven sentimentaliteit - is een waardevolle gave; het is de weegschaal van ons geweten, waarop we kunnen wegen, wat juist en onjuist is. Voor degene, die het gevoel uitschakelt, is alles juist. Of hij elke week twee tot drie verschillende partners heeft, echtbreuk pleegt of niet, of anderen door hem gebrek moeten lijden of zelfs te gronde gaan - belangrijk is, dat de drug binnen bereik is, of die nu met sex te maken heeft of met vraatzucht, alcoholisme, macht, geweld, geldzucht, leugen en bedrog of de juiste dosis van een verdovend middel. Beschouwt men de massamedia, films en TV vanaf een zekere afstand, dan ziet men, dat het meeste draait om moord, bedrog, liefde en sex. Waarom is onze maatschappij ethisch en moreel zo geworden, zo zonder niveau? Omdat iedereen alleen aan zichzelf denkt of alleen aan zijn geloofsverband of aan zijn partij, zijn kapitaal, zijn genot en zijn goederen. Dus alles alleen voor het persoonlijke welzijn. Hoe de naaste zich voelt en hoe het deze te moede is, interesseert de mens meestal niet - of de naaste het met zijn geringe bezit wel redt; hoe het de vrouw of man gaat, die met hun kinderen alleen staan, omdat de partner andere liefdesrelaties is aangegaan; hoe het de jeugd gaat, die lijdt onder de invloed van drugs; hoe het met het gezin gaat, dat huis en hof moest verlaten, omdat het de rente niet meer kon betalen; hoe het de werkeloze gaat en degene, die van de sociale dienst trekt... Iedereen staat onverschillig tegenover de ander, hoofdzaak is, dat men zelf aan de »juiste« kant staat, namelijk aan de kant van de daders en niet aan die van de slachtoffers. Ook al gebruiken de politici sociale woorden, de mensen, die moeten leven van de sociale dienst, lijden steeds meer onder hen, die het sociaal gezien goed hebben. Jezus, de Christus, leerde ons - en dat zouden ook de z.g. voorbeelden, zoals kardinalen, bisschoppen, pastoors en priesters moeten leven en onderwijzen: - zie je verkeerde gedrag in, je zonden, berouw ze en vraag om vergeving, vergeef ook je naaste, die jou iets heeft aangedaan. Maak verkeerde daden weer goed, als dit nog mogelijk is en doe deze zonden niet meer. Wie in Jezus gelooft, zal zich daar langzamerhand aan houden en zich als christen bewust maken, dat hij zijn verkeerde gedrag in het reine heeft te brengen, waartoe alle verslavingen behoren, ook de seksuele verslaving. Buitensporige seksualiteit, misbruik van kinderen, geweld, diefstal en drugsverslaafdheid duiden er altijd op, dat de mens geen weg meer weet met zijn problemen. Iedere ziel heeft in vorige incarnaties, dus als mens in een ander aards leven, zich aan zulke en gelijksoortige buitensporigheden schuldig gemaakt - in gedachten, in wensen of metterdaad - en dit weer meegenomen in dit aardse leven, als het aan gene zijde niet in het reine werd gebracht. In plaats van deze uitwassen, deze egoverslavingen, nu overeenkomstig de leer van Jezus in de wortel te herkennen en in het reine te brengen, ze dus niet meer te doen, worden ze niet alleen verder uitgevoerd, maar vaak uitgeleefd tot aan een exces. Worden deze ontaardingen van de ene kant in gedachtenbeelden, van de andere kant op verschillende andere manieren uitgevoerd - ook aan het object - dan ontstaan verslavingsprogramma's, die de mens tot een gevoelloze en daardoor gewetenloze verslaafde laten worden, die zijn driften op verschillende aard en wijze uitleeft, zij het de geldzucht, de honger naar macht, de hang naar pornografie, de extreem seksuele lust, de neiging tot kindermishandeling, dus al deze ontaardingen, die een maatschappij ruïneren. De jongere: Bij mij komt de vraag: wat is normaal, wat is verslaving? Waar is de grens? Hoe kan men zien, wat er met een mens aan de hand is? Wil je dat a.j.b. wat exacter beschrijven? De profeet: Wat zijn verslavingsprogramma's? Beginnen we b.v. bij de normale seksualiteit, bij n glaasje wijn, bij dagelijks één, twee, drie, vier, vijf sigaretten. Krijgen we in het bedrijf of in het gezin kleine of grotere moeilijkheden en lossen we deze niet op, dan bewegen we ze steeds weer in onze gedachten. Daardoor wordt het energievolume »moeilijkheid« groter. Het wordt tot een probleem, dat ons niet alleen beweegt, maar ons dagenlang in gedachten gevangen houdt. Omdat we er niet over praten om het op te lossen, groeit het als het ware uit ons onderbewustzijn naar buiten, zodat een reuze druk op het dagbewustzijn ontstaat. We denken en denken. Deze gedachten cirkelen steeds weer om de problematiek. De druk wordt groter. Hij stoot nu onze normale levensgewoontes aan. Opeens worden het tien sigaretten per dag i.p.v. drie. De normale lichamelijkheid begint te dringen en zoekt een lustobject. De mens, die onder deze druk staat, wil zich nu ontspannen, als het ware ontladen. Tot nu toe dronk hij twee glaasjes wijn of één, twee glazen bier per dag. Nu grijpt hij naar de fles wijn, eventueel naar sterkere alcoholische drank, of het moeten dagelijks meerdere flessen bier zijn. Wordt het probleem groter en komen daaruit meer problemen voort, die b.v. van het beroep uitgaand, overgaan op het gezin of, van het gezin uitgaand, overgaan op het beroepsmatige of, uitgaand van de vriendenkring in het gezin en het beroepsmatige, dan wordt de druk steeds sterker. De betreffende persoon wil zich daarvan bevrijden. In plaats van de wortel van het kwaad aan te gaan, die in het beroepsleven, het gezin of in de vriendenkring ligt, maakt hij zich even los van dit spanningsveld, door zich door meer tabaksconsumering, door steeds meer seksualiteit, door alcohol, te ontspannen en tegelijk te verdoven. Zo ontstaan dan de lust- en verslavingsprogramma's, die zich door de frequente uitvoering hebben geworteld in het onderbewustzijn, maar ook in de ziel van de betroffene. Is het onderbewustzijn zover gevuld, dat dit het dagbewustzijn beheerst, dus autonoom is geworden, dan worden de lust- en verslavingsprogramma's als het ware geleid door zijn driften. De mens wordt dan aangezet, de verslaving steeds meer te versterken. Dat gaat dikwijls zover, dat hij deze ondeugden nauwelijks meer een halt kan toeroepen. De verdere buitensporigheden kunnen dan diefstal, drugsverslaafdheid, gewelddadigheid, ook bij kinderen of in de seksualiteit zijn - en nog veel meer. Wat in het klein begon met een probleem, dat in het begin eventueel gemakkelijk had kunnen worden opgelost, als de mens erover had gesproken, duidelijkheid had gekregen omtrent zijn eigen aandeel, als hij de wortel had gevonden en in het reine had gebracht, is nu als het ware een lawine geworden, die hem meesleurt en hem in gedwongen handelingen drijft. Hoe vaak hoort men niet: »één keer telt niet«. Maar één keer kan al teveel zijn, als men de hartstochten zo lang in gedachten en in gedachtenbeelden heeft beleefd, tot ze tenslotte tot een hevige uitbarsting komen, de mens overmannen, zodat hij de controle over zijn doen en laten verliest. De goddelijke wereld gaf ons een hulpmiddel, om ons verlangen niet tot begeerten en verslavingen te laten komen. Zij leerde ons, de begeerte niet in stand te houden, ook niet in gedachten en voorstellingen, maar ze te analyseren: waar komt de druk en de drang