
De stem van de waarheid.
De profetes van God spreekt in onze tijd
Het fundamentele in onze tijd om over na
te denken en tot zelfkennis te komen
Twee heelal-Goden,
de god van Mozes en
de God van Jezus -
of de ene veranderlijke God?
Nummer 9
De dorpsgenoot
en de profeet
De dorpsgenoot:
Zeg, profeet, nu ik je toch zie - ik let al een hele tijd op jullie. Als men met jullie spreekt, zijn jullie hele geschikte lui en ook heel open, alleen zo vreselijk gelovig. Inmiddels denk ik dat het geklets van menig hooggeplaatste bij de kerk niet klopt, want ik heb dikwijls met jullie te maken. Af en toe koop ik ook bij jullie in het Einkaufsland [winkelcentrum in Altfeld] en zo nu en dan bezoek ik jullie kerk, die jullie Innerlijke Geest=Christus kerk noemen, want ik wilde wel eens zien, wat er anders is bij jullie dan bij ons protestanten of katholieken. Veel van wat daar gesproken wordt, kan ik niet goed thuisbrengen, maar sommige dingen zijn mij duidelijk. Mij bevalt in jullie kerk, dat alles zo ongedwongen is en hoe jullie met elkaar omgaan. Dat er bij jullie in de Innerlijke Geest=Christus kerk ook gelachen mag worden, en dat je ook vragen kunt stellen bevalt mij bijzonder. Ik kan niet altijd overweg met de manier waarop jullie je uitdrukken, maar iedereen heeft nu eenmaal zijn dialect. Ik denk dat het andere aan jullie oerchristenen, ook een dialect is. Profeet, al lang zou ik iets willen vragen: zijn jullie allemaal zo heilig, dat jullie niet naar een café gaan? Mogen jullie geen glas bier of een glaasje wijn drinken? Waarom eten jullie geen worst en geen vlees?
Antwoord van de profeet:
Ik ben blij, dat je me aanspreekt, en zo open, ongedwongen en zonder voorbehoud. Wij oerchristenen - waartoe ik mezelf ook reken, want een profeet, zoals ook jij mij noemt, is niets bijzonders - doen moeite, de goddelijke geboden en de Bergrede van Jezus serieus te nemen en deze in ons dagelijks leven stap voor stap te verwezenlijken. De één lukt dit beter dan de ander, maar de inspanning is er bij velen en dat is een belangrijke factor in ons leven - in het leven van ons allemaal. Wie er dagelijks naar streeft, zijn denken en doen aan Gods geboden en de Bergrede te meten, zal eens de heerschappij over zijn al te menselijkheid, dus over zijn grofste zonden, verkrijgen en zo God welgevalliger worden, omdat hij dan ook steeds meer doet, wat God wil. Het zou goed zijn, als velen, die ons gadeslaan, gewoon ongedwongen, zoals jij nu doet, met degenen zouden spreken, die zij observeren. Dan zouden zij spoedig merken, dat de meesten, zoals jij zegt, geschikte lui zijn, die hun geloof serieus nemen. Is niet het hele aardse leven een inspanning, het een of ander te bereiken, dat men de moeite waard vindt om na te streven? Velen van ons oerchristenen willen dicht bij God komen - en dat gaat natuurlijk niet zomaar; men moet consequent zijn t.o.v. zichzelf. Maar als we het willen en navenant moeite doen, kunnen we veel stappen doen naar Hem, die ons aller Vader is. Omdat we nu eenmaal ons best doen om de stappen naar God te doen, lijkt het voor jou, dat wij - zoals je zegt - zo vreselijk gelovig zouden zijn. Ik weet niet, of je protestant of katholiek bent; dat is ook niet belangrijk. Wij oerchristenen zien alle medemensen als onze broeders en zusters, omdat we allemaal een Vader hebben, wiens kinderen wij zijn. Wij oerchristenen geloven in de waarheid, die gedeeltelijk ook in de bijbel te vinden is. Men kan alleen de waarheid uit de bijbel vinden, als men dagelijks moeite doet nader tot God te komen door de stapsgewijze vervulling van de goddelijke geboden. Daardoor wordt de geestelijke horizon ruimer, en men wordt gevoeliger voor waarheid en onwaarheid.
Als je over een dialect spreekt, dat jou, zoals je zegt, juist in de Innerlijke Geest=Christus-kerk opvalt bij het treffen van alle Godzoekende mensen, dan bedoel je vast niet de verschillende schakeringen in de uitspraak, die voortkomen uit het feit, dat wij oerchristenen overal vandaan komen. Uit het Duitstalige gebied en uit veel andere landen zijn wij hiernaartoe gekomen. Wat ons misschien van vele - niet van alle - institutionele christenen onderscheidt, is, dat wij geloven, dat alles, wat wij aan gedachten, woorden en daden uitzenden, ook weer op ons terugkomt en dat wij daardoor onze blijdschap en ons leed zelf veroorzaken. Daarom reageren wij heel anders op alles, wat ons overkomt, en spreken ook anders dan menig protestant of katholiek - maar niet omdat we anders zijn. Of je nu katholiek of protestant bent, in jullie bijbel staat toch ook: God laat niet met Zich spotten. Want wat de mens zaait, zal hij oogsten. Misschien hebben we daarom een andere manier van uitdrukken, omdat wij in deze oud-oerchristelijke leer geloven. Ik ben blij, dat je nadenkt - wat velen niet doen -, dus nadenkt over de zogenaamde kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en hun gepraat niet gelooft zonder het te toetsen. Het was altijd al zo, dat de reguliere kerken alles als sekte aanduidden en ook nu nog zo kwalificeren, wat zich niet op mensen afstemt, op mensenwerk en zijn voorschriften, maar ernaar streeft, in de voetsporen van Jezus te gaan, dus de goddelijke wet te vervullen. Daarvoor heeft men natuurlijk geen uiterlijke kerken, erediensten, ceremonies en dogmas nodig; want Jezus heeft zoiets niet geleerd. Bij de zogenoemde sekten-gevolmachtigden voegen zich ook weer andere eenzijdig institutioneel georiënteerden en ook zo menig predikant, die bang is, dat zijn schapen naar de oerchristenen overlopen, waardoor hijzelf en zijn ambt overbodig zouden worden.
Iedereen denkt - en wie zijn eigen gedachten aan een onderzoek onderwerpt, bespeurt langzamerhand, wat anderen in hun woorden verbergen. Dan komt hij tot het inzicht, dat allen, die eenzijdig institutioneel georiënteerd zijn en vandaar ook door hen betaald worden, anderen moeten neerhalen, om zich bij hun meerderen geliefd te maken. Ook kleingeestigen, die zich opblazen, om in het openbaar succes te hebben, treden in de voetsporen van de sekten-gevolmachtigden of predikanten. Het ophemelen door hogeren is dan hun loon. Op dit pad van anderen zwartmaken, gaan er misschien ook zo veel, om hun eigen onbeduidendheid niet te zien. De instituties kerk moeten eveneens van zichzelf afleiden, opdat men hun manoeuvres niet ziet. Daarom belichten zij anderen met hun schijn - hun schijnheiligheid, die al aanzienlijk aan glans heeft ingeboet. Je zegt, dat je zo af en toe de Innerlijke Geest=Christus kerk bezoekt en dat we daar ook wel eens hartelijk lachen. Waarom niet? God is ook een God van blijdschap. God is niet de God van de theologie, die Hem in een vast patroon wil persen, dat sacrament, ritueel en geloofsregels betekent, waarvan de inhoud, en daarmee de waarde, een mengsel is van menselijk-intellectuele, zelfbedachte voorstellingen, om macht over de Godzoekenden te krijgen, hen te binden en gebonden te houden - maar niet de wet van God, Zijn heilige wil, die aan het water van het leven ontspringt. Het duistere, dreigende, straffende, onbarmhartige hebben mensen God, de Eeuwige, toegeschreven, maar dit is niets anders dan een projectie van de eigen liefdeloosheid. De verduistering van het Godsbeeld voltrok zich, toen men de wetenschap over de wet van zaad en oogst, die Jezus nog onderwezen heeft, van de mens afnam, zodat deze niet meer in de gelegenheid was om te doorzien dat alles, wat hem overkomt, het gevolg is van het eigen denken en doen. Het voor hem onverklaarbare van zijn lot schreef de mens toen toe aan een onberekenbare, onbarmhartige God en zocht zijn heil bij diegenen, die beweerden, dit alleen in handen te hebben. Van de liefde Gods werd en wordt weliswaar nog gesproken - maar welke zich hopeloos in ellende en nood bevindende mens, kon en kan werkelijk daaraan geloven? De verlossersdaad van Jezus, de Christus, de blijde boodschap, bleef eveneens een vaag gegeven, omdat niemand precies weet, waarover hij zich moet verheugen, want elke zondag heeft hij de aan het kruis genagelde Jezus voor ogen, die ellendig geschonden en gepijnigd aan het kruis hing en nog steeds hangt. Men zingt wel Jezus leeft, met Hem ook ik, maar hoe en op welke manier, bleef en blijft in nevelen gehuld. Het is te danken aan de goddelijke kern van ons wezen, de Christus-verlossers-kracht in ons hart, dat de vonk van hoop in de mens niet uit kon doven.
De dorpsgenoot:
Profeet, gedenken de oerchristenen op Goede Vrijdag het lijden en sterven van Jezus, en vieren zij met Pasen ook Zijn wederopstanding?
De profeet:
Je hebt een bijzondere gave, netelige kwesties aan te snijden. Nu, lieve broeder, heb ik een raadsel voor je: Alle jaren weer op en af, op en af, af en op, af en op. Wat is dat?
De dorpsgenoot:
Ik weet niet, wat je daarmee bedoelt. Denk je misschien aan de katholieke kerk, aan het steeds neerknielen en opstaan tijdens de mis? Of aan het opstaan en gaan zitten in de godsdienst van de protestanten? Als je dat bedoelt, dan moet ik je zeggen, dat hoort toch gewoon bij onze traditie.
De profeet:
Dat bedoel ik niet, ik bedoel het verloop van het zgn. kerkelijke jaar: elk jaar opnieuw. Met de traditie van op en af en af en op bedoel ik enerzijds het kerstfeest en anderzijds het paasfeest. Met Kerstmis gaat het zo: men haalt het beeldje van was of hout van de zolder, stoft het af en legt het een paar dagen in het afgestofte kribbetje, dat men dan plichtmatig met sentimentele, vrome liederen toezingt, om het na Kerstmis weer naar de zolder te brengen. Dus eerst eraf en dan weer erop. Na Kerstmis is de betovering voorbij, het wordt carnaval, vastenavond. Met Pasen is het hetzelfde als met Kerstmis. Ieder jaar herhaalt zich hetzelfde; vóór Pasen verhult men het kruis met een lila doek en laat hiermee de gekruisigde verdwijnen. In deze tijd behoort men, en ik benadruk bewust: men behoort - of de katholieke christenen het doen of niet - het lijden en sterven van Jezus te verinnerlijken. Op Goede Vrijdag geeft men de blik op het lijk aan het kruis weer vrij. Op eerste paasdag vieren de kerk-christenen de opstanding van de Heer. Daarbij wordt vaak een kruis zonder lichaam getoond. Een paar dagen later hangt Jezus volgens traditioneel gebruik weer aan het kruis. Dus ook op Goede Vrijdag en met Pasen betekent dat: eraf met het lijk, en na de onthulling van het kruis, het lijk er weer op. Dus ook met Goede Vrijdag en Pasen: af en op. Wij oerchristenen gedenken het lijden en sterven van Jezus, door Christus te danken, dat Hij voor ons mensen deze bittere kelk heeft gedronken. In de dank aan Hem ligt ook onze belofte, dat wij stap voor stap doen, wat Hij ons in Zijn Bergrede geboden heeft: »Wie Mijn leer hoort en in praktijk brengt, is als een verstandig man, die zijn huis op een rots bouwde«. Wij eten op Goede Vrijdag ook geen vis en met Pasen geen gerookte en gewijde ham. Wij eten helemaal geen vlees, noch vis of een andere diersoort. Wij willen niet alleen vegetariër zijn, om de dieren te sparen, maar ook geestelijke vegetariërs worden, in zoverre, dat wij steeds meer vegetarisch denken, wat betekent, dat wij moeite doen, steeds minder tegen het leven te handelen, dus steeds minder te zondigen, om Hem na te volgen, die het leven is, Jezus, de Christus. Met Kerstmis wordt Jezus, de Christus, als zuigeling gebagatelliseerd en belachelijk gemaakt; met Pasen gebeurt ongeveer hetzelfde, doordat men Hem steeds opnieuw kruisigt, hoewel Hij allang verrezen is. Waarom men deze traditie van het gekruisigde lijk in stand houdt, kan men zich indenken. Misschien moet onder andere de kerkgelovige een slecht geweten ingeprent worden, zodat hij de traditionele bewaarders van de hooggewaardeerde traditie verder eerbiedig huldigt, waardoor de gelovige gelovig - dat wil zeggen afhankelijk - blijft en verder kerkbelasting betaalt. Alleen de hoogeerwaarde voorstanders van de traditie zeggen, Jezus, de Christus heeft te zwijgen, overeenkomstig de woorden van de grootinquisiteur bij Dostojewski. De grootinquisiteur zegt tot Jezus: »Wat kun Jij ook zeggen? Ik weet heel goed wat Je zeggen wilt; maar Je hebt geen recht, ook maar één woord toe te voegen aan dat, wat eens over Jou is gezegd ...« Alles werd eens door Jou aan de paus overgedragen, en alles is nu aan de paus, doe Jij ons nu één plezier, en kom niet terug om ons te storen in deze tijd!«
De dorpsgenoot:
Ik zie dat gedeeltelijk ook zo. Maar wat moet je dan doen met Kerstmis en Pasen. Ik zie geen oplossing.
