|
|
De stem van de waarheid.
De profetes van God spreekt in onze tijd
Het fundamentele in onze tijd om over na
te denken en tot zelfkennis te komen
Twee heelal-Goden,
de god van Mozes en
de God van Jezus -
of de ene veranderlijke God?
Dieren klagen -
de profeet klaagt aan!
Dieren klagen -
Nummer 15
Oorspronkelijke Duitse titel: Tiere klagen -
der Prophet klagt an!
2e Oplage 2000
Verlag DAS WORT GmbH, DER UNIVERSELLE GEIST, LEBEN IM GEISTE GOTTES
Max-Braun-Straße 2, 97828 Marktheidenfeld
Tel. 09391/504-135, Fax 09391/504-133
Alle rechten voorbehouden
Omslagfoto: plus 49 / VISUM medienservice gmbh, Hamburg
Uit het Duits vertaald.
In licentie uitgegeven brochure met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele
uitgave doorslaggevend.
1e Nederlandse uitgave - april 2001
Want Ik heb jullie vaderen, toen Ik hen
uit Egypte leidde, niets gezegd
en niets bevolen, wat brandoffers
en slachtoffers betreft.
Veeleer gaf Ik hen het volgende gebod:
luistert naar Mijn stem, dan wil Ik
jullie God zijn, en jullie zullen Mijn volk zijn.
Gaat in alles de weg, die Ik jullie beveel,
opdat het jullie goed gaat.
Zij echter luisterden niet en
neigden Mij hun oor niet toe, maar
volgden de ingevingen en driften
van hun boze hart.
Zij lieten Mij hun rug zien en niet
het gezicht.Vanaf de dag, dat jullie vaderen uit Egypte
trokken, tot op de dag van vandaag
zond Ik jullie steeds opnieuw
al Mijn knechten, de profeten.
Maar men luisterde niet naar Mij en
neigde Mij hun oor niet toe,
zij bleven eerder hardnekkig en
maakten het nog bonter dan hun vaderen.
(Jeremia 7, 22-28)
Voorwaar, geen schaduw
van de apostolische leer
is er in onze kerk nog over ...
een andere leer en discipline hebben wij
teweeggebracht.
Het belangrijkste is, ernaar te streven,
dat niemand ook maar het geringste
uit het evangelie,
vooral niet in de volkstaal,
geoorloofd wordt te lezen.
Het weinige wat in de mis wordt gelezen,
is voldoende.
Ieder, die vlijtig afweegt,
wat in de kerken behoort te geschieden
en het in detail beschouwt, zal vinden,
dat onze leer
verschilt van het evangelie,
zelfs het tegenovergestelde is ...
(Uit een rapport van drie bisschoppen voor
paus Julius III.
Hans-Jürgen Wolf, Sünden der Kirche)
Inhoud
De leer van de kerk op een dood spoor
»Je zult ...« God respecteert de vrije wil van Zijn kinderen
Jezus van Nazareth zette zich in voor de dieren. Getuigenissen uit »Dit is Mijn woord«
Jezus was tegen bloedvergieten van welke aard dan ook
»... zal uitgeroeid worden.« Afstomping van het geweten. Of: hoe men de priestermacht horig wordt
Martin Luther - Leven en leer in de christelijke geest van de naastenliefde?
"Doden" of "moorden"? Jezus vervulde de wet en verdiepte de leer
Uiterlijk vertoon en ceremoniën bij de wijding en het kleden van priesters in de boeken Mozes
Het verlossingsoffer, dat Jezus bracht. »De zondenbok«
De eerste oerchristenen kenden geen ceremoniën
»Ik, de Heer, verander Mij niet ...« Woorden van God tegen dierenoffers door profeten na Mozes
Vlees eten - concessie van God aan de menselijke zwakheid? Heeft Jezus vlees gegeten?
Uitspraken over dieren in de protestantse catechismus
Jezus van Nazareth over het thema "dieren" in de Christusopenbaring "Dit is Mijn Woord"
Dieren klagen - de profeet klaagt aan
Plaatsen waar de oerchristenen elkaar ontmoeten
Twee heelal-Goden,
de god van Mozes en
de God van Jezus -
of de ene veranderlijke God?
Dieren klagen -
de profeet klaagt aan!
»Ik, de Heer, verander Mij niet ..
( Maleachi 3, 6)
Het leven in God omvat niet slechts de naaste, maar eveneens alle
levensvormen, zoals dieren, planten, mineralen en stenen, want al het Zijn
draagt het leven, God.
(Dit is Mijn woord, deel 3, hoofdst. 75)
Wie in de titel van deze nieuwe uitgave
van "De Profeet" de twee themas leest, zal zich misschien afvragen:
wat heeft de vraag "twee Goden of één veranderlijke God" te maken
met hetgeen dieren in onze tijd moeten verduren? Liggen die beide aspecten van
het thema niet op heel verschillende gebieden?
Doch wie de oorzaken voor het lijden van de
verachte, geknechte, tot gebruiks- en verbruiksvoorwerp vernederde dieren
nagaat, zal beslist op wortels stoten, die in de uitoefening van de religies van
vroegere tijden hun grondslag vinden, in het Oude Testament. Het begrip
"uitoefening van de religie" geeft hier al te denken. Want religie is
het gebied van de verbinding met God en het Goddelijke. Dat deze door de
verantwoordelijke "praktizerenden" van die tijd nagestreefd en bereikt
werd, moet echter betwijfeld worden.
In hetgeen u hierna leest, spreekt, ofschoon het ditmaal geen dialoog is met een tijdgenoot, uiteindelijk niet alleen de profeet, maar er spreken vele feiten, vele getuigenissen in woord en beeld. Zij spreken tot ons - en wie oren heeft om te horen, die hore. Zij geven te denken - en wie zijn verstand gebruikt, kan een licht opgaan. Zij stellen vragen aan ons - en wie een hart heeft dat nog voelt, voelt de boodschap. Wat hij dan met deze boodschap doet en of hij hierop een daadwerkelijke beslissing laat volgen, moet iedereen zelf uitmaken.
Sinds Jezus van Nazareth zijn er 2000 jaar
verstreken. De zoon Gods kwam tot ons als mens, als de mensenzoon, om ons de
boodschap van God, Zijn Vader, die ook onze Vader is, te brengen. De boodschap,
die Jezus ons van God, Zijn en onze Vader, bracht, is de liefde.
De weg tot de liefde begint met de verzoening onder de mensen
en tussen de mensen en de dieren en de aarde. Alleen op deze weg komt de mens
tot eenheid met God en Zijn totale schepping, met inbegrip van het heelal.
God is liefde. Zijn oneindige wezen is dus
liefde. Jezus zei de mensen, dat zijn Vader en Hij, Jezus, de Christus, één
zijn. Daarmee wilde Jezus de mensen zeggen, dat Zijn boodschap de waarheid is,
die uit de hemelen komt, van God, Zijn Vader, die ook de Vader van alle mensen
is. Jezus plaatste geen afstand tussen de mensen en zichzelf, maar Hij stelde
hen als zonen en dochters van God gelijk aan zichzelf, want Hij sprak
inhoudelijk: Jullie zullen dus volmaakt zijn, zoals het ook jullie hemelse
Vader is. (Matth. 5, 48) En Hij gaf ons het gebed, dat begint met de
aanspreekvorm: Onze Vader, die in de hemel is ... resp. Onze Vader in
de hemel ...
Jezus gaf ons onder andere de volgende
betekenisvolle aanwijzing, die, eveneens overgeleverd in de bijbel, luidt: Denkt
niet, dat Ik gekomen ben, om de wet en de profeten op te heffen. Ik ben niet
gekomen, om op te heffen, maar om te vervullen ... Totdat hemel en aarde
vergaan, zal ook niet de kleinste letter van de wet vergaan, voordat niet alles
is geschied. Wie ook maar één van de kleinste geboden opheft en de mensen
dienovereenkomstig onderwijst, zal in het hemelrijk de kleinste zijn. Wie ze
echter onderhoudt en leert ze te onderhouden, zal groot zijn in het hemelrijk. (Matth.