vandaan? Welke problemen in gezin, maatschappij, beroep of school, welke persoonlijke zwakte ligt er ten grondslag aan het probleem? We moeten ons afvragen, wat we eraan hebben, als we de driften tot verslaving laten worden, doordat we ze steeds maar weer toelaten. De goddelijke wereld leert ons niet, de beeldende of feitelijke uitvoering van de wensen, de driften en begeerten, te bestrijden, maar de oorzaken, de wortel van dit vaak buitensporige gedrag te doorgronden en op te heffen. Zij wijst er ons op, dat we de overdreven seksualiteit, de vraatzucht, de drankzucht en de drugsverslaving en alle verdere boosaardige neigingen niet als noodlot moeten aanvaarden en ermee leven. Veel meer wijst ze er ons op, dat we, vóórdat de drang tot daad wordt, dus voordat de begeerte tot verslaving wordt, dit met ons verstand zouden moeten afwegen - want het kwaad zit eerst in het hoofd, dus in het dagbewustzijn. We zouden ons er dus van bewust moeten maken, waarheen ons dat drijft en wat voor nut het voor ons heeft. We zouden dus aan deze dringende wensen en hartstochten niet toe moeten geven en ze zodoende niet meer laten gebeuren, maar de wortel doorgronden, om deze op te heffen. Dat zou in onze gedachten en derhalve beeldend in ons af moeten lopen. Hebben we onze situatie belicht en afgewogen, hebben we het e.e.a. ervan ingezien, wat er aan zwaktes en wangedrag van onze speciale neigingen ten grondslag ligt, hebben we eventueel ook gezien, waar we schuld op ons hebben geladen of van ons uit nog niet hebben vergeven en hebben we dit in het reine gebracht, dan ontstaat daaruit het inzicht, hoe we nu in plaats daarvan willen handelen. Uit de beslissing, het niet-meer-doen of zelfs het niet-meer-uitvoeren van de extreme wensen, komen voornemens voort tot ethisch en moreel handelen, die, indien ze door herhaald denken en bevestigen opgebouwd en versterkt worden, steeds meer in ons onderbewustzijn ingang vinden. Dat heeft dan tot gevolg, dat het lichaam steeds meer de positieve, opbouwende krachten opneemt; dan verdwijnt de eventueel reeds aanwezige geaardheid door het zondige gedrag. Zo kan de mens worden bevrijd van zijn hartstochten. Wie toegeeft aan zijn lust- en verslavingsprogramma's, ze steeds weer uitvoert, geeft deze mechanismen in zijn onderbewustzijn in. Mettertijd worden ze in het onderbewustzijn als het ware tot een automatische, autonome besturing van het lichaam. De mens denkt dan nauwelijks meer en laat het alleen nog maar gebeuren, want het gevoel, dat wikt en weegt, het geweten, is uitgeschakeld. De mens handelt dan dwangmatig. We zouden dus moeite moeten doen, d.w.z. waakzaam zijn, zulke en dergelijke gedachten - wensen en verslavingen - niet al te lang in het verstand, dus in het dagbewustzijn, te bewegen, doordat we denken en denken, wensen en wensen en ons veel dingen beeldend voorstellen. We weten, dat alles, wat gebeurt, tot en met de seksuele misdaad, eerst in het hoofd, d.w.z. in het dagbewustzijn, begint. De mens wordt b.v. ook door bepaalde TV- of videoprogramma's of door andere indrukken gestimuleerd, bepaalde dingen te denken, wat inhoudt, dat dezelfde of gelijksoortige meegebrachte aanleg aanwezig moet zijn. Beweegt de mens nu die gevaarlijke, tegenstrijdige gevoelens en gedachten in zich en geeft hij ze de ruimte, dan neemt het onderbewustzijn deze energie op, die dan de lichaamsfuncties overeenkomstig beïnvloedt. Versterkt dit tegenstrijdige, zondige energiecomplex zich, doordat de mens zich steeds weer bezig houdt met deze gevoelens, gedachten, beelden en wensen, dan krijgt het langzaam steeds meer macht over de mens en tenslotte komt het tot een autonome besturing door het onderbewustzijn. Het dringt de mens tot de daad, zonder dat hij het vanuit zijn dagbewustzijn nog kan controleren. Steeds weer horen we, dat seksueel-gedreven misdadigers worden veroordeeld en jaren- of tientallen jaren lang gevangen worden gehouden. Beste Martin, denk jij, dat het onderbewustzijn zich daardoor leegmaakt? Denk jij, dat een seksueel-gedreven misdadiger op deze manier geneest, d.w.z. een effectieve, positieve levenswijze opbouwt, dus ethische en morele waarden verkrijgt? Omdat hij in de gevangenis op TV verder zijn lust- of sexprogramma's tegenkomt, die hem voortdurend stimuleren - zal hij dan, als hij na jaren of tientallen jaren de gevangenis verlaat, genezen zijn, of is het te vrezen, dat hij wéér zoiets zal doen? De hechtenis kan een noodzakelijke maatregel zijn, maar zonder een doelgericht inwerken op het dag- en onderbewustzijn, zodat deze autonome programma's worden opgelost, zal de seksueel-gedreven misdadiger zelden genezen. De jongere: Ik vind het super, dat je me dat zo duidelijk hebt gezegd, Gaby. Ik zal nu tenminste oppassen, zodat ik direct merk, als er in mij iets op de één of andere manier verkeerd dreigt te gaan. Ik wil niet in de één of andere verslaving of dwangmatigheid afglijden. Ik stel me mijn leven heel anders voor en heb me iets heel anders voorgenomen. De profeet: Je zei: »Ik stel me mijn leven heel anders voor en heb me iets heel anders voorgenomen«. Daarmee spreek je het hogere levensdoel aan, dat je je gesteld hebt. Een duidelijk doel met overeenkomstige inhoud is belangrijk, als we een ontwikkeling nastreven tot een hoger doel, tot mensen met karakter en innerlijke waarden. Alleen als we ons een duidelijk doel stellen, waaraan we ons oriënteren, zal een bewuste evolutie, een hogere ontwikkeling, mogelijk zijn. Maar nu terug naar ons thema. Je sprak over »drugs en rock'n roll«. Nu heb ik een vraag aan jou: waarom niet alleen rock'n roll - zonder drugs? Waarom nemen zoveel jongeren drugs? Omdat velen hun wensen, gedachten en hartstochten niet meer de baas kunnen of omdat ze mateloos teleurgesteld zijn door onze maatschappij, als ze hun voorstellingen en wensen niet »aan de man« kunnen brengen. De één verdooft zich met drugs, tot hij verslaafd is, anderen schaffen zich slagwapens aan en slaan willekeurig om zich heen. Alles heeft echter een oorzaak. Jonge mensen zouden goed opgenomen moeten worden in onze maatschappij. Die heeft het echter zo druk met zichzelf, dat ze jonge mensen alleen maar beveelt en niet de tijd neemt, hen te leren begrijpen. De voorstellingen en meningen van jonge mensen - en dat zul je zeker toegeven - zijn vaak irreëel. Dat houdt beslist niet in, dat de maatschappij deze onrijpe wensen eenvoudig moet afwijzen. In alles is een vleugje waarheid of iets zinvols. Men zou deze voorstellingen en meningen van jonge mensen in hun basiswaarde moeten zien, dus het zinvolle uitwerken, om de jeugd te begrijpen, hen daarin te ondersteunen, dat zij hun positieve aspecten en waarden versterken en daarop voortbouwen. Zo zou zich uit datgene, dat de jongeren na aan het hart ligt, het goede, constructieve en nuttige ontwikkelen en ze zouden zich, overeenkomstig het zinvolle van hun voorstellingen en meningen, geleidelijk aan aansluiten bij een goede maatschappij met ethische en morele waarden. Je vraagt mij, hoe men kan onderscheiden wat ethisch-morele waarden vereisen. Ik zou willen vragen: wat is belangrijk, om een waardevol, ethisch, moreel leven te kunnen leiden? Ten