![]() |
Dit is Het evangelie van Jezus DEEL 2 |
Christus, de zoon Gods,
de mederegent der hemelen, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser van het rijk Gods op aarde,
openbaart zich over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth
Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,
Het leven in God is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind, onze zuster Gabriële,
uit de eeuwige bron toestroomt, wordt het telkens aan ons doorgegeven.
Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk, schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin
ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven, dat het God welgevallig is.
Uitgever: Universelles Leben e.V.
Haugerring 7,
D-97070 Würzburg
Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:
Das ist Mein Wort
A und Omega
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche die Welt nicht kennt
Eerste druk 1991
In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele
uitgave doorslaggevend.
1e Nederlandse uitgave: november 1999
Inhoud*
Voorwoord
Ik Ben
28. Jezus bevrijdt de dieren - en bevestigt Johannes de Doper - De val: de
verdichting van de energie tot aan de materie toe - Het geestlichaam in het
mensenlichaam - De verruwing der mensen - Misbruik van de schepselen en van de
schepping - De heersersmens - Bijgeloof, straffende goden, bloedoffers - De
maners van God wijzen de weg - Dierproeven zijn God een gruwel (1-3). De reine
herkent het reine - Het voedsel, een gave Gods (4). Strijd van de duisternis
tegen Gods plan en Zijn rechtvaardige profeten - Instrumenten van de duisternis
- Valse profeten worden door haar niet bestreden (16)
29. De spijziging van de vijfduizend - Jezus wandelt over het water - In Jezus
van Nazareth, de Christus, de deelkracht van de oerkracht - Verklaring van de
verme-nigvuldiging van de vissen - Levend en dood voedsel - Kastijding en
fanatisme - Verandering van negatieve gewoonten op het pad naar het hogere leven
(4-7). Angst is twijfel aan Gods kracht en liefde (12-13)
Toeval bestaat niet - Verandering van de mens naar het Goddelijke alleen door
werk aan zichzelf (14). Niet iedereen ontving hulp en genezing (17-18)
30. Het brood des levens - en de levende wijnstok - Christus geeft geestelijk
brood voor het innerlijke leven - De weg naar het vredesrijk: strijd en offer
der rechtvaardigen (5). Hij, die zich op God afstemt, ontvangt de kracht van het
leven. (6). In Christus zijn verlossing en genade – Ziekte, leed of noodlot zijn
zichtbaar geworden schuld - De Jongste Dag (7). Het menselijke oog ziet slechts
het aardse omhulsel, dat vergaat - Het binnenglippen en uittreden van het
geestlichaam - De kruisweg van de profetes van God tijdens de tijdsomwenteling -
Ontwikkeling van het veruiterlijkte christendom (8-10)
31. Het brood des levens - De bekentenis van Petrus - De kameeldrijver -
Geestelijk dood - In het rijk der zielen zijn er geen maskers - Woorden zijn
slechts symbolen en wegwijzers - Kastijding is verdringing - Ieder mens bezit de
vrije wil: goed zaad brengt goede oogst - God vermaant, Hij straft niet (1-3).
Mozes’ tocht met het volk Israël door de woestijn: een gelijkenis voor de
trektocht der mensheid - De huidige mensen onderscheiden zich van het volk
Israël - De weg naar het vredesrijk (4). Wie God meer liefheeft dan deze wereld,
leeft in God - Wie uit de waarheid is, ontvangt uit de waarheid (5-6). Tot de
mensen in het vredesrijk - De evolutie van de mensen en van de aarde naar de
fijnstoffelijkheid - Verandering van de tijdmeting - Aardvlekken, reservaten van
de demonen - De terugvoering van de valrijken - Het boek »Dit is Mijn woord«
wordt steeds opnieuw verheven, tot aan de fijnstoffelijkheid toe - Het vóór en
tegen van veel mensen dient de duisternis (7-9). Heb ook de dieren lief! (12-16)
32. God als spijs en drank - Betekenis van vlees en bloed - Voeding en
gezondheid volgens de wil van God (1-6). De verruwing der mensen, de scherpte
van het menselijke ik - Ommekeer van de mensen tot de eenheid met de natuur
(8-12)
33. Over bloedoffers en vergeving der zonden - Genezing aan de vijver Bethesda -
De in de toenmalige tijd gedane concessies van Mozes werden wetten (1-3).
Dierenoffers en vleesvoeding - Menselijke voorschriften binden; God is
onbeperkte liefde en vrijheid (4-14)
34. Jezus´ liefde voor alle schepselen - Wie door God doorstroomd wordt, wordt
tot zegen (2-6). Achting voor al het geschapene; minachting valt onder de
causaliteitswet (7-10)
35. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan - Maria en Martha - Wat je je
naaste aandoet, dat doe je Christus en jezelf aan - Over het gedrag tegenover de
naaste (1-8). Bid en werk; de juiste maat (9-11). Beeld voor de bouw van het
huis Gods, het Nieuwe Jeruzalem op aarde - De goddelijke wijsheid roept de zonen
en dochters van God; zij bereidt de Innerlijke Weg voor en brengt de
alomvattende goddelijke wetten - Zij, die in Mij leven, worden tot levende bron
(12-15)
36. De overspelige vrouw - de Farizeeër en de tollenaar De wet van de
overeenkomst - Wie zichzelf kent, herkent ook de tegenstander - Verleiding door
de satan der zinnen vóór en ook na de grote omwentelingen (1-6). Uit deemoed
ontstaat geestelijke grootheid (7-10)
37. De wedergeboorte van de ziel - Door leed en boete naar volmaaktheid - De
genade van de Vader werkt op aarde in versterkte mate - Het einde van de
mogelijkheid tot incarneren voor zwaar belaste zielen - De wedergeboorte in de
Geest Gods (1-10)
38. Over het doden van dieren - De opwekking van de jongeling van Naïm - Wie
Gods wetten niet vervult, belast zijn ziel; hij kan ook niet de wet der hemelen
onderwijzen en uitleggen - Het kaf zal worden gescheiden van het koren (1-2). De
Jacobsladder - Met de verfijning van de gedachten en zintuigen, valt wat
onwetmatig is weg (3). Over geweldpleging en bloedvergieten (4). Mee-lijden met
de dieren - Het doden van dieren, om hen van hun lijden te verlossen (5). Wie
zichzelf herkent - en bereinigt - leert het leven lief te hebben (6). Opwekking
van doden (8-10)
39. Zeven gelijkenissen van het hemelrijk - De weg naar het koninkrijk Gods -
Wie in zijn beslissing wankelt, zal de schat in de hemel niet vinden (1-6)
40. Jezus onthult de gelijkenissen van het hemelrijk -
Gelijkenis van het hemelrijk; het goede zaad; herkennen en verwijderen van het
onkruid op het juiste tijdstip - Door verwezenlijking in de overvloed van het
rijk Gods (1-2). De grote oogst: het scheiden van kaf en koren; helse pijnen
(3-7). Het zaad aan de rand van de weg: de waarheid slechts horen (9)
41. Bekering van een vogelaar - genezing van een blinde - Met dieren handel
drijven; mensenhandel - De sabbat heiligen - Strafmaat voor wetenden en
onwetenden (1-9). Wie Gods wet vervult, kijkt in de diepten van het Zijn (10-13)
42. Jezus leert over het huwelijk - Genezing van de tien melaatsen - Het
verbonden zijn van huwelijkspartners, ook bij uiterlijke scheiding - Polariteit
en dualiteit - Innerlijke waarden (1-5). Ongehuwd zijn (6-8). Blijvende genezing
slechts door verwezenlijking der eeuwige wetten (13)
43. De rijke en het hemelrijk - De reinigingsgeboden - Eigendom en navolging van
Christus (1-4). Alle dingen zijn mogelijk voor degene, die het
geestelijk-goddelijke als zijn ware wezen nastreeft (6). God of de mammon - Het
streven naar het materiële en de gevolgen (7). Wie afstand doet van het
materiële, zal veelvuldig ontvangen in het eeuwige Zijn (8-9). Uiterlijke
reiniging en innerlijke reinheid - Trouw naar de letter duidt op ontrouw jegens
God (10-16)
44. De bekentenis der twaalf - De grondpeilers van de gemeente - God heeft geen
geheimen; de zonde verhult de waarheid (2-3). Ware oergemeenten bouwen op de
rots Christus (4). Vervalsing van de waarheid door de kerk - De gerechtigheid
Gods geeft de zondaar lange tijd de mogelijkheid tot ommekeer (7-8). De wet Gods
komt in deze wereld; de waarheid wordt zichtbaar (10-12). De mensheid zal tot
eenheid komen met Mij, de Christus (13-15)
45. Zoeken naar tekenen - De onreine geest - Jezus’ ouders en broeders en
zusters - Aardse rijkdom - De »blinde« verwacht wonderen - Het gevaar van de
beïnvloeding door tegenstrijdige krachten (1-6). Zonde tegen de Heilige Geest is
handelen tegen beter weten in (7). Lid van de familie Gods of eenzelvig iemand
en voorvechter van het menselijke ik (8-10). De materiële rijkdom; gevolgen van
hebzucht (11-16)
46. Jezus’ verheerlijking - De twaalf geboden - In de verheerlijking van Jezus
werd Hem Zijn lijdensweg, Zijn verdere opdracht als Christus en de toekomst van
de mensheid en de aarde onthuld (1-6). Het Nieuwe Israël (7-12). De nieuwe wet
van de liefde - Geen enkele ziel gaat verloren (22-24). De loutering van de ziel
(25). Alle ware profeten worden miskend (26-28)
47. Het juiste begrip van de geboden - Gelijkenis van de rijke man en de
bedelaar Lazarus - Over het juiste begrip van de geschreven wetten; voorbeeld:
doden (1-3). Afgunst is diefstal - Verwekking van zieke kinderen - Echtbreuk
(4-5). Achting voor alle levensvormen (6). De waarheid zeggen; echter niet
blootstellen - De vrije wil van de naaste respecteren (7). In God leven (8-9).
Verschillen tussen arm en rijk; oorzaken en gevolgen (10-17)
48. Jezus voedt duizend mensen en geneest op de sabbat - Mee-lijden (1-9).
Genezing van zieken - Lasterlijk spreken tegen Jezus en de navolgers van
Christus (10-13)
49. De ware tempel Gods - Over de vernietiging van de tempel (1-3). Ieder mens
is een tempel Gods, een tempel van de Heilige Geest (4). Betekenis van
uiterlijke vormen (5-7). Bloedvergieten en bloedoffers (8-10). Slechts wie zich
dagelijks voor een leven in God inspant, erkent Christus en verstaat de taal van
de wet (11-12)
50. Christus, het licht der wereld - Menselijk rechtspreken en oordelen; de
gerechtigheid Gods (1-4). Het ware zelf in eenieder: God - Wie zijn naaste niet
liefheeft, heeft ook God niet lief (5-8). Wie gelooft, zonder te verwezenlijken,
zal de eeuwige Vader niet schouwen (9-15)
51. De waarheid maakt vrij - Over het juiste begrip van de geboden - »In Mijn
woord blijven« (1). De knecht van de zonde is ver van God en van het eeuwige
vaderland (2). Voor God geldt alleen de verwezenlijking van de onbaatzuchtige
liefde (3-6). De satan, de vader van de leugen; de satan der zinnen (7-8). Geen
ziel gaat verloren (9). Alleen hij, die naar de waarheid streeft, begrijpt het
woord Gods (10). Mozes bevestigde het dierenoffer niet - Minachting en achting
voor het leven - Oud en nieuw mensdom (11-13). Geestelijke autoriteiten en
lettergelovigen, die niet verwezenlijken, wat zij onderwijzen - Concessies van
de profeten aan het volk (14-18)
52. Jezus verklaart Zijn voorexistentie - Geloven betekent begrijpen -
Lichamelijke dood en geestelijke dood (1). Alleen hij, die de geboden vervult,
erkent en ervaart God in zichzelf (2-3). Het rijk Gods is zevendimensionaal -
Het oneindige kristal: alles is in alles (9-11). Begrip van de waarheid alleen
door verwezenlijking (12)
53. De genezing van de blindgeborene - De vraag van de Sadduceën naar de
opstanding - Vraag niet naar de zonden van je naasten - Benut de ogenblikken van
de dag (1-2). De uiterlijke arts en de innerlijke genezer (3-6). Met elkaar
trouwen of zich met elkaar voor God verbinden (7-11)
54. Het verhoor van de blindgeborene - De discipelen als geestelijk lichaam van
Christus - De blinden en de zienden (1-16). In het kosmische Zijn is alles in
alles besloten en even belangrijk (17-24)
55. Christus, de goede herder - Eén met de Vader - Christus de ware herder en de
enige weg naar het vaderhuis - Mijn schapen kennen Mijn stem - Ik leid de
schapen in de eeuwige wet - Verwijzing naar aanmatiging en misbruik van het
herdersambt (1-16)
56. De opwekking van Lazarus - Over de opwekking van doden (1-18)
57. Over kleine kinderen - Gelijkenis van de vissen - Vergeving van de zonden -
Leidt de kinderkens tot Mij - Wie is de „grootste in het rijk Gods”? (1-2). De
naaste ergernis geven en de gevolgen (3). Taak van de ouders (5). De aardse ogen
en het geestelijke oog - God is de alstraling, de alstromende wet (6-9).
Bereinigen volgens het gebod van de vrede - Binden en losmaken - Beden aan God
en hun vervulling (10-12). Ieder is zijn eigen rechter - Vergeven, recht en
gerechtigheid - Mens en staat
(13-20)
58. Vreugde over de berouwvolle zondaar - De gelijkenis van de verloren zoon -
De ware zonen en dochters van God - Het volk Gods op aarde (1-2). God schiep en
schouwt Zijn kinderen volmaakt - Ieder kind keert naar Hem terug door Christus
(3-15)
59. Over de waakzaamheid - De tollenaar Zacheüs - De schat in de hemel en het
aardse bezit (1-3). Bereid zijn voor de komst van Christus (4-6). De goede
rentmeester (7-8). Van hem, die veel gegeven is, wordt veel geëist (9-10).
Zondigen tegen beter weten in is een zonde tegen de Heilige Geest (11-12). Geen
ziel en geen mens gaat verloren (13-18)
60. Jezus veroordeelt schriftgeleerden en Farizeeën als huichelaars - Misbruik
van de naam van Christus voor onchristelijke doeleinden - Er zijn geen
”heiligen” - De verscheurende wolven in schaapskleed - De antichrist - Christus
zegeviert (1-18)
61. Jezus voorspelt het einde der tijden - Aan hun vruchten zullen jullie hen nu
herkennen (1). - Reïncarnaties van machthongerigen en van goddelijke boden in de
loop der tijden (2-3). De duisterlingen strijden met alle middelen (4-5).
Aanwijzingen voor de tijd van verschrikking (6-7). De wederkomst van Christus:
leert te onderscheiden (8-9). Veranderingen in het zonnestelsel en op de aarde
(10). De komende eindtijd - De evolutieweg van de mensheid en van de aarde in de
lichtstoffelijkheid - Het vredesrijk - Het laatste verzet van de satan - Het
”Het Worde” van God: het uiteenvallen van al het grofstoffelijke - Voorbereiding
op de wederkomst van Christus door de goddelijke wijsheid - De komst van
Christus, de grootste gebeurtenis (11). Herken de tekenen des tijds (12-14). Wie
waakt, laat het uur niet voorbijgaan (15-19)
62. De gelijkenis van de tien maagden - Wie de geboden van de liefde vervult, is
de waakzame. Hij heeft het innerlijke licht, het merkteken op het voorhoofd
(1-7)
63. Gelijkenis van de talenten - Degene, aan wie gegeven werd, behoort verder te
geven - God beloont slechts degene, die van harte geeft (1-12)
Nawoord
Tot beter begrip van dit werk:
De profetie van God
Boeken van Universeel Leven
____________________
*De titels van de hoofdstukken van het »Evangelie van Jezus« zijn vet en cursief
gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels hebben betrekking op de
verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van het »Evangelie van Jezus«,
momenteel door Christus gegeven [1989]. De tussen haakjes geplaatste getallen
duiden telkens de verzen aan van het »Evangelie van Jezus« waarop de
verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.