5, 17-19)
Jezus sprak in Zijn woorden over de eeuwige wet en derhalve
over de eeuwige, onveranderlijke God. Daarmee bracht hij op niet mis te verstane
wijze tot uitdrukking, dat de door God gezonden profeten waar gesproken, dus de
waarheid, die God is, in het profetische woord hebben verkondigd.
Wie in het Oude Testament de "Boeken
van Mozes" met de leer van Jezus vergelijkt, stelt zich al gauw de vraag:
heeft Jezus waar gesproken - ook toen Hij zei, dat Hij het woord van de profeten
zou vervullen? Of is dat, wat bij Mozes te lezen is, de waarheid? En hoe staat
het wat dat betreft met de profeten, die na Mozes kwamen? Hun uitspraken
onderscheiden zich in veel gevallen inhoudelijk van de overgeleverde
Mozes-woorden; gedeeltelijk zeiden zij het tegendeel. Of hebben door de profeten
van het Oude Testament verschillende Godheden gesproken? De verschillen in de
uitspraken en richtlijnen van de profeten neigen tot de gevolgtrekking, dat er
meerdere goden zouden zijn. En Jezus leerde ons weer een andere God dan de
"god", die bijvoorbeeld door Mozes sprak.
Wie nu meent, dat de
"christelijke" kerken een overtuigend antwoord zouden hebben en hem
zouden helpen, uit de verwarring en onzekerheid tot klaarheid en zekerheid te
komen, wordt teleurgesteld: zij verklaren inhoudelijk, dat ieder woord van de
bijbel de waarheid van God zou zijn, waaruit voortvloeit, dat hetgeen God door
Mozes heeft gesproken, authentiek in de bijbel staat. Derhalve gebood
"god" o.a. dieren in bloedige gruwelijke offerhandelingen te doden en
Hem te offeren. Bepaalde mensen, de priesters, zou Hij ertoe hebben uitverkoren,
de handelingen in gedetailleerd voorgeschreven rituelen uit te voeren,
"zoals het de Heer aan Mozes had bevolen".
Volgen wij de kerkelijke leer, dan zou dit
dus de waarheid zijn.
Maar hoe staat het dan met de verdere
oudtestamentische profeten zoals bijvoorbeeld Amos, Jesaja, Jeremia en de vele
anderen, waardoor God tégen brandoffers, slachtoffers en dergelijke sprak?
Jezus, de grootste profeet aller tijden, uitte zich eveneens tegen de uitspraken
en aanwijzingen, die god zogenaamd door de profeet Mozes verkondigd zou hebben.
De tegenstrijdigheid van deze verschillende
"uitspraken van God" ligt duidelijk voor de hand. Toch moet het
volgens de uitspraak van de kerkelijke leer allebei waarheid zijn?
Laten we nog eens naar de verschillende
Godsbeelden kijken:
Jezus leerde ons de God van de Tien Geboden,
die een goedertieren, wijze God is, een God van liefde en vezoening, een
Schepper, die voor het leven van de dieren, ja voor de hele natuur
is.
De "god" uit de boeken van Mozes
zou in vergelijking daarmee een harde, gruwelijke en brutale god zijn, die de
mensen zware staffen, ook de doodstraf, oplegt, vooral echter de dierenwereld op
een bestiale manier laat kwellen en afslachten, om zich door de rook van de
brandoffers te laten kalmeren. Heeft zich dus de "god" uit de boeken
van Mozes in het Oude Testament met Zijn richtlijnen en gruwelijke praktijken
niets aangetrokken van de God van de Tien Geboden?
Steeds opnieuw worden wij voor de vraag
gesteld: is de god van het Oude Testament - vooral in de "boeken van
Mozes" - een andere god dan die in het Nieuwe Testament? Als het één en
dezelfde God is, dan moet ofwel het Oude Testament zijn vervalst - of Jezus
heeft onwaarheid gesproken. Of is God veranderlijk?
In De Profeet nr. 13 is de profeet in
dialoog met een vakman van de katholieke en een vakman van de evangelische
theologie deze vraag reeds nagegaan. Zij moet hier - met de bijzondere
gerichtheid op dierenoffers - weer worden opgenomen.
De eerste oerchristenen hebben zich nog
niet bekommerd om zulke vragen. Voor hen was het duidelijk, dat het woord, de
leer, de boodschap en het leven van de Godszoon Jezus, van de Christus, het
authentieke woord Gods, tegelijk de wil van God voor mensen en zielen is en
zodoende ook als maatstaf te gelden had voor hetgeen ergens anders en gedurende
andere tijden als Gods woord werd gepresenteerd en gepresenteerd zou worden.
Wij mensen zouden nu geen aanleiding hebben,
om ons gedachten te vormen over "Gods woord gisteren en nu - waarheid of
niet?" Ja, het zou zelfs niet nodig zijn geweest, dat God nog eens een
leerprofeet naar de aarde zond, als - ja als - de ontwikkeling van het
oerchristendom zich in de oriëntatie op Jezus, de Christus, had voortgezet.
Doch zij werd niet lang voortgezet, met het resultaat, dat de destructieve geest
van het door Mozes geschrevene, dat Jezus meermaals corrigeerde, nu nog steeds
kan werken, en wel grondiger, massiever en "globaler", dan velen
bewust is. Wat echter de mens niet bewust is, kan hem beinvloeden en hem op
een verkeerd spoor zetten.
God is liefde, goedertierenheid en
zachtmoedigheid. Hij hoeft niet met gruwelijke heidense gebruiken tot bedaren
gebracht te worden.
Maar hoe kwam het dan tot de valse
uitspraken en richtlijnen in het boek Mozes? Wie had er interesse in, om
bijvoorbeeld Mozes het voorschrijven van bloeddorstige heidense gebruiken toe te
schrijven? God zelf geeft het antwoord; Hij sprak enige tijd later door de
profeet Jeremia:
De vraag in de titel van deze uitgave van
De Profeet, die luidt: »Twee heelal-Goden, de god van Mozes en de
God van Jezus - of de Ene veranderlijke God«? is eigenlijk al beantwoord. Bij
de profeet Maleachi zegt God het zelf duidelijk: Ik, de Heer, verander Mij
niet ... (Mal. 3, 6)
Daaruit volgt nu al, na wat tot nu toe
gezegd werd, dat de uitspraak van de kerk: De bijbel is in zijn geheel het
directe, ware woord Gods ... verkeerd moet zijn.
In het navolgende uitvoerige betoog straalt
nu het licht der waarheid - als het ware als door verschillenden facetten van
een geslepen kristal - in de ondoorzichtige mengeling van waarheid en leugen,
dat in vele hoofden verwarring stichtte, in ontelbare harten hopeloosheid,
verlatenheid en vertwijfeling teweegbracht en voor een groot deel een
ontwikkeling heeft meebepaald, die tenslotte tot het dwang- en bedrogmechanisme
leidde, dat zich "christelijke kerk" noemt.
De waarheid zal jullie vrij maken (Joh.
8, 32), sprak Jezus van Nazareth. Gods woord was van oudsher het licht der
waarheid, dat Hij via lichtboden van de hemel aan de mensen gaf, opdat zij vrij
konden worden van hun belastingen, uit innerlijke en uiterlijke knechtschap, uit
gebondenheid en dwang. Sinds vanouds was de tegenspeler van God de vijand van de
waarheid en het goede. Hij streefde en streeft er nog steeds naar het licht te
verduisteren. Daartoe was en is hem ieder middel goed, en het misbruiken van de
naam van God en van de naam van Jezus, de Christus, bewees zich tot dit doel als
een van de geraffineerdste - wij zouden nu zeggen: psychologisch werkzaamste -
middelen, om de harten van de gelovige, godvruchtige mensen te vergiftigen, hun
zielen te binden en voor leugen en bedrog, voor ongoddelijkheid, toegankelijk te
maken.
God, de waarheid en het licht, is onveranderlijk. Dat leerde Jezus, de Christus, steeds weer. Ook in de Tien Geboden, die God door de profeet Mozes aan de mensen gaf, ervaren wij de God, die Jezus, de Christus, ons bijbracht en die van alles, wat de "god" uit de "boeken van Mozes" voorgeschreven zou hebben, niets zei.
