Dit is
Mijn woord
A en Ω
 

Het evangelie van Jezus
De Christusopenbaring,
die inmiddels de ware christenen over de hele wereld kennen

DEEL 1

DEEL 2

DEEL 3

Christus, de zoon Gods, de mederegent der hemelen, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser van het rijk Gods op aarde, openbaart zich over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth

Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,

Het leven in God is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind, onze zuster Gabriële, uit de eeuwige bron toestroomt, wordt het telkens aan ons doorgegeven.

Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk, schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven, dat het God welgevallig is.


Uitgever: VERLAG DAS WORT GMBH
IM UNIVERSELLEN LEBEN
Max-Braun-Str. 2,
97828 Marktheidenfeld
Tel. 09391/504135, Fax 09391/504-133
http://www.das-wort.com. ∙ e-mail:info@das-wort.com


Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:

Das ist Mein Wort
A und 
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche inzwischen die wahren Christen
in aller Welt kennen

Erste Auflage 1991

In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.

Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave doorslaggevend.

1e Nederlandse uitgave: december 2000

ISBN 3-89201-114-1





Inhoud*

Voorwoord

Ik Ben

64. Over het wezen van God - De krachten van het Vader-Moeder-principe zijn aanwezig in man en vrouw; daarom zijn beiden gelijkwaardig (1-3). Erkent het onzichtbare in het zichtbare; schouwt in alles God, het leven (4-5). Over de wet van aantrekking in al het Zijn - Het besluit tot het verlossingswerk van Christus in de troonzaal Gods - De opdracht van de verlossing - De dragers van de goddelijke wijsheid dragen samen met Christus de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk van de verlossing - De zendingen van de incarnaties van de zonen en dochters van God, die in de opdracht staan - De incarnatie van Christus - De opdracht blijft bestaan tot aan de vervulling (6-11). De geestelijk dode (12). De vrije wil mag nooit worden beïnvloed (13)








65. De laatste zalving door Maria Magdalena - De voorbereiding van het verraad - Over het ware geven en de hulp voor de armen - De schaduwen van het menselijke ik verhinderen, het licht Gods te schouwen; de mens spreekt dan over de „geheimen van God” (1-10)



66. Leer over de volmaaktheid - Het ware leven is leven in God (1-3). De reine wezens leven in de al-eenheid; zij zijn één - De polariteit als eenheid in God - Maria Magdalena,


een voorbeeld van het ontvangende principe - Al het Zijn is opgebouwd op polariteit (4-11). De drie-eenheid: geest, ziel en mens - Wanneer komt het rijk Gods op aarde? (12-13)



____________________
* De titels van de hoofdstukken van „Het evangelie van Jezus” zijn vet en cursief gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels hebben betrekking op de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van „Het evangelie van Jezus”, momenteel door Christus gegeven [1989]. De tussen haakjes geplaatste getallen duiden telkens de verzen aan van „Het evangelie van Jezus”, waarop de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.

67. Intocht in Jeruzalem - Het eindoordeel - Hosanna - kruisigt Hem: wie alleen aan zijn eigen welzijn denkt, is wankelmoedig - De joden oogsten sinds 2000 jaar hun zaad - De mens dient God te achten in iedere geschapen vorm, dus ook in de naaste, anders zal hij ter linkerzijde van Christus staan (1-10). Het afdragen en reinigen voor extreem belaste zielen (11). Wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan (12-14). De evolutieweg van extreem belaste zielen (15)



68. Gelijkenissen van het goddelijke gerecht - »Het rijk Gods zal jullie worden afgenomen en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt« (1-7). De strijd tegen de boden van God, die leven hetgeen zij onderwijzen (8-10). Ik kwam in Jezus en kom als Christus (11). Innerlijke en uiterlijke waardigheid - De aardse machthebbers zullen aan de hoeksteen Christus, die de sluitsteen zal worden, ten ondergaan (12-14). Keer tijdig om, voordat het noodlot zich voltrekt - Menselijke woorden, begrippen, maten en hun betekenis zijn slechts wegwijzers naar de waarheid (15-20)



69. Over dood, wedergeboorte en leven - De wedergeboorte in de Geest Gods bevrijdt van de reïncarnatie (1-2). Over het rad van wedergeboorte - De schaduwzielen - De ziel vindt pas rust, wanneer alle zonden zijn uitgeboet - Aflossing van zonden op aarde gemakkelijker en sneller dan in het zielenrijk (3-4). Het woord van de mens is het woord van de dwaling (5-6). De werking van het Vader-Moeder-principe in de dualen (7-10). Wie van goede wil is, begrijpt en vervult de wet van het leven en wordt vrij van dwalingen (11-13)



0. Jezus berispt Petrus wegens zijn opvliegendheid - Eerbiedig het leven in elke ontwikkelingsfase; iedere levensvorm bevindt zich op de evolutieweg naar de volmaaktheid (1-5). Wie in Mij leeft, is een getuigenis in deze wereld (6-7). De wegbereiders voor Christus van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd (8). Christus wordt steeds opnieuw gekruisigd in de strijd tussen licht en duisternis (9-10). In de tijdsomwenteling wordt het alomvattende licht zichtbaar; de duisternis wil het uitdoven (11). De goddelijke wijsheid bouwt tijdens de tijdsomwenteling de oergemeenten op, door wie Christus, het licht der wereld, tot alle volkeren straalt - De bondgemeente Nieuw Jeruzalem is de priesteres (12-14)


71. De reiniging van de tempel - Zweepslagen voor ziel en lichaam (1-2). De ware godsdienst (3-4). Alleen de zin van het woord maakt levend (5-7). Ieder mens tekent zichzelf (8-11)


72. Jezus’ afscheidswoorden - Het evenbeeld van de Vader (1-3). Zij zullen grotere werken doen, dan Ik als Jezus heb gedaan (4). Wie onbaatzuchtig dient, zal Ik geven, waarom Hij vraagt (5). Wie de tempel heiligt, leeft in Mij (6-7). De onbaatzuchtige liefde is communicatie met God (8). De betekenis van de woorden: »De Vader is groter dan Ik« (9-11)


De goede wijnstok - Elke wijnrank in Mij brengt vrucht voort (1-2). Wie niet in Mij blijft, zondigt (3). In Christus leven (4). Het heldere oog van de ziel verkrijgt het onderscheidingsvermogen tussen waarheid en dwaling (5). De getrouwen brengen in Mijn naam goede vruchten voort (6-8). De schouwende is geen blinde meer (9). Waarom Christus zich nu weer openbaart (10-11). De kennis van de wetten verplicht tot verwezenlijking (12). Geen mens zal kunnen zeggen: »Ik heb van Christus niets geweten« (13)

74. Jezus bereidt Zijn discipelen op het komende voor -
De strijd in de naam van Christus tegen Christus (1). Het werk van de verlossing wordt vervuld (2-3). Momenteel stroomt de waarheid als een grote stroom (4-5)

75. Het laatste Paschamaal - Word rein van harte (1-2). Over het verraad - Tolerantie en begrip jegens onwetenden (3-6). In de Nieuwe Tijd van de Christus is er geen bloedvergieten meer (7-9). De gereinigde aarde schenkt in overvloed (10). Leven in Christus leidt tot de adel der ziel en tot ware vrijheid (11-12). De wet van het leven, het liefdegebod - Wie zijn naaste veracht, komt niet tot Christus, tot de waarheid, in het eeuwige Zijn - Ieder berecht zichzelf (13-16). Het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem (17). Uit alle volkeren en stammen verbroederen zich diegenen, die de werken Gods doen (18)


76. De voetwassing - Het laatste avondmaal - De ontsluiting van de zeven basiskrachten van de ziel begint bij de orde (1-3). Wie onbaatzuchtig liefheeft, vervult de wet en schouwt God in alles (4-5). De ware strijders voor Christus zijn rein van harte (6). Het doel en de opdracht van de ziel: weer tot wet te worden (7). De betekenis van wierook (8). Over het avondmaal - Geen ceremonie, maar symbool (9). Jezus’ gebed voor de Zijnen: vervult het woord Gods en het liefdegebod; straalt uit, wat God jullie schenkt (10-19). Het gebed van de eenheid (20-21). Brood en wijn (22). De geestelijke substantie in de gaven van de natuur (23-25). Uit de concessies van Mozes ontstonden onwetmatige zeden en gebruiken (26-28). Het verraad aan Christus - Waarom Jezus kon worden gevangen genomen en werd gekruisigd - Christus’ daad voor het geslacht David (29-30)


77. Het lijden in de tuin van Gethsémané - De slapende discipelen in de tuin van Gethsémané - Wie alleen geestelijk weten verzamelt, het echter niet omzet, kan een situatie niet begrijpen en verslaapt de nood van zijn naaste - Gods wil en plan worden vervuld (1-3)



78. Het verraad van Judas - De verloochening van Petrus - De gevangenname: de duisternis kreeg macht, om Jezus te grijpen - Wie het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen - De kraaiende haan, de stem van het geweten (1-8)



79. Het verhoor voor de hogepriester Kaïphas - Gedrag bij beschuldiging - Betekenis van de woorden: »Ik kan de tempel Gods afbreken en in drie dagen weer opbouwen« (1-10)


80. Het berouw van Judas - Onrecht jegens de naaste kan noodlottig worden - Het zondigen van ingewijden is zondigen tegen de Heilige Geest - Wie opzettelijk in strijd met het evangelie van de liefde handelt, kruisigt Christus opnieuw (1-10)