Voorwoord
van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid
Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat Christus, de zoon van God, op een
nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen daarop opbouwt, maar het
ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook aanvult.
De reden daarvoor is de volgende:
christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel
bijbeldeskundigen, hebben »hun bijbel«, die zij voor de volledige en zuivere
waarheid houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging,
dat het woord Gods in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en
daarmee is afgesloten. Daardoor was het Christus, de Verlosser van alle zielen
en mensen, niet mogelijk, binnen de nog bestaande christelijke kerken en de aan
zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun bijbel, te verklaren, te verbeteren
en te verdiepen.
Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de waarheid
buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en
mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan
allen is de vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en zielen, is
de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het vredesrijk
van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium [1980]
enkele broeders - die allen, op één na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie
der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te
schrijven.
Christus’ wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken als Jezus van
Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht voor
diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en
door Hem een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de volgende
strekking:
neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en laat jullie
geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen
der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin
voor de waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die
de waarheid bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van
betekenis is, want Ik zal het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie
verklaren en verdiepen. Het zijn de woorden van God, die grote profeten en
verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw voor de tegenwoordige en
voor de komende tijd ontvingen.
Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de grotendeels
volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen nalezen
en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht -
en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de
aarde zal omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het
vredesrijk alleen nog vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk
geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat
zij de wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid
moeten komen. Ook de vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd [1989]
nog steunen, zullen dan onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft
verworven, heeft zijn geestelijke bewustzijn ontsloten en zijn reine
geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid volledig werkt, is voor hem
dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het vredesrijk van Jezus
Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan.
Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen
goeddunken inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun
confessionele denken noodzakelijk leek.
Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is als een
groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde,
omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk
aangenomen; het nam als zijn aandeel van de opdracht één of meerdere
»mozaïeksteentjes« in zijn geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te
kunnen vervullen, wat het als opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de
opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet worden vervuld.
Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende mogelijkheden op.
Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie is
gegaan, niet werd vervuld, dan moet het »debet«, wat daardoor in zijn
geestlichaam is opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere
incarnatie of in de reinigingsgebieden.
Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïek-steentje van de opdracht
op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene
over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een
verleiding door de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje,
dat nu door andere geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is
dan in het opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het
betreffende geestwezen echter, dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de
verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit elders goedmaken.
Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven, gaat Hij
andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek »Dit is Mijn woord« gebeurde.
Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert Hij
bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst
van deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te
verleiden - ook diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en
de vrede in de wereld te brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de
beslissing genomen, in het aardse gewaad de werken Gods te vervullen en Christus
en hun naasten te dienen in de wereld, die het territorium is van de duisternis.
Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong - voor de keuze: vóór of
tegen God.
De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een werk te
schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het
menselijke. Zij konden datgene, dat zij in hun geestlichaam hadden ingegeven,
niet volgens plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere
mogelijkheid geopend: de weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van
God. Want het schrijven van het boek »Dit is Mijn woord« is een essentiële
bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel Leven, omdat het zijn
betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben. Het omvat alle
belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk, als
Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en
door de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan. Zalige,
dus nagenoeg volmaakte mensen, zullen haar dan bewonen en haar meer en meer
bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds
Zijn »volbracht« aan het kruis, bindt het satanische zichzelf steeds meer.
Wanneer eenmaal het vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden.
Alleen door de verlossersdaad is dit mogelijk geworden!
Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen, om te
bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd [1989] en in het bijzonder voor de
Nieuwe Tijd - van betekenis is.
Het boek »Dit is Mijn woord« maakte niet direct deel uit van de opdracht van
onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid aan,
die geboden werd, om het boek »Het evangelie van Jezus«* tot basis van het
openbaringswerk »Dit is Mijn woord« te maken. Christus kwam haar met dit boek
tegemoet, omdat de taak, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst
te ontvangen, niet direct in haar opdracht stond.
Christus sprak onder andere tot onze zuster met woorden van de volgende
strekking:
aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij echter voor de geestelijke
taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik jou - voor zover
dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw directe
taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat
tijd hiervoor kostbaar is, zal Ik op het boek »Het evangelie van Jezus«
voortbouwen, door te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
Het boek, dat door de mensen »Het evangelie van Jezus« wordt genoemd, bevat,
ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd [1989] een andere
betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn
aardse leven als Jezus van Nazareth voltrok.
Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een geheel
nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou
beletten, de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen.
Daarom bouwt Christus voort op de in het boek »Het evangelie van Jezus«
voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult
daarmee door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk
ligt: een historisch werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het
werk »Dit is Mijn woord«.**
Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die zij vervult, groeide uit het
boek »Het evangelie van Jezus« het werk »Dit is Mijn woord«.
Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle betekenis
krijgen.
Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van het
vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de
mederegent der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van
eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God, onderricht,
noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de Geest Gods ben ik de
cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk
van Jezus Christus.
In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is er niet
langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.
Vrede!
______________
* Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het evangelie
van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna ook kortweg »Evangelie van
Jezus« genoemd.
** Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das Evangelium Jesu«
(Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus bij de
afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt.
Ik Ben
Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het gefemel van de Farizeeën en
schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om waardering, lof en loon
te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en niet mis te
verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn
profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.
Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden volharden, zeiden tegen Mij
als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« De eeuwige
wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens een beslissing
en consequentie verlangt - vóór of tegen God. Wie echter niet wil beslissen,
omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen,
dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf
daaruit profijt te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
Ik Ben de wet, de absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn medemensen,
echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich
alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het
ware, niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt.
Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de vroegere
schriftgeleerden en Farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie
kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige
farizeeër en schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil
aannemen, omdat hij niet voor de waarheid wil kiezen.
Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een beslising vóór of
tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die late het.
Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf
de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God.
Jijzelf bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je
daaraan!
HOOFDSTUK 28
Jezus bevrijdt de dieren
en bevestigt Johannes de Doper
De val: de verdichting van de energie tot aan de materie toe - Het geestlichaam
in het mensenlichaam - De verruwing der mensen - Misbruik van de schepselen en
van de schepping - De heersersmens - Bijgeloof, straffende goden, bloedoffers -
De maners van God wijzen de weg - Dierproeven zijn God een gruwel (1-3). De
reine herkent het reine - Het voedsel, een gave Gods (4). Strijd van de
duisternis tegen Gods plan en Zijn rechtvaardige profeten - Instrumenten van de
duisternis - Valse profeten worden
door haar niet bestreden (16)
1. Op een dag, nadat Jezus zijn rede had beëindigd, geschiedde het op een plaats
nabij Tiberias, waar zeven bronnen zijn, dat een jonge man hem levende
konijntjes en duiven bracht, opdat Hij ze samen met zijn discipelen zou eten.
2. En Jezus keek de jonge man liefdevol aan en sprak tot hem: »Je hebt een goed
hart en God zal je verlichten; maar weet je niet, dat God in het begin aan de
mens de vruchten der aarde tot voedsel gaf en hem daardoor niet minder maakte
dan de aap of de os of het paard of het schaap, dat hij zijn medeschepselen
doodt en hun vlees en bloed eet?
3. Jullie menen, dat Mozes terecht beval, zulke schepselen te offeren en te
eten, en zo doen jullie het in de tempel; maar zie, een grotere dan Mozes is
hier en komt, om de bloedoffers van de wet en de gelagen af te schaffen en weer
te herstellen de reine gave en het onbloedige offer, zoals het in het begin was,
namelijk granen en vruchten van de aarde. (Hoofdst. 28, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik kwam als Jezus van Nazareth in deze wereld, om van God, Mijn Vader,
getuigenis af te leggen en van al hetgeen God heeft geschapen.
Uit de eerste valgedachte - te willen zijn zoals God - ontstond de val. De
valwezens en met hen alle kinderen Gods, die zich door hen lieten verleiden door
verlokkingen en beloften, ontvingen uit de barmhartige handen van de Eeuwige -
die al Zijn kinderen liefheeft en hen eeuwig in zichzelf als reine wezens
schouwt - delen van geestelijke zonnen en geestelijke planeten. Deze delen van
geestelijke zonnen en planeten vielen tezamen met de valwezens en werden - in
oneindige tijdruimten, van het neerdalen van het fijnstoffelijke naar steeds
grovere verdichting - geleidelijk tot materie. Zij bevatten tevens geestelijke
mineraal-, planten- en dierenrijken, welke dezelfde ontwikkeling naar de materie
toe volgden. Dit betekent: het licht in de geestelijke vormen verminderde steeds
meer. Naarmate het afnam, verkleinden de geestelijke lichamen der kinderen Gods:
zij schrompelden steeds meer ineen. Tegelijkertijd vormde zich geleidelijk de
mens, het uiterlijke omhulsel, dat dan het lichtarme en verkleinde geestlichaam
omsloot. Weet: het geestelijke lichaam bestaat uit geestelijke deeltjes. Daarin
bevinden zich de geestelijke atomen, waarin de krachten van de geestelijke
wezenheden en de eigenschappen van God zijn opgeslagen. Samen met de
vermindering van het licht begonnen vele deeltjes in elkaar te schuiven, doordat
het ene deeltje het andere in zich opnam.
De tegenstrijdige gewaarwordingen, gedachten en handelingen van de valkinderen
en de door hen verleide wezens, hadden dus de omvorming van kosmische energie,
van het fijnstoffelijke naar het grofstoffelijke, tot gevolg. Hoe meer de
valwezens en de door hen verleide wezens zich door hun tegenstrijdige gedachten,
wensen en handelingen van God afwendden, des te meer nam de verdichting toe,
zodat het fijnstoffelijke lichaam nog meer verkleinde en het grofstoffelijke nog
dichter werd.
De val had dus een soort mutatie tot gevolg: een deel van de reine geestelijke
krachten van het lichaam veranderde in laag vibrerende energie, waaruit dan
geleidelijk het menselijke lichaam ontstond. In de loop van deze tijd werd het
geestlichaam in het menselijke lichaam tot geestelijke energiedrager voor het
menselijke organisme. Het ingetrokken - of ingekapselde - geestlichaam bleef in
het omhulsel mens en is de transformator van de levenskracht voor de mens.
Zonder dit geestelijke lichaam, de ziel, kan de mens dus niet leven.
De mineraal- en plantenrijken van deze aarde ontvangen hun levenskracht van de
Oerkracht, de Algeest, via de geestelijke deelplaneet in de aarde, die door de
materie, de aarde, wordt omsloten. De dieren van de aarde, die eveneens in de
loop van de verdichting ontstonden, droegen en dragen bij tot de compensatie van
de krachten in de natuur. Sommige diersoorten, die nog geen deelziel hebben,
ontvangen hun levenskracht eveneens uit de geestelijke deelplaneet in de aarde.
Diersoorten, die reeds deelzielen bezitten, dus gepotentiëerde geestelijke
partikelen, worden door de Oerkracht direct tot leven gebracht, zonder dat de
geestelijke deelplaneet in de aarde daarbij ingeschakeld wordt.
God, de Eeuwige, gaf Zijn mensenkinderen alles - de aarde met haar planten,
vruchten, zaden en waterbronnen - opdat zij ook hun fysieke lichamen kunnen
voeden. De eerste mensen voedden zich met planten, vruchten, zaden en dronken
van de waterbronnen. De dieren waren hun vrienden en helpers. In dit
ontwikkelingsproces ontstond ook de verwekking voor aardse lichamen.
In de loop der tijden verruwde het mensengeslacht steeds meer. De begeerte, het
willen-bezitten, willen-zijn en willen-hebben groeide, en daarmee tegelijkertijd
ook de zinnelijke lust en de wens naar genot. De mensen veranderden de gaven
Gods, door de toebereidingen steeds weelderiger te maken en verhoogden zo hun
genot en de bevrediging daarvan. De man begon de vrouw te begeren en nam zich
meerdere vrouwen. De ’vleselijke lust’ naar het lichaam van de vrouw nam toe.
Het verwekken van een kind werd steeds vaker voorafgegaan door de zinnelijke
lust en de bevrediging daarvan.
Naarmate de zinnelijke lusten toenamen, werden de begeerten van de mens ook op
het dier gericht. Het werd gejaagd en geslacht en zijn vlees werd toebereid en
gegeten. De mens gedroeg zich nu als een kannibaal. De dieren werden de vijanden
van de mensen, omdat zij door de mensen werden gejaagd en daardoor angstig
werden.
Door dit alles werden de mensen steeds meer afvallig van God. De mensen
beschouwden nu de gaven Gods – niet alleen planten en dieren, maar ook de aarde
en hun medemensen – als hun eigendom. Zij waren onder elkaar niet langer
broeders en zusters, maar ze onderdrukten hunsgelijken en noemden hen hun
slaven. Zij lieten hen als dieren onder het juk en in slavernij werken en
verhandelden hen zelfs als koopwaar. Op deze manier ontstond de heersers-mens.
De heersersmensen verdeelden de aarde in percelen, die zij als hun eigendom
beschouwden en beperkten zich in ’mijn en dijn’. Wie van de grote koek aarde
niet een stuk ontvreemdde of ook maar een klein stukje land bezat, was de
knecht, de maagd of de slaaf van de heer. Deze liet zijn medemensen voor zich
werken en buitte mensen en dieren, zijn slaven dus, uit. Vele slaven vielen van
uitputting dood neer. Hun leven was voor de heersersmens niets waard – tenzij
het een slavin was, die hij tot bevrediging van zijn begeerten nam en als een
vogel in een kooi gevangen hield.
De heersersmens bestal zijn broeders en zusters, door hen een deel van de aarde
te onthouden. Tijdens het verdere verloop werd de aarde verdeeld in landen en er
ontstonden landsgrenzen.
Tengevolge van de verruwing van de mensheid begon de aarde zich te verweren: de
natuurverschijnselen groeiden uit tot catastrofen - zij zijn het gevolg van de
wetsovertredingen van de mensen. Deze waren nu hulpeloos aan de krachten van de
natuur overgeleverd en steeds vaker werden mensen slachtoffers van natuurrampen.
Aangezien het de mensen aan inzicht ontbrak in deze ontwikkeling, stelden zij
zich de natuurkrachten als goden voor, die hen uit willekeur goed of kwaad
gezind waren en hen de catastrofen zonden. Daarmee wendden de mensen zich steeds
meer af van de ene God der liefde en waarheid, de schepper van de hemel en van
de aarde, vergaten Hem en aanbaden hun goden.
Zo begon het bijgeloof. De heersersmens, die het leven minachtte, die de dieren
en de mensen, die hij zijn slaven noemde, weinig belang toekende, bracht de
goden mensen en dieren als offers, om hen voor zich gunstig te stemmen. Erkent:
dit alles is misdaad en zonde tegen de mensen en tegen de natuurrijken – en
tegen God, de wet van het leven.
Met de profeten Gods en vele verlichte mannen en vrouwen, die opnieuw de
waarheid tot de mensen brachten, begon heel geleidelijk de ommekeer naar de ene
God.
Mozes bracht van de ene, eeuwige God der liefde en waarheid, de Tien Geboden.
Hij beval de Israëlieten, de schepselen Gods niet te doden en niet te eten. De
Israëlieten luisterden niet altijd naar Mozes. In het bijzonder, wanneer hun
eigen oorzaken als gevolgen over hen kwamen, dachten zij weer aan hun goden en
begonnen opnieuw met het oude ritueel van het offeren.
Steeds weer traden de maners van God op. Steeds weer werd aan het volk de ene
God naderbij gebracht. De grote profeet Jesaja, in de hemel de drager van de
goddelijke wijsheid, verkondigde de Messias, de leven– en lichtbrenger voor alle
zielen en mensen.
De verkondiging werd vervuld: Ik, Christus, kwam in Jezus tot de mensen en werd
de mensenzoon.
