Verdere uitgaven van deze brochure zijn gratis verkrijgbaar bij Universelles Leben e.V., Haugerring 7,
97070 Würzburg, tel.
(+49) 931-3903-0 , fax: (+49) 931-3903-233 of


De stem van het hart,
de eeuwige waarheid, de eeuwige wet van God,
gegeven door de profetes van God voor onze tijd

April '99 Verschijnt onregelmatig Nr. 7

Het fundamentele in onze tijd, om over
na te denken en tot zelfkennis te komen

Het leven van de ’christenen’
in de loop van het jaar

De Christusvriend:

Toen ik onlangs een catalogus van een verzendhuis doorbladerde, kwam ik daar allerlei dingen voor "kerstmis" tegen. Naast verzorgde kleding en gedeeltelijk mooie, degelijke gebruiksvoorwerpen, vond ik in dit boek alles, wat in de voorstellingswereld van de meeste mensen "kerstmis" uitmaakt. Dennegroen en kaarslicht, stralende kinderogen, knus familiegeluk aan de geschenktafel. De roodwan-gige kerstman, resp. Santa Claus, presenteerde met een schalkse glimlach zijn propvol gevulde zak, engeltjes uit terracotta of kunststof zongen of bespeelden diverse instrumenten; een sieradenkastje bevatte een speeldoos, die naar keuze "Stille nacht, heilige nacht", "O, du fröhliche" of "Ihr Kinderlein kommet" kon spelen. Kerstgroepen uit hout en kunststof werden aangeboden met het lieftallige kindje Jezus in een houten of kunststof wiegje, dat zegenend de handjes ophief, met een devote Maria en Jozef met hooggehouden stallantaarn, waarin een lampje voor het juiste licht zorgde. Er waren knielende herders, schaapjes en de drie koningen uit het Oosten in prachtige gewaden, met kronen op het hoofd. De stralende ster en musicerende, met wapperende stoffen banden beklede mollige engeltjes, waren er ook bij - alles, wat nu eenmaal hoort bij een "echte" kerstmis.

Een paar bladzijden verder sieraden: hangertjes in de vorm van een kruis, deels met corpus, in goud en zilver, met diamanten bezet en voor de smallere beurs met zirkonia. Naast het traditionele kerstgebak ook de fijnste ganzeleverpastei en malse ham met een kwaliteitszegel etc.

Op de meer dan 1000 bladzijden van deze catalogus, uitgebeeld door geschoolde vaklui, kwam ik al de wensvoorstellingen tegen, de cliché’s, die in de mens rond kerstmis zo levendig zijn. Zouden ze dat niet zijn, dan zouden deze handige en psychologisch geschoolde reclamevaklui ze niet zo deskundig - en effectvol - in beeld brengen. Ik was getroffen. Bij mij kwam de gedachte op: wat hebben wij mensen - christenen - van kerstmis gemaakt?

Maar tegelijk viel me in: ofschoon ik mij ook tijdens mijn - 18 jaar geleden beëindigde - lidmaatschap van de katholieke kerk absoluut als een christen voelde, had deze veruiterlijkte kerst met haar cliché’s en sentimentaliteiten ook tot mijn wereld behoord. Ofschoon ik ieder jaar de kerstnachtmis en elke week de zondagsmis bezocht, werd mij de ware betekenis van kerstmis eerst bewust, toen ik de kerk de rug had toegekeerd en ik de waarheid ging zoeken.

 

De profeet:

Zoals het jou verging, verging en vergaat het velen, die zich christen noemen. Kerstmis is tot kermis geworden, tot een spektakel van menselijke genotzucht en ijdelheid, waaraan zich tenslotte pas diegene kan onttrekken, die zich bezig houdt met de navolging van Jezus en innerlijke waarden opbouwt. Eerst als we ons bewust maken, dat Christus in ons hart leeft en wij, door het actief in praktijk brengen van de geboden Gods en de Bergrede van Jezus, onze levensinhoud veranderen, zal zich ook ons beeld van kerstmis - alsook onze programmawereld veranderen. Wij zullen dan ook Gods zoon gedenken, wiens geboorte ten grondslag ligt aan het kerstfeest.

Als ik van de geboorte van Jezus hoor, gaat mijn hart open. Vooral in de kersttijd wordt me opnieuw bewust, hoe de zoon van God de hemel, de heerlijkheid, het Zijn, de vrede en niet op de laatste plaats de eeuwige Vader en ook Zijn troon, die aan de rechterkant van de Eeuwige staat, heeft achtergelaten, om in een menselijk lichaam, een zuigeling, geboren te worden. Hij nam, zoals alle kinderen van deze aarde, de aardse, ruwe en koude wereld aan, om daarin te leven. De rijken van deze wereld hebben warme, met kostbare voorwerpen ingerichte woonruimtes; hun leven verloopt in een welgesteld milieu, waarin wel de een over de ander vaak niet zo vriendelijk denkt en spreekt, maar rijkdom dekt steeds weer de vele intermenselijke oneffenheden toe, naar de wereldse grondregel: "Doe jij mij niets, dan doe ik jou ook niets." In dit bewustzijn leven veel rijken en ze leven, voor zover men van "goed" kan spreken, best goed. Men kan zich in het uiterlijke al het denkbare veroorloven - men is "goed gesitueerd".

Maar hoe was het met de welgestelde van de hemelen, de zoon van de Allerhoogste, die uit het innerlijke rijk kwam, waarin alle wezens rijk zijn, omdat ze erfgenamen zijn van de oneindigheid, dus waarlijk welgesteld. Jezus kwam in het timmermansgezin bij Maria en Jozef. Hij kwam niet in een aards welgesteld gezin, maar bij mensen, die door hun Godbewuste leven de Eeuwige welgevallig waren, die in hun ziel de opdracht droegen en deze ook vervulden, de zoon van de Allerhoogste als mens in hun midden op te nemen. Hij kwam in hun midden, omringd door herders, schapen en andere dieren, die aanwezig waren op de geboorteplaats, in de stal, die het licht van de hemelen huisvestte.

Ofschoon ik in mijn aardse leven zo menige ontbering op mij moest nemen, ben ik dankbaar en blij, dat ik in het uiterlijke niet rijk ben. Bezit, macht, een miljoenenzwaar aanzien, zou me neerdrukken in het aangezicht van God, die Zijn zoon in de geringheid van deze wereld geboren liet worden, die Hem aan mensen heeft toevertrouwd, die slechts een klein huisje bezaten en niet meer te eten hadden dan dat, wat Jozef door zijn handarbeid verdiende.

 

De Christusvriend:

Als God vóór de rijkdom van de rijken zou zijn, had Hij Zijn zoon in een rijk gezin geboren laten worden of Maria en Jozef tot welstand gebracht. Juist kerstmis laat mij zien, dat ik met mijn geringe bezit op de juiste weg ben. Juist met Kerstmis voel ik, dat het er alleen op aankomt, dat te doen, wat ons de Mederegent van de hemelen in Jezus heeft onderwezen en voorgeleefd. Juist met Kerstmis voel ik, dat ik, een klein lichtje, Hem, het grote licht, mag navolgen, door mij steeds weer aan het grote licht, aan de Christus-Gods, te ontsteken, zodat mijn liefdevlammetje groter wordt.

Kerstmis is voor mij niet meer, wat ik op de advents- of kerstmarkten, in de winkelstraten van de steden, in de aanbiedingen van de verzendhuizen tegenkom, maar de adventsweken en kerstmis zelf zijn nu voor mij een heel bijzondere tijd.

Met kerstmis is het mij, alsof zich in mijn innerlijk sluizen openen, krachten vrijkomen, die niet het kindje Jezus dichter bij mij brengen, maar de Christus-Gods, die als Jezus tot ons kwam, die in de duisternis van deze wereld kwam en ons het licht van de hemelen bracht, de belofte van de liefde van God en de verlossing voor alle zielen en mensen.

 

Antwoord van de profeet:

Je hebt groot gelijk! Kerstmis is een bijzondere tijd. Hij kan de harten van de mensen gevoelig maken, als dezen gedurende het jaar datgene vervulden en toepasten, wat de harde korsten van het egoïsme en het profijtdenken oplost, wat de mensen verzoenlijker en vredelievender maakt: het in het reine brengen van het al-te-menselijke, om in de navolging te gaan van Jezus, de Christus. Dan is onze ziel lichter geworden, want we voelen, dat het ten einde lopende jaar zich voor ons heeft geloond. Ons leven verloopt dan steeds bewuster, omdat Christus het midden van ons leven is geworden. We hebben stappen gedaan, die ons tot onze naasten leiden, om vóór hen te zijn. De positieve communicatie - met onze medemensen, met dieren, planten, stenen, het gesternte, de elementaire krachten, met alles wat leeft - neemt toe. Dat geeft een dankbaar gevoel van vervuld-zijn, dat innerlijk geluk betekent en ons rijk maakt, onafhankelijk daarvan, hoe het met het uiterlijke, materiële gesteld is. Wie de innerlijke rijkdom ontsluit, verheugt zich over de kleinste dingen van het leven; hij wordt levensbewust en staat dicht bij het leven. Hij bevestigt in alles het positieve, ook dan, als hij het negatieve ziet. Hij zal het tegenstrijdige geen macht geven, maar zich met het positieve verbinden.

Wij zijn nu eenmaal op aarde, om de aardse school te doorlopen, dat wil zeggen, dag na dag onze leerstappen te doen, door de aspecten van onze zondigheid in te zien, te berouwen en in het reine te brengen, wat de dag ons toestraalt, zodat we met de hulp van de Christus-Gods en onder Zijn leiding dichter bij God, onze Vader, komen. Op deze weg van inzicht en in het reine brengen worden we gevoeliger, openhartiger voor onze medemensen, omdat onze ziel zich steeds weer ontsteekt aan het licht van de Christus-Gods.