De profeet:
Neem een oplosmiddel, dat betekent: maak je los van het traditionele denken en doen, want zoiets heeft Jezus ons niet geboden. Leef stap voor stap zoals Jezus het ons geleerd heeft, dan heb je ook de hoogwaardigheidsbekleders en de traditie niet nodig, maar zul je Hem de eer geven, Die alle eer toekomt.
De dorpsgenoot:
Maar dat is moeilijk, wanneer ik aan mijn gezin en aan mijn familie denk, die allen aan de traditie zijn gebonden.
De profeet:
Als een vulkaan zo zou denken als jij, dan zou hij nooit mogen uitbarsten, omdat zijn lava veel land overdekt, om het later vruchtbaar te laten worden. Wanneer je je alleen door je gedachten in beroering laat brengen, maar je uiterlijk altijd mooi stilhoudt, om met je familie in harmonie te blijven, dan verstik je je innerlijke ontwikkeling in de kiem en zul je ook medemensen nooit tot vruchtbaar leven inspireren. Zij blijven blind en aan de zeereerwaarde heren gebonden, om trouw te blijven aan de traditie, die met de actieve leer van Jezus, de Christus, niets gemeen heeft. Zou God zijn, zoals Hij in de kerkelijke instituties wordt voorgesteld, dan zouden wij allen echt niets te lachen hebben. Maar God is liefde, vreugde, vrede. God is mét ons en voor ons allen, omdat we Zijn kinderen zijn. God is niet in een kerk, waarin niet gesproken of gelachen mag worden, waar de strengheid van het sacrament heerst en het kruis met corpus iedereen, die het nader beschouwt, een slecht geweten bezorgt.
Jezus, de Christus, is verrezen. Dat zou ons blij moeten stemmen, want door Zijn grote daad van verlossing mogen ook wij verrijzen, wanneer we ons tot de Verrezene wenden en niet aldoor tot de dode man aan het kruis, die ons blijkbaar schuldgevoelens moet inboezemen, zodat wij de officiële kerken - die de dode man meer belang toeschrijven dan de verrezen Christus - eer bewijzen. Op grond van het slechte geweten van de kerkgangers, waartoe ons de man aan het kruis steeds weer moet aansporen, betaalt zo menigeen zijn bijdrage, in de hoop dat God hem, de arme zondaar, zijn zonden zal vergeven. Maar God laat zich niet betalen voor hetgeen Hij voor ons doet. Hij heeft ons lief, en zoals wij ons tot Hem wenden in innig gebed en in waakzaamheid ten opzichte van onszelf, komen wij God in ons hart nader. Het komt er dus op aan, waakzaam te zijn, of we de dag benutten, of we met onze naaste vrede sluiten en vrede houden. Het komt er dus op aan, erover te waken, hoe wij over onze medemensen denken, praten, en hoe wij tegenover hen handelen, en of wij ons beteren door onze erkende zonden met hulp van onze Verlosser te berouwen, om vergeving te vragen, onze naaste te vergeven en deze zonden niet meer te doen. Wij moeten God dus niet betalen, maar zouden ons Hem moeten toewijden, doordat wij langzamerhand doen, wat Jezus ons geboden heeft: hebt elkander lief, zoals Ik - daarmee wordt Jezus bedoeld - jullie heb liefgehad, en zoals Hij ons uiteindelijk eeuwig liefheeft. Iemand die goedgelovig s zondags naar de kerk gaat, vraagt zelden, of Christus het werkelijk zo wil, zoals de kerkelijke autoriteiten het hun gelovigen wijsmaken, die hen een uiterlijk vertoon en een theologisch intellectueel leerstelsel voorzetten, dat Jezus nooit wilde. De apostelen en discipelen van Jezus waren beslist ongedwongen mensen. Zij hebben - zoals men kan nalezen - Jezus getutoyeerd zoals hun gelijken. Waarom zouden wij nu met Christus niet ook zo kunnen spreken? Hij hoort en begrijpt ons, omdat Zijn Geest in ons leeft. Omdat wij oerchristenen in het gebed en door de stapsgewijze verwezenlijking van de geboden Gods en de Bergrede met Christus spreken - en ook omdat wij ernaar streven, mét onze medemensen te zijn en niet tegen hen - hebben wij, zoals je denkt, wellicht een andere uitdrukkingswijze, echter geen speciaal oerchristelijk dialect. Omdat God een God van liefde, vrijheid en vreugde is en omdat de levende Christus Gods ons van de schaduwen van ons verleden bevrijdt, die wij in de situaties van ons dagelijks leven zien, kunnen wij ook lachen, ook in onze Innerlijke Geest=Christus kerk, bij het treffen van alle Godzoekenden.
Overigens hebben wij oerchristenen de Innerlijke Geest=Christus kerk een andere naam gegeven, daar vele Godzoekenden aanstoot nemen aan het woord kerk, omdat zij dit in verbinding brengen met de institutionele kerk. Innerlijke Geest=Christus kerk wil echter zeggen: de kerk van het innerlijk, wat betekent, dat wij de tempel zijn van God en de Christusgeest in ons woont. Daar wij de uitspraak Innerlijke Geest=Christus kerk niet altijd naar de betekenis kunnen uitleggen, hebben de oerchristenen gehoor gegeven aan de vraag van vele God-zoekenden in de hele wereld en hebben de betekenis van de woorden Innerlijke Geest=Christus kerk in een nieuwe benaming tot uitdrukking gebracht: Plaatsen van oerchristelijke ontmoeting - samenkomst van alle Godzoekenden. Kosmische levensschool. Christus, de sleutel tot de poort van het leven. God zou willen, dat we van harte blije mensenkinderen zijn en niet voortdurend met schuldgevoelens beladen. Zijn we dat laatste toch, dan gaan we niet de weg die Jezus ons wees, en nemen Zijn verlossing niet aan. Beste dorpsgenoot, mag ik je als broeder aanspreken? Wij zijn wel gelovige mensen, maar geen heiligen. We geloven niet in een zogenaamde heilige vader, de paus, en vieren ook geen Allerheiligen, omdat wij in de Ene Heilige geloven, in God, die de Vader van ons allen is, en in Christus, ons aller Verlosser. Of je het geloven wilt of niet, wij gaan ook af en toe wel eens naar een café en drinken een of twee glazen bier of een glaasje wijn; maar wij bedrinken ons niet. Dat heeft met aangeschoten-zijn niets te maken, dat overkomt sommige oerchristenen af en toe ook wel eens. Wie zal ons dat verbieden? Christus niet - en ik al helemaal niet, want ik bepaal niet, ook al beweren kerkelijke gevolmachtigden, die een beeld van mij geschetst hebben en schetsen, dat met de werkelijkheid niets van doen heeft, dat van mij. Het klopt, dat wij geen worst of vlees eten. Wij zien in de dieren het leven van de Schepper en weten - uit eigen ervaring, en dat kun je zeker bevestigen - dat dieren veelal fijnere gewaarwordingen hebben dan wij mensen. Jezus zei: wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Of: wat jij wilt dat anderen voor jou doen, doe jij dat eerst voor hen. De anderen zijn voor ons niet alleen onze medemensen, maar ook de dieren, onze overnaasten. Wat wij hen aandoen, ook wanneer wij hen voor onze doeleinden doden, is gewelddadigheid en zal ons eens zelf overkomen. Dat geldt ook voor het jagen en afschieten van dieren in bos en veld. Wie niet zo behandeld wil worden, zoals het vaak met dieren gebeurt, zou deze schepselen moeten behandelen, zoals hij zelf behandeld wil worden.
De dorpsgenoot:
Zo zit dat dus. Het schijnt mij toe, dat jullie wel beter zijn dan wij. Ik ben protestant ...
De profeet:
Stop beste broeder! Wij zijn niet beter dan jij. Wij zijn allen onder elkaar broeders en zusters en voor Gods aangezicht gelijk, ook als je protestant bent. Wij smeken je, geen onderscheid te maken tussen protestanten en oerchristenen. Wij hebben allemaal dezelfde God, want er is uitsluitend de Ene Eeuwige. Wij zijn allen Zijn kinderen. Wij onderscheiden ons enkel en alleen van kerkchristenen, doordat wij in het uiterlijke gedoe, dat de beide kerkelijke instituties protestant en katholiek voorschrijven en in hun leerstellingen niet geloven. Ook geloven wij niet, dat alleen het geloof in de verlossing door Christus voldoende zou zijn, om vergeving van alle zonden te verkrijgen, zoals de lutherse leer zegt. Als dat zo zou zijn, dan zou diegene een dwaas zijn, die zijn leven aan de Tien Geboden en de Bergrede toetst. Waarvoor zouden we dan de Tien Geboden en de Bergrede nodig hebben, als alleen het geloven genoeg zou zijn? Zou Jezus dit gezegd hebben, dan zou Maarten Luthers uitspraak kloppen: »Zondig flink, maar geloof nog flinker«, hetgeen zou betekenen, dat het er niet op aankomt of een mens onrecht doet, als hij maar het goede geloof heeft, want het wordt hem allemaal dank zij Christus weer vergeven. Zou het met de wil van God overeenstemmen wat Luther predikte: »Zondig flink, maar geloof nog flinker« - waarom zou God ons dan in de Tien Geboden en Jezus in de Bergrede hebben uitgelegd, hoe wij ons zouden moeten gedragen? Jezus sprak van het navolgen van Zijn leer, dat hij, die Zijn leer in praktijk brengt, op een verstandig man lijkt, die zijn huis op een rots bouwt. Hij leerde ons ook, dat diegene, die Zijn leer aanhoort maar niet praktiseert, op een dwaze man lijkt, die zijn huis op zand bouwt. Wij oerchristenen doen moeite, de leer van Jezus op te volgen en in overeenstemming daarmee te handelen.
De dorpsgenoot:
Dat zie ik in, dat het geen goede manier zou zijn, anders te denken en te doen, dan men denkt en weet dat het goed zou zijn. Ik begrijp langzamerhand, dat jullie oerchristenen niet anders zijn dan wij. Wat ik ook wilde vragen: wat doen jullie oerchristenen, als een van jullie, een oerchristen dus, sterft? Begraven jullie hem zelf, of hoe gaat dat?
Antwoord van de profeet:
Is een van ons ernstig ziek en vermoedt hij, dat zijn aardse dood naderbij komt, dan deelt hij zijn verwanten mee hoe hij begraven wil worden. Meestal is het zo, dat even voordat de kist aan de aarde wordt overgegeven, dus voor het graf, een korte bezinning plaatsvindt en enkele innige gebeden worden gesproken; we zingen ook twee of drie christelijke liederen. Dan wordt de kist - natuurlijk door medewerkers van een begrafenisondernemer - ter aarde besteld. Wij hebben bij onze gemeenschappelijke oerchristelijke samenkomsten in principe geen ceremoniëel. Daar houden wij ons ook aan bij de begrafenis van een oerchristen. Sterft een oerchristen, zonder dat hij zelf de details van zijn begrafenis heeft geregeld, dan doen zijn nabestaanden dat voor hem. Er zijn veel begrafenisondernemers, die de gestorvene een veel mooiere uitvaart geven en met meer medeleven dan een pastoor, die decennia lang steeds dezelfde bijbelteksten citeert, dezelfde gebeden opzegt en de overgave van het lichaam aan de aarde volgens een vastgesteld rituëel uitvoert. Alle mensen hebben min of meer angst voor het sterven. Maar waarom hebben wij zon grote angst, niet waardig genoeg begraven te worden? Let de levende erop, dat hij ook als dode nog aanzien blijft houden en de nabestaanden hem, overeenkomstig zijn nog bestaande waardigheid, ook waardig laten begraven, zo mogelijk op opzienbarende wijze, zodat vrienden, bekenden en buren zien wat men bezit? Lieve broeder, geloof jij dat God erop let hoe de dode begraven wordt? God kijkt hoe de dode als mens heeft geleefd. Overeenkomstig ontvangt de ziel naar het principe: wat je gezaaid hebt zul je ook oogsten.
De dorpsgenoot:
Profeet, ik vind, dat je geen piëteit hebt, geen achting voor de dood.
De profeet:
Als je meent, dat ik zonder piëteit ben en geen respect zou hebben voor de dood, dan is dat jouw mening. Ik zal me niet verdedigen. Ik zal je alleen mijn overtuiging over de dood vertellen. Of je het gelooft of niet, laat ik aan jou over. Het woord dood betekent dat het afgelopen is met het aardse lichaam, dat niets anders is dan een vergankelijk omhulsel. Het valt uiteen, zodra het leven, dat in de ziel woont er uitgaat. Ik kan toch voor iets, dat opgehouden heeft te bestaan geen achting meer hebben. Ik heb respect voor het wezen, dat in de mens was en dat bij de dood het lichaam verliet. Wat achterblijft, is een leeg omhulsel, dat men met respect naar zijn laatste rustplaats begeleidt, omdat men achting heeft voor het wezen, dat het omhulsel verliet. In het wezen, dat het omhulsel verlaten heeft, is het leven, God; ten opzichte daarvan heb ik niet alleen achting, maar ook eerbied. Maar zelfs een dood lichaam bekijk ik niet als een afvalproduct, maar als een deel van de aarde, want het lijk bestaat uit water en aarde en keert weer in deze aardse substanties terug. Ik heb respect voor de natuurwetten. Daarom heb ik ook achting voor het lijk, het afgelegde kleed, dat ik echter niet vóór de naar God wandelende ziel plaats. De begrafenissen van confessionele christenen daarentegen vertonen niet altijd piëteit, wanneer bijvoorbeeld aansluitend een uitgelaten begrafenismaal wordt gehouden en misschien zelfs al om de erfenis wordt gestreden. Hoe zie jij dat, broeder?