In de Tien Geboden laat God iedereen de vrijheid, Zijn
geboden te onderhouden of ze niet op te volgen. God dwingt niet. God zegt: "Je
zult". In de "boeken van Mozes" daarentegen gaf die
"oud-testamentische God" dwingende aanwijzingen; Hij respecteerde de
vrije wil van Zijn kinderen niet. In de Tien Geboden leert God ons mensen
gruwelijkheden noch doodslag, ook niet het vermoorden van mensen en het
afslachten van dieren. Zou God, de Eeuwige, dit alles hebben voorgeschreven, wat
in de zogenaamde "boeken van Mozes" staat, dan zou Hij tegen Zijn
eigen geboden gezondigd hebben en zodoende een zondige god zijn.
Menigeen zou hier nu tegen in kunnen brengen, dat doden is
toegestaan, maar moorden niet, want het "Je zult niet doden"
heet naar de nieuwste religieuze wetenschappelijke overwegingen "Je zult
niet moorden" - zo werden ook de Tien Geboden in de nieuwe Jeruzalemse
Bijbel, oplage 1985, veranderd. Als dat zo zou zijn, dan had Jezus een jongeman,
die Hem vroeg: Meester, wat moet ik voor goeds doen, om het eeuwige leven te
verkrijgen, verkeerd onderwezen. Jezus antwoordde de jongeman (in dezelfde
bijbeloplage) Wat vraag je Mij wat goed is? Slechts één is "de
Goede" als je echter het leven wilt verkrijgen, onderhoud dan de geboden.
Daarop vroeg hij Hem: welke? Jezus antwoordde: je zult niet doden, je zult geen
echtbreuk plegen, je zult niet stelen, je zult geen valse getuigenis geven. Eer
vader en moeder! En: je zult je naaste liefhebben als jezelf. (Matth. 17-19)
Jezus zei dus: "Onderhoud de geboden" en vermaande de jongeman: "Je zult niet doden." Jezus zei niet: "Je zult niet moorden." Hij zei ook niet: "Je zult alleen in uitzonderingsgevallen doden."
Jezus maakte ook geen onderscheid tussen mens en dier, want
het gebod luidde en luidt: je zult niet doden; dit is een algemene
uitspraak met de betekenis: wij mogen mensen noch dieren doden.
In Dit is Mijn woord lezen we o.a., wat Christus de
mensen gedurende Zijn aardse leven zei en bijbracht, ook wat betreft de omgang
met de dieren.
Als Jezus van Nazareth sprak Ik tot veel mensen over de wet
des levens, zo ook over de dieren, die evenals de mensen pijn, leed en vreugde
voelen. Zoals de mens niet tegen, maar vóór zijn naaste dient te zijn, zo moet
hij ook vóór de dieren zijn en jegens hen verantwoordelijkheid dragen, omdat
zij de mens dienen.
Steeds weer leerde Ik de mensen, dat ook de dieren schepselen
van God zijn, die de mens niet moet minachten, maar liefhebben. Wie hen slaat en
kwelt, zal eens aan zijn ziel en aan zijn lichaam hetzelfde of iets dergelijks
ervaren. Want wat de mens zijn medemensen en medeschepselen aandoet, doet hij
zichzelf aan. (Deel 2, hoofdst. 31)
Laten we verder lezen in Dit is Mijn woord, hoe Jezus
op het lijden van dieren reageerde.
Voordat wij ons tot de teksten uit de boeken van Mozes wenden, nog een voorval uit het leven van Jezus van Nazareth, weergegeven in Dit is Mijn woord:
1. En toen Jezus naar Jericho ging, ontmoette Hij een man met
jonge duiven en een kooi vol met vogels, die hij had gevangen. En Hij zag hun
leed over het feit, dat zij hun vrijheid hadden verloren en bovendien honger en
dorst leden.
2. En Hij sprak tot de man: »Wat doe je met hen?« En de man
antwoordde: »Ik leef ervan, dat ik de vogels verkoop, die ik heb gevangen.«
Jezus kwam, zoals Hij zei, om de wet Gods te vervullen. Hij deed het met Zijn leven en werken. En Hij leerde ons, hoe de wet van de hemelen in de afzonderlijke stappen in het dagelijkse leven door ons mensen te vervullen is; de belangrijkste overgeleverde getuigenis daarvan is Zijn Bergrede.
Welke geest er in de ceremoniën waait, waarvan in de boeken van Mozes te lezen is, kunnen wij uit het volgende citaat uit het 3e boek Mozes, Leviticus, opmaken:
»Als kalmerende geur voor de Heer«. Waarom moet men de Heer met deze zogenaamde "kalmerende geur", die beslist niet welriekend, integendeel eerder een stank was, kalmeren? Volgens de leer van Jezus is God liefde, verzoening, erbarmen en goedertierenheid, de evenwichtigheid in alle dingen. Waarom moet Hij dan gekalmeerd worden? Zoals bekend, werden zogenaamde wilde dieren - wij betitelen ze soms als verscheurende dieren - met vleesbrokken gekalmeerd of in een val gelokt. Dacht men, of wilde men de indruk wekken, dat God, de Absolute, Al-Eeuwige, te manipuleren zou zijn, zoals wij mensen het vaak zijn of zoals men voor heeft anderen te manipuleren? Zon poging getuigt van het van-God-verwijderd-zijn.
In Leviticus lezen wij:
Wie verder gruwelijke griezelverhalen van de donkerste heidense tradities wil lezen, kan zich het volgende voor de geest halen:
Nooit zou Jezus bloed hebben vergoten of bloedvergieten
hebben goedgekeurd. De zin allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het
zwaard omkomen (Matth. 26, 52) heeft betrekking op misdrijven ten opzichte
van de dierenwereld en de hele natuur, en het hoeft beslist niet het doden met
het zwaard te zijn. Er zijn veel nuances van liefdeloosheid. Dieren ervaren zeer
fijn, terwijl het gemoed van de mens vaak ruw en bot is.
Niets en niemand kan ons "van een misdrijf
verlossen", behalve onze Verlosser Christus, wiens kracht en licht der
verlossing in ieder van ons intrek heeft genomen.Voorwaarde dat Hij in ons de
verlossing van een schuld in onze ziel kan bewerken, is, dat wij ons liefdeloze
voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen van harte berouwen, onze
naaste, respectievelijk overnaaste (het dier of de natuur), tegen wie wij hebben
gezondigd, in ons innerlijk om vergeving vragen, hem van onze kant vergeven, wat
hij ons eventueel heeft aangedaan, het onrecht naar beste vermogen weer
goedmaken, als dit nog mogelijk is, en hetgeen wij als slecht aan ons hebben
erkend, niet meer doen. Dan pas vergeeft ons ook God, zoals wij het al sinds
2000 jaar in het onzevader bidden: vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan
anderen hun schuld vergeven ...
Niet alleen een dierenoffer, maar alles, wat zichtbaar of
onzichtbaar van ons uitgaat, aan kwaadaardigheid, geringschatting en minachting,
aan wreedheid, maar ook gebrek aan begrip, te weinig consideratie of
onverschilligheid, voegt aan onze bestaande schuld verdere toe. Dat geldt zowel
voor de mensheid als voor ieder persoonlijk.
Christus is tegen bloedvergieten van welke aard dan ook.
Wanneer Christus, die zich aan de mensheid weer via profetenmond openbaart, over
dierenoffers, maar ook over dierproeven en andere misdrijven van de wetenschap
tegen Gods alwijze schepping spreekt, gebruikt hij vaak het woord
"gruwel".
Ook verder spreekt de "god" uit de "boeken van
Mozes" tegen de leer van Jezus en tegelijk tegen zijn eigen geboden. In
Leviticus staat bijvoorbeeld:
Wanneer iemand met iets ontreins in aanraking is gekomen,
bijvoorbeeld met een mens of dier of iets anders dat onrein is, en hij eet toch
van het vlees van dit heiloffer, dat voor de Heer wordt geofferd, dan wordt hij
uit de gemeenschap gestoten.
(7, 21)
Het vet van een dier, dat een natuurlijke dood is gestorven
of dat door een roofdier is verscheurd, mag overal voor gebruikt worden, maar
beslist niet worden gegeten. Ieder, die toch het vet van een dier eet, dat men
de Heer als offergave aanbiedt, moet uit de gemeenschap worden gestoten.