Kijkt men in deze wereld, dan ziet men in al het catastrofale, machthongerige, uitbuitende en hebzuchtige handelen steeds weer een lichtje, een mens, die zich heeft afgekeerd van dit vampirische bestaan en zich tot Christus wendde, die zich heeft bezonnen om zich te beteren, die zijn denken en leven meet aan de Tien Geboden en de leer van Jezus. Dat deze lichtjes toenemen, dat ze zich samenvoegen tot een wereldomvattend lichtnet, dat anderen aantrekt, die hun hartelicht willen ontsteken door een positief, naar God toestrevend leven - daarin ligt de hoop voor een betere, waarachtig christelijke wereld, waarin Christus het midden is, het leven in God. Zulke mensen zijn zachtmoedig, hebben dus een gevoelig hart, omdat ze het hele jaar door hebben gestreden tegen hun fouten en zwakheden, hun egoïstische denken en handelen, om met de hulp van onze Verlosser daarvan vrij te komen. Het zijn mensen, die zich hebben afgewend van de bombarie om het beeldje uit klei, was of hout, dat het kindje te Bethlehem moet symboliseren, om zich te wenden tot de Verrezene, wiens verlossende kracht in hen - evenals in ieder van ons - leeft. Het zijn diegenen, die bij zichzelf de tempelorde uitvoeren, wat inhoudt, de tempel Gods, ziel en lichaam, te reinigen van zonden, zodat het grote licht - waarvan je zojuist sprak - steeds meer kan stralen door de ziel en het lichaam van de mens. Deze godvruchtige mensen zijn het, die op de hoogte zijn van de alkracht en de almacht van God, die in ieder mens woont en in alle levensvormen van de natuur. Voor hen geldt: raap de steen op en je wordt God gewaar. Kijk in de waterdruppel, in het beekje, de machtige golven van de zee en je beleeft Hem. Beschouw het diertje en je neemt goddelijk leven waar. Kijk naar een bloem en je ziet het licht van de hemelen. Kijk naar het firmament, naar de sterren, en de almacht van God straalt je tegemoet. Neem je naaste aan en je ervaart, dat de liefde Gods in hem woont.

Voor zulke mensen is het kerstfeest een groot dankfeest voor het ten einde lopende jaar. Zij leven in de innerlijke beschouwing en weten, dat ook zij kinderen zijn van de Allerhoogste, die tijdens hun aardse bestaan weer bewust in het geestelijke rijpen tot zoon, tot dochter, om in de eeuwigheid, in God opgenomen te worden, dus terug te keren tot Hem, die Zijn zoon naar ons mensen zond, Jezus, de Christus.


In de kersttijd worden enorme bedragen uitgegeven, om in de straten, in de huizen en soms ook in de voortuintjes het licht te produceren, dat in het innerlijk van veel mensen niet ontwikkeld is. Wel ligt de vonk van goddelijk licht, de Gods- en verlosservonk, onuitwisbaar in de diepte van onze ziel, wel wordt hij - vooral in de kersttijd - in zo menigeen aangeraakt. Maar waar het ijs van het hart niet gedurende het jaar tot smelten werd gebracht, zal uit het meest verlangende gevoel uit de ziel - uit de grond van het hart, weinig meer kunnen opbloeien dan een vage weemoed, een aandoenlijkheid - sentimentaliteit. Sentimentaliteit is daaraan te herkennen, dat ze vruchteloos, dus zonder consequenties voor het denken en het leven van de mens blijft. Aandoenlijkheid betekent het roeren in het vat van onduidelijke weemoedigheidsgevoelens en niet toegegeven schuld, vermengd met zelfmedelijden, het betreuren, veel te hebben verzuimd. Wie zich overgeeft aan sentimentaliteit, zal daar vast niet zalig van worden, daarentegen zullen schuldtoewijzingen aan het adres van de naaste, verwijten, aanklachten en niet zelden agressies niet lang op zich laten wachten. Soms wordt in de "heilige nacht" veel ruzie gemaakt; eventueel wacht men nog met de uiteenzettingen, tot de kleintjes naar bed zijn. Velen verdrinken hun massieve en agressieve gemoedsbewegingen in wijn en champagne. "Stille nacht, heilige nacht". De volgende dag gaat het weer verder zoals voorheen.

Zou zo menigeen in zijn - door de in kerststemming veroorzaakte sentimentele opwellingen - kijken, het gevoel laten komen, dan zou hij daaruit tot zelfinzicht komen en de kracht krijgen voor berouw over zo menig begaan onrecht of over wat door zijn schuld werd verzuimd en zo zou hij, met de kracht van zijn, onze Verlosser, weer veel goed kunnen maken en een wending aan zijn leven kunnen geven.

Zoals de zon een grote ijsblok niet in een enkele dag kan veranderen in levend, stromend water, zo zal ook met kerstmis het hart van zo menig "christen" niet gevoelig worden, die de energie van zijn dagen ertoe heeft benut, zijn medemensen murw te maken of uit hen te persen, wat hem tot nut en voordeel was. Velen hebben hun geweten allang tot zwijgen gebracht, zodat het hen nog maar weinig bewust wordt, dat ze het hele jaar door hun medemensen veronachtzaamden, hen voor hun doeleinden misbruikten, uitbuitten, aanspraak maakten op hun bezit, druk op hen uitoefenden, zodat dezen datgene voor hen doen, wat ze zelf niet willen doen, die zich met de ellebogen hebben opgewerkt op de ladder van het succes. Het was en is het murw maken van de medemens door laster, discrimineren, door verbreiden van onwaarheden en nog veel meer. Veel mensen raakten aan de rand van het bestaansminimum, miljoenen zijn werkeloos. Maar vele duizenden zijn miljonairs, die hun bankkonto verder verhogen, opdat het hun goed gaat op aarde. Zij allen, rijk en arm, uitbuiters, opruiers, aanranders, kindermishandelaars, bordeelbezitters, dierenkwellers, afpersers enz. noemen zich "christen"; velen van hen zijn katholiek of luthers. Zij zitten in de kring van hun gezin als trouwe familievaders en -moeders om de vers gekapte denneboom, die geurend zijn levenskracht uitblaast, verteren "beschaafd" de levend in kokend water geworpen kreeft of de door volstoppen vetgemeste, nu gebraden gans, zingen "stille nacht, heilige nacht", onderdrukken eventueel een traan van weemoed, omdat ze, ontroerd door de kerststemming, moeten denken aan hun kindertijd, waar vader en moeder hen tenminste met kerstmis nog een beetje ’n "gelukkige wereld" hadden bezorgd.


Het kerstfeest, het "hoogste feest van het jaar", is tot bekroning geworden van het belachelijk maken van Jezus, de Christus. Werpen we vervolgens enkele schijnwerpers op de begoocheling wereld, die in de naam van het christen-zijn wordt geschapen. Rond de kersttijd gaat het jaar ten einde. Laten we er eens op terugkijken. Enkele dagen na het kerstfeest begint de nieuwjaarsdrukte, waarop "christenen" enkele honderden miljoenen voor vuurwerk - als knaleffect voor het beginnende jaar - de lucht in jagen. Hoeveel mensen zouden met deze miljoenen kunnen worden geholpen - kinderen, die in weeshuizen erbarmelijk wegkwijnen, mensen, die onder bruggen leven, kinderen in de onderontwikkelde landen met dikke buikjes, gezwollen door de kwellende honger. Kinderen sterven aan de borst van hun moeder, omdat ze geen voedsel heeft en het lichaam ten gevolge daarvan geen melk ontwikkelt, om de kleine te voeden. Mensen, die met tienduizenden sterven van de honger, mensen, die in de krottenwijken of vluchtelingen-kampen wegkwijnen, wier lichaam bezaaid is met ziektes, die op hun dood moeten wachten, omdat de christen, die de naastenliefde in praktijk behoort te brengen, hen niet de nodige medicamenten, vaak niet eens een handvol graan of een stuk brood brengt. De "christen" jaagt het de lucht in.


Zalig nieuwjaar! De alcohol stroomt, zo menig "christen" is dronken. Weer anderen showen hun goeddoorvoede lijf en weten van weelde vaak niet meer, welke culinarische kostelijkheden ze nog tot zich zullen nemen. Het gaat verder: na nieuwjaar volgt carnaval. Bedwelmende en dronken makende feesten in nachtclubs, in discotheken, in mooi versierde danslokalen, bieden de gelegenheid, de vrouw weg te nemen van de man en de man van de vrouw. Men biedt zich eenvoudig aan. Wat betekent trouw, als men zin heeft zijn lusten bot te vieren?

De welgestelden en rijken over de hele wereld komen op galafeesten bij elkaar. Wie staat er voor de deur? Een arme, in lompen geklede jongen, die de hongersnood van velen symboliseert, een jonge vrouw, mager en afgetobt, die haar dode kind aan de borst draagt. Zij vertegenwoordigen de straten van ellende.

De arme jongen en de magere jonge vrouw met haar dode kind symboliseren de woorden van Jezus: "Ik was hongerig en jullie hebben Mij niet te eten gegeven. Ik was dorstig en jullie hebben Mij geen drinken gegeven. Ik was een gast en jullie gaven Mij geen plaats in de herberg. Ik was naakt en jullie hebben Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en jullie hebben Mij niet bezocht." Dan zullen ze Hem antwoorden en zeggen: "Heer, wanneer hebben wij Jou gezien, hongerig, dorstig of als gast of naakt, ziek of in gevangenschap en hebben Jou niet gediend?" Dan zal Hij hen antwoorden en zeggen: "Waarlijk, Ik zeg jullie: wat jullie niet hebben gedaan aan een van deze geringsten, dat hebben jullie ook niet aan Mij gedaan."

Allen, die voor de poorten van de galalokalen staan, voor de clubs, voor de sjieke hotels, verzinnebeelden ook het zoeken van een herberg door Maria en Jozef. Maria, de hoogzwangere vrouw en Jozef gingen van huis tot huis en klopten aan de deuren, omdat Maria voor de bevalling stond. De deuren bleven gesloten. Een mens, die zelf nauwelijks voedsel bezat, gaf Maria en Jozef onderdak; wij noemen het de stal van Bethlehem. Daar vond de bevalling plaats, daar lag het kind in een kribbe op stro. Nu staat er een kind in lompen gekleed, een jonge vrouw met haar dode, verhongerde kindje voor het gala-lokaal. Waar? In Londen? In Rio? In Dehli? In New York? Bij ons, hier en nu. Bij degenen, die zich "christen" noemen. Horen jullie "christenen", enkele weken geleden schalde het uit dezelfde feestzaal: "vrolijk kerstfeest, overal!" En: "Ihr Kinderlein kommet, o kommet doch all ..." Nu verlaten enkele sentimenteel gestemden het feest door de helder verlichte ingangshal - de maag gevuld met wijn en kostelijke spijzen, met vis, kalkoen, gelardeerde reebout, goed bereide hazenruggen, wildbraad dus voor de "christenen", fijn gebraden rundvlees mag niet ontbreken, een stuk van het varken moet er ook zijn, een mooie kippe- eende- of ganzebout, feestelijk bereid, natuurlijk in de juiste saus. In de handjes van de magere, in lompen geklede jongen, werpen de hoge gasten ’n paar geldstukjes. Voor de magere vrouw met de wijd opengesperde ogen blijven ze ontzet staan, want de aanblik van het dode kind verschrikt hen ten zeerste. Ze schudden hun goedverzorgde hoofd en denken: wat wordt ons hier aangedaan! En zoiets voor onze club! Verontwaardigd gaan ze verder. Hun opflakkerende sentimentaliteit verdwijnt in het zachte wiegen van de luxe limousine, die hen naar hun verwarmde huis, hun warme appartement brengt , naar hun gave, mooie wereld.