81. Het verhoor voor Pilatus - Zij, die in de waarheid leven, zijn rechtvaardig in denken, spreken en handelen (8-9). De tegenstrijdige krachten trachtten de verlossersdaad te verhinderen - »Ik vind geen schuld in Hem« - Te allen tijde mag de duisternis zich meten met het licht - De macht van het schijnchristendom is aan het vergaan - De rechtvaardige leed voor de ongerechtigheid - Het kruis: teken van de verlossing en de opstanding of van de nederlaag (10-32)


82. De kruisiging van Jezus - Jezus weerstond alle aanvallen en werd tot Verlosser (l-2). Pilatus offerde een onschuldige, om zijn positie te behouden (3-4). Verwekken en baren in zonde of in onbaatzuchtige liefde (5-7). De mens bepaalt het kleed, dat zijn ziel aan gene zijde draagt (8-13). De rouwmoedige zondaar (14-16). De schijnbare triomf van de duisternis werd een overwinning van Christus, ter verheerlijking van de Vader - Alleen het reine geestelijke lichaam kan de hemel binnengaan (17-19). »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten?« (20). De wet van liefde en eenheid (21-23). De aardbeving, teken van de Christuskracht (24-27). Er bestaat geen recht, om ter dood te veroordelen of te doden (28)



83. De begrafenis van Jezus - Over het begraven van doden (1-3). Dodenherdenking en dodenwake (4-10)



84. De opstanding van Jezus - De engel aan het graf (1-5). De lichte, krachtige ziel is dichter bij God (6). Boodschap en leiding door engelen (7-8). De opdracht van het aardse en het geestelijke lichaam van Christus (9). De transformatie van het fysieke lichaam van Jezus - Het kruis met en zonder corpus (10-13)


85. De verrezen Jezus verschijnt aan twee discipelen in Emmaus - De blindheid van hen, die tegen Mij waren - Veranderingen in de satanische hiërarchieën na de hemelvaart (14-16)



86. Jezus verschijnt in de tempel en de bloedoffers houden op - Geestelijke gebeurtenissen in de dagen na Jezus’ lichamelijke dood in Jeruzalem en omgeving (1-8)


87. Jezus verschijnt aan Zijn discipelen - Waarom konden de discipelen de verrezene schouwen? (1-2). Het kruis zonder corpus, een symbool van de opstanding en de zege over de duisternis (3-6). Verlossing enkel door geloven? (7). Gedoopt door de Heilige Geest (8). Onbaatzuchtige liefde omsluit al het Zijn (9). Een aan God gewijd leven leiden (10). De Godsgeest gebruikt de woordenschat en de begrippen van de menselijke tussenpersonen; hun betekenis hangt af van de verandering der tijden - De gemeenten in Christus tot aan de lichttijd (11-15)


88. De achtste dag na de opstanding - Israël en Jeruzalem zijn daar, waar mensen Gods wil vervullen - De zondige wereld erkent de ware zonen en dochters niet, ook niet de hoogstaande vrouw, die voor Christus de weg bereidt (1-3). Door haar straalt Hij Zijn licht over de hele aarde (4-7). Bereidwillige mensen vinden de weg van het innerlijk (8). De duisternis zal in de strijd tegen het licht der wereld het onderspit delven (9-10). Christus’ verlossersdaad verhinder-de het voornemen van de vrouwelijke engel: het terug-ontwikkelen van alle levensvormen en de oplossing van de schepping (11-12)


89. Jezus verschijnt aan het meer van Genezareth - De verrezene ontmoet Zijn discipelen (1-5). De ware discipelen: wegwijzers, geen herders; rotsen van het geloof en de Godsvervulling - De oergemeenten zijn de ene kudde van de herder Christus (6-8). De sleutels van het hemelrijk (9). „Omgord” en geleid door het menselijke ik of door de Eeuwige (10). Wat je naaste doet, gaat jou niet aan (11-12)





90. Wat is waarheid? - Over het vermogen de eeuwige waarheid te begrijpen (1-3). Alles is bewustzijn (4-5). De mens kan slechts de verwezenlijkte waarheid begrijpen - Het bereiken van de volmaaktheid (6-11). Wie heeft de waarheid? (12). Wie geen onbaatzuchtige liefde heeft, leeft niet in de waarheid en herkent haar niet - Ieder mens wordt overeenkomstig zijn bewustzijnsgraad geleid (13-16)





Voorwoord bij de voorschriften voor de gemeente

91. De voorschriften voor de gemeente (deel 1) - De taal, die trilling is (1-4). Naamgeving en doopsel van pasgeborenen - Opvoeding in rechtschapenheid (5-6). Opvoeding van opgroeiende kinderen (7). Rangschikken in het levensprincipe van de gemeente: rust en harmonie (8). Het geestelijke doopsel - Het gebod „bid en werk” - De engel van de gemeente - De oudste - De raad van de oudsten - Het gemeenteboek (9). De gezalfde (10)





92. De voorschriften voor de gemeente (deel 2) - Huwelijk en partnerschap, een verbinding volgens de wet van de onbaatzuchtige liefde en trouw - Huwelijkssluiting in de gemeente, een bond met God (1-3). Ouders dragen voor God de verantwoordelijkheid voor hun kinderen - Het vader-moeder-huis - Kinderen niet als eigendom beschouwen - Over de geestelijke duaalparen en het ontstaan van „geestelijke kinderen” (4). Over het avondmaal in de gemeente - Terugblik op de week - Geen ceremoniën (5). Uiterlijke vormen en handelingen zijn concessies, geen wetmatigheden (6-7)







93. De voorschriften voor de gemeente (3e deel) - Over vergeven en om vergeving vragen (1-2). De genezing uit de Geest Gods (3-4). De verantwoordelijken in de gemeente (5-10)


94. De voorschriften voor de gemeente (4e deel) - Over het begraven van de doden - Bewust leven - Geestelijk doden - God wenst geen herhaalde incarnaties (1-4). Wie zijn innerlijke God heeft gevonden, heeft geen aardse leiders nodig - Criteria voor de echtheid van de verantwoordelijken: onbaatzuchtig dienen - Over de kleding: de innerlijke schoonheid wordt in het uiterlijk zichtbaar (5-7). Groei en levensonderhoud van de gemeente, een gezamenlijke opdracht (8-10)






95. De hemelvaart - De verrezene onderwijst Zijn discipelen over de vervulling van de verlossersopdracht en over de invloed van negatieve krachten - In de machtige geheugenbron van het heelal, evenals in de etherkroniek, zijn de terugleiding en het rijk Gods op aarde als positieve energie opgeslagen en bouwen zich meer en meer op (1). De aardse heerschappij in de naam van Christus door de werktuigen van de demonen (2-3). Deze machtige tijdsomwenteling laat al het tegenstrijdige openbaar worden - De duisternis in haar uitwerkingen en zelfgeschapen ketens (4). Belofte van de Heilige Geest (5). Draag Christus in jezelf (6). Ik kom terug in alle heerlijkheid (7). De onbaatzuchtige liefde is een onverbrekelijke band (8). Jezus leed en ervaarde als mens, wat menszijn betekent (9-10)









96. Nederdaling van de Heilige Geest - Over de opdrachten en functie van de discipelen (1-3). Wie groot is in de geest, dient en geeft in deemoed en dankbaarheid. (4-5). Het ontstaan van de kerkelijke hiërarchie door hooggeplaatsten en hoogwaardigheidsbekleders - De onbaatzuchtige dienaren van allen geven vanuit het hart (6-7). Wat gebeurde er bij het instromen van de Heilige Geest? (8-9). De ware broederschap van Christus in dienst van het algemeen welzijn (10). Eén voor allen, Christus (11). Menselijkheden in de oergemeenten - splitsing van de oergemeenten wegens meningsverschillen en gezagsgetrouw denken (12-13). Ceremoniën en ander mensenwerk behoren niet tot de leer van de Nazarener (14-15). Harmonie in de gezindheid brengt vrijheid en eenheid (16). Toelichting van de geloofsbekentenis (17-23). Wie Mij navolgt wordt tot tempel van de liefde (24-25). Ik Ben de waarheid (26). Door het werk „Dit is Mijn woord” zal het leven uitstromen in de wereld.











Nawoord

De wetten van God voor het vredesrijk van Jezus Christus
7
Tot beter begrip van dit werk:
De profetie van God


Boeken van Universeel Leven




Voorwoord

van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid

Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat Christus, de zoon van God, op een nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen daarop opbouwt, maar het ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook aanvult.
De reden daarvoor is de volgende:
Christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel bijbeldeskundigen, hebben „hun bijbel”, die zij voor de volledige en zuivere waarheid houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging, dat het woord Gods in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en daarmee is afgesloten. Daardoor was het Christus, de Verlosser van alle zielen en mensen, niet mogelijk, binnen de nog bestaande christelijke kerken en de aan zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun bijbel, te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de waarheid buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan allen is de vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en zielen, is de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het vredesrijk van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium [1980] enkele broeders - die allen, op een na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te schrijven.
Christus’ wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken als Jezus van Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht voor diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en door Hem een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de volgende strekking:
Neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en laat jullie geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin voor de waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die de waarheid bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van betekenis is, want Ik zal het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie verklaren en verdiepen. Het zijn de woorden van God, die grote profeten en verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw voor de tegenwoordige en voor de komende tijd ontvingen.
Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de grotendeels volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen nalezen en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht - en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het vredesrijk alleen nog vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat zij de wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid moeten komen. Ook de vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd [1989] nog steunen, zullen dan onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft verworven, heeft zijn geestelijke bewustzijn ontsloten en zijn reine geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid volledig werkt, is voor hem dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan. Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen goeddunken inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun confessionele denken noodzakelijk leek.

Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is als een groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde, omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk aangenomen; het nam als zijn aandeel van de opdracht een of meerdere „mozaïeksteentjes” in zijn geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te kunnen vervullen, wat het als opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet worden vervuld.
Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende mogelijkheden op. Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie is gegaan, niet werd vervuld, dan moet het „debet”, wat daardoor in zijn geestlichaam is opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere incarnatie of in de reinigingsgebieden.
Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïeksteentje van de opdracht op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een verleiding door de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje, dat nu door andere geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is dan in het opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het betreffende geestwezen echter, dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit elders goedmaken.
Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven, gaat Hij andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek „Dit is Mijn woord” gebeurde.
Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert Hij bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst van deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te verleiden - ook diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en de vrede in de wereld te brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de beslissing genomen, in het aardse gewaad de werken Gods te vervullen en Christus en hun naasten te dienen in de wereld, die het territorium is van de duisternis. Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong - voor de keuze: vóór of tegen God.
De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een werk te schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het menselijke. Zij konden hetgeen zij in hun geestlichaam hadden ingegeven, niet volgens plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere mogelijkheid geopend: de weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Want het schrijven van het boek „Dit is Mijn woord” is een essentiële bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel Leven, omdat het zijn betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben. Het omvat alle belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk, als Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en door de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan. Zalige, dus nagenoeg volmaakte mensen, zullen haar dan bewonen en haar meer en meer bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds Zijn „volbracht” aan het kruis, bindt het satanische zichzelf steeds meer. Wanneer eenmaal het vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden. Alleen door de verlossersdaad is dit mogelijk geworden!
Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen, om te bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd [1989] en in het bijzonder voor de Nieuwe Tijd - van betekenis is.

Het boek „Dit is Mijn woord” maakte niet direct deel uit van de opdracht van onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid aan, die geboden werd, om het boek „Het evangelie van Jezus”* tot basis van het openbaringswerk „Dit is Mijn woord” te maken. Christus kwam haar met dit boek tegemoet, omdat de taak, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst te ontvangen, niet direct in haar opdracht stond.
Christus sprak onder andere tot onze zuster met woorden van de volgende strekking:
Aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij echter voor de geestelijke taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik jou - voor zover dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw directe taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat de tijd hiervoor kostbaar is, zal Ik op het boek »Het evangelie van Jezus« voortbouwen, door te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.

_____________________
* Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna kortweg „Het evangelie van Jezus” genoemd.

Het boek, dat door de mensen „Het evangelie van Jezus”
wordt genoemd, bevat, ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd [1989] een andere betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth voltrok.
Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een geheel nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou beletten, de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen.

Daarom bouwt Christus voort op de in het boek „Het evangelie van Jezus” voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult daarmee door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk ligt: een historisch werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het werk „Dit is Mijn woord”.*
Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die zij vervult, groeide uit het boek „Het evangelie van Jezus” het werk „Dit is Mijn woord”.
Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle betekenis krijgen.
Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van het vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de mederegent der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God, onderricht, noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de Geest Gods ben ik de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk van Jezus Christus.

___________________
* Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus bij de afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt.

In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is er niet langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.

Vrede!





Ik Ben

Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het gefemel van de Farizeeën en schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om waardering, lof en loon te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en niet mis te verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.

Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden volharden, zeiden tegen Mij als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« De eeuwige wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens een beslissing en consequentie verlangt - voor of tegen God. Wie echter niet wil beslissen, omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen, dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf daaruit profijt te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
Ik Ben de wet, de absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn medemensen, echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het ware, niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt.

Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de vroegere schriftgeleerden en Farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige farizeeër en schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil aannemen, omdat hij niet voor de waarheid wil kiezen.
Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een beslising voor of tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die late het. Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God.

Jijzelf bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je daaraan!





HOOFDSTUK 64

Over het wezen van God

De krachten van het Vader-Moeder-principe zijn
aanwezig in man en vrouw; daarom zijn beiden gelijkwaardig (1-3). Erkent het onzichtbare in het zichtbare; schouwt in alles God, het leven (4-5). Over de wet van aantrekking in al het Zijn - Het besluit tot het verlossingswerk van Christus in de troonzaal Gods - De opdracht van de verlossing - De dragers van de goddelijke wijsheid dragen samen met Christus de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk van de verlossing - De zendingen van de incarnaties van de zonen en dochters van God, die in de opdracht staan - De incarnatie van Christus - De opdracht blijft bestaan tot aan de vervulling (6-11). De geestelijk dode (12). De vrije wil mag nooit worden beïnvloed (13)

1. Jezus kwam bij een bron in de nabijheid van Bethanië, waaromheen twaalf palmbomen groeiden en waar Hij vaak met Zijn discipelen naartoe ging, om hen de geheimen van het rijk Gods te leren. Daar zat Hij in de schaduw van de bomen en Zijn discipelen met Hem.
2. En een van hen zei: »Heer, van oudsher staat geschreven, Elohim maakte de mens naar Zijn eigen beeld en schiep man en vrouw. Hoezo zei Jij dan, dat God één is?« En Jezus sprak tot hen: »Waarlijk, Ik zeg jullie, in God is man noch vrouw, en toch zijn beiden één, toch is God beiden in één. Hij is Zij, en Zij is Hij. Elohim - onze God - is volmaakt, oneindig en één.
3. Dus is in de man de vader belichaamd en de moeder verborgen; zo is in de vrouw de moeder belichaamd en de vader verborgen. Daarom dient de naam van de vader en van de moeder in gelijke mate te worden geheiligd; want zij zijn beiden de grote krachten van God, en het ene is niet zonder het andere in de Ene God. (Hoofdst. 64, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In de Geest Gods, in de wet van het innerlijke leven, bestaan geen geslachten, maar de gevende en de ontvangende kracht. Ik noem de gevende kracht het principe van het mannelijke en de ontvangende kracht het principe van het vrouwelijke.
Erkent: als Ik spreek over de man of over de vrouw, bedoel Ik daarmee de twee polen, de twee levensprincipes, de gevende en de ontvangende pool, dus het mannelijke en het vrouwelijke principe. In de man, de mannelijke pool of het mannelijke principe, openbaren zich de krachten van de vader: de gevende pool, ook het geestelijk scheppende of verwekkende element genoemd, maar daarin verborgen tevens de vrouwelijke pool, het vrouwelijke principe, de moeder: het ontvangende en bewarende leven. Zo zijn in de vrouw, in de ontvangende pool, het vrouwelijke principe, de krachten van de moeder openbaar, die het leven ontvangt en bewaart, en verborgen in haar ook het mannelijke, het gevende, de vader.
De twee krachten, het gevende en het ontvangende principe, zijn op elkaar afgestemd. Als wezens zijn zij twee - en toch één: het gevende principe en het ontvangende en bewarende principe. Zoals het gevende principe, het mannelijke, een groter aandeel scheppende krachten bezit en een geringer aandeel vrouwelijke, dus ontvangende krachten, zo bezit het vrouwelijke, het ontvangende principe, de ontvangende pool, meer vrouwelijke, dus moederlijke aspecten en minder mannelijke, vaderlijke, dus gevende krachten.
Erkent: in iedere kracht, gevend of ontvangend, is het Zijn aanwezig. Daarom dient de vrouw evenzo te worden geacht als de man. Want in beiden zijn de twee krachten aanwezig, het mannelijke zowel als het vrouwelijke element, het vader- en het moederprincipe. Daarom is jullie Vader, die ook Mijn Vader is, de Vader-Moeder-God. Beide krachten zijn in Hem verenigd en zijn werkzaam in al het Zijn. Dit is de onpersoonlijke Geest van het innerlijke leven, de onbaatzuchtige liefde, kracht en wijsheid.
Wie in de wereld de vrouw als minderwaardig beschouwt en de man boven de vrouw plaatst, handelt zodoende in strijd met de wet van het leven, het Vader-Moeder-principe, dat de alwet is.

4. Aanbid God, die boven je is, onder je, aan je rechterzijde en aan de linker, voor, onder, achter je, ín je en om je heen. Waarlijk, het is slechts één God. Hij is alles in alles en in Hem bestaan alle dingen, Hij is de bron van al het leven en van elke substantie, zonder begin en zonder einde.
5. De dingen, die zichtbaar zijn en vergaan, zijn belichamingen van het onzichtbare, dat eeuwig is, opdat je van de zichtbare dingen van de natuur tot de onzichtbare dingen van de Godheid mag komen. En opdat je door het natuurlijke tot het bovennatuurlijke komt. (Hoofdst. 64, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Jullie hebben gelezen, dat alle dingen, die zichtbaar zijn, belichamingen zijn van het onzichtbare, van het eeuwige. Leert daarom, om in alle zichtbare dingen het leven, het onzichtbare te herkennen, dat in alles verborgen is.
Aan de mens, die moeite doet, om Gods wetten te vervullen, zal alles openbaar worden. Hij schouwt, hetgeen voor de mens, die op de wereld gericht is, verborgen is: het leven, dat in alles de kracht en het Zijn is. Het is het erfdeel van de ziel, de Geest, God, die het leven is en de substantie en de vorm van het leven - dus: alles-in-alles.
Erkent: iedere ziel moet haar erfdeel weer aanvaarden, datgene, wat voor de mens onzichtbaar is, het Geestelijk-Goddelijke. Want ieder rein wezen heeft zijn oorsprong in de Geest, in God, en iedere ziel zal zich reinigen en als zuiver wezen terugkeren naar de oorsprong, naar de Geest, God, naar het leven, naar het Vader-Moeder-principe.