Ik kwam, om de mensen de weg te wijzen uit zonde en slavernij. Als Jezus van
Nazareth onderwees Ik de wetten Gods en leefde ze de mensen voor. Maar de
mensheid herkende Mij niet.
Ik leerde de mensen, elkaar lief te hebben, de dieren lief te hebben, de natuur
te achten, de aarde als de moeder te erkennen, in wier schoot de mensenkinderen
leven en werken. Ik leerde de mensen de gelijkheid, de vrijheid, de eenheid, de
broederlijkheid en de gerechtigheid; Ik leerde hen, dat zij de aarde niet
moesten verdelen, maar alles broederlijk met elkaar moesten delen.
Daarmee begon de evolutie – dat wil zeggen, de mensen wendden zich geleidelijk
weer tot God.
Allereerst werd de godenverering afgeschaft, daarna het mensenoffer en in het
verdere verloop der tijden het dierenoffer. Vandaag, tijdens de overgang van de
oude naar de Nieuwe Tijd, zal Ik de wrede dierproeven, het slachten van dieren
en het eten van hun vlees beëindigen. Erkent: het is een tijd van evolutie – het
omkeren van het oude, zodat het geestelijke naar voren kan treden.
Erkent: Ik kwam als Jezus van Nazareth. Ik legde de mensen de wetten uit en Ik
leefde hen ook het leven volgens de wet Gods voor. Op Golgotha werd Ik de
Verlosser van alle zielen en mensen.
Jullie Verlosser is nu ook jullie leider in de Nieuwe Tijd, in de tijd van de
Christus, die Ik Ben. Steeds meer mensen wenden zich af van het slachten en het
eten van dieren. Steeds meer mensen zien de aarde als één geheel, als hun
voedster, als een deel van hun leven. Zij voeden zich met hetgeen de aarde hen
schenkt en bereiden het ook wetmatig toe. In de loop der generaties zal heel
geleidelijk het mensengeslacht ontstaan, dat de wetten Gods kent, ze in acht
neemt en dat zich ook dienovereenkomstig voedt.
Ik Ben als Jezus van Nazareth gekomen, om de wetten te onderwijzen en voor te
leven en zo ook, om de bloedoffers en het eten van dieren af te schaffen en de
gelagen op te heffen. Ik Ben gekomen, om een nieuw mensengeslacht te scheppen,
dat de wil van de eeuwige Vader vervult, die de ene God is, van eeuwigheid tot
eeuwigheid.
4. Van hetgeen jullie God als offer brengen in reinheid, zullen jullie eten,
maar wat jullie niet offeren in reinheid, zullen jullie niet eten, want het uur
zal komen, dat jullie bloedige offers en feesten zullen ophouden en dat jullie
God zullen aanbidden met heilige verering en reine offergave. (Hoofdst. 28, 4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie rein van harte is, leeft van hetgeen de aarde hem schenkt. Hij dankt en
vereert God in alles. Ook zijn spijzen biedt hij God uit een rein hart aan. Hij
neemt slechts die voeding in zich op, die God hem via moeder aarde aanreikt. De
reine herkent het reine en leeft daarin en daarmee.
De onreine kent slechts het onreine en schept daardoor meer vuilnis en leeft
daarin.
Mijn komst is geopenbaard. Bereidt Mij, de Christus God, in jullie de weg, want
het rijk Gods, waaruit Ik kom, is binnen in jullie!
Bereidt jullie voor op Mijn komst, en onderzoekt elke dag je leven, of het in
Gods wil is. Wanneer jullie herkennen, dat jullie gevoelens, gedachten, woorden
en handelingen niet naar de wil van God zijn, verandert dit dan onmiddellijk.
Bedenkt dit ook bij het eten en drinken.
Neemt de gaven uit God dankbaar aan en eet spijzen, die overeenkomen met de
goddelijke wet. Wijdt jullie reine hart aan God, opdat jullie gewijden des
levens zijn, die Gods wetten in acht nemen.
Het uur is naderbij gekomen, dat eenieder rekenschap moet afleggen voor dat, wat
hij de mensen, de natuur en de dieren heeft aangedaan. De Nieuwe Tijd daagt,
waarin de bloedige offers en de dierproeven zullen ophouden en ook het slachten
en eten van dieren, want deze zijn de overnaasten van de mensen. De aarde
reinigt zich van al het lagere. In de plaats van het tegenstrijdige treedt het
hogere leven, waarin Gods wil steeds meer wordt vervuld.
De mensen in de Nieuwe Tijd zullen God niet alleen aanbidden, maar Zijn wetten
in acht nemen.
5. Laat daarom de schepselen vrij, opdat zij zich mogen verblijden in God en de
mensen niet in schuld brengen.« En de jongeling liet hen vrij en Jezus
vernietigde hun kooien en hun ketenen.
6. Doch zie, zij waren bevreesd, dat zij opnieuw gevangen zouden worden, en
wilden niet weg van Hem. Maar Hij sprak tot hen en gebood hen te gaan, en zij
gehoorzaamden Zijn woorden en gingen heen vol vreugde.
7. Toen zij nog aan de middelste van de zeven bronnen zaten, stond Jezus op en
riep uit: »Laat hen, die dorsten, tot Mij komen en drinken; want Ik wil hen van
het water des levens geven.
8. Uit de harten van hen die in Mij geloven, zullen waterstromen vloeien, en wat
hen gegeven is, zullen zij met volmacht spreken, en hun leer zal zijn als het
levende water.
9. (Dit zei Hij vanuit de geest, die degenen, die in Hem geloofden, zouden
verkrijgen; want de volheid van de geest was nog niet uitgegoten, aangezien
Jezus nog niet verheerlijkt was.)
10. Wie drinkt van het water, dat Ik zal geven, zal nooit dorsten; want het
water, dat van God komt, zal in hem zijn als een bron, die opspringt in het
eeuwige leven.«
11. In die dagen zond Johannes twee discipelen, om Hem te vragen: »Ben Jij het,
die zal komen, of moeten wij op een ander wachten?« En in dit uur genas Hij veel
ziekten en plagen en dreef duivels uit en maakte veel blinden ziende.
12. Jezus antwoordde en sprak tot hen: »Gaat terug en bericht Johannes, wat
jullie hebben gezien en gehoord: dat de blinden zien, de lammen gaan, de
melaatsen rein worden, de doven horen, de doden opstaan, aan de armen het
evangelie wordt gepredikt. En gezegend is degene, die zich niet aan Mij ergert.«
13. En toen de boden van Johannes waren heengegaan, begon Jezus tot het volk te
spreken over Johannes. »Wat wilden jullie zien, toen jullie uitgingen in de
woestijn? Een riet, dat de wind heen en weer waait, of een mens in soepele
kleren? Zie, zij die rijk getooid zijn en aangenaam leven, zijn aan de hoven der
koningen.
14. Of wat dachten jullie te zien, toen jullie uitgingen? Een profeet? Ja, zeg
Ik jullie, en wel de grootste der profeten.
15. Want deze is het, van wie staat geschreven: zie, Ik zend Mijn bode voor Jou
uit, die Jou de weg zal bereiden. Maar Ik zeg jullie: onder allen, die door
vrouwen werden gebaard, is er geen grotere profeet dan Johannes de Doper.«
16. En al het volk, dat Hem hoorde en de tollenaars prezen God en lieten zich
dopen met de doop van Johannes. De Farizeeën en de rechtsgeleerden echter wezen
het plan Gods ten opzichte van hen af en lieten zich niet door Hem dopen.
(Hoofdst. 28, 5-16)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Te allen tijde waren de Farizeeën, de schriftgeleerden en de rechtskundigen de
vijanden van de rechtvaardige profeten. Hun vooropgezette meningen en hun
geldingsdrang, de drang, het beter te weten dan hun medemensen, zette hen steeds
aan, te strijden tegen Gods boden. Steeds weer waren en zijn het de Farizeeën,
schriftgeleerden en rechtskundigen, die vreesden en vrezen voor hun positie en
hun aanzien.
De duisterling kent de wens van God en voelt de kracht, die van de ware profeten
en verlichten uitgaat. In de ogen en het bewustzijn van diegenen, die zich van
het machtige potentiëel van de aarde het één en ander hebben toegeëigend, zijn
de grote profeten en de verlichten hun vijanden, die hen willen afnemen, wat hen
uiteindelijk niet toebehoort. Daarom streden en strijden zij ook in de huidige
tijd [1989] tegen de rechtvaardige profeten en de verlichten, verachtten en
vervolgen hen, maken hen belachelijk en gieten hoon en spot over hen uit.
De duisterling kent de boodschap en de afstamming van alle grote profeten en
verlichten en weet ook, wiens bloed in hun aderen vloeit. In alle grote profeten
en verlichten – van Abraham via Mozes, Daniël, Jesaja, tot aan de grote
leerprofetes Gods momenteel [1989] – werkt dezelfde kracht: Gods Oer-Zijn, het
licht uit het heiligdom Gods. Vele mannen en vrouwen, zoals ook Ik als Jezus van
Nazareth, kwamen en komen – als mens – uit het geslacht David. Dit
Christus-David-geslacht heeft zijn wortels in het heiligdom Gods en in Mij, de
Christus Gods, zijn geestelijke opdracht, namelijk: met Mij alles te bevrijden,
wat gebonden is.
Het waarmerk van een ware, grote profeet is, dat hij met de middelen en
methoden, die in die tijdsperiode ter beschikking staan, vervolgd, belasterd,
veracht, gehoond en bespot wordt.
Dit gebeurde in vroegere tijden, in het Oude Verbond, dit gebeurde met Mij, toen
Ik in Jezus van Nazareth over de aarde ging – en het gebeurt nu weer [1989] met
de profetes Gods. Het verleden wordt steeds opnieuw tegenwoordig, omdat steeds
weer die zielen incarneren, die reeds tijdens een vroeger bestaan als mensen de
profeten hebben vervolgd en gedood. Hun opdracht, dit te doen, komt van beneden!
Erkent: wanneer in de eindtijd de zondige wereld vergaat en het nieuwe mensdom
ontstaat, zullen vele zogenaamde profeten opstaan. Wie slechts spreekt en zich
uitgeeft als profeet, echter niet de diepte van het woord openbaart, is geen
profeet. Hij zal ook door de farizeeërs, schriftgeleerden en rechtskundigen niet
bestreden, noch in twijfel getrokken, noch worden vervolgd, aangezien hij hen
naar de mond spreekt.
Zulke zogenaamde profeten worden zelfs nog gesteund door de duisternis, omdat
zij met hun spirituele redevoeringen, die niet doordrongen zijn van het vuur van
de Heilige Geest, de mensen verleiden. Wie slechts spreekt omwille van zichzelf,
diens woorden zijn niet bezield door de geest der waarheid. Er springt ook geen
bezielende vonk van hen over op de toehoorders, en daarom vindt er in hen ook
geen beweging naar het geestelijke plaats.
Onderzoekt daarom:
voor alle ware profeten en verlichten en voor al diegenen, die Gods woord, Zijn
heilige wet, verwezenlijken, gelden Mijn woorden: »Hebben zij Mij vervolgd, zo
zullen zij ook jullie vervolgen.«
HOOFDSTUK 29
De spijziging van de vijfduizend –
Jezus wandelt over het water
In Jezus van Nazareth, de Christus, de deelkracht
van de oerkracht – Verklaring van de vermenigvuldiging van de vissen – Levend en
dood voedsel – Kastijding en fanatisme - Verandering van negatieve gewoonten op
het pad naar het hogere leven (4-7). Angst is twijfel aan Gods kracht en liefde
(12-13). Toeval bestaat niet – Verandering van de mens naar het Goddelijke
alleen door werk aan zichzelf (14). Niet iedereen
ontving hulp en genezing (17-18)
1. Het Paschafeest kwam naderbij en de apostelen en hun begeleiders verzamelden
zich rond Jezus en vertelden Hem alles, wat zij gedaan en geleerd hadden. En Hij
sprak tot hen: »Komt en laat ons naar een afgelegen plaats gaan en wat
uitrusten.« Want veel mensen kwamen en gingen en zij konden niet eens rustig
eten.
2. En zij voeren in het geheim met een schip naar een eenzame plaats. Maar het
volk zag hen wegvaren. Velen kenden Hem en liepen te voet uit alle steden naar
die plaats. Zij waren er al vóór hen en kwamen bij Hem bijeen.
3. En toen Jezus uitstapte, zag Hij veel volk; en Hij was bewogen door
medegevoel, want zij waren als schapen, die geen herder hebben.
4. Omdat nu de dag bijna voorbij was, kwamen Zijn discipelen bij Hem en zeiden:
»Dit is een afgelegen plaats en de tijd is bijna om. Stuur hen weg, opdat zij in
de omgeving de dorpen ingaan en brood kopen; want zij hebben niets te eten«.
5. Maar Jezus antwoordde en sprak tot hen: »Geeft hen te eten.« En zij zeiden
tot Hem: »Zullen wij erheen gaan en voor tweehonderd stuivers brood kopen en hen
te eten geven?«
6. Maar Hij sprak tot hen: »Hoeveel broden hebben jullie? Gaat en kijkt na.« En
toen zij het hadden gezien, zeiden zij: »Zes broden en zeven trossen
wijndruiven.« En Hij gebood hen, dat zij allen in groepen van vijftig op het
gras zouden gaan zitten. En zij gingen zitten in rijen van telkens honderd en
telkens vijftig.
7. En toen Hij de zes broden en de zeven druiventrossen had genomen, blikte Hij
ten hemel, zegende en brak de broden, eveneens zegende Hij de druiven en gaf ze
aan de discipelen, opdat zij ze aan de mensen zouden aanbieden en zij deelden
alles uit onder het volk. (Hoofdst. 29, 1-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik, Christus, handelde in Jezus uit de volmacht van de Vader, want Ik was in
Jezus de Christus, die Ik Ben van eeuwigheid tot eeuwigheid, de mederegent van
de hemelen.
In Jezus bracht Ik als deelkracht van de oerkracht de beslissende wending in het
valgebeuren: de deelkracht van de Oerkracht werd tot verlosserkracht en is de
steun alle zielen en mensen en werkt als evolutie-energie voor alle zielen en
mensen.
Mijn erfdeel, de deelkracht van de oerkracht, stroomde in Mij, Jezus, en werkte
door Mij. Ik verbond Mij aldus met Mijn machtige erfdeel en kon met deze kracht
ook de grote zogenaamde wonderen en genezingen verrichten.
Mijn opdracht omvatte tevens het helpen, het genezen van zieken en het opwekken
van doden. Dit deed Ik uit de volmacht van Mijn Vader in verbinding met Mijn
erfdeel, de deelkracht van de oerkracht, en toonde daarmee de mensen de macht
van de Christus Gods op aarde. Met de brood-, vruchten-, en visvermenigvuldiging
toonde Ik hen, dat geen mens moet hongeren en gebrek lijden, wanneer hij de
wetten Gods vervult.
In het zogenoemde wonder van de vermenigvuldiging werd zichtbaar, dat de mens in
overvloed zou kunnen leven, als hij Gods wil zou vervullen; want de universele
wet is onuitputtelijk voor geestwezens en voor de zielen en mensen, die de wil
van Mijn Vader vervullen, die ook hun Vader is.
Mijn discipelen brachten Mij broden en druiven ter vermenigvuldiging. Op die dag
werden Mij ook dode vissen ter vermenigvuldiging aangereikt. Toen Ik deze dode
substantie in Mijn handen nam, lichtte Ik de mensen in, zeggende, dat daaruit
het krachtpotentiëel van de Vader, de hoge levenskracht in grote mate was
geweken en Ik geen levende vissen zou scheppen, om hen daarna weer te laten
doden.