Carnaval loopt ten einde, aswoensdag breekt aan - as op het geachte hoofd. Het wil zeggen: gedenk mens, dat je stof bent en weer tot stof zult wederkeren. Maar wie denkt er nu na over de stof, die hij, de mens, zou zijn? Voor zovelen ligt dit alleen maar op straat. Of het zijn voor hem de mensen, die arm en ellendig op de straten van deze wereld liggen of bedelend voor de edele lokalen staan. Zolang de "stof" zich in kostbare gewaden kan kleden, zijn "de anderen" de stof.


Nu is het vastentijd! O nee, voor zo menigeen is het nu biertijd! Nu stroomt meer het bier, de wijn minder; van iets moet de "christen" toch dronken zijn. Buiten voor de biertent staat een kind, een oude vrouw met een kleumend kind. In de hand draagt ze een korf en biedt bloemen aan, ook voor de bierdrinkende man. In het kindje en de oude vrouw staat Jezus voor de deur.


Hoe gedraag jij je, o christenmens,
kind van de wereld en alles naar wens?
Heb jij gevoel voor Christus,
voor een biertent of een galadeur?
In de naaste is de Heer,
de Meester roept: "Luister, vriend,
een kindje vraagt om brood,
in het gezicht van een oude vrouw staat de nood!"
Wat doe jij, o dronken christen?
Je geweten weet, wie je bent,
maar jij schenkt een paar cent
en het medelijden is al verdwenen.


Gaat de vastentijd en de biertijd ten einde, dan komt de Paasweek. Al weken voor deze feestdagen denken veel christenen erover na, waar en hoe ze de feestdagen zullen doorbrengen. Menigeen neemt er nog een, twee of meer vankantiedagen bij, om de bergen in te gaan of naar warmere streken, naar de zee. Wat geven veel "christenen" om Goede Vrijdag? Velen zeggen: de preek van de pastoor op Goede Vrijdag of Pasen is toch al tientallen jaren hetzelfde.

Goede Vrijdag betekent voor veel christenen: wij gedenken het sterven van Jezus aan het kruis. Met Pasen: wij gedenken de verrijzenis van Jezus. Men gedenkt dus. Heeft de christen in al die tweeduizend jaar er al eens over nagedacht, waarom ondanks de verrijzenis van Jezus de dode man nog steeds aan het kruis hangt - gisteren, vandaag en morgen? De gedenkdagen, Goede Vrijdag en de Paasdagen, zijn voor veel christenen slechts herinneringen, het inprenten van het gebeuren 2000 jaar geleden, dat de predikers steeds weer ophalen.

Opstanding betekent: Christus heeft de dood overwonnen.

Waarom - ik benadruk: waarom, dus om welke reden en tot welk doel - doet men jaar na jaar, alsof Hij niet is verrezen? Als beeld gezien: waarom doodt men Hem opnieuw? Zo misleidt men de gelovige, die door het "volbracht" van Jezus, de Christus, de verlossing in zich draagt en de weg wil gaan van het vrijkomen van zijn zonden, door Christus, de Verrezene, na te volgen. Dat is hoon en spot naar Christus, hoon en spot naar al degenen, die hun kruis opnemen, om zich, met de hulp van de Christus-Gods en dankzij Zijn opstanding, te bevrijden van hun zondenlast, zich te verheffen en naar het rijk van vrede en liefde te streven.

Bij de aanblik van de dode man, die nog steeds aan het kruis hangt, vragen velen zich af: wat heeft ons de dode Nazarener gebracht? De wereld is er niet beter op geworden. De vele, goedgemeende woorden van pastoors en priesters maken van deze wereld geen paradijs. Wat moet dat dus met Goede Vrijdag en het Paasfeest? Misschien, denkt zo menigeen, is dat allemaal nog voor oude mensen en voor allen, die nog ’n beetje sentiment nodig hebben. Misschien op de wijze, zoals de filosoof Nietzsche kritisch schreef over een God, "die op het juiste moment onze verkoudheid geneest of die ons op dat moment in de koets laat stappen, als net een fikse regenbui losbarst", juist zoals de mens het zich gevoelsmatig wenst. Anderen hebben hun geloof helemaal opgegeven en doen het heimelijk zoals Nietzsche, waarvoor de kerken niets anders meer zijn dan " de grafkelders en grafmonumenten van God". En als teken, dat de filosoof gelijk zou kunnen hebben, hangt daarin ook bewegingloos een dode man aan het kruis, terwijl - aldus Nietzsche - een "kanselraaf" daar zijn dienst doet.

Zo menige christen gaat in zijn afstandelijkheid niet zo ver als de filosoof, maar hij hecht eveneens grote waarde aan de woorden van de pastoor. Tenminste de schijn wil hij nog bewaren. Om niet helemaal gewetenloos te lijken, doet hij met Goede Vrijdag en Pasen nog min of meer mee. Op Goede Vrijdag, een vastendag, eet men vis. Natuurlijk moet het een verse karper zijn, een vers geslachte forel of een kabeljauw. Gisteren nog wandelde men langs de beek en verheugde zich over de vrolijke sprongen van de forel, over de sierlijke bewegingen van haar soortgenoten. Morgen liggen ze eventueel als kadaver, smakelijk toebereid op de eettafel. Onbekommerd om de forel met haar nu starre blik, wordt de "maaltijd" genuttigd. Men denkt er niet meer aan, dat het gisteren nog vissen waren, die monter en blij in het water zwommen en zich verheugden over hun bestaan. Voor de dierkanibaal mens is alles goed, forel of snoek. Belangrijk voor hem is het genot zonder ergernis, vermoedelijk ook, wanneer een mens als ik zijn geweten aanspreekt.

Velen zijn van mening, dat de mens tot dier geworden is. Alsjeblieft niet het dier beledigen! Dat is vaak veel edeler en fijngevoeliger dan de grove kannibalistische mens.

Wat zich de upper ten veroorlooft, met inbegrip van de kerkelijke overheid, dat wil de belasting- ofwel kerkbelastingbetaler - ook. Juist de kerkelijke overheid - zo denkt de na-aper - zou het moeten weten, en hij doet aan alle gebruiken mee, of het nu heidens of kannibalistisch is. Hij, de eenvoudige christen, moordt en slacht toch niet zelf. Hij laat het bloedige werk door anderen verrichten. Gisteren zag de christelijke wandelaar een lammetje op het weiland dartelen, het haasje huppelen in de wei, het jonge ree snel in het struikgewas glippen. Hij verheugde zich over het leven van de dieren, hun schoonheid, hun bevalligheid en levensvreugde. Morgen, op Paaszondag, nuttigt de (kerkelijke) christen de lamsbout, de gemarineerde haas of de gelardeerde reerug. De boer, weer een christen, heeft de vrolijke haas en het bevallige ree gejaagd en neergeschoten. Wat zou het? Met iets moet men zich toch voeden! Lam, haas en ree belanden, in stukken gesneden, goed gekruid, kundig bereid in de braadpan en dan op de tafel van de (kerkelijke) christenen.

De overnaasten, die wij varkens noemen, vergaat het niet beter. Gisteren was het varken nog monter en blij, vandaag is het geslacht en getrancheerd. Gedeelten van zijn dode lichaam worden door de slager gerookt, dus klaargemaakt voor het genot en te koop aangeboden. Zo menige (kerkelijke) christen, die weet, hoe het hoort, wikkelt de gerookte ham in een mooie, schone doek, om hem dan in een korf naar de kerk, naar de priester te brengen. Deze zegent de "gaven van de natuur". Nu is de ham gezegend en klaar om genuttigd te worden; gezegend zij - door de gewijde ham - het dierkannibalistische lichaam. Zijdelings was men toch nog "christen",.

Het christelijke geweten, dat zich minder oriënteert aan de Tien Geboden en de leer van Jezus dan aan het voorbeeld van de theologen, is flexibel. Op Goede Vrijdag was er tenslotte vis, met Pasen - geheel naar traditioneel oostelijk gebruik - is er dan ’s zondagsochtends een stuk gewijde ham, ’s middags de gelardeerde ree- of hazerug, een stuk gebraden rundvlees of een lamsbout, want "tenslotte heeft Jezus ook lamsvlees gegeten".

Wie nog naar de kerk gaat, zal in de paasdienst met vaste en zekere stem het bekende opstandingslied zingen: "Jezus leeft, met Hem ook ik. Dood, waar is je gruwel?" De Christus-Gods is waarlijk verrezen. Zijn Geest leeft in ons - maar leven wij in en met Hem? Doet de christen, wat Jezus leerde en voorleefde? Of werden veel mensen als het ware tot schrikbeelden voor de dieren in het bos, het veld, de wateren en de stallen? Werden niet velen tot schrikbeelden voor de gehele natuur? De "christen" velt bomen, ongeacht, of het lente, zomer, herfst of winter is, net zoals hij de dieren mishandelt, slaat en doodt. Christenen werden tot slachters en slagers van de natuurrijken. Dieren gaan er vandoor voor de teugelloze dierkannibaal mens.

Veel christenen nemen dit alles als vanzelfsprekend aan - zij voelen zich toch als heersers van de aarde en de maatschappij. Welke maatschappij? Een maatschappij van slachters, dieven, moordenaars, afpersers, rovers, bedriegers, gewelddadigen, leugenaars, lasteraars, discrimineerders, echtbrekers, kinderschenders, gewelddadigen in de natuur, dierenkwellers, planten- en mineralenschenders etc.etc. - dus van vernietigers van de gehele planeet aarde.

Zo menigeen zal nu verontwaardigd uitroepen: "maar ik niet!" Dan moet ik tegenwerpen: "bewijs het!" Hoe gedraag je je met woorden en daden tegenover je medemensen, laat staan in je gedachten? Hoe spreek je over je medemensen? Hoe zijn je daden en werken? Hoe groot is je Gods- en naastenliefde? Gelukkig hij, die van ganser harte goed voelt, goeds wenst, het goede wil, goed denkt en zich ook daarnaar gedraagt. Hij zal een goed en rustig geweten, dus een van vrede vervuld hart hebben.

 

De Christusvriend:

Stop, zo is het wel genoeg voor mij! Ik had tenslotte altijd nog zo’n mooi beeld van het kerstfeest. Ben ik gek geweest, dat ik als (kerkelijke) christen aan zoiets heb meegedaan? Ik schaam me, dat ik überhaupt een christen ben, want bij alles wat je hebt uiteengezet, heb ik mezelf verschillende keren op de borst moeten kloppen. Maar Jezus heeft op het Passahfeest ook een stuk lam gegeten. En bovendien heeft Hij toch ook vissen vermenigvuldigd. Heeft Hij ons daarmee niet laten zien, dat wij - tenminste nu en dan - vlees kunnen eten?