6. Waarlijk, Elohim schiep de mens naar het evenbeeld Gods, mannelijk en vrouwelijk, en de hele natuur is een beeld Gods, daarom is God allebei, mannelijk en vrouwelijk, niet gedeeld, maar de twee in één, onverdeeld en eeuwig, in wie alle dingen zijn, de zichtbare en de onzichtbare.
7. Van het eeuwige zijn zij uitgegaan en naar het eeuwige zullen zij terugkeren. Geest naar geest, ziel naar ziel, verstand naar verstand, gevoel naar gevoel, leven naar leven, vorm naar vorm, stof naar stof.
8. In het begin is Gods wil, en toen kwamen Zijn zoon, de goddelijk liefde, en de geliefde dochter, de heilige wijsheid, in gelijke mate uit de ene eeuwige bron; en daaruit komen de geslachten van de geestwezens van God, de zonen en dochters van de Eeuwige.
9. En dezen dalen af naar de aarde en wonen met de mensen en leren hen de wegen van God, de wetten van de Eeuwige te beminnen en te gehoorzamen, opdat zij daarin de verlossing mogen vinden.
10. Vele volkeren hebben hun dagen gezien. Onder verschillende namen hebben zij zich aan hen geopenbaard, en de volkeren hebben zich in hun licht verheugd; en juist nu komen zij weer tot jullie, doch Israël neemt hen niet op.
11. Waarlijk, Ik zeg jullie, Mijn twaalf, die Ik heb uitgekozen: al hetgeen in vroegere tijden over hen is gezegd, is waar - slechts verdraaid door de verkeerde voorstellingen van de mensen.« (Hoofdst. 64, 6-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Al het reine is in God, en al het reine komt van God.
Van de Eeuwige komen lichtwezens naar de aarde - en naar de Eeuwige keren zij weer terug.
De wet van de aantrekking luidt: wie leeft in de Geest Gods, beweegt zich ook in de Geest Gods, omdat hij in Hem zijn tehuis heeft.
Volgens deze wet van de aantrekking - het gelijke trekt het gelijke aan - komt een ziel of een mens samen met die zielen of mensen, die hetzelfde of iets dergelijks in zich dragen, opdat zij met elkaar in het reine brengen, hetgeen zondig is. Zo zal een verstandsmens samenkomen met verstandsmensen, die hetzelfde of iets dergelijks in hun bewustzijn hebben opgeslagen en bewegen. Een gevoelsmens zal weer gevoelsmensen ontmoeten. Als zij met elkaar iets te bereinigen hebben, wordt hen hiertoe de mogelijkheid gegeven, doordat zij bijeen werden gebracht.
Op deze wijze komt ook het goddelijke aspect weer tot het goddelijke aspect. Dat wil zeggen, dat zielen en mensen, die dezelfde of vergelijkbare aanleg van innerlijk leven hebben, elkaar vinden, om elkaar wederzijds te helpen en te dienen en steeds meer het innerlijke leven te ontsluiten, het leven dat alles verenigt. Zo komt vorm tot vorm. Want iedere vorm straalt haar eigen bewustzijnsgraad uit en wordt door het innerlijke leven bestraald, opdat substantie en vorm zich mogen verheffen tot de volgende hogere geestelijke vorm.

Stof wordt wederom tot dezelfde substantie, stof, en leeft als kracht en bewustzijn in God, die ook in het stofdeeltje leeft, die het aanzet tot evolutie en het leidt tot de volgende hogere geestelijke vorm.
Het gelijke verbindt zich met het gelijke. In de materiële wereld verbinden zich de mensen met elkaar, in de zielenrijken de zielen - en in het eeuwige Zijn verbindt zich alles, wat zich in de geestelijke evolutie bevindt: geestelijke mineralen, planten, dieren en natuurwezens.

God, de eeuwige Vader, schiep en schept uit de eeuwige Geest, het Vader-Moeder-principe, mannelijke en vrouwelijke principes, de zonen en dochters van God, de geestwezens, die uit Zijn liefde en wijsheid, uit die ene bron, God, voortkwamen en voortkomen.

Toen het valgebeuren bijna op zijn dieptepunt was gekomen, ging Ik, de zoon, de mederegent der hemelen, naar de aarde, om de mensen de verlossing te brengen. In het „volbracht”, dat Ik aan het kruis door Mijn aardse lichaam, Jezus, sprak, geschiedde het heil in alle zielen: Mijn erfdeel, de deelkracht van de Oerkracht, verdeelde zich in vonken en nestelde zich in alle zielen. De verlossersvonk begon te stralen in iedere ziel en is sindsdien haar steun en toeverlaat.

Voordat Ik, Christus, de hemelen verliet, om als Jesus van Nazareth werkzaam te worden, werd in de troonzaal van de Eeuwige Mijn geweldige, machtige werk der verlossing besloten.
Vele zonen en dochters van God droegen een deel van hun geestelijk lichtpotentiëel in de verlossingsopdracht bij en nemen zo deel in het werk der verlossing. Het verlossingswerk leidt alle zielen terug, haalt hen dus terug naar hun innerlijk, zodat na het heengaan van hun aardse lichaam het wezen uit God weer naar God, de wet van het leven en de liefde, kan terugkeren.
De zonen en dochters van God incarneerden in verschillende geslachten, op de eerste plaats in het geslacht David. Het heeft een leidende functie in het werk der verlossing. Voorop gaat de goddelijke wijsheid. Het is de derde wezenheid Gods, vertegenwoordigd door de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de derde wetsengel.

Zoals Ik reeds openbaarde, bevindt het vrouwelijke principe van de drager van de goddelijke wijsheid zich in het aardse gewaad [1989], het mannelijke principe in het geestelijke gewaad. Beiden - de vrouwelijke geestduaal op aarde en de mannelijke geestduaal in de geest - dragen samen met Mij, Christus, de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk der verlossing en gaan de zonen en dochters van God, die in de opdracht der verlossing staan, voor. Zij allen hebben de opdracht, de mensen de weg naar God te leren, hen te onderwijzen, hoe de wetten van de Eeuwige lief te hebben en te onderhouden - en in alles God te gehoorzamen. Daarmee komen de mensen tot de verlossersvonk in hun ziel en brengen hem steeds meer tot stralen. Dan is hij voor hen een licht op hun weg naar het eeuwige Zijn. Het is de Christus Gods, die in de Vader leeft.
Zo geschiedde en geschiedt het. In een wetmatige volgorde incarneerden de zonen en dochters, die in de opdracht van het verlosserswerk stonden en nog steeds staan, in de geslachten van deze aarde, vóór allen het duaalpaar van de goddelijke wijsheid.
In het Oude Verbond gingen de eerste zendingen - de eerste zonen en dochters, die in de opdracht van het verlosserswerk staan - uit de hemelen naar de aarde en ter incarnatie. Zij bereidden voor Mij, de Christus, de weg naar de mensen voor. Allereerst kwam het mannelijke principe, de cherubijn van de goddelijke wijsheid, als profeet op deze aarde en kondigde de komst van de Verlosser aan.
Zonder dat het de mens in het aardse lichaam bewust werd, werden enkele zonen en dochters van God aan de zijde van de profeet geplaatst, om in het Oude Verbond samen met hem datgene tot uitvoering te brengen, wat door de Geest Gods voor de toenmalige tijd was voorzien. Toen hun aardse bestaan beëindigd was, kwamen enkele van deze zonen en dochters van God uit de eerste zendingen, die zich nauwelijks hadden belast, weer terug naar het eeuwige Zijn voor de troon van de Vader, voorop het mannelijke principe van de goddelijke wijsheid, de cherubijn, die de Eeuwige op aarde als profeet had gediend.
De opdracht in het verlosserswerk bleef en blijft echter als zegel voor de Nieuwe Tijd in de beide principes van de goddelijke wijsheid - dat wil zeggen: tot aan de voleinding van de opdracht onuitwisbaar ingegrift -, evenzo in alle zonen en dochters van God, die in de opdracht staan.
Sommigen onder hen, die hun aardse lichaam hadden afgelegd, verzamelden zich weer in de reinigingsgebieden om nieuwe zendingen te vormen - samen met diegenen, die nu uit de hemelen kwamen - , om opnieuw te incarneren. Steeds weer gingen zendingen zonen en dochters van God ter incarnatie, onder hen ook velen, die hun opdracht in de eerste incarnatiezendingen niet hadden vervuld.
Gedurende de verschillende incarnaties ontstonden belastingen. Sommigen vervulden een deel van hun opdracht, anderen weer belastten zichzelf. Zij keerden terug naar de zielenrijken en vertoefden als zielen in die gebieden, die overeenstemden met hun bewustzijnsgraad.
Steeds nieuwe zendingen van zonen en dochters van God formeerden zich, om voor Mij, de Christus, de wegen op aarde voor te bereiden. Tenslotte verzamelde zich de beslissende zending voor het verlosserswerk: Ik, Christus, de zoon Gods, de mederegent van de hemelen, kwam in het aardse lichaam en met Mij vele zonen en dochters van God, om Mij te dienen en te helpen. Velen van hen waren in Mijn gevolg; zij hadden zich geïncarneerd in romeinse en joodse gezinnen. Veel van deze zonen en dochters van God waren door hun vorige incarnaties reeds belast en herkenden nu in het aardse gewaad het grote gebeuren niet. Desondanks bracht Ik de mensen een deel van Mijn goddelijke erfdeel. Ik werd gedragen door de Vader en door de boden van het licht en door de weinige zonen en dochters in het aardse lichaam, die Mij, hun broeder en Verlosser, de Verlosser der mensheid, herkenden.