eerste zou het belangrijk zijn, zichzelf af te vragen: wat wil ik überhaupt? Wil ik anders zijn dan de massa? Of wil ik afhankelijk zijn van de massa, die zich mee laat slepen door de massa, zonder zich bewust te worden, waar hij bij hoort ? Wil je hogere, ethisch-morele waarden nastreven, dan zou je dat, wat er op dit moment door je heen gaat, in het hoofd, dus met het verstand moeten doordenken, het als het ware voor jezelf in gedachten moeten doorspelen, met de vraag: wat heb ik eraan? Wil ik onderduiken in de onbeheerst drijvende en gedreven massa »maatschappij«? Wil ik dus met de stroom van de tijd, de stroom van de »wereld« en het wereldse zwemmen, om eventueel ook te profiteren van het strandgoed, dat aan de oever aanspoelt? Of wil ik een onafhankelijk, karaktervast mens worden of zijn, die door de opbouw van zijn innerlijke, onbaatzuchtige waarden tot een rots kan worden in de woeste golven van de massa maatschappij? Wil ik mij nu al hogere maatschappelijke normen stellen en daardoor een mens worden of zijn, die vanuit zijn bewustzijn kan zeggen: wat in de tegenwoordige maatschappij gebruikelijk is, komt niet overeen met mijn waarden en normen? Dat wil niet zeggen, dat je hetgeen zich aan je opdringt moet verdringen - zij het sex, drugs, rock'n roll of je aanpassen aan de »maskeraden«, de »trends«, waarover je hebt gesproken. Dat zou niet goed zijn. Wat we verdringen, is niet opgeheven, alleen uitgesteld. Op een zwak moment komt en overvalt het ons als het ware zoals bij een epidemie. We zijn dan ziekelijk hartstochtelijk en de teugels voor ons aardse bestaan glijden ons uit de hand. Ik kan je alleen maar aanraden, dat, wat je dringt - de christelijke leer zegt: het zondige; we kunnen ook zeggen: het al te menselijke, de zwakten, fouten, verkeerd gedrag - af te bouwen, dus de wortel van de druk en de drang van de wensen te vinden, - om deze wortel dan op te heffen. Het gaat er dus niet om, gewoon nee te zeggen tegen alles, wat aan verkeerde neigingen in ons omhoog komt, maar een beslissend ja vast te leggen voor hogere ethische waarden, voor een werkelijk christelijk leven, dat overeenkomt met de leer van Jezus, de Christus. Daarbij zou de Christus-Geest-Gods, die in ieder mens is, je dan helpen - als je dat wilt, want voor een christelijk leven staat er geschreven: vraag, en het wordt je gegeven; zoek en je zult vinden, klop aan en er wordt voor je opengedaan. Dan ontvang je hulp, om het al te menselijke geleidelijk af te bouwen en een christelijk leven met zijn hogere ethisch-morele normen op te bouwen. Dan ben je geen gedrevene meer, maar een mens voor een christelijke maatschappij, die beslist zal komen, want er zijn reeds voortekenen voor de val van deze ego-verslaafde cultuur. Aan mensen kun je je moeilijk oriënteren, ook niet aan de kerkelijke »hoogwaardigheidsbekleders«, die eigenlijk christelijke voorbeelden zouden moeten zijn. Als je wilt, oriënteer je dan aan het leven van Jezus, dat niet gemakkelijk was. Ook Jezus had Zijn strijd. Hoe Hij die steeds weer heeft doorstaan, kun je zeker in zo menig goed geestelijk boek (na)lezen. De jongere: Gabriële, dat zijn antwoorden op onze vragen, waarmee we iets kunnen doen. Dat met die geestelijke waarden interesseert mij, daar wil ik graag meer over weten. Hoe zien die er concreet uit? Hoe kunnen we ze stuk voor stuk opbouwen, versterken, enzovoort? En: hoe kan ik mij als jongere, eigen, resp. nieuwe waarden verwerven, zonder me te oriënteren aan de volwassenen? De profeet: Je vraagt naar de hogere ethisch-morele waarden? Laten we beginnen met de kleinste dosis, om deze dan steeds te verhogen. Doe je best, naar je medemensen te luisteren en probeer hen een eerlijk antwoord te geven. Vind jezelf niet zo belangrijk in het gesprek. Wees geen betweter, maar overleg, of je werkelijk opgewassen bent tegen de vragen en met een antwoord kunt helpen en dienen. Houd je lichaam schoon. Probeer altijd schone en fatsoenlijke kleding te dragen. Begroet je medemensen met open gedachten en woorden en wees je bewust, dat ook jij zo begroet wilt worden: met een open en heldere blik. Ben je op school of op je werk, maak dan geen grapjes over je leraren, leraressen of superieuren, ook niet over je medescholieren en collega's. Wil jij, dat ze jou voor de gek houden of uitlachen? Eet en drink welgemanierd en wees je ervan bewust, dat het een geschenk is van de Schepper aan Zijn mensenkinderen, via moeder aarde, wat je aan voedsel en drank tot je neemt. Behandel dieren, planten, ja, de hele natuur, goed, dus hetzelfde als jij behandeld wilt worden. Want alle vormen van de natuurrijken voelen en ervaren, omdat ze het leven in zich dragen. Wees je ervan bewust, dat moeder aarde je alles geeft voor je fysieke lichaam. Wie zichzelf acht en zijn lichaam schoon houdt, waardeert en acht ook moeder aarde. Hij zal dieren noch planten bewust leed berokkenen. Hij zal ook de mineralen waarderen en hen niet uitbuiten. Ontmoet je iemand, of hij je nu bekend is of niet, - wijs hem niet af, want zoals hij op het moment is, zo is zijn huidige bewustzijn; het is zijn individualiteit. Zoals de mens is, denkt en leeft hij; zo is zijn persoonlijke beeld, dat hij met zijn gedachten en wensen tekent. Zo stelt hij zich aan jou en aan zijn medemensen voor; zo kleedt hij zich ook, zo richt hij zijn woning in; zo leeft en gedraagt hij zich daarin. Ieder mens is anders. We noemen het anders zijn de bewustzijnsgraad van de enkeling. Ook jij bent anders dan je medemens. Jij hebt jouw bewustzijnsgraad, hij de zijne. Welke van beiden is »juist«? Volgens de goddelijke wet geen van beide, omdat iedereen min of meer zijn zondige aanleg heeft en laat zien. Daarom spreekt en oordeelt iedereen alleen vanuit zijn eigen verkeerde houding en wordt daardoor tot zijn eigen rechter. Jezus zei daarover: »Veroordeel niet, opdat je niet zelf veroordeeld wordt. Want met hetzelfde recht waarmee jij veroordeelt, zul je zelf veroordeeld worden en met welke maat je meet, zul je zelf gemeten worden.« Zend je medemens geen van haat en nijd vervulde gedachten, want jij zelf wilt ook niet, dat anderen jou dit aandoen. Laat je medemensen de vrijheid. Dwing hen niet dat te doen wat jij wilt of zelf zou kunnen doen. Help je naaste, als je ziet, dat hij hulp nodig heeft en je om hulp vraagt, maar geef er geen ruchtbaarheid aan. Doe het in alle bescheidenheid en verlang zelfs geen dankjewel van hem. Dring niet in de tempel, in de sfeer van je naaste binnen, door hem te willen veranderen, zoals jij denkt, dat hij zou moeten zijn. Verander jij jezelf en verkrijg achting voor je eigen leven, dan krijg je ook achting voor je medemensen. Leer je een vriend of vriendin kennen, vraag je dan af met welk doel? Is het doel de seksualiteit om je dringende wensen te bevredigen? Vraag je dan af hoe het zou zijn, als jij hiervoor werd gebruikt. Beste Martin, die nieuwe waarden, de geestelijke waarden zoals jij ze noemt, zijn steeds weer de oeroude waarden, die in alle goddelijke geschriften staan en die Jezus, de Christus, ons uitvoerig leerde en voorleefde. Het zijn de eeuwige goddelijke wetmatigheden voor deze aarde. Juist in de Bergrede gaf Jezus van Nazareth ons zoveel! Volgen we zijn eenvoudige leer na, dan is de weg naar het hogere leven voor ons uitgestippeld. Jezus leerde ons bijvoorbeeld: »Oordeel niet, opdat je (zelf) niet veroordeeld wordt.