 

Antwoord van de profeet:

In "Das ist Mein Wort. A und W . Das Evangelium Jesu. Die Christusoffenbarung, welche die Welt nicht kennt" verduidelijkt Christus daarover het volgende:


"Noch de apostelen, noch de volgelingen werd opgedragen een lam te slachten. Maar Mij en ook de apostelen werden delen van een toebereid lam aangereikt als gave van liefde. Onze naasten wilden ons daarmee een geschenk geven, omdat ze niet beter wisten. Ik zegende de gave en begon het vlees tot Mij te nemen. Mijn apostelen en volgelingen deden het Mij na.
Daarna stelden ze Mij de vraag: wij behoren toch afstand te nemen van het eten van vlees. Dat heb Jij ons bevolen. Nu heb Je zelf vlees gegeten.

Ik onderwees de Mijnen: de mens mag geen dier moedwillig doden - ook niet het vlees van dieren eten, die gedood werden voor vleesconsumptie. Maar als mensen, die nog onwetend zijn, vlees als voedsel hebben bereid en het de gast willen schenken voor een feestmaal, zou de gast de gave niet moeten weigeren. Want het is een verschil, of de mens het eet uit begeerte naar vlees of als dank aan de gastheer voor zijn moeite.

Degene, die op de hoogte is, zou echter, als het hem mogelijk is en de uiterlijke omstandigheden en de tijd het toelaten, de gastheer algemene aanwijzingen kunnen geven, hem echter niet de les willen lezen. Als de tijd rijp is, zal ook de gastheer deze algemene aanwijzing begrijpen.

Tot onbaatzuchtige liefde horen in deze wereld ook begrip en tolerantie. Laat ieder mens de vrije wil, of hij je algemene aanwijzingen wil begrijpen en aannemen of niet. Als je steeds onbaatzuchtig denkt, spreekt en handelt, dan blijf je in de liefde en de liefde zal je zegenen. Wat je dan als liefdegave wordt aangereikt, is gezegend."


"Met de brood- vruchten- en ook de visvermenigvuldiging liet Ik hen zien, dat geen mens honger of gebrek hoeft te lijden, als hij de wetten van God vervult.

In het z.g. wonder van de vermenigvuldiging werd openbaar, dat de mens in overvloed zou kunnen leven, als hij Gods wil zou vervullen; want de universele wet is onuitputtelijk voor geestwezens, voor zielen en mensen, die de wil doen van Mijn Vader, die ook hun Vader is.

Mijn apostelen brachten Mij broden en druiven ter vermenigvuldiging. Op die dag werden Mij ook dode vissen ter vermenigvuldiging aangereikt. Toen Ik deze dode substantie in Mijn handen nam, legde Ik de mensen uit, dat uit deze vissen het krachtpotentiaal van de Vader, de hoge levenskracht, grotendeels geweken was en Ik geen levende vissen wilde scheppen, opdat ze weer gedood worden.


Ik verklaarde de mensen, dat in alle levensvormen leven is en de mens deze niet moedwillig moet doden. De mensen, vooral de kinderen, keken Mij bedroefd aan. Ze konden Mij niet begrijpen, want zij leefden hoofdzakelijk van vis en brood en maar weinig ander voedsel. Toen sprak Ik tot hen: de energieën van de aarde houden de dode vissen nog tezamen. Dus zal Ik jullie uit de Geest van de Vader geen levende vissen schenken, maar uit de energie van de aarde voor jullie vissen scheppen, die dood, dus trillingsarm zijn. Ze zullen nooit leven dragen en kunnen niet worden gedood. Ik wil jullie laten zien, hoe levend voedsel - brood en vruchten - smaken en in vergelijking daarmee dood voedsel. En Ik schiep voor hen vissen uit de energie van de aarde, die weinig geestelijke substantie hadden. Ik gaf hen de dode vissen en gebood hen, tegelijk ook brood en vruchten te eten, opdat ze het onderscheid zouden kennen tussen levend en dood voedsel, tussen hoogtrillende en laagtrillende kost."


Veel mensen zullen verontwaardigd zijn over mijn drastische uitingen over vele christenen, doch is het niet zo, zoals ik het in deze brochure heb uitgelegd? Van het verwijt van het als het ware kannibalistische gedrag van veel christenen, wil ik mijzelf niet uitsluiten, want ook ik was katholiek en beleefde ongeveer hetzelfde in mijn ouderlijk huis. De hele familie was katholiek. Iedereen deed, wat de kerkelijke overheid predikte en leefde, zonder erover na te denken, wat Jezus wilde. Men was op de hoogte van de Tien Geboden van God, waarin staat: je zult niet doden. Maar de (kerkelijke) christen gelooft, dat dat uitsluitend geldt voor mensen en niet voor de dieren en de andere levensvormen van de natuur. Eerst, toen mij een licht opging, wat er met de leer van Jezus werd gedaan, hoe ze werd verdraaid en wat Jezus, de Christus, moest en moet ontgelden, datgene, wat de kerkelijke overheid voor aangenaam en prettig hielden en houden, maakte ik rechtsomkeert en liet achter mij, wat ik tot dan toe als normaal had beschouwd. Wij allen, ook ik, moeten onszelf het verwijt maken: waarom denken we niet na over het kannibalisme tegenover de dieren? Waarom voelen wij niet, dat ook in de natuur het leven is van God, omdat zij Gods schepping is? Als we horen "maakt de aarde aan jullie onderdanig", dan betekent dat niet "buit haar uit", maar: dient de aarde, opdat zij jullie nog veel meer vermag te dienen.

Wat gebeurt er echter allemaal op en in de aarde? Meedogenloos zijn veel christenen ten opzichte van de gaven van de Schepper en daardoor tegenover de Schepper zelf. Jezus heeft een heel ander beeld getekend van Zijn navolging. Zijn woorden: volgt Mij na - Jezus, de Christus dus - betekenen: wordt zachtmoedig en deemoedig van harte en hebt elkander lief, zoals Ik jullie als Jezus heb liefgehad en als Christus nog liefheb. Daartoe behoort ook moeder aarde en alles, wat op en in haar leeft, in en op de zeeën en in de lucht.

Nadat de kerkelijke overheid uit het gebod "je zult niet doden", enkele jaren geleden "je zult niet moorden" heeft gemaakt, is het doden in z.g. noodweer en in een "rechtvaardige oorlog", naar men zegt, geoorloofd. Maar God heeft ons een verstand gegeven, opdat we het gebruiken. Is het een rechtvaardige oorlog, wanneer in Ierland een katholieke partizaan een patrouillerende evangelische soldaat doodt? Het grenst aan schizofrenie, als de katholieke kerk de abortus van een embryo verbiedt - let wel, wij oerchristenen zijn eveneens tegen abortus - , van de andere kant echter het doden uit noodweer en in een "rechtvaardige oorlog" toestaat. Laten we het concrete geval eens doordenken: om te beginnen wordt het embryo beschermd, het kind dus geboren en eventueel katholiek gedoopt. Later wordt de volwassene evangelisch en is nu een patrouillerende evangelische soldaat. Hij wordt door een katholieke partizaan doodgeschoten, omdat deze - evenals zijn evangelische tegenstander - gelooft, in een "rechtvaardige"oorlog te staan.


Overigens: wie bepaalt eigenlijk, wat een "rechtvaardige" oorlog is, waar Jezus toch over de liefde tot de vijand heeft gesproken? Zo gruwelijk als mensen onder elkaar zijn, handelen ze ook tegen dieren, planten en mineralen.

En dan moet met Pinksteren de kracht van de Heilige Geest op de "christenen" neerdalen ...

 

De Christusvriend:

En deze zou alleen nog maar indirect spreken via predikers, zoals bisschoppen, pastoors en priesters. Want dezen hebben voor Hem, de grote Geest, het vrije spreken van de Christus Gods niet voorzien. Volgens het tweede Vatikaanse concilie (1965) heet het: "Vervuld en volleindigd heeft zich de openbaring en het genadewerk Gods in Jezus Christus. In Hem is indertijd de openbaring afgesloten." "Daarom is de christelijke heilsorde, n.l. de nieuwe en definitieve bond onovertrefbaar en er is geen nieuwe openlijke openbaring meer te verwachten vóór de verschijning van onze Heer Jezus Christus in alle heerlijkheid."

 

Antwoord van de profeet:

Je gelooft toch niet, dat God zich naar de kerkelijke overheid richt en pas 1965 jaren na Jezus zoiets verkondigd zou hebben? Hij respecteert de vrije wil - als het ware de eigenwil van de kerkelijke overheid. Daarom spreekt Hij niet meer in hun kerken, ook al zijn de altaren nog zo verguld en schitteren de z.g. plaatsvervangers van God in purper. Jezus lag niet in een wieg van goud, noch droeg Hij purper. Dat wil ons iets zeggen - maar alleen degene, die nadenkt.

De Heilige Geest, de Geest van de Christus-Gods, is in ieder van ons. In de oerbasis van onze ziel klopt het grote leven en roept ons op, weer zonen en dochters te worden van de hemelen, dus lichtwezens uit Zijn licht. De Heilige Geest klopt en roept ons op, Zijn geboden te onderhouden en Jezus, de Christus, na te volgen, die de liefde van de Vader niet alleen verkondigde, maar zelf openbaring was van de liefde Gods. Jezus hield van de mensen en sprak steeds weer over de Gods- en naastenliefde. Jezus hield van de dieren, de planten, ja, van elke steen. De natuur was voor Hem de grote tuin van God, waarin Hij leefde, die Hij waardeerde, die Hij met zijn gevoelens en gedachten onderhield en de dieren zo goed verzorgde, als het Hem mogelijk was.

 
In "Das ist Mein Wort. A und W . Das Evangelium Jesu. Die Christus-Offenbarung, welche die Welt nicht kennt" staat daarover:


"Het gebeurde, dat de Heer de stad uitging en met Zijn apostelen door de bergen trok. En ze kwamen bij een berg met zeer steile wegen. Daar ontmoetten ze een man met een lastdier.

Het paard was in elkaar gezakt, want het was te zwaar beladen. De man sloeg het dier, tot bloedens toe. En Jezus ging op hem toe en sprak: ‘Jij wrede zoon, waarom sla je je dier? Zie je dan niet, dat het veel te zwak is voor zijn last en weet je niet, dat het lijdt?