Ik verklaarde de mensen, dat het leven in alle levensvormen is en de mens deze
niet moedwillig mag doden. De mensen, met name de kinderen, keken Mij droevig
aan. Zij konden Mij niet begrijpen, want zij leefden grotendeels van vis en
brood en weinig meer. Toen sprak Ik inhoudelijk tot hen: de energie van de aarde
houdt de dode vissen nog bijeen. Zo zal Ik jullie uit de Geest van de Vader geen
levende vissen schenken, maar uit de energie van de aarde voor jullie vissen
scheppen, die dood zijn, dus arm aan vibratie. Zij zullen nooit leven dragen en
kunnen niet gedood worden. Ik wil jullie laten zien, hoe het levende – brood en
vruchten – smaakt, en in vergelijking daarmee dood voedsel.
En Ik schiep voor hen vissen uit de energie van de aarde, die weinig
geestsubstantie droegen. Ik gaf hen de dode vissen en gebood hen, tegelijkertijd
ook brood en vruchten te eten, zodat zij het verschil zouden leren kennen tussen
levend en dood voedsel, tussen hoogvibrerende en laagvibrerende kost.
Op deze en soortgelijke wijze beleerde Ik de mensen. Verder toonde Ik hen - en
toon daarmee ook jullie, die Mijn woorden lezen -, dat elk afbreken van oude
gewoonten fanatisme is. Wie oude gewoonten van de ene op de andere minuut laat
vallen, die breekt het wel af, maar er verandert niets in hem. In het afbreken
ligt de kiem van het opnieuw openbreken van de oude, verdrongen gewoontes, die
vervolgens misschien hardnekkiger zullen optreden en moeilijker af te leggen
zullen zijn dan vóór de tijd van de kastijding.
De oude gewoonten moeten dus niet worden afgebroken, maar het moet een
geleidelijk láten zijn, dat dan tot verandering leidt, doordat de mens zich
richt op hogere doeleinden en waarden. Dit is dan een geestelijk vertrek naar
nieuwe oevers.
In iedere kastijding ligt fanatisme. Een fanaticus veroordeelt in gevoelens en
gedachten zijn naasten, die nog vergelijkbare of dezelfde gewoontes hebben als
die hijzelf heeft verdrongen. Daardoor voedt hij dat wat verdrongen werd.
Erken: aan een gewoontemens moet vaak nog menige menselijke neiging worden
toegestaan, totdat hij zelf zijn fouten erkent en door zelfkennis en
zelfervaring – of door lijden – het oude laat, om geestelijk te rijpen. Dat is
dan het juiste begrip en wetmatige leiding.
Zo toonde Ik met de vermenigvuldiging van de vissen, dat de mens zich moet
veranderen, maar zich niet behoort te kastijden. Elke verandering geschiedt op
wetmatige wijze; het is de ommekeer van het lagere naar het hogere leven. Zoals
ook een steen niet van de ene dag op de andere in een bloem kan veranderen, -
maar slechts in het evolutiegebeuren -, zo kan ook de mens, wiens gewoontes in
zijn bloed en in zijn ziel liggen, zich niet van het ene op het andere uur
veranderen tot een absoluut geestelijk mens. Zoals de steen in de loop der
evolutie verandert, zo verandert ook de mens zich van het lage naar het hogere.
Deze verandering is dus de omvorming van het menselijke naar het geestelijke.
Daarin ligt het geleidelijke nalaten van het menselijke en het gelijktijdige
openbreken van het geestelijk-goddelijke.
8. En zij aten allen en werden verzadigd. En zij verzamelden twaalf manden vol
met brokken, die over waren gebleven. En die van de broden en de vruchten hadden
gegeten, waren vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen; en Hij leerde hen vele
dingen.
9. Toen het volk had gezien en gehoord, was het vol vreugde en zei: »Waarlijk,
dit is de profeet, die in de wereld zou komen.« En toen Hij merkte, dat zij Hem
met geweld tot koning wilden maken, drong Hij Zijn discipelen, dat zij op het
schip zouden gaan en vóór Hem overvaren naar de andere oever bij Bethsaida,
totdat Hij het volk zou hebben weggestuurd.
10. En toen Hij hen had weggestuurd, ging Hij op een berg, om te bidden. Toen de
avond was gekomen, was Hij daar geheel alleen, het schip echter was midden op
het meer en werd door de golven heen en weer geslingerd; want de wind stond
tegen.
11. Tegen de derde nachtwake kwam Jezus bij hen; Hij wandelde op het meer. En
toen de discipelen Hem op het meer zagen wandelen, schrokken zij en zeiden: het
is een geest en zij schreeuwden van angst. Maar meteen sprak Jezus tot hen en
zei: »Weest vol goede moed. Ik Ben het, weest niet bevreesd!«
12. En Petrus antwoordde Hem en zei: »Heer, als Jij het bent, laat mij dan tot
Jou komen over het water.« En Hij sprak: »Kom!« En toen Petrus uit het schip was
gestapt, liep hij over het water naar Jezus toe. Maar, omdat het stormde, schrok
hij en toen hij begon te zinken, riep hij: »Heer! Red mij!«
13. En meteen strekte Jezus Zijn hand uit, greep hem en sprak tot hem: »O, jij
kleingelovige, waarom heb je getwijfeld? Heb Ik je dan niet geroepen?« (Hoofdst.
29, 8-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Erkent: elke vorm van angst is twijfel aan Gods kracht en aan Zijn liefde.
God is het dragende en bewarende leven. Wie daaraan twijfelt, gaat onder. Daarom
is elke twijfel aan God een afvallen van God, een verzinken in de vloed van de
menselijkheid.
Veel mensen miskennen de wetten Gods; zij wantrouwen God door hun angst en
stellen zich daarmee open voor de influisteringen van het satanische. Elk
gevoel, elke gedachte, elk woord en ook elke handeling, die gericht is tegen de
goddelijke wet van de dragende en bewarende alharmonie, is een zich-losmaken van
de hand Gods en een verzinken in de wateren van de wereld.
Weest daarom waakzaam en oefent jullie, om Gods wil te herkennen en te
vervullen. Als jullie de wet Gods nog niet in alle details kennen, neemt dan de
Tien Geboden ter hand. Het zijn uittreksels uit de geweldige en alomvattende wet
Gods. Tracht, hun betekenis te doorgronden en dienovereenkomstig te leven en
jullie zullen geleidelijk de hele wet Gods ervaren. Want zij wordt heden [1989]
door Mij gegeven door de profetes van God, die tegelijk ook leerprofetes en
boodschapster voor de Nieuwe Tijd is.
Wie de wet van God in acht neemt, staat onder Zijn directe leiding.
14. En Hij ging naar degenen, die in het schip waren en de wind ging liggen. En
zij verwonderden zich en waren uitermate verbaasd. Want zij waren niet
verstandiger geworden door het wonder met de broden en de vruchten; hun hart was
namelijk verhard. (Hoofdst. 29, 14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Zoals het toen was, toen Ik in Jezus van Nazareth onder de Mijnen vertoefde, zo
is het ook nu nog. Dagelijks geschieden zogenaamde wonderen. De mens neemt ze
als vanzelfsprekend aan, als zogenaamde toevalligheden of als meevallers, die,
zo meent hij, af en toe optreden, waarvoor echter geen verklaring is.
Erken: toeval bestaat niet. Alles berust ofwel op de wet van zaad en oogst – óf
het is de leiding en beschikking door de wet der liefde. De kracht van de
Christus, die Ik Ben, die ooit in Jezus van Nazareth geïncarneerd was, werkt
door in tijd en ruimte. Veel mensen worden gezond door Mijn geest en velen
worden voor zware ongevallen bewaard. En menigeen wordt zodanig geleid, dat hij
zwaarwegende problemen en lichamelijk lijden uit de weg kan gaan. Wie in Mij
gelooft en het gebod van het vergeven en het vragen om vergeving in acht neemt
en dezelfde en soortgelijke zonden niet meer begaat, die stemt zich af op Mijn
helpende en genezende kracht - en ontvangt.
Dit zijn allemaal zogenaamde wonderen.
Mijn apostelen en discipelen waren alle dagen bij Mij en waren er getuige van,
hoe zieken genazen en doodgewaanden weer tot leven werden gewekt. Ondanks deze
belevenissen bleef het hart van velen koud. Zij waren wel verwonderd over deze
gebeurtenissen – doch daarbij bleef het. Zij konden het grote werken van de
kosmische krachten niet begrijpen, omdat de wereld hun gedachten en
geestvermogens nog gevangen hield.
Hoewel Ik hen de wetten Gods en hun toepassing leerde, bleven velen van hen
gevangen in de wet van zaad en oogst en verbaasden zich elke dag opnieuw over
zulk een kracht.
Niet allen begrepen, dat ook in hen de wet van God leefde en door hen net zo
werkzaam wilde zijn als door hun leraar en meester, door de zoon Gods in Jezus
van Nazareth. Steeds weer waren zij bezig met dezelfde vragen: waarom en hoezo
werd die wél en die ander níet geholpen?
Aangezien Ik leefde en werkte in de wet van Mijn Vader, kon Ik veel mensen hulp
en genezing brengen. Vele anderen echter kon Ik niet helpen, omdat zij in hun
zielen de voorwaarde hiervoor niet hadden meegebracht. Niet ieder van Mijn
apostelen en discipelen kon dit begrijpen. Sommigen begonnen steeds weer aan Mij
te twijfelen en wogen het vóór en tegen af.
In het gebed sprak Ik steeds weer tot God, Mijn Vader: hoe lang nog moet Ik
onder deze onbuigzame, halsstarrige mensen vertoeven?
Erken: wie in zijn leven de wet der liefde slechts verneemt en niet
verwezenlijkt, die kan elke dag, elk uur bij een verlicht wezen verkeren: hij
blijft toch de zondaar, die hij was en is. De verandering van de mens van het
zondige naar het Goddelijke geschiedt door de verwezenlijking, door het werken
aan zichzelf.
De verandering naar het Goddelijke toe vereist dus het werken aan zichzelf.
Handel, door met Mij, de Christus, je gevoelens, gedachten, woorden en
handelingen in positieve krachten om te zetten – en je zult verlichting
verkrijgen! Door de kracht van de Heilige Geest kun je dan veel. Want wie Mij
waarachtig navolgt, zal soortgelijke dingen doen, als Ik heb gedaan.
15. En toen zij op het schip waren gegaan, heerste er een grote stilte. Toen
kwamen zij naderbij, brachten Hem hulde en zeiden: »Waarachtig, Jij bent Gods
zoon.«
16. Toen zij waren overgevaren, kwamen zij in de streek van Genezareth en
landden op de oever. Toen zij uit het schip kwamen, herkende men Hem
onmiddellijk. En zij gingen in het hele omringende land en begonnen, de zieken
op bedden naar Hem te brengen, toen zij vernamen, dat Hij het was.
17. En waar Hij ook kwam in dorpen of steden of op het platteland, legden zij de
zieken op de straten en vroegen Hem, om slechts de zoom van Zijn kleed te mogen
aanraken en allen die Hem aanraakten, werden gezond.
18. Daarna kwam Jezus met Zijn discipelen naar Judea en daar bleef Hij en doopte
velen, die bij Hem kwamen en Zijn leer aannamen. (Hoofdst. 29, 15-18)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Veel mensen kwamen tot Mij in Jezus van Nazareth; doch niet iedereen ontving,
waar hij om had gevraagd. Velen kwamen en wilden slechts hulp voor hun lichaam –
om dan toch weer zo te leven als voorheen: in zonde. Velen raakten de zoom van
Mijn kleed aan, doch niet allen ontvingen hulp en genezing. Degenen, die de zoom
van Mijn kleed aanraakten en aan Gods liefde geloofden en in hun hart ook daarna
het goede bewaarden, ontvingen hulp en genezing. Wie de zoom van Mijn kleed
aanraakte en slechts aan zijn lichaam dacht en in zijn hart de zonde behield en
in latere levensjaren verder bleef zondigen, die ontving nóch hulp nóch
genezing.
Er staat geschreven: »…en daar bleef Hij en doopte velen.« Het woord „doop”
betekent zegening van het hart, van het innerlijke Zijn, door de Heilige Geest.
Ik keek in de harten der Mijnen en erkende, dat diegenen, die in de
verwezenlijking van de wetten Gods leefden, het licht en de kracht van God
dagelijks in zich vermeerderden. Mijn zegen maakte, dat in hen meer zaad van het
innerlijke leven ontkiemde en zij streefden naar voleinding, om in hun
toenmalige aardse bestaan en latere incarnaties dát aan de mensen door te geven,
wat zij in en aan zichzelf hadden verwezenlijkt.
HOOFDSTUK 30
Het brood des levens en de levende wijnstok
Christus geeft geestelijk brood voor het
innerlijke leven – De weg naar het vredesrijk: strijd en offer der
rechtvaardigen (5). Hij, die zich op God afstemt, ontvangt de kracht van het
leven. (6). In Christus zijn verlossing en genade - Ziekte, leed of noodlot zijn
zichtbaar geworden schuld - De Jongste Dag (7). Het menselijke oog ziet slechts
het aardse omhulsel, dat vergaat - Het binnenglippen en uittreden van het
geestlichaam - De kruisweg van de profetes van God tijdens de tijdsomwenteling
Ontwikkeling van het veruiterlijkte christendom (8-10)
1. De volgende dag zag het volk, dat aan de andere kant van het meer stond, dat
er geen ander schip was dan dat ene, waarop Zijn discipelen waren gestapt en dat
Jezus niet met Zijn discipelen in het schip was, maar dat Zijn discipelen alleen
weggevaren waren. En toen nu het volk zag, dat Jezus er niet was en evenmin Zijn
discipelen, namen zij eveneens een schip, voeren naar Kapharnaüm en zochten
Jezus.
2. Toen zij Hem aan de andere kant van het meer vonden, zeiden zij tot Hem:
»Rabbi, hoe ben Je hier gekomen?« Jezus antwoordde hen en sprak: »Waarlijk,
waarlijk, Ik zeg jullie, jullie zoeken Mij niet, omdat jullie wonderen hebben
gezien, maar omdat jullie hebben gegeten van de broden en de vruchten en
verzadigd werden. Streeft niet naar het vergankelijke voedsel, maar naar
voedsel, dat blijft tot het eeuwige leven, dat jullie de mensenzoon zal geven,
die ook het kind Gods is, want Hem heeft God, de Al-Vader aangesteld.«
3. Toen vroegen zij Hem: »Wat moeten wij doen, om Gods werken te doen?” Jezus
antwoordde en sprak tot hen: »Het is Gods werk, dat jullie geloven in Hem, die
Hij heeft gezonden en die jullie de waarheid en het leven geeft.«
4. Daarop zeiden zij tot Hem: »Wat voor een teken doe Jij dan, opdat wij kunnen
zien en Jou geloven? Wat voor werk doe Jij? Onze vaders hebben manna gegeten in
de woestijn, zoals geschreven staat: Hij gaf hen brood uit de hemel te eten.«
5. Toen sprak Jezus tot hen: »Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie, niet Mozes
heeft jullie het ware brood van de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft jullie
het ware brood van de hemel en de vrucht van de levende wijnstok. Want dit is
het voedsel van God, dat van de hemel komt en aan de wereld het leven geeft.«
(Hoofdst. 30, 1-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Waarlijk, God, Mijn Vader, de grote Al-Ene, heeft Mij, Zijn eerstgeschouwde en
eerstgeboren zoon, als mederegent van de hemel aangesteld en Mij de
alomtegenwoordige kracht in Zijn vier wezenheden gegeven. Zij zijn de
evolutie-fasen naar het kindschap Gods. Daarom is Mijn alomtegenwoordige kracht
tevens evolutie-energie. Een deel van deze evolutie-energie werd de
verlosserkracht voor alle gevallen en belaste zielen en mensen. De verlossing is
evolutie; zij is tevens steun, bevrijding en voor alle zielen en mensen leiding
naar de Vader-Moeder-God; want alle geestwezens, zielen en mensen zijn Zijn
kinderen.