« Oordelen betekent, een ander in gedachten of met woorden te veroordelen of te vonnissen, zonder dat degene, die veroordeelt, zijn eigen aandeel ziet. Hoe vaak zegt men: »Ik draag geen schuld aan deze situatie.« Of: »Ik ben onschuldig.« Jezus leerde ons echter over de balk en de splinter iets anders. Hij zei: »Waarom zie je de splinter in het oog van je broeder en niet de balk in je eigen oog? Of hoe durf je tot je broeder te zeggen: stop, ik wil de splinter uit je oog trekken? En zie, een balk is in je eigen oog. Huichelaar, trek eerst de balk uit je eigen oog; kijk daarna, hoe je de splinter uit je broeders oog trekt.« Daarmee bedoelde Hij, dat bij een conflict niet slechts één de schuld draagt. Gelooft men aan de wet van zaad en oogst, van oorzaak en gevolg, dan moet bij een strijd tussen twee of meerdere mensen, een gemeenschappelijke oorzaak ten grondslag liggen, waaraan beiden of meerderen een aandeel hebben. Geef je alleen één mens de schuld, waar is dan degene, die deze schuld heeft teweeggebracht? Volgens Jezus' leer moeten er dus - zie balk en splinter - altijd twee of meer deel hebben aan een schuldcomplex; er kan niet slechts één schuldige zijn. Willen we een medeschuldig zijn vermijden of in een schuldproces de gerechtigheid laten gelden, dan laat Jezus ons de oplossing, de weg, zien voor ons gedrag: »Alles, wat je wilt, dat anderen voor je doen, doe dat ook voor hen!«. Of andersom: »wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.« Je wilt beslist niet, dat anderen je veroordelen, je beledigen, je uitsluiten, je afwijzen etc. etc. Wil je dat niet, dan doe het zelf ook niet. Daaruit ontstaan edele waarden voor een christelijke maatschappij. Ofschoon de wet van zaad en oogst - ook »wet van oorzaak en gevolg« genoemd - in de bijbel staat, wijzen veel christenen deze af. Wie wil er nu aan een schuld medeschuldig zijn? Men zoekt er voor zichzelf altijd het beste uit en schuift de wet van zaad en oogst kortweg opzij. Ook de instituties kerk maken om deze wetmatigheid, »wat de mens zaait, zal hij oogsten«, een grote boog. Waarom? Zouden ze deze waarheid aannemen, dan zouden de kerkelijke waardigheidsbekleders voortdurend onderweg zijn, om zich bij hun medemensen te verontschuldigen, voor wat in het verleden gebeurde en nog steeds gebeurt. Daaraan zie je, in welke cultuurfase onze maatschappij staat. Ze sluit de ogen voor de kosmische wet van oorzaak en gevolg, vooral dan, als het om het persoonlijke gaat. De wetenschap echter erkent deze wet, die luidt: er is geen gevolg zonder oorzaak. Men ziet dus: de volwassenen van het menselijke geslacht zouden eerst moeten rijpen voor een waardevolle maatschappij. De mens zou zich op geen enkel ander mens moeten oriënteren, maar steeds weer op de leer van Jezus. Om de zogenaamde machteloosheid t.a.v. de eigen gemeenheden te funderen, haalt men vaak aan: Jezus was een volmaakt mens, wij zijn echter onvolmaakte mensen. Deze uitspraak is wel juist, maar Jezus gebood ons: wordt volkomen, zoals jullie Vader in de hemel volkomen is. Dat wil zeggen: we moeten onze ziel met de hulp van onze Verlosser Christus tot vervolmaking leiden. Jezus gebood ons ook, Hem na te volgen, wat betekent, dat we geen mens moeten navolgen, maar de stappen doen, die Hij ons heeft geleerd. De stappen naar een waardevol leven, dat ook een stabiele maatschappij met hogere ethische en morele normen zou kenmerken, zijn de stapsgewijze vervulling van de geboden, die God ons gaf door Mozes en de Bergrede van Jezus. Daaruit ontstaat geleidelijk aan dat, wat Jezus ons leerde: wordt volkomen, zoals jullie Vader in de hemel volkomen is. Deze uitspraak van Hem betrek ik overwegend op onze ziel, die ook in de mens volmaakt kan worden. De mens heeft altijd zijn aardse levensprogramma's, die hij tenslotte nodig heeft, om zich in het aardse bestaan te kunnen handhaven, bijvoorbeeld programma's voor het zich bewegen in de drie dimensies, voor de beslissingen in het beroep, voor het juiste afwegen en meten, voor aardrijkskunde en geschiedenis, ook de programma's van de getallen, voor muziek en voor het gebruiken van verdere talenten; zelfs, als je wilt, voor de tegenwoordige tijd, de computerprogramma's. Deze levensprogramma's voor ons aardse bestaan, zouden ook een waardebepaling kunnen zijn voor een christelijke maatschappij. Bijvoorbeeld: hoe richt ik mijn leven in? Plaats ik deze levensprogramma's in de geboden van God en in de wetmatigheden van de Bergrede van Jezus, dan wordt mij geleidelijk aan bewust, wat ik van mijn leven kan maken, hoe ik het steeds meer in edeler en fijnere banen kan leiden. De jongere: Gaby, is dat niet een hoge maatstaf voor ons aardse leven? Het is niet altijd gemakkelijk, de leer van de Bergrede consequent in de daad om te zetten. En het gaat ondanks veel moeite niet zo snel vooruit. De volmaaktheid is helaas nog lang niet in zicht. Weet jij daar raad op? De profeet: Beste Martin, de volmaaktheid is het doel. Daarheen leidt de weg. Weg - dat betekent ontwikkeling. We gaan hem stap voor stap. Ook de hogere ethiek, waarover ik sprak, kan niet van vandaag op morgen worden verwezenlijkt. Maar we kunnen haar überhaupt alleen bereiken, wanneer we dit ook werkelijk willen. Daarvoor is een duidelijke en eerlijke beslissing nodig. Eerst moeten we ons dus afvragen: wil ik deze ethiek wel beamen? De tweede vraag luidt dan: wil ik deze ethiek ook nastreven? Kun je deze vragen met ja beantwoorden en ben je vast besloten, ervoor te strijden, dat je haar bereikt, dan heb je een doel nodig. Heb je je dit doel gesteld, dan kun je je ook de dagelijkse stappen voornemen. Op de weg naar een hoger leven heten deze: wat mij vandaag duidelijk opwindt, wil me iets zeggen, dat is de taal van mijn geweten, die me zegt, wat vandaag aan mij al te menselijk is. Wat en waar is de wortel van deze gemoedsbeweging? Het fijne gevoel zegt ons meestal waar de wortel te vinden is. Vragen we de Geest Gods in ons, dan wordt het gevoel sterker. Het laat ons dan zien hoe de wortel heet. Eventueel berust onze gemoedsbeweging op onenigheid met de ouders, vrienden of collega's. Het is nu niet de bedoeling om alleen de ruzie, de strijd op te heffen, door elkaar op de schouder te kloppen en dan te denken, dat alles weer goed is, maar de wortel te vinden, van hetgeen eraan ten grondslag lag. De wortel vinden en deze op te heffen, is belangrijk, om stappen te kunnen doen naar het hogere doel. Het gaat stap voor stap.Vóór de overwinning staat de strijd, uiteindelijk ook de strijd met onze al te menselijke natuur. Let wel: wie de stappen naar dit hoge doel zet, heeft een unieke begeleider aan zijn zijde. Het is de Geest van de Christus-Gods, die als Jezus tot jou en ons allen heeft gezegd en als Christus steeds weer zegt: »Volgt Mij na!« Dat het belangrijk is de wortel te vinden, om hem uit de bodem van onze ziel te kunnen nemen, opdat niet weer dezelfde spruit uitloopt, leert ons de natuur ook. Als we planten of grassen alleen maar afsnijden, dan komt uit de wortel steeds weer dezelfde soort. Datzelfde geldt voor ons leven: wie zijn hardnekkige gedachten en zijn opvliegende ego-gemoed, ook zijn hartstochten en wensprogramma's alleen opzij schuift, heeft nog lang niet de wortel uit de bodem van zijn ziel en zijn onderbewustzijn genomen. Langzaam, vaak ongemerkt groeit de spruit weer op, door de zondige gedachten, het opvliegende ego-gemoed, de hartstochten en intensieve wensen. In vergelijking met de natuur kun je zeggen: dat, wat opnieuw uit de wortel komt, is veel overvloediger en sterker, omdat het lange tijd werd gevoed. Eventueel overmant het ons - dan kun je er moeilijk greep op krijgen. De jongere: Kost dat niet veel tijd? Zo'n mens heeft dan nauwelijks nog vrije tijd; hij is dan toch voortdurend met zichzelf bezig.