De dorpsgenoot:
Profeet, je zegt mij duidelijk, waar ik misschien niet helemaal goed zit - dat bevalt me! En als ik dit zo hoor, merk ik, er zit wat in in wat je zegt. Dat heb ik namelijk soms ook wel eens gedacht. Ook al zeg je heel duidelijk hoe jij het ziet - toch merk ik, dat je mij niet wilt overtuigen. Ja, het is goed; er is geen dwang; ik heb de vrijheid. Profeet, een ding begrijp ik niet: ik was net toch echt brutaal tegen je en heb gezegd, dat je geen piëteit had en zo. Daar heb je niets tegenin gebracht. Ik zou het begrepen hebben, als je mij lik op stuk had gegeven. Maar dat deed je niet. Profeet, waarom verdedig je je niet?
Antwoord van de profeet:
Waarom zou ik mij verdedigen? Daarbij botsen toch alleen meningen op elkaar. Er komen steeds meer misverstanden, en tenslotte gaat men in onenigheid, of zelfs met ruzie uit elkaar. Ieder gelooft dan, dat hij gelijk heeft. Ik laat me niet voorstaan op mijn gelijk en de betweterij, maar op de gerechtigheid, en die is God. Volgens de wet: wat de mens zaait, zal hij oogsten, of zoals de volksmond zegt: Gods molens malen langzaam, maar zeker. Zo komt op een dag alles aan het licht, indien niet meer in dit leven, dan in een ander bestaan, of als ziel in de reinigingsgebieden, waar zich de zielen bevinden. Wij oerchristenen strijden in principe niet over het geloof. We zeggen eenvoudig, hoe wij het doen en zetten de dingen recht. De naaste kan het aannemen of niet.
De dorpsgenoot:
Aha, nu wil je me bijbrengen, dat er wat inzit, in de reïncarnatie, dat wij steeds weer als mens in deze wereld komen. Dat is echter niet christelijk, maar oosters.
Antwoord van de profeet:
Ik wil je helemaal niets bijbrengen, want ik missioneer niet, ook niet met betrekking tot de reïncarnatie. Ik geloof aan de herbelichaming van de ziel; dat is ook de enige verklaring voor veel, wat ik zonder dit te weten nooit begrepen heb: waarom het de ene mens, die bijvoorbeeld een uitbuiter of een mensenverachter is, een dief of een moordenaar of, of, of ... goed gaat; een ander daarentegen, die van kindsbeen af volgens zijn geweten gehandeld en een bescheiden leven heeft geleid, moet misschien zijn leven lang veel leed en pijn dulden. Deze laatste zou, als men het hem zou vragen, zich niet kunnen herinneren, in dit leven gezaaid, dus veroorzaakt te hebben, wat deze kommervolle oogst zou kunnen opleveren. De oogst is voelbaar aanwezig: ziekte, nood, pijn, leed. Daar hij dus oogst, moet hij gezaaid hebben. Alleen diegene, die weet, dat hij reeds vóór dit aardse leven als mens geleefd heeft, kan voor zichzelf een dergelijk lot verklaren. Hij zal dan ook niet meer het noodlot of God, of bepaalde medemensen de schuld geven van hetgeen hem is overkomen. En wie nu zondigt en in dit aardse leven de overeenkomstige uitwerking nog niet ervaart, kan er zeker van zijn, deze in latere existenties te moeten beleven, wanneer hij zich de genade Gods niet bewust is, die voortdurend het geweten laat spreken, de erkende zonden, die zich in denken, spreken en handelen tonen, op de door Jezus geleerde weg in het reine te brengen: berouw je erkende zonden, vraag de gedupeerde om vergeving, vergeef degene, die tegen jou gezondigd heeft, maak goed, wat nog goed te maken is, en doe deze zonde niet meer.
Het weten over reïncarnatie heft ook de panische angst van de institutionele christenen op voor de eeuwige verdoemenis en het vagevuur, de hellestraffen dus. Is het niet vaak een angst-psychose, waarin de confessionele christenen leven? Het is juist, dat reïncarnatie geen protestante of katholieke leer is. Desalniettemin is zij een waarheid, die niet alleen in de oosterse leer te vinden is, maar ook bestanddeel was van de leer van het geloof van de eerste oerchristenen, ongeveer 2000 jaar geleden, van de oud-oerchristenen, zoals de apocriefe geschriften bewijzen. Jezus was katholiek noch lutheraans. Daarom onderwijzen de beide instituties geen reïncarnatie. Zij leren nu eenmaal alleen wat katholiek of luthers is, maar niet de leer van Jezus van Nazareth.
De dorpsgenoot:
Dat is allemaal nieuw voor mij. Kun je bewijzen dat reïncarnatie bestaat?
De profeet:
Het geloof en de reïncarnatie kan men niet bewijzen. Daarom missioneren wij ook niet, wij willen niet overtuigen. Wij onderwijzen ons geloof bijvoorbeeld in oerchristelijke bijeenkomsten - die door iedereen bezocht kunnen worden -, maar wij dwingen niemand, ons geloof aan te nemen. Het religieuze geloof bewijst zichzelf het beste, doordat de gelovigen doen, waarin zij geloven. Ons oerchristelijk devies luidt: spreek niet alleen over je christelijke geloof, maar doe dat, waarin je gelooft. Dat is overtuigender dan veel gepraat. Bij de oerchristenen wordt dus niet gemissioneerd.
De dorpsgenoot:
Wat je zegt, komt me heel plausibel voor. Dat is echt spannend! De gedachte, dat ik misschien al eerder geleefd heb en nog meer levens voor me heb, maakt mij steeds nieuwsgieriger. Profeet, vertel me alsjeblieft nog meer over reïncarnatie! Waarom moeten we steeds terug komen? Wat heeft dat voor zin? Ik moet je overigens zeggen: je bent wel een origineel type! Je bevalt me steeds beter.
De profeet:
Zijn we niet allemaal origineel? Ieder is op zijn manier origineel. Ieder heeft zijn eigen stempel. Misschien laat zich de reïncarnatie daaruit afleiden. Als we de reïncarnatie op de juiste manier bekijken, dan is ze niet als straf te zien, maar als een kans, op grond waarvan onze ziel weer in een fysiek lichaam kan incarneren, om als mens in enkele jaren schuld te vereffenen en zonden te erkennen, deze te berouwen en met hulp van de Christus Gods in het reine te brengen. De centrale leer van Jezus van Nazareth, die wij ons niet vaak genoeg voor de geest kunnen halen, betekent onder meer: berouw je zonden, vraag je medemensen om vergeving, die je in gedachten, woorden en daden onrecht deed, en vergeef diegenen, die jou kwaad hebben gedaan. Doen we dan het door ons bereinigde, het kwaad, niet meer, dan wordt onze ziel lichter, en ons, de mens, gaat het beter. Dan zijn we ook levenslustiger en steeds meer vóór onze medemensen, wat betekent, dat we bewuster en gezonder leven. Passen we de centrale leer van Jezus, van Christus, toe, dan betekent dat ook: heb God, je Vader, van ganser harte lief, met heel je ziel, met al je krachten, en je naaste als jezelf. Dan zullen we ook steeds minder benijden, haten, onze medemensen kleineren of ongunstig beoordelen en hen als tweederangs behandelen. Het gevolg zal dan vrede zijn.
De dorpsgenoot:
Profeet, mag ik je onderbreken? Ik heb begrepen, dat reïncarnatie zin heeft. Je zegt, de centrale leer van Jezus, van Christus, is het berouwen van zonden, het vragen om vergeving, de vergeving, het weer-goedmaken en het niet-meer-doen van hetgeen we voorheen verkeerd deden, en anderen mee hebben gedupeerd. Zie ik dat juist? En als het klopt, dat iedereen alleen oogst, wat hij ooit zelf gezaaid heeft, dan zouden volgens de leer van de reïncarnatie allen, die het leven onheil brengt, aan dit onheil zelf schuldig zijn. Maar waar plaats je dan de genade? Hoe is het met de genade te verenigen, dat juist in onze tijd ontelbare mensen te lijden hebben: door honger, ziekte, dakloosheid, werkloosheid en noem maar op. En dan denk ik aan de enorme criminaliteit. Dagelijks wordt het meer en erger. Zo veel brute, wrede en gemene, ja duivelse misdaden waren er toch nog nooit. Waar blijft hier de genade Gods?
Antwoord van de profeet:
Lieve broeder, wil je beweren, dat God aan deze hele misère schuldig is? Laten we eens kijken naar onze rechterlijke macht, die altijd de veroorzaker de schuld geeft en bestraft. Zou God schuldig zijn aan alles, wat in deze wereld gebeurt, dan was Hij uiteindelijk de veroorzaker van al deze misdaden, en zodoende een wezen, dat niet alleen verachting verdiende, maar ook bestrijding. Dan zou onze rechtspraak eigenlijk de oer-veroorzaker moeten bestraffen en niet uitsluitend de veroorzaker, de mens. Voor een beter begrip wil ik je een beeld geven, dat in onze wereld past en waaruit we ook de houding van God tegenover ons kunnen afleiden. Een grondbezitter heeft drie zonen en twee dochters en een groot vermogen. Zijn vijf kinderen zijn volwassen mensen die hij, de vader, waardeert en liefheeft. Op een dag zegt hij tegen zijn kinderen: »Mijn vermogen is oneindig groot. Ik wil het aan jullie vijven nalaten. Ieder van jullie behoort alles toe, maar ieder heeft overeenkomstig zijn capaciteiten zijn gebied, dat hij moet bewerken en vermeerderen. Het grote vermogen wil ik niet opdelen en in percelen verdelen, maar, zoals gezegd, ieder van jullie gelijkmatig doen toekomen. Daar echter ieder van jullie andere capaciteiten bezit, moet ieder overeenkomstig zijn bekwaamheden dat gebied beheren en vermeerderen, dat met zijn creatieve aanleg overeenstemt. Ik wil niets voor mijzelf bezitten, maar voel me toch verbonden met het grote vermogen.«
Lieve broeder, je gelooft toch in de woorden van de bijbel. De gelijkenis van de erfenis is in de bijbel, in het beeld van de talenten, respectievelijk de gelijkenis van het toevertrouwde geld, weergegeven. Het is als met een man, die op reis ging: hij riep zijn dienaren en vertrouwde hen zijn vermogen toe. De ene gaf hij vijf zilverstukken, een andere twee, weer een ander één, ieder naar zijn bekwaamheden. Toen ging hij op reis. Meteen begon de dienaar, die vijf zilverstukken had ontvangen, daarmee te handelen, en hij verdiende er nog vijf bij. Evenzo verdiende degene, die er twee ontvangen had, er nog twee bij. Maar degene, die het ene zilverstuk ontvangen had, groef een gat in de grond en verstopte het geld van zijn heer. De bijbel vertelt ook, wat er gebeurde, toen de man van zijn reis terugkwam: de beide eerste dienaren hebben zich goed gedragen, de derde dienaar heeft het hem toevertrouwde geld niet benut, omdat hij bang was, fouten te maken.
