De stem van de waarheid.
De profetes van God spreekt in onze tijd

Het fundamentele in onze tijd om over na
te denken en tot zelfkennis te komen

Twee heelal-Goden,
de god van Mozes en
de God van Jezus -
of de ene veranderlijke God?

Dieren klagen -
de profeet klaagt aan!

 Dieren klagen -
de profeet klaagt aan!

Nummer 15


Oorspronkelijke Duitse titel: Tiere klagen - der Prophet klagt an!
2e Oplage 2000
Verlag DAS WORT GmbH, DER UNIVERSELLE GEIST, LEBEN IM GEISTE GOTTES
Max-Braun-Straße 2, 97828 Marktheidenfeld
Tel. 09391/504-135, Fax 09391/504-133

Alle rechten voorbehouden
Omslagfoto: plus 49 / VISUM medienservice gmbh, Hamburg
Uit het Duits vertaald.
In licentie uitgegeven brochure met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave doorslaggevend.

1e Nederlandse uitgave - april 2001


                          

Want Ik heb jullie vaderen, toen Ik hen
uit Egypte leidde, niets gezegd
en niets bevolen, wat brandoffers
en slachtoffers betreft.
Veeleer gaf Ik hen het volgende gebod:
luistert naar Mijn stem, dan wil Ik
jullie God zijn, en jullie zullen Mijn volk zijn.
Gaat in alles de weg, die Ik jullie beveel,
opdat het jullie goed gaat.
Zij echter luisterden niet en
neigden Mij hun oor niet toe, maar
volgden de ingevingen en driften
van hun boze hart.
Zij lieten Mij hun rug zien en niet
het gezicht.

Vanaf de dag, dat jullie vaderen uit Egypte
trokken, tot op de dag van vandaag
zond Ik jullie steeds opnieuw
al Mijn knechten, de profeten.
Maar men luisterde niet naar Mij en
neigde Mij hun oor niet toe,
zij bleven eerder hardnekkig en
maakten het nog bonter dan hun vaderen.

(Jeremia 7, 22-28)

 

Voorwaar, geen schaduw
van de apostolische leer
is er in onze kerk nog over ...
een andere leer en discipline hebben wij
teweeggebracht.
Het belangrijkste is, ernaar te streven,
dat niemand ook maar het geringste
uit het evangelie,
vooral niet in de volkstaal,
geoorloofd wordt te lezen.
Het weinige wat in de mis wordt gelezen,
is voldoende.
Ieder, die vlijtig afweegt,
wat in de kerken behoort te geschieden
en het in detail beschouwt, zal vinden,
dat onze leer
verschilt van het evangelie,
zelfs het tegenovergestelde is ...

(Uit een rapport van drie bisschoppen voor paus Julius III.
Hans-Jürgen Wolf, Sünden der Kirche)

 

 

Inhoud

Voorwoord

Gods woord, eergisteren, gisteren en nu - waarheid of niet? God rehabiliteert Mozes door verdere profeten

De leer van de kerk op een dood spoor

»Je zult ...« God respecteert de vrije wil van Zijn kinderen

Jezus van Nazareth zette zich in voor de dieren. Getuigenissen uit »Dit is Mijn woord«

De geest uit de boeken van Mozes waait nu in de kerken. Parallellen met de bloedige magische ceremoniën van de voodoo-tovenaars

Jezus was tegen bloedvergieten van welke aard dan ook

»... zal uitgeroeid worden.« Afstomping van het geweten. Of: hoe men de priestermacht horig wordt

Offerceremoniën, "zoals het de Heer Mozes had bevolen". In het Oude Testament was de wet van oorzaak en gevolg bekend. Jezus was tegen dierenoffers

Het nieuwe Testament "voltooit" het oude en "verklaart" het. Beide zijn "het ware woord van God". De miljoenen offers van de kerk

Martin Luther - Leven en leer in de christelijke geest van de naastenliefde?

"Wat de mens anderen aandoet, doet hij zichzelf aan." Hoe voelt het dier zich in zijn situatie? Het dier, een gebruiks- en verbruiksvoorwerp

De tijdgeest-god. "Voleinding" van het Oude Testament in onze tijd: seksuele vergrijpen aan kinderen door priesters. In de voetsporen van de Nazarener of in die van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders?

"Doden" of "moorden"? Jezus vervulde de wet en verdiepte de leer

Richtlijnen voor geweld en oorlog in het Oude Testament - Jezus: »Heb je vijanden lief«. Jezus berispt de huichelarij van de schriftgeleerden en Farizeeën

Uiterlijk vertoon en ceremoniën bij de wijding en het kleden van priesters in de boeken Mozes

Het verlossingsoffer, dat Jezus bracht. »De zondenbok«

De eerste oerchristenen kenden geen ceremoniën

Paulus schafte het levende oerchristendom af, vervalste de leer van Jezus en legde het fundament voor een staatsreligie en een veruiterlijkte kerk van erediensten

Constantijn: samenwerking van kerk en staat. Verdere afvalligheid van de leer van Jezus - de staatskerk, uiterlijke machtreligie

De Heilige Schrift - Het Oude Testament en het Nieuwe Testament - »is geinspireerd door de Heilige Geest«

»Ik, de Heer, verander Mij niet ...« Woorden van God tegen dierenoffers door profeten na Mozes

In de katechismus van de katholieke kerk: "God heeft de dieren onder de heerschappij van de mensen geplaatst ..."

Gebruikmaking van dieren - maar "niet zonder rekening te houden met morele behoeften." - Dieren moet je niet liefhebben."

Positie van de dieren in het evangelische geloof.
»Lamsvlees Gods« - de slager,
een verwereldlijkte priester? 

Vlees eten - concessie van God aan de menselijke zwakheid? Heeft Jezus vlees gegeten?

Uitspraken over dieren in de protestantse catechismus

Jezus van Nazareth over het thema "dieren" in de Christusopenbaring "Dit is Mijn Woord"

Dieren klagen - de profeet klaagt aan

Dat is de meedogenloze mens

Plaatsen waar de oerchristenen elkaar ontmoeten

Thema’s van »De Profeet«

 

Twee heelal-Goden,
de god van Mozes en
de God van Jezus -
of de ene veranderlijke God?

Dieren klagen -
de profeet klaagt aan!

 

»Ik, de Heer, verander Mij niet ..
( Maleachi 3, 6)

Het leven in God omvat niet slechts de naaste, maar eveneens alle levensvormen, zoals dieren, planten, mineralen en stenen, want al het Zijn draagt het leven, God.
(Dit is Mijn woord, deel 3, hoofdst. 75)

 

 

Voorwoord

    Wie in de titel van deze nieuwe uitgave van "De Profeet" de twee thema’s leest, zal zich misschien afvragen: wat heeft de vraag "twee Goden of één veranderlijke God" te maken met hetgeen dieren in onze tijd moeten verduren? Liggen die beide aspecten van het thema niet op heel verschillende gebieden?
   Doch wie de oorzaken voor het lijden van de verachte, geknechte, tot gebruiks- en verbruiksvoorwerp vernederde dieren nagaat, zal beslist op wortels stoten, die in de uitoefening van de religies van vroegere tijden hun grondslag vinden, in het Oude Testament. Het begrip "uitoefening van de religie" geeft hier al te denken. Want religie is het gebied van de verbinding met God en het Goddelijke. Dat deze door de verantwoordelijke "praktizerenden" van die tijd nagestreefd en bereikt werd, moet echter betwijfeld worden.

    In hetgeen u hierna leest, spreekt, ofschoon het ditmaal geen dialoog is met een tijdgenoot, uiteindelijk niet alleen de profeet, maar er spreken vele feiten, vele getuigenissen in woord en beeld. Zij spreken tot ons - en wie oren heeft om te horen, die hore. Zij geven te denken - en wie zijn verstand gebruikt, kan een licht opgaan. Zij stellen vragen aan ons - en wie een hart heeft dat nog voelt, voelt de boodschap. Wat hij dan met deze boodschap doet en of hij hierop een daadwerkelijke beslissing laat volgen, moet iedereen zelf uitmaken.

 

 

Gods woord, eergisteren, gisteren en nu -
waarheid of niet? God rehabiliteert Mozes
door verdere profeten

    Sinds Jezus van Nazareth zijn er 2000 jaar verstreken. De zoon Gods kwam tot ons als mens, als de mensenzoon, om ons de boodschap van God, Zijn Vader, die ook onze Vader is, te brengen. De boodschap, die Jezus ons van God, Zijn en onze Vader, bracht, is de liefde.
    De weg tot de liefde begint met de verzoening onder de mensen en tussen de mensen en de dieren en de aarde. Alleen op deze weg komt de mens tot eenheid met God en Zijn totale schepping, met inbegrip van het heelal.
   God is liefde. Zijn oneindige wezen is dus liefde. Jezus zei de mensen, dat zijn Vader en Hij, Jezus, de Christus, één zijn. Daarmee wilde Jezus de mensen zeggen, dat Zijn boodschap de waarheid is, die uit de hemelen komt, van God, Zijn Vader, die ook de Vader van alle mensen is. Jezus plaatste geen afstand tussen de mensen en zichzelf, maar Hij stelde hen als zonen en dochters van God gelijk aan zichzelf, want Hij sprak inhoudelijk: Jullie zullen dus volmaakt zijn, zoals het ook jullie hemelse Vader is. (Matth. 5, 48) En Hij gaf ons het gebed, dat begint met de aanspreekvorm: Onze Vader, die in de hemel is ... resp. Onze Vader in de hemel ...

    Jezus gaf ons onder andere de volgende betekenisvolle aanwijzing, die, eveneens overgeleverd in de bijbel, luidt: Denkt niet, dat Ik gekomen ben, om de wet en de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen, om op te heffen, maar om te vervullen ... Totdat hemel en aarde vergaan, zal ook niet de kleinste letter van de wet vergaan, voordat niet alles is geschied. Wie ook maar één van de kleinste geboden opheft en de mensen dienovereenkomstig onderwijst, zal in het hemelrijk de kleinste zijn. Wie ze echter onderhoudt en leert ze te onderhouden, zal groot zijn in het hemelrijk. (Matth. 5, 17-19)
    Jezus sprak in Zijn woorden over de eeuwige wet en derhalve over de eeuwige, onveranderlijke God. Daarmee bracht hij op niet mis te verstane wijze tot uitdrukking, dat de door God gezonden profeten waar gesproken, dus de waarheid, die God is, in het profetische woord hebben verkondigd.
   Wie in het Oude Testament de "Boeken van Mozes" met de leer van Jezus vergelijkt, stelt zich al gauw de vraag: heeft Jezus waar gesproken - ook toen Hij zei, dat Hij het woord van de profeten zou vervullen? Of is dat, wat bij Mozes te lezen is, de waarheid? En hoe staat het wat dat betreft met de profeten, die na Mozes kwamen? Hun uitspraken onderscheiden zich in veel gevallen inhoudelijk van de overgeleverde Mozes-woorden; gedeeltelijk zeiden zij het tegendeel. Of hebben door de profeten van het Oude Testament verschillende Godheden gesproken? De verschillen in de uitspraken en richtlijnen van de profeten neigen tot de gevolgtrekking, dat er meerdere goden zouden zijn. En Jezus leerde ons weer een andere God dan de "god", die bijvoorbeeld door Mozes sprak.
   Wie nu meent, dat de "christelijke" kerken een overtuigend antwoord zouden hebben en hem zouden helpen, uit de verwarring en onzekerheid tot klaarheid en zekerheid te komen, wordt teleurgesteld: zij verklaren inhoudelijk, dat ieder woord van de bijbel de waarheid van God zou zijn, waaruit voortvloeit, dat hetgeen God door Mozes heeft gesproken, authentiek in de bijbel staat. Derhalve gebood "god" o.a. dieren in bloedige gruwelijke offerhandelingen te doden en Hem te offeren. Bepaalde mensen, de priesters, zou Hij ertoe hebben uitverkoren, de handelingen in gedetailleerd voorgeschreven rituelen uit te voeren, "zoals het de Heer aan Mozes had bevolen".
   Volgen wij de kerkelijke leer, dan zou dit dus de waarheid zijn.
   Maar hoe staat het dan met de verdere oudtestamentische profeten zoals bijvoorbeeld Amos, Jesaja, Jeremia en de vele anderen, waardoor God tégen brandoffers, slachtoffers en dergelijke sprak? Jezus, de grootste profeet aller tijden, uitte zich eveneens tegen de uitspraken en aanwijzingen, die god zogenaamd door de profeet Mozes verkondigd zou hebben.
   De tegenstrijdigheid van deze verschillende "uitspraken van God" ligt duidelijk voor de hand. Toch moet het volgens de uitspraak van de kerkelijke leer allebei waarheid zijn?

    Laten we nog eens naar de verschillende Godsbeelden kijken:
   Jezus leerde ons de God van de Tien Geboden, die een goedertieren, wijze God is, een God van liefde en vezoening, een Schepper, die voor het leven van de dieren, ja voor de hele natuur is.
   De "god" uit de boeken van Mozes zou in vergelijking daarmee een harde, gruwelijke en brutale god zijn, die de mensen zware staffen, ook de doodstraf, oplegt, vooral echter de dierenwereld op een bestiale manier laat kwellen en afslachten, om zich door de rook van de brandoffers te laten kalmeren. Heeft zich dus de "god" uit de boeken van Mozes in het Oude Testament met Zijn richtlijnen en gruwelijke praktijken niets aangetrokken van de God van de Tien Geboden?
   Steeds opnieuw worden wij voor de vraag gesteld: is de god van het Oude Testament - vooral in de "boeken van Mozes" - een andere god dan die in het Nieuwe Testament? Als het één en dezelfde God is, dan moet ofwel het Oude Testament zijn vervalst - of Jezus heeft onwaarheid gesproken. Of is God veranderlijk?
   In De Profeet nr. 13 is de profeet in dialoog met een vakman van de katholieke en een vakman van de evangelische theologie deze vraag reeds nagegaan. Zij moet hier - met de bijzondere gerichtheid op dierenoffers - weer worden opgenomen.

    De eerste oerchristenen hebben zich nog niet bekommerd om zulke vragen. Voor hen was het duidelijk, dat het woord, de leer, de boodschap en het leven van de Godszoon Jezus, van de Christus, het authentieke woord Gods, tegelijk de wil van God voor mensen en zielen is en zodoende ook als maatstaf te gelden had voor hetgeen ergens anders en gedurende andere tijden als Gods woord werd gepresenteerd en gepresenteerd zou worden.
   Wij mensen zouden nu geen aanleiding hebben, om ons gedachten te vormen over "Gods woord gisteren en nu - waarheid of niet?" Ja, het zou zelfs niet nodig zijn geweest, dat God nog eens een leerprofeet naar de aarde zond, als - ja als - de ontwikkeling van het oerchristendom zich in de oriëntatie op Jezus, de Christus, had voortgezet. Doch zij werd niet lang voortgezet, met het resultaat, dat de destructieve geest van het door Mozes geschrevene, dat Jezus meermaals corrigeerde, nu nog steeds kan werken, en wel grondiger, massiever en "globaler", dan velen bewust is. Wat echter de mens niet bewust is, kan hem beinvloeden en hem op een verkeerd spoor zetten.