Na Mijn terugkeer tot de Vader als mederegent der hemelen en Verlosser der mensheid ging de volgende geestelijke zending naar de aarde. Weer verzamelden zich in de reinigingsgebieden zonen en dochters van God met zonen en dochters van God uit de hemelen, om samen ter incarnatie te gaan. Vóór allen kwam met deze zending het vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid. Na het heengaan van hun lichamen gingen ook deze zielen weer ofwel naar de zielenrijken, of naar lichtere gebieden.
Zo kwamen en komen de zonen en dochters van God zending na zending tot de mensen, om hen te onderwijzen in de wetten van het leven, opdat zij God liefhebben, Hem gehoorzamen, zodat zij in Christus terugkeren naar God, hun en onze Vader. Elke keer brachten zij tevens de gedachte van het rijk Gods op aarde, zodat deze geleidelijk op aarde vorm en gestalte aanneemt: het is het vredesrijk van Jezus Christus. Vóór allen kwam steeds opnieuw het vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid, in samenwerking met haar geestduaal, de positieve pool van de goddelijke wijsheid, die zich in het geestelijke gewaad bevond en bevindt, om verder voor de zonen en dochters van God de weg te bereiden.
Sinds Mijn aardse bestaan zijn thans bijna tweeduizend jaar verlopen. Zeer geleidelijk voltrekt zich de wil van de Eeuwige in en door de zonen en dochters van God. Steeds meer vervullen zij op aarde datgene, wat in de opdracht der verlossing staat: samen met Mij, Christus, aan alle mensen te leren, de wetten van het leven en de liefde te onderhouden, om vrij te worden voor het rijk Gods. De zonen en dochters van God, die in de opdracht van de verlossing staan, komen en gaan, tot zich vervuld heeft, hetgeen Ik, de Christus, heb aangekondigd: een kudde en een herder, een volk in Mij, Christus, een rijk op aarde, het rijk van de Eeuwige.
De opdracht van de zoon, die Ik Ben, is, om naar huis te halen, wat verloren scheen. Deze opdracht staat in de harten van hen, die Mij in het werk der verlossing dienen.

Erkent: totdat het gehele verlosserswerk vervuld is - zowel op aarde alsook in de reinigingsgebieden - staan al deze zonen en dochters van God, voorop de goddelijke wijsheid, in de opdracht van de verlossing.
In Mij, de Christus, komt iedere ziel tot de Vader.

»Vele volkeren hebben hun dagen gezien. Onder verschillende namen hebben zij zich aan hen geopenbaard, en de volkeren hebben zich in hun licht verheugd; en juist nu komen zij weer tot jullie, doch Israël neemt hen niet op« betekent: de zonen en dochters van God kwamen, voorop de goddelijke wijsheid, zowel in het Oude alsook in het Nieuwe Verbond en zijn ook in de huidige tijd [1989] weer onder de mensen, om als pioniers voor de Nieuwe Tijd werkzaam te zijn.
De tijdsomwenteling is aangebroken van de oude, zondige wereld naar het Nieuwe Tijdperk van het licht en van de liefde. Heel geleidelijk zal het leven in Mij, de Christus Gods, opbloeien.
Omdat Israël Mij, de zoon Gods, en de andere zonen en dochters van God, die in de opdracht der verlossing stonden en staan, niet heeft opgenomen, ontstaat Israël nu in een ander land en daar ook het Nieuwe Jeruzalem.
12. En vervolgens sprak Jezus tot Maria Magdalena: »Er staat geschreven in de wet, wie vader en moeder verlaat, die laat de dood sterven. De wet echter spreekt niet over de ouders in dit leven, maar over het inwendige licht, dat in ons is tot de dag van vandaag. (Hoofdst. 64, 12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De zin van de woorden »...wie vader en moeder verlaat, die laat de dood sterven« is de volgende: de Vader-Moeder-God is voor ieder geestwezen en ieder mens de Oer-vader en de Oer-Moeder. Hij is het inwendige licht. Wanneer de mens het verlaat, door bewust te zondigen, is hij een geestelijk dode. Hij zal zo lang in de schaduw van zijn ik rusteloos ronddolen, totdat zijn ziel ontwaakt en de wedergeboorte in de Geest Gods nastreeft, om zich weer met de Vader-Moeder-God te verenigen.

13. Wie dus breekt met Christus, de Verlosser, met de heilige wet en met de gemeenschap der uitverkorenen, die laat de dood sterven. Ja, laat hen verloren zijn in de uiterste duisternis; want zo hebben zij het gewild, en niemand kan hen hinderen.« (Hoofdst. 64, 13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze woorden betekenen: wie breekt met Mij, de Christus, die breekt met de eeuwige wet, met God en met de gemeenschap van hen, die Zijn wil doen. Hij zal zo lang in de duisternis blijven en geestelijk dood zijn, totdat hij het licht der wereld zoekt, dat Ik in hem Ben.
Iedere ziel en ieder mens heeft de vrije wil, om Gods wetten te vervullen - of in de duisternis te wandelen. Aangezien het geestelijke lichaam - in staat van belasting ziel genoemd - uit God is, zal voor iedere ziel de tijd komen, waarin zij datgene zal aannemen en vervullen, wat haar vrij maakt: de wet van de liefde en het leven. Wanneer echter ziel en mens in de duisternis willen vertoeven, hebben zij volgens de wet van de vrije wil ook te dragen, hetgeen zij in de duisternis hebben veroorzaakt: de gevolgen van hun zaad.
De wet van de gerechtigheid zegt: iedereen heeft de vrije wil, om het Goddelijke aan te nemen of af te wijzen. Maar iedereen heeft dat, wat hij heeft geschapen, zelf te dragen.
De woorden „verloren zijn” betekenen: laat je naaste zijn vrije wil - en dwing hem ook niet, het Goddelijke aan te nemen, dat hem vrij maakt. De goddelijke wetten moeten de mens worden geleerd; maar of hij ze toepast en wanneer hij er gebruik van maakt, dient aan hem te worden overgelaten. Wie dit in acht neemt, vervult Gods wil, die luidt: iedereen mag vrij aannemen, wat Goddelijk is. Wie zijn naaste ertoe dwingt, handelt in strijd met Gods gerechtigheid, liefde en vrijheid.





HOOFDSTUK 65

De laatste zalving door Maria Magdalena -
De voorbereiding van het verraad

Over het ware geven en de hulp voor de armen -
De schaduwen van het menselijke ik verhinderen om het licht Gods te schouwen; de mens spreekt dan over de „geheimen van God” (1-10)

1. En op de avond van de sabbat voor het Pascha-feest was Jezus in Bethanië en ging naar het huis van Simon, de melaatse, waar men voor hem een avondmaaltijd bereidde. En Martha diende op, terwijl Lazarus een van degenen was, die met Hem aan tafel zaten.
2. En daar kwam Maria, genaamd Magdalena, die een albasten bokaal had met een heerlijke en kostbare zalf van nardusolie. Zij opende de bokaal en goot Jezus de zalfolie op het hoofd en zalfde zijn voeten en droogde ze met haar hoofdhaar.
3. Toen zei een van Zijn discipelen, Judas Iskariot, die Hem zou verraden: »Waartoe deze verkwisting van zalfolie? Men had haar duur kunnen verkopen en het geld aan de armen kunnen geven.« Dit echter zei hij niet uit bezorgdheid voor de armen, maar omdat hij vervuld was van jaloezie en hebzucht en omdat hij de beurs had en het geld beheerde. En zij morden over Magdalena.
4. Jezus echter sprak: »Laat haar met rust! Waarom vallen jullie haar lastig? Zij heeft alles gedaan wat zij kon. Zij volbracht een goed werk aan Mij. Armen hebben jullie altijd bij je, Mij echter hebben jullie niet altijd. Zij heeft Mijn lichaam gezalfd voor Mijn begrafenis.
5. Waarlijk, Ik zeg jullie, waar ook dit evangelie wordt gepredikt in de wereld, zal ook worden bericht tot haar gedachtenis, hetgeen zij heeft gedaan.«
6. Toen trad satan in het hart van Judas Iskariot, en hij ging zijn weg en beraadslaagde vertrouwelijk met de hogepriesters en oudsten, hoe hij Hem zou kunnen verraden. En zij waren blij en kwamen met hem dertig zilverlingen overeen, de prijs voor een slaaf. Hij beloofde het hen en zocht een gelegenheid, om Hem te verraden.
7. En in deze tijd sprak Jezus tot Zijn discipelen: »Predikt tot allen in de wereld en zegt: streeft ernaar, de geheimen van het licht te ontvangen en in te gaan in het rijk van het licht, want nu is de tijd daarvoor gekomen, en nu is de dag der verlossing.
8. Schuift het niet op van de ene dag naar de andere, van de ene omloop (van het rad van wedergeboorte) naar de andere, van aeon naar aeon, in de mening, dat jullie er dan bij de terugkeer in deze wereld in slagen, om de geheimen te verwerven en in te gaan in het rijk van het licht.
9. Want jullie weten niet, wanneer het aantal der volmaakte zielen in vervulling is gegaan. Want dan zullen de poorten van het lichtrijk gesloten worden, en van dan af zal niemand meer in staat zijn, om binnen te treden, noch zal iemand naar buiten gaan.
10. Streeft ernaar om binnen te treden, zolang de roep weerklinkt, voordat het aantal der volmaakten bezegeld en volledig is en de poort wordt gesloten.« (Hoofdst. 65, 1-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Hoe vaak horen jullie in deze wereld: men had het kunnen »verkopen en het geld aan de armen geven«. Iedereen, die deze woorden gebruikt, zou zich de vraag moeten stellen, hoe eerlijk hij dit meent, hoeveel hij zelf heeft bijgedragen tot de hulp aan de armen.
Het is niet voldoende, de armen aalmoezen te geven, zoals de farizeeërs doen, om door de mensen te worden gezien.
Het ware geven bestaat daarin, de wet van de liefde en het leven te vervullen. Dan is een gift geen aalmoes, maar een echte hulp. Met haar komt de arme ziel in het arme lichaam tot de wet „bid en werk” en wordt rijk in het hart. Dan zal ook de mens alles ontvangen, wat hij nodig heeft, om te leven als kind van God.
Waar dus het evangelie van de liefde en het leven eerst wordt geleefd en daarna wordt onderwezen, daar zullen de armen, die het aannemen en vervullen, in hun harten rijk worden en ook de arme mens zal ontvangen, hetgeen hij voor het leven als een kind van God nodig heeft. Het vervullen van het evangelie brengt de waarlijk goede werken.