De vader in ons beeld gaf dus zijn kinderen het hele vermogen. Zij zijn allen erfgenamen van het geheel en zodoende ook verantwoordelijk voor hun handelen. Wat zouden de erfgenamen zeggen, als nu de vader, die hun alles vermaakt heeft, in hun handelwijze zou ingrijpen en voor zijn kinderen zou bepalen, te doen wat hij, de Vader, wil? Verzet van de kinderen zou het gevolg zijn. Zouden ze dan toch doen, wat de vader bepaalt, dan zouden zij onmondigen blijven. Zij zouden hun capaciteiten niet kunnen ontplooien. Het gevolg zou zijn, dat ze hun erfdeel helemaal niet zouden beheren en na verloop van tijd ook niet meer zouden kunnen beheren, omdat de vader hun de vrijheid tot creatieve ontplooiing zou hebben weggenomen. Wie geen fouten maakt of geen fouten maken mag, kan uit zijn fouten niet leren, die kan ook zijn erfdeel niet wijs beheren en het ook niet vermeerderen. Hoe staat dit in verhouding tot God, onze eeuwige Vader? Laten wij ons eens voor de geest halen, dat wij vóór de zondeval volmaakte, hemelse wezens waren en door Christus, onze Verlosser, weer in ons vaderland terugkeren als reine wezens, als zonen en dochters van God. De eeuwige hemelse Vader gaf zijn volmaakte kinderen - ook ons, die eens reine wezens waren - de hele oneindigheid, de hemelen met al hun wezensvormen en krachten, als erfdeel. Ons smetteloze geestlichaam is de essentie van het goddelijke erfdeel, dat weer de wet van God, de wet van liefde, goedheid en vrijheid, is. Alle reine wezens zijn dus erfgenamen van het volmaakte in de hele oneindigheid. Alle goddelijke krachten van het Zijn zijn wetmatigheden van God, de liefde, de goedheid, de vrijheid en de eenheid. Elk volkomen wezen brengt in dit grote, wetmatige scheppingsverloop zijn goddelijke
mentaliteit, waarin verschillende capaciteiten werkzaam zijn, tot uitdrukking. Omdat God de reine wezens de hele oneindigheid als goddelijke erfdeel schonk en Hij als stroom en levenskracht de onmetelijke scheppingsbron van verdere schenkingen is, is ook Hij onderhevig aan het oneindige erfdeel, dat Hij in cycli vermeerdert, doordat Hij verdere oerkrachten laat toestromen, die de volmaakte wezens als erfdeel ontvangen. God gaf dus zijn volmaakte kinderen de hele oneindigheid als erfdeel en daarmee ook de vrije wil, te scheppen en te vormen. Daar zij één zijn met het oereeuwige erfdeel - dat ook in de goddelijke vormen zoals mineralen, planten, dieren en reine wezens de alomheersende wet is -, zijn zij absoluut vrije wezens en aldus onbeperkt in hun handelingen, mondige zonen en dochters van God, die in samenklank met de eeuwige Vader en Zijn grote scheppende kracht, vormgeven en werken. God is, en wat God zijn volmaakte wezens gegeven heeft, zal Hij hen ook niet afnemen - ook niet, wanneer zich een deel van Zijn schepselen van Hem afgekeerd en tegen Hem gehandeld heeft en handelt. Hij is altijd dezelfde, altijd de gever, die niet in de loop van de gebeurtenissen ingrijpt, omdat Zijn kinderen erfgenamen zijn van de oneindigheid. Lieve broeder, of je het nu geloven wilt of niet - God, onze eeuwige Vader, ziet ons mensen, die in strijd met ons goddelijke erfdeel handelen, niet alleen als zondaars en niet als onmondigen, want Hij grijpt niet in, in de oneindige gaven, in ons goddelijke erfdeel. Hij ziet in ons mensen altijd de erfgenamen der oneindigheid, Zijn zonen en dochters van de hemelen, ook, wanneer we tegen ons goddelijke erfdeel, tegen de wet van de liefde, goedheid en vrede handelen. God grijpt niet in onze zondigheid in, anders zou Hij ons tot onmondige mensen maken, die dan ook in de eeuwige hemelen onmondige wezens zouden zijn. God gaf ons de essentie uit ons goddelijke erfdeel. Dat zijn de Tien Geboden en de Bergrede van Jezus. Richten wij ons daarnaar, dan aanvaarden wij ook weer bewust ons goddelijke erfdeel, omdat we dan doen, wat met de wet van God overeenstemt, die liefde is, goedheid, vrijheid, eenheid gerechtigheid, enzovoort. Juist ons christenen is het geboden, ons te oriënteren aan de leer van Jezus, opdat Jezus, de Christus, ons terug kan leiden naar het Vaderhuis. Vervullen wij de wetmatigheden, de Tien Geboden en de Bergrede, die tenslotte ons goddelijke erfdeel zijn, dan beleven we de grote genade van God, die ons door Christus, onze Verlosser, de hand reikt en ons naar huis leidt uit het rad van wedergeboorte, naar ons goddelijke erfdeel in het Vaderhuis, waar onze woningen vanaf de oereeuwigheid zijn. De genade Gods, die ons helpt, onze zonden te erkennen en ze niet meer te doen, kan ons echter alleen ten deel vallen, wanneer wij dat ook willen, dus als het ware bereid zijn, de stapjes of stappen naar ons goddelijke erfdeel, naar God, onze Vader, te doen. Hier zou ik de gelijkenis van de verloren zoon willen aanhalen, die naar vreemde landen ging en door zijn vader pas opgenomen werd, toen hij berouwvol terugkeerde. Van de wereld, waarin hij tot zijn terugkeer geleefd had, bracht hij niets mee; hij bracht zichzelf bij de vader, wat wil zeggen: zijn hart was gelouterd, en zijn kinderliefde, het reine hart, vond toegang tot het huis van zijn vader. Zo is het ook met ons mensen. Laten we de wereld van de zonde achterwege, reinigen we onze ziel met de hulp van onze Verlosser, dan zullen we ook het reine hart meebrengen in het Vaderhuis, en dat is weer ons goddelijke erfdeel, het volmaakte, het edele, het fijnzinnige, de liefde, de goedheid, de zachtmoedigheid, de vrijheid en de eenheid. Ons blijft dus ook in de verwijdering van God de vrijheid, die wij uit het eeuwige Zijn hebben ontvangen, en daarmee de vrije wil, te doen, wat God wil en wat tenslotte ons goddelijke erfdeel is - of ons van het goddelijke erfdeel af te keren en ons zondige erfdeel te scheppen, dat - op grond van de wet van zaad en oogst - mettertijd ziekte, gebrek, leed, noodlot enzovoort, brengt. Het is dat, wat we in verschillende aardse levens hebben geschapen - en niet met de hulp van de Christus Gods in het reine hebben gebracht. Het is ons zondige erfdeel, dat weer op ons afkomt, net zoals het goddelijke erfdeel op ons toekomt, voor zover we doen, wat God ons in de Tien Geboden - en Jezus in de Bergrede heeft geboden.Lieve broeder, overweeg: God heeft ons niet bevolen - alleen geboden, en ons daarmee gezegd: je hebt de vrijheid uit Mij en de vrije wil, je goddelijke erfdeel te aanvaarden en vrij te zijn, of je zondige erfdeel te scheppen, dat weer op je afkomt. Dus kan er gezegd worden: wat ons overkomt is een deel van onze zondige erfenis; het is dat, wat wij zelf geschapen hebben. En laten we ons eens afvragen: wie draagt de hoofdschuld - ik benadruk bewust: de hoofdschuld - aan de toestand in deze wereld? De zogenaamd officiële christelijke kerken! Zij onderwijzen hun poespas met hun erediensten, rituelen en ceremoniën. De eenvoudige leer van Jezus van Nazareth wordt slechts terloops vermeld en gedeeltelijk voor onvervulbaar verklaard. Zij is echter het essentiële voor het leven van iedere christen: erken je zonden, berouw ze van ganser harte en breng ze in het reine; dat betekent: vraag om vergeving, vergeef, maak goed, wat nog goed te maken is, en doe deze zonden niet meer. De centrale leer van Jezus, van Christus, kan ook op de volgende manier worden uitgedrukt: wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Of: wat jij wilt dat een ander voor jou doet, doe jij dat eerst voor de ander.
Zouden allen, die zich christenen noemen, zich op deze centrale leer van Christus oriënteren, in het bewustzijn, dat hetgeen de mens zaait, hij ook weer zal oogsten, - behalve als hij de kans van de genade benut, doordat hij zijn zonden in het dagelijks gebeuren erkent en de weg van het berouw en de bereiniging van zijn zondigheid gaat -, dan zouden er in deze wereld veel minder slachtoffers en daders zijn. Mensen zouden in de verwarring van hun gevoelens en gewaarwordingen, in hun negatieve gedachten en wensen, die hen tot handelingen zouden kunnen drijven, tijdig hun willen-zondigen erkennen en het op de weg van de leer van Jezus, van het berouw en de bereiniging, opgeven. Dan zouden we geen kerken nodig hebben, geen paus met zijn pracht en praal, geen kardinalen, bisschoppen, priesters, dominees en pastoors. Dan zou Jezus, de Christus, onze centrale leraar zijn, die wij navolgen, zoals Hij het ons geboden heeft: volgt Mij na. De christen is geboden, de leer van Jezus in de wereld te verspreiden, dus het evangelie van de liefde, van vrede en eenheid, waarmee natuurlijk niet enkel het woord, de letter, dus de kennis bedoeld wordt, maar de geleefde boodschap, het doorleefde woord, waarin de kracht van God tot uitdrukking komt - de daad in Zijn Geest. Kijken we in het verleden, toen zag het er anders uit. De christenen kwamen met zwaarden en stokken - zie de kruistochten -, hout en fakkels, om brandstapels op te richten, ze te ontsteken, om aan hun waanvoorstellingen, dat hun medemensen van de duivel bezeten zouden zijn, uitdrukking te geven.
Men zou zichzelf eens duidelijk moeten maken, wat de vertegenwoordigers van de kerk, die zulke dingen voorschreven en lieten uitvoeren, hun schapen voor een voorbeeld gaven en wat de vermeende zielenherders in de zielen en mensen, die merendeels gewend waren hen blind te
volgen, aanrichtten. Zij zetten aan tot minachting van de naasten, tot verraad toe. Met het wrede schouwspel van de verbranding van mensen bijvoorbeeld, die zij als ketters en heksen bestempelden - die waarschijnlijk niets anders waren dan gewetensgetrouwe, standvastige Godzoekenden -, spoorden zij de laagste en meest verwerpelijke instincten in die mensen aan, die elkaar troffen in de kijklustige, sensatiebeluste massa. Dit alles gebeurde in het teken van het kruis en onder de naam Christus, begeleid door het aanroepen van God. Degenen, die zo handelden, die folterden, pijnigden, veroordeelden, moordden, noemden zich christenen. Wat een hoon en spot voor Christus! En waarlijk geen aansporing, de leer van de Nazarener serieus te nemen: erken jezelf in je gemoedsopwellingen, en bereinig de balk in je oog; wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Zonde maakt blind, dat wil zeggen: door voortdurend handelen tegen Gods geboden stompt het geweten af en verstomt uiteindelijk. Ons geweten echter is de vermaner in de wet van zaad en oogst. De reïncarnatie geeft ieder de kans, ook zware zonden te bereinigen. Niet iedere ziel, die opnieuw mens wordt, neemt deze kans waar.Tegenwoordig zijn er geen brandstapels meer. De kijklustige en sensatiebeluste christen haalt zijn zenuwprikkels voor de televisie, met video-spelletjes, als surfer op internet enz., enz. ... De vertegenwoordigers van de kerk verbranden ook geen ketters meer op de brandstapels. In plaats van het begrip ketter noemt men het tegenwoordig sekte. En ook de inquisitie bestaat niet meer onder deze naam. Tegenwoordig zijn het de zogenaamde sektengevolmachtigden, die weer diegenen vervolgen, die niet behoren tot de eeuwenlang bestaande alliantie tot vervolging van medemensen, die echter veelal de leer van Jezus serieus namen en nemen. De vertegenwoordigers van de kerken en de aan hen horigen hebben gefaald. Deze wereld is, zoals zij zijn. De verrezen Jezus, de Christus, leeft door die mensen, die aan Jezus, de Christus, de eer geven, en niet aan een verwoestende macht.
De dorpsgenoot:
Over wat je nu hebt gezegd, moet ik even nadenken.
De profeet:
Om het geheel af te ronden, zou ik je nog een voorbeeld willen geven, opdat je je nog meer in de reïncarnatie kunt verdiepen. De terugkeer naar het Vaderhuis en de reïncarnatie laat zich door het beeld van een ballon aanschouwelijk maken. In de ballon zit gas. Onderaan de ballon hangt een mand. Hierin bevinden zich mensen en ook zandzakken. Het gewicht van de zandzakken bepaalt min of meer de hoogte van de ballon. De ballon in dit beeld stelt onze ziel voor. In de ziel is de Geest van God, die haar naar de hoogste hoogten, naar het eeuwige Vaderhuis, zou willen brengen. De mand met de zandzakken is de belasting van de ziel. Hoe meer zandzakken er in de mand zijn, hoe dichter de ballon bij de aarde is. Zijn in de ziel zware belastingen, dan blijft deze, na de lichamelijke dood van de mens, dicht bij de aarde en gaat weer terug ter incarnatie. Wij, die in de mand zitten, bepalen zelf, of wij meer zandzakken in de mand laden, ons als het ware nog meer zonden opleggen en daardoor het opstijgen in hogere gebieden, dat wil zeggen reine sferen der zielen, verhinderen, of dat wij gaandeweg de ballast, de zandzakken, afwerpen, dus onze zonden afleggen en zo hemelwaarts stijgen.
Kan de ziel na de lichamelijke dood niet naar hogere sferen, dus naar hogere gebieden van de werelden aan gene zijde, doordat ze door de zwaarte van haar zonden is belast, dan heeft zij de mogelijkheid om terug te komen als mens, met bepaalde leeropgaven op haar levensweg. De aarde is dus een levensschool voor bedelaars en koningen, voor jou en ook voor mij, voor ieder mens. Wie van reïncarnatie weet, begrijpt ook steeds meer de genade van God, die de reiziger naar het eeuwige tehuis bijstaat, om vrij te worden van zonden. De reïncarnatie helpt ons ook, om door en door te begrijpen, dat God geen straffende God is, maar een God van genade, goedheid, liefde, en hulp. De reïncarnatie wijst ons ook op de wetmatigheid van zaad en oogst, die zegt: wat wij zaaien, zullen wij ook oogsten. Maar ze toont ons ook, dat er geen hel en vagevuur bestaat, want we kunnen terugkomen, om te bereinigen, wat onze ziel bezwaarde en zodoende - zie het beeld van de ballon - niet omhoog liet gaan, dus niet vrij liet worden. De wetmatigheid wat de mens zaait, zal hij oogsten betekent onder andere, dat wijzelf onze hel of ons vagevuur scheppen. Hel en vagevuur zijn bewustzijnstoestanden in ons. Door het negatieve zaad, bijvoorbeeld door ons hatelijke, afgunstige, wraakzuchtige denken en doen, door ons boosaardige spreken en handelen, scheppen wij in ons een toestand, die hels kan zijn. Oogsten wij dan, wat wij gezaaid hebben, dan kunnen dat helse kwalen zijn, zoals ziekte, pijn, leed, gebrek enzovoort. Dan hebben we - in de vorm van aflossing - de hel of het vagevuur op aarde. In onszelf is het oord van hemel of hel. Iedereen bestaat dus uit zijn eigen kaf en koren. Het kaf is de zonde, de belasting. Het goede koren is vrij-komen van zonde, de weg naar de hemel. Zo is ieder mens een origineel, overeenkomstig zijn zaad. Het origineel is uniek, en ook dat, wat het origineel bestempelt, het originele, zijn persoonlijkheid.