    God is liefde, goedertierenheid en zachtmoedigheid. Hij hoeft niet met gruwelijke heidense gebruiken tot bedaren gebracht te worden.
   Maar hoe kwam het dan tot de valse uitspraken en richtlijnen in het boek Mozes? Wie had er interesse in, om bijvoorbeeld Mozes het voorschrijven van bloeddorstige heidense gebruiken toe te schrijven? God zelf geeft het antwoord; Hij sprak enige tijd later door de profeet Jeremia:
  
Want Ik heb jullie vaderen, toen Ik hen uit Egypte leidde, niets gezegd en niets bevolen, wat brandoffers en slachtoffers betreft. Veeleer gaf Ik hen het volgende gebod: luistert naar Mijn stem, dan wil Ik jullie God zijn, en jullie zullen Mijn volk zijn. Gaat in alles de weg, die Ik jullie beveel, opdat het jullie goed gaat.
   Zij echter luisterden niet en neigden Mij hun oor niet toe, maar volgden de ingevingen en driften van hun boze hart.
   Zij lieten Mij hun rug zien en niet het gezicht. Vanaf de dag, dat jullie vaderen uit Egypte trokken, tot op de dag van vandaag zond Ik jullie steeds weer al Mijn knechten, de profeten. Maar men luisterde niet naar Mij en neigden Mij het oor niet toe, zij bleven eerder hardnekkig en maakten het nog bonter dan hun vaderen.
  
Ook wanneer je hen al deze woorden zegt, zullen zij niet naar je luisteren. Als je hen roept, zullen zij je geen antwoord geven. Zeg hen dus: dit is het volk, dat niet naar de stem van de Heer, van zijn God luisterde, en zich niet liet opvoeden. De trouw is weg, uit hun mond verdwenen. (Jer. 7, 22-28)
   God zelf heeft dus door Jeremia de vervalsing van de "boeken van Mozes" aangetoond en daarmee de profeet Mozes gerehabiliteerd.
   Gerehabiliteerd werd Mozes eveneens in onze tijd, enerzijds door de moderne bijbelstudie, die uitgewezen heeft, dat Gods woord door de mond van Mozes, zoals wij het in het Oude Testament lezen, niet authentiek is, dat de tekst integendeel meermaals doelbewust veranderd en "geredigeerd" werd; grote delen van de in de bijbel overgeleverde "definitieve versie" schrijven de wetenschappers aan de priesters toe.
   Doch niet alleen dat spreekt ten gunste van Mozes. De hoogste "instantie", de Oer-intelligentie, alwijsheid en gerechtigheid, de Christus-Gods-Geest, geeft over Mozes in het grote openbaringswerk "Dit is Mijn woord. Alfa en Omega. Het evangelie van Jezus. Het boek, dat intussen de ware christenen over de hele wereld kennen", dat de Christus Gods ons door Zijn profetes van deze tijd schonk, een niet mis te verstane getuigenis af, o.a. met de volgende woorden:
   Mozes heeft het offeren van dieren niet bevolen, noch goedgekeurd. Hij greep echter niet in in de satanische wil van hen, die vlees wilden eten. Hij beleerde en onderwees hen, dat zowel het eten, alsook het offeren van dieren, zonde is. Omdat de halsstarrige Israëlieten echter daarop stonden, moest Mozes zwijgen, want ook de Israëlieten waren kinderen van God en bezaten de vrije wil. Zij zagen alles slechts vanuit hun zonde en beschouwden daarom het zwijgen van Mozes als toestemming. (Deel 2 - hoofdst. 51)
   De Geest Gods bevestigt in Zijn machtige openbaring vaak, dat Mozes een trouwe dienaar van God was, die getrouw Gods woord aan de mensen van zijn tijd gaf. God rehabiliteerde Mozes dus opnieuw.
   Wie de woorden van God door Jeremia met het hart leest, komt tot de overtuiging, dat de "boeken van Mozes" de boeken van de toenmalige priesterkaste moeten zijn, die de profeet Mozes hun voorstellingen, hun gruwelijke, moorddadige heidencultus toegedicht heeft. De priesters wilden hoogstwaarschijnlijk voortaan datgene in praktijk brengen, wat in het toenmalige heidendom gebruikelijk was en dat de Israëlieten in de slavernij naar Egypte hadden meegebracht.

 

 

De leer van de kerk op een dood spoor

    De vraag in de titel van deze uitgave van De Profeet, die luidt: »Twee heelal-Goden, de god van Mozes en de God van Jezus - of de Ene veranderlijke God«? is eigenlijk al beantwoord. Bij de profeet Maleachi zegt God het zelf duidelijk: Ik, de Heer, verander Mij niet ... (Mal. 3, 6)
   Daaruit volgt nu al, na wat tot nu toe gezegd werd, dat de uitspraak van de kerk: De bijbel is in zijn geheel het directe, ware woord Gods ... verkeerd moet zijn.
   In het navolgende uitvoerige betoog straalt nu het licht der waarheid - als het ware als door verschillenden facetten van een geslepen kristal - in de ondoorzichtige mengeling van waarheid en leugen, dat in vele hoofden verwarring stichtte, in ontelbare harten hopeloosheid, verlatenheid en vertwijfeling teweegbracht en voor een groot deel een ontwikkeling heeft meebepaald, die tenslotte tot het dwang- en bedrogmechanisme leidde, dat zich "christelijke kerk" noemt.
   De waarheid zal jullie vrij maken (Joh. 8, 32), sprak Jezus van Nazareth. Gods woord was van oudsher het licht der waarheid, dat Hij via lichtboden van de hemel aan de mensen gaf, opdat zij vrij konden worden van hun belastingen, uit innerlijke en uiterlijke knechtschap, uit gebondenheid en dwang. Sinds vanouds was de tegenspeler van God de vijand van de waarheid en het goede. Hij streefde en streeft er nog steeds naar het licht te verduisteren. Daartoe was en is hem ieder middel goed, en het misbruiken van de naam van God en van de naam van Jezus, de Christus, bewees zich tot dit doel als een van de geraffineerdste - wij zouden nu zeggen: psychologisch werkzaamste - middelen, om de harten van de gelovige, godvruchtige mensen te vergiftigen, hun zielen te binden en voor leugen en bedrog, voor ongoddelijkheid, toegankelijk te maken.

 

 

»Je zult ...«
God respecteert de vrije wil
van Zijn kinderen

    God, de waarheid en het licht, is onveranderlijk. Dat leerde Jezus, de Christus, steeds weer. Ook in de Tien Geboden, die God door de profeet Mozes aan de mensen gaf, ervaren wij de God, die Jezus, de Christus, ons bijbracht en die van alles, wat de "god" uit de "boeken van Mozes" voorgeschreven zou hebben, niets zei.

    In de Tien Geboden laat God iedereen de vrijheid, Zijn geboden te onderhouden of ze niet op te volgen. God dwingt niet. God zegt: "Je zult". In de "boeken van Mozes" daarentegen gaf die "oud-testamentische God" dwingende aanwijzingen; Hij respecteerde de vrije wil van Zijn kinderen niet. In de Tien Geboden leert God ons mensen gruwelijkheden noch doodslag, ook niet het vermoorden van mensen en het afslachten van dieren. Zou God, de Eeuwige, dit alles hebben voorgeschreven, wat in de zogenaamde "boeken van Mozes" staat, dan zou Hij tegen Zijn eigen geboden gezondigd hebben en zodoende een zondige god zijn.
    Menigeen zou hier nu tegen in kunnen brengen, dat doden is toegestaan, maar moorden niet, want het "Je zult niet doden" heet naar de nieuwste religieuze wetenschappelijke overwegingen "Je zult niet moorden" - zo werden ook de Tien Geboden in de nieuwe Jeruzalemse Bijbel, oplage 1985, veranderd. Als dat zo zou zijn, dan had Jezus een jongeman, die Hem vroeg: Meester, wat moet ik voor goeds doen, om het eeuwige leven te verkrijgen, verkeerd onderwezen. Jezus antwoordde de jongeman (in dezelfde bijbeloplage) Wat vraag je Mij wat goed is? Slechts één is "de Goede" als je echter het leven wilt verkrijgen, onderhoud dan de geboden. Daarop vroeg hij Hem: welke? Jezus antwoordde: je zult niet doden, je zult geen echtbreuk plegen, je zult niet stelen, je zult geen valse getuigenis geven. Eer vader en moeder! En: je zult je naaste liefhebben als jezelf. (Matth. 17-19)

     Jezus zei dus: "Onderhoud de geboden" en vermaande de jongeman: "Je zult niet doden." Jezus zei niet: "Je zult niet moorden." Hij zei ook niet: "Je zult alleen in uitzonderingsgevallen doden."

 

Jezus van Nazareth zette zich in voor de dieren.
Getuigenissen uit »Dit is Mijn woord«

    Jezus maakte ook geen onderscheid tussen mens en dier, want het gebod luidde en luidt: je zult niet doden; dit is een algemene uitspraak met de betekenis: wij mogen mensen noch dieren doden.
    In Dit is Mijn woord lezen we o.a., wat Christus de mensen gedurende Zijn aardse leven zei en bijbracht, ook wat betreft de omgang met de dieren.
    Als Jezus van Nazareth sprak Ik tot veel mensen over de wet des levens, zo ook over de dieren, die evenals de mensen pijn, leed en vreugde voelen. Zoals de mens niet tegen, maar vóór zijn naaste dient te zijn, zo moet hij ook vóór de dieren zijn en jegens hen verantwoordelijkheid dragen, omdat zij de mens dienen.
    Steeds weer leerde Ik de mensen, dat ook de dieren schepselen van God zijn, die de mens niet moet minachten, maar liefhebben. Wie hen slaat en kwelt, zal eens aan zijn ziel en aan zijn lichaam hetzelfde of iets dergelijks ervaren. Want wat de mens zijn medemensen en medeschepselen aandoet, doet hij zichzelf aan.
(Deel 2, hoofdst. 31)
   
De bijbel bericht, dat Jezus bij de "spijziging van de vijfduizend" de verzamelde mensenmenigte behalve brood ook vissen te eten gegeven zou hebben. Bij Marcus staat: Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, verhief Zijn ogen ten hemel, sprak de lofprijzing uit, brak de broden en gaf ze aan de discipelen, opdat zij ze aan de mensen uitdeelden. Ook de twee vissen liet Hij onder allen verdelen. (Marcus 6, 41)
   
Zijn vissen niet ook dieren, zou menigeen zich af kunnen vragen. In Dit is Mijn woord lezen we, wat er werkelijk gebeurde:
   
Mijn discipelen brachten Mij broden en druiven ter vermenigvuldiging. Op die dag werden Mij ook dode vissen ter vermenigvuldiging aangereikt. Toen Ik deze dode substantie in Mijn handen nam, lichtte Ik de mensen in, zeggende, dat daaruit het krachtpotentiëel van de Vader, de hoge levenskracht grotendeels was geweken en Ik geen levende vissen zou scheppen, om hen daarna weer te laten doden.
   
Ik verklaarde de mensen, dat het leven in alle levensvormen is en de mens deze niet moedwillig mag doden. De mensen, met name de kinderen, keken Mij droevig aan. Zij konden Mij niet begrijpen, want zij leefden grotendeels van vis en brood en weinig meer. Toen sprak Ik inhoudelijk tot hen: de energie van de aarde houdt de dode vissen nog bijeen. Zo zal Ik jullie uit de Geest van de Vader geen levende vissen schenken, maar uit de energie van de aarde voor jullie vissen scheppen, die dood zijn, dus arm aan vibratie. Zij zullen nooit leven dragen en kunnen niet gedood worden. Ik wil jullie laten zien, hoe het levende – brood en vruchten – smaakt, en in vergelijking daarmee dood voedsel.
   
En Ik schiep voor hen vissen uit de energie van de aarde, die weinig geestsubstantie droegen. Ik gaf hen de dode vissen en gebood hen, tegelijkertijd ook brood en vruchten te eten, zodat zij het verschil zouden leren kennen tussen levend en dood voedsel, tussen hoogvibrerende en laagvibrerende kost.
   
Op deze en soortgelijke wijze onderwees Ik de mensen. (Deel 2, hoofdst. 29)
   
Wij zien, hoe behoedzaam, vol begrip en meevoelend Jezus op Zijn medemensen inging en hen de goddelijke wetten in de concrete situatie aanschouwelijk bijbracht.
   
In Dit is Mijn woord geeft Christus ons ook de volgende aanwijzingen:
    Wie zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, zal hem geen geweld aandoen, noch hem doden. En wie zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, zal ook niet moedwillig dieren doden. Wie mens en dier acht, heeft ook geen oorlogszuchtige bedoelingen, omdat hij Gods wetten, waartoe ook de natuurwetten behoren, in acht neemt. Wie zijn best doet, om de wetten Gods te verwezenlijken, zal steeds meer afstand nemen van het eten van vlees en de gaven van de aarde dankbaar aannemen - dus dat voedsel, dat van God komt voor Zijn mensenkinderen. (Deel 2, hoofdst. 38)
   
Christus zette zich als Jezus voor de dieren in, waar Hij maar kon. Dat daarover in de bijbel niets te vinden is, is niet verwonderlijk, want het lag niet in de interesse van de na-christelijke priesters, het volk in de zin van Jezus van Nazareth te onderrichten, maar in hun eigen zin, in de zin van de naar aardse almacht strevende kerk. Zo werd het aspect "dieren" niet in het Nieuwe Testament van de "Heilige Schrift" opgenomen, eveneens niet het gebod van Jezus, van het eten van vlees afstand te nemen. 

Laten we verder lezen in Dit is Mijn woord, hoe Jezus op het lijden van dieren reageerde.
   
1. Het geschiedde, dat de Heer de stad uittrok en met Zijn discipelen over het gebergte ging. En toen kwamen zij aan een berg met zeer steile wegen. Daar ontmoetten zij een man met een lastdier.
   