Ik werd mens, om de mensen de weg naar het Vaderhuis te wijzen. Ik kwam in dit
aardse bestaan en gaf tekens van de innerlijke kracht, waarmee de mens alles
vermag, wanneer hij naar het innerlijke leven terugkeert. Ik vermenigvuldigde
broden, vruchten en vissen. Ik veranderde water in wijn; Ik hielp en genas veel
mensen. Menigeen wekte Ik op uit de zogenaamde dood, wanneer de geestelijke
informatieband, die ziel en lichaam met elkaar verbindt, nog niet los was van
het lichaam. Ik leerde de mensen, dat zij slechts dan in de wereld in overvloed
kunnen leven, als zij de wet Gods ook in hun dagelijkse leven vervullen; want de
wet Gods is overvloed.
Velen wilden Mij niet begrijpen, want zij waren slechts gericht op hun lichaam
en het welzijn daarvan. Daarom konden en wilden zij Mij ook niet begrijpen, toen
Ik sprak over het geestelijke brood voor het innerlijke leven. Zij begeerden
niet het brood, dat uit de hemel komt en dat alleen het voedsel voor de ziel is.
Zij wilden zo zondig blijven als zij waren en wilden het aardse brood voor hun
materiële lichaam en andere aangenaamheden voor hun aardse bestaan.
God, Mijn Vader, de Vader-Moeder-God voor al Zijn kinderen, stelde Mij in de
hemel aan als mederegent van de gehele schepping en zond Mij naar alle zielen en
mensen als Verlosser. Wie tot Mij komt en Mij, zijn Verlosser, aan- en opneemt,
wie terugkeert naar het innerlijke rijk, die is ook rijk in zijn innerlijk; hij
zal hongeren noch dorsten. Hij zal ontvangen, hetgeen zijn ziel heeft ontsloten
aan licht en kracht. Hij zal in zijn aardse bestaan te eten en te drinken hebben
en ontvangen, wat hij voor zijn lichaam nodig heeft: kleding, onderdak – en méér
dan dat. Wie dus eerst streeft naar het rijk Gods, zal ook als mens geen gebrek
lijden.
Ik sprak tot de mensen over het rijk Gods, dat inwendig in hen is. Met de kracht
van dit innerlijke rijk hielp Ik hen zowel innerlijk als uiterlijk. De meeste
mensen echter wilden een wonderdoener, die hen het aardse leven aangenaam zou
maken. Zij wilden een koning voor een aards rijk en niet de innerlijke koning,
de mederegent van de hemelen.
Mijn broeders en zusters, jullie, die in een andere tijd, de lichttijd, leven,
jullie kunnen hetgeen hier geschreven staat, nauwelijks begrijpen. Maar de
aarde, de grond, waarop jullie in het aardse kleed leven, werd met Mijn bloed
teruggekocht en met het bloed en het leven en het offer van vele rechtvaardige
profeten en rechtvaardige mannen en vrouwen. Elke smaad, die zij hebben geleden
en elke druppel bloed, die voor de gerechtigheid heeft gevloeid, was voor de
verlossing van allen.
De aarde, het steunpunt van de duisternis, werd door deze onbaatzuchtige daden
en goddelijke werken door het licht veroverd en het demonische werd gebonden.
Gedurende vele generaties vloeide het bloed, offerden mensen zich op voor de
gerechtigheid en hielpen zo het goddelijke plan, de verlossing, tot doorbraak.
Het waren de pioniers voor de Nieuwe Tijd in steeds nieuwe incarnaties. Steeds
opnieuw werden zij vervolgd, ook nog gedurende het neerschrijven van deze
woorden [1989].
Van generatie tot generatie versterkte zich het licht op aarde door die mensen,
die Gods wetten meer en meer vervulden. Uit de chaos van het menselijke ik
stroomde het licht en nam op aarde vorm en gestalte aan.
De pioniers voor de Nieuwe Tijd bonden het satanische met Mijn kracht en in Mijn
naam. De aarde werd heroverd door broeders en zusters uit het geslacht David, de
stam voor het vredesrijk van Jezus Christus en door vele rechtvaardige mannen en
vrouwen uit andere geslachten. De satan, het demonische, is gebonden. De mannen
en vrouwen, die in het aardse kleed onvoorstelbaar veel hebben geleden, staan nu
in het geestkleed aan Mijn rechterzijde en stralen als de sterren aan de hemel.
6. Toen zeiden zij tot Hem: »Heer, geef ons altijd zulk brood en zulke
vruchten.« En Jezus sprak tot hen: »Ik Ben het ware brood en de levende
wijnstok, en wie tot Mij komt, zal nooit meer hongeren en wie in Mij gelooft,
zal nooit meer dorsten. En waarlijk, Ik zeg jullie: tenzij jullie het vlees eten
en het bloed drinken van God, zullen jullie het eeuwige leven niet hebben. Doch
jullie hebben Mij gezien en jullie geloven niet.« (Hoofdst. 30, 6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»… jullie eten het vlees en drinken het bloed Gods« betekent: jullie eten het
voedsel van de hemel, jullie ontvangen dus goddelijke energie en jullie drinken
uit de bron van het leven, uit de Geest Gods.
Erken: God heeft de aarde met vruchten, kruiden en water voorzien voor het
welzijn van het menselijke lichaam. Wie de gaven Gods dankbaar aanneemt, door de
wetten Gods te vervullen, verzadigt niet slechts zijn lichaam, maar voedt ook
zijn ziel. In iedere aardse gave Gods is tegelijkertijd Gods kracht, het brood
der hemelen en het water des levens.
Het brood en de vruchten van de aarde voeden slechts dàn alle mensen, als de
mensen deze niet opeisen als hun persoonlijke eigendom, maar de gaven Gods als
Zijn geschenk voor alle mensen beschouwen. De voorwaarde hiervoor is, dat de
mens niet alleen aan de verzadiging van het lichaam denkt, maar de bron van de
ziel tot stromen brengt: de Geest Gods, die het levende brood en de levende
vrucht is. Wie komt tot de Geest Gods in Mij, de Christus Gods, de Verlosser van
alle zielen en mensen, zal ontvangen van het eeuwige brood en zal hongeren noch
dorsten.
Want ook het brood en de vrucht van de aarde groeien enkel door het leven in en
uit God. Niets komt uit zichzelf. Al het goede komt van God. Wie niet in God
gelooft, zal op den duur ook niet van God ontvangen, omdat hij zich niet afstemt
op het innerlijke leven, op de gevende God.
Veel mensen hebben Mij als Jezus van Nazareth gehoord en gezien en geloofden
toch niet aan de kracht van het leven, die Ik onderwees en die Ik
personifiëerde.
7. Allen, die Mijn Vader Mij heeft gegeven, zullen tot Mij komen en wie tot Mij
komt, zal Ik niet verstoten. Want Ik daalde neer uit de hemel, niet, om Míjn wil
te doen, maar de wil van God, die Mij heeft gezonden. Dit echter is de wil Gods,
die Mij heeft gezonden, dat Ik niemand verlies van allen, die Mij gegeven zijn,
maar dat Ik hen weer opwek op de Jongste Dag.« (Hoofdst. 30, 7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Mijn Vader, die ook jullie Vader is, zond Mij tot de mensen. Ik werd mens, om
onder de mensen te wonen en met de taal van de mensen te verkondigen, wat eeuwig
leven is.
De zoon Gods, die als mens de mensenzoon werd, kwam van de hemel, om de
verlossing te brengen. Omdat God, Mijn Vader alle kinderen even liefheeft, gaf
Hij Mij ook de macht en de kracht, om alle zielen terug te leiden aan Zijn hart.
Ik kwam van de hemel, om de mensen Gods wil te openbaren en onder de mensen Zijn
wil te vervullen.
Geen mens en geen ziel wordt door Mij verstoten, want Ik heb allen de verlossing
gebracht. Alleen die mens stort zichzelf in zijn noodlot, die Gods wil afwijst
en in eigenwil, in de zonde, verderleeft. Ondanks alles draagt hij de verlossing
in zich en zal ooit aan Mijn hand de weg terug vinden en Ik zal hem naar de
Vader leiden, want in Mij en door Mij werden de mensen verlost.
Wie zich aan Mij, de Christus, overgeeft, hoeft niet elke begane zonde te
dragen. Immers: wie van harte tot Mij, de Christus komt, die doet ook zijn best,
in elke situatie Gods wil te herkennen en te vervullen. En wie eerlijk tracht,
Gods wil te doen, die heeft van God reeds ontvangen.
Tot Mij komen betekent, niet alleen tot Mij te bidden, maar ook de wet van het
leven aan zichzelf en aan zijn naaste te verwezenlijken. Wie de wetten van God
in acht neemt, die is op Mij, de Christus Gods, gericht. Hij zal zijn menselijke
zaad niet hoeven te oogsten.
Wie zich tot Mij richt, ervaart in en om zichzelf de genade van de Allerhoogste.
Zij staat ieder mens bij, in elke levenssituatie. Zij bouwt de mens op,
versterkt hem en helpt hem, om de zonden te herkennen en in het reine te
brengen, voordat zij aan den lijve zichtbaar worden.
Ooit begane zonden worden dàn aan het lichaam zichtbaar, als de mens niet in wil
zien en de talrijke vermaningen en vingerwijzingen bewust naast zich neerlegt.
Wanneer eenmaal de zonde aan den lijve zichtbaar is geworden door ziekte, lijden
of noodlot, dan dient zij ook door de mens te worden gedragen.
Wanhoopt echter niet! Bidt tot God en begeeft jullie in Zijn heilige wil. Dan
kunnen Gods liefde en genade werkzaam worden, de ziekte opheffen of jullie
kracht geven, zodat jullie in staat zijn, om de weggevloeide zonde te dragen.
Elke zichtbaar geworden zonde is te vergelijken met een geboorte: de zonde toont
zich in het lichaam als wanproduct van hetgeen de ziel in zich droeg. De
vroedvrouw hiervoor is de onbuigzaamheid van de mens, die de zonde uit de ziel
’ontbindt’. De mens geeft de zonde ruimte, om zich in het lichaam uit te
breiden.
De ’Jongste Dag’ van de ziel is niet het stervensuur van de mens, ook niet een
tevoren bepaald tijdstip, maar het ontwaken van de ziel tot het Goddelijke en
het ingaan in hogere, lichtere levensgebieden, tot aan de Vader-Moeder-God, die
het absolute leven is.
Alle mensen, zielen en wezens, ook Ik, Christus, de Verlosser, zijn kinderen van
het eeuwige leven. Als Gods zoon en als Verlosser Ben Ik het alomtegenwoordige
leven in God, Mijn Vader. Door Zijn kracht leid Ik iedere ziel tot het
eenheidsbewustzijn mét en in God, in het eeuwige leven.
8. Toen morden de Joden erover, dat Hij zei: »Ik Ben het brood, dat van de hemel
is neergedaald.« En zij zeiden: »Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef en Maria,
wiens ouders wij kennen? Hoe kan Hij nu zeggen: Ik Ben van de hemel
neergedaald?« 9. Daarop antwoordde Jezus en sprak tot hen: »Mort niet onder
elkaar. Niemand kan tot Mij komen, tenzij de heilige liefde en wijsheid hem
aantrekken. En dezen zullen opstaan op de Jongste Dag. Bij de profeten staat
geschreven: zij zullen allen door God onderwezen worden. Ieder, die de waaheid
hoort en begrepen heeft, komt tot Mij. 10. Niet, dat iemand het Heiligste ooit
zou hebben gezien, behalve degenen, die van het Heiligste zijn: zij alleen zien
het Heiligste. Waarlijk, waarlijk Ik zeg jullie: wie in de waarheid gelooft,
heeft het eeuwige leven.« (Hoofdst. 30, 8-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De woorden »Ik Ben het brood, dat van de hemel is neergedaald« betekenen: alleen
het leven ín en mét God is het ware leven. Al het andere zijn menselijke
voorstellingen van het leven of projecties van wensen en verlangens.
Het brood, dat Ik als Jezus van Nazareth de mensen bracht, is de Geest Gods, het
voedsel van de ziel – het leven, dat Ik Ben in de Vader. Wie tot waarheid is
geworden, ìs de waarheid en leeft in de waarheid. Hij zal nooit gebrek lijden,
want de waarheid is God en God is overvloed. Ik Ben de waarheid en het brood van
de ziel. De eeuwige hemelen zijn de wet der waarheid. Ik kwam uit de waarheid en
Ik Ben de waarheid.
Jezus was de mens, die voortkwam uit de materiële substantie – het aardse
lichaam, dat de waarheid diende als instrument. Alleen dat zagen de mensen en
spraken het ook uit, met de woorden: »Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef en
Maria, wiens ouders wij kennen?«
De man verwekt het lichaam, en de vrouw draagt het onder haar hart en baart het
uiterlijke leven, de vorm, waarin het wezen uit God, de ziel, woont.
Het menselijke oog ziet alleen het lichaam en de menselijke mond spreekt over de
persoon. Het menselijke oog neemt het innerlijke niet waar, dat door het
omhulsel, het lichaam wordt omsloten. Wie echter zijn oog vestigt op de Geest
Gods, door de wetten Gods te vervullen, wordt het innerlijk van de mens gewaar
en vraagt niet naar aanzien en stand van de mens en naar zijn ouders. Hij
schouwt hetgeen de mens niet ziet en weet, dat het niet aankomt op aanzien en
stand in deze wereld, doch enkel op het innerlijk van de mens.
Erken: in een rijke, wiens zinnen slechts op bezit en aanzien zijn gericht en
wiens hart verkild is, leeft geen ontwaakte ziel. Zij slaapt nog en dommelt suf
voor zich heen en heeft daarom ook haar herkomst nog niet begrepen.
Maar ook voor de rijke, die alleen naar bezit en aanzien streeft, komt eens de
tijd van ommekeer en zijn ziel zal door elkaar geschud worden, opdat zij in de
geest van de waarheid ontwaakt en geleidelijk haar herkomst erkent. Tot God, in
het hart van het innerlijke leven, kunnen slechts diegenen inkeren, die hun hart
voor de liefde en wijsheid van God hebben geopend.
Allen zullen eens de beleringen uit de geest der liefde en wijsheid aan- en
opnemen en de weg naar de Vader bewandelen, die Ik, Christus, Ben. Ik Ben de
weg, de waarheid en het leven. Alleen degene die Mij, de Christus Gods, de
Verlosser, aan- en opneemt, vindt de directe weg naar het hart van de Eeuwige.
Wie gelooft in de waarheid en de wetten Gods vervult, bezit nu reeds bewust het
leven. Voor hem bestaat er geen dood, zoals de onontwaakte het einde noemt. Voor
de ontwaakte is de dood de poort naar het innerlijke leven, dat hij op zijn weg
naar binnen als mens reeds heeft ontsloten.
Weet: in het eeuwige Zijn is leven universele Godskracht. Het is het bewustzijn
van de Vader-Moeder-God, uit wie de geestvorm voortkwam. De reine geestvorm, de
geestelijke oervorm, is gewichtsloze oersubstantie, is gecomprimeerde eeuwige
wet. Het is het geestwezen in de hemelen. Pas wanneer het zich ter incarnatie in
de materie begeeft, omgeeft zijn geestlichaam zich met substanties uit de
reinigingsgebieden, wordt vervolgens ziel en treedt dan in het vergankelijke
lichaam.
Geen ziel zal samen met haar aardse lichaam opstaan, want dit heeft zij
afgelegd. En als de ziel weer in een lichaam terugkeert, zal voor haar een nieuw
lichaam verwekt en gebaard worden, waarin zij binnenglijdt en waar zij ook weer
uit zal gaan, omdat geen fysiek lichaam in de fijnstoffelijke werelden vermag
binnen te gaan. Er is alleen het binnenglippen in en het uittreden uit het
lichaam.
Ik kwam in het lichaam, om onder de mensen te leven en hen in de taal van de
mensen het evangelie van de liefde naderbij te brengen. Het maakt díe mens vrij,
die ernaar leeft en die streeft naar de liefde en de wijsheid Gods.