(7,
24-25)
Onder "uitgestoten worden" moeten we vermoedelijk
de toentertijd gebruikelijke dood door steniging verstaan. De steniging was ten
tijde van Jezus van Nazareth nog gebruikelijk. Denken wij slechts aan de
vrouw die echtbreuk gepleegd had, die Jezus in de laatste minuut ervoor redde,
gestenigd te worden. Ook Jezus zou een paar maal door aanwending van "de
wetten van god door Mozes" door Zijn medemensen omgebracht moeten worden.
"Hij echter schreed midden door de menigte en ging Zijns weegs."
In het 3e boek Mozes, Leviticus, 11e hoofdstuk, is exact
uiteengezet, welke dieren als rein en welke als onrein dienen te gelden. Daar
staat, dat het genot van onrein vlees de onreinheid van de mens tot aan de avond
van de dag tot gevolg zou hebben.
Vandaag de dag eten ook mensen, die zich dierenvrienden
noemen, niet zelden nog vlees. Zij realiseren zich blijkbaar niet, dat
bijvoorbeeld de steak, die zij, reeds in gemakkelijke, braadklare stukken
gesneden, soms al gekruid en al, bij de slager kopen, van een kalfje komt, dat
een paar dagen geleden nog vredig en in harmonie in de wei graasde. Misschien
liet het zich gewillig door de kinderen van degene, die nu in de slagerij
kalfssteak koopt, strelen; de kinderen keken hem in de grote, donkere ogen met
de lange wimpers en waren opgetogen. Wat dit diertje, dat niemand iets heeft
aangedaan, allemaal heeft moeten lijden, voordat het in de vorm van een steak,
leverworst of iets dergelijks in de winkel kwam - de schrik, de angst, de
gruwel, de paniek, de pijn, de ontzetting -, dat realiseert zich zelden iemand.
De dierenvrienden, wij mensen, houden huisdieren, die ons -
vooral als zij zich goed gedragen, dus "gemakkelijk te verzorgen" zijn
- blij maken. Ondanks dat werden er b.v. in 1990 gedurende de vakantietijd
alleen al in Duitsland ongeveer een half miljoen dieren, hoofdzakelijk katten en
honden, ergens in de natuur achtergelaten. Nu, 10 jaar later, zal dat aantal
nauwelijks minder zijn. Is dat dierenliefde?
Uit de goddelijke wereld werd ons o.a. geopenbaard:
Wees ...serieus en rechtlijnig tegenover de overnaasten. Zij
zien jou met hun zuivere gevoel als hun grote lichtbroeder of hun grote
lichtzuster ...Hebt dus achting voor jullie dierbroeders en -zusters, want zij
willen voor jullie echte vrienden zijn. Doe je best hen zo te behandelen, zoals
jullie graag behandeld zouden worden. Dan zullen jullie hen snel leren
begrijpen, en zij zullen met jullie in positieve communicatie staan.
(Das
Leben mit unseren Tiergeschwistern. Du, das Tier - Du, der Mensch. Wer hat
höhere Werte? S. 114 ú Uit: Het leven met onze
dierbroeders en -zusters. Jij, het dier - jij, de mens. Wie heeft hogere
waarden? Blz. 114)
Het gevoelsvermogen van de mens is afgestompt, zijn geweten
slaat nog nauwelijks aan. Doch dat betreft niet alleen de mensen van nu.
Het geweten is de bewaker in de mens over goed en kwaad,
recht en onrecht. Is het intact, dan reageert het onafhankelijk van uiterlijke
rechtsvoorstellingen, uiteindelijk naar de maatstaf van de Tien Geboden. Maar de
gewoonten van de mens en de invloed door zijn omgeving beinvloeden en
karakteriseren ook zijn geweten.
Wanneer we hier over gruwelijke dierenoffers en van
stenigingen van mensen lezen, dienen we er niet alleen aan te denken, hoe het de
dieren te moede is geweest.
Om ons te realiseren, wat er destijds wellicht in een
mens omging, zouden we ons het volgende voor kunnen stellen: twee jongemannen
uit het volk hadden een hazenbout gegeten. Zij hadden een haas gevangen hem
gebraden en gegeten. Volgens hoofdstuk 10 en 11 in Leviticus waren zij nu onrein
tot de avond, wat zij op de koop toe namen. Toen de vrienden echter - uit
lichtzinnigheid en overmoed - de plaats betraden, waar zich de
"heilige" offergaven bevonden, werd één van hen daarbij gezien en
veroordeeld om gestenigd te worden. De andere werd niet ontdekt. De steniging
werd voltrokken, want in Leviticus 22 staat:
De Heer sprak tot Mozes: zeg tegen Aäron en zijn zonen, dat
zij de heilige offergaven van de Israëlieten in acht nemen, om Mijn heilige
naam niet te ontwijden. Ze moeten voor Mij heilig gehouden worden. Ik ben de
Heer. Zeg hen: ieder van jullie nakomelingen, ook in de komende generaties, die
in toestand van onreinheid de heilige offergaven aanraakt, die de Israëlieten
aan de Heer wijden, moet uit Mijn aanwezigheid gebracht worden. Ik ben de Heer.
(22,
1-3)
Laten we ons eens verplaatsen in de toestand van de
overlevende jongeman na de steniging van zijn vriend. Schuldgevoelens kwellen
hem. Hij zet zich af tegen het oordeel en de harde straf, die eigenlijk ook hem
had moeten treffen. Hij rebelleert tegen de priesters, die het oordeel hebben
geveld, en moet toch beamen, dat zij ten uitvoer brachten, wat "god Mozes
bevolen heeft". Dus richt zich zijn boosheid nu tegen God, die zulk een
onbarmhartige wet heeft uitgevaardigd. Doch als hij zich realiseert, dat God
voor "rechtvaardig" doorgaat, dat Hij de hoogste instantie is, die
niet falen kan, komt de twijfel aan zichzelf. Hij heeft gezien, dat alle anderen
kennelijk geen scrupules hebben om te stenigen, daaruit concludeert hij, dat er
met zijn gevoel en rechtvaardigheidsgevoel iets niet kan kloppen, want
zowel de door God aangestelde priesters alsook de gelovige broeders uit zijn
stam voelen en denken anders dan hij. Hij besluit óm te denken, zich voortaan
in alle dingen strikt op de priesters en de medemensen te oriënteren,
inplaats van zelf te denken en vrij te beslissen. Hij zal van nu af aan de
maatstaf voor zijn denken en handelen niet meer in zichzelf zoeken, zelfs ook
dan, wanneer zijn hart anders spreekt, het zo doen als alle anderen, omdat
"God het zo wil".
Er voltrekt zich een aanpassingsproces. Het karakter van deze
mens verandert. Hij leeft nu als het ware niet meer zichzelf. Zijn hart verkilt,
zijn gevoel stompt af, zijn wezen wordt hard. Zijn Godsbeeld vervormt en
verduistert zich. Hij kan deze straffende en boze god niet meer vertrouwen, laat
staan Hem liefhebben. Zijn gebeden worden onoprecht, en tenslotte is hij blij,
dat er voorgeformuleerde gebeden zijn, die men eenvoudig opzeggen kan ...
Na enige tijd is de ompoling tot conformist, tot vazal, tot
volgzame aanhanger van de priesters en de "traditie" voltrokken. Deze
mens vertrouwt niet alleen zijn innerlijke maatstaf, zijn geweten, niet meer,
maar denkt en handelt ten slotte gewoontegetrouw tegen beter weten in.
Men kan nu van hem op aan - op zijn aanhangerschap, zijn
loyaliteit, zijn gehoorzaamheid, zijn trouw aan de voorgegeven lijn.
Zo ongeveer zou het toen geweest kunnen zijn. In ieder geval, principieel zou het zo geweest kunnen zijn. Het is daarentegen, praktisch gezien, onwaarschijnlijk, dat een mens volwassen heeft kunnen worden, zonder reeds van deze inhoud van de traditionele geloofsuitoefening, die bloedoffers van dieren en steniging van mensen inhoudt, doordrenkt te zijn en er vol mee te zitten.