2. Het paard was echter ineengestort, want het was overbelast. De man sloeg het, tot er bloed vloeide. En Jezus ging naar hem toe en sprak: »Jij zoon van wreedheid, waarom sla je je dier? Zie je dan niet, dat het veel te zwak is voor zijn last en weet je niet, dat het lijdt?«
   
3. De man echter antwoordde: »Wat heb Jij daarmee te maken? Ik kan mijn dier slaan, zoveel het mij bevalt, want het is van mij en ik kocht het voor een mooie som gelds. Vraag hen, die bij je zijn, zij zijn uit mijn buurt en weten het.«
   
4. En enkele van de discipelen antwoordden en zeiden: »Ja, Heer, het is zoals hij zegt, wij waren erbij, toen hij het paard kocht.« En de Heer antwoordde: »Zien jullie dan niet, hoe het bloedt en horen jullie niet, hoe het kreunt en jammert?« Zij echter antwoordden en zeiden: »Nee, Heer, wij horen niet, dat het kreunt en jammert.«   
5. En de Heer werd verdrietig en sprak: »Wee jullie, door de afgestomptheid van jullie hart horen jullie niet, hoe het klaagt en roept tot zijn hemelse Schepper om erbarmen, en driemaal wee over hen, tegen wie het roept en kreunt in zijn pijn!«
   
6. En Hij ging verder en raakte het paard aan en het dier stond op en zijn wonden waren genezen. Tot de man echter sprak Hij: »Ga nu heen en sla het voortaan niet meer, als ook jij hoopt erbarmen te vinden.« (Deel 1, hoofdst. 21)
   
Jezus droeg niet alleen de mensen en dieren in Zijn grote hart, maar de hele natuur. Hij was met alle scheppingsvormen verbonden, ook met de gesternten en de oerkrachten. Het is overgeleverd, dat Hij de storm gebood en dat het water Hem droeg, zodat Hij erop kon lopen. Zoals Hij Zijn broeders en zusters als Jezus onderwees, zo onderwijst Hij ons nu, b.v. in Dit is Mijn woord:
   
Acht, waardeert en eert de schepperskracht in al het Zijn! Ziet: alles, wat er aan kracht en licht is, draagt ieder mens in het binnenste van zijn ziel. Het geestelijke lichaam in de mens is de substantie van al het Zijn, omdat God, de eeuwige Vader, elk van Zijn kinderen alles heeft gegeven als essentie, als erfdeel. In alle levensvormen is de eeuwige Geest aanwezig, en Hij stroomt ook uit alle levensvormen.
   
Wanneer de mens bewust tot kind Gods is geworden, dient Gods almacht hem door alle levensvormen, door steen, hout, vuur en water, door bloemen, grassen, planten en dieren. Het hele gesternte dient hem, die in Mij, de Geest der waarheid, leeft. Als de schepperskracht het schepsel vermag te doordringen, omdat zijn ziel vol licht en kracht is, dan is het weer bewust het kind geworden, de zoon of de dochter van de oneindigheid, en heeft het erfdeel, de alkracht, weer aanvaard.
   
Elke dag op aarde is een geschenk aan de mens, opdat hij zich daarin moge erkennen en vinden. De natuurijken bieden zich aan de mens aan. Vuur en water dient hem en ook het gesternte, bij dag en bij nacht. Erkent, hoe rijk de dag voor ieder persoonlijk is! ... (Deel 1, hoofdst. 19)

     Voordat wij ons tot de teksten uit de boeken van Mozes wenden, nog een voorval uit het leven van Jezus van Nazareth, weergegeven in Dit is Mijn woord:

     1. En toen Jezus naar Jericho ging, ontmoette Hij een man met jonge duiven en een kooi vol met vogels, die hij had gevangen. En Hij zag hun leed over het feit, dat zij hun vrijheid hadden verloren en bovendien honger en dorst leden.
    2. En Hij sprak tot de man: »Wat doe je met hen?« En de man antwoordde: »Ik leef ervan, dat ik de vogels verkoop, die ik heb gevangen.«
   
3. En Jezus sprak tot hem: »Wat denk je, als iemand die sterker en slimmer is dan jij, jou gevangen zou nemen en in boeien zou slaan of ook je vrouw of je kinderen en jouzelf in de gevangenis zou werpen, om je voor zijn eigen voordeel te verkopen en zijn levensonderhoud daarmee te verdienen?
   
4. Zijn dit niet jouw medeschepselen, alleen zwakker dan jij? En zorgt niet dezelfde God, Vader en Moeder, voor hen evenals voor jou? Laat deze jouw kleine broeders en zusters vrij en zie erop toe, dat je zoiets nooit meer doet, maar dat je eerlijk je brood verdient.«
   
5. En de man verbaasde zich over deze woorden en Zijn volmacht en liet de vogels vrij. Toen de vogels eruit kwamen, vlogen zij naar Jezus toe, gingen op Zijn schouders zitten en zongen voor Hem.
   
6. En de man vroeg verder naar Zijn leer, en hij ging zijns weegs en leerde het mandenvlechten. Door zijn werk verdiende hij zijn brood en brak zijn kooien en strikken af en werd een discipel van Jezus.

 

 

De Geest uit de boeken van Mozes
waait nu in de kerken.
  Parallellen met de bloedige magische ceremoniën
van de voodoo-tovenaars

     Jezus kwam, zoals Hij zei, om de wet Gods te vervullen. Hij deed het met Zijn leven en werken. En Hij leerde ons, hoe de wet van de hemelen in de afzonderlijke stappen in het dagelijkse leven door ons mensen te vervullen is; de belangrijkste overgeleverde getuigenis daarvan is Zijn Bergrede.
    Voordat we ons de vraag stellen, hoe het kwam, dat de ware christelijke weg, de weg van de navolging van Jezus, door vele zogenaamde christenen niet begaan werd, gaan we nog eens terug naar de boeken van Mozes. De daarin schriftelijk vastgelegde leren en aanwijzingen, evenals het religieus-maatschappelijke machtssysteem, werkten door tot aan het aardse leven van de Christus in Jezus, ofschoon God steeds weer Zijn boden, de profeten zond, om het volk te informeren en tot het ware geloof en leven te bewegen. De daaruit voortvloeiende verblinding en belasting van de mensen was een van de hoofdoorzaken, dat Jezus door Zijn tijdgenoten niet aan- en opgenomen werd en de weg via Golgotha moest gaan. En ook na zijn lijfelijke dood slopen er onder de eerste christenen al gauw tegenstrijdige stromingen binnen en zetten zich tenslotte door.
    Het nieuwe christendom, dat zich weliswaar naar Christus noemde, doch niet met Christus was, laat nu andere verschijnselen zien dan het religieus-maatschappelijke leven, dat in de boeken van Mozes beschreven is. Maar hoe staat het met de wortels? Deze brengen altijd vruchten voort van dezelfde soort, van dezelfde inhoud. En Jezus zei: »Aan hun vruchten zullen jullie hen herkennen«.

     Welke geest er in de ceremoniën waait, waarvan in de boeken van Mozes te lezen is, kunnen wij uit het volgende citaat uit het 3e boek Mozes, Leviticus, opmaken:
   
Wil hij een rund als offergave en brandoffer brengen, dan moet hij een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek en dat bij de ingang van de openbaringstent aanbieden; opdat de Heer het aanvaardt. Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen; dan zal de Heer het welwillend aannemen en hem zijn zonden vergeven. Hij moet dan de stier voor de Heer slachten, en de priesters uit de zonen van Aäron zullen het bloed offeren en het aan alle kanten tegen het altaar sprenkelen bij de ingang van de openbaringstent. Hij zal het offerdier villen en het in stukken snijden. De zonen van Aäron, de priesters, zullen het vuur maken op het altaar en er hout op stapelen. Op dit altaarvuur zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken vlees, de kop en het vet leggen. De priester moet dan de ingewanden en de poten van het dier wassen, en alles op het altaar verbranden. Een brandoffer is het, een vuuroffer als kalmerende geur voor de Heer.
    Wil hij een schaap of een geit als brandoffer brengen, dan moet hij een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek. Voor de tent van de Heer, aan de noordzijde van het altaar, moet hij het slachten, en de zonen van Aäron, de priesters, moeten het bloed aan alle kanten tegen het altaar sprenkelen. De priester moet het offerdier dan in stukken snijden en de stukken vlees, de kop en het vet op het brandende hout van het altaar leggen. Hij moet dan de ingewanden en de poten van het dier wassen, en de priester zal alles als offer voor de Heer op het altaar in rook laten opgaan. Een brandoffer is het, een vuuroffer als kalmerende geur voor de Heer.
   
Wanneer iemand de Heer een vogel als brandoffer wil aanbieden, dan kan hij daarvoor een tortelduif of een jonge duif nemen. De priester moet de vogel naar het altaar brengen, de kop eraf hakken en op het altaar in rook laten opgaan. Het bloed moet hij laten uitlekken langs de zijkant van het altaar. Hij zal de krop met de veren verwijderen en aan de oostzijde van het altaar werpen. Hij zal de vogel inscheuren bij de vleugels, zonder ze te splitsen, en hem offeren op het brandende hout van het altaar. Een brandoffer is het, een vuuroffer als kalmerende geur voor de Heer. (1, 3-17)

     »Als kalmerende geur voor de Heer«. Waarom moet men de Heer met deze zogenaamde "kalmerende geur", die beslist niet welriekend, integendeel eerder een stank was, kalmeren? Volgens de leer van Jezus is God liefde, verzoening, erbarmen en goedertierenheid, de evenwichtigheid in alle dingen. Waarom moet Hij dan gekalmeerd worden? Zoals bekend, werden zogenaamde wilde dieren - wij betitelen ze soms als verscheurende dieren - met vleesbrokken gekalmeerd of in een val gelokt. Dacht men, of wilde men de indruk wekken, dat God, de Absolute, Al-Eeuwige, te manipuleren zou zijn, zoals wij mensen het vaak zijn of zoals men voor heeft anderen te manipuleren? Zo’n poging getuigt van het van-God-verwijderd-zijn.
    God heeft geen zwakheden. Daarom is Hij ook niet te manipuleren.
    In het 3e boek Mozes, Leviticus, lezen we verder:
    Wanneer iemand de Heer een meeloffer wil aanbieden, moet hij daarvoor het fijnste meel nemen, er olijfolie aan toevoegen en er wierook opleggen. Dit alles zal hij brengen naar de zonen van Aäron, de priesters. Dan zal een van hen een handvol van het meel met de toegevoegde olie nemen en dat met de wierook op het altaar verbranden als vuuroffer, als kalmerende geur voor de Heer. De rest van de offergave, komt toe aan Aäron en zijn zonen; als iets hoogheiligs, dat deel uitmaakt van het brandoffer voor de Heer. (2, 1-3)
    De rest van het meeloffer, dat Aäron en zijn zonen toekwam, was beslist het beste deel. Is het vandaag de dag anders? De armsten eten nu nog de broodkruimels van de tafel van de rijken, waartoe ook de kerkelijke "hoogwaardigheidsbekleders" gerekend kunnen worden.
    Het "heilige", zelfs "allerheiligste", kwam de priesters toe. Had God deze, bijvoorbeeld door Mozes, aangesteld? Zij hebben zichzelf de waardigheid van "heilige" verleend, en ook nog erfelijk, zonder aanzien van de "waardigheid" van de persoon in kwestie.
    In Leviticus luidt het verder:
   
Wanneer iemand een dier uit zijn veestapel wil aanbieden voor de heilige offermaaltijd, dan moet hij daarvoor een mannelijk of een vrouwelijk rund nemen, zonder gebreken. Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen en het slachten bij de ingang van de openbaringstent. Dan moeten de zonen van Aäron, de priesters, het bloed rondom het altaar sprenkelen. Dan moet hij een deel van het offerdier de Heer als offergave aanbieden: het vet aan en rond de ingewanden, de beide nieren met het niervet bij de lendenen, en de vetkwab aan de lever, die hij met de nieren moet verwijderen. De zonen van Aäron moeten dit deel op het brandende hout van het altaar verbranden, samen met de brandoffers. Het is een brandoffer, als kalmerende geur voor de Heer.
   
Wil iemand de Heer inplaats van een rund een schaap of een geit aanbieden, dan moet het een mannelijk of een vrouwelijk dier zonder gebreken zijn. Biedt hij een schaap aan, dan moet hij het naar de tent van de Heer brengen. Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen en het daar voor de openbaringstent slachten. Dan moeten de zonen van Aäron het bloed rondom het altaar sprenkelen. Vervolgens moet hij alle vette delen van het dier de Heer als offergave aanbieden: de hele staart, afgesneden bij het staartbeen, het vet aan en rond de ingewanden, de beide nieren met het niervet bij de lendenen en de vetkwab aan de lever, die hij met de nieren moet verwijderen. De priester laat deze delen op het altaar in rook opgaan, als offergave voor de Heer. Biedt hij een geit aan, dan moet hij die brengen naar de tent van de Heer. Hij moet zijn hand op de kop van het offerdier leggen en het voor de openbaringstent slachten; dan moeten de zonen van Aäron het bloed rondom het altaar sprenkelen. (3, 1-13)
    Bij zulke en soortgelijke aanwijzingen voor bloedige ceremoniën met een magisch karakter denkt men onwillekeurig aan de voodoo-tovenarij. In de "Duden" (Duits woordenboek) staat onder voodoo-tovenarij het volgende: Uit Westafrika stammende, syncretistische, met katholieke elementen vermengde magisch-religieuze geheime cultus uit Haiti. In de encyclopedie van Meyers staat: Naam van een in Haiti wijdverbreide syncretistische geheime cultus, waarin extatische dansen, die tot indentificatie van cultusdeelnemers met Godheden moeten leiden, een overheersende functie innemen.
   
Als de voodoo-tovenarij met katholieke elementen is vermengd, dan heeft deze "verrijking" van de cultus beslist niet toevallig plaatsgevonden. Heerste hier eventueel de wet van de aantrekkingskracht van soortgenoten? Dan zou iedere betaler van kerkbelasting (in Dld.) eens na moeten denken, waarvoor hij kerkbelasting betaalt.

     In Leviticus lezen wij:
    De huid van de stier, al het vlees, de kop, de poten, de ingewanden met de maaginhoud, kortom alles, wat nog van het dier over is, moet hij buiten het tentenkamp brengen, naar een reine plaats, waar de as van de offers wordt gestort. Daar op de ashoop moet hij alles op een houtvuur verbranden. (4, 11-12)
    Hier wordt ons dus gezegd, wat een "reine plaats" is!

     Wie verder gruwelijke griezelverhalen van de donkerste heidense tradities wil lezen, kan zich het volgende voor de geest halen:
   
Aangenomen, iemand heeft zich aan het volgende schuldig gemaakt: hij heeft een luide vervloeking gehoord; hij geeft aan een oproep om te getuigen geen gevolg en weigert aan de rechter mee te delen wat hij gezien heeft of wat hij te weten is gekomen, dan zondigt hij en is hij schuldig.
    Wanneer iemand onbewust iets heeft aangeraakt dat onrein is, zoals bijvoorbeeld het kadaver van een wild, tam of kruipend dier, dan is hij onrein en is hij schuldig.
    Wanneer iemand iets van een mens heeft aangeraakt dat onrein is, wat het ook moge zijn, dan is hij schuldig, of hij het zich nu bewust is of niet.
    Wanneer iemand ondoordacht een eed uitspreekt, het doet er niet toe in welk verband, dan is hij hoe dan ook schuldig, of hij het zich nu bewust is of niet.
    In al deze gevallen heeft hij schuld op zich geladen. Hij moet zijn zonde belijden en als boetedoening voor zijn zonden de Heer een schaap of een geit, een vrouwelijk dier, als offergave aanbieden. Dan zal de priester alles weer in het reine brengen en hem bevrijden van zijn zonde.
   