De woorden: »streeft ernaar, de geheimen van het licht te ontvangen« willen zeggen: de schaduwen van het menselijke ik verhullen het licht en hinderen de mens, om het licht Gods te schouwen. Daarom spreekt de mens van de geheimen van het licht, omdat hij het nog niet vermag te schouwen. Wie achter de geheimen wil kijken, moet allereerst zijn schaduwen zien en datgene, wat hij heeft herkend en wat heeft geleid tot de schaduwen, wegnemen, zodat hij het licht Gods vindt en kan ingaan in het rijk Gods.

Schuift daarom hetgeen jullie aan menselijkheden hebben herkend, niet op van de ene naar de andere dag, van de ene ,omloop’ naar de andere, van de ene aeon naar de andere, in de mening, dat jullie het nog in het reine kunnen brengen in een van de volgende aardse levens. Want wie van jullie weet, wanneer het rad van wedergeboorte voor zwaar belaste zielen zal stilstaan en de poorten voor zulke incarnaties zullen worden gesloten?
Erkent: in dit aardse bestaan dienen jullie moeite te doen, om de wetten van God te vervullen. Schuift dus de verwezenlijking van het heilige leven niet van de ene dag op de andere, zeggende dat het jullie na dit aardse leven in een latere incarnatie beter zal lukken, de wetten van God te vervullen en de sluiers te doordringen, die jullie het licht en het leven niet laten schouwen.

Erkent: de mens spreekt zolang over de geheimen Gods, als hij zelf nog geheimen voor zijn medemensen heeft. Wie echter de volmaaktheid nastreeft, heeft voor zijn medemensen geen geheimen, omdat de wet Gods, die hij vervult, in zichzelf geen geheimen bevat.
Wie de wetten van de liefde en het leven vervult, is een open boek en voor hem is eveneens alles openbaar.
Gods genade werkt momenteel [1989] in versterkte mate in deze wereld. Hij, de Almachtige, heeft alle zielen en mensen nog eenmaal een spanne tijds en daarmee de mogelijkheid gegeven, om alles goed te maken, wat onrein is.





HOOFDSTUK 66

Leer over de volmaaktheid

Het ware leven is leven in God (1-3).
De reine wezens leven in de al-eenheid; zij zijn één - De polariteit als eenheid in God - Maria Magdalena, een voorbeeld van het ontvangende principe - Al het Zijn is opgebouwd op polariteit (4-11). De drie-eenheid: geest, ziel en mens - Wanneer komt het rijk Gods op aarde? (12-13)

1. En weer onderwees Jezus hen en sprak: »God heeft getuigen opgeroepen voor de waarheid in ieder volk en ieder tijdperk, opdat allen de wil van de Eeuwige horen en deze vervullen, om daarna als regenten en medewerkers in te gaan in het rijk Gods.
2. God is kracht, liefde en wijsheid, en deze drie zijn één. God is waarheid, goedertierenheid en schoonheid, en deze drie zijn één.
3. God is gerechtigheid, kennis en reinheid, en deze drie zijn één. God is glans, mededogen en heiligheid, en deze drie zijn één. (Hoofdst. 66, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In God is alle substantie, en alle krachten van het heelal zijn in de Ene, God.
Te allen tijde zond de Eeuwige boden in deze wereld, die van de waarheid getuigenis aflegden en de mensen getuigenis brachten, dat de waarheid, indien zij geleefd wordt, leven schenkt. Want het ware leven is leven in God.
Het woord „mededogen” betekent in de wet van God van de liefde en het leven: mee-lijden, mee-voelen en begrip hebben voor alle mensen en zielen en voor ieder creatuur.
4. En deze vier drieëenheden zijn één in de verborgen Godheid, de volmaakte, de oneindige, de enige.
5. Zoals in iedere man, die volledig is, drie personen zijn, de zoon, de echtgenoot en de vader, en deze drie zijn één.
6. Zoals in iedere vrouw, die volledig is, deze drie personen zijn, de dochter, de bruid en de moeder en deze drie zijn één. En de man en de vrouw zijn één, evenals God één is.
7. Zo is het ook met God, de Vader, in wie noch het mannelijke noch het vrouwelijke is en in wie beiden zijn en beiden drievoudig, en allen zijn één in de verborgen eenheid.
8. Verwondert jullie niet daarover, want zoals boven, zo is het beneden, en zoals beneden, zo is het boven, en wat op aarde is, is zo, omdat het in de hemel zo is.
9. En Ik zeg jullie nogmaals: Ik en Mijn bruid zijn één, zoals Maria Magdalena, die Ik verkozen heb en voor Mijzelf geheiligd heb als een voorbeeld, een is met Mij. Ik en Mijn gemeente zijn één. En de gemeente is de keur der mensheid ter verlossing van allen.
10. De gemeente van de eerstgeborene is de Maria Gods. Zo spreekt de Eeuwige. Zij is Mijn moeder, en zij heeft Mij steeds ontvangen vanaf den beginne en heeft Mij gebaard als haar zoon in ieder tijdperk en hemelsstreek. Zij is Mijn bruid, eeuwig één in heilige gemeenschap met Mij, haar gade. Zij is Mijn dochter, want zij is eeuwig ontsprongen en voortgekomen uit Mij, haar Vader, en verheugt zich in Mij.
11. En deze twee drieëenheden zijn één in de Eeuwige en worden betoond in iedere man en iedere vrouw, die volmaakt zijn geworden en eeuwig door God geboren worden en zich in het licht verheugen en steeds opgeheven en één gemaakt worden met God, en die voor eeuwig God ontvangen en voortbrengen ter verlossing van velen. (Hoofdst. 66, 4-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden van de mensen zijn symbolen. De woorden „man” en „vrouw” worden door de mensen allereerst verbonden met het geslacht. Zij dienen echter hier ook te worden begrepen als het duaalprincipe der hemelen, waarin alles geslachtsloos is.
Zoals God de kracht van alle krachten in het heelal is, zo bezitten alle wezens uit God de krachten van het heelal. Niet het aardse lichaam bezit deze krachten, maar het reine geestlichaam in het binnenste van de geïncarneerde ziel.
In de geest betekenen „man” en „vrouw” het gevende en het ontvangende principe. Tegelijkertijd zijn zij zoon of dochter Gods en vader of moeder. Beiden zijn één in hun gevende en ontvangende straling en tevens één in God, in de wet des levens.
De volmaaktheid kent mijn noch dijn. Al het Zijn is voor ieder rein wezen ook het zijne, want het kent geen persoonlijk eigendom. Wat het ene reine wezen bezit, bezit ook het andere. Zij zijn het niet alleen in alles eens - zij zijn één. Uit de al-eenheid stromen de overvloed en de innerlijke rijkdom.
Iedere ziel en ieder mens, die één is met Mij, de Christus, is ook één met Mij in de eeuwige Vader. Hij is een uitverkorene en vormt met vele uitverkorenen de gemeente, die de selectie is uit de mensheid van deze aarde, ter verlossing van allen. Uit de vier windstreken verzamelde en verzamel Ik hen, die één zijn met Mij of het pad der eenwording bewandelen.

Mijn verbinding met Maria Magdalena is het symbool daarvoor, dat al het Zijn op polariteit berust, ook in de verbinding van man en vrouw. Ik verkoos de bruid van mijn ziel ten teken, dat het gevende en het ontvangende een eenheid is in God, samengesmolten in het eeuwige. Daarmee getuigde Ik, dat voor het aangezicht van God vrouw en man gelijk zijn als eenheid en polariteit in Hem.
De ziel van Maria Magdalena kwam zeer dicht bij Mijn eigen zielenstraling. Zij leefde als levend voorbeeld van de geestelijke vrouw, het ontvangende principe in Mij en Ik als het levende gevende principe in haar. Zo is zij in Mij het geheiligde aspect van God, het ontvangende principe. In Jezus van Nazareth was zij in Mij, en zij is in Mij, de Christus - en wij zijn in God. Zij is het levende voorbeeld voor de vrouwen van deze aarde als het ontvangende principe, dat tevens de aspecten van het gevende principe in zich draagt.
Maria Magdalena verwachtte niets. Zij was in Mij, de Jezus, en is met Mij en in Mij voor eeuwig. Want alle hemelse krachten, geven en ontvangen, verenigen zich in al het Zijn, in ieder geestwezen, in de gesternten en in de natuurrijken, want al het Zijn is op polariteit opgebouwd. Al het Zijn is substantiëel leven, is God in alles.