De man echter antwoordde: ‘Wat heb Jij daarmee te maken? Ik kan mijn dier slaan zoveel ik wil; want het is van mij en ik kocht het voor een flinke som gelds. Vraag hen, die bij Je zijn, ze zijn uit mijn buurt en weten het.’ En enkele van de apostelen antwoordden:’Ja Heer, het is zo, zoals hij zegt, wij waren erbij, toen hij het paard kocht.’ En de Heer antwoordde: ’Zien jullie dan niet, hoe het bloedt en horen jullie niet, hoe het steunt en jammert?’ Zij echter antwoordden:’Nee, Heer, wij horen niet, dat het steunt en jammert!’ ..."


"Zelfs wanneer een mens een dier heeft aangeschaft, is het daarom nog niet zijn eigendom. Zoals het geestelijke lichaam, - de ziel in de mens - tot het eeuwige Zijn behoort, omdat de Eeuwige het geestelijke lichaam heeft geschapen en het geestwezen door de Eeuwige in het eeuwige Zijn leeft, zo werd ook het dier door de eeuwige Scheppergeest geschapen en behoort tot het leven, dat is en eeuwig voortbestaat - tot God.

De gehele oneindigheid is dienende liefde, dienend leven: ook de mens is door Mij, Christus, geroepen om zijn naaste op onbaatzuchtige wijze te dienen. Daartoe behoort ook de overnaaste, het dier. Want ook het dier is uitgerust met de gaven van onbaatzuchtig dienen en dient graag en bereidwillig de mens, die het liefheeft.

Wanneer de mens zijn naasten, zijn medemensen dus, niet onbaatzuchtig liefheeft, zal hij hen ook niet onbaatzuchtig dienen. Zijn egoïsme draagt hij dan eveneens over op de dieren-, planten-, en mineraalwereld.

Het dier kan niet spreken. Stil lijdt en duldt het en kan nauwelijks zijn leed en pijn meedelen. Alleen diegene, die mensen, dieren, planten en stenen onbaatzuchtig liefheeft, verneemt, wat het dier aan leed en pijn moet verdragen.

De egoïst, de heerser, verwacht, dat zijn medemensen hem dienen. Hij verlangt ook van het dier, dat het hem boven zijn mogelijkheden en krachten dient. Hijzelf bepaalt - en dient niet. Daarom brengt hij mensen en dieren onzegbare kwalen toe. Wanneer de mens zijn medemensen afhankelijk maakt - als het ware tot slaven - zal hij ook de dieren onderdrukken. Wie niet meer naar zijn geweten luistert, wordt hardvochtig ten opzichte van mens en dier. Hij kijkt alleen nog maar naar zijn eigen belangen, naar zijn eigen voordeel. Hij vindt zichzelf erg belangrijk en vergeet daarbij, dat zijn naasten en overnaasten, de dieren, te lijden hebben onder zijn egoïstische heerschappij. Hij voelt dan ook niet meer, wat zijn naaste en het dier nodig hebben. Als de gezindheid van de mens ruw geworden is, is de hele mens gevoelsarm. Des te gevoeliger reageert hij echter, wanneer zijn eigen ego wordt aangesproken en zijn handelen in twijfel wordt getrokken.


Beseft: wie alleen met deze wereld is, kijkt ook alleen maar naar zijn kleine, beperkte wereld van het ego. Daardoor stompt hij af ten opzichte van de wet van het leven en wordt zodoende een geestelijk dode. Geestelijk doden zijn stom en doof voor het ware leven. Zij zullen zolang, als het volgens de wetten van de reïncarnatie nog mogelijk is, weer in de materie geboren worden, om in de levenswandel van hun noodlot te ervaren en te beleven, dat hun naaste, die naast hen staat en ook het dier, voelt en lijdt - omdat nu eenmaal allen het leven hebben uit God."


Christus openbaarde ons daarmee het bewustzijn van de grote eenheid in God, dat ons tot Zijn zonen en dochters maakt. Want ieder wezen is kosmisch Zijn, dat in communicatie staat met alle reine krachten van de oneindigheid.

Streven wij mensen daarnaar, dan veranderen wij stap voor stap , met de hulp van de Christus-Gods, onze zonden in licht, wat betekent, dat wij onze ingeziene zonden berouwen, ze in het reine brengen met de hulp van de Christus-Gods, onze Verlosser, en ze niet meer doen. Dan komen we geleidelijk aan in de oerbasis van ons wezen, dat goddelijk is, en staan in communicatie met de Heilige Geest, de Geest van de Vader-Moeder-God, die in Christus de opstanding en het leven is.


Staan we op, verrijzen we in Christus, dan doorstraalt ons de macht van de Geest en we zullen denken, spreken en doen, wat God wil. Dan hoeven we niet meer te wachten tot het ooit weer eens Pinksteren zal zijn. Pinksteren was 2000 jaar geleden. Pinksteren was gisteren. Pinksteren kan vandaag en morgen zijn, als we bereid zijn, de Heilige Geest te ontvangen.

Lieve broeder, lieve zuster, laten we in Christus opstaan, opdat we weer bewuste zonen en dochters van God zijn, die in vrede onder elkaar leven, de aarde en alles, wat op en in haar is, waarderen en zo van haar ontvangen, wat we nodig hebben voor ons aardse bestaan.

 

De Christusvriend:

Tot daar is het zeker nog een lange weg. Toen je zojuist de hoogstaande woorden van ons ware Zijn hebt gesproken, kwam me een schrikbeeld in de zin. Als ik me goed herinner, is het rond de Pinkstertijd, dat jonge dieren worden geboren. Sinds enkele jaren rijd ik vaker door een dorp, waar in het voorjaar een troep jonge ganzen leeft op een niet al te groot terrein en zo goed en zo kwaad als het kan haar bestaan leidt. Ze zijn vrolijk en nemen genoegen met de kleine ruimte, waarin ze moeten leven. Ik observeerde hen, zag, hoe ze groeiden en vroeg me af, waarom mensen zoveel ganzen houden, als de ruimte voor hen toch zo klein is. Toen ik deze vraag aan een van mijn vrienden stelde, zei deze: "Wat ben jij naïef, zeg! Heb je in de afgelopen jaren niet beleefd, dat ze vanaf het begin van de Adventstijd steeds minder in aantal worden en na de 24ste december, dus na het feest van Christus’ geboorte, er geen één meer te zien is?" Mij vielen de schellen van de ogen: ieder jaar hetzelfde! Die arme dieren - niet eens een jaar lang mogen ze leven, dan worden ze door de dierkannibalen verslonden. Sindsdien wil ik ook geen donzen dekbed meer. Wie weet, hoeveel kerstganzen ook hiervoor hun veren moesten laten.


Mijn vriend vervolgde: weet je niet, hoeveel robbenbaby´s jaarlijks van hun huid worden beroofd, opdat de dames van de high society een buitengewoon mooie bontmantel kunnen laten zien? Met verdere voorbeelden verpestte mijn vriend mijn hele dag. Hij vertelde, dat de kerstganzen niet alleen worden gedood, maar dat hen van tevoren met geweld de snavel opengereten wordt en speciaal voedsel in de slokdarm wordt geperst, zelfs met de steel van een pollepel nog wordt "nagestopt", zodat het arme dier moet slikken en slikken en slikken, opdat de dierkannibaal, de mens, van een fijne ganzeleverpastei kan genieten op het feest van Christus’ geboorte; dat kippen in een nauwe ruimte moeten leven, als het ware in legbatterijen en de haantjes, als ze de juiste grootte en het goede gewicht hebben, worden onthoofd om in de kook- en braadketel te belanden of aan het spit in de etalage moeten staan, zodat de kannibaal zijn haantje zelf kan uitzoeken. Hij vertelde mij ook, hoe het er aan toe gaat in de slachthuizen en dat de dieren brullen uit angst voor het dodelijke schot, want ze voelen, dat ze gewelddadig van hun leven worden beroofd. De dieren merken al, dat ze naar de slachtbank worden geleid, wanneer ze de stal van de boer verlaten.


Mijn begeleider gaf verdere uitleg, wat de dieren allemaal wordt ingespoten aan medicamenten en hormonen, die de groei bevorderen, over genetisch verminkte koeien, die hun geprepareerde uiers nauwelijks nog tussen hun benen kunnen dragen. Het bekroonde besluit van zijn woorden was: alles, maar dan ook alles wordt uitgemolken. De groten van deze wereld melken de kleinen en de groten en de kleinen melken de hele moeder aarde, totdat deze is uitgemolken, als het ware uitgeteerd is door een monster, dat zich mens noemt."

Van datgene, dat hij me heeft geschilderd, heb ik mij, God zij dank, niet meer hersteld. Ik ben een ander mens geworden, die steeds meer waardeert, wat God ons dagelijks schenkt; die het steeds meer bewust wordt, wat Gods- en naastenliefde betekent; die het steeds duidelijker wordt, hoe de instituties kerk zijn.

 

De profeet:

Wat fijn, dat er een paar weinigen omdenken en heel geleidelijk aan Diegene de eer betonen, die alle eer toekomt. Wie God de eer geeft, ziet stillaan, wat de instituties kerk aan verwoestends heeft aangericht. Zij leidden en leiden hun na-apers, hun gelovigen, die zich afhankelijk hebben gemaakt van hun kosmetisch behandelde leer, ver weg van God. Zo menige gelovige neemt het hem medegedeelde als volgt op:

"Wat je als juist en waar erkent, geloof dat maar. Dit dan ook nog te doen, is te moeilijk, want wij mensen zijn nu eenmaal zondaars."

Wat had Jezus toch gelijk, die van de toenmalige farizeëen en schriftgeleerden zei; "Wee jullie, schriftgeleerden en farizeëen, jullie huichelaars, die zijn als witgepleisterde graven, die van buiten mooi lijken, maar van binnen vol dode beenderen zijn en louter onraad! Zo is het ook met jullie: van buiten lijken jullie voor de mensen vroom, maar van binnen zijn jullie vol huichelarij en overtreding."


Hun woorden zijn glad en zalvend, maar hoe ziet het er daaronder uit, waarmee zijn ze gevuld? De naam "Christus" hebben ze zich eigen gemaakt, doch is hun gezindheid, ja, is hun leer christelijk, laat staan hun handelen?

Tweeduizend jaar zijn voorbijgegaan. Weinig mensen hebben uit datgene geleerd, wat hen de kerkelijke instituties jaar voor jaar voorzetten: een mengsel van heidense cultus en kosmetisch behandelde leer. Beide werkstukken - heidense cultus en kosmetisch behandelde leer - werden tot één "werk" versmolten, dat van de ene kant protestants en van de andere kant katholiek wordt genoemd. Hadden ze onderwezen, wat Jezus wilde, dan zou de wet van zaad en oogst bekend zijn bij de mensen en zo menigeen, die voornemens was, zich aan anderen - aan zijn medemensen en aan moeder aarde - te vergrijpen, zou tijdig omgekeerd zijn, in het bewustzijn van de woorden van Jezus: "Wat je de geringste van Mijn broeders aandoet" - daarmee bedoelde Hij ook Zijn zusters - , "dat doe je Mij aan"; en tegelijk doet het iedereen zichzelf aan, want in ieder is de Christus-Gods. Dat geldt ook voor de natuurrijken, want in alle levensvormen is de machtige Geest van de eeuwige Schepper.