Kan iemand geen schaap of geit betalen, dan moet hij de Heer als boetedoening voor zijn zonde twee tortelduiven of twee jonge duiven als offergave aanbieden; de ene duif dient als zoenoffer, de andere als brandoffer. Hij moet ze naar de priester brengen en deze moet de eerste als zoenoffer, aanbieden. Hij moet de kop van de nek scheiden, zonder de kop eraf te trekken. Van het bloed zal hij iets sprenkelen tegen de zijkant van het altaar en de rest laten uitlekken aan de voet van het altaar. (Leviticus 5, 1-9)

 

 

Jezus was tegen bloedvergieten
van welke aard dan ook

    Nooit zou Jezus bloed hebben vergoten of bloedvergieten hebben goedgekeurd. De zin allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen (Matth. 26, 52) heeft betrekking op misdrijven ten opzichte van de dierenwereld en de hele natuur, en het hoeft beslist niet het doden met het zwaard te zijn. Er zijn veel nuances van liefdeloosheid. Dieren ervaren zeer fijn, terwijl het gemoed van de mens vaak ruw en bot is.
    Niets en niemand kan ons "van een misdrijf verlossen", behalve onze Verlosser Christus, wiens kracht en licht der verlossing in ieder van ons intrek heeft genomen.Voorwaarde dat Hij in ons de verlossing van een schuld in onze ziel kan bewerken, is, dat wij ons liefdeloze voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen van harte berouwen, onze naaste, respectievelijk overnaaste (het dier of de natuur), tegen wie wij hebben gezondigd, in ons innerlijk om vergeving vragen, hem van onze kant vergeven, wat hij ons eventueel heeft aangedaan, het onrecht naar beste vermogen weer goedmaken, als dit nog mogelijk is, en hetgeen wij als slecht aan ons hebben erkend, niet meer doen. Dan pas vergeeft ons ook God, zoals wij het al sinds 2000 jaar in het onzevader bidden: vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven ...
   
Niet alleen een dierenoffer, maar alles, wat zichtbaar of onzichtbaar van ons uitgaat, aan kwaadaardigheid, geringschatting en minachting, aan wreedheid, maar ook gebrek aan begrip, te weinig consideratie of onverschilligheid, voegt aan onze bestaande schuld verdere toe. Dat geldt zowel voor de mensheid als voor ieder persoonlijk.
    Christus is tegen bloedvergieten van welke aard dan ook. Wanneer Christus, die zich aan de mensheid weer via profetenmond openbaart, over dierenoffers, maar ook over dierproeven en andere misdrijven van de wetenschap tegen Gods alwijze schepping spreekt, gebruikt hij vaak het woord "gruwel".
   
Wij mensen moeten de dieren, onze overnaasten, als onze kleine dierbroeders en -zusters zien - die, ofschoon zij tegenover God, de wet, niet schuldig werden zoals de valwezens -, mee in de diepte gingen, opdat wij mensen ons over het leven van de natuur verheugen en met haar in liefde zijn verbonden. De natuur wil de mensen dienen. Zij wil niet gekweld, gefolterd en vermoord worden en dan ook nog voor een kannibalenmaaltijd dienen.
   
De mens, in zijn innerlijk het wezen uit God, blijkt vaak een meedogenloos wezen van te zijn.

 

»... zal uitgeroeid worden«.
Afstomping van het geweten. Of: hoe men
de priestermacht horig wordt

    Ook verder spreekt de "god" uit de "boeken van Mozes" tegen de leer van Jezus en tegelijk tegen zijn eigen geboden. In Leviticus staat bijvoorbeeld:
    Wanneer iemand met iets ontreins in aanraking is gekomen, bijvoorbeeld met een mens of dier of iets anders dat onrein is, en hij eet toch van het vlees van dit heiloffer, dat voor de Heer wordt geofferd, dan wordt hij uit de gemeenschap gestoten. (7, 21)
    Het vet van een dier, dat een natuurlijke dood is gestorven of dat door een roofdier is verscheurd, mag overal voor gebruikt worden, maar beslist niet worden gegeten. Ieder, die toch het vet van een dier eet, dat men de Heer als offergave aanbiedt, moet uit de gemeenschap worden gestoten. (7, 24-25)
    Onder "uitgestoten worden" moeten we vermoedelijk de toentertijd gebruikelijke dood door steniging verstaan. De steniging was ten tijde van Jezus van Nazareth nog gebruikelijk. Denken wij slechts aan de vrouw die echtbreuk gepleegd had, die Jezus in de laatste minuut ervoor redde, gestenigd te worden. Ook Jezus zou een paar maal door aanwending van "de wetten van god door Mozes" door Zijn medemensen omgebracht moeten worden. "Hij echter schreed midden door de menigte en ging Zijns weegs."
    In het 3e boek Mozes, Leviticus, 11e hoofdstuk, is exact uiteengezet, welke dieren als rein en welke als onrein dienen te gelden. Daar staat, dat het genot van onrein vlees de onreinheid van de mens tot aan de avond van de dag tot gevolg zou hebben.
    Vandaag de dag eten ook mensen, die zich dierenvrienden noemen, niet zelden nog vlees. Zij realiseren zich blijkbaar niet, dat bijvoorbeeld de steak, die zij, reeds in gemakkelijke, braadklare stukken gesneden, soms al gekruid en al, bij de slager kopen, van een kalfje komt, dat een paar dagen geleden nog vredig en in harmonie in de wei graasde. Misschien liet het zich gewillig door de kinderen van degene, die nu in de slagerij kalfssteak koopt, strelen; de kinderen keken hem in de grote, donkere ogen met de lange wimpers en waren opgetogen. Wat dit diertje, dat niemand iets heeft aangedaan, allemaal heeft moeten lijden, voordat het in de vorm van een steak, leverworst of iets dergelijks in de winkel kwam - de schrik, de angst, de gruwel, de paniek, de pijn, de ontzetting -, dat realiseert zich zelden iemand.
    De dierenvrienden, wij mensen, houden huisdieren, die ons - vooral als zij zich goed gedragen, dus "gemakkelijk te verzorgen" zijn - blij maken. Ondanks dat werden er b.v. in 1990 gedurende de vakantietijd alleen al in Duitsland ongeveer een half miljoen dieren, hoofdzakelijk katten en honden, ergens in de natuur achtergelaten. Nu, 10 jaar later, zal dat aantal nauwelijks minder zijn. Is dat dierenliefde?
    Uit de goddelijke wereld werd ons o.a. geopenbaard:
    Wees ...serieus en rechtlijnig tegenover de overnaasten. Zij zien jou met hun zuivere gevoel als hun grote lichtbroeder of hun grote lichtzuster ...Hebt dus achting voor jullie dierbroeders en -zusters, want zij willen voor jullie echte vrienden zijn. Doe je best hen zo te behandelen, zoals jullie graag behandeld zouden worden. Dan zullen jullie hen snel leren begrijpen, en zij zullen met jullie in positieve communicatie staan. (Das Leben mit unseren Tiergeschwistern. Du, das Tier - Du, der Mensch. Wer hat höhere Werte? S. 114 ú Uit: Het leven met onze dierbroeders en -zusters. Jij, het dier - jij, de mens. Wie heeft hogere waarden? Blz. 114)
    Het gevoelsvermogen van de mens is afgestompt, zijn geweten slaat nog nauwelijks aan. Doch dat betreft niet alleen de mensen van nu.
    Het geweten is de bewaker in de mens over goed en kwaad, recht en onrecht. Is het intact, dan reageert het onafhankelijk van uiterlijke rechtsvoorstellingen, uiteindelijk naar de maatstaf van de Tien Geboden. Maar de gewoonten van de mens en de invloed door zijn omgeving beinvloeden en karakteriseren ook zijn geweten.
    Wanneer we hier over gruwelijke dierenoffers en van stenigingen van mensen lezen, dienen we er niet alleen aan te denken, hoe het de dieren te moede is geweest.
    Om ons te realiseren, wat er destijds wellicht in een mens omging, zouden we ons het volgende voor kunnen stellen: twee jongemannen uit het volk hadden een hazenbout gegeten. Zij hadden een haas gevangen hem gebraden en gegeten. Volgens hoofdstuk 10 en 11 in Leviticus waren zij nu onrein tot de avond, wat zij op de koop toe namen. Toen de vrienden echter - uit lichtzinnigheid en overmoed - de plaats betraden, waar zich de "heilige" offergaven bevonden, werd één van hen daarbij gezien en veroordeeld om gestenigd te worden. De andere werd niet ontdekt. De steniging werd voltrokken, want in Leviticus 22 staat:
    De Heer sprak tot Mozes: zeg tegen Aäron en zijn zonen, dat zij de heilige offergaven van de Israëlieten in acht nemen, om Mijn heilige naam niet te ontwijden. Ze moeten voor Mij heilig gehouden worden. Ik ben de Heer. Zeg hen: ieder van jullie nakomelingen, ook in de komende generaties, die in toestand van onreinheid de heilige offergaven aanraakt, die de Israëlieten aan de Heer wijden, moet uit Mijn aanwezigheid gebracht worden. Ik ben de Heer. (22, 1-3)
    Laten we ons eens verplaatsen in de toestand van de overlevende jongeman na de steniging van zijn vriend. Schuldgevoelens kwellen hem. Hij zet zich af tegen het oordeel en de harde straf, die eigenlijk ook hem had moeten treffen. Hij rebelleert tegen de priesters, die het oordeel hebben geveld, en moet toch beamen, dat zij ten uitvoer brachten, wat "god Mozes bevolen heeft". Dus richt zich zijn boosheid nu tegen God, die zulk een onbarmhartige wet heeft uitgevaardigd. Doch als hij zich realiseert, dat God voor "rechtvaardig" doorgaat, dat Hij de hoogste instantie is, die niet falen kan, komt de twijfel aan zichzelf. Hij heeft gezien, dat alle anderen kennelijk geen scrupules hebben om te stenigen, daaruit concludeert hij, dat er met zijn gevoel en rechtvaardigheidsgevoel iets niet kan kloppen, want zowel de door God aangestelde priesters alsook de gelovige broeders uit zijn stam voelen en denken anders dan hij. Hij besluit óm te denken, zich voortaan in alle dingen strikt op de priesters en de medemensen te oriënteren, inplaats van zelf te denken en vrij te beslissen. Hij zal van nu af aan de maatstaf voor zijn denken en handelen niet meer in zichzelf zoeken, zelfs ook dan, wanneer zijn hart anders spreekt, het zo doen als alle anderen, omdat "God het zo wil".
    Er voltrekt zich een aanpassingsproces. Het karakter van deze mens verandert. Hij leeft nu als het ware niet meer zichzelf. Zijn hart verkilt, zijn gevoel stompt af, zijn wezen wordt hard. Zijn Godsbeeld vervormt en verduistert zich. Hij kan deze straffende en boze god niet meer vertrouwen, laat staan Hem liefhebben. Zijn gebeden worden onoprecht, en tenslotte is hij blij, dat er voorgeformuleerde gebeden zijn, die men eenvoudig opzeggen kan ...
    Na enige tijd is de ompoling tot conformist, tot vazal, tot volgzame aanhanger van de priesters en de "traditie" voltrokken. Deze mens vertrouwt niet alleen zijn innerlijke maatstaf, zijn geweten, niet meer, maar denkt en handelt ten slotte gewoontegetrouw tegen beter weten in.
    Men kan nu van hem op aan - op zijn aanhangerschap, zijn loyaliteit, zijn gehoorzaamheid, zijn trouw aan de voorgegeven lijn.

    Zo ongeveer zou het toen geweest kunnen zijn. In ieder geval, principieel zou het zo geweest kunnen zijn. Het is daarentegen, praktisch gezien, onwaarschijnlijk, dat een mens volwassen heeft kunnen worden, zonder reeds van deze inhoud van de traditionele geloofsuitoefening, die bloedoffers van dieren en steniging van mensen inhoudt, doordrenkt te zijn en er vol mee te zitten.

    De zojuist geschetste innerlijke situatie van een mens heeft zich in de loop van de geschiedenis ontelbare malen in variaties herhaald. Komt zij ons niet ergens bekend voor?
    Denken wij b.v. aan de middeleeuwen in de Europesche cultuurkring, waar door de inquisitie vaak soortgelijke situaties en gewetensconflicten teweeggebracht werden. De priesters slachtten weliswaar de dieren niet meer zelf - zij lieten en laten slachten. Zij staken niet zelf de brandstapel aan, waarop rechtlijnige, oprechte mensen verbrand werden, die voor de ene, ware, barmhartige en goedertieren God opkwamen, die de waarheid is, en die zich tegen de leugen hadden verzet. De priesters stonden er "alleen" met geheven crucifix voor, "zegenden", hieven lofliederen aan ter ere van God en gaven vergeving van zonden en aflaat van de "zondestraf" aan hen, die het hout voor de brandstapel bij elkaar hadden gehaald ...

 

 

Offerceremoniën, "zoals de Heer het
aan Mozes had bevolen".
In het Oude Testament was de wet 
van oorzaak en gevolg bekend.
Jezus was tegen dierenoffers

     Terug naar de dierenoffers in het Oude Testament. Wie nog meer toverij in de stijl van voodoo wil lezen, kan in Leviticus meer ervaren:
   
Vervolgens liet hij de ene ram als brandoffer naar voren brengen. En Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. Mozes slachtte het en sprenkelde het bloed rondom het altaar. Hij sneed de ram in stukken, waste de ingewanden en de poten met water, en verbrandde de kop, de stukken vlees en het vet, kortom de hele ram op het altaar; het was een brandoffer, een offergave met een kalmerende geur, een vuuroffer voor de Heer, zoals de Heer het Mozes had bevolen.
   
Dan liet hij de andere ram naar voren brengen, bestemd als wijdingsoffer. En Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. Mozes slachtte het en deed wat bloed op de rechteroorlel van Aäron, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet. Toen liet hij de zonen van Aäron naar voren komen; ook bij hen deed hij bloed op de rechteroorlel, op de rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed goot Mozes aan alle kanten tegen het altaar.
   