De profeet: De weg naar het meester worden over zichzelf brengt geen beperking van het leven met zich mee. Dat voelt in het begin alleen maar zo aan. Je kunt het van mij aannemen, want ik heb er ervaring mee. De eerste stappen van de overwinning met betrekking tot het al te menselijke, zijn wel zwaar, want veel oude gewoontes zijn hardnekkig. Je moet aan jezelf werken en met jezelf strijden. Zijn echter de eerste stappen naar het hogere doel gezet, dan ben je helderder en waakzamer geworden en heb je een verruimd bewustzijn en een sneller en gemakkelijker opvattingsvermogen verkregen. Dit helpt je tot verhoogde waakzaamheid over jezelf, zodat je zeer snel leert inzien, wat je bezwaart, waar de wortel ligt en hoe je het in het reine kunt brengen. Dit snelle in orde maken, maakt een bewust leven voor je mogelijk, maar ook een zinvolle vrijetijdsbesteding. Heb je vrije tijd, dan weet je ook, hoe je deze kunt benutten. Juist het leven van tegenwoordig biedt de jeugd veel mogelijkheden, ook om iets productiefs of creatiefs te doen, je talenten te bevorderen, ook je hobbies te bedrijven, b.v. sport, muziek, dans - waarom ook niet rock'n roll? - met vrienden samen te zijn of bij gelegenheid een discotheek te bezoeken, inline-skates en mountainbike te rijden en zo meer. Weet je: als je met dit alles binnen de perken blijft, schaadt het de jonge mens niet. Integendeel, hij kan daaruit ervaring opdoen voor zijn verdere leven en rijper worden, als hij niet te ver gaat en alles wikt en weegt. Op oudere leeftijd zal hij dan niet over zijn ontberingen spreken, maar over een jeugd, waarin hij ervaringen heeft opgedaan en daardoor volwassen geworden is, wat hem in zijn verdere levensloop soevereiniteit heeft gebracht. De jongere: Gabriële, een vriend van mij stelt een verdere vraag: ik merk onzekerheid in mijn beroep. Hoe kan ik daarmee omgaan? De profeet: Het antwoord voor je vriend luidt: "stel jezelf de vraag: zijn het alleen onzekerheden? Of is het veel meer een zekere onlust, dit beroep uit te oefenen? Of wijs je het eventueel helemaal af? Onzekerheden in het beroepsleven zeggen ons altijd: we moeten nog bijleren of, als we er niet geschikt voor zijn, een ander beroep zoeken, dat meer overeenkomt met onze talenten en capaciteiten, dat ons dus zekerder maakt en dat we ook met plezier vervullen. Verwerpen we een beroep, zij het bij de beroepskeuze of gedurende de uitoefening ervan, dan kunnen we met zekerheid zeggen, dat het ons in de toekomst geen voldoening brengt, ook niet, als we er eventueel veel geld mee verdienen. Wij moeten plezier beleven aan ons beroep. Het werk moet doordrongen zijn van ons kunnen. Daaruit ontstaat zekerheid en tenslotte ook onafhankelijkheid, die ons weer de ware vrijheid brengt. De jongere: Een andere vriend stelt de volgende vraag: ik sta voor een beslissing wat mijn beroep betreft. Iedereen heeft een andere raad voor wat ik doen moet. Zelf ben ik ook nog onzeker. Hoe weet ik, wat ik het beste kan doen? De profeet: Het komt vaak voor, dat anderen ons aanraden, welk beroep we moeten kiezen. Niet altijd is de goede raad onbaatzuchtig, wat inhoudt, dat het uitsluitend een goede raad, een hulp is. Vaak wil de raadgever zijn niet tot standgekomen beroepskeuze, zijn beroepsideaal, in anderen, b.v. in de zoon of de dochter, in een goede vriend of vriendin, verwezenlijkt zien. Juist als het gaat om de beroepskeuze, zouden de jongeren geleidelijk aan zelf speurzin daarvoor moeten ontwikkelen, welke talenten en capaciteiten in hen liggen. Op de leeftijd, waarop de jongere zijn beroep moet kiezen, zijn ook bepaalde talenten, geschiktheden en capaciteiten actief. Dat brengt het levensritme van de mens met zich mee. We zouden ons door niets en niemand tot iets moeten laten dwingen. De goede raadgevingen kunnen we wel aannemen, maar tegelijk zouden we moeten afwegen, welke geschiktheden, capaciteiten en talenten we hebben. Om vast te stellen, wat ieder van hen aanspreekt, gaan b.v. jonge oerchristenen in verschillende werkplaatsen en bedrijven van de Christusvrienden, om daar mee te doen, dus praktijk op te doen en zo te ervaren, welk beroep hen ligt. Daaruit ontstaat een bepaalde zekerheid, om de juiste beroepskeuze te doen. Misschien kent de een of ander, die deze brochure leest, bedrijfseigenaars, die hem wat dat betreft kunnen helpen en hem in hun bedrijven wat laten rondsnuffelen. De jongere: Dat is een goede raad. Wie zijn leven in de hand wil nemen, zal zeker zulke mogelijkheden zoeken. Ik heb nog meer, zelfs véél vragen in petto. Mag ik je de volgende voorlezen? Over God praten is onder de jongeren nou niet direct »in«. In de kerk komt God me ouderwets voor. Ik kan me helemaal niet voorstellen, dat Hij leeft. Is God alleen iets voor oudere mensen? De profeet: Je zegt, over God praten is onder de jongeren niet gebruikelijk en: »in de kerk komt God me ouderwets voor«. Als instrument van God heb ik veel, zeer veel Godservaringen. Daardoor kan ik jou uit mijn eigen ervaringen verzekeren, dat God niet de kerkengod is, die institutionaliseert, als het ware tot antiquiteit werd gemaakt. Omdat uit deze antiquiteit, de kerkengod, het leven, GOD, allang verdwenen is, is het niet verwonderlijk, dat jij niet de indruk hebt, dat HIJ werkelijk leeft. Maar Hij, de ware God, de Eeuwige, leeft! Omdat Hij het leven is! Ofschoon er veel over God wordt gesproken, heeft zo menigeen toch nauwelijks ervaring met Hem. In de westerse wereld noemen we het leven, het eeuwige Zijn, de alomtegenwoordige kracht, de oerstroom, GOD. God is de Geest, die de oneindigheid doorstroomt, die Zich uit Zichzelf de vorm gaf, de Godvorm; het is de eeuwige Vader, die we ook God-Vader noemen. Uit de eeuwige oerstroom, God, schiep God-Vader de oneindige geestelijke zonnen en werelden, de zeven maal zeven hemelse gebieden en de geestelijke natuurrijken. Hij schiep de goddelijke wezens, de geestwezens, die in het eeuwige rijk, God, leven en werken. De oerstroom is de odem, het leven, dat alles in stand houdt en doorstroomt. Omdat God het leven is in alles, is Hij ook het leven in de materie. In ieder mens, in alle zielen, in de vier elementen vuur, water, aarde, lucht en in alle krachten van de materie, in ieder atoom, in iedere molecuul, is de essentie, de gecomprimeerde oerstroom, dus God, aanwezig. God is het woord, via alle