De zojuist geschetste innerlijke situatie van een mens heeft
zich in de loop van de geschiedenis ontelbare malen in variaties herhaald. Komt
zij ons niet ergens bekend voor?
Denken wij b.v. aan de middeleeuwen in de Europesche
cultuurkring, waar door de inquisitie vaak soortgelijke situaties en
gewetensconflicten teweeggebracht werden. De priesters slachtten weliswaar de
dieren niet meer zelf - zij lieten en laten slachten. Zij staken niet zelf de
brandstapel aan, waarop rechtlijnige, oprechte mensen verbrand werden, die voor
de ene, ware, barmhartige en goedertieren God opkwamen, die de waarheid is, en
die zich tegen de leugen hadden verzet. De priesters stonden er
"alleen" met geheven crucifix voor, "zegenden", hieven
lofliederen aan ter ere van God en gaven vergeving van zonden en aflaat van de
"zondestraf" aan hen, die het hout voor de brandstapel bij elkaar
hadden gehaald ...
Terug naar de dierenoffers in het Oude Testament. Wie nog meer toverij in de stijl van voodoo wil lezen, kan in Leviticus meer ervaren:
In Dit is Mijn woord lezen we:
De "toorn Gods" komt uit de voorstellingswereld van
de heidenen, die in het oude verbond nog zeer levendig was: men meende, dat de
"goden" wraak wilden nemen op de mensen. Het zou goed zijn, als de
zondige mens zou inzien, dat hij de zogenaamde "toorn Gods" zelf heeft
geschapen. De "toornige God" is het menselijke ik, dat wraak
uitoefent op datgene, wat hij zelf heeft veroorzaakt, want wat de mens zaait,
zal hij oogsten.
Ook de woorden "oog om oog, tand om tand", werden
en worden verkeerd begrepen. De mens moet zich niet op zijn naaste wreken en
kwaad met kwaad vergelden. Hem is geboden zijn naaste te vergeven, hem om
vergeving te vragen en hetzelfde of iets dergelijks niet meer te doen. Wie dit
gebod niet navolgt, begeeft zichzelf in de wet van oorzaak en gevolg. Die luidt:
"oog om oog, tand om tand". Dan zal hij oogsten - "oog om oog,
tand om tand", wat hij gezaaid heeft. (Deel 1, hoofdst. 21)
Jezus wilde dus de gruwelijkheden aan mensen en dieren opheffen. De huidige vertegenwoordigers van de kerkelijke institutie laten het echter toe, dat deze aan mensen en dieren verder worden toegepast, alleen met andere methoden, die echter heel wat wreder zijn. Daarmee bevestigen zij, wat hieromtrent geschiedt. De inzet van een paar mensen voor de belangen van de dieren is de uitzondering, die de regel bevestigt.
In de katechismus van de katholieke kerk, nr. 140, brengt de
roomse clerus het volgende op papier: ...Het Oude Testament bereidt het
Nieuwe voor, terwijl dit het Oude voltooit. Beide verduidelijken elkaar, beide
zijn het ware woord Gods.
De dierenmishandeling gaat door, de slachthuizen blijven
open. Vandaag de dag worden dieren geofferd, de dierkadavers in stukken gehakt
en gesneden voor het welzijn van de "god"mensen, die hun gehemelte
willen strelen.
De bewapende bedevaarten naar Jeruzalem)Inquisitie: 13e - 18e eeuw, tussen 1 en 10 miljoen doden, evenals talloze gefolterden en geterroriseerden (Der Spiegel, 1.6.1998).
Kruistochten: 11e - 13e eeuw, wel 22 miljoen doden, daaronder duizenden Duitse joden (Hans Wollschläger, »Die bewaffneten Wallfahrten nach Jerusalem« ú
Heidenen: 9e - 12e eeuw. Gedurende de middeleeuwen worden tienduizenden Germaanse en Slavische "heidenen" door Duitse koningen en vorsten met geweld tot het "christendom" bekeerd of op een gruwelijke manier afgeslacht. De kerk geeft haar zegen hierover en roept op tot "kruistochten" tegen het Slavische volk. (Karlheinz Deschner, »Kriminalgeschichte des Christentums«, Bände 4, 5 und 6 ú Criminaliteit van het christendom, band 4, 5 en 6)
Joden: Gedurende de middeleeuwen van de 11e - 14e eeuw steeds opnieuw bloedige razzias met duizenden doden, voorbereid door eeuwenlange kerkelijke ophitsing. Julius Streicher beroept zich bij de Nürnbergse processen ter rechtvaardiging van de Holocaust uitdrukkelijk op Martin Luthers ophitsingsredevoering tegen de joden (Friedrich Heer, »Gottes erste Liebe« ú Gods eerste liefde).
Verovering van Amerika: In de eerste 150 jaar na de verovering door de Spanjaarden »in naam van God« sterven 100 miljoen mensen - de "grootste volkerenmoord aller tijden" (Theoloog Boff, Publikforum, 31.5.1991).
Katharen, Waldenzen, Hussieten, Anabaptisten(wederdopers): duizenden andersdenkenden sterven op bevel van de kerk (ook de lutherse).
"Heksen": 16e - 18e eeuw - tussen 40.000 en een miljoen mensen, voor het merendeel vrouwen, sterven een gruwelijke dood, ongeveer de helft daarvan in Duitsland. Ook Luther laat heksen verbranden. De aanleiding daartoe, de "heksenhamer", stamt af van twee Duitse dominikaner-monniken (zie ook Hubertus Mynarek, "Die neue Inquisition" ú De nieuwe inquisitie)
En hoe ziet het er nu uit? De wortels van het Oude Testament, overwegend de "Boeken Mozes", "verduidelijken" volgens de katholieke katechismus het Nieuwe Testament, dus onze tijd. In de genoemde brochure lezen we verder:
Volkerenmoord in Kroatië: nog in het midden van de 20e eeuw, tussen 1941 en 1943, werden in Kroatië ongeveer 750.000 orthodoxe Serviërs vermoord - onder toonaangevende deelname van katholieke geestelijken en met toestemming van het Vaticaan ... Het Vaticaan weet overal van, behandelt het bloedige regiem echter met duidelijk merkbare welwillendheid. De katholieke hiërarchie, met voorop de militaire vicaris en aardsbisschop Stepinac (in 1998 door de paus zalig verklaard), ondersteunt het fascistische regiem moreel. (Vergelijk hiertoe Deschner, "Ein Jahrhundert Heilsgeschichte", Band 2, 1983, S. 210ff., ú Een eeuw heilgeschiedenis, band 2, 1983, blz. 210 e.v.) evenals Vladimir Dedijer, "Jasenovac - das jugoslawische Auschwitz und der Vatikan", 1988 ú Jasenovac - het Joegoslavische Auschwitz en het Vaticaan)
Kindermisbruik door dominees en priesters: de slachtoffers van kindermisbruik lijden vaak jaren- of tientallen jaren lang psychisch onder deze vernederingen. Experts schatten, dat in de Verenigde Staten 2000 van de 51.000 katholieke priesters gedurende de afgelopen 20 jaar van seksueel misbruik werden beschuldigd (Hanauer Anzeiger, 13.7.1998 ú Nieuwsblad van Hanau 13.7.1998) Dat is ongeveer 4 procent - het niet officieel geregistreerde aantal nog niet meegerekend. Voor Duitsland schatte Prof. Hubertus Mynarek het aantal pedofiele priesters eveneens op 3 - 5 procent (Akte 97, 14.9.1999).
De meeste van de zo-even genoemde moorden en andere misdrijven "in de naam van God" komen voor rekening van de katholieke kerk. Kan man daaruit afleiden, dat de evangelische kerk positiever te beoordelen zou zijn?