Geen enkel mens lijkt als twee druppels water op de ander. Zo lijken ook de zonden van de een niet op de zonden van de ander. Ook als we geloven, dat twee mensen een gelijke denk- of leefwijze hebben, zal zich toch dat, wat zij telkens in hun gevoelens en gewaarwordingen, in hun gedachten, woorden en handelingen leggen, onderscheiden. De inhoud van hetgeen wij denken en doen is beslissend, en deze bepaalt het karakter van de mens, zijn levensgewoonten en zijn manier van leven. Tenslotte brengen ons voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen ons gedrag tot stand. Zo vormen wij onze levensgewoonten. Daaruit volgt de tekening van ons lichaam. Wij zijn dus getekenden. De tekening brengen we zelf aan met de inhoud van onze vijf zintuiglijke waarnemingen: zien, horen, ruiken, proeven en voelen. Deze waarnemingscomponenten, die weer op ons voelen, gewaarworden, denken, spreken en handelen inwerken en ook omgekeerd, zijn met verschillend gekleurde penselen te vergelijken, die ons lichaam tekenen en ons gedrag bestempelen. Overeenkomstig zal dan ook ons lot zijn.
De dorpsgenoot:
Dus zijn alle mensen verschillend. En volgens hetgeen je daarnet hebt uitgelegd, moet ook het lot van ieder mens verschillend zijn. À propos lot: als ik daaraan denk, voel ik mij al heel anders. Profeet, leg mij alsjeblieft nog een keer de genade van God uit.
Antwoord van de profeet:
Graag! Genade wil zeggen: je ontvangt tijdig de genade als hulp, voordat een van je vele oorzaken werkzaam wordt, voordat jou dus door je zaad een bepaalde oogst in de vorm van een lot ten deel valt. De genade is de kracht, om je zonden te berouwen en te bereinigen - natuurlijk alleen dan, wanneer je dit wilt. Doorslaggevend is, dat jij het wilt. Hierover zei Jezus met woorden van de volgende strekking: vraag, en er wordt je gegeven; zoek, en je zult vinden; klop aan en er wordt je opengedaan. Vragen we niet om bijstand en hulp, onze zondigheid te erkennen en op te heffen, dan willen we verder zondigen. Wie zal de zonden van ons wegnemen, als wij willen zondigen? Moet de genade ons dwingen, niet meer te zondigen? Het ligt dus aan onszelf, of Gods genade werkzaam kan worden of niet. Zou jij aan een bepaalde zaak energie besteden, als je weet, dat je naaste geen hulp wil, als hij verder zo wil handelen, als hij nu doet? Ons lot ligt in onze hand.
De dorpsgenoot:
Profeet, dat kan ik niet zo zonder meer slikken. Wat je zegt, wil ik niet geloven, ook al komt veel me logisch voor. Ik word er opeens niet meer uit wijs. Wat jij van God zegt - dat is toch niet de God, die ik van school en van de catechisatie ken! Er kan toch maar één soort God zijn! Welke is de echte? Wat moet je hier dan nog geloven?
Antwoord van de profeet:
Het geloof is zon zaak, die - zoals gezegd - niet te bewijzen is. Niemand kan je het bewijs geven, wat waar is. Alleen jij kunt jezelf van de waarheid overtuigen, door je geleidelijk aan God toe te vertrouwen.
De dorpsgenoot:
Hoe? Heb je een recept?
De profeet:
Een recept heb ik niet, maar ik kan je beschrijven, hoe ik God mocht en mag beleven. Ongeveer 25 jaar geleden was ik nog geen werktuig van de Geest Gods, maar ik begon na een droevige gebeurtenis vragen te stellen over de institutionele katholieke God, van wie ik - zoals zoveel katholieken - aannam, dat Hij ver boven de wolken in de hemel zou zijn en goedheid, liefde en straf uit zou delen. Mijn vragen luidden ongeveer als volgt: bestaat God eigenlijk? Zo ja, waar is Hij dan? Is er een leven na de dood? Zo ja, overlegde ik, dan moet er een hoger wezen bestaan, dat het leven is, ook dat van de zogenaamde doden. Waar zijn onze gestorven verwanten, als er een gene zijde zou zijn? Waar zijn bijvoorbeeld de arme zielen? Waar zal ik zijn, als ik gestorven ben? Verder stelde ik - eerst zomaar in het luchtledige - vragen aan God, die ongeveer zo luidden: kun Je mij horen? Kun Je mij begrijpen? Trek Jij Je eigenlijk iets van een zondaar aan? Heeft het nut, te bidden, als Jij toch ver weg bent? Kun of wil Je eigenlijk wel de gebeden van de mensen horen, of heb Je geen tijd, omdat Je druk bezig bent, het vóór en tegen van ieder afzonderlijk mens in Je boekhouding bij te houden? Waarom bestraf Je onschuldigen en haalt kinderen en mensen in de bloei van hun leven van de aarde weg? Waarom laat Je zoveel leed toe, ook bij de dieren? Misschien besta Je wel helemaal niet! Waarom verberg Je Je voor ons mensen? Waarom zegt men van Jou, God, dat Je de Vader van alle mensen zou zijn? Een goede vader zorgt voor zijn kinderen, maar Jij verwaarloost veel mensen en doodt hen in hun jonge jaren. Ik hunker naar een rechtvaardige God, die mijn Vader moet zijn. Aan de ene kant wil ik geloven, dat Jij bestaat, maar als ik het leed van de mensen zie, kan ik het niet geloven. Moeten de mensen Jou uiterlijk vertoon brengen zoals de katholieke priesters, om Jou goedgunstig te stemmen? Daar heb ik geen aanleg voor, dan moet ik Je maar laten gaan. Plotseling kwam er een gedachte: ik zal uitproberen, of er een God is, die mij ook dan genadig is, als ik niet meedoe met het uiterlijke vertoon. Niet veel later gaf iemand mij een boek en zei: jij zoekt God. Misschien vind je hierin enige aanknopingspunten. - De inhoud van dit boek kwam me logisch voor. De volgende stap was, dat ik een bijbel opsloeg, en ziedaar, ik vond bij Mattheüs de Bergrede. Ik las haar en dacht: dat wil Jezus mij dus zeggen! Ik nam steeds weer een paar uitspraken uit Zijn Bergrede en dacht met tussenpozen daarover na. Vreemd - in mij werd het stiller. De kwade gedachten tegen God ebden weg, en de uitspraken uit de Bergrede kwamen me steeds logischer voor. Opeens kwam er weer een gedachte: misschien moet ik toch bidden. Ik begon te bidden, maar het ging niet zo goed. Bij mij kwam aldoor het beeld op van de God, die ergens troont. Er kwamen echter ook gedachten over uitspraken van de Bergrede. Ik hield op met het stamelen van mijn gebeden en dacht: deze gebeden kan God zeker niet horen! Het was maar een gebrabbel. Weer hielden gedachten over God mij bezig. Opeens dacht ik: Hij kan niet zo ver weg zijn! Als Hij de Vader is van alle mensen, dan is Hij ook mijn Vader. Een wijze God kan niet zo ver weg zijn, dus moet Hij mijn gebeden horen. Ik zocht een stil plekje in huis en probeerde nu geconcentreerd te bidden. Opeens merkte ik, dat ik door het gebed rustiger en kalmer werd. Het was alsof ik een antwoord van God gekregen had. Deze rust en kalmte deden mijn gewonde en zoekende hart goed, dat door verschillende slagen van het noodlot gegeseld was.
Steeds opnieuw zocht ik het gebed. Plotseling besefte ik, dat mijn gebeden totaal veranderden. Ik sprak geen verwachtingen meer uit, maar begon in het gebed vrij tot God te spreken, zoals bijvoorbeeld: als Jij mijn Vader bent, dan wil ik vol vertrouwen tot Jou komen en Je zeggen: mijn hart doet pijn, omdat ik een mens, die mij lief was, heb verloren. Ik vraag Je, bewaar de ziel in Jouw goedheid, liefde en barmhartigheid. - Plotseling stoof ik op - hoe kan ik zo bidden? Waar komt dat vandaan? Wie fluistert mij zulke gebeden in? Ik kende tot dan toe alleen de voorgezegde gebeden van priesters of de verzen uit het liederenboek. Steeds meer werd ik naar het stille hoekje getrokken om te bidden, en steeds was ik na het gebed gesterkt, blij, vrolijk, vol vertrouwen. Ik dacht: dat zou het antwoord van God kunnen zijn. Ik werd steeds moediger en sprak God als mijn Vader aan. Als een kind kwam ik in gebed tot Hem, legde alles bij Hem neer, wat mij bedrukte, zei Hem echter ook, wat mij blij maakte of wat mij opwond en ergerde. Na het gebed had ik het gevoel, dat ik me niet zou moeten ergeren, ik zou geen tegenstrijdige gedachten moeten hebben, ik zou me aan God moeten toevertrouwen. En ik ging weer in gebed en zei: Heer, ik moet mij aan Jou toevertrouwen. Het is zó, zó moeilijk! Opeens merkte ik, moeilijk is het eigenlijk alleen omdat ik Hem niet vertrouw, omdat ik God mijn vertrouwen niet schenk, maar Hem, God, op de proef wilde stellen, of Hij bestaat. Nu dacht ik bij mezelf: deze al te menselijke gedachten van twijfel, van zorg, van verdriet, gedachten tegen de naaste, leg ik bij God neer. Dat deed ik in gebed - en ik bespeurde kracht. Na het gebed waren deze gedachten als weggewist. Ik voelde kracht in mij en vermoedde wat vertrouwen is, wat het betekent, als kind tot God te komen, tot de eeuwige Vader, alles bij Hem neer te leggen. Steeds en steeds opnieuw deed ik dit. Het vertrouwen in God, onze eeuwige Vader, groeide, en tenslotte begon een klein lichtje van liefde tot God te branden; het was de liefde voor een Vader, die mij rustig maakte, die mij hielp, Hem vertrouwen te schenken, die mij geleidelijk hielp, in Hem te geloven. Plotseling begon ik te juichen, blijdschap kwam in mijn hart: ik voelde, er bestaat een God, die mij hoort! Er is een God, die mij begrijpt! Er bestaat een God, die mij helpt! Mijn gebeden werden steeds inniger en dieper, en mijn leven veranderde.
Steeds nam ik de Bergrede weer ter hand en las bijvoorbeeld: wat jij wilt, dat anderen voor jou doen, doe jij dat eerst voor hen. Waaruit resulteert: wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat was moeilijk! Maar ik probeerde het in vertrouwen op God. Steeds als het mij lukte, voelde ik blijdschap en dankbaarheid tegenover God. Ik voelde, hoe ik vrijer en onbezorgder werd. Spoedig was mijn hele denken en streven, weer tot Hem te bidden, in gebed dicht bij Hem te zijn. Lieve broeder, zo ervaarde ik, dat er een nabije God bestaat, een God van liefde, een Vader, tot wie wij allemaal kunnen komen. Hij zal niet altijd dat doen, wat wij willen, maar Hij handelt naar Zijn rechtvaardige en heilige wet van de liefde. Na vijf jaar brak vervolgens het woord van God door, dus de goddelijke profetische Geest. Sinds 22 jaren noemt God mij Zijn profetes, en ik noem mijzelf Zijn kind. Ik heb God, mijn Vader lief. Ik weet, Hij wil niet die kouwe drukte, geen zinloze uiterlijke vormen en geloofsstelsels. Hij wil het vertrouwensvolle hart van Zijn kinderen, dat wij tot Hem komen in vreugde en verdriet, dat wij stap voor stap Zijn heilige geboden en de Bergrede van Jezus vervullen. Toen dus het profetische woord doorbrak, ervaarde ik door de taal van het hart: de stappen naar het gebed en de ervaring in en na het gebed - de rust, de kalmte, het groeiende vertrouwen in God, de innerlijke vreugde en het vertrouwen, dat God een nabije God is, de hulp uit twijfel, zorg en verdriet, het kleine lichtje van liefde, dat opeens voor God brandde en zo meer -, dat waren de eerste Godservaringen. In het verdere verloop van die 22 jaar voelde ik, hoe mijn ziel in de stroom van het leven, die God is, indaalde en de communicatie met God steeds sterker werd. Na 22 jaar sta ik met de Geest Gods in de oerbasis van mijn ziel in voortdurende communicatie. Het is de taal van het hart, die tot mij en door mij spreekt. Het is God, de oneindige liefde.