bewustzijnsgraden, zoals bijvoorbeeld in de straling van de hemellichamen, in de natuurrijken, in de zielen en in de mensen. God is dus het leven in jou, in mij, in ieder van ons. Alleen al, als je de natuur beschouwt met haar veelvuldigheid en in de lente het gevoel van verandering - als je de elementen beleeft - de kracht in het gezang van de vogels - de evolutie van de natuurvormen in de afloop van de jaargetijden - en tenslotte ook de verandering van die mensen, die hun ziel tot God verheffen, zodat ze weer de eeuwige jeugd verkrijgen en in de goddelijke oerstroom hun bestaan hebben, dan voel en zie je iets van de geestelijke oersubstantie, die in alles is en door alles werkt. Dan word je de jeugdigheid gewaar, het fijne geestelijke fluïdum in alles. Dan merk je vaak, dat menige oudere wel de sporen draagt van zijn jaren, maar door hem straalt de spontaniteit van de oerstroom, God, de eeuwige jeugd. God, die jouw en mijn eeuwige Vader is, en de Vader van alle goddelijke wezens, zielen en mensen, is de spontaniteit, de veelvuldigheid, de dynamiek, de vormgeving, de kracht en de bron van de kracht - je ervaart het in jouw jeugdige dynamiek. Dat is God, de oerstroom in jou. De institutionele kerken hebben God inderdaad tot een beeltenis met grove en wrede trekken en tot een antiquiteit omlaaggehaald. Ze laten de dynamische, alomtegenwoordige God, die in iedereen het vuur, het licht van het woord is, niet aan het woord komen. De functionarissen van de ambtelijke kerken hebben niet alleen op bepaalde feestdagen hun jaarlijks terugkerende ritueel, maar op elke dag wordt door de institutie kerk een stempel gedrukt. De preken zijn vaak hetzelfde, jaar na jaar. Hun eredienst is niet altijd de dagelijkse dienst aan de naaste, maar meestal de dienst aan de kerk. De kerkelijke functionarissen spreken wel over God, maar laten Hem niet door zich spreken en ook niet werken. Hij kan zich helemaal niet door hen openbaren, omdat ze een institutionele Godsvoorstelling hebben, die met de eeuwige Vader, met God Vader dus, niet in overeenstemming is. God, onze Vader, neigt zich tot al Zijn kinderen, tot jou, tot mij, tot iedereen. Hij wil ons weer in Zijn eeuwige rijk, de eeuwige hemelen, hebben. Daarom zond Hij Zijn zoon tot ons, de mederegent van de hemel, die onze Verlosser werd. Jezus belichaamde de eeuwige Vader, want Hij sprak: de Vader en Ik zijn één, wat inhoudt: Ik, Jezus van Nazareth, leef, zoals het de wil is van de eeuwige Vader in de hemel. Kijk naar het leven van Jezus, breng je de spontane, dynamische jongeman voor de geest, die met zijn apostelen op stoffige wegen rondtrok en de blijde boodschap van Zijn Vader verkondigde, die onder de sterrenhemel thuis was, die in ieder dier, in elke plant Gods besturen zag, die Zijn apostelen en leerlingen onderwees in de fijnste wetten van het heelal, die onder een boom zat en hen onderwees, die op het veld stond en duizenden de blijde boodschap van het leven verkondigde, de Bergrede, die met 'n paar apostelen in een boot stapte en op het meer van Genezareth uitvoer, die de toenmalige farizeeën en schriftgeleerden, de huichelaars, behoorlijk de waarheid zei. Jezus was dus geen bombarie-beheerder - Hij belichaamde de spontaniteit van het innerlijke leven. Beschouwt men tegenwoordig de kerkelijke functionarissen met hun titels en »waardigheden«, met hun toga's, gewaden en kerkgebouwen, dan zou toch eigenlijk iedereen moeten zeggen: hier klopt iets niet! Dáár de eenvoudige Jezus van Nazareth, de Zoon van God, en hier de »ambtelijke hoogwaardigheidsbekleders«, die met »waardigheid« iets vertegenwoordigen, wat Jezus niet heeft geleerd. Zoals zij zijn, was Jezus niet. Zoals zij zijn, wil Jezus het niet. Zoals ze onderwijzen, spreken, handelen en uiteindelijk leven, komt niet overeen met de leer van Jezus van Nazareth. Op een bepaalde manier mag ook ik, onafhankelijk van mijn leeftijd, deze spontane, eeuwige Godskracht voelen, de innerlijke, eeuwige jeugd, de frisheid van de Geest, het leven, dat uniek is. Iedereen, die steeds meer zijn al te menselijkheid aflegt, deze als het ware met de hulp van Christus offert en steeds meer doet, wat God wil, ontsluit de levende bron van de hoogste kracht in zich, die eeuwig fris, helder en jeugdig is. Want Jezus zei ons: Volgt Mij na! Volgen wij Hem na, dan doen we, wat God wil en beleven we in ons, aan ons en door ons iets dergelijks als ons voorbeeld Jezus, de Christus. Je hoeft dus helemaal niet veel over God te praten. Doe, wat Jezus ons heeft geboden en bevestig de spontane jongeman, Jezus van Nazareth, dan krijg je er plezier in te doen, wat God wil. Dan ben je geen na-aper meer, geen bombarie-man, maar de spontane jongere, die in zijn gedachten en gedrag steeds weer God de eer geeft, door te vragen: hoe zou Jezus zich in deze situaties van het dagelijkse gebeuren gedragen hebben, wat wil Hij mij door mijn gedrag, door mijn gedachten, door mijn wensen zeggen? Beste broeder, kijk niet naar de ouderwetse God, die de kerkelijke functionarissen leren, maar laat Christus in je opstaan! Hij, Jezus, de jongeman, wil jouw begeleider zijn. God is dus niet alléén voor oudere mensen. God is voor de jeugd, God is voor de z.g. volwassenen, én God is voor oudere mensen. God is altijd aanwezig en schenkt zich altijd helemaal. Ervaar en beleef Hem, door Jezus na te volgen en je hebt de beste vriend bewust aan je zijde. De jongere: Dat spreekt me aan, zoals je dat zegt. Je voelt gewoon, dat daar wat in zit, op een of andere manier een ruimte, een perspectief! Als ik dat allemaal zo hoor en op me in laat werken, komt de gedachte bij me op: hoe kan ik datgene, wat Jezus van mij wil, in mijn leven integreren, dus met datgene in overeenstemming brengen, wat in het uiterlijke mijn dagelijkse leven is? Zijn dat niet twee werelden? Is Jezus ook mijn begeleider, als ik mij tot die dingen wend, die nu eenmaal in het leven van ons jongeren zijn? Ik speel gitaar en we maken samen muziek, we hebben dus een band. Gaby, kunnen we, nadat je dit hebt gezegd, dan nog wel rockmuziek spelen? Kunnen we dan nog wel rock'n roll dansen? De profeet: Zoals ik voorheen al zei: overdaad schaadt. Natuurlijk kun je rockmuziek spelen, natuurlijk kun je ook rock'n roll dansen, als dat allemaal geen slechte gewoonte wordt, dus niet ontaardt in uitspattingen of excessen. Waarom niet? De jongere: Ik ben blij, dat je me de navolging van Christus zo verklaart. Het is dus geen leven vol ontberingen. Ik begrijp het nu zo, dat je toch veel mag beleven, als het de juiste proporties houdt en als je je er niet in verliest. Op mijn blaadje staat nog een vraag van een andere jongere: ik ben een jong mens en ik leer een beroep, ik ben in het derde leerjaar. Hoe kan ik voorkomen, dat ik een vakman word, die alles alleen vanuit zijn weten oplost? De profeet: Een vakman of vakvrouw te zijn is toch niet verkeerd. Het is juist goed, vakbekwaamheid te hebben (in het beroep). Een goede maatschappij heeft bekwame vakmensen nodig, die hun vak verstaan. In onze maatschappij wordt veel opgelost door »weten«. Het is de vraag of degene, die het weet het ook werkelijk »weet«, of alleen zijn persoonlijke voorstellingen en wensen wil doorzetten, die niet met zijn vakkennis overeenkomen. We hebben al dikwijls gesproken over de spontane, alwijze Geest, die ons in iedere situatie, in alle levensvragen, ook in het vakgebied, een wetmatige, dus Godbewuste oplossing toe kan spelen. Ik herinner je aan datgene, wat Liobani, onze zuster uit het geestelijke rijk, ons allen - en heel bijzonder jullie jongeren - heeft doorgegeven, weergegeven in het boek »LIOBANI, ik leg uit - doe je mee?