Laten we nog eens in de getuigenissen van het Oude Testament
kijken, waar in het 3e boek Mozes - dat uitdrukkelijk Gods ware woord moet zijn
- ook aan de functionarissen van de huidige kerkelijke instituties instructies
worden gegeven, welk dier zij dienen te eten en welk dier niet. Er staat:
Alle dieren, die gespleten hoeven hebben, evenhoevig zijn en
herkauwers, mogen jullie eten. (Leviticus 11, 3)
En drie versen verder wordt een appel aan de jagers
gedaan: jullie moeten voor onrein houden de haas, omdat hij weliswaar
herkauwt, maar geen gespleten klauwen heeft. Jullie moeten voor onrein houden
het wilde zwijn, omdat het weliswaar gespleten klauwen heeft en evenhoevig is,
maar geen herkauwer. Jullie mogen van hun vlees niet eten en hun kadaver niet
aanraken. Jullie moeten hen voor onrein houden. (11, 6)
Als aanvulling op het vorige citaat staat in Leviticus 11,
26, 27:
Alle dieren met gespleten hoeven, die echter niet evenhoevig
zijn en niet herkauwen, moeten jullie voor onrein houden; ieder, die ze
aanraakt, wordt onrein.
Jezus, de Christus zei inhoudelijk: Alles, wat jullie dus van anderen verwachten, doet dat ook voor hen! (Matth. 7, 12). Die uitspraak van Jezus kunnen wij ook als volgt begrijpen: Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Geldt deze uitspraak alleen voor ons mensen of, met het oog op de liefde van Jezus voor de dieren, ook met betrekking tot hen?
God gaf de mensen en de dieren de hele aarde - en daarmee de
vrijheid. De mensen echter delen de aarde in percelen. Ieder probeert - legaal
of illegaal - het grootste stuk te krijgen. Dat stuk land is dan "zijn
bezit". Het is datgene wat "hem toebehoort" met alles wat erop en
erin leeft. Doch wat wij ons op aarde toegeëigend hebben is een illusie, dus
een dwaling, want de dood neemt ons af, wat wij van de aarde hebben genomen.
Voor veel mensen zijn dieren slechts voorwerpen, die men
kopen en verkopen kan, gebruiken of verbruiken - zoals waren in een warenhuis.
Zij persen de dieren op elkaar in de wereld van hun voorstellingen, in de
omheining, waarin ook zij proberen in leven te blijven.
Wie geleerd heeft zich in mensen te verplaatsen, merkt, dat
ook dieren voelen en ervaren, net zoals wij mensen. Zij ondergaan blijdschap,
leed en pijn. Een oude indianenwijsheid zou ons kunnen helpen, ook dieren te
leren begrijpen. Zij luidt: Beoordeel nooit een mens, voordat je niet
minstens een halve maan lang zijn mocassins hebt gedragen. Met betrekking
tot dieren kan worden gezegd: voordat je dieren gevangen houdt, hen voor jouw
doeleinden misbruikt en kwelt, hen dus bepaalde beperkte levensomstandigheden
oplegt - die niet overeenkomstig hun natuur zijn - probeer dat dan eerst eens
bij jezelf. Laat je dus in het bovengenoemde looprad dwingen, en je voelt, wat
de kleine overnaaste moet doormaken. Wie op een andere manier oog wil krijgen
voor het lot van de dieren, zou zich in de rol van het mestkalf kunnen
verplaatsen of in die van de kip in de kooi van een kippenfarm of in die van een
robbenbaby, die heerlijk aan de oever in het zonnetje ligt en waar opeens mannen
met de knuppel in de hand op afkomen, die hem de pels af willen stropen.
Misschien kunt u zich ook voorstellen, wat de robbenmoeder voelt, als zij
terugkomt van de visvangst en inplaats van haar kind een klomp rauw vlees
aantreft ...
Jezus, de Christus, is de waarheid. Hij zei: Ik en de
Vader zijn één (Joh. 10, 30). Laten we nog eens over de volgende woorden
van Jezus nadenken: Denkt niet, dat Ik gekomen zou zijn, om de wet en de
profeten op te heffen. Ik Ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen
(Matth. 5, 17). In veel gevallen vervulde Jezus niet, wat de "god"
van het Oude Testament door de profeet Mozes voorschreef. Jezus relateerde
zelden en slechts indirect aan de "god" uit de "boeken
Mozes". Hij zei integendeel: Jullie hebben gehoord, dat er gezegd is ...
Ik echter zeg jullie ... Of: Jullie hebben gehoord dat tot de ouderen
gezegd werd ... Ik echter zeg jullie ... Wie oren heeft om te horen, die
hore: Jezus noemde zelden de "god" in de "boeken Mozes".
Jezus distantiëerde zich dus van die vervalste
godsvoorstelling, van dat onjuiste godsbeeld. Hij sprak over "de Vader in
de hemel", over Zijn Vader, over "God, jullie Vader". Hij sprak
uit de waarheid, die de eeuwige realiteit, de wet van de hemelen, is.
Zo menigeen zou nu kunnen tegenwerpen, dat hetgeen God
toentertijd tegen de mensen heeft gezegd, voor de toenmalige mensen gold; nu zou
dat niet meer gelden, nu zou het heel anders zijn. De vraag is: waren de mensen
toen slechter, hadden zij dus een miserabeler karakter dan de huidige mensheid?
Wij hoeven wat dat betreft zeker niet na te vorsen, hoe de mensen toen wel
waren. Iedereen, die nog een vonkje geweten heeft, weet zonder analyse en op
grond van de feiten op blz. 32 ???? Millionen Opfer der Kirche
!!! e.v.,
dat de huidige mensheid veel en veel erger is dan de mensen van toen. Dat dit
ook geldt ten aanzien van hun instelling ten opzichte van hun natuurbroeders en
-zusters, de dieren, in de natuur, in de laboratoria van de wetenschap enz.,
bewijst het lot van de dieren.
Velen zijn van mening, dat zij in-God-gelovende mensen zijn.
Juist degenen, die hun geloof in God in kerken en op staatsontvangsten ten toon
stellen, verheffen zich steeds meer boven God, zij dulden niet alleen, maar
bepleiten, dat op levende dieren de gruwelijkste en brutaalste proeven gedaan
worden, die de praktijken in de "boeken Mozes" in de schaduw stellen.
De roomse clerus spreekt natuurlijk niet over de schaduwzijde. Hij verkondigt: ...»Het
Oude Testament bereidt het Nieuwe voor, terwijl dit het Oude voltooit. Beide
verduidelijken elkaar« ... Zijn b.v. de brandstapels in de middeleeuwen als
verduidelijking van het Oude Testament in het Nieuwe te beschouwen - en werpt,
omgekeerd, het bloeddorstige gebeuren in de middeleeuwen en de drastische
verandering, die de leer van Jezus, de Christus, in de loop van de afgelopen
2000 jaar heeft ondergaan, een "verduidelijkend" licht op datgene, wat
met Gods woord en boodschap in het Oude Testament geschiedde? Het zou de moeite
waard zijn, deze vraag eens na te gaan ... Wat voor krachten, ook machten
genoemd, zouden dat wel kunnen zijn? Als God het niet zijn kan, - want Hij is de
Wet, en deze wet is liefde, goedheid, vrede en welzijn voor allen en alles -,
wie is het dan?
Zo-even lees ik, hoe het Oude Testament in het Nieuwe de
voleinding vindt, alleen met andere kenmerken, die op de huidige tijd van
toepassing zijn. Het gaat om een verslag van een televisie-uitzending, die op
2.9.1999 in het "Auslandsjournal" van de ZDF, onder de titel
"kindermishandeling in Ierland" werd uitgezonden. Dit wordt hier
verkort weergegeven:
Wij hadden gemeenschappelijke douches; daar moesten 20
jongens in. De broeder (ordebroeder) heeft zich uitgekleed ... en hij heeft een
paar jongens voor de ogen van de anderen misbruikt en hen gedwongen elkaar vast
te pakken. Hij heeft mij een keer verkracht, heeft mij over zijn bed gegooid en
mij genomen, mij opengescheurd. Ik heb zo erg gebloed, dat de ziekenzuster
jodium gebruikte, en ik schreeuwde van de pijn.
In de voor enige tijd verschenen uitgave van "Kirche intern" (Oostenrijk) was onder het opschrift "Seksueel misbruik. Klooster-therapie" te lezen:
De huidige mens vergrijpt zich niet slechts aan de enkeling,
aan mens en dier, maar het is een globale strategie tegen mensen en dieren. Hij
is zelfs van mening, dat hij Gods schepping zou moet verbeteren. De wreedaardige
heersers-mens grijpt op veelvuldige en brutaalste wijze in het leven van de
dieren in - ook de planten- en mineraalwereld verschoont hij niet -, en anderen,
de grote massa, laat, doof en blind, tengevolge van hun egoisme en doffe
onverschilligheid, de gemartelde schepselen zonder protest aan hun lot over.