Erkent: alles, wat de aarde draagt aan licht en kracht uit God, is door God gegeven ter verlossing van de zielen, van de mensen en van de aarde.
God, de Al-Eenheid, de liefde en wijsheid, ademt Zijn Ik Ben in ieder aeon, in iedere nieuwe scheppingsdaad. En hetgeen de Eeuwige in deze wereld heeft ingeademd, is weer Hijzelf, alles in alles. De reine krachten van de aarde zijn tevens de reine krachten van de hemelen. Zoals de reine krachten, het reine Zijn, als substantie op aarde werkzaam zijn, zo werken zij alomvattend in het eeuwige Zijn.

12. Dit is het geheim der drieëenheid in de mensheid, hierdoor moet het geheim van God zich in ieder mensenkind vervullen, om het licht te aanschouwen, leed te dulden voor de waarheid, in de hemel op te stijgen en de Geest der waarheid uit te zenden. Dit is het pad der verlossing; want het rijk Gods is inwendig.«
13. Toen sprak iemand tot Hem: »Heer, wanneer zal het rijk Gods komen?« En Hij antwoordde en sprak: »Wanneer hetgeen buiten is zal zijn zoals hetgeen binnen is en hetgeen binnen is zoals hetgeen buiten is, en het mannelijke en het vrouwelijke noch mannelijk noch vrouwelijk, maar beiden één zijn. Wie oren hebben om te horen, dat zij horen.« (Hoofdst. 66, 12-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De drie-eenheid in de mensheid is: de geest, de ziel en de mens. Zonder de geest en zonder de ziel kan de mens niet ademen. Adem is leven. God is de odem, het leven, de Geest, die door de ziel en de mens ademt en zo de hele mensheid in stand houdt.
Opdat de mens zichzelf transformeert en tot zijn ware Zijn komt, leer Ik het pad der liefde. Wie dit pad bewandelt voor zijn innerlijke verlichting, legt heel geleidelijk zijn hartstochten en begeerten af en ook zijn verwerpelijke aardse gedachten. Dan spreekt hij woorden des levens en handelt zoals hij dan weer geworden zal zijn: goddelijk. Dan eerst is de mens getransformeerd. Zijn uiterlijk is zijn ware Zijn, zijn innerlijk geworden.

Pas wanneer de mens zich in het licht van de waarheid heeft getransformeerd, komt het rijk Gods op deze aarde. Want wanneer het uiterlijke als het innerlijke en het innerlijke als het uiterlijke is geworden, dan vervult de mens Gods werken, en het leven op aarde is dan het leven in God. Dan zijn vrouw en man, het mannelijke en het vrouwelijke, één en de polariteit in God. Het positieve en het negatieve principe - dus de gevende en ontvangende wezens - leven dan bewust als kinderen Gods.






HOOFDSTUK 67

Intocht in Jeruzalem - Het eindoordeel

Hosanna - kruisigt Hem: wie alleen aan zijn eigen welzijn
denkt, is wankelmoedig - De joden oogsten sinds 2000 jaar hun zaad - De mens dient God te achten in iedere geschapen vorm, dus ook in de naaste, anders zal hij ter linkerzijde van Christus staan (1-10). Het afdragen en reinigen voor extreem belaste zielen (11). Wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan (12-14). De evolutieweg van extreem belaste zielen (15)

1. En op de eerste dag van de week, toen zij in de nabijheid van Jeruzalem kwamen bij de olijfberg bij Bethphage en Bethanië, zond Hij twee van Zijn discipelen uit en sprak tot hen: »Gaat heen naar de plaats, die vóór jullie ligt; en meteen, als jullie binnenkomen, zullen jullie een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mens heeft gezeten; maakt het los en brengt het mee.
2. En wanneer iemand tegen jullie zal zeggen: waarom doen jullie dit, zegt dan, de Heer heeft het nodig. En zij zullen het mee laten gaan.«
3. En zij gingen huns weegs en vonden het veulen vastgebonden op een plaats, waar twee wegen zich kruisten, en zij maakten het los. En sommigen, die daar stonden, spraken tot hen: »Wat doen jullie daar, waarom maken jullie het veulen los?« En zij zeiden hen, hetgeen Jezus hen had geboden, en zij lieten hen gaan.
4. En zij leidden het veulen tot Jezus en legden hun kleren op het dier, en Hij ging erop zitten. Velen echter spreidden hun kleren op de weg uit, en anderen braken jonge twijgen van de bomen en strooiden ze op de weg.
5. En zij, die voorop liepen en zij, die volgden riepen luid: »Hosanna, gezegend ben Jij, die komt in de naam van Jehova: gezegend zij het rijk van onze vader David en gezegend zij Jij, die komt in de naam van de Hoogste! Hosanna in de hoge!«
6. En Jezus nam Zijn intocht in Jeruzalem en in de tempel en nadat Hij alles rondom zich had gezien, zei Hij deze gelijkenis tot hen en sprak:
7. »Wanneer de mensenzoon zal komen in Zijn heerlijkheid en alle heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen alle volkeren verzameld zijn, en Hij zal hen van elkaar scheiden, zoals een herder zijn schapen scheidt van de bokken. En Hij zal de schapen aan Zijn rechterzijde, de bokken echter aan Zijn linkerzijde plaatsen.
8. Dan zal de koning tot hen, die aan Zijn rechterzijde zijn, zeggen: komt hier, gezegenden van Mijn Vader, erft het rijk, dat voor jullie bereid is vanaf het begin van de wereld. Want Ik was hongerig en jullie hebben mij te eten gegeven. Ik was dorstig en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie hebben Mij onderdak gegeven. Ik was naakt en jullie hebbben Mij gekleed. Ik was ziek en jullie hebben Mij bezocht. Ik was gevangen en jullie zijn bij Mij gekomen.
9. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij Jou hongerig gezien en hebben Jou te eten gegeven? Of dorstig en hebben Jou te drinken gegeven? Wanneer hebben wij Jou als vreemdeling gezien en onderdak gegeven? Of naakt en hebben Jou gekleed? Wanneer hebben wij Jou ziek of gevangen gezien en zijn tot Jou gekomen?
10. En de koning zal antwoorden en tot hen zeggen: zie, Ik toon Mij aan jullie in alle geschapen vormen, en waarlijk, Ik zeg jullie: wat jullie gedaan hebben aan een der geringsten onder Mijn broeders, dat hebben jullie aan Mij gedaan. (Hoofdst. 67, 1-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het woord „veulen” is de ezelin bedoeld, die Mij door de luid roepende menigte van joden droeg, die hun aardse koning wilden hebben.
Zolang de mens slechts bedacht is op zijn materiële welzijn, zal hij ook zo denken, spreken en handelen als de joden, die Mij met hun lippen prezen, in de hoop, dat God hen, het zondige volk, in Mij een mens zou zenden, die hen in hun ondeugden nog zou bevestigen en voor hen datgene teweeg zou brengen, wat voor hen een zondig leven mogelijk zou maken: aardse geneugten en uitspattingen, vraat- en drankzucht - dat betekent, hen alles mogelijk maakt, waarnaar zij verlangen.
Dezelfde joden, die »hosanna« riepen, »gezegend zij het rijk van onze vader David, en gezegend zij Jij, die komt in naam van de Hoogste«, riepen enkele dagen later: »Kruisigt Hem, laat Barabbas vrij.«
Herkent de mensen aan hun taal: wie slechts aan zijn eigen welzijn denkt, zal vandaag diegene eren, die hem dit mogelijk zou kunnen maken en morgen diezelfde verwensen, omdat hij het hem niet mogelijk heeft gemaakt.
Onderzoekt jezelf en jullie leven, of jullie niet in kleine en grote dingen hetzelfde denken, spreken en handelen als de joden toen. Op deze wijze worden velen een Judas. Zij zullen daarvoor moeten afdragen - als het niet in deze incarnatie is, dan in de zielenrijken of in een van de volgende incarnaties: want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
Sedert bijna 2000 jaar oogsten de joden van de ene incarnatie op de andere, wat zij toen en ook in latere incarnaties hebben gezaaid - totdat zij hun Verlosser aan- en opnemen en datgene berouwen, wat zij hebben veroorzaakt.

Begrijpt dit in jullie harten: alles, wat leven draagt, bezit Gods kracht, liefde en wijsheid, en alles, wat leeft, leeft omdat God erin woont.
God is in alles het geheel. Zijn kracht is onverdeeld in alles. Daarom is God alles in alles. In iedere geschapen vorm is God, is alles-in-alles. Alles, wat op deze aarde leeft, elke materiële vorm, draagt in zich de geestelijke vorm, het door God geschapene, en draagt daarmee alles, wat in God is, dus alles-in-alles.
Wie dat niet eerbiedigt, eert ook God niet en acht ook zijn naaste niet. Daarom heeft hij hem niet te eten gegeven, noch te drinken, hem geen onderdak verleend, niet gekleed en hem niet gediend. Wie God niet in elke vorm heeft geacht, heeft ook in zijn naaste God niet herkend en zodoende God niet aan- noch opgenomen. Zijn plaats zal aan Mijn linkerzijde zijn.

11. Dan zal Hij ook tegen degenen aan Zijn linkerzijde zeggen: gaat heen van Mij, slechte zielen, in het aeonen-durende vuur, dat jullie jezelf hebben bereid, totdat jullie zevenmaal gereinigd zijn en bevrijd zijn van jullie zonden. (Hoofdst. 67, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het woord „slecht” is de verdorvenheid van de ziel bedoeld, die alle zeven basiskrachten van God heeft overdekt met zware zonden.
Het afdragen van zware zonden geschiedt in cycli van aeonen*), want een diep gevallen ziel kan haar belastingen vaak niet in kortere tijdspannen afdragen. In veel gevallen zouden zowel de ziel in de reinigingsgebieden, alsook de mens dit niet kunnen verdragen. Daar komt bij, dat zo’n ziel aan verschillende of zelfs aan vele zielen en mensen gebonden is en pas dan vrij wordt, als deze haar allemaal hebben vergeven. Ook al het leed, dat zij als mens haar naaste heeft toegevoegd, zal zij aan het eigen zielenlichaam voelen. Deze afdraging en reiniging kan voor zo’n ziel de zogenaamde hel, het vuur, zijn.
________________________
* Met het woord aeonen zijn lichtcycli of energie-cycli bedoeld.