Hij nam ook de vette delen van het offerdier: de staart, al het vet aan de ingewanden, de vetkwab aan de lever, de beide nieren met het niervet, en ook de rechterachterpoot. En uit de mand, die voor de tent van de Heer stond, nam hij een ongedesemd brood, dat met olijfolie was aangemaakt en een plat brood; dat hij op de vette delen en de rechterachterpoot legde. Dit alles legde hij in de handen van Aäron en zijn zonen, en liet het hen voor de Heer heen en weer zwaaien en zo aanbieden. Dan nam Mozes het weer uit hun handen en liet het op het altaar met het brandoffer in rook opgaan. Dat was het offer bij het benoemen van de priesters tot kalmerende geur, een vuuroffer voor de Heer. (8, 18-28)
   
Wie van zulke macabere scenes nog niet genoeg heeft, kan in Leviticus verder lezen:
    Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf, als offer voor zijn eigen zonde. Zijn zonen reikten hem het bloed aan en Aäron doopte er zijn vinger in en streek het op de vier hoeken van het altaar en goot het overige bloed uit aan de voet van het altaar. Het vet, de nieren en de vetkwab aan de lever verbrandde hij op het altaar, zoals de Heer het Mozes had bevolen. Het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp. Hierna slachtte hij het brandoffer; de zonen van Aäron reikten hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom het altaar. Ook de stukken vlees en de kop van het dier reikten zij hem aan, en Aäron verbrandde ze op het altaar. Hij waste de ingewanden en de poten en liet ook deze met het brandoffer op het altaar in rook opgaan. (9, 8-14)
   
Verder staat er:
    De vette delen van het rund en de ram, en wel de vette staart, de ingewanden, de nieren en de vetkwab aan de lever, legde hij bij het borststuk en liet ze op het altaar in rook opgaan. De borststukken en de rechterachterpoot zwaaide Aäron voor de Heer heen en weer en bood ze zo aan, zoals Mozes het bevolen had. (Leviticus, 9, 19-21)
   
»Zoals de Heer het Mozes bevolen had ...« En vandaag de dag? Men doopt zuigelingen, zogenaamd op bevel van Christus; men stelt priesters aan over de eenvoudige gelovigen, zogenaamd met de volmacht verleend door Jezus, de Christus; een "heilige vader" wordt uitverkozen en men beweert, dat Jezus zelf hem daartoe bestemd zou hebben; enz., enz., enz. ...
   
Jezus distantiëerde zich van de traditie van het offer. Hij citeerde tegenover de Farizeeën tweemaal de profeet Hosea: Barmhartigheid wil Ik, geen offer (Matth. 9, 13) door wie in het Oude Testament God gesproken had: Liefde wil ik, geen slachtoffers, Godsbesef inplaats van brandoffers. (Hos. 6, 6)

     In Dit is Mijn woord lezen we:
    8. ...»Ik Ben gekomen, om de offers en de bloedfeesten af te schaffen. Als jullie niet ophouden, vlees en bloed van dieren te offeren en te eten, zal de toorn van God niet aflaten over jullie te komen; zoals hij over jullie voorvaderen in de woestijn is gekomen, die het vleesgenot botvierden, vol verderf waren en wegteerden door plagen. (Deel 1, hoofdst. 21)
   
In deel 1, hoofdstuk 4 van deze grote Godsopenbaring staat: Want wie zijn leven in het zoon- en dochterschap van God plaatst, zal niet doden - mens noch dier.
   
Jezus sprak overduidelijk tégen de aanwijzingen in de "Boeken van Mozes". Hetzelfde sprak ook, zoals wij reeds hoorden, God door de profeet Jeremia.
   
In de uitspraken van Jezus, van de Christus Gods, vernemen wij, dat de naam van de profeet Mozes voor de gruwelijke heidense cultus gebruikt werd. In het boek Dit is Mijn woord staat, geopenbaard door Christus zelf:
   
»Ik Ben gekomen, om de offers en de bloedfeesten af te schaffen« betekent: Ik Ben gekomen om jullie het evangelie, de wet van de liefde te leren en het jullie voor te leven, opdat jullie inzien, dat alleen die mens in zijn innerlijk rijk is aan geestelijke kracht, die de wetten van God in acht neemt. Mensen, die innerlijke waarden bezitten, zal het aan niets ontbreken. Want wie in zijn hart rijk is, is mét zijn naaste en niet tegen hem - en daardoor voor God, het leven, dat overvloed is. Mensen met innerlijke waarden zijn ook met de dieren- en plantenwereld en niet tegen de schepping van God. Wie tegen zijn naaste is, zal tegen hem strijden en hem doden. En wie tegen zijn naaste is, is ook niet voor ander leven - noch dat van de dieren, noch dat van planten en stenen.
   
Wie tegen het leven in Mij, de Christus, is, hongert en dorst naar succes, rijkdom, macht en aanzien. Voor zijn feesten en eetpartijen doodt hij dieren en eet hun vlees. Daarmee laat hij zien, dat hij ver van God is.
   
Voor God, de Eeuwige, zijn ook dierenoffers een gruwel. Hij wil niet, dat Hem dieren geofferd of toegewijd worden. God heeft alle vormen van het Zijn, het leven gegeven, dus ook de dieren. Waartoe moeten zij Hem geofferd worden, terwijl toch Hij, het leven, zelf in hen woont?
   
Als de mens echter zijn menselijke ik, zijn hartstochten en begeerten Mij, de Christus, zou opofferen en een leven naar Gods wil, een godvruchtig, dus een aan God gewijd leven zou nastreven en leiden, zou dit tot eenheid van alle levensvormen bijdragen. God is de Geest van de liefde en de vrijheid! Daarom zou ieder mens vrijwillig zijn ik moeten offeren. Dan pas wordt hij zachtmoedig en van harte deemoedig en komt tot de grote eenheid: God. Deze ontwikkeling van de mens tot Hem, heeft God in Zijn kinderen lief.
   
En wie zich aan de eeuwige Vader-Moeder-God overgeeft, door zijn menselijke ik om te vormen tot het Goddelijke, zal geen dieren slachten, noch hun vlees eten en ook geen dier moedwillig doden. Zulke mensen zullen ook de plantenwereld met onbaatzuchtige liefde tegemoettreden, omdat ook zij een scheppingsgeschenk van God aan Zijn mensenkinderen is. De planten en de vruchten van het veld en het bos, schenken zichzelf bereidwillig aan de mens en willen hem tot voedsel dienen en tot geneesmiddel voor zijn zieke lichaam.

    De "toorn Gods" komt uit de voorstellingswereld van de heidenen, die in het oude verbond nog zeer levendig was: men meende, dat de "goden" wraak wilden nemen op de mensen. Het zou goed zijn, als de zondige mens zou inzien, dat hij de zogenaamde "toorn Gods" zelf heeft geschapen. De "toornige God" is het menselijke ik, dat wraak uitoefent op datgene, wat hij zelf heeft veroorzaakt, want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
   
Ook de woorden "oog om oog, tand om tand", werden en worden verkeerd begrepen. De mens moet zich niet op zijn naaste wreken en kwaad met kwaad vergelden. Hem is geboden zijn naaste te vergeven, hem om vergeving te vragen en hetzelfde of iets dergelijks niet meer te doen. Wie dit gebod niet navolgt, begeeft zichzelf in de wet van oorzaak en gevolg. Die luidt: "oog om oog, tand om tand". Dan zal hij oogsten - "oog om oog, tand om tand", wat hij gezaaid heeft. (Deel 1, hoofdst. 21)
   
De wet van zaad en oogst, die ons de oorzaken voor ons lot in onszelf laat zien, heeft God ook al door de oude profeten onderwezen. Bij Jesaja staat b.v.: Wee degenen, die de straffen als met rundertouwen aantrekken en de zonden als met wagentouwen. (Jes. 5, 18) In de (Duitse) eenheidsvertaling is in het Oude Testament in het Boek der Wijsheid te lezen: Zij zouden moeten inzien: men wordt met datgene gestraft, waarmee men zondigt. (11, 16) God straft niet en geeft ook geen aanwijzingen, die zondig zijn. Onze zonde is onze zelfgeschapen straf, ons persoonlijke gerecht.

    Jezus wilde dus de gruwelijkheden aan mensen en dieren opheffen. De huidige vertegenwoordigers van de kerkelijke institutie laten het echter toe, dat deze aan mensen en dieren verder worden toegepast, alleen met andere methoden, die echter heel wat wreder zijn. Daarmee bevestigen zij, wat hieromtrent geschiedt. De inzet van een paar mensen voor de belangen van de dieren is de uitzondering, die de regel bevestigt.

 

Het Nieuwe Testament "voltooit" 
het Oude en "verklaart" het.
Beide zijn "het ware woord van God".
De miljoenen offers van de kerk

    In de katechismus van de katholieke kerk, nr. 140, brengt de roomse clerus het volgende op papier: ...Het Oude Testament bereidt het Nieuwe voor, terwijl dit het Oude voltooit. Beide verduidelijken elkaar, beide zijn het ware woord Gods.
   
De dierenmishandeling gaat door, de slachthuizen blijven open. Vandaag de dag worden dieren geofferd, de dierkadavers in stukken gehakt en gesneden voor het welzijn van de "god"mensen, die hun gehemelte willen strelen.
   
Op gruwelijke en bestiale wijze werden er ook mensen gemarteld en ter dood gebracht. En wat gisteren was, kan vandaag weer gebeuren.
   
Hoe de voltooiing eruitziet van hetgeen in het Oude Testament werd voorbereid, laten de vruchten heel duidelijk zien, die de zogenaamde christelijke kerken in de vele eeuwen voortbrachten.
   
Enkele dagen geleden kreeg ik een brochure in de hand, een documentatie van het initiatief »Een gedenkteken voor de miljoenen offers van de kerk«. Daarin is het volgende te lezen:
    De miljoenen offers van de kerk:

Inquisitie: 13e - 18e eeuw, tussen 1 en 10 miljoen doden, evenals talloze gefolterden en geterroriseerden (Der Spiegel, 1.6.1998).

Kruistochten: 11e - 13e eeuw, wel 22 miljoen doden, daaronder duizenden Duitse joden (Hans Wollschläger, »Die bewaffneten Wallfahrten nach Jerusalem« ú De bewapende bedevaarten naar Jeruzalem)

Heidenen: 9e - 12e eeuw. Gedurende de middeleeuwen worden tienduizenden Germaanse en Slavische "heidenen" door Duitse koningen en vorsten met geweld tot het "christendom" bekeerd of op een gruwelijke manier afgeslacht. De kerk geeft haar zegen hierover en roept op tot "kruistochten" tegen het Slavische volk. (Karlheinz Deschner, »Kriminalgeschichte des Christentums«, Bände 4, 5 und 6 ú Criminaliteit van het christendom, band 4, 5 en 6)

Joden: Gedurende de middeleeuwen van de 11e - 14e eeuw steeds opnieuw bloedige razzia’s met duizenden doden, voorbereid door eeuwenlange kerkelijke ophitsing. Julius Streicher beroept zich bij de Nürnbergse processen ter rechtvaardiging van de Holocaust uitdrukkelijk op Martin Luthers ophitsingsredevoering tegen de joden (Friedrich Heer, »Gottes erste Liebe« ú Gods eerste liefde).

Verovering van Amerika: In de eerste 150 jaar na de verovering door de Spanjaarden »in naam van God« sterven 100 miljoen mensen - de "grootste volkerenmoord aller tijden" (Theoloog Boff, Publikforum, 31.5.1991).

Katharen, Waldenzen, Hussieten, Anabaptisten(wederdopers): duizenden andersdenkenden sterven op bevel van de kerk (ook de lutherse).

"Heksen": 16e - 18e eeuw - tussen 40.000 en een miljoen mensen, voor het merendeel vrouwen, sterven een gruwelijke dood, ongeveer de helft daarvan in Duitsland. Ook Luther laat heksen verbranden. De aanleiding daartoe, de "heksenhamer", stamt af van twee Duitse dominikaner-monniken (zie ook Hubertus Mynarek, "Die neue Inquisition" ú De nieuwe inquisitie)

    En hoe ziet het er nu uit? De wortels van het Oude Testament, overwegend de "Boeken Mozes", "verduidelijken" volgens de katholieke katechismus het Nieuwe Testament, dus onze tijd. In de genoemde brochure lezen we verder:

Volkerenmoord in Kroatië: nog in het midden van de 20e eeuw, tussen 1941 en 1943, werden in Kroatië ongeveer 750.000 orthodoxe Serviërs vermoord - onder toonaangevende deelname van katholieke geestelijken en met toestemming van het Vaticaan ... Het Vaticaan weet overal van, behandelt het bloedige regiem echter met duidelijk merkbare welwillendheid. De katholieke hiërarchie, met voorop de militaire vicaris en aardsbisschop Stepinac (in 1998 door de paus zalig verklaard), ondersteunt het fascistische regiem moreel. (Vergelijk hiertoe Deschner, "Ein Jahrhundert Heilsgeschichte", Band 2, 1983, S. 210ff., ú Een eeuw heilgeschiedenis, band 2, 1983, blz. 210 e.v.) evenals Vladimir Dedijer, "Jasenovac - das jugoslawische Auschwitz und der Vatikan", 1988 ú Jasenovac - het Joegoslavische Auschwitz en het Vaticaan)

Kindermisbruik door dominees en priesters: de slachtoffers van kindermisbruik lijden vaak jaren- of tientallen jaren lang psychisch onder deze vernederingen. Experts schatten, dat in de Verenigde Staten 2000 van de 51.000 katholieke priesters gedurende de afgelopen 20 jaar van seksueel misbruik werden beschuldigd (Hanauer Anzeiger, 13.7.1998 ú Nieuwsblad van Hanau 13.7.1998) Dat is ongeveer 4 procent - het niet officieel geregistreerde aantal nog niet meegerekend. Voor Duitsland schatte Prof. Hubertus Mynarek het aantal pedofiele priesters eveneens op 3 - 5 procent (Akte 97, 14.9.1999).

 

 

Martin Luther - Leven en leer
in de christelijke geest van de naastenliefde?

    De meeste van de zo-even genoemde moorden en andere misdrijven "in de naam van God" komen voor rekening van de katholieke kerk. Kan man daaruit afleiden, dat de evangelische kerk positiever te beoordelen zou zijn?
   
Hoe staat het b.v. met de menslievendheid, liberaliteit en tolerantie bij de grondlegger van hun religie Luther? Wat voor standpunt nam hij in ten opzichte van zijn medemensen en de naastenliefde, die het hoogste gebod moet zijn?
   
Een man als Martin Luther staat nu nog hoog in aanzien. Zijn kerk gaat in zijn voetsporen; dat bevestigde Hermann von Loewenich (tot 1999 evangelische landsbisschop van Beieren) in internet: wij willen het geschiedkundige erfgoed van de lutherse traditie bewaren als ons culturele en geestelijke vaderland.
   
Een evangelische theoloog vatte de eisen van Luther samen in een omvangrijke brochure - Der Theologe Nr. 3.
   