Hetzelfde gaat de mens ook met zijnsgelijke om.
De huidige priesterkaste heeft zich eveneens zijn eigen god
uitgedacht als die in de tijd van Mozes. Alleen stemt de huidige "god"
niet overeen met het Oude Testament, noch met de leer van Jezus. De kerkelijke
ambtsdragers pasten te allen tijde hun god of hun goden aan "de tijd"
- zeg: hun eigen voorstellingen van dat moment, aan hun behoeften en doeleinden
- aan. De ware God daarentegen is niet de kerkelijke tijdgeest-god, maar de
onveranderlijke, die Jezus ons geleerd heeft. De kerkelijke tijdgeest-god is
niet constant en niet betrouwbaar. Hier helpt het ook niet, dat men de
stabiliteit door absoluut geformuleerde uitspraken wil voorspiegelen. De
onwaarheid is nu eenmaal niet van eeuwige duur, ook al kan men de scheuren en
gaten in de ketel van de onwaarheid met de pleister "dat zijn de geheimen
van God" een tijdlang provisorisch repareren. Het licht der waarheid brengt
alles aan het licht.
Waarom houden de kerkelijke ambtsdragers zich niet aan hun
eigen uitspraken? Zouden zij het Oude Testament in het Nieuwe met alle details
tot voleinding laten komen, dan waren zij de eersten, die door de
"god" uit de "boeken Mozes" gedood zouden worden.
De huidige mensen - vooral de kerkelijke gelovigen - gaan in
de voetsporen van de kerkelijke overheid, die een veranderlijke, dus met de tijd
meegaande, zich als het ware aan deze tijd en aan de tijdgeest
ondergeschiktmakende "god" verkondigen, opdat hun nek niet in de strop
van het Oude Testament geraakt, die hen de "god" uit de "boeken
Mozes" allang om de nek geslagen en aangetrokken zou hebben. Zij hebben dus
hun tijdgeest nodig, die zij "god" noemen.
Flexibel past deze zich aan de momenteel voor de heersers
belangrijkste voorwaarden aan, opdat men zo mogelijk weinig moeilijkheden heeft,
hem de gelovigen zo te presenteren, dat deze in hun lethargie, egoisme en
genotzucht niet teveel worden gestoord. Dan blijven zij graag in de schoot van
deze aangename kerk, die hen zo menige gewetensbeslissing afneemt en hen het
alibi franco huis verschaft voor monsterachtigheden van allerlei aard.
De ware Eeuwige is de Absolute. Hij is de alwijze heelal-wet,
die liefde is. Ik herhaal: God, de liefde straft en kastijdt niet, Hij verdoemt,
doodt en moordt niet. God zal ook geen mensen, noch dieren aan mensen
overleveren. Dat dit zo is, leerde ons Jezus. Hij leefde de wet van Zijn Vader
en is een voorbeeld voor ons.
Leren we de diepte van Zijn leer en de uitspraak: volgt
mij na! (Matth. 4, 19) te begrijpen, dan weten we, waarom Jezus ons
nadrukkelijk op het hart drukte, in Zijn voetsporen te gaan. Wilde Jezus ons
daarmee o.a. zeggen, dat wij niet in de voetsporen van de priesterkaste moeten
gaan, die een tijdgeest leren, dus een tijdgeest-god, die de mensen
onvermijdelijk in het verderf stort, wat ons onze huidige tijd, onze wereld,
aantoont? Ook de ziener van Patmos heeft dit gezien, want er staat in de
openbaring van Johannes: Gaat weg van hen, mijn volk, opdat jullie geen deel
hebben aan hun zonden en niets ontvangen van hun plagen. (18, 4)
Nog eens zij duidelijk en niet mis te verstaan gezegd: Jezus
sprakt tegen het brute en bestiale afmaken van dieren en tegen het doden en
vermoorden van mensen. Wij zouden onszelf zolang vragen moeten stellen, tot we
de verlichting ontvangen en diep in onszelf inzien, waarom Jezus een andere God
verkondigde dan de "god in de boeken Mozes" en van de huidige
kerkelijke overheid. Of wij geloven aan meerdere goden van verschillende
kwaliteit; in dat geval is dat de filosofie van de enkeling, die daarvoor geen
kerkelijke instantie nodig heeft; behalve als hij daaromtrent weinig fantasie
heeft, dan is hij als "religieus" lid van de kerk op de juiste plaats.
Zou de ene God echter veranderlijk zijn, wee dan de mensen, die zich van de
heidense cultus-staatskerk hebben afgewend.
Men wege dus wijs af, en bedenke alles goed! God heeft de
mensen niet alleen een hart gegeven - op wiens ingevingen men zich, ten gevolge
van gewetensverlies, vaak niet meer zo goed kan verlaten -, maar ook een
verstand. Het is aan te bevelen, dit te gebruiken en het misschien lang
ongebruikte vermogen tot zelfstandig denken weer te wekken.
Om zelf duidelijkheid te krijgen, is het een goed middel,
zichzelf - of ook God in een innig gebed - vragen te stellen. Want: wie eerlijk
vraagt, kan geleid worden.
Na 2000 jaar wordt het tijd, dat de mens, die in Jezus
gelooft en Hem wil navolgen, de beslissing neemt: ofwel in de voetsporen te gaan
van Jezus, de Christus, dus zijn leer in praktijk te brengen - of in de
voetsporen van de huidige kerkelijke overheid die niet onderdoet voor de
priesterkaste uit de tijd van Mozes.
Ofschoon het de tegenspeler van God gelukt was, het woord
Gods door de profeet Mozes grondig te vervalsen, bleef de woordelijke inhoud van
de Tien Geboden, die een uittreksel zijn uit de eeuwige, Absolute Wet van de
hemelen, daarvan tot in onze tijd grotendeels verschoond.
Het vijfde gebod luidde en luidt evenals toen: Je zult niet
doden.
Echter: in de eenheidsvertaling van de Neuen Jerusalemer
Bibel uit het jaar 1985, staat in de rij van de geboden Gods op deze plaats
reeds: Je zult niet moorden. Deze nieuwe formulering is zonder twijfel
aan de god van de tijdgeest, de tijdgeest-god, toe te schrijven. Zij stelt een
afzwakking van de veelomvattende uitspraak "je zult niet doden" voor.
Jezus daarentegen zei in Zijn Bergrede zelfs: Jullie hebben gehoord, dat tot
de ouderen is gezegd: je zult niet doden; wie echter iemand doodt, zal het
gerecht ten prooi vallen. Ik echter zeg jullie: ieder, die ook maar boos is op
zijn broeder, zal aan het gerecht worden overgeleverd; en wie tot zijn broeder
zegt, jij domkop, zal aan het vonnis van de hoge raad overgeleverd worden; wie
echter tot hem zegt: jij (goddeloze) nar, zal aan het vuur van de hel ten prooi
vallen. (Matth. 5, 21-22)
Jezus heeft dus niet de absolute uitspraak "je zult niet
doden" afgezwakt en haar betekenis op speciale op zichzelf staande gevallen
beperkt - integendeel. Jezus heeft ze verdiept. Hij heeft geleerd, dat niet
alleen in de voltrokken daad van het doden het tegen-de-naaste-zijn ligt, maar
reeds in kwetsende of afwijzende woorden, samen met de daarin liggende gevoelens
en gewaarwordingen. Hij maakte ons er daarmee op attent, dat al ieder klein
gevoel van onderwaardering van een naaste, eventueel ook t.o.v. de dieren onze
overnaasten, voor God zonde is. Jezus sommeerde ons als het ware, ons geweten te
sensibiliseren.
En: Jezus sprak uitdrukkelijk van "doden" en niet
van "moorden".
Jeremia had het volk reeds op de vervalsingen "van de
schrift" opmerkzaam gemaakt. In Jeremia 8, 8 sprak hij van de
"leugengriffel van de schrijvers", die de wet van de Heer "tot
leugen hebben gemaakt".