Mijn hartewens in deze brochure "De profeet" is, dat veel mensen mijn woorden ter harte nemen en de kreet, de oproep horen van een werktuig van God, die luidt:

Volgt geen mensen na! Volgt Jezus, de Christus, na en denkt na over Zijn uitspraken: wat jij wilt, dat anderen voor je doen, doe dat eerst voor hen. Of: wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat geldt ook voor dieren en alle levensvormen der aarde.

Zojuist hoorden wij: wat wij onze naaste aandoen, dat doen wij ons volgens de wet van zaad en oogst zelf aan. Wie zich daarvan bewust wordt, begrijpt ook, waarom deze wereld is, zoals ze is. De groten ondersteunen elkaar en trappen naar "beneden". Daarbij zijn de kerken en de machtigen van de staat - vaak verenigd - de meesters, om het volk tot leerling te maken. Maar wij, die het volk zijn, zouden onze medemensen niet moeten vertrappen en ons zo van Jezus, de Christus, afwenden, Hem als het ware in onze naaste vertrappen. Wie stap voor stap de geboden van God onderhoudt, richt zich innerlijk op en kijkt naar Hem, die ons tot Zijn navolging heeft geroepen.

Van ganser harte wens ik, dat steeds meer mensen ontwaken, dat zo menigeen zijn liederlijke, egoïstische leven overdenkt en afstand neemt van datgene, dat in zijn gevoelens en gedachten ligt, de afperser, de ophitser, de dierenkweller, de dief, de wraakzuchtige enz. enz. ... Mijn grote wens is, dat steeds meer mensen Christus in zich vinden en bewust in Hem leven, zodat ze dagelijks hun opgeblazen ego herkennen en het zondige met de hulp van de Christus Gods berouwen en in het reine brengen. Wie deze zonden dan niet meer doet, leeft steeds meer in Zijn Geest en is Zijn navolger, een mens met karakter, dus met een goede gezindheid, die met zijn medemensen kan leven, die de natuur acht en waardeert en zichzelf weer als zoon of dochter Gods terugvindt.

 

De Christusvriend:

Het Pinksterfeest is voor velen echter niet de toewending tot de Geest Gods, de Heilige Geest. Velen gaan weer eens voor enkele dagen op vakantie, naar de zon. De zomer begint, een bruine huid is een prestige geworden. Men kan dan zien, dat men nog kan "meedoen".

 

De profeet:

Ja, men kan zich nog net een vakantie veroorloven. De mens van de tegenwoordige tijd zou het zich allang niet meer kunnen veroorloven, verder tegen God te zondigen, want niet alleen de natuurcatastrofen komen steeds dichterbij, maar ook de directe catastrofen zoals b.v. werkeloosheid, geldgebrek, ziektes, en de vele gevolgen van de milieuvervuiling. Het ziekengeld wordt steeds minder, ofschoon spoedig elke tweede daarop aanspraak zal moeten maken, omdat allergieen om zich heen grijpen en bepaalde ziektes weer uitbreken, waarvan men tot nu toe dacht, dat men ze door milieuverbeterende maatregelen en door entstoffen onder controle had. Maar wat zou het? - denkt zo menigeen en schraapt het laatste geld voor de zomervakantie bij elkaar, berustend in het lot en de mogelijkheid in het oog houdend, dat hij zich het volgend jaar misschien geen vakantie meer kan veroorloven. Gedachten, gedachten, berusting in het lot - de beperkingen worden zwaarwegender, de verliezen pijnlijker. Weinig mensen denken er echter over na, waarom dat zo is. "Vandaag is vandaag", denkt zo menige "christen" en beleeft zijn royale zomervakantie onchristelijk.

Het jaar gaat door; de tweede helft is aangebroken. Hoe snel vergaat de tijd! De zomer staat alweer voor de deur. Vóór mij zie ik al de autofiles, die naar het zuiden rijden, tussen de snelle auto´s de aanhangers met caravans en motorboten. Wie met zijn auto 10 - 20 km. per uur sneller rijdt, claxonneert naar de ander, dat hij hem door moet laten. Is deze niet direct bereid, wijst men al naar het voorhoofd. Ieder jaar files op de autobanen, maar ieder jaar moeten er toch weer de autocolonnes naar het zuiden zijn.

De passagier, de vrouw of de man, is dikwijls een welkom object, om in urenlange files datgene aan kwijt te raken, wat de ander al weken- of maandenlang op het hart heeft. Er ontstaat een ruzie; eventueel bemoeien de kinderen zich er ook mee, die zich achter in de auto zitten te vervelen. Nu kookt en broeit het in het kleine wagentje. Daarbij hoort men van voren en van achteren het getoeter. We gaan verder. Waarheen? Natuurlijk op vakantie; men wil zich toch ontspannen van de stress en de eentonigheid. Vaak ligt de ontspanning daarin, dat de vrouw een andere man toelacht en de man een andere vrouw. ´s Avonds zet de strijd zich dan voort, die al in de auto begon. De man denkt bij zichzelf: "Mijn ‘vakantievriendin’, het nieuwe kennisje, past precies bij mij. Ze is veel aangenamer en begripvoller dan mijn vrouw. Bij de huwelijkssluiting heb ik me toch verkeken. Zou ik deze keer kunnen kiezen, dan zou het de nieuwe kennis zijn. Deze vrouw is precies wat ik zoek. Ze past bij mij." Hij begint al te overleggen, wat een scheiding zou kosten. Of zal hij haar alleen als maitresse nemen? Kan ik mij dat veroorloven? Hoe zal ze het opnemen, als ik erover begin? En hoe zal mijn vrouw reageren, die toch ook een affaire heeft met een vaste begeleider, om gewoon eens te ontspannen van het huwelijk?

Bij velen heet het na de vakantie: we spannen uit, wat wil zeggen, we gaan niet meer samen in de huwelijkswagen. We laten ons scheiden of we komen overeen, dat ieder van ons een nevenpartner heeft. Voor menigeen was de vakantie het einde van het samenzijn, het einde van een huwelijk. Familiebanden breken. Zijn er kinderen uit het huwelijk voortgekomen, dan weten deze vaak niet waar ze bij horen, bij vader of bij moeder. De een of ander hoort - b.v. van de schoonmoeder - de bedenking dat, naar de kerkelijke leer een scheiding niet geoorloofd is. Doch wie bekommert zich in dit punt nou om de schoonmoeder en de kerkelijke traditie? De priester spreekt wel over het door God gewilde huwelijk. Het is hier net zoals op andere levensgebieden; de traditionele gebruiken, de regels en geboden gelden niet meer. De mens doet, wat hij wil en ervaart dan ook vroeg of laat, wie en wat hij is en wat hem toekomt. Want volgens de wet van zaad en oogst ontvangt en oogst hij, wat hij gezaaid heeft.

 

De Christusvriend:

Kijk ik naar het hele vakantiegebeuren, naar de party’s de nachtclubs, het baden op de geliefde naaktstranden, naar het sekstoerisme en noem maar op, dan stelt men zich werkelijk de vraag of men niet zou kunnen voorstellen, dat de "christen" zijn schijnheilige christen-zijn opgeeft, zichzelf b.v. onchristelijk noemt of zich bezint om zich te beteren. De chaos mens gaat zo door van kerstmis tot kerstmis. Het is een bespotting van de Christus-Gods zonder weerga! Het is een leven met wisseldouches en wisselbaden, dat niets te maken heeft met christelijk zijn.

 

De profeet:

Hoe wijs heb je gesproken. Maar wie geeft er toe, dat hij onchristelijk is, omdat toch steeds de ander schuld heeft aan een situatie? Wie klopt zich op de borst en spreekt: "Mijn schuld, mijn overgrote schuld"? Zou de mens dit doen, dan zou hij zichzelf toegeven, dat ook hij schuldig is aan de misère van zijn huwelijk en de chaos in de wereld. Velen stellen hun geweten daarmee gerust, dat ze zo menige kerkelijke geloofsuitspraak weergeven, zoals b.v. " wij zijn nu eenmaal zondaars." Dat is een gemakkelijke institutionele leer, een voorwendsel, om de zondaar nu eenmaal als zondaar te verontschuldigen.

 

De Christusvriend:

Bovendien kan de katholieke geestelijke de zondaar de zonden afnemen, wanneer deze gaat biechten. Drie "weesgegroetjes" - en het is goed. Morgen gaat het met het zondigen verder: "wij zijn nu eenmaal zondaars." Nog eenvoudiger gaat het in de evangelische kerk in de z.g. "gemeenschappelijke biecht", waar niet eens een zonde bij de naam hoeft te worden genoemd. Allen staan op en de dominee vraagt in het algemeen naar het berouwen van zonden en de wens om vergeving. Dan vraagt de dominee, of de kerkgangers geloven, dat de vergeving, die hij, de dominee zal uitspreken, dezelfde betekenis heeft als de vergeving door God en allen antwoorden in koor met "ja". Dan spreekt de dominee hen vrij van de zonden en wijst hen de vergeving toe en op bepaalde godsdienstige dagen, voornamelijk op Goede Vrijdag, wordt de ceremonie herhaald, want ook voor de evangelische gelovige heet het: "wij blijven nu eenmaal zondaars."

 

De profeet:

Deze verontschuldigingen laat Jezus niet gelden, want HIJ sprak 2000 jaar geleden al: jullie dienen volkomen te worden, zoals jullie Vader in de hemel volkomen is. Van dapper verder zondigen sprak Jezus niet, maar uitsluitend Luther, die meende: "zondig dapper, maar geloof nog dapperder."

 

De Christusvriend:

Zo gaat het dus jaar-in, jaar-uit, en zoals zich de jaargetijden en feestdagen herhalen, zo herhaalt zich ook het zondigen. Ik ben geschokt door de uiteenzetting, die jij hebt gegeven over het verloop van het jaar. Met christelijk-zijn heeft dat alles niets te maken. Het is één grote bespotting van God.

 

De profeet:

En het is nog niet genoeg! Het gaat eerst heel geleidelijk aan op het hoogtepunt van de bespotting van Jezus, de Christus, toe, met kerstmis.