Luther riep de vorsten op om de opstandige boeren te doden: Steek, sla, wurg hier waar je kunt. Kom je er zelf bij om, dan heb je geluk, een zaliger dood kun je nooit meer krijgen. Want je sterft in gehoorzaamheid tegenover het goddelijke woord en bevel. (Wider die stürmenden Bauern, Weimarer Ausgabe der Lutherschriften ú Tegen de aanvallende boeren, Weimar-uitgave van de Luthergeschriften)
   
Luther gebiedt de vervolging van andersdenkende predikers: ... ook al wilden ze het reine evangelie leren, ja, al zouden zij zijn als de engelen en Gabriël van de hemelen ... Wil hij prediken, dan moet hij het beroep of het bevel bewijzen ... Wil hij niet, dan beveelt het gezag zulke knapen aan de juiste meester, die meester Hans (= beul) heet ...
   
Luther belastert de joodse bevolking en eist hun vervolging:
   
Als ik kon, zou ik hen (de joodse medeburgers) neerslaan en in mijn drift met het zwaard doorboren.
   
... dat men hun synagogen of scholen met vuur aansteke en wat niet branden wil, met aarde overdekke en bestrooie, zodat geen mens een steen of een sintel daarvan te zien krijgt, voor eeuwig. Dergelijke dingen moet men doen, om onze Heer en het christendom te eren, opdat God ziet, dat wij christenen zijn.
   
... dat men hun huizen evenzo kapot make en verniele ...
   
... deze deugnieten en plunderaars zijn geen genade en geen medelijden waard.
    ... dat men hen verbiede, bij ons ... openlijk God te loven, te danken, te bidden, te onderwijzen op straffe van verlies van lijf en leven ... (Martin Luther, Von den Juden und ihren Lügen, Wittenberg 1543 ú
Over de joden en hun leugens, Wittenberg 1543)
   
Luther: Het is zulk een vertwijfeld, door en door slecht, door en door vergiftigd, door en door verduiveld ding met deze joden, waar deze 1400 jaar onze plaag, pestilentie en alleen maar ongeluk zijn geweest en nog zijn. Alles bij elkaar, wij hebben echte duivels aan hen.
   
Luther beweert zelfs, dat Mozes, als hij nu zou leven, de eerste zou zijn, die de "jodenscholen en -huizen" zou aansteken.
   
Luther eist bovendien de joden hun hele religieuze literatuur af te nemen, hen onder huisarrest te plaatsen, hen al hun geld en goed te ontnemen en hen dwangarbeid te laten doen.
   
Luther roept ook op tot oorlog en tot het "vermoorden" van de Turkse oorlogstegenstanders: ...en blij de vuist heffen en met een gerust hart erop losslaan, vermoorden, roven en schade berokkenen zoveel ze maar willen ...
   
Luther eist de dood van "woekeraars": ...als men de straatrovers, moordenaars ...radbraakt en onthoofdt, hoeveel te meer zou men dan alle woekeraars moeten radbraken en aderlaten en alle gierigaards verjagen, vervloeken en onthoofden ...
   
Luther eist de dood van ontrouwe partners: waarom doodt men de echtbrekers niet? En de folterdood voor prostituees: als ik rechter was, zou ik zo’n Franse, giftige hoer laten radbraken en aderlaten.
   
Vrouwen met magische vermogens zouden volgens Luther gefolterd en gedood moeten worden: die tovenaressen moet je niet laten leven ... Het is een rechtvaardige wet, dat zij gedood worden. ...Als zij zich niet laten bekeren, zullen wij hen aan de folterknechten overgeven.
   
Luther over gehandicapte kinderen: wanneer men echter over kinderen spreekt, die op duivels lijken ... dan ben ik van mening ... dat zij of door de duivel mismaakt ... of echte duivels zijn. Veel van de gehandicapte mensen, die aan evangelische inrichtingen voor invaliden (b.v. in Neuendettelsau / Beieren) toevertrouwd waren, werden in de jaren 1940/41 uiteindelijk, door zich te beroepen op de staatsleer van Luther (gehoorzaamheid ten opzichte van de overheid), aan de autoriteiten van de staat overgeleverd. Dat zij omgebracht zouden worden, was de verantwoordelijken bekend.
   
Tenslotte wilde Luther de paus nog ombrengen: de paus is de duivel; zou ik de duivel kunnen om- brengen, waarom zou ik het niet doen?
   
Ook de lutherse kerk noemt zich "christelijk" Doch waar is de christelijke geest, de geest van de Gods- en naastenliefde, in hetgeen Luther bekend maakt? Zijn suggesties en grondregels werden vaak door het volk en door regerende vorsten - tot aan de machthebbers van het Derde Rijk toe - bloedig in de daad omgezet.
   
Van wie zulke bestiale en moorddadige bevelen tegen zijn medemensen geeft, die in een andere vorm tot in de huidige tijd reiken, is ook geen meelevend hart of barmhartigheid tegenover dieren te verwachten. Of het nu om oorlog gaat, om het vernietigen van veel mensen, dieren en landschappen, of het om dierproeven of genetische manipulatie gaat, de ethiek en moraal in beide confessies geeft nauwelijks verschillen aan; op z’n zachtst gezegd zijn beide kerken onchristelijk.

 

 

"Wat de mens anderen aandoet,
doet hij zichzelf aan."
  Hoe voelt het dier zich in zijn situatie?
Het dier, een gebruiks- en verbruiksvoorwerp

    Laten we nog eens in de getuigenissen van het Oude Testament kijken, waar in het 3e boek Mozes - dat uitdrukkelijk Gods ware woord moet zijn - ook aan de functionarissen van de huidige kerkelijke instituties instructies worden gegeven, welk dier zij dienen te eten en welk dier niet. Er staat:
    Alle dieren, die gespleten hoeven hebben, evenhoevig zijn en herkauwers, mogen jullie eten. (Leviticus 11, 3)

    En drie versen verder wordt een appel aan de jagers gedaan: jullie moeten voor onrein houden de haas, omdat hij weliswaar herkauwt, maar geen gespleten klauwen heeft. Jullie moeten voor onrein houden het wilde zwijn, omdat het weliswaar gespleten klauwen heeft en evenhoevig is, maar geen herkauwer. Jullie mogen van hun vlees niet eten en hun kadaver niet aanraken. Jullie moeten hen voor onrein houden. (11, 6)
    Als aanvulling op het vorige citaat staat in Leviticus 11, 26, 27:
    Alle dieren met gespleten hoeven, die echter niet evenhoevig zijn en niet herkauwen, moeten jullie voor onrein houden; ieder, die ze aanraakt, wordt onrein.
   
Alle viervoeters, die op poten lopen, moeten jullie voor onrein houden; ieder, die hun kadaver aanraakt, wordt onrein tot de avond ...
   
Wie tot de kerk behoort, zou zich aan de voorschriften van het Oude Testament moeten houden, want volgens de kerkelijke leer is dit het woord Gods. Zouden de gelovigen zich daaraan houden, dan hadden tenminste de hazen en de wilde zwijnen een kans, om er zonder hagel of kogel in het lijf af te komen.
    Ter rechtvaardiging van het jachtwezen wordt vaak aangevoerd, dat het noodzakelijk zou zijn, het bestand aan bepaalde diersoorten te "decimeren", omdat deze anders hand over hand zouden toenemen. De Godsgeest leerde ons echter: God heeft Zijn schepping, de natuur op deze aarde, zo ingericht, dat zij zelf voor de balans, voor het behoud van het evenwicht zorgt. God heeft deze opdracht niet aan de jagers gegeven!
    Tot de vissers en allen, die de zee afnemen wat van de zee is, richten zich de voorschriften "van God" door "Mozes" als volgt:
    Maar alles wat in zeeën of rivieren leeft, alle kleine waterdieren en alle levende wezens, die in het water leven en geen vinnen of schubben hebben, moet jullie een gruwel zijn. (Leviticus 11, 10)
    Wie dus zeedieren zoals zeekreeft en dergelijke eet, verontreinigt zichzelf. Iedere lezer kan nu bij zichzelf nagaan, of hij vandaag al "onrein" is geworden.
    Waar zullen zich wel al die geestelijken na dit aardse leven bevinden, die het Oude Testament in het Nieuwe Testament willen voleinden en aan mooi gedekte tafels zitten en van het kadaver van de haas, van het wilde zwijn en dergelijke eten of zeedieren eten, die geen vinnen en schubben hebben, en die dan, in onreine toestand, eventueel sacrale handelingen verrichten? Zij worden tegenwoordig wel niet meer wegens hun zondigen tegen het "heilige" en de Heilige, God, gestenigd, maar wordt niet volgens klerikale uitspraak het overgeleverde "woord Gods" nog steeds voor waar en geldig gehouden?
    Zouden er onreine "afschuwelijke " dieren bestaan, dan moest de terechte vraag luiden: waarom heeft God zulke dieren geschapen, als Hij de absolute reinheid is?
    Van dit alles sprak Jezus niet. Jezus had alle dieren lief. Hij deed niet alleen geen enkel dier kwaad, integendeel: Hij was de grote vriend van elk creatuur; Hij sprak en handelde voor de dieren.
    Veel mensen denken er daarentegen nauwelijks over na, als dieren gekweld en gedood worden. In »Dit is Mijn woord«, hoofdstuk 31, verklaarde Jezus, dat dieren voelen en ervaren, ongeveer hetzelfde als wij mensen:
   
Als Jezus van Nazareth sprak Ik tot veel mensen over de wet des levens, zo ook over de dieren, die evenals de mensen pijn, leed en vreugde voelen. Zoals de mens niet tegen, maar vóór zijn naaste dient te zijn, zo moet hij ook vóór de dieren zijn en jegens hen verantwoordelijkheid dragen, omdat zij de mens dienen.
    Steeds weer leerde Ik de mensen, dat ook de dieren schepselen van God zijn, die de mens niet moet minachten, maar liefhebben. Wie hen slaat en kwelt, zal eens aan zijn ziel en aan zijn lichaam hetzelfde of iets dergelijks ervaren. Want wat de mens zijn medemensen en medeschepselen, de dieren, aandoet, doet hij zichzelf aan.
   
Veel mensen herkenden hun eigen grofheden en begonnen Mijn leer te verwezenlijken. Zij berouwden en namen de dieren als hun vrienden aan. En menigeen verstond Mijn woorden en volgde Mij na. (Deel 2, hoofdst. 31)
   
Ik herhaal de woorden van Jezus, de Christus: »Wat de mens zijn medemensen en medeschepselen, de dieren, aandoet, doet hij zichzelf aan.« Laten we deze woorden van Hem eens nagaan en dat, wat de onschuldige dieren treft, eens op onszelf betrekken. Laten we ons in gedachten in hen verplaatsen en hun lot delen in gevoel, beeld en gedachte.
    Bijvoorbeeld zou u zich, in de plaats van een dier, de vraag kunnen stellen: zou u liever gedood of vermoord worden? Wie zich serieus met deze vraag of situatie inlaat, waarin hem gevraagd wordt, zijn leven door dood of door moord te laten, zal beslist geen keuze maken tussen dood en moord, want gedood of vermoord te worden betekent dan voor hem hetzelfde - het leven laten.
    En hoe zouden wij reageren, als iemand ons zou vangen, in een kooi op zou sluiten en over ons zou beslissen, wanneer wij af en toe de vrijheid mogen genieten?
    Stelt u zich voor, u bent in de situatie van een goudhamster, die van nature veel beweging nodig heeft. Ziet en voelt u zichzelf als het ware een paar weken in een nauwe ruimte opgesloten. Voor uw beweging heeft u alleen een looprad ter beschikking, dat zich onder uw voeten snel voortbeweegt, zodat u op dezelfde plaats loopt en loopt en loopt, zonder vooruit te komen. Hoelang vindt u dat leuk? Zo merkt u al gauw, hoe het de hamster vergaat, die dag voor dag stompzinnig in het nauwe rad moet lopen.
    Of leeft u zich eens in in de situatie van een rund in de meststal, waar u, opgesloten, in lijfelijk contact met lotgenoten, gedoped met mestvoer, dat met chemische stoffen is vermengd, weet, dat ieder ogenblik de slachter kan komen, die u afmaakt en uw lichaam in stukken hakt als offermaaltijd, bijvoorbeeld voor de corpulente geestelijkheid. U hoort uw broeders en zusters, de andere stieren en koeien, van tijd tot tijd dof loeien en merkt, dat zij dezelfde angsten hebben als uzelf. Doch het komende lot is onontkoombaar. U bent in de hand van de slachter mens, uitgeleverd aan zijn egoisme, ongevoeligheid en gulzigheid, ook aan zijn zucht naar profijt.
    Veel mensen gaan over lijken van mens en dier - als het hen niet persoonlijk treft. Daarom matigen mensen zich aan, in bepaalde gevallen mensen te mogen doden en nog vanzelfsprekender ook dieren. Wie heeft het recht, de naaste, maar ook het dier, bewust van het leven te beroven? Wie heeft de ziel van de mens geschapen, die onsterfelijk is? Wie heeft haar de adem gegeven? En wie heeft het dier de adem en daarmee het leven gegeven? Niet de mens, maar God, de Eeuwige, de Scheppergeest van de oneindigheid. God neemt mens noch dier het leven, want God is de gever. En God dwingt niet; Hij gebruikt nooit geweld; Hij beinvloedt ook niemand tegen zijn wil. Hij is de vrijheid en laat iedereen de vrijheid. Alleen de mens, die noch de ziel van de mens, noch het dier het leven heeft gegeven, doodt het huis van de ziel, het lichaam, en doodt het dier. Wie heeft dat de mensen veroorloofd? Jezus sprak daarvan niet!
    Wie onderscheid maakt tussen "doden" en "vermoorden", is naar mijn menig een paranoicus, die het leven van anderen niet waardeert, en volgens de alwet, die het leven is, derhalve zelf zijn leven verspeelt. Want: wat de mens anderen aandoet, doet hij zichzelf aan.
    Datzelfde geldt als dieren in kooien worden gehouden. God heeft voor de dieren de natuur als levensruimte voorzien, waarin zij zich overeenkomstig hun aard, vrij kunnen bewegen, zoals ook de geestelijke diervormen in het eeuwige Zijn het doen. Hij schiep geen kooien voor zijn schepselen. Alleen mensen matigen zich aan, dieren op te sluiten, zodat zij dicht opeengepakt, met moeite in leven proberen te blijven.

    Jezus, de Christus zei inhoudelijk: Alles, wat jullie dus van anderen verwachten, doet dat ook voor hen! (Matth. 7, 12). Die uitspraak van Jezus kunnen wij ook als volgt begrijpen: Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Geldt deze uitspraak alleen voor ons mensen of, met het oog op de liefde van Jezus voor de dieren, ook met betrekking tot hen?