« Zij brengt je bij, hoe je de innerlijke helper en raadgever in je kunt ontsluiten en met Zijn hulp voor zo menig probleem de oplossing en op zo menige vraag het antwoord kunt vinden, op school, op het werk of in je vrije tijd. Het is in ons beroep zoals met alles wat we doen: doen we het met ons ego, dat altijd op de voorgrond wil treden, op wil scheppen en gelijk wil hebben, dan komen we vroeg of laat aan onze al te menselijke grenzen. Met ons intellect kijken we niet over de grens, als het ware over de muur van de horizon van ons weten, heen. Het gevolg is, dat we iets doen, waarvan we denken, dat het de oplossing zou zijn. Later moeten we dan inzien, dat onze oplossing tot ontreddering leidde. Dat beleven we momenteel in onze economie. Waarheen we ook kijken, veel is in verval, het is de reflectie van onze muur van voorstellingen of kennisprogramma's, de reflectie van ons ego. Is God voor ons geen ouderwetse God, dus geen antiquiteit, die op de achtergrond staat, die ons voor ons leven niets meer te zeggen heeft, dan zal ons bewust worden, dat het intellect altijd zijn grenzen heeft, want dat is aangeleerd. De intelligentie GOD weet van alle dingen, helpt ons in iedere situatie, als we ons overgeven aan de spontane, helpende Geest door stap voor stap Zijn wil te vervullen, die we in de Tien Geboden en in de Bergrede van Jezus onderkennen. Daardoor verruimt ons bewustzijn en we krijgen toegang tot de innerlijke helper en raadgever, de Christus Gods-Geest in ons. Zet je dus deze stappen, dan word je een vakman in je beroep, die zich door de intelligentie GOD laat besturen, die het intellect, de vakkennis aan de intelligentie GOD ter beschikking stelt. Geleidelijk aan kijkt de vakman dan over de grenzen, over de muur van het intellect heen, en vindt steeds oplossingen, stappen die de alleen-wétende niet kent, omdat hij nu eenmaal op zijn weten, het aangeleerde, bouwt. De zin van het leven is dus, ons verstand te scholen, onze bekwaamheden en kwaliteiten te ontwikkelen, ze echter met de intelligentie GOD te verenigen, zodat de spontane, eeuwige, alwetende Geest onze vakbekwaamheid kan gebruiken als instrument voor een goede, ethisch hoogstaande maatschappij. De jongere: Hier heb ik nu een vraag, die voor velen van ons acuut is: hoe denk je over de vriendschap tussen een jongen en een meisje? De profeet: Goede vrienden te hebben is waarachtig een geschenk, dat men niet alleen zou moeten bewaren, maar ook zou moeten onderhouden, doordat men voor en met hen is. Goede vrienden delen lief en leed met elkaar. Ze helpen elkaar. Goede vrienden zijn een open gemeenschap, waarbij iedereen zich kan aansluiten, die het eerlijk meent en bereid is, een vriendschappelijke verbinding te onderhouden. In een goede vriendschap bouwen zich positieve krachten op. Uit vriendschappen kunnen vrienden ontstaan, die elkaar helpen. Daaruit kan een snellere innerlijke groei plaatsvinden. Goede vriendschappen bestaan ook tussen jongens en meisjes, als de jongen of het meisje niet meteen de bindende band knoopt op grond van hevige wensen naar seksualiteit. De goddelijke scheppingsorde heeft gepland, dat man en vrouw dán lichamelijk samenkomen, als beiden een kind wensen. Dat is een doel van hoge ethiek en moraal voor ons mensen in een goed functionerende ethisch-morele maatschappij. Steeds meer mensen begrijpen langzamerhand, dat reïncarnatie bestaat, die ten onrechte veel eeuwen lang door de kerken werd verloochend; zij geloven dus in de wedergeboorte van de ziel, wat natuurlijk betekent, dat wij zondige programma's uit vorige levens meebrengen naar dit aardse bestaan, bijvoorbeeld ook de wens naar lichamelijkheid, dus naar seksualiteit. Bij de één komt deze wens sterker tot uitdrukking, bij de ander minder. De één wil zich uitleven in seksualiteit, de ander heeft de wens, zich door de seksualiteit te ontspannen of juist via het geslachtsleven de ander aan zich te binden. Bindende banden zijn er in alle soorten, maar iedere bindende band, ook de seksualiteit, wil iets voor zichzelf, voor het ego of het eigen lichaam. De één wil de seksualiteit steeds weer beleven, om zijn zenuwen te ontspannen of de zenuwprikkeling als lust te genieten, de ander kan zich alleen in de lichamelijke excessen, dus in extreme vormen van lichamelijkheid, bevredigen. Menigeen heeft na de geslachtsdaad een slecht geweten, als hij de partner alleen hiervoor gebruikt heeft. Ongeacht welke graad van geslachtsverkeer in het spel is, we moeten ons steeds afvragen: waar is de wortel van deze drang? Wil ik mij door beoefening van de seksuele praktijken tot een sexmaniak ontwikkelen, of wil ik moreel-ethische waarden ontwikkelen, door te trachten de oorzaak van mijn drang te herkennen, om deze geleidelijk aan op te heffen? Men kan in onze tegenwoordige tijd niet zeggen: je mag met een jongen of een meisje alleen gemeenschap hebben als jullie trouwen en een kind wensen. Als dat zo zonder meer zou gaan, als dit dus vanuit de basis bij ons mensen gemakkelijk te vervullen zou zijn, dan zou dat mooi zijn, want dan zou de gevende en ontvangende liefde beiden verbinden en hun huwelijksgeluk zou ongestoord blijven. Omdat de mens min of meer de seksuele wensen meebrengt in deze incarnatie, is het voor de meeste mensen een grote overwinning, om aan de eis, waarover ik sprak, te voldoen. Velen lukt het. Het komt op de meegebrachte aanleg aan, alsook op het doel, dat ieder zich voor zijn leven heeft gesteld. Anderen lukt het niet, omdat ze overeenkomstig werkzame programma's hebben meegebracht. Dat moet echter niet tot het voorwendsel leiden: »Ik heb nu eenmaal een sterker seksueel programma meegebracht, dus moet ik de seksualiteit in praktijk brengen. Ik kan het tenslotte niet eenvoudig verdringen.