Na de zomervakantie komen eerst weer de eerste werkdagen. Trots laat men zien hoe bruin men wel is, op het werk en in de familie. Het is een prestigekwestie, op vakantie te zijn geweest. Mettertijd ontpopt zich dan de hele omvang van de vakantie, wanneer het huwelijk, dat vóór de vakantie nog intact was, daarna alleen nog een maar een etiketje is of tot scheidingsobject werd. Men praat over zijn vakantie, men plaatst zich op de voorgrond, vertelt, hoe geweldig men wel is en wat men zich allemaal heeft veroorloofd. Zo menigeen heeft zich zeer veel "veroorloofd", ook wat niet zo mooi is, daar had natuurlijk de ander schuld aan. Maar langzaamaan wordt het saai, steeds hetzelfde te vertellen. Alle bekenden en verwanten hebben de dia’s al bewonderd en kennen het commentaar, de grapjes en de clous. Men wordt weer oninteressant, zinkt terug in de onbeduidendheid. Zo komt weer het bekende gebrek aan energie, de verveling in het dagelijks leven; de mogelijkheid zichzelf op te hemelen, wordt schaars, zoals altijd. Dus wordt op de kalender nagekeken, hoe de dagen op allerheiligen vallen. Misschien valt allerheiligen gunstig, om enkele vakantiedagen te plannen.

Wat er tot allerheiligen nog allemaal gebeurt, willen we liever niet belichten, want men zou steeds weer Jezus, de Christus, moeten citeren en Hem tenslotte nog vragen, of Hij weer wil incarneren, om de gesel te nemen en de onchristelijke mensen te verdrijven of de afdingers en woekeraars uit de tempel - nu: het zogenaamde Godshuis - te jagen, waarin de onchristelijke mens schijnheilig de "heilige liederen" zingt en zich zo schijnheilig gedraagt als zo menig geestelijke, die tenslotte zelf niet gelooft, wat hij predikt.


Zolang de mens zijn tempel uit vlees en bloed niet heiligt, in het bewustzijn, dat de Ene Heilige, de Heilige Geest, in hem woont, zal hij steeds weer kerken opzoeken, om zich daar zo te gedragen, zoals hij niet werkelijk is. Ooit wordt zo menigeen de bril "christen" van het gezicht getrokken. Dan zal hij niet alleen zien en inzien, wie hij is, maar ook diegene zien en doorschouwen, die hem jarenlang schijnheilige preken heeft voorgezet. Van Christus zal hij natuurlijk niets zien, omdat zijn zonden - zoals de maan bij zonsverduistering - voor de zon staan.

Allerheiligen is het feest van de heiligen. Het is een katholieke feestdag. Waarom moeten de heiligen geëerd worden, terwijl toch alleen God de eer toekomt? Allerzielen, dat aansluit aan de feestdag allerheiligen, is natuurlijk geen feestdag, maar een algemene werkdag. Men eert alleen de "heiligen", de "zielen" blijven de arme zielen. Waarom ook een feestdag voor de zielen, die als mensen hun feestdagen hadden, om ze genoegzaam te genieten: weekends, kerkelijke feestdagen alsook verdere persoonlijke vrije dagen, b.v. de vakantie. Velen die toen feestvierden zijn nu zielen. Wat ze wel allemaal zullen zien? Ieder ziet zichzelf volgens de wet: wat je zaait, zul je zien en ook oogsten. Ook veel heiligen" zullen hun "heiligheid" zien en moeten inzien, dat ze door "zijne heiligheid" wel heiligverklaard werden, maar net zo lijden, dus afdragen, als alle zielen. Of we op aarde allerheiligen vieren of de zielen gedenken - de werkelijkheid zal aan gene zijde zichtbaar worden: wat de mens zaait, zal hij oogsten en als ziel schouwen en veelal afdragen.

Met allerheiligen rijdt opnieuw de massa ontspanningzoekenden richting zuiden. Men moet zich in de vakantie toch ontspannen, want men heeft weer enkele maanden werken achter de rug. Nog werk! Misschien hebben sommigen morgen al hun ontslag in handen. Zo menigeen denkt daar wel aan, maar verdringt het meteen, of meent zelfs, dat hem eigenlijk niets kan gebeuren: "Ik ben een goed christen. Ik betaal mijn kerkbelasting, ga af en toe naar de kerk en offer wat geld. Als voor de hongerlijdende mensen in Afrika of voor de renovering van de kerk verzameld wordt, ben ik eveneens van de partij. "Niet zo, beste "christen"! Zo heeft Jezus het niet bedoeld". Menigeen zou nu antwoorden: Niet Jezus, maar de institutie kerk, waartoe ik behoor, leert het mij zo - die moet het tenslotte weten."

Vier weken na allerheiligen bereikt het spektakel en de bedrijvigheid zijn hoogtepunt.

Met de advent begint het hoogste feest van het jaar. "Alle jaren weer komt het kerstkind op de aarde neer, waar de mensen zijn. Doet met Zijn zegen intrede in ieder huis, gaat met ons op alle wegen, is ook aan mijn zijde, stil en niet herkend, dat Hij me trouw mag leiden aan Zijn lieve hand."

Welk "kerstkind" moet op de aarde neerkomen - Christus, de zoon Gods, met de gesel, om in ieder huis intrede te doen? Of nemen we genoegen met het bestofte kerstbeeldje van hout of was, het "kerstkindje" en de bestofte kribbe met Maria en Jozef en de os en het ezeltje, dat we op het einde van de adventsdagen van de zolder halen en afstoffen, om ze, zoals elk jaar weer, onder de versierde denneboom te plaatsen? Niets mag ontbreken, noch de os en het ezeltje, noch de schaapjes en het geitje. Natuurlijk wordt in de heilige nacht het "heilige paar", Maria en Jozef en de herders, een bijzondere plaats in de kerststal gegeven. De stofdoek is al zwart geworden, het kribbetje glanst en de mens zingt dapper: "Alle jaren weer komt het kerstkind op de aarde neer, waar de mensen zijn. Doet met Zijn zegen intrede in ieder huis, gaat met ons op alle wegen, is ook aan mijn zijde, stil en niet herkend, dat Hij me trouw mag leiden aan Zijn lieve hand."

Het is de vraag, of het afgestofte mini-kribbetje met het afgestofte kindje Jezus, met Maria en Jozef, met de herders en de dieren, de mensen werkelijk zegen brengt. Wie denkt er aan, dat men eindelijk eens zijn boosaardige gevoelens, gedachten, woorden, handelingen en gemene neigingen zou moeten afstoffen? Daarvoor heeft men geen tijd, noch met kerstmis, noch met nieuwjaar, Pasen, Pinksteren en allerheiligen en al helemaal niet in de kersttijd. Over alle mogelijke dingen denkt men na, b.v. wie zal wie iets schenken, weinig mensen denken erover na, welke geschenken ze gedurende het jaar hebben gegeven aan de Christus Gods, hun Verlosser. Hij, de Geest van de Christus-Gods, de Heilige Geest, die dagelijks aan ons hart klopt en waarlijk met ons gaat op alle wegen - voor de meesten is Hij ongewenst, want Hij, die 2000 jaar geleden als kindje tot ons op de aarde kwam, ons als Jezus, de Christus, de grootste profeet aller tijden, de liefde Gods verkondigde en ons de weg wees naar de Vader, stelde en stelt voor velen te hoge eisen.


Jezus leerde ons de Gods- en naastenliefde. Hij leerde ons de liefde voor onze vijanden en leefde ze ons voor. Hij leerde ons de gelijkheid en de broederlijkheid. Hij gaf ons de gelijkenis van de balk en de splinter. Jezus leefde ons de Tien Geboden voor, die God door Mozes aan de mensen gaf en leerde ons de Bergrede, die ook Zijn leven was. Hij sprak: volgt Mij, dus Jezus - na, dat wil zeggen: vervult en leeft dat, wat Ik, de Christus-Gods, heb geboden.

Jezus leerde ons niet, jaar na jaar een bestofte kerststal met inhoud op te stellen.

Jezus leerde ons niet, in warenhuizen en op markten heilige liederen te laten dreunen, om de koopstemming te bevorderen.

Jezus leerde ons niet, onze naasten dure geschenken te geven, tot aan een bontmantel toe van de huid van jonge robben.

Jezus leerde ons niet, op dieren te jagen en ze dood te schieten en te slachten, om ze dan als kadaver te nuttigen.

Jezus leerde ons niet, de natuur uit te buiten, de aarde te schenden, de atmosfeer te vernietigen.

Hij leerde ons niet, ter gedachtenis aan Zijn geboorte op aarde, bomen te vellen, ze versierd in warme ruimten te plaatsen, om ze dan na tien dagen op straat te gooien, als het ware als uitgediende natuurkadavers.

Jezus leerde ons niet, naar de kerkelijke overheid te luisteren.

Hij leerde ons niet, kerkbelasting te betalen, opdat de kerkelijke overheid rijk wordt en toeneemt aan aanzien en macht.

Jezus leerde ons niet, dat we z.g. "heilige missen" moeten bezoeken. Hij leerde ons de inkeer in ons innerlijk, in ons hartekamertje, dus afgewend van kerkelijke luxe en pronk.

Hij leerde ons niet, dat na Zijn opstanding een corpus, dat Zijn dood symboliseert, mooi uit hout gesneden of uit klei of porselein vervaardigd, 2000 jaar lang aan het kruis moet hangen.

Hij leerde ons niet, alles, wat in en op de aarde, in en op de wateren en in de lucht zijn bestaan heeft, te mishandelen en te doden en alles wat tot nuttigen geëigend is, te slachten, om het als kadaver te nuttigen.


Hij leerde ons niet, dierkannibalen te zijn, kinderschenders, afpersers, verkrachters, echtbrekers, lasteraars, discrimineerders, dieven, leugenaars en noem maar op.

Hij leerde ons de hoge zedenleer, niet het verval van alle zeden en waarden.

Hij leerde ons de moraal en niet de immoraliteit.

Hij leerde ons, globaal gesproken, dat we in het bewustzijn van het kindschap Gods zouden moeten leven.


Doch wat is uit de mensheid geworden? Velen geloven, dat ze leven. In werkelijkheid echter zijn ze geestelijk dood, want hun harten zijn als het ware uit steen, zoals ook hun zielen verduisterd zijn. In ons aardse bestaan hebben zich rijk en arm uitgekristalliseerd. De rijken zijn de machthebbers, de armen de machtelozen. Omdat zowel rijk als arm in filmscenes kan zien, hoe men als rijke kan leven, streeft de arme ernaar, een beetje van de koek van de rijkdom mee te krijgen.