    God gaf de mensen en de dieren de hele aarde - en daarmee de vrijheid. De mensen echter delen de aarde in percelen. Ieder probeert - legaal of illegaal - het grootste stuk te krijgen. Dat stuk land is dan "zijn bezit". Het is datgene wat "hem toebehoort" met alles wat erop en erin leeft. Doch wat wij ons op aarde toegeëigend hebben is een illusie, dus een dwaling, want de dood neemt ons af, wat wij van de aarde hebben genomen.
    Voor veel mensen zijn dieren slechts voorwerpen, die men kopen en verkopen kan, gebruiken of verbruiken - zoals waren in een warenhuis. Zij persen de dieren op elkaar in de wereld van hun voorstellingen, in de omheining, waarin ook zij proberen in leven te blijven.
    Wie geleerd heeft zich in mensen te verplaatsen, merkt, dat ook dieren voelen en ervaren, net zoals wij mensen. Zij ondergaan blijdschap, leed en pijn. Een oude indianenwijsheid zou ons kunnen helpen, ook dieren te leren begrijpen. Zij luidt: Beoordeel nooit een mens, voordat je niet minstens een halve maan lang zijn mocassins hebt gedragen. Met betrekking tot dieren kan worden gezegd: voordat je dieren gevangen houdt, hen voor jouw doeleinden misbruikt en kwelt, hen dus bepaalde beperkte levensomstandigheden oplegt - die niet overeenkomstig hun natuur zijn - probeer dat dan eerst eens bij jezelf. Laat je dus in het bovengenoemde looprad dwingen, en je voelt, wat de kleine overnaaste moet doormaken. Wie op een andere manier oog wil krijgen voor het lot van de dieren, zou zich in de rol van het mestkalf kunnen verplaatsen of in die van de kip in de kooi van een kippenfarm of in die van een robbenbaby, die heerlijk aan de oever in het zonnetje ligt en waar opeens mannen met de knuppel in de hand op afkomen, die hem de pels af willen stropen. Misschien kunt u zich ook voorstellen, wat de robbenmoeder voelt, als zij terugkomt van de visvangst en inplaats van haar kind een klomp rauw vlees aantreft ...

 

 

De tijdgeest-god.
"Voleinding" van het Oude Testament in onze tijd:
Seksuele vergrijpen aan kinderen door priesters.
In de voetsporen van de Nazarener of
in die van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders?

    Jezus, de Christus, is de waarheid. Hij zei: Ik en de Vader zijn één (Joh. 10, 30). Laten we nog eens over de volgende woorden van Jezus nadenken: Denkt niet, dat Ik gekomen zou zijn, om de wet en de profeten op te heffen. Ik Ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen (Matth. 5, 17). In veel gevallen vervulde Jezus niet, wat de "god" van het Oude Testament door de profeet Mozes voorschreef. Jezus relateerde zelden en slechts indirect aan de "god" uit de "boeken Mozes". Hij zei integendeel: Jullie hebben gehoord, dat er gezegd is ... Ik echter zeg jullie ... Of: Jullie hebben gehoord dat tot de ouderen gezegd werd ... Ik echter zeg jullie ... Wie oren heeft om te horen, die hore: Jezus noemde zelden de "god" in de "boeken Mozes".
    Jezus distantiëerde zich dus van die vervalste godsvoorstelling, van dat onjuiste godsbeeld. Hij sprak over "de Vader in de hemel", over Zijn Vader, over "God, jullie Vader". Hij sprak uit de waarheid, die de eeuwige realiteit, de wet van de hemelen, is.
    Zo menigeen zou nu kunnen tegenwerpen, dat hetgeen God toentertijd tegen de mensen heeft gezegd, voor de toenmalige mensen gold; nu zou dat niet meer gelden, nu zou het heel anders zijn. De vraag is: waren de mensen toen slechter, hadden zij dus een miserabeler karakter dan de huidige mensheid? Wij hoeven wat dat betreft zeker niet na te vorsen, hoe de mensen toen wel waren. Iedereen, die nog een vonkje geweten heeft, weet zonder analyse en op grond van de feiten op blz. 32 ????   Millionen Opfer der Kirche   !!! e.v., dat de huidige mensheid veel en veel erger is dan de mensen van toen. Dat dit ook geldt ten aanzien van hun instelling ten opzichte van hun natuurbroeders en -zusters, de dieren, in de natuur, in de laboratoria van de wetenschap enz., bewijst het lot van de dieren.

     Velen zijn van mening, dat zij in-God-gelovende mensen zijn. Juist degenen, die hun geloof in God in kerken en op staatsontvangsten ten toon stellen, verheffen zich steeds meer boven God, zij dulden niet alleen, maar bepleiten, dat op levende dieren de gruwelijkste en brutaalste proeven gedaan worden, die de praktijken in de "boeken Mozes" in de schaduw stellen. De roomse clerus spreekt natuurlijk niet over de schaduwzijde. Hij verkondigt: ...»Het Oude Testament bereidt het Nieuwe voor, terwijl dit het Oude voltooit. Beide verduidelijken elkaar« ... Zijn b.v. de brandstapels in de middeleeuwen als verduidelijking van het Oude Testament in het Nieuwe te beschouwen - en werpt, omgekeerd, het bloeddorstige gebeuren in de middeleeuwen en de drastische verandering, die de leer van Jezus, de Christus, in de loop van de afgelopen 2000 jaar heeft ondergaan, een "verduidelijkend" licht op datgene, wat met Gods woord en boodschap in het Oude Testament geschiedde? Het zou de moeite waard zijn, deze vraag eens na te gaan ... Wat voor krachten, ook machten genoemd, zouden dat wel kunnen zijn? Als God het niet zijn kan, - want Hij is de Wet, en deze wet is liefde, goedheid, vrede en welzijn voor allen en alles -, wie is het dan?
    Zo-even lees ik, hoe het Oude Testament in het Nieuwe de voleinding vindt, alleen met andere kenmerken, die op de huidige tijd van toepassing zijn. Het gaat om een verslag van een televisie-uitzending, die op 2.9.1999 in het "Auslandsjournal" van de ZDF, onder de titel "kindermishandeling in Ierland" werd uitgezonden. Dit wordt hier verkort weergegeven:
   
Een schandaal schokt Ierland. In het middelpunt staat de katholieke kerk, de zuil van de Ierse gemeenschap. Gedurende vele jaren heeft de staat kinderen toevertrouwd aan een katholieke orde. Nu is de ontsteltenis groot op het eiland, want een documentaire laat zien, wat eerst niemand wilde geloven: inplaats van zorg misbruik, inplaats van liefde geweld. Niet enkele - honderden kinderen hebben onder de hoede van de kerk klaarblijkelijk de hel op aarde beleefd. Nu wordt het kartel van het zwijgen gebroken; de waarheid, zij komt toch aan het licht.
   
De staat plaatst John Prior op de leeftijd van drie jaar in een opvoedingsgesticht, omdat de ouders zogenaamd hun zorgplicht verzuimen. Het huis wordt geleid door de katholieke orde van de Christian Brothers. Bij hen dienen de kinderen in het geloof in God opgevoed te worden.
    John, momenteel 54 jaar, bericht, dat hij zeven jaar lang door twee ordebroeders en een katholieke priester seksueel misbruikt werd.
   
Het ergste pak slaag, dat ik ooit heb gehad, was, toen ik de ziekenzuster vertelde, dat ik door een broeder seksueel misbruikt werd. Ik was 91 of tien jaar. Zij heeft mij eerst geslagen en het toen tegen de broeder verteld. Die heeft mij weggebracht, en toen hebben mij twee broeders geslagen en geslagen en geslagen. Ik had overal wonden ...

    Wij hadden gemeenschappelijke douches; daar moesten 20 jongens in. De broeder (ordebroeder) heeft zich uitgekleed ... en hij heeft een paar jongens voor de ogen van de anderen misbruikt en hen gedwongen elkaar vast te pakken. Hij heeft mij een keer verkracht, heeft mij over zijn bed gegooid en mij genomen, mij opengescheurd. Ik heb zo erg gebloed, dat de ziekenzuster jodium gebruikte, en ik schreeuwde van de pijn.
   
In maart 1998 hebben de ordebroeders zich officieel voor het kindermisbruik in de internaten verontschuldigd en samen met andere orden een hulptelefoon voor de slachtoffers ingericht. Er kwamen meer dan 8000 telefoontjes, en de kerk heeft 600 slachtoffers aan therapeuten doorverwezen.
    1999: Een documentaire klaagt de staat aan en toont aan, dat de instanties al tientallen jaren lang wisten van het kindermisbruik in de kerkelijke scholen en ze ondanks dat verder gefinancierd hebben. Vervolgens richt de regering een onderzoekscommissie op, belooft wetsveranderingen en stelt 10 miljoen Mark voor de therapie van de slachtoffers ter beschikking.
   
John is nu in therapeutische behandeling. Hij heeft angsttoestanden, kan niet slapen, vertrouwt niemand. Bijna alle relaties zijn mislukt en beroepsmatig heeft hij nooit iets bereikt. Therapeut: John lijdt ononderbroken; hij heeft minderwaardigheidscomplexen, voelt zich nutteloos; hij heeft geen zelfvertrouwen ...
   
John is niet het enige geval. Duizenden kinderen werden in Ierland aan de zorg van katholieke opvoedingsgestichten toevertrouwd ... John bericht over het lot van zijn beste vriend, Jozef:
   
Hij had een lange leren riem en heeft Jozef daarmee op beide schouders en het hoofd geslagen. Jozef is van zijn stoel gevallen, en de broeder heeft op elk deel van zijn lichaam ingeslagen, en toen heeft hij hem geschopt, met van die zware legerlaarzen, die de broeders bij het werk op het land droegen. En hij heeft hem geschopt en geschopt en geschopt, tot Jozef zich niet meer kon bewegen. Jozef had het bewustzijn verloren en werd naar het ziekenhuis gebracht. Daar is hij gestorven. Het was algemeen bekend. Hier zeggen ze, het was leukemie; maar hij is niet aan leukemie gestorven.
   
Moderator: sindsdien gelooft John niet meer in God.
   
Dit bericht spreekt voor zichzelf ...

     In de voor enige tijd verschenen uitgave van "Kirche intern" (Oostenrijk) was onder het opschrift "Seksueel misbruik. Klooster-therapie" te lezen:
   
Steeds meer raken priesters en ordemensen onder verdenking, bij delicten van seksueel misbruik betrokken te zijn. Reden genoeg voor de abt van het internaat G., J.A., actief te worden. Nog dit jaar wil hij in het klooster P. een psychiatrisch centrum voor geestelijken, ordebroeders en pastorale medewerkers inrichten.
   
Het zou raadzaam kunnen zijn na te lezen, wat de "god van Mozes" daarover en over dergelijke dingen zegt. Zou deze oude "wet", die nu werkelijk een lange traditie heeft en als deel van de "Heilige Schrift" door de kerk gewaardeerd wordt, vandaag de dag aangewend worden, dan zouden er heel snel ettelijke mensen minder zijn.

    De huidige mens vergrijpt zich niet slechts aan de enkeling, aan mens en dier, maar het is een globale strategie tegen mensen en dieren. Hij is zelfs van mening, dat hij Gods schepping zou moet verbeteren. De wreedaardige heersers-mens grijpt op veelvuldige en brutaalste wijze in het leven van de dieren in - ook de planten- en mineraalwereld verschoont hij niet -, en anderen, de grote massa, laat, doof en blind, tengevolge van hun egoisme en doffe onverschilligheid, de gemartelde schepselen zonder protest aan hun lot over. Hetzelfde gaat de mens ook met zijnsgelijke om.
    De huidige priesterkaste heeft zich eveneens zijn eigen god uitgedacht als die in de tijd van Mozes. Alleen stemt de huidige "god" niet overeen met het Oude Testament, noch met de leer van Jezus. De kerkelijke ambtsdragers pasten te allen tijde hun god of hun goden aan "de tijd" - zeg: hun eigen voorstellingen van dat moment, aan hun behoeften en doeleinden - aan. De ware God daarentegen is niet de kerkelijke tijdgeest-god, maar de onveranderlijke, die Jezus ons geleerd heeft. De kerkelijke tijdgeest-god is niet constant en niet betrouwbaar. Hier helpt het ook niet, dat men de stabiliteit door absoluut geformuleerde uitspraken wil voorspiegelen. De onwaarheid is nu eenmaal niet van eeuwige duur, ook al kan men de scheuren en gaten in de ketel van de onwaarheid met de pleister "dat zijn de geheimen van God" een tijdlang provisorisch repareren. Het licht der waarheid brengt alles aan het licht.
    Waarom houden de kerkelijke ambtsdragers zich niet aan hun eigen uitspraken? Zouden zij het Oude Testament in het Nieuwe met alle details tot voleinding laten komen, dan waren zij de eersten, die door de "god" uit de "boeken Mozes" gedood zouden worden.

    De huidige mensen - vooral de kerkelijke gelovigen - gaan in de voetsporen van de kerkelijke overheid, die een veranderlijke, dus met de tijd meegaande, zich als het ware aan deze tijd en aan de tijdgeest ondergeschiktmakende "god" verkondigen, opdat hun nek niet in de strop van het Oude Testament geraakt, die hen de "god" uit de "boeken Mozes" allang om de nek geslagen en aangetrokken zou hebben. Zij hebben dus hun tijdgeest nodig, die zij "god" noemen.
    Flexibel past deze zich aan de momenteel voor de heersers belangrijkste voorwaarden aan, opdat men zo mogelijk weinig moeilijkheden heeft, hem de gelovigen zo te presenteren, dat deze in hun lethargie, egoisme en genotzucht niet teveel worden gestoord. Dan blijven zij graag in de schoot van deze aangename kerk, die hen zo menige gewetensbeslissing afneemt en hen het alibi franco huis verschaft voor monsterachtigheden van allerlei aard.
    De ware Eeuwige is de Absolute. Hij is de alwijze heelal-wet, die liefde is. Ik herhaal: God, de liefde straft en kastijdt niet, Hij verdoemt, doodt en moordt niet. God zal ook geen mensen, noch dieren aan mensen overleveren. Dat dit zo is, leerde ons Jezus. Hij leefde de wet van Zijn Vader en is een voorbeeld voor ons.
    Leren we de diepte van Zijn leer en de uitspraak: volgt mij na! (Matth. 4, 19) te begrijpen, dan weten we, waarom Jezus ons nadrukkelijk op het hart drukte, in Zijn voetsporen te gaan. Wilde Jezus ons daarmee o.a. zeggen, dat wij niet in de voetsporen van de priesterkaste moeten gaan, die een tijdgeest leren, dus een tijdgeest-god, die de mensen onvermijdelijk in het verderf stort, wat ons onze huidige tijd, onze wereld, aantoont? Ook de ziener van Patmos heeft dit gezien, want er staat in de openbaring van Johannes: Gaat weg van hen, mijn volk, opdat jullie geen deel hebben aan hun zonden en niets ontvangen van hun plagen. (18, 4)

    Nog eens zij duidelijk en niet mis te verstaan gezegd: Jezus sprakt tegen het brute en bestiale afmaken van dieren en tegen het doden en vermoorden van mensen. Wij zouden onszelf zolang vragen moeten stellen, tot we de verlichting ontvangen en diep in onszelf inzien, waarom Jezus een andere God verkondigde dan de "god in de boeken Mozes" en van de huidige kerkelijke overheid. Of wij geloven aan meerdere goden van verschillende kwaliteit; in dat geval is dat de filosofie van de enkeling, die daarvoor geen kerkelijke instantie nodig heeft; behalve als hij daaromtrent weinig fantasie heeft, dan is hij als "religieus" lid van de kerk op de juiste plaats. Zou de ene God echter veranderlijk zijn, wee dan de mensen, die zich van de heidense cultus-staatskerk hebben afgewend.
    Men wege dus wijs af, en bedenke alles goed! God heeft de mensen niet alleen een hart gegeven - op wiens ingevingen men zich, ten gevolge van gewetensverlies, vaak niet meer zo goed kan verlaten -, maar ook een verstand. Het is aan te bevelen, dit te gebruiken en het misschien lang ongebruikte vermogen tot zelfstandig denken weer te wekken.
    Om zelf duidelijkheid te krijgen, is het een goed middel, zichzelf - of ook God in een innig gebed - vragen te stellen. Want: wie eerlijk vraagt, kan geleid worden.
    Na 2000 jaar wordt het tijd, dat de mens, die in Jezus gelooft en Hem wil navolgen, de beslissing neemt: ofwel in de voetsporen te gaan van Jezus, de Christus, dus zijn leer in praktijk te brengen - of in de voetsporen van de huidige kerkelijke overheid die niet onderdoet voor de priesterkaste uit de tijd van Mozes.