Wie vervult, wordt gevuld door Gods liefde en wijsheid. Hij is de ware wijze
geworden. Hij leeft bewust in God en God leeft door hem. Zo een mens heeft reeds
de geestelijke opstanding bereikt. In het uur waarop hij het aardse lichaam
verlaat, zal zijn geestelijke lichaam bewust ingaan in de heerlijkheid van de
eeuwige Vader. Zijn geestelijke lichaam zal de eeuwig Heilige schouwen, omdat
het kind Gods tot waarheid is geworden. De ontwaakte en met God verenigde ziel
zal dan geen aards lichaam meer opzoeken - tenzij zij nog een goddelijke
opdracht voor mensen en zielen heeft te vervullen.
Ik spreek nu tot mijn broeders en zusters in de Nieuwe Tijd, in de tijd van
Christus:
Mijn broeders en zusters in Mij, Christus: in het boek „Dit is Mijn woord” lezen
jullie steeds weer, dat het vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid zich
in het aardse kleed bevond. De mens diende Mij als instrument, om – net zoals Ik
als Jezus – in de taal der mensen dát aan– en uit te spreken, wat in die tijd
[1989] van betekenis was. Zij kwam in deze wereld met de opdracht, om samen met
Mij, Christus, en met haar geestelijke duaal, - die zich, zoals Ikzelf, in de
Geest Gods bevond en werkzaam was uit Gods almacht – de Nieuwe Tijd voor te
bereiden.
Het leven van de goddelijke wijsheid in het aardse lichaam kwam in vele
situaties overeen met Mijn leven als Jezus van Nazareth. Het hoge wezen in het
aardse lichaam, de maagd Gods, moest ongeveer hetzelfde verduren als Ik als
Jezus van Nazareth. Haar leven in dienst van God voor de mensen, was een
dagelijkse kruisweg. Zij droeg het kruis van de spot, de verachting, de laster
en de bewuste leugen van hen, die zich christelijk noemden. Onder hen bevonden
zich vele vertegenwoordigers van de toenmalige kerkelijke instituties.
Het was een veruiterlijkt christendom, een zogenaamde staatsreligie, die
verdeeld was in een grote katholieke en een grote protestantse kerk. Beide
godsdiensten steunden op de bijbel, die slechts delen bevatte van de eeuwige
waarheid. Dit boek was echter niet de maatstaf voor hun leven, hoewel zij het
betitelden als het woord Gods. Zij spraken over de bijbel en lazen aan hun
gelovigen daaruit het evangelie voor. Maar slechts zeer weinigen onder diegenen,
die zich herders noemden, pasten zelf datgene toe, wat zij van hun gelovigen
verwachtten.
Vóór Mijn tijd als Jezus van Nazareth en na Mijn aardse leven werd veel uit de
eeuwige waarheid geopenbaard. Veel mensen schreven de waarheid wel op, ook in de
zogenaamde evangeliën. Wat gebeurde er? Sommige geleerden, die van het instituut
kerk de opdracht hadden ontvangen, kozen uit het grote aantal bestaande
geestelijke geschriften een paar uit, die zij voor de waarheid hielden en
maakten daarvan een boek, dat zij „bijbel” noemden. Overeenkomstig hun inzicht
schrapten zij naar goeddunken vele waarheden weg en voegden onwaarheden toe.
Zo werd het een boek zoals vele andere boeken ook; het bevatte immers slechts
gedeelten van de waarheid. Wie daaruit de waarheid had willen vinden, die had
tevoren de weg van de Bergrede, de Innerlijke Weg, moeten bewandelen. Het gevolg
was dan echter geweest, dat er in de kerk geen hiërarchie met macht en
autoriteit over medemensen meer had bestaan. De vertegenwoordigers van de kerk
hadden moeten afzien van hun hoge aardse inkomens en de instituten van hun
vermogens – overeenkomstig het woord: »Jullie zullen geen schatten verzamelen,
die de motten en roest vreten, waar dieven naar graven en ze stelen. Verzamel
schatten in het rijk Gods.« Zij hadden broeders moeten zijn onder broeders en
zusters.
De vertegenwoordigers van beide godsdiensten noemden zich ook herders van hun
kudden. Velen gebruikten Mijn naam, Christus, ook om er winst uit te slaan en
hun medemensen te onderdrukken, te belasteren, te beledigen en te doden. Wel te
verstaan, zij gebruikten Mijn naam voor oneerlijke doeleinden, maar niet voor
Mij, de Christus.
Vele vertegenwoordigers van de kerk ontbrak het aan deemoed; zij muntten zelfs
uit door hoogmoed en misbruikten het geloof van hun onderdanen.
In de loop van vele eeuwen loste zich deze zogenaamde christelijke wereld
geleidelijk op. Zij verging van binnen uit, want Ik, Christus, kon niet langer
met de zogenaamde christelijke kerken zijn, aangezien zij niet met Mij wilden
zijn. Ondanks de tegenstand van de twee grote kerken overwon Ik, Christus, met
de goddelijke wijsheid en met vele broeders en zusters in het aardse kleed, als
eerste met degenen uit het geslacht David.
Mijn broeders en zusters in de Nieuwe Tijd: de strijd is nu ten einde – het
leven uit God is geboren. Jullie leven in de Nieuwe Tijd enkel met Mij, de
Christus en wij in God, onze Vader, zonder uiterlijke religie en zonder dogma.
Het leven is het leven uit God; de wet der liefde verbindt en verenigt ons. Deze
woorden, Mijn woorden van Christus, gaf Ik in de wending van het tijdperk van de
oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd, bij het begin van het vredesrijk van
Jezus Christus [1989].
Ik herhaal, zodat jullie het je goed kunnen inprenten: als instrument diende Mij
de serafijn van de goddelijke wijsheid, die voor deze en verdere taken mens was
geworden, om God-Vader en Mij, de Christus, als Gods maagd te dienen. Het leven
van deze vrouw op aarde was één lange ontbering. Ondanks veel tegenstand –
vooral van de kant van de toenmalige vertegenwoordigers van de kerken – en
ondanks menige nederlaag – door mensen, die Mij weliswaar hun ja-woord hadden
gegeven, echter weer de wereld opzochten – ging zij steeds weer de strijd aan,
vermande zich weer en streed tegen alle wederwaardigheden en tegenstand, die
tegen haar ondernomen werden. Dag en nacht loerden de duisterlingen, om haar te
kwellen en zo tot zwijgen te brengen. De vrouw, het hoge geestwezen in het
aardse lichaam, de maagd Gods, zweeg echter niet. Na elke strijd, ook al putte
deze haar lichaam uit, richtte zij zich weer op en streed verder voor de
gerechtigheid, het rijk Gods op aarde, het vredesrijk – waarin jullie nu leven.
Ik herhaal het één en ander, als het gaat om de mededraagster van de goddelijke
wijsheid op aarde. Jullie moeten haar in het hart dragen; want als jullie de
fysieke ogen sluiten, zullen jullie voor jullie geestelijke ogen een stralende
kristal zien: het is de serafijn van de goddelijke wijsheid in het stralende
gewaad van het innerlijke leven. Met jullie zal zij in de fijnstoffelijke
gebieden verder de Eeuwige dienen, om alle zielen thuis te brengen naar het
Vaderhart in en door Mij, Christus, jullie goddelijke broeder.
HOOFDSTUK 31
Het brood des levens - De bekentenis van Petrus - De kameeldrijver
Geestelijk dood - In het rijk der zielen zijn er
geen maskers - Woorden zijn slechts symbolen en wegwijzers - Kastijding is
verdringing - Ieder mens bezit de vrije wil: goed zaad brengt goede oogst - God
vermaant, Hij straft niet (1-3). Mozes’ tocht met het volk Israël door de
woestijn: een gelijkenis voor de trektocht der mensheid - De huidige mensen
onderscheiden zich van het volk Israël - De weg naar het vredesrijk (4). Wie God
meer liefheeft dan deze wereld, leeft in God - Wie uit de waarheid is, ontvangt
uit de waarheid (5-6). Tot de mensen in het vredesrijk - De evolutie van de
mensen en van de aarde naar de fijnstoffelijkheid - Verandering van de
tijdmeting - Aardvlekken, reservaten van de demonen - De terugvoering van de
valrijken - Het boek »Dit is Mijn woord« wordt steeds opnieuw verheven, tot aan
de fijnstoffelijkheid toe - Het vóór en tegen van veel mensen
dient de duisternis (7-9). Heb ook de dieren lief! (12-16)
1. En nogmaals sprak Jezus: »Ik Ben het ware brood en de levende wijnstok.
Jullie vaders hebben manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Dit is de
spijze Gods, die van de hemel komt, opdat niet sterve, wie ervan eet. Ik Ben de
levende spijze, die van de hemel neerdaalde. Wie van deze spijze zal eten, zal
eeuwig leven. En het brood, dat Ik zal geven, is Mijn waarheid en de wijn, die
Ik zal geven, is Mijn leven.«
2. Toen redetwistten de joden onder elkaar en zeiden: »Hoe kan deze zich aan ons
als spijze geven?« Jezus sprak tot hen: »Menen jullie, dat Ik spreek van het
eten van vlees, zoals jullie het uit onwetendheid in de tempel doen?
3. Waarlijk, Mijn lichaam is goddelijke substantie, en dit is de ware spijze, en
Mijn bloed is het leven Gods, en dit is de ware drank. Niet zoals jullie
voorvaderen, die naar vlees verlangden, en God in Zijn toorn gaf hen vlees, en
zij aten het in hun verdorvenheid, tot het in hun neuzen stonk. Door epidemieën
vielen duizenden en hun lijken lagen in de woestijn. (Hoofdst. 31, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het voedsel van de hemel is de wet Gods - de waarheid. De drank is het eeuwig
stromende leven - God. Wie Gods wet aanneemt en verwezenlijkt, zal niet
hongeren, noch gebrek lijden, noch de dood voelen en proeven.
Wie in de dood gelooft, is geestelijk dood, omdat zijn ziel door de zonde
verblind is. Wie echter het leven in zichzelf heeft ontplooid, zal de dood niet
voelen, noch proeven, omdat het directe leven in God voor hem zonder einde is.
Wie echter hardleers is en zijn aardse dagen verkwist en alleen zijn aardse
leven als de maatstaf van alle dingen ziet, zal ook als ziel zijn, hetgeen hij
als mens was: geestelijk dood, verblind door zijn eigen zonde en niet voor rede
vatbaar - totdat hij zijn werken aan zijn eigen zielenlichaam voelt en moet
beseffen, welke genade de ziel in het aardse kleed ten deel gevallen was.
Erken: in het rijk der zielen zijn er geen maskers. Alles, waarmee de mens zich
camoufleert, opdat zijn gedachten en zijn handelen niet herkend worden, valt op
het ogenblik van zijn fysieke dood van hem af. De ziel neemt de maskers van het
menselijke ik niet mee naar het zielenrijk. Daar is alles openbaar. Zij zelf is
voor alle andere zielen een open boek - en elke ziel is ook voor haar in het
gewaad van haar werken openbaar.
Wie van de geestelijke spijze, van de eeuwige waarheid eet, door Gods wil te
vervullen, wordt tot levende bron van het ware leven en zal zowel aan mensen,
alsook aan zielen het brood der waarheid aanreiken en de drank van het eeuwig
stromende leven: Christus. Het leven, dat Ik als Jezus tot de mensen bracht, is
goddelijke substantie, het ware voedsel, en de goddelijke stroom is de drank,
het leven in en uit God.
Wie echter de woorden, die Ik als Jezus van Nazareth heb gesproken, letterlijk
neemt, zal ook heden nog dwalen; want de woorden waren en zijn slechts symbolen
en wegwijzers naar de innerlijke waarheid.
Wie het woord letterlijk neemt, begrijpt zijn medemensen verkeerd en behandelt
hen laatdunkend - zo, als de Farizeeën en schriftgeleerden Mijn woorden als
Jezus verkeerd begrepen en Mij laatdunkend behandelden. De zin van de woorden
des levens kan slechts worden begrepen en juist worden geïnterpreteerd door
mensen, die hunkeren naar de waarheid en er ook naar streven. Wie echter tegen
zijn naaste is, door laatdunkend over hem te oordelen en hem zonder begrip te
bejegenen, die zal steeds weer op een dwaalspoor geraken. Wie zijn medemensen
afwijst, om welke reden dan ook - kent noch zijn naaste, noch zichzelf.
In dit bewustzijn leefden ook enkelen onder de joden, want zij spraken
inhoudelijk: »Hoe kan deze zich aan ons als voedsel geven?« Ik sprak echter niet
van het vlees als materiële substantie, maar van de goddelijke substantie, het
ware voedsel, en van de drank, het eeuwig stromende leven, de Geest, God.
Wie vlees en vis tot zijn hoofdgerecht maakt, diens ziel stompt geleidelijk af
ten opzichte van de fijne, kosmische vibraties; zijn fysieke lichaam wordt
grover in zijn structuur, en de mens wordt egoïstischer en gewelddadiger
tegenover zijn omgeving.
Erken: wanneer het lichaam van de mens aan het eten van vlees gewend is, moet
hij dit niet van de ene op de andere dag laten. Dat zou kastijding zijn, die
weer tot andere uitwassen leidt. Daarom deed Mozes concessies aan de mensen en
ook Ik als Jezus van Nazareth - zoals bijvoorbeeld bij de vermeerdering van de
vissen.
Het is beter, dat de mens zijn fouten en zwakheden herkent en deze geleidelijk
verliest door de verwezenlijking van de eeuwige wetten, dan dat hij zichzelf
kastijdt en daardoor mogelijk andere tegenstrijdigheden en ook onzedelijkheden
opbouwt.
Van degene, die Gods wetten verwezenlijkt, valt geleidelijk als vanzelf af, wat
menselijk, dus ongoddelijk is. Dit is een wetmatigheid: wanneer je de wetten
Gods verwezenlijkt, wordt je ziel lichter; je zintuigen worden fijner en je
wezen wordt onbaatzuchtig. Door kastijding wordt het menselijke slechts
verdrongen, maar niet getransformeerd.
»Waarlijk, Mijn lichaam is goddelijke substantie, en dit is de ware spijze« wil
zeggen: het geestelijke lichaam is gevormde goddelijke oerenergie. Door hem
stroomt het leven, de oerkracht - het is spijs en drank tegelijk.
De woorden »God in Zijn toorn gaf hen ...« dienen als volgt te worden verstaan:
God gaf aan alle geestwezens, en eveneens aan alle zielen en mensen, de vrije
wil. Daarom bezit ook ieder mens de vrije wil: hij kan de wetten van de vrijheid
en het leven aannemen en verwezenlijken - of deze veronachtzamen en ook
tegenstrijdig handelen. Daarvoor heeft hij dan dat te dragen, wat hij gezaaid
heeft.
Het goede zaad brengt een goede oogst, het slechte zaad een slechte oogst. Ieder
mens kan vrij kiezen, welk zaad hij zaait: een goed, een minder goed of een
slecht zaad. De daaruit voortkomende vruchten oogst iedereen zelf, niet zijn
naaste; iedereen oogst uitsluitend de vruchten van zijn eigen zaad. Veel mensen,
die de uitwerkingen van hun oorzaken hebben te dragen, weten niet, dat dit de
vruchten zijn van hun eigen zaad en zijn daarom van mening, dat de toorn Gods
hen zou hebben getroffen.
God is liefde en kent geen boosheid.
God neemt de mens zijn ondeugden af, maar alleen, als hij ze berouwt, ze aan Hem
overgeeft, ze weer goedmaakt en niet meer doet. God bestraft Zijn kinderen niet.
God vermaant Zijn kind op veelvuldige wijze, om om te keren, zichzelf te
verfijnen en te veredelen - in zijn gevoelens, gedachten, woorden en werken,
zowel als in het soort voedsel. God straft Zijn kind ook dan niet, als het niet
luistert naar velerlei vermaningen en vingerwijzingen. Wie echter niet wil
luisteren, moet volgens de wet van zaad en oogst dat dragen, wat hij zelf
veroorzaakt heeft. God gaf in de wet van zaad en oogst niet de kastijding in,
maar wèl de verandering van het lagere naar het hogere.