Wie de brutaliteit als al-te-menselijk erfdeel in zich draagt, die hij zich eventueel in vorige incarnaties eigen maakte en nog niet heeft afgelegd, wordt dan vaak tot datgene, wat ik in de reeks brochures "De profeet" al vaker heb uitgelegd. Hij wordt tot huichelaar, tot dief, verkrachter en zo meer. Anderen weer, die de aanleg voor brutaliteit niet als kenmerkende karaktertrek in zich dragen, vegeteren, leven onder de bruggen van deze wereld, liggen op verwarmingsroosters om van de warmte, die daaronder is, wat mee te krijgen. Weer anderen liggen of staan bedelend op straat of gaan, zoals Maria en Jozef bij het zoeken naar een herberg, van huis tot huis, om eventueel in een bitter koude nacht een herberg te vinden.


Het is kerstavond. Een man en een hoogzwangere vrouw kloppen aan verschillende deuren en vragen om onderdak. Telkens weer worden ze afgewezen. Nu, ongeveer 2000 jaar na het oorspronkelijke kerstgebeuren, denken twee mensen: misschien kan ons een kerkelijke hoogwaardigheid, een bisschop, in zijn paleis met de vele ruimten, opnemen, want hij vertegenwoordigt in zijn kerk de christelijke waarden, de waarden van de Gods- en naastenliefde.

Het is al laat in de avond. De man en de vrouw staan voor het paleis en kijken op naar de vensters. Achter maar weinig vensters is licht; de meeste zijn donker. De man meent: "Vrouw, hier vinden we beslist onderdak. Het paleis heeft veel kamers, waarvan ons er zeker een ter beschikking wordt gesteld."

Schuchter en bevangen kloppen ze aan de verheven poort van heer bisschop, helemaal in deemoedige houding voor de grote christelijke man, die zeker in de voetsporen van Jezus gaat. Hun kloppen wordt niet gehoord.

Ondanks hun angst wagen ze het nog een keer en kloppen wat harder aan de poort. Binnen, in het warme, royale huis horen ze stemmen.

De beide mensen, die kleumend tegen elkaar aangedrukt voor de poort staan van het grote bisschoppelijke huis, moeten de volgende woorden horen, die binnen in het gebouw worden gesproken: " Het is brutaal, zo laat op kerstavond aan de bisschoppelijke poort te kloppen en storend in de ‘heilige’ avond binnen te dringen. Alle uitgenodigde gasten zitten aan tafel en om het vuur van de open haard. Wie mag dat wel zijn?"

Voorzichtig gaat de huishoudster naar de poort en kijkt door het spionnetje. Buiten staan twee mensen. Zij weet niet wie het zijn en roept het huis in: "Verwachten wij nog gasten?"

De bisschop gaat naar de poort en zegt: "Het is al erg laat. Wij verwachten geen gasten meer. Maar zij, die daar buiten staan, lijken ongevaarlijk. Vraag, wat ze willen."

De deurketting wordt bevestigd en de deur opent zich, zover de ketting reikt. De bisschop vraagt door de kier van de deur: "Wat willen jullie?"

De man antwoordt: "Mijn vrouw is hoogzwanger. Ik vraag om onderdak, want de nacht wordt zeer koud en we hebben geen onderkomen."

De bisschop richt zich op, onderdrukte verontwaardiging staat in zijn gezicht te lezen. Zijn gedachten zijn: "Twee mensen in onverzorgde, versleten kleding moet ik onderdak geven? Er zijn genoeg pensions, waar ze binnengelaten worden."

"Beste mensen", zo spreekt hij zacht en met deemoedige schijn, " het is mij niet mogelijk, jullie in mijn huis onder te brengen, maar in de pensions hier in de buurt is beslist plaats voor jullie."

De man antwoordt: "Wij hebben geen geld en hebben erge honger." Hij raapt alle moed bij elkaar en spreekt verder: "Alstublieft, heer, laat ons binnen; geef ons onderdak in je grote huis. Geef ons eten voor de moeder en haar komende kind."

Snel trekt de bisschop zijn portemonnee tevoorschijn, om de twee mensen geld te geven voor onderdak en eten in het pension. Plotseling stokt hij en denkt: is het niet beneden mijn waardigheid om baar geld te geven? Een bisschop schenkt zijn zegen en niet de snode mammon. Overigens handelt het zich hier om sociale hulp. Is daarvoor niet de staat of hoogstens de bisschoppelijke schatkamer, die jaarlijks veel geld van de staat ontvangt voor caritatieve doeleinden, verantwoordelijk? De portemonnee van de bisschop verdwijnt weer in de plooien van zijn wijnrode soutane. Maar waar is de voor aalmoezen verantwoordelijke kamerheer? De prelaat is niet thuis. Daar valt de bisschop iets anders in. Gisteren kwamen toch enkele aanzienlijke giften binnen van goedhartige mensen voor de restauratie van een kerk. Daarvan zal ik die beiden een klein bedrag geven. Weer aarzelt hij en denkt: een paar huizen verder is een boerenhoeve. De boer zou hen in zijn stal onderdak kunnen geven. Daar veroorzaakt de vrouw weinig last, wanneer ze eventueel weeën krijgt, om haar kind te baren.

De hoge en edelmoedige man, de bisschop, biedt de beiden nu van de ene kant de boerderij aan, van de andere kant geld voor het pension.

Treurig kijken beide mensen de goedgeklede, weldoorvoede heer in het warme bisschopspaleis aan. Een beetje medelijden spiegelt zich in het gezicht van de excellentie. "Nu," zo meent hij, " hier hebben jullie wat geld uit de schenkingskas," en wijst hen de weg naar de boerderij. Dus begint het zoeken naar onderdak opnieuw. Deze keer zijn de beiden, de man en de hoogzwangere vrouw, vol hoop, want ze kunnen zich op de excellentie, de bisschop, beroepen. Weer kloppen ze aan de poort. Deze keer komt de boer en vraagt: "Wie klopt daar zo laat in de avond?" Buiten opent zich een mond: "Ik vraag deemoedig om onderdak. Zijne excellentie, de bisschop, heeft ons naar U toegestuurd. De deur gaat open en de boer zegt: "In mijn huis is geen kamer vrij. Misschien in de stal hiernaast - daar kunnen jullie verblijven. Er ligt echter alleen maar stro in de stal. De dieren, de os, de koe en de schapen heb ik verkocht aan de slager, om een goede prijs te krijgen. Men moet toch zien, hoe men rond komt."

Dankend nemen de beiden het aan. Ze betreden de koude stal en gaan op het stro liggen. Er zij geen dieren die warmte geven.

2000 Jaar geleden verging het Maria en Jozef ook zo. Nu, 2000 jaar later, is de moraal nog verder gedegenereerd. Omstreeks de kersttijd worden ontelbare dieren geslacht, als het ware de stallen leeggeruimd, behalve die dieren, die voor de nieuwjaarsdagen en de balnachten gereed worden gehouden. Men wil dan toch ook een goed stuk vlees op tafel brengen. In de beide mensen ontmoeten we Maria en Jozef en het nog ongeboren kind Jezus. Wie heeft hen herkend? Wie heeft de symboliek begrepen? Noch de huishoudster van de bisschop, noch de excellentie, noch de boer.

Slechts één mens, de vrouw van de boer, komt de stal in en brengt hen warme dekens en wat te eten. Zij is de enige, die bij zichzelf denkt: "Wonderlijk, wonderlijk! Ik moet aan datgene denken, wat 2000 jaar geleden gebeurde! De parallellen zijn zo opvallend. Wil God mij door deze beide mensen iets laten zien?" De vrouw is enkele ogenblikken heel stil. Dan zegt ze bij zichzelf: "Is dat mogelijk? Heeft Hij in mijn stal intrede genomen, de grote Heer, die de Verlosser is van alle mensen en zielen? Of is het alleen maar een gevoel, dat mij overkomt, omdat het vandaag kerstmis is? Is het de waarheid? Wat wil mij dat zeggen?" Haar hart klopt steeds harder. Een warm gevoel stijgt in de boerin op en ze denkt: "Niet alle jaren weer ‘komt het Christuskind op aarde neer, waar wij mensen zijn’. Elke dag, ieder uur, ieder ogenblik, ja, in mijn hele aardse bestaan is de Christus-Gods bij mij en gaat op alle wegen met mij. Hij is aan mijn zijde, stil en niet herkend, dat Hij me trouw mag leiden aan Zijn lieve hand."


Een mens is ontwaakt en begrijpt nu de stille, heilige nacht. We behoren ons leven te heiligen, dag na dag, in het bewustzijn, dat de Christus-Gods, de grote Geest, in ieder van ons woont. Wij zijn de tempel van de Heilige Geest en we behoren elkaar lief te hebben en elkander te helpen, zoals Jezus, de Christus, ons heeft liefgehad en liefheeft en ons dagelijks, ieder uur en elke minuut bijstaat. In de boerin vindt een verandering plaats. Zij gaat naar de beide mensen toe en biedt hen haar hulp aan. Een kind komt ter wereld, een kind als jij en ik. En ook in hem is de Heilige Geest, de Christus-Gods, onze Verlosser, zoals in jou, in mij en in ons allen.

Een mens heeft de nacht tot dag gemaakt. De kerstdag is een andere dag en het komende jaar zal een ander jaar zijn. Die ene mens, de boerin, vraagt zich dagelijks af: wat wil Jezus, dat ik nu doe? En deze vrouw ontvangt inhoudelijk het woord van de Heilige Geest: doe, wat Ik je als Jezus geboden heb. Toets je voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen aan de Tien Geboden en aan de leer van de Bergrede, opdat je innerlijk rijk wordt, opdat je het rijk Gods, dat in je innerlijk is, ontsluit, om weer een dochter van God te worden, die in haar hart rijk is en met alle mensen en de natuurrijken in vrede leeft. Eerst dan zal er vrede zijn.

 


Uit het Duits vertaald.
In licentie uitgegeven brochure, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave doorslaggevend.


»De Profeet«
- het woord en het drukwerk -
is gratis.

Wie met een gift wil bijdragen ter verspreiding hiervan, vooral in het
buitenland, kan dit doen bij:
Universelles Leben e.V.
Kto. 55681 - BLZ 790 500 00 - Städtische Sparkasse Würzburg (D) of bij:
Universeel Leven, postbus 31228, 6503 CE  NIJMEGEN
Gironummer 6037742
onder vermelding van: bijdrage verspreiding »De Profeet«

[ Uittreksel uit Dit is Mijn woord- Alpha en Omega ] [ De Profeet ]
[ De Tien Geboden van God ] [ Radiozendingen in het Duits ] [ Universeel Leven ] [ Kosteloze info ] [ Home ] [ Contactadressen ] [ Email ]

Universeel Leven, Postbus 31228, 6503 CE Nijmegen
 
Universelles Leben, Postfach 5643, D-97006 Würzburg, Deutschland
Tel. (+49) 931-3903-0, Fax: (+49) 931-3903-233
e-mail: info@universelles-leben.org

[an error occurred while processing this directive]

[an error occurred while processing this directive]