Wiens "leugengriffel" heeft nu opnieuw het woord
Gods door Mozes vervalst? Wie dienen degenen, die zoiets doen? Wat moet er met
de uitspraak "je zult niet moorden" gerechtvaardigd worden? Moet zij
ertoe dienen, het geweten van de mensen verder te sussen, opdat het niet meer
aanslaat als er onrecht geschiedt?
De ongeest van het Oude Testament bereidde voor - zeg: hij
gaf de methode aan -, in het Nieuwe Testament zet het zich succesvol
doorgevoerde methodisch, plan- en doelbewust voort tot nu toe. Onder de ogen van
vele miljoenen intellectuele mensen wordt - simsalabim - uit wit nu zwart. Zijn
dat de "wonderen" van tegenwoordig?
Wie de kloof tussen de verschillende uitspraken - doden en
moorden - niets kan schelen, zit op twee stoelen en probeert twee heren te
dienen, de geest van de wrede "god" in de "boeken Mozes" en
daarmee de kerkelijke instituties - en een beetje Jezus, de Christus, die de God
van de barmhartige liefde onderwees.
Jezus zei met woorden van de volgende strekking: Mijn
Vader en Ik zijn één. Waar er twee één zijn, spreken zij dezelfde taal.
Wie oren heeft om te horen, die hore!
Hoe leerde Jezus het in Zijn Bergrede? Wie ook maar boos is
op zijn naaste, zal aan het gerecht worden overgeleverd. En: wie
"domkop" zegt, zal aan het vonnis van de hoge raad overgeleverd
worden. Wie oren heeft om te horen, die hore! En wie een geweten heeft, zal
Jezus, de Christus navolgen en naleven, hetgeen in de Johannes-openbaring staat,
dat ik hier herhaal: Gaat weg van hen, mijn volk, opdat jullie geen deel
hebben aan hun zonden en niets ontvangen van hun plagen. (Openb. 18, 4)
Jezus droeg niet bij aan de ondermijning van ons geweten. Hij
sommeerde ons ook niet, het met listen en trucjes, met spitsvondige
formuleringen te sussen en tot zwijgen te brengen. Dat doet alleen degene, die
tegen God is en werkt en die reeds het woord Gods door Mozes in het tegendeel
heeft veranderd. Hiervan nog een voorbeeld:
In het 2e boek Mozes, Exodus (Einheitsübersetzung) staat: Wie
een mens zodanig slaat, dat hij sterft, wordt met de dood bestraft (Exodus
21, 12). Wie zijn vader of zijn moeder slaat, wordt met de dood bestraft. Wie
een mens rooft, onverschillig, of hij hem verkocht heeft of dat hij zich nog in
zijn macht bevindt, wordt met de dood bestraft. (21, 15-17)
In Exodus 21, 24 staat verder: Oog om oog, tand om tand,
hand voor hand, voet voor voet, brandmerk voor brandmerk, wonde voor wonde,
striem voor striem.
En dat werd vaak genoeg letterlijk genomen en diende als
legitimatie voor allerlei wraakacties.
Jezus sprak daar in de Bergrede niet over. Daar staat: Jullie
hebben gehoord, dat er is gezegd: oog om oog en tand om tand. Ik echter zeg
jullie: biedt geen weerstand aan degene, die jullie kwaad doet, maar als iemand
je op de rechterwang slaat, houd hem dan ook de andere voor. En als iemand je
voor het gerecht wil brengen, om je het hemd af te nemen, geef hem dan ook je
mantel. En als iemand je wil dwingen een mijl met hem te lopen, loop er dan twee
met hem. Wie iets aan je vraagt, geef het hem, en wie iets van je wil lenen,
wijs hem niet af. (Matth. 5, 38-42)
Bij Jezus lezen wij dus heel andere woorden dan van de
"god" uit de "boeken Mozes". Wie een oprechte christen wil
zijn, zou een besluit moeten nemen: ofwel vóór God door Jezus, de Christus, of
voor de god van de kerkelijke instituties, want men kan geen twee heren dienen.
Ooit brengt ons de verkeerde god ten val. Onze onverschillige, onbarmhartige
maatschappij is daarvoor het beste bewijs.
In het vijfde boek Mozes, Deuteronomium, is er o.a. sprake
van vergelding:
En laat geen medelijden in je opstijgen, leven voor leven,
oog om oog, tand om tand, hand voor hand, voet voor voet.
(19, 21)
De oorlog en de strijders. Als je ten strijde
trekt tegen je vijanden, raak dan niet onder de indruk van hun ruiterij en
strijdwagens en van hun overwicht aan manschappen, dan moet je niet bang voor
hen zijn; want de Heer, je God, die je uit Egypte heeft weggehaald, is bij je.
Voor het begin van de strijd, moet de priester naar voren
treden en het krijgsvolk als volgt toespreken: Israël, luister! Jullie trekken
vandaag ten strijde tegen jullie vijanden. Verliest de moed niet! Weest niet
bang, raakt niet in paniek en wijkt niet geschrokken terug, als zij aanvallen.
Want de Heer, jullie God trekt met jullie mee, om voor jullie tegen jullie
vijanden te strijden en jullie te redden.
(20, 1-4)
Als was sindsdien niet Jezus, de Christus, op aarde geweest,
doet men het tegenwoordig hetzelfde: de priesters van tegenwoordig zegenen de
oorlogen en de wapens, omdat ze denken, dat de door hen gezegenden God aan hun
zijde hebben, tegen de "vijand".
In hetzelfde boek Mozes heet het verder:
De verovering van de steden. Als je een stad wilt
aanvallen, bied dan eerst vredesvoorwaarden aan. Neemt zij de vredesvoorwaarden
aan en opent je de poorten, dan moet de hele bevolking arbeidsdienst verrichten
en je onderdanig zijn. Verwerpt zij het vredesaanbod en verkiest zij de strijd,
dan mag je de stad belegeren. Levert de Heer, je God, de stad aan je uit, dan
moet je alle mannelijke personen met een scherp zwaard doodslaan. De vrouwen
echter, de kinderen en grijsaards, het vee en alles wat zich nog meer in de stad
bevindt, alles wat er te plunderen valt, mag je als buit nemen. Wat je bij je
vijanden geplunderd hebt, mag je gebruiken, want de Heer, je God, heeft het je
geschonken.
Zo doe je het met alle steden, die ver weg liggen en niet tot
de steden van dit volk behoren. Uit de steden van dit volk echter, dat de Heer,
je God, je als erfelijk bezit geeft, mag je niets, wat adem heeft, in leven
laten. (20, 10-16)
In de middeleeuwen waadden de kruisridders in het bloed van
degenen, die zij in naam van het kruis hadden overwonnen. Tussen 1941 en 1943 in
Kroatië was het niet veel anders. De kerk maakt waar: het Oude Testament
"verduidelijkt" het Nieuwe Testament - doch niet met het licht Gods,
waarvan Christus verkondigde en tegenwoordig weer verkondigt!
God is de vrede. Christus kwam in Jezus, om alle mensen de
vrede te brengen. Hij zal - in de Geest - terugkomen als de vredevorst, dat is
zeker.
Jezus sprak in Zijn Bergrede van de liefde tot de vijand. Bij
Mattheus staat:
Jullie hebben gehoord dat er is gezegd: je zult je naaste
liefhebben en je vijand haten. Ik echter zeg jullie: hebt je vijanden lief en
bidt voor hen die jullie vervolgen, opdat jullie zonen worden van jullie Vader
in de hemel; want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en Hij
laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Als jullie namelijk
alleen diegenen liefhebben, die jullie liefhebben, welk loon kunnen jullie
daarvoor verwachten? Doen dat niet ook de tollenaars? En als jullie alleen
jullie broeders groeten, wat voor buitengewoons doen jullie daarmee? Doen dat
niet ook de heidenen?
Jullie moeten dus volmaakt zijn, zoals het ook jullie hemelse
Vader is. (Matth. 5, 43-48)
Weer zien we: Jezus zei: Jullie hebben gehoord ... Hij zei niet "jullie hebben van God door Mozes gehoord"; Hij zei ook niet "jullie hebben van de profeet Mozes gehoord". Hij zei: "Jullie hebben gehoord ... "