Zo berusten ziekten, epidemieën, op verkeerd voelen, denken, spreken en handelen
- en ook op verkeerde voeding en dierlijk eten. Wanneer een mens zich
uitsluitend voedt met de gaven van de natuur, die de aarde de mens schenkt,
echter in zijn voelen, denken, spreken en handelen indruist tegen de goddelijke
wet, dan neemt deze mens ook de positieve krachten uit het voedsel weg - dat wil
zeggen, hij transformeert ze omlaag tot negatieve kracht.
4. Want daarvan staat geschreven: zij zullen negenenveertig jaren door de
woestijn trekken, totdat zij van hun begeerten zijn gereinigd, voordat zij het
land van rust binnentrekken, ja, zeven maal zeven jaren zullen zij trekken, want
zij hebben Mijn wegen niet gekend, noch Mijn geboden in acht genomen. (Hoofdst.
31,4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Mozes ontving van God de opdracht, de onderdrukte Israëlieten uit Egypte naar
het Beloofde Land, naar het land van hun vaderen, te leiden.
Een groot deel van het volk, dat God aan Mozes had toevertrouwd, was
halsstarrig. Daarom deed Mozes een aantal concessies aan het volk, om zodoende
menigeen via zijn halsstarrigheid naar inzicht en innerlijke groei te leiden.
Nadrukkelijk beleerde hij hen, dat zulke concessies niet Gods wetten waren, doch
slechts een hulp, om door zelferkenning de weg van de geboden te vinden.
Sommigen kwamen tot de geboden en onderhielden ze; anderen bleven de geboden
trouw, zo ook Mozes en Aäron; maar velen van het volk Israël zondigden verder,
tegen beter weten in. Zij gingen door met het eten van vlees, het drinken van
sterke dranken en volgden hun begeerten en hartstochten. Velen bleven ook trouw
aan hun afgoden en handhaafden de gewoonten van de Egyptenaren. Lang bleef zo
het voorttrekkende volk een mensenmenigte zonder innerlijke eenheid.
Wat de mens zaait, zal hij oogsten. Dit was ook het geval met de Israëlieten:
met duizenden stierven zij in de woestijn op weg naar het zogenaamde Beloofde
Land. Hun zielen verlieten de aarde. Velen onder hen erkenden in het zielenrijk
hun wangedrag, deden boete en keerden dan vrijer en lichter terug in een nieuw
aards gewaad; want de Israëlieten verwekten en baarden kinderen op hun weg naar
het Beloofde Land. Op deze wijze vermenigvuldigde en regenereerde het volk zich.
In de wisseling van geboorte en dood namen steeds meer Israëlieten de ene God
aan en verfijnden hun zeden. Na zeven maal zeven jaren waren er nog slechts
enkelen uit de eerste generatie in het aardse lichaam en kwamen in het land, dat
voor hen bestemd was.
Tijdens deze negenenveertig jaren moest Mozes, de profeet, onvoorstelbaar veel
dulden. Hij leed omwille van het volk. Hij bad voor het volk; hij worstelde met
God om genade voor het volk en vroeg God steeds opnieuw, om het volk concessies
te mogen doen. Het volk zag Mozes, maar erkende en begreep toch uiteindelijk
niet, wie in Mozes met hen was. Mozes bracht de Tien Geboden en leerde het volk,
hoe deze toegepast dienden te worden. Maar velen begrepen hem niet. Velen baden
en zondigden tegelijkertijd. Velen spraken over Gods geboden en hielden er zich
niet aan. Velen klaagden Mozes aan vanwege zijn leiderschap, noemden hem een
valse profeet of een halsstarrige wijze, omdat hij hen niet alles toestond, wat
zij van hem verwachtten. Velen klaagden om dezelfde reden ook God aan, bleven
desondanks in de kudde en vergiftigden steeds weer het hart van andere
Israëlieten. Veel Israëlieten hielden vast aan hun gouden kalf. Op z’n laatst
als zielen moesten zij inzien, dat zij zich tegen God en tegen Mozes hadden
verzet. Zij hadden berouw - en incarneerden weer bij de kinderen van Israël en
waren er weer bij in de tocht, als zuigelingen, dan als jongelingen en als
ouderen. Toen de Israëlieten na vele jaren het schijnbaar Beloofde Land
binnentrokken, konden velen zich niet meer herinneren aan de uittocht uit
Egypte.
Ik, Christus, de heerser van het vredesrijk, spreek nu tot de mensen van de
Nieuwe Tijd, die Mijn woord zullen lezen en zullen nadenken over het volk Gods,
dat heden [1989] weer uit de slavernij wordt geleid naar de Nieuwe Tijd, naar de
tijd van Christus.
Ten tijde van Mozes waren de Israëlieten niet slechts de slaven van de
Egyptenaren, maar ook verslaafd in hun denken. De andere volkeren waren in hun
denken net zo verslaafd als de Israëlieten. De mensen dachten alleen aan
zichzelf, graaiden alleen voor zichzelf en twistten met hun naaste.
Mensen streden met wapens tegen mensen; zij waren elkanders vijand en niet
elkaars broeder. Volk streed tegen volk. Veel mensen bestreden elkaar ook met
tegenstrijdige gedachten. Met haat, vijandschap en strijd zetten zij zich af
tegen elkaar en schiepen rechtsordeningen, die zij tot hun wetten maakten. Zij
begrensden zich eveneens in het „mijn en dijn” en eisten zodoende eigendom op
voor ieder persoonlijk en voor hun volk. Daarom trokken zij landsgrenzen en
controleerden allen, die deze wilden overschrijden. Zo was de één tegen de
ander. Wie het recht, de wet van het land niet in acht nam, wie anders dacht, of
anders wilde leven, werd, al naar gelang zijn overtreding, bestraft - ofwel
betreffende zijn bezit, zijn vrijheid, of zelfs met de dood.
De uitspattingen van de mensen waren van velerlei aard. Steeds meer verwilderden
de mensen van de oude zondige wereld. Zoals ten tijde van Noë vrijden zij en
lieten zich vrijen. Zij schransten en dronken sterke dranken. Zij doodden dieren
en aten ze. Ze schonden het planten- en dierenrijk. Dit zette zich voort over de
hele aarde - ook na Mijn leven op aarde.
Tijdens de wending van de zondige naar de Nieuwe Tijd [1989] manipuleerden zij
planten, dieren en mensen en voerden genetische proeven op hen uit. Zij schiepen
kinderen uit de zogenaamde reageerbuis. Zij vernietigden de natuur door
kernproeven en bouwden kernreactoren, om energie te produceren. Zij
verontreinigden de rivieren, meren en oceanen door chemische stoffen en
veroorzaakten zo, dat het aardse leven in grote delen van de wateren stierf.
In alle volkeren vergaten veel mensen Gods bestaan. Hun God was de zelfzucht.
Zij rekenden in levensjaren, want zij beschouwden het aardse bestaan als de
enige vorm van leven. Daarom werkten zij slechts voor hun eigen voordeel en
gingen op rooftocht, om zo snel mogelijk zo veel mogelijk in hun bezit te nemen,
om zo te kunnen leven als het hen aangenaam leek; want dit beschouwden zij als
geluk. Zij hadden hun afgoden, hoewel zij tot één God baden. Hun afgoden waren
hun geld en goed, aanzien, macht en hooggeplaatste personen. Wat in de
ontwikkeling van de mensheid gedurende een lange periode daarna gebeurde,
vertoonde sterke gelijkenis met het leven van het volk Israël ten tijde van
Mozes.
Onder de leiding van Mozes bereikten de Israëlieten de eerste etappe van het
Beloofde Land. Vanaf de tijd van Mozes ging de tocht van de mensen naar het
Beloofde Land verder. Generaties na generaties trokken door de „woestijn
wereld”, dat wil zeggen door hun eigen menselijke moeras. Ondanks alles
ontwaakten steeds meer mensen tot spiritualiteit en ontgroeiden zodoende het
moeras van hun eigen ik.
Na Mozes en ook na Mijn leven op aarde zond God, de Almachtige, steeds weer
profeten, profetessen en verlichte mannen en vrouwen. Zij allen waren voor de
mensheid verkondigers en vermaners voor het rijk Gods. Zij leerden de weg naar
het innerlijk en legden de geboden van de Heer uit, in de taal van die tijd.
Velen van deze vermaners en verkondigers bereidden ook de weg naar de aarde voor
van de deelstraal van de goddelijke wijsheid - de bode van God, die tijdens de
machtige tijdswending [1989] werkzaam was en een opdracht had, vergelijkbaar met
die van Mozes en van Mij als Jezus van Nazareth.
Ik, Christus, en de cherubijn van de goddelijke wijsheid openbaarden door het
geïncarneerde vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid de eeuwige wetten
en verzamelden zo het volk Gods, om het naar het innerlijk te leiden, naar het
koninkrijk Gods, dat inwendig in ieder mens is.
Weer was het zoals ten tijde van Mozes. Zij, die zich lieten aanraken door God
en die - overeenkomstig hun bewustzijn - het woord Gods en de leiding door Mij,
Christus, vermochten te begrijpen, spanden zich in - om alleen naar het woord -
Gods wegen te bewandelen. Op het ogenblik echter, dat zij aan zichzelf hadden
moeten werken, om ook te vervullen, hetgeen Ik hen had geboden, - te berouwen,
te vergeven, vergeving te vragen en dezelfde fouten en zonden niet meer te
begaan -, werden velen halsstarrig; zij wilden immers hun fouten en zwakheden
niet inzien en dus ook niet in het reine brengen. Zij wilden het woord Gods
slechts aanhoren en over het gehoorde discussiëren, maar blijven zoals zij
waren. Zij hechtten aan bezit en eigendom en plaatsten geld en goed boven de
overvloed van God. Zo trokken zij - net als de kinderen van Israël - Gods woord
in twijfel en plaatsten de profetes Gods aan de schandpaal.
Een andere groep mensen wilde het lagere, het menselijke, behouden en
dienovereenkomstig leven, maar tegelijkertijd ook naar het hoogste streven. De
mens kan echter niet twee heren dienen, de mammon en God. Daardoor onstonden
grote moeilijkheden en discrepanties.
Weer anderen camoufleerden hun tegenstrijdige gedachten met huichelachtige
woorden, door spiritualiteit voor te wenden. Nog andere mensen spraken over het
navolgen van Christus en handelden tegenovergesteld, door de ware navolgers te
vervolgen.
Maar geleidelijk kristalliseerde zich uit dit bonte mengsel van menselijk ik,
huichelaars, verdraaiers van woorden, lasteraars, twijfelaars en kwezels, het
volk Gods:
zonen en dochters van God traden bewust in de navolging van Christus. Zij
stamden overwegend uit het geslacht David, dat vervolgens de stam David voor het
vredesrijk werd. Hun opdracht, om in het verlossingswerk met Mij, Christus, te
werken, werd in hen steeds concreter en activeerde hen.
Samen met hun zuster, de profetes en verkondigster van God, verzamelden zij nog
meer zonen en dochters van God uit de stam David en uit andere geslachten.
In overeenstemming met Mijn voorschriften stichtten zij - zoals reeds werd
geopenbaard - de Innerlijke Geest=Christus-kerken: verzamelbekkens voor alle
zoekende mensen. Zij onderwezen de weg naar het hart van God, zoals deze in Mijn
opdracht door de cherubijn van de goddelijke wijsheid - door de mensen broeder
Emanuel genoemd - werd geopenbaard. Om Gods wetten in alle levensgebieden te
kunnen vervullen, richtten zij ambachtsbedrijven op en verwierven
landbouwbedrijven. Zij stichtten kleuterscholen, vader-moeder-huizen, scholen,
klinieken en tehuizen voor ouderen. Zij begonnen dus met het opbouwen van al
hetgeen mensen voor de Nieuwe Tijd en in de Nieuwe Tijd nodig hadden. Alle
activiteiten, die voor het rijk Gods in het leven waren geroepen en waren
ontstaan, plaatsten zij in de wet van God, die luidt: bid en werk en houd vrede
met je naaste.
Door hen stichtte Ik de oergemeente Nieuw Jeruzalem, die later bondgemeente werd
en het centrale licht voor alle andere oergemeenten in Universeel Leven en in
het ontstaande vredesrijk van Jezus Christus.
Midden in deze tijd van wending en van een nieuw begin stond de profetes en
verkondigster van God. Door sommige mensen werd zij bemind en geacht, door
anderen veracht, in twijfel getrokken, belasterd en belachelijk gemaakt. Evenals
in Mijn tijd als Jezus van Nazareth ruiden de farizeeërs en schriftgeleerden ook
nu weer het volk op tegen Mij, de Universele Geest, om Mij tot zwijgen te
brengen. Tevergeefs! Zij gingen ten onder - en de Nieuwe Tijd ontstond, het
vredesrijk van Jezus Christus.
Dit te onderstrepen is belangrijk: Mijn instrument, de geïncarneerde deelstraal
van de goddelijke wijsheid, en vele zonen en dochters van God uit de stam David
en uit andere geslachten, die zich rond het centrale licht, Mij, Christus in
God, Mijn Vader, in de bondgemeente Nieuw Jeruzalem hadden verzameld,
weerstonden de verlokkingen en aanvallen van het satanische. Samen met vele
rechtvaardige mannen en vrouwen begonnen zij, temidden van het langzame verval
van de zondige wereld, het volk Gods te stichten, dat gedurende generaties tot
een machtig, gereinigd volk in Christus uitgroeide.
Het geschiedde zoals ten tijde van Mozes: de zielen legden hun aardse lichamen
af en incarneerden dan weer in nieuwe lichamen. Generaties gingen en nieuwe,
lichtere generaties kwamen op de aarde. Uit hen ontstond geleidelijk het
gereinigde Godsvolk en het vredesrijk van Jezus Christus. Het Godsvolk in
wording verwekte en baarde kinderen, in wie de zielen terugkwamen, die reeds in
de eerste en volgende generaties enkele stappen op de weg naar binnen hadden
gezet.
Zo ontstond in het komen en gaan der generaties het vredesrijk van Jezus
Christus, het rijk Gods op de gereinigde, lichte aarde, waarop jullie leven. Het
demonische is gebonden. In en uit de harten der zaligen straalt de
onbaatzuchtige liefde. Vrede en vreugde zijn onder hen.
5. Wie echter dit vlees eet en dit bloed drinkt, die woont in Mij en Ik in hem.
Zoals de levende Vader uit wie Ik leef, Mij heeft gezonden, evenzo zullen zij
leven uit Mij, die Mij eten, Mij, die de waarheid en het leven is.
6. Dit is het levende brood, dat van de hemel is neergedaald, en de wereld leven
geeft. Niet zoals jullie voorvaderen, die manna hebben gegeten en zijn
gestorven. Wie dit brood en deze vrucht eet, zal eeuwig leven.« Dit sprak Hij in
de synagoge, waar Hij onderwees te Kapharnaüm. Velen van Zijn discipelen echter
zeiden, toen zij dit hoorden: »Dit is een harde taal; wie kan haar aannemen?«
(Hoofdst. 31, 5-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Wie echter dit vlees eet en dit bloed drinkt, die woont in Mij en Ik in hem«
betekent inhoudelijk:
wie leeft in de Geest van God, wie dus Gods wil vervult, ontvangt de geestelijke
gaven. En wie God méér liefheeft dan deze wereld, die leeft in God en in Mij, de
Christus Gods. Want de Vader zond Mij, Zijn zoon, naar de mensen, om de mensen
voor te leven, wat hen in hun hart rijk maakt, en om hen te brengen, wat hen
weer tot kinderen Gods verheft: de verlossing en de leiding naar het hart van
God.