 

 

"Doden" of "moorden"?
Jezus vervulde de wet en verdiepte de leer

    Ofschoon het de tegenspeler van God gelukt was, het woord Gods door de profeet Mozes grondig te vervalsen, bleef de woordelijke inhoud van de Tien Geboden, die een uittreksel zijn uit de eeuwige, Absolute Wet van de hemelen, daarvan tot in onze tijd grotendeels verschoond.
    Het vijfde gebod luidde en luidt evenals toen: Je zult niet doden.
    Echter: in de eenheidsvertaling van de Neuen Jerusalemer Bibel uit het jaar 1985, staat in de rij van de geboden Gods op deze plaats reeds: Je zult niet moorden. Deze nieuwe formulering is zonder twijfel aan de god van de tijdgeest, de tijdgeest-god, toe te schrijven. Zij stelt een afzwakking van de veelomvattende uitspraak "je zult niet doden" voor. Jezus daarentegen zei in Zijn Bergrede zelfs: Jullie hebben gehoord, dat tot de ouderen is gezegd: je zult niet doden; wie echter iemand doodt, zal het gerecht ten prooi vallen. Ik echter zeg jullie: ieder, die ook maar boos is op zijn broeder, zal aan het gerecht worden overgeleverd; en wie tot zijn broeder zegt, jij domkop, zal aan het vonnis van de hoge raad overgeleverd worden; wie echter tot hem zegt: jij (goddeloze) nar, zal aan het vuur van de hel ten prooi vallen. (Matth. 5, 21-22)
    Jezus heeft dus niet de absolute uitspraak "je zult niet doden" afgezwakt en haar betekenis op speciale op zichzelf staande gevallen beperkt - integendeel. Jezus heeft ze verdiept. Hij heeft geleerd, dat niet alleen in de voltrokken daad van het doden het tegen-de-naaste-zijn ligt, maar reeds in kwetsende of afwijzende woorden, samen met de daarin liggende gevoelens en gewaarwordingen. Hij maakte ons er daarmee op attent, dat al ieder klein gevoel van onderwaardering van een naaste, eventueel ook t.o.v. de dieren onze overnaasten, voor God zonde is. Jezus sommeerde ons als het ware, ons geweten te sensibiliseren.
    En: Jezus sprak uitdrukkelijk van "doden" en niet van "moorden".

    Jeremia had het volk reeds op de vervalsingen "van de schrift" opmerkzaam gemaakt. In Jeremia 8, 8 sprak hij van de "leugengriffel van de schrijvers", die de wet van de Heer "tot leugen hebben gemaakt".
    Wiens "leugengriffel" heeft nu opnieuw het woord Gods door Mozes vervalst? Wie dienen degenen, die zoiets doen? Wat moet er met de uitspraak "je zult niet moorden" gerechtvaardigd worden? Moet zij ertoe dienen, het geweten van de mensen verder te sussen, opdat het niet meer aanslaat als er onrecht geschiedt?
    De ongeest van het Oude Testament bereidde voor - zeg: hij gaf de methode aan -, in het Nieuwe Testament zet het zich succesvol doorgevoerde methodisch, plan- en doelbewust voort tot nu toe. Onder de ogen van vele miljoenen intellectuele mensen wordt - simsalabim - uit wit nu zwart. Zijn dat de "wonderen" van tegenwoordig?
    Wie de kloof tussen de verschillende uitspraken - doden en moorden - niets kan schelen, zit op twee stoelen en probeert twee heren te dienen, de geest van de wrede "god" in de "boeken Mozes" en daarmee de kerkelijke instituties - en een beetje Jezus, de Christus, die de God van de barmhartige liefde onderwees.
    Jezus zei met woorden van de volgende strekking: Mijn Vader en Ik zijn één. Waar er twee één zijn, spreken zij dezelfde taal. Wie oren heeft om te horen, die hore!
    Hoe leerde Jezus het in Zijn Bergrede? Wie ook maar boos is op zijn naaste, zal aan het gerecht worden overgeleverd. En: wie "domkop" zegt, zal aan het vonnis van de hoge raad overgeleverd worden. Wie oren heeft om te horen, die hore! En wie een geweten heeft, zal Jezus, de Christus navolgen en naleven, hetgeen in de Johannes-openbaring staat, dat ik hier herhaal: Gaat weg van hen, mijn volk, opdat jullie geen deel hebben aan hun zonden en niets ontvangen van hun plagen. (Openb. 18, 4)

 

 

Richtlijnen voor geweld en oorlog in het
Oude Testament - Jezus: »Heb je vijanden lief«.
Jezus berispt de huichelarij van de
schriftgeleerden en Farizeeën

    Jezus droeg niet bij aan de ondermijning van ons geweten. Hij sommeerde ons ook niet, het met listen en trucjes, met spitsvondige formuleringen te sussen en tot zwijgen te brengen. Dat doet alleen degene, die tegen God is en werkt en die reeds het woord Gods door Mozes in het tegendeel heeft veranderd. Hiervan nog een voorbeeld:
    In het 2e boek Mozes, Exodus (Einheitsübersetzung) staat: Wie een mens zodanig slaat, dat hij sterft, wordt met de dood bestraft (Exodus 21, 12). Wie zijn vader of zijn moeder slaat, wordt met de dood bestraft. Wie een mens rooft, onverschillig, of hij hem verkocht heeft of dat hij zich nog in zijn macht bevindt, wordt met de dood bestraft. (21, 15-17)
    In Exodus 21, 24 staat verder: Oog om oog, tand om tand, hand voor hand, voet voor voet, brandmerk voor brandmerk, wonde voor wonde, striem voor striem.
   
En dat werd vaak genoeg letterlijk genomen en diende als legitimatie voor allerlei wraakacties.
    Jezus sprak daar in de Bergrede niet over. Daar staat: Jullie hebben gehoord, dat er is gezegd: oog om oog en tand om tand. Ik echter zeg jullie: biedt geen weerstand aan degene, die jullie kwaad doet, maar als iemand je op de rechterwang slaat, houd hem dan ook de andere voor. En als iemand je voor het gerecht wil brengen, om je het hemd af te nemen, geef hem dan ook je mantel. En als iemand je wil dwingen een mijl met hem te lopen, loop er dan twee met hem. Wie iets aan je vraagt, geef het hem, en wie iets van je wil lenen, wijs hem niet af. (Matth. 5, 38-42)
    Bij Jezus lezen wij dus heel andere woorden dan van de "god" uit de "boeken Mozes". Wie een oprechte christen wil zijn, zou een besluit moeten nemen: ofwel vóór God door Jezus, de Christus, of voor de god van de kerkelijke instituties, want men kan geen twee heren dienen. Ooit brengt ons de verkeerde god ten val. Onze onverschillige, onbarmhartige maatschappij is daarvoor het beste bewijs.

    In het vijfde boek Mozes, Deuteronomium, is er o.a. sprake van vergelding:
    En laat geen medelijden in je opstijgen, leven voor leven, oog om oog, tand om tand, hand voor hand, voet voor voet. (19, 21)
    De oorlog en de strijders. Als je ten strijde trekt tegen je vijanden, raak dan niet onder de indruk van hun ruiterij en strijdwagens en van hun overwicht aan manschappen, dan moet je niet bang voor hen zijn; want de Heer, je God, die je uit Egypte heeft weggehaald, is bij je.
    Voor het begin van de strijd, moet de priester naar voren treden en het krijgsvolk als volgt toespreken: Israël, luister! Jullie trekken vandaag ten strijde tegen jullie vijanden. Verliest de moed niet! Weest niet bang, raakt niet in paniek en wijkt niet geschrokken terug, als zij aanvallen. Want de Heer, jullie God trekt met jullie mee, om voor jullie tegen jullie vijanden te strijden en jullie te redden.
(20, 1-4)
    Als was sindsdien niet Jezus, de Christus, op aarde geweest, doet men het tegenwoordig hetzelfde: de priesters van tegenwoordig zegenen de oorlogen en de wapens, omdat ze denken, dat de door hen gezegenden God aan hun zijde hebben, tegen de "vijand".
    In hetzelfde boek Mozes heet het verder:
    De verovering van de steden. Als je een stad wilt aanvallen, bied dan eerst vredesvoorwaarden aan. Neemt zij de vredesvoorwaarden aan en opent je de poorten, dan moet de hele bevolking arbeidsdienst verrichten en je onderdanig zijn. Verwerpt zij het vredesaanbod en verkiest zij de strijd, dan mag je de stad belegeren. Levert de Heer, je God, de stad aan je uit, dan moet je alle mannelijke personen met een scherp zwaard doodslaan. De vrouwen echter, de kinderen en grijsaards, het vee en alles wat zich nog meer in de stad bevindt, alles wat er te plunderen valt, mag je als buit nemen. Wat je bij je vijanden geplunderd hebt, mag je gebruiken, want de Heer, je God, heeft het je geschonken.
   
Zo doe je het met alle steden, die ver weg liggen en niet tot de steden van dit volk behoren. Uit de steden van dit volk echter, dat de Heer, je God, je als erfelijk bezit geeft, mag je niets, wat adem heeft, in leven laten. (20, 10-16)
    In de middeleeuwen waadden de kruisridders in het bloed van degenen, die zij in naam van het kruis hadden overwonnen. Tussen 1941 en 1943 in Kroatië was het niet veel anders. De kerk maakt waar: het Oude Testament "verduidelijkt" het Nieuwe Testament - doch niet met het licht Gods, waarvan Christus verkondigde en tegenwoordig weer verkondigt!
    God is de vrede. Christus kwam in Jezus, om alle mensen de vrede te brengen. Hij zal - in de Geest - terugkomen als de vredevorst, dat is zeker.
    Jezus sprak in Zijn Bergrede van de liefde tot de vijand. Bij Mattheus staat:
    Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: je zult je naaste liefhebben en je vijand haten. Ik echter zeg jullie: hebt je vijanden lief en bidt voor hen die jullie vervolgen, opdat jullie zonen worden van jullie Vader in de hemel; want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Als jullie namelijk alleen diegenen liefhebben, die jullie liefhebben, welk loon kunnen jullie daarvoor verwachten? Doen dat niet ook de tollenaars? En als jullie alleen jullie broeders groeten, wat voor buitengewoons doen jullie daarmee? Doen dat niet ook de heidenen?
    Jullie moeten dus volmaakt zijn, zoals het ook jullie hemelse Vader is.
(Matth. 5, 43-48)

     Weer zien we: Jezus zei: Jullie hebben gehoord ... Hij zei niet "jullie hebben van God door Mozes gehoord"; Hij zei ook niet "jullie hebben van de profeet Mozes gehoord". Hij zei: "Jullie hebben gehoord ... "
   
Jezus sprak over de liefde van God en over verzoening - de zogenaamde "god" door Mozes over vernielen, plunderen en doden.
    In Leviticus, 3e boek Mozes, staat in de samenvatting:
    Vervolgen jullie je vijanden, dan zullen zij voor jullie ogen door het zwaard neergeslagen worden. Vijf van jullie zullen er honderd vervolgen, honderd van jullie zullen er tienduizend vervolgen en jullie vijanden zullen voor jullie ogen door het zwaard verslagen worden. Ik zal jullie met Mijn zorgen omringen, maakt jullie vruchtbaar en talrijk en houdt Mijn verbond met jullie in stand. (26, 7-9)
    Jezus echter zei: Allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen." (Matth. 26, 52)
    Mozes zou op bevel van God priesters hebben gewijd. De wijding begon met de gebruikelijke slachtceremonie van een ram. Jezus heeft ook met betrekking tot de priesters juist het tegendeel geleerd. In het Mattheus-evangelie sprak Hij duidelijke woorden: Jullie echter zullen jezelf geen rabbi laten noemen; want slechts één is jullie Meester, jullie echter zijn allen broeders van elkaar. (23, 8)
    In Mattheus 23 berispte Jezus de huichelarij van de schriftgeleerden en Farizeeën:
   
Daarop wendde Jezus zich tot het volk en tot Zijn discipelen en zei:
    De schriftgeleerden en Farizeeën hebben zichzelf op de stoel van Mozes gezet. Houdt jullie dus aan alles, wat zij jullie zeggen, maar neemt geen voorbeeld aan hun daden, want zij praten slechts, doen zelf echter niet, wat zij zeggen.
    Zij binden zware lasten en leggen die op de schouders van de mensen, maar zelf willen ze geen vinger uitsteken om de lasten te dragen. Alles wat zij doen, doen zij alleen, opdat de mensen het zien:
    Zij maken hun gebedsriemen breed en de kwasten aan hun gewaden lang. Bij ieder feestmaal willen zij de ereplaats en in de synagoge de voorste zitplaatsen en op de straten en pleinen laten zij zich graag groeten en door de mensen rabbi (meester) noemen. Jullie echter moeten jullie geen rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één Meester, jullie allen echter zijn elkaars broeders. Ook zullen jullie niemand op aarde jullie vader noemen; want jullie hebben maar één Vader, die in de hemel is. Jullie moeten je ook geen leraar laten noemen; want jullie hebben maar één leraar, Christus. De grootste onder jullie behoort jullie dienaar te zijn. Want wie zichzelf verheft, zal vernederd, en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.
    Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën! Huichelaars! Jullie sluiten het hemelrijk voor de mensen. Zelf gaan jullie niet naar binnen, en verhinderen het anderen, die wel naar binnen willen.
    Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën! Huichelaars! Jullie trek