Uit de stapsgewijze kleine Godservaringen groeide een communicatiestroom vol heimwee naar Hem, die mij in de kleinste Godservaringen als het ware liet proeven, wat het betekent, bewust met Hem in communicatie te staan en te beleven, wat het betekent, wanneer de ziel in de machtige Alstroom, GOD, is ondergedompeld. Het is net als bij een vis, die zich in zijn levenselement, het water, weet en zich hierin geborgen voelt.
Ik zag, hoeveel van mijn broeders en zusters op de Innerlijke Weg, die in Universeel Leven onderwezen wordt, ervaren, wat het voor de mensen betekent, weg uit twijfels, angsten, gebrek en slagen van het noodlot te komen. Zich aan Hem toe te vertrouwen, die alleen de genade, de hulp en de enige is, die ons blij en gelukkig kan maken en ons in de kleinste Godservaringen laat proeven, wat het betekent, Hem steeds nader te komen. Dat brengt natuurlijk met zich mee, dat men eerst zijn standpunt tegenover zijn aardse bestaan moet bepalen met de vraag: wil ik zo blijven, als ik ben? Of wil ik de hogere ethisch-morele waarden verkrijgen? Wil ik mij überhaupt ten doel stellen, God nader te komen? Zo ja, dan is eerst de strijd met jezelf nodig en overleg met het eigen opgeblazen ego, dat zich boven anderen plaatst en alles beter weet, zelfs beter dan God. Lieve broeder, deze uiteenzetting is geen recept - misschien een hulp voor jou, maar misschien ook een hulp voor velen, die deze kleine brochure, »De Profeet«, lezen.
De dorpsgenoot:
Kan ik dat uitproberen? Zal ik God op de proef stellen?
Antwoord van de profeet:
Je weet, ik missioneer niet. Als je wilt, kun je het ook zo doen, om te voelen, dat God heel dicht bij jou en bij ons allen is.
De dorpsgenoot:
Word ik dan een profeet?
De profeet:
Profeet kan men niet worden. Aan het profetische ambt ligt een opdracht van boven, dus van God, ten grondslag. Is de tijd voor het profetenambt gekomen, dan bereidt God de mens hierop voor. Net zoals ik door het noodlot en de leiding tot de ware God werd voorbereid, verging het alle profeten. In de ziel van een profetisch mens ligt de opdracht van God, als mens profeet te zijn. Is het uur gekomen, dan roept God de mens tot het profetenambt op. God kent vele wegen, om de profetische mens op te wekken, wiens ziel de opdracht voor het profetenambt draagt. Bij mij kwam eerst het noodlot, daarna volgden, zonder dat ik het mij toen bewust was, vijf jaren van voorbereiding op het profetenambt. Op de leeftijd van ongeveer veertig jaar beriep God mij tot profeet. Van zichzelf uit kan, zoals gezegd, niemand profeet worden. Velen zijn van mening, jij waarschijnlijk ook, dat het profetenambt - ik zou willen zeggen: het profetenjuk - begerenswaardig zou zijn. Ik kan je alleen uit eigen ervaring zeggen: het is waarachtig niet begerenswaardig, want de profeet heeft, wat de profetische opdracht betreft, geen vrijheid. Hij moet het profetenambt uitvoeren, omdat het in zijn ziel ligt. Daardoor is hij als het ware een gevangene van God.
Lieve broeder, je kunt gerust aannemen, dat ik al vaker uit het profetenambt wilde stappen. Hij, de grote God, heeft mij steeds weer te pakken gekregen, en ik moet toegeven, ik heb me weer laten vangen. Je zult vragen: waarom - als het profetenambt een juk is? Ik kan het je niet zeggen. In de ziel van de profeet ligt een offerbereidheid, een offerwil, een overgave aan God, die de profeet, de mens, steeds weer overweldigt en hem als het ware in zijn juk dringt - te doen, wat Gods wil is. Leest men de geschiedenis van de profeten uit het Oude Testament, dan kan men vaststellen, dat zij allen vanwege hun goddelijke opdracht onzegbaar hebben geleden. Zo menige profeet stond tegen God op - en toch keerde hij weer om en ging opnieuw in het profetenjuk, om te doen, wat Gods wil is. Wanneer ik terugkijk op de 22 jaar, waarin ik het profetenjuk draag, moet ik mijzelf, de mens, vragen: hoe heb je dat volgehouden? Letterlijk ging ik door de hel, die mijn medemensen mij bereid hebben en gedeeltelijk nog bereiden. Het verging mij als een gekweld dier, dat blootgesteld is aan de mens en tenslotte de ban der kwellingen niet kan doorbreken, omdat de mensen het niet anders willen. Ik moest bijvoorbeeld beleven, dat mensen, die God de grootste belofte hadden gegeven, deze zonder gewetenswroeging weer tenietdeden, wanneer een of meer van hun naasten hen wegens onjuist gedrag berispten of hen aan de belofte tegenover God herinnerden, zich met de naaste te verzoenen en vrede te houden. Of dat zogenaamde kerkelijke gevolmachtigden andersdenkenden belasterden en ons oerchristenen, met inbegrip van mijn persoon, discrimineerden en belasterden en de gemeenste leugens over het werk van Christus en over mij verspreidden, wat overigens nog steeds gebeurt. Waarom? Ik weet het wel: het gaat daarbij niet alleen om mij, om mijn persoon - het gaat erom, al diegenen openlijk in discrediet te brengen, die begonnen zijn, de Bergrede om te zetten en uiteindelijk ook Christus wereldwijd te rehabiliteren, in wiens naam in de voorbije eeuwen zoveel schandelijks geschiedde. Ik ben steeds weer overeind gekomen, heb de boosaardigste lasteringen en discrimineringen van me afgeschud en me op God gericht met de zin, waaraan ik mij 22 jaar heb vastgeklampt: »O God en Heer, ik laat Je niet los, want Jij zegent mij!«
Lieve broeder, geloof maar niet, dat de inquisitie en de middeleeuwen voorbij zijn. Tegenwoordig is er een moderne inquisitie. In de middeleeuwen werden mensen belasterd, hen werd hekserij of ketterij toegedicht, en velen van hen werden voor duizenden mensen op de brandstapel verbrand. In de afgelopen 22 jaar werd over het werk van de Christus Gods en over mij als welkom doelwit al het mogelijke gelogen; wij werden belasterd en veracht. Voor vele miljoenen Duitsers werd ik op radio en televisie aan de schandpaal genageld en er werd met vuil gegooid, dat diegenen eigen is, die mij willen maltraiteren. Zij hadden en hebben een goed wapen in handen, want hun leugens, laster, discriminaties en verdachtmakingen werden en worden hen voor het Duitse gerecht als zogenaamde meningsuitingen toegestaan, dus als het ware in de hand gegeven, om het werk van God en mij systematisch en doelgericht te kunnen torpederen.
De dorpsgenoot:
Hoe houd je dit allemaal uit?
De profeet:
Jezus zei het ongeveer zo: hebben zij Mij vervolgd, zo zullen ze ook jullie vervolgen. - Juist dat een werk en mensen, die oerchristenen zijn, met inbegrip van mijn persoon, zo vervolgd en gediscrimineerd worden, is een teken, dat wij het woord van Jezus serieus nemen, waaruit volgt, dat God met ons is. Mij heeft het weten over reïncarnatie geholpen, want net zoals de farizeeërs en schriftgeleerden zich 2000 jaar geleden tegenover Christus gedroegen en later Nero, de Romeinse keizer, doordat hij de eerste christenen aan de leeuwen tot prooi gaf, net zo gebeurde het onder de dekmantel Christus in de middeleeuwen, tijdens de kruistochten en, afgezwakt, tot op de dag van vandaag. Ten tijde van Nero had men een arena. Tegenwoordig is het het forum van de radio, van de televisie en de pers. Men wordt niet meer gedood, maar als melaatse van de maatschappij gebrandmerkt. In de Geest Gods zijn 2000 jaar nog minder dan een dag. Wat zijn dan 2000 jaar in het licht van de reïncarnatie! Zijn dezelfden 10 tot 20 keer met dezelfde ondeugden teruggekomen, dan wil dat nog lang niet zeggen, dat zij zich de 21e keer gebeterd hebben. Ik wil het niet beweren, maar het ziet er naar uit, dat diegenen, die bijna 2000 jaar geleden over Jezus, de Christus, leugens hebben verspreid, Hem belasterden en hoonden, die de eerste christenen vervolgden en voor de leeuwen gooiden, die in de middeleeuwen de brandmerking van anderen bedreven en die de kruistochten hebben voorgestaan, tegenwoordig weer als mensen opreden, om hun werk tegen God en tegen die mensen voort te zetten, die ernaar streven, stappen naar Christus te doen. Was ik bijvoorbeeld huisvrouw gebleven en had ik het profetenambt geweigerd, dus de Christus-Gods-Geest niet door mij laten spreken, vooral niet in het openbaar, dan had mij, de huisvrouw, geen sekten-gevolmachtigde vervolgd en gediscrimineerd, niemand had leugens over mij verspreid. Maar omdat ik deed en doe, wat God wil - namelijk Zijn instrument zijn - overkomt mij dit allemaal. Beschouw je het hele tegen mij gerichte aanvalspotentieel van leugens, discriminatie en belachelijk maken nauwkeurig, dan kom je tot de overtuiging, dat hier niet een vrouw wordt aangevallen, maar de profetische Geest, die de mensen oproept, met elkaar vrede te sluiten, vrede te houden en hun negatieve denken, spreken en handelen aan de geboden te toetsen, of deze overeenstemmen met de leer van Jezus. Omdat Jezus, de Christus, tegenwoordig weer tegen de kerkelijke institutionele poespas spreekt, mag het volgens de kerkelijke mening niet de zich openbarende Christus Gods zijn. Zouden zij dat bevestigen, dan zouden paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en dominees werkloos zijn. Dan zou de staat er echter met zijn belastinginkomsten wel beter voorstaan, want dan zouden de subsidies aan de kerkelijke instituties, de hoge staatssalarissen aan de kardinalen en bisschoppen wegvallen, en de kerkgelovige, de met de zogenaamde eeuwige verdoemenis geknechte mens, zou opgelucht kunnen ademhalen in het bewustzijn: God is aanwezig, en Zijn grote liefde voor alle mensen is Zijn genade, oftewel Zijn hulp. De vrees voor een straffende God zou wegvallen, en menigeen zou zich door de stapsgewijze vervulling van Gods geboden en de Bergrede oprichten en Jezus, de Christus, navolgen, zonder ceremonieel, alleen door de liefde tot God, onze eeuwige Vader. Het waren niet mijn mens en menselijke beweegredenen, maar het was mijn ziel, die me steeds weer deed opstaan, om mij opnieuw aan de schandpaal te laten nagelen. Een ding weet ik: ik heb God, jouw, mijn en ons aller Vader van ganser harte lief, met heel mijn ziel, met al mijn krachten, en daardoor heb ik ook mijn naasten lief. Dat heeft mij steeds weer geholpen, om naar mijn medemensen te gaan en met hen te zijn. Daarbij waren er bijvoorbeeld in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem waarachtig niet altijd karaktersterke broeders en zusters, die Christus trouw bleven; er waren zelfs judassen onder, die hun zilverlingen alleen nog niet in de tempel hebben geworpen. Christus kan zich dus niet op allen verlaten, die God het jawoord hebben gegeven. Je kunt geloven, dat zulke karakterzwakke mensen mij het leven onnoemelijk zwaar hebben gemaakt.
Maar er zijn ook anderen, die hun karakter staalden, doordat zij hun zondigheid - dat juist het karakterloze is - met behulp van Christus, onze Verlosser, berouwd en bereinigd hebben, en omdat zij hetzelfde niet meer doen, werden zij trouwe navolgers van Jezus, de Christus. Geen mens is volmaakt. Wie echter zijn geloof tot vertrouwen op God uitbouwt, verkrijgt innerlijke ervaring en daarmee de zekerheid, dat God ons allen nabij is en ons liefheeft. Juist deze goddelijke ervaring helpt ons, om van blind geloven in vertrouwen te rijpen en dan in het weten, dat God, de liefde, bij ons is en ons wil leiden, als wij dit willen. Wie zijn karakter gestaald heeft, zal over zijn naaste geen leugens meer verspreiden, hem niet meer belasteren en discrimineren. Hij zal ook geen judas en geen afperser worden.
De dorpsgenoot:
Zo langzamerhand begrijp ik jullie - en ook jou - steeds beter. Hoe gedragen de oerchristenen zich, als medemensen, die zich oerchristen noemden, jullie verlaten?
De profeet:
De gemeenschap van oerchristenen bindt niet. Wij respecteren de vrijheid van iedereen, ook wanneer enkelen daarvan informanten worden van de kerkelijke gevolmachtigden om minderheden te belasteren. In onze gemeenschap verrichten we geen gedwongen doopsel. Jezus van Nazareth leerde ons: onderwijst eerst en doopt dan. Dat wil zeggen: vervult de mens stap voor stap de geboden Gods en de Bergrede, dan daalt hij af in de stroom van de Heilige Geest en is daarmee een geestelijk ontwaakte, dus gedoopt met het vuur van de Heilige Geest. De zuigelingendoop is de doop met water. Het water blijft nu eenmaal het water van de aarde, ook als het driemaal door priesterhanden is gezegend, die net zo bevlekt zijn als de handen van iedere andere burger. De oerchristenen laten iedereen de vrijheid. Wie naar ons toekomt met een eerlijk hart, is welkom. Wie weer gaat, houden wij niet vast.