« Het moet ook niet worden verdrongen, want wat verdrongen wordt, is niet opgeheven. Steeds weer is daarover te zeggen: het is zaak, de wortel te vinden van de overdreven seksualiteit, om de diepere oorzaak, waaruit deze energie omhoogdringt, op te heffen. Over geen enkele mens en zijn denken en doen mogen we oordelen. Maar iedereen heeft de mogelijkheid, zich geleidelijk aan te verfijnen, doordat hij zijn meegebrachte programmawereld analyseert en oplost - en niet wegwerkt, doordat hij het zolang uitoefent, totdat hij het gevoel van wikken en wegen, het geweten, heeft verloren - en opgaat in het seksuele leven, zonder er zich om te bekommeren, hoe het met de ander gaat, die gebruikt wordt, die eventueel in de kou wordt gezet, zij het in het huwelijk of in de seksuele vriendschap. Wie een geweten heeft, zal er altijd over nadenken, wat hij door een overdreven seksualiteit aanricht - bij zichzelf en bij zijn naaste - en of dat, wat hij doet, in harmonie is met zijn achting voor zichzelf en voor zijn naaste. Bindende banden worden vaak geknoopt door de seksualiteit. Of deze »liefde« voldoende is, om een gezin te stichten en of deze »liefde« stand houdt bij de opvoeding van de kinderen, of deze »liefde« draagkracht heeft tot op hoge leeftijd, dat kunnen we tegenwoordig opmaken uit het aantal echtscheidingen. Wie een gezin wil stichten, zou zich moeten afvragen: wat is mijn motief? Om een goed huwelijk en gezin te kunnen onderhouden, is innerlijke toeneiging nodig; de aantrekking, die alleen berust op dwangmatige seksualiteit - laten we het kort sex noemen - is beslist geen goede basis. Een goed huwelijk heeft een hoge mate van tolerantie nodig, het wederkerige begrip, de welwillendheid, die tenslotte geven en ontvangen is, die dan ook in de lichamelijke verbinding tot uitdrukking komt. Er bestaan dus veel variaties van vriendschap tussen een jongen en een meisje. Is het een ware vriendschap, dan is het een verbinding tussen mensen, die niet wordt gekenmerkt door seksualiteit. Is het een seksuele vriendschap, dan heeft deze nu eenmaal de verschillende kenmerken, die ik al genoemd heb. Is het een echte, diepe, innige toeneiging, zonder het hevige verlangen naar het zich te buiten gaan in de seksualiteit of naar de op- en uitbouw daarvan, dan zou daaruit een goed huwelijk en gezin kunnen ontstaan, als men het weet te onderhouden. Wie een partnerschap of huwelijk aangaat en een gezin sticht, moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid, die daarin ligt. Hoeveel hartepijn, innerlijke en uiterlijke nood is te wijten aan lichtvaardig gesloten huwelijken! Volgens de grondwet van de bondsrepubliek Duitsland staan huwelijk en gezin onder de bijzondere bescherming van de staat. Hoe ziet het er echter in werkelijkheid uit? Worden het huwelijk en het gezin door de staat beschermd - en welk huwelijk? Tegenwoordig is het zo, dat bijna ieder derde huwelijk gescheiden wordt en dat tweede, derde of vierde huwelijken worden gesloten. Er worden gezinnen opgebouwd, die van korte duur zijn. Daaruit komen kinderen voort. Spoedig daarna valt dit huwelijk of gezin uit elkaar. Ik ken het volgende geval: een jong echtpaar wilde al een hele tijd een kind. Het langverwachte kind werd geboren en is nu anderhalf jaar oud. Onverwachts laat de man het gezin in de steek en neemt een vriendin, waarbij hij ook intrekt. De moeder is nu alleen met het kind en krijgt een sociale uitkering, omdat de man zijn gezin en zichzelf - als gescheiden levende - niet volledig kan onderhouden. In dit concrete geval is de vraag: welk huwelijk of gezin beschermt de staat - het eerste, het tweede of het derde? Hoe beschermt de staat b.v. de nu alleenstaande moeder met haar kind? Is de sociale hulp de uitweg voor deze beide mensen? Zo ja, dan betekent dat voor mij, dat zij in de steek worden gelaten. De man echter leeft met het wettelijke aandeel van zijn loon met een vriendin samen, die eventueel met hem haar salaris deelt. Wie deelt met de alleenstaande moeders en kinderen? Wat zegt de staat daarvan? Kan hij überhaupt iets zeggen? Kan hij rechten invoeren voor de verlaten vrouw en de alleenstaande moeder met kinderen? De politici kunnen daar nauwelijks iets over zeggen, want zijn zij, die de staat, resp. het volk vertegenwoordigen - een haar beter? Kijken we naar het privéleven van zo menig politicus, dan zien we: velen van hen zijn één of meerdere malen gescheiden en twee, drie keer hertrouwd, of leven samen met een vriendin. De politici hoeven zich geen zorgen te maken over hun eerste, tweede of derde gescheiden huwelijk; hun inkomen is ten dele zo hoog, dat ze zich daarmee nog een vierde of vijfde echtscheiding kunnen veroorloven en eventueel verdere huwelijken aan kunnen gaan. * *Ik vroeg aan een jurist, hoe dit gedrag van de politici verenigbaar is met de wet. Hij antwoordde mij: voor de grondwet zijn huwelijk en gezin van bijzonder hoge waarde. De Hoge Raad heeft vastgesteld, dat de wet het huwelijk beschouwt als een »principieel onoplosbare levensgemeenschap«. In het burgerlijk wetboek staat zelfs nadrukkelijk: »Het huwelijk wordt gesloten voor het leven.« De Hoge Raad stelt verder vast: »Weliswaar kunnen de huwelijkpartners, wat de opgave betreft, een levenslange persoonlijke gemeenschap te verwezenlijken, door noodlottige gebeurtenissen of ook door verwikkelingen en oorzaken waarvoor zij verantwoordelijk zijn, stranden. Huwelijken kunnen stuklopen, zonder dat de burgerlijke wetten ze in stand kunnen houden of weer kunnen herstellen. Het beschermende gebod van de wet garandeert daarom een levenslang huwelijk niet abstract, maar in de vormgeving, zoals het overeenkomt met de heersende opvattingen. Daaraan ligt in de wet het beeld van het "verwereldlijkte", burgerrechtelijke huwelijk ten grondslag, waarbij ook hoort, dat huwelijkspartners ... gescheiden kunnen worden...« De »heersende opvattingen« worden mede gevormd door de verantwoordelijke politici. Als zij de basiswaarde van het huwelijk steeds minder serieus nemen, ondermijnen zij de wet, die zij representeren, steeds meer. Zij representeren basiswaarden, waaraan ze zich zelf niet houden. Als de openbare ethiek en moraal daalt, dragen zij een belangrijke medeverantwoordelijkheid. Zijn de politici dus een voorbeeld voor het zich-houden-aan onze grondwet, die zij tenslotte vertegenwoordigen? Hoe kan een volk beter zijn, als de politici soms veel slechter zijn dan het volk? Zeker hebben ook de kerken deze huwelijken gezegend en heeft de katholieke kerk niet, evenals de evangelische, velen van deze huwelijkspartners de gelofte van trouw afgenomen? In plaats van dat de kerkelijke ambtsdragers, die deze huwelijken zegenden en met de gelofte van trouw staafden, zulke politici op zouden roepen tot ethiek en moraal, door hen te verklaren, dat volgens hun christelijke principes het sacrament, resp. de belofte, geldigheid heeft, zitten ze met deze politici in de voorste rijen, maken »hun gebedsriemen breed en de kwasten aan hun gewaden groot« en laten tenslotte toe, dat zij, die »aan het hoofd van de tafel en in de synagogen« zitten, met inbegrip van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, hetzelfde zijn als tweeduizend jaar geleden, toen Jezus de schriftgeleerden en farizeeën »huichelaars« noemde, »die zijn als witgekalkte graven, die van buiten mooi schijnen, maar van binnen vol dood gebeente en louter bederf.« Wat zegt de kerk betreffende het huwelijk: men moet elkaar trouw zijn, »tot de dood jullie scheidt«. Als zelfs de politici zich daar niet aan houden, die het volk en de grondwet vertegenwoordigen, wie moet het dán doen? Het is beter, geen voorbeeld aan hen te nemen, noch aan de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, noch aan de politici, die zelfs in één van hun partijen de c van »christelijk« hebben. Wordt hier het kerkelijk gesloten huwelijk tot etikettenzwendel? Geldt de kerkelijke leer, wat het huwelijk betreft, alleen voor het volk en niet voor de politici? Want de kerkelijke overheid zit met allen, die echtbreuk hebben gepleegd, in de voorste rijen. Hoe vaak wordt over ethiek |