»... evenzo zullen zij, die Mij eten, leven uit Mij, die de waarheid en het
leven is« betekent:
wie in Christus leeft, door diegene leeft Christus, en wie in Mij leeft, legt
getuigenis af van de waarheid. Want wie uit de waarheid is, ontvangt uit de
waarheid en zal hongeren noch dorsten, omdat hij in Mij, de waarheid en het
leven, is. De eeuwige waarheid is de eeuwige liefde Gods, de oerwet.
Wie in de egoïstische liefde gevangen is, kan de absolute, consequente eeuwige
wet niet begrijpen. Zijn bedriegelijke ik, de egoïstische liefde, spreekt dan
van de hardheid van de eeuwige wet, omdat zijn menselijke ik haar niet erkent.
Wie leeft in Gods wet, spreekt de waarheid, omdat hij waarheid geworden is. De
waarheid kan alleen diegene begrijpen en blijmoedig aannemen, die jegens
zichzelf en jegens zijn naaste oprecht en rechtvaardig is. Wie echter gevangen
is in zijn voorstellingen en meningen, spreekt van de hardheid van de wet en van
de straf, omdat hij het voor zich persoonlijk anders wil zien en hebben.
7. Toen Jezus echter merkte, dat Zijn discipelen hierover morden, sprak Hij tot
hen: »Ergert jullie dat? Hoe is het, wanneer jullie des mensen zoon daarheen
zullen zien opstijgen, waar Hij tevoren is geweest? De geest is het, die levend
maakt, vlees en bloed winnen niets. De woorden, die Ik tot jullie spreek, zijn
geest en leven.
8. Maar er zijn ettelijken onder jullie, die geloven niet.« Want Jezus wist
vanaf het begin, wie niet gelovig waren en wie Hem zou verraden. Daarom sprak
Hij tot hen: »Niemand kan tot Mij komen, tenzij het hem door Mijn Vader is
gegeven.«
9. Van toen af aan gingen velen van Zijn discipelen weg en trokken niet langer
met Hem mee. Toen sprak Jezus tot de twaalf: »Willen ook jullie Mij verlaten?«
(Hoofdst. 31, 7-9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Erkent, Mijn geliefde broeders en zusters, die leeft in het vredesrijk van
jullie broeder Christus:
wat Ik als Jezus van Nazareth beleefd en doorleden heb, geschiedde verder in
alle generaties - zo lang, totdat mensen en aarde lichtstoffelijker werden.
In dit boek „Dit is Mijn woord” lezen jullie, wat zich in de oude satanische
tijd steeds opnieuw heeft afgespeeld.
Erkent: het vredesrijk van Jezus Christus werd gesticht en gedurende vele
generaties opgebouwd. Steeds weer beleefden mensen zowel de ondergang van
hetgeen in de Geest Gods was geschapen, alsook weer de opbloei. Na elke
ondergang echter herrees het vredesrijk van Jezus Christus stralender en
volmaakter, meer en meer wereldomspannend in zijn lichtaard. Want, zoals alles
een evolutie is naar de Eeuwige, zo beleefde ook het vredesrijk van Jezus
Christus zijn evolutie - vanaf het begin tot aan de lichtstoffelijkheid van
grote delen van de aarde. Lichtstof is fijnere materie. In de eerste generaties
van de opbouw na de oprichting, nog tijdens de diepste verdichting van de
materie, verleidde de satan der zinnen steeds weer mensen, om de gedeeltelijke
fundamenten van het vredesrijk van Jezus Christus aan te vallen.
Hetgeen geschreven is, werd vervuld: in de loop van ontelbare generaties vonden
op aarde expansies en poolsprongen plaats. Daarbij verfijnden zich vele
substanties van de aarde; zij kreeg een steeds hogere trillingsgraad. Heel
geleidelijk werd dus een groot deel van de grofstoffelijke vormen weggenomen -
en fijnere, subtielere vormen kwamen in hun plaats. Op deze wijze veranderden
ook heel geleidelijk de natuurrijken en de mensen.
Zo werd gedurende ontelbare generaties op de aarde alles verfijnd - totdat
geleidelijk de lichtstof, de fijnere materie, ontstond. Alles, wat eerst op de
grofstoffelijke materie voor het vredesrijk van Jezus Christus was geschapen, en
de manier waarop de mensen en de aarde zich hadden verfijnd, werd opgenomen in
de universele, atmosferische laag en in de nieuwe hemel, die door de verandering
van de planeten en hun banen ontstond, en tevens in de aardziel, die een nieuwe
aarde - een aarde van lichtstof, van fijnere materie - voortbracht. Het is deze
aarde in het gewaad der lichtstoffelijkheid, waarop jullie thans leven.
Tijdens deze loop der tijden verfijnden zich eveneens vele materiële gesternten.
Tengevolge van de intensieve transformatie van het geheel - van de volledige
materie naar de lichtstoffelijkheid van de fijnere materie - wordt de
lichtstoffelijke aarde ook beschenen door een andere zon en door andere sterren.
Jullie in het lichtstoffelijke vredesrijk kunnen je deze toestanden nauwelijks
meer indenken, want jullie aardse gewaad, het aardse lichaam dus, bestaat niet
meer uit grofstoffelijke, sterk verdichte materie, zoals dat het geval was met
de mensen in het begin van het vredesrijk van Jezus Christus, maar uit
lichtstof.
Ik herhaal: lichtstof is een materiëel fijnere, stralende substantie. Menigeen,
die Mijn woorden heden [1989] - ten tijde van de volledige materie aan het begin
van het vredesrijk van Jezus Christus - leest, meent wellicht, dat eindeloze
tijden moeten verstrijken, totdat het vredesrijk van Jezus Christus in volle
bloei staat:
jullie hebben gehoord, dat de gesternten veranderen en ook de volledige materie,
de aarde; want er staat geschreven: »Er ontstaat een nieuwe hemel en een nieuwe
aarde.« Zo zal ook de berekening van de tijd, zoals de mensen die kennen in de
volledige materie, ongeldig worden. Er zal een andere zon zijn en
getransformeerde gesternten zullen de nieuwe aarde omsluiten. Dit betekent, dat
ook de zogenaamde tijdrekening anders zal zijn. Er zal gerekend worden met
manen, zodat de lichttijdsperiode van de zogenaamde aardse jaren volkomen anders
zal zijn. Het jaar heeft dan niet langer twaalf maanden, zoals dat het geval was
voor de mensen in de grofstoffelijke tijd, maar het omvat aanzienlijk kortere
lichttijden; want aan het einde van het vredesrijk zullen de dagen langer en de
nachten van de lichtstoffelijke, transparante aarde veel korter zijn.
Ik zeg jullie: ook op de lichtstoffelijke aarde zullen er nog gebieden zijn met
grovere materie, zogenaamde aardvlekken. Op enkele daarvan zullen nog geruime
tijd mensen met sterkere verdichting leven, die niet dezelfde graad van reinheid
hebben als de mensen onder de directe zon van het vredesrijk van Jezus Christus.
Want, zoals reeds werd geopenbaard, is Mijn Vader die ook jullie Vader is,
genade, liefde en barmhartigheid en laat nog éénmaal de aanval van het
satanische, om de aarde te veroveren, toe. Aan het einde van het vredesrijk
breiden deze aardvlekken zich op de aarde uit; maar zij zullen niet meer de
gehele aarde omvatten. Op deze vlekken mag de demonische wereld zich nog éénmaal
met de goddelijke wereld meten.
Dan komt het einde van de aarde. Zij breekt open als een notendop - en het
innerlijke licht, de fijnstoffelijke substantie, de geestelijke deelplaneet uit
het eeuwige Jeruzalem, stijgt hemelwaarts, en daarmee al diegenen, die
doordrongen zijn van het licht der waarheid.
Erken: Mijn woord, dat door vele rechtvaardige profeten stroomde, stemde niet
alleen veel zielen en mensen op het innerlijke licht af, maar ook delen van de
materiële substantie - tengevolge van de verwezenlijking van de eeuwige wetten
door veel mensen.
Vanaf het valgebeuren duurde het ontelbare lichttijdsspannen en oneindige
tijden, totdat de volledige materie zich uitgekristalliseerd had. Want zij
ontstond overeenkomstig de verharding van de harten der geestwezens en de
belastingen van de zielen en de mensen.
Erken: de oplossing van de materie en het weer terugleiden van de valrijken naar
het eeuwige rijk Gods, duurt echter niet meer zo lang als eens de tijd van het
valgebeuren tot het ontstaan van de volledige materie. Want vanaf het begin van
de val begon ook reeds de terugleiding van valwezens en van valwerelden. Als
jullie dus denken aan de volledige tijdsduur van de terugleiding, dan moeten
jullie daarbij alle licht- en tijdsspannen meetellen, omdat vanaf het begin van
de val reeds de terugleiding begon; dit betekent, dat het reeds ontelbare
tijdsspannen licht- en hemelwaarts gaat. Dit betekent weer, dat er tot aan het
lichtstoffelijke vredesrijk van Jezus Christus en verder tot aan de oplossing
van de materie, niet meer zo veel licht-en tijdsspannen zijn.
Mijn verklaringen en uiteenzettingen in het boek „Dit is Mijn woord” werden
gedurende generaties steeds weer overgeschreven en verheven in de taal van die
betreffende generatie. Dit gebeurde tot aan de lichtstoffelijkheid. Mijn woord
is waarheid - en het blijft, omdat het eeuwig is. Maar de taal van de mensen
veranderde en tevens het materiaal, waarvan de boeken werden gemaakt.
In de materiële tijd [1989] was dit boekmateriaal van grofstoffelijke substantie
- de mensen noemden het papier. In de lichttijd tot aan de lichtstoffelijkheid
kwam het materiaal van het boek telkens overeen met de dan heersende
lichtstofsubstantie. In het vredesrijk van Jezus Christus, in de
lichtstoffelijkheid, zijn er andere lichtbronnen en andere materialen dan in de
volledige materie en tijdens de beginnende verfijning der materie. Mijn woord
echter is en bleef de waarheid.
Mijn broeders en zusters in het vredesrijk van Jezus Christus, jullie lezen over
Mijn denken en leven als Jezus van Nazareth. Steeds weer stellen jullie vast,
dat ieder mens in elke generatie de vrije wil bezit. Geen mens en geen ziel werd
en wordt tot de aanvaarding van de eeuwige waarheid, van het levende Zijn,
gedwongen. Wie de innerlijke waarheid wilde vinden, moest in zijn innerlijk gaan
en haar in zichzelf ervaren en zelf beleven. Zo legde ook Ik als Jezus van
Nazareth slechts getuigenis af van de eeuwige waarheid.
Die mensen, die in alle generaties duidelijk hebben gekozen voor Mij, de
waarheid, zijn ook bij Mij, de waarheid en het leven, gebleven. Degenen, die
warm noch koud waren, gingen weg van Mij, omdat zij Mijn woorden niet konden
begrijpen. Zij wilden de geboden niet verwezenlijken, want zij meenden, dat hen
zou moeten worden geschonken, hetgeen hun naasten dagelijks omzetten in de daad:
de onbaatzuchtige liefde, de wet Gods, de eeuwige waarheid.
In alle generaties verlieten zo steeds weer mensen, die niet konden beslissen
voor de eeuwige waarheid, Mijn kudde. Opiniemakers en betweters meenden, dat de
waarheid kon worden gekocht of door het horen alleen kon worden verworven.
Het brood der hemelen moest echter gegeten en op de juiste wijze verteerd
worden; dat wil zeggen, dat de wet des levens deemoedig moest worden aangenomen
en verwezenlijkt. Alleen op deze wijze vonden ziel en mens het innerlijke leven.
De verwezenlijking van de eeuwige wetten bracht dus slechts diegenen geestelijk
gewin, die kozen voor het leven in Mij, de Christus Gods en niet bleven
volharden in het vóór en tegen, dus nu eens „koud”en dan weer „warm” waren.
Generaties lang werd de wet van de vrije wil geleerd: de mens komt slechts dàn
tot God, wanneer hij ook kiest voor God, de waarheid, door zonder ophouden
ernaar te streven, Zijn wil te doen.
Het voor en tegen van veel mensen, die soms „warm”, dan weer „koud” waren,
maakte het de duisternis steeds weer mogelijk, een bres te slaan in de rijen van
de rechtvaardigen. Steeds weer verleidde het satanische de zinnen van veel
mensen. Zij begonnen dan aan de waarheid te twijfelen en verlieten de getrouwen.
Dit vóór en tegen trok zo lang door de generaties, tot de tijd gekomen was,
waarin nog slechts lichte zielen in het vredesrijk konden incarneren. Zij gingen
in het aardse lichaam met het doel, de nieuwe wereld verder op te bouwen en te
bevolken. Het vredesrijk van Jezus Christus ontstond dus in een evolutieproces.
Aangezien de zielen steeds lichtvoller en vredevoller in het aardse lichaam
kwamen, werd elke generatie lichter en het vredesrijk groter en volmaakter.
Erken: woorden veranderen van betekenis - maar de waarheid blijft. Het woord,
dat Ik als Jezus van Nazareth sprak en als Christus Gods via Mijn instrument
openbaarde, is de eeuwige waarheid. Slechts hij verstaat de waarheid, die de weg
naar de waarheid heeft bewandeld - naar het rijk Gods, dat in het binnenste van
ieder mens is.
Alleen de Geest Gods is het, die het woord levend maakt, niet de mens, het vlees
en bloed.
Te allen tijde, in alle generaties, geschiedden dezelfde en vergelijkbare
dingen, als toen Ik als Jezus in het aardse lichaam leefde. Sommigen geloofden
in het woord der waarheid, anderen weer maakten de waarheid en haar verkondigers
belachelijk. Te allen tijde vonden de mensen de waarheid en te allen tijde
wendden mensen zich van haar af. Zo verging het ook Mij als Jezus van Nazareth.
Veel mensen kwamen tot Mij, werden Mijn discipelen - en vele discipelen
verlieten Mij weer.
Wie de waarheid slechts aanhoorde en haar niet deel maakte van zijn dagelijkse
leven, die wandelde voort in de duisternis en de duisternis haalde hem dan ook
weer tot zich terug.
10. Toen antwoordde Hem Simon Petrus: »Heer, tot wie zullen wij gaan? Jij hebt
de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en zijn zeker, dat Jij
Christus, de zoon van de levende God bent.«
11. Jezus antwoordde hen: »Heb Ik niet jullie twaalf verkozen? En daaronder één,
die een verrader is?« Hij sprak van Judas Ischariot, de zoon van Simon de
Leviet; want hij was het, die Hem later verried.
12. Jezus trok naar Jeruzalem en kwam een kameel tegen met een zware last hout.
De kameel kon haar niet de berg opslepen en de drijver sloeg hem en mishandelde
hem op een wrede manier, maar kon het dier niet van zijn plaats krijgen.
13. En toen Jezus dit zag, sprak Hij tot hem: »Waarom sla je je broeder?« En de
man antwoordde: »Ik wist niet, dat het mijn broeder was. Is het niet een
lastdier en gemaakt, om mij te dienen?«
14. En Jezus sprak: »Heeft niet dezelfde God van dezelfde stof dit dier
geschapen en jouw kinderen, die je dienen, en hebben jullie niet beiden dezelfde
adem van God ontvangen?«
15. En de man was zeer verbaasd over deze woorden. Hij hield op, de kameel te
slaan en bevrijdde hem van een deel van zijn last. Zo ging de kameel de berg op
en Jezus ging hem voor, en hij bleef niet meer staan tot aan het einde van de
dagreis.
16. De kameel herkende Jezus; want hij had de liefde Gods in Hem gevoeld. En de
man wilde meer weten van de leer, en Jezus leerde hem graag, en hij werd Zijn
aanhanger. (Hoofdst. 31, 10-16)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Alles is energie. Aan de uitstraling van de mensen herkende Ik, de Christus Gods
in Jezus, wie zich als mens inspande, om een God welgevallig leven te leiden, en
wie tegen beter weten in de wet des levens overtrad.
Als Jezus van Nazareth sprak Ik tot veel mensen over de wet des levens, zo ook
over de dieren, die evenals de mensen pijn, leed en vreugde voelen. Zo