De dorpsgenoot:
De Bondgemeente Nieuw Jeruzalem, dat zijn toch de oerchristenen in Universeel Leven. Men hoort steeds weer, dat jullie zon eigenaardige houding hebben ten opzichte van huwelijk en partnerschap. Wat is daar mee aan de hand? Kun je mij daar ook een antwoord op geven?
De profeet:
Waarom niet? Huwelijk wil zeggen: twee mensen beloven elkaar liefde en trouw. Zij beloven ook, voor de kinderen, die uit hun huwelijksverbinding voortspruiten, goede ouders te zijn, voor hen te zorgen en tot hun volwassenheid verantwoordelijkheid voor hen te dragen. Kijken we echter naar vele huwelijken, dan moeten we vaststellen, dat de ruzie en twist al vóór de huwelijkssluiting begon. Men is na strubbelingen steeds weer tot elkaar gekomen, en in een harmonische fase, of uit verantwoordelijkheidsbesef, of omdat er een kind onderweg was, werd het huwelijk gesloten. Op zn laatst na de zogenaamde wittebroodsweken is het wittebrood afgebrokkeld, en gaat het met de twistpartijen van vóór het huwelijk door. Door het nauwe samenleven en - eventueel ook nog financiële zorgen - ontstaat zo nu en dan een crisissfeer, die eens tot uitbarsting komt. In de eerste strijd gaat het vaak om onbeduidende dingen, omdat de ene partner niet doet, wat de andere van hem verwacht. Daarop volgen wederzijdse verwijten, daarna het zich wederzijds ergeren, doordat de een alleen nog met de ander spreekt, als er wat gezegd moet worden. Kwamen er uit het huwelijk kinderen voort, dan zijn deze meestal het onderwerp van gesprek; men spreekt ofwel over of met hen, maar de echtelieden zelf hebben elkaar niet veel meer te zeggen. Is de lak van de belofte, elkaar wederzijds lief te hebben en trouw te blijven, verregaand afgebladderd, dan begint vaak het lonken naar een andere vrouw of man. Uit het lonken ontstaat koketterie, dan een flirt en later eventueel een hechte vriendschap. De man heeft een vriendin, de vrouw een vriend. De slachtoffers zijn de kinderen. Men staat nu vijandig tegenover elkaar. Een nieuwe crisissituatie is ontstaan. Nu gaat het er om, wie de ander het eerst bedrogen heeft. Is de partner op de zogenaamde huwelijksbelofte uitgegleden, dan zet de ander alle middelen en intriges in, om degene, die een huwelijkse zijsprong heeft gemaakt, weer te strikken en aan zich te binden, want men is tenslotte getrouwd, ofschoon men al vóór het huwelijk - zoals de volksmond zegt - tot op leven en dood ruzie heeft gemaakt. In andere gevallen grijpt een van de partners naar de alcohol, om zijn leed en zijn gebonden-zijn te verdrinken. Weer een ander stort zich op het werk, om niet al te vroeg naar huis te hoeven komen. Er zijn ontelbare manieren om zich van elkaar te verwijderen met de bekende gevolgen. De mens is fantasievol, als het er om gaat, zijn ego te kronen. Het kan aan inzet kosten wat het wil, hij vindt altijd een schuldige, maar nooit zichzelf als medeschuldige. Meestal doet het er niet toe, wat men moet inzetten, bijvoorbeeld het lichaam, charme, discriminatie, intriges of het kind als middel tot chantage -, belangrijk is, dat men krijgt wat men wil. Wat geeft men erom of men christen is of niet? Wat kan t hem schelen, wat de bijbel daarover zegt? Wat geeft iemand om God, als het ongestilde verlangen en het ego schreeuwt? De zwakkere draagt altijd het leed! Menigeen meent, dat hij vriendelijkheid moet tonen en zo doen, alsof hij op het ingeslagen spoor moet blijven. Maar hoe lang - dan kiept de goederentrein vol verwijten, echtbreuk en hatelijkheden om. Het was dus geen welwillendheid, die hen weer samenbracht. Het was de volgeladen goederentrein met het onverwerkte, onverzadigbare ik, die ontspoort. Menigeen meent, dat hij hem, zonder hem leeg te maken, weer op de rails zou moeten zetten. De goederentrein loopt nu een doodlopend station binnen. Met het heen en weer rangeren is men tot een akkoord gekomen. De zwakkere geeft toe en doet, wat de hardnekkige wil. Na tientallen jaren zijn ze aan elkaar gewend, ieder heeft nu de programmas van de ander overgenomen, beiden zijn één vlees geworden. Nu verkeren zij in de mening, dat het hen is gelukt, ze kunnen goed met elkaar opschieten, hun huwelijk is gered. Waarom? De gloed is gedoofd, alles is tot as geworden. Verkild is hun leven. De as is verdraagzaam. Met de hand op het hart, heel eerlijk - is het in veel huwelijken niet ongeveer zoals ik het beschreven heb? Als het niet zo zou zijn, zouden er niet zoveel echtscheidingen zijn of doodlopende stations, waar de een doet, wat de ander wil, omdat ze door te rangeren tot een akkoord zijn gekomen. Ze zijn een programma geworden, dat echter niet christelijk is, maar echtelijk - de een doet nu, wat de ander wil. Velen laten de hoop op andere, betere huwelijken niet vallen. Eens moet toch de ware komen! Het gebeurt. Men wordt weer verliefd. Steeds opnieuw gelooft men, dat het de grote liefde is, tot men na korte tijd moet inzien: het was weer eens de zucht naar een relatie. Uit dit woud of struikgewas van relatiezucht - of we het nu vriendschap, partnerschap, of huwelijk noemen - kwamen veel broeders en zusters in Universeel Leven, en later in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem. Hierin hebben zich mensen tot opgave gesteld, naar hogere ethische waarden te streven, ook in huwelijk en partnerschap, om naar
de woorden van Jezus te leven: jullie hebben gehoord dat er gezegd is Gij zult niet echtbreken. Ik echter zeg jullie: wie een vrouw aanziet, om haar te begeren, die heeft al met haar het huwelijk gebroken in zijn hart ... Wat voor de man geldt, geldt natuurlijk ook voor de vrouw. Kort daarop begonnen sommige broeders en zusters weer te praktiseren, wat in onze huidige maatschappij zo de gewoonte is. Niet iedereen hield zich aan zijn belofte, naar hogere ethische en morele waarden te streven. Men begon met diegene, die toevallig beviel, te flirten of met hem of haar hier of daar naartoe te rijden, al was het slechts, voor een zakenreis, enzovoort, enzovoort ... Zo menigeen oriënteerde zich meer naar zijn lustgevoelens, die hem mogelijkerwijze, een vrouw of een man, kon vervullen, inplaats van naar de zelf en vrijwillig voorgenomen principes van de Tien Geboden en de Bergrede van Jezus te streven. De relatiezucht, die tot relatiewisseling leidt, of de flirt met anderen, staat niet in de wetten van God. Dit had tot gevolg, dat deze oude ondeugd door broeders en zusters van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem, die de leer van Jezus ernstig namen - hogere waarden en idealen na te streven -, steeds weer werden aangesproken. Enkele van de betreffenden, die in deze tweedracht leefden, bezonnen zich en vroegen hun partner om afstand - niet om scheiding -, om zich te kunnen oriënteren. Anderen namen voor korte tijd afstand van elkaar, om de meegebrachte strijdprogrammas te kunnen verwerken. De goddelijke geboden dienen de goedwillenden. Weer anderen twistten in het huwelijksverbond verder en gingen zo lang te keer, totdat ze zich niet meer onder de goedwillende broeders en zusters van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem konden ophouden. Zij verlieten de gemeenschap. Weer anderen hielden de strijd in huwelijk en partnerschap binnen grenzen, daarvoor streden ze des te meer met de collegae op het werk. Het gevolg was, dat in veel bedrijven de uitwerkingen zichtbaar werden en er ernstige fouten werden gemaakt. Door degenen, die aan de geboden van God en aan de leer van de Christus Gods, vastberaden vasthielden, werden de veroorzakers aangesproken. Hen werd in overweging gegeven, in hun huwelijkssituatie de rust te herstellen, dus volgens Gods geboden en de Bergrede van Jezus vrede te sluiten. Was de huwelijkssituatie zeer slecht en werden ook in de bedrijven verdere grove fouten gemaakt, waardoor de situatie telkens weer aangesproken moest worden, dan gingen zij soms van de gemeenschap weg. Weer anderen wilden hun escapades van voorheen voortzetten, zoals het overal gebruikelijk is, en menigeen chanteerde de huwelijkspartner, die moeite deed, de leer van Jezus serieus te nemen, met de kinderen. Opdat je ziet, welke verkeerde ontwikkelingen in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem af te wenden waren, een voorbeeld: Vele jaren geleden kwam een broeder, die in een vooraanstaande positie was, naar ons oerchristenen, om mee te werken. Spoedig kwam uit, dat ondanks het bestaande huwelijk wisselende vriendschappen werden onderhouden. Het werd bekend, dat uit dit spel van wisselende contacten van huwelijkspartner naar vriendschap en van vriendschap naar huwelijkspartner, een buitenechtelijk kind voortkwam. In deze carrousel van relatiezucht werd het tweede buitenechtelijke kind verwekt. Het eerste huwelijk werd ontbonden. Uit de vriendschap, waaruit de beide buitenechtelijke kinderen voortgekomen waren, ontstond het tweede huwelijk. Het duurde niet lang, of er kruiste een nieuwe vriendschap het tweede huwelijk. In het verloop van dit huwelijk uit vriendschap - zo kwam het na jaren uit - kwam het tot verdere escapades van de echtbrekende broeder. Of de kennisjes getrouwd waren of niet, speelde in de films van beide huwelijkspartners nauwelijks een rol, want beiden namen het niet zo nauw met de trouw. Toen dit en nog andere dingen langzamerhand bij de oerchristenen bekend werden, sloot zich voor dit immorele gedrag de poort naar de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem. De leden daarvan besloten, ook met betrekking hierop, consequent Jezus van Nazareth na te volgen en de geboden van trouw, van eerbaarheid en vrede in huwelijk en partnerschap aan te houden. Aangezien juist in de verhouding man-vrouw en daarmee ook ten aanzien van huwelijk en partnerschap, massieve gedragspatronen, dus programmas werkzaam zijn, die zich gedurende vele duizenden jaren opgebouwd en verstevigd hebben, is de inspanning van ieder mens nodig, om uit de oeroude, platgetreden paden te komen en de ethische principes van de Bergrede ook hier toe te passen. Daarvoor deden te allen tijde de mensen moeite, die de Innerlijke Weg gaan, en ook de leden van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem. Het is niet gemakkelijk, maar wie de stappen in dit opzicht doet, bespeurt, hoe het vrij-worden van begeerten, relatiezucht en dergelijke zich in zijn leven en in het samenzijn, ook in huwelijk en partnerschap, positief uitwerkt.De dorpsgenoot:
Ik verwonder mij. Je zegt dit alles zo open - net zoals het blijkbaar momenteel is. Ik vind het goed, dat jullie consequent zijn. In mijn geloofsgemeenschap wordt over zulke dingen wel gesproken, maar uiteindelijk blijft toch alles bij het oude. Protestanten blijven protestant, of ze nu drie huwelijken achter de rug hebben en naast het huwelijk meerdere vriendschappen, of dat ze de leer van Jezus serieus nemen of niet. Daar speelt het uiteindelijk ook geen rol, of iemand voortdurend vreemdgaat, of dat de huwelijkspartner ondanks ruzie en twist de ander toch trouw blijft. Dan is het nieuwste in deze richting weliswaar soms het gesprek van de dag, maar ik zou niet weten, of het ooit consequenties in het kader van de kerkgemeente heeft gehad.
Antwoord van de profeet:
Dat is juist het probleem. Zou de kerkelijke overheid een voorbeeld voor de gelovigen zijn, dus stapsgewijs Jezus, de Christus, navolgen, dan zouden ze zulke wantoestanden aan kunnen spreken. Uit de katholieke en lutherse leer zou dan de christelijke leer voortkomen, die de hogere ethiek en moraal is. Dan zouden er in deze wereld steeds minder kleine oorlogjes zijn in huwelijk en partnerschap, maar ook steeds minder bruutheid, steeds minder criminaliteit en minder oorlogen. Dat betekent niet, dat de oerchristenen in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem volmaakt zijn. Belangrijk is, dat het doel van de hogere ethiek en moraal, het doel, Jezus, de Christus, na te volgen, de dagen bepaalt, doordat ieder voor zich zijn stappen naar de hogere ethiek en moraal doet, dus gaandeweg in de voetsporen van Jezus gaat. Ik spreek de wantoestanden, die er in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem waren, daarom open en onverbloemd aan, omdat wij ons voorgenomen hebben, Gods wil, die zich in de Tien Geboden en de Bergrede openbaart, stap voor stap te vervullen. Daartoe hebben wij ons openlijk bekend. Wij willen als het kleine volkje van zon 700 broeders en zusters waarmaken, wat wij naar buiten toe verkondigen. De reinigingsprocessen, die daarbij verlopen, tonen juist aan, dat wij de leer van Jezus serieus nemen en er niet alleen over praten. Bij dit alles zijn de oerchristenen van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem geen kwezelig volk. Zij, die de leer van Jezus serieus nemen, strijden met hun fouten, met hun zwakheden en hun oude negatieve gedragspatronen; ze worstelen met zichzelf, om het doel van de hogere waarden en moraal nader te komen. Zodoende is de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem veelal met een bekken met troebel water te vergelijken. Zij, die stappen naar hogere idealen en waarden doen, streven ernaar, het onreine te zuiveren, opdat het water in het bekken helder wordt, zodat het dan diegenen kan worden aangereikt, die er eveneens eerlijk en oprecht naar streven, Gods wil te doen. Dat daarbij die broeders en zusters, die in het troebele water grijpen, om het vuil eruit te filteren, zodat het helder wordt, steeds meer aangevallen worden, natuurlijk ook openlijk in de media, is een logisch gevolg. Degenen, die tegen de stroom in zwemmen, tegen de onreine stroom strijden, zijn nooit geliefd. Deze strijd als gevolg van het reinigings- en louteringsproces moet er zijn. Tenslotte is de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem aangetreden, om de Bergrede van Jezus stap voor stap te vervullen. De vrede, die volgens de Bergrede geboden is, moet dus verworven worden - in het leven van ieder afzonderlijk en in het gemeenschapsleven van de oerchristenen in de Bondgemeente. Het worstelen om het nakomen van hetgeen we ons hebben voorgenomen, toont aan, dat we het niet zo doen, zoals het bij de institutionele christenen de gewoonte is: noem jezelf christen, maar leef zoals je wilt, al is dat onchristelijk. Op deze manier reinigt en zuivert een klein volkje zich, om tenslotte zijn belofte trouw te blijven: Jezus, de Christus, na te volgen, om te doen, wat Gods wil is. De Tien Geboden en
de Bergrede leren het ons en zijn onze maatstaf. Een groot deel van de broeders en zusters van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem wil eerlijk streven en moeite doen, om te vervullen, wat wij in geschriften en voordrachten uiteenzetten: stap voor stap de leer van Jezus, de Christus, te verwezenlijken en zo in een leven volgens de wet van God te groeien. Dat dit niet van vandaag op morgen volbracht is, is vanzelfsprekend. Maar de goede wil brengt de weg en leidt ons op de weg naar het door God gewilde handelen. Dat is de waarheid, lieve broeder. Met het proces, in een oerchristelijk leven te geraken, houden de zogenaamde experts van de katholieke en protestante instituten zich niet bezig. Deze houden zich er alleen mee bezig, dat voormalige oerchristenen de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem verlaten. Daarbij worden alleen diegenen aangehoord, die uit het troebele water in het Bondgemeente-bekken gefilterd werden en aan wie het alternatief aangeboden werd: ofwel zich te houden aan wat we ons samen hebben voorgenomen, wat wij ook naar buiten verkondigen, of, als zij er intussen anders over denken, de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem te verlaten. Wat de sektengevolmachtigden dan van de vanzelfsprekend eenzijdige en persoonlijk gekleurde schilderingen, die men als een soort modder zou kunnen beschrijven, weer maken, is wederom een modder- en moerasproduct, dat zij handig diegenen voorzetten, die dit slikken. Ze bevatten allerlei ongerijmdheden en eigenaardigheden, die zo menige gevolmachtigde ter discriminering van andersdenkenden liever zijn dan de hogere moraal en de waarden, die Jezus, de Christus, heeft geleerd. Zoals gezegd, de oerchristelijke navolgers van Jezus, de Christus, zijn niet volmaakt, maar zij, die van goede wil zijn, lopen vooraan, om te bewijzen, dat de Bergrede leefbaar is, ook al is het af en toe moeilijk, omdat daar geldt, zich niet meer op de vanouds ingereden immorele rails te bewegen. Dat diegenen, die op de rails van al te menselijke gewoonten verder willen rangeren, door de broeders en zusters van de Bondgemeente, die zich de vervulling van de Bergrede van Jezus ten doel hebben gesteld, gevraagd worden, de Bondgemeente te verlaten, is vanzelfsprekend. Worden er geen al te grote compromissen aangegaan en oriënteert men zich steeds weer op de belofte, Jezus, de Christus, na te volgen, dan reinigt de religieuze gemeenschap zich, en dat is goed. Dat zo menigeen van deze zogenaamde oerchristelijke uitstappers naar de katholieke of protestante experts ging en gaat, die zich ten doel gesteld hebben, andersdenkenden en kleine geloofsgroepen te discrimineren, is betreurenswaardig, maar iedereen heeft de vrijheid. Juist degenen, die hun immorele en onzedelijke tendensen niet in de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem konden uitleven, spreken er dan over, dat de oerchristenen van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem tot een eigenaardige houding in huwelijk en partnerschap worden aangezet.Lieve broeder, wij zijn allemaal mensen zoals jij. Maar de strijd met onszelf, om met de naaste vrede te houden, begint al in huwelijk en partnerschap. Is daar vrede en komt men tot een voorspoedig samengaan, dan kan men ook met de andere medemensen vrede sluiten en zijn invloedssfeer van het voor-elkaar vergroten. Menigeen beschouwt het streven naar hogere ethische en morele waarden, principes en idealen vanuit zijn eigen perspectief, dat zo gevormd is, zoals hij het in dit opzicht in zijn denken en in zijn levenswijze toepast. Wij zijn niet tegen huwelijk en partnerschap, wij zijn alleen tegen huwelijken en partnerschappen, zoals ik die hierboven heb geschilderd en die in onze maatschappij vaak gebruikelijk zijn. Wij willen de trouw, de vrede en het samenzijn, ook in huwelijk en partnerschap, de verbinding - en niet de relatieverslaving, waarbij beiden alleen naar hun lichamelijke voordeel kijken. Wij zijn ook niet tegen lichamelijkheid - velen noemen het seksualiteit -, maar tegen relatieverslaving, tegen ontrouw, onvrede en de wisseling van vriendschappen die in verband staan met de seksualiteit. Veel oerchristenen van de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem hebben zich een ideaalbeeld in de zin van de hogere ethiek en moraal voorgenomen en zich tot opgave gesteld, zich te veredelen, de stappen in huwelijk en partnerschap te doen, evenals in woongemeenschappen, waarin gezinnen met elkaar leven, de paren elkaar echter trouw blijven, om tot eenheid te komen, tot een grote familie. Want, zoals gezegd, op aarde moet het net zo worden als in de hemelen, volgens ons gebed in het onzevader Jouw rijk kome, Jouw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op aarde.
De dorpsgenoot:
Eigenlijk lijkt het mij een goed gevoel te zijn, een lonend doel te hebben, ook als het hoog gegrepen is en moeite kost. Men weet dan, waarvoor men leeft en zich inspant. Sorry profeet, er kwam nog een vraag bij mij op: hoe ziet bij jullie een ruzie er uit? Hoe gedragen jullie je dan?
De profeet:
Bij de een of ander kunnen de emoties wel eens op hol slaan, maar uiteindelijk, als de gemoederen wat bedaard zijn, valt de oerchristen op de Innerlijke Weg in: Stop! Om het even, of mijn broeder, mijn zuster in deze situatie verkeerd gehandeld heeft - ik zoek eerst mijn aandeel, de balk in mijn eigen oog, en bereinig deze. Als ik mij over de naaste opwind, toont dat aan, dat ik dezelfde fout ook nog aan en in mij heb. Dan is het niet meer al te moeilijk, met zichzelf en met de naaste in het reine te komen en vrede te sluiten. Beiden zijn dan een ervaring rijker. In de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem wordt door hen, die moeite doen, Christus trouw te worden, klare taal gesproken, ook nu nog, om hetgeen wij ons hebben voorgenomen, ook stap voor stap na te komen. In geval van strijd kijken we niet alleen naar degene, die gelijk wil hebben, maar wij streven naar de gerechtigheid, die zegt: in een conflict heeft niet slechts één de schuld, maar beiden. Eveneens hebben beiden uit het voorval en de daaraan ten grondslag liggende problematiek te leren. Wij hebben ons allen tot opgave gesteld, hier af te wegen en onze gewillige broeders en zusters te helpen. Maar wie niet wil, waarnaar wij streven, een edelere en fijnere gezindheid te verkrijgen, de trouw en de liefde waar te maken, het mét-elkaar en het vóór-elkaar te bereiken, zal zich op den duur onder ons niet goed voelen en zal vroeg of laat de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem verlaten.
De dorpsgenoot:
Jullie maken het je niet makkelijk, dat moet men jullie nageven!
De profeet:
Voor de overwinning komt altijd de strijd, in het bijzonder in de kleine situaties van alledag. Christus is ons voorbeeld, en Hij staat ons met Zijn kracht bij, wanneer wij op Hem afgestemd blijven. God is nu eenmaal niet boven de wolken, maar ieder van ons heel nabij. Als wij zijn geboden naleven, verandert in en om ons heen veel ten goede.
De dorpsgenoot:
Ik voel, dat wat je zegt, waar is. Ik geloof het dus, en ik zal me daar verder mee bezig houden en kijken, wat ik voor ervaringen opdoe. Jullie voorbeeld spreekt wel voor zichzelf, maar toch is het daarmee voor mij nog niet bewezen. Weet je, wat ik bedoel?
Antwoord van de profeet:
Ik begrijp wat je wilt zeggen. Wat in de bijbel staat, moet de gelovige eenvoudigweg geloven en daarmee basta. Maar ook hier is het zoals in ons hele leven: de waarheid vindt men slechts dan - ook in de bijbel -, wanneer men datgene nastreeft en doet, wat Jezus, de Christus, leerde en ons voorleefde. Als je wilt, neem dan je bijbel ter hand en verdiep je in de Tien Geboden van God en de Bergrede van Jezus, en meet je denken, je spreken, je hele gedrag daaraan af, ook je huwelijk of partnerschap. Erken je, wat tegenover deze wetmatigheden van God staat, berouw dan en bereinig het door om vergeving te vragen, te vergeven en het weer goed te maken, voor zover dat nog mogelijk is. En als je deze erkende fouten en liefdeloosheden, je zonden dus, niet meer doet, kom je langzaam tot jezelf en krijg je steeds meer het onderscheidingsvermogen tussen hetgeen waar en onwaar is. Dan hoef je niet meer zo vaak te gissen en te vragen - het wordt je van harte gegeven, omdat God de gevende liefde is.
De dorpsgenoot:
Word ik dan een oerchristen?
De profeet:
Dat hoeft niet. Een echte christen te worden - dat is doorslaggevend; dat is het doel van al degenen, die niet alleen in Christus geloven, maar hun geloof levend laten worden door Godgewilde daden, door Godgewilde werken, die echter uit het hart van de mensen moeten komen, niet uit het verstand.
De dorpsgenoot:
Moet ik dan toch geen oerchristen worden?
De profeet:
Je moet helemaal niets - behalve eens je lichaam afleggen, wat wij als dood kenmerken. Wees een christen, of word een christen, dan zullen we onder het firmament samenkomen, dat wil zeggen: God is liefde, en wij allen zijn Zijn kinderen, broeders en zusters in Zijn Geest.
Brochure, 52 blz.
Besteladres:
Universeel Leven
Postbus 31228
6503 CE NIJMEGEN
»De Profeet« - het woord en de druk - is gratis*.
Wie ter verspreiding - vooral in Nederland - met een schenking wil bijdragen, kan dit doen onder
gironummer 60 37 742 t.n.v. Universeel Leven - Nijmegen. Onder vermelding van: »Verspreiding De Profeet«.
Steeds meer radiozenders bieden ons de mogelijkheid, door de uitzendingen van DAS WORT, die Kosmische Welle, de blijde boodschap van Christus uit te stralen.
Uitzendtijden en frequenties van radiozendingen in Europa - in de Duitse en Engelse taal - kunt u iedere maand opvragen bij:
Universeel Leven
Postbus 31228
6503 CE NIJMEGEN
Radio Santec - Die Kosmische Welle
DAS WORT - DER UNIVERSELLE GEIST
Marienstraße 1, D-97079 Würzburg
| Tel: | 0049-931-3903-264 |
| Fax: | 0049-931-3903-195 |
| Internet-Radio: www.radio-santec.com e-mail:info@radio-santec.com | |
Verlag DAS WORT GmbH
DER UNIVERSELLE GEIST
LEBEN IM GEISTE GOTTES
Max-Braun-Straße 2, 97828 Marktheidenfeld Germany
Tel. 0049-9391 504-135 - Fax 0049-9391 50
Uit het Duits vertaald.
In licentie uitgegeven brochure, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave
doorslaggevend.
»De Profeet«
- het woord en het drukwerk -
is gratis.
Wie met een gift wil bijdragen ter verspreiding hiervan,
vooral in het
buitenland, kan dit doen bij:
Universelles Leben e.V.
Kto. 55681 - BLZ 790 500 00 - Städtische Sparkasse Würzburg (D) of bij:
Universeel Leven, postbus 31228, 6503 CE NIJMEGEN
Gironummer 6037742
onder vermelding van: bijdrage verspreiding »De
Profeet«
|
[ Uittreksel
uit Dit is Mijn woord- Alpha en Omega ] [ De Profeet ]
Tel. (+49) 931-3903-0, Fax: (+49) 931-3903-233 2589 |