12. Want Ik was hongerig en jullie hebben Mij niet te eten gegeven. Ik was dorstig en jullie hebben Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie hebben Mij geen onderdak verleend. Naakt, en jullie hebben Mij niet gekleed. Ziek en gevangen en jullie hebben Mij niet bezocht.
13. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij Jou hongerig gezien of dorstig, of als vreemde of naakt of ziek en hebben Jou niet gediend?
14. Dan zal Hij hen antwoorden en zeggen: ziet, Ik toon Mij aan jullie in alle geschapen vormen, en waarlijk, Ik zeg jullie, wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten onder Mijn broeders, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan. (Hoofdst. 67, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De onbaatzuchtige liefde is de wet van het leven. Alleen wanneer zijn werken onbaatzuchtig zijn, leeft de mens bewust in God. Al het andere is gericht op de mens, op de eigen persoon, en houdt geen verband met God, die de Al-Eenheid en de onbaatzuchtigheid is. Wie slechts zijn naaste dient, om van hem loon te ontvangen, heeft zijn loon reeds en zal van God geen loon meer ontvangen.
Alle levensvormen leven door de eeuwig stromende wet, God, die liefde, leven en wijsheid is. Wie zich schuldig maakt aan een levensvorm in gevoelens, gedachten, woorden of daden, handelt in strijd met de wet, God. Ieder mens is geschapen vorm uit God. Alle gesternten, elke steen, elke plant en ieder dier zijn geschapen vormen uit God.
God, het leven, toont zich dus in alle geschapen vormen. Wie niet alle vormgeworden krachten van God onbaatzuchtig dient, maakt zich aan hen schuldig en zal moeten dragen en aflossen, wat hij zichzelf daarmee heeft opgelegd. Wat jullie dus aan een der geringsten van Mijn broeders, jullie naasten, niet onbaatzuchtig hebben gedaan, dat hebben jullie ook aan Mij niet gedaan.

Erkent: wie zijn naaste leed aandoet, hem uitbuit, hem voor een gering loon voor zich laat werken en daardoor rijkdommen verzamelt, zal alles aan zijn eigen lichaam voelen, wat hij zijn naaste heeft aangedaan.
Ik treed de mensen tegemoet in allerlei gestalten en vormen. Wie het leven, dat Ik in gestalte en vorm Ben, niet aan- en opneemt, verwerpt zijn eigen leven en kan het vaak pas na aeonen van leed terugvinden. Want geen enkele ziel gaat verloren - omdat Ik in iedere ziel Ben: Christus, het leven.

15. En de hardvochtigen en liefdelozen zullen heengaan voor een strenge straf gedurende aeonen, en als zij niet berouwen, zullen zij geheel en al vernietigd worden. De rechtvaardigen echter en de barmhartigen zullen ingaan in het eeuwige leven en de eeuwige vrede.« (Hoofdst. 67, 15)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het begrip „geheel en al vernietigd worden” is als volgt te verstaan: zielen, die zichzelf de zwaarste belastingen hebben opgelegd, zonden tegen de Heilige Geest - die zich dus tegen beter weten in hebben bezondigd aan het eeuwige, heilige leven - , en dit niet berouwen, maar willens en wetens doorgaan met zondigen, zullen schade ondervinden aan hun zielenlichaam. Aangezien iedere ziel het eeuwige leven heeft, moeten deze zielen zich regenereren in de geestelijke ontwikkelingsgebieden, dat wil zeggen, zij moeten hun geestelijke lichaam weer vervolmaken.
Dit geldt ook voor demonen, die tot aan de oplossing van alle materiële vormen en daarna nog tegen Mij strijden. Als valwezens zijn zij verantwoordelijk voor het gehele belastingspotentieel en dragen ook in dezelfde mate af tot aan de beëindiging van de val. De individuele zielen en mensen echter dragen af, waaraan zij zich schuldig hebben gemaakt.
Al deze zwaarbelaste zielen worden in het geestelijke evolutieproces opgenomen, om hun geestelijke levenskiemen, de deeltjes van hun geestelijke lichaam, weer op te bouwen en de geestelijke atoomsoorten weer op Mij af te stemmen. Ongeveer zoals het verloopt in het geestelijke evolutiegebeuren in het eeuwige Zijn - van steen tot plant, van plant tot dier en van dier tot natuurwezen -, zal het ook gebeuren met deze zielenlichamen. Op deze wijze bouwen zulke zielen hun geestelijke lichaam weer op en nemen vervolgens weer bewust het kindschap Gods aan - als kinderen van de onbaatzuchtige liefde. Wat hen gegeven werd, het kindschap uit God, is en wordt hen niet afgenomen.
Ik herhaal:
Zulke zwaarbelaste zielen, die delen van hun geestelijke lichaam hebben beschadigd, gaan naar de geestelijke evolutievelden, om datgene weer te herstellen, wat zij door voortdurende belasting hebben geschaad. Het kindschap in God echter blijft hun deel.





HOOFDSTUK 68

Gelijkenissen van het goddelijke gerecht

»Het rijk Gods zal jullie worden afgenomen
en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt« (1-7). De strijd tegen de boden van God, die leven volgens hetgeen zij onderwijzen (8-10). Ik kwam in Jezus en kom als Christus (11). Innerlijke en uiterlijke waardigheid - De aardse machthebbers zullen aan de hoeksteen Christus, die de sluitsteen zal worden, ten ondergaan (12-14). Keert tijdig om, voordat het noodlot zich voltrekt - Menselijke woorden, begrippen, maten en hun betekenis zijn slechts wegwijzers naar de waarheid (15-20)

1. En Jezus sprak een andere gelijkenis: »Er was eens een huisvader, die plantte een wijnberg en plaatste er een omheining omheen en groef daarin een wijnpers en bouwde een toren en gaf hem aan wijnbouwers en trok naar een ver land.
2. En toen de tijd van het rijpen nabij was, zond hij zijn knechten naar de wijnbouwers, om de vruchten eraf te halen. De wijnbouwers echter namen de knechten en sloegen de eerste, stenigden de tweede en doodden de derde.
3. Hij zond nogmaals andere knechten tot hen, die hoger in aanzien waren dan de eersten, en zij handelden evenzo met hen. Als laatste echter zond hij zijn zoon tot hen en sprak: Mijn zoon zullen zij aanvaarden.
4. Toen echter de wijnbouwers de zoon zagen, spraken zij onder elkaar: dit is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden en zijn erfenis in bezit nemen. En zij namen hem, wierpen hem uit de wijnberg en sloegen hem dood.
5. Als nu de heer van de wijnberg komt, wat zal hij doen met deze wijnbouwers? Zij spraken tot Hem: »Hij zal deze slechte mensen op ellendige wijze ombrengen en de wijnberg aan andere wijnbouwers geven, die hem de vruchten zullen overdragen, als zij rijp zijn.«
6. Jezus sprak tot hen: »Hebben jullie niet gelezen in de schrift: de steen, die de bouwlieden hebben verworpen, is tot de sluitsteen van de pyramide geworden? Dit is de daad van de Heer en zij is wonderbaar in onze ogen!
7. Daarom zeg Ik jullie: het rijk Gods zal van jullie worden weggenomen en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal breken, maar op wie hij valt, die zal hij tot stof verpulveren.« (Hoofdst. 68, 1-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Vele gelijkenissen, die Ik als Jezus van Nazareth aan Mijn apostelen, discipelen en aan het volk gaf, zijn eveneens van toepassing op de huidige tijd [1989].
De uitspraak »het rijk Gods zal jullie worden afgenomen en aan een volk worden gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt« was en is van toepassing op de joden en geldt eveneens voor de zogenaamde „plaatsvervangers van Christus”.
Ook thans roept God nog steeds door Zijn getrouwen en door Zijn profeten en nog steeds spoort God door hen de „plaatsvervangers van Christus” aan, om de vruchten van het innerlijke leven te brengen. Weliswaar wilden zij Mijn leer verspreiden, maar het is bij willen gebleven. Omdat zij geen vruchten van innerlijk leven kunnen tonen, maar hun harten geestelijk leeg zijn, werden en worden zij beheerst door machtlust en hebzucht, doodden zij de afgezanten Gods en zij bespotten en honen hen nog steeds.
Nu verzamel Ik uit de vier windstreken een ander uitverkoren volk, dat God gehoorzaamt en zijn geestelijke vruchten voortbrengt, en Ik zal daarmee datgene tot stand brengen, wat Ik door vele rechtvaardige profeten heb geopenbaard: het rijk Gods op deze aarde.

8. En toen de hogepriesters en Farizeeën deze gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij over hen sprak. Maar zij waren bevreesd voor het volk, toen zij de hand aan Hem wilden slaan; want het hield Hem voor een profeet.
9. De discipelen vroegen Hem daarna naar de zin van deze gelijkenis, en Hij sprak tot hen: »De wijnberg is de wereld, de wijnbouwers zijn jullie priesters, en de knechten zijn de dienaren van de goede wet en de profeten.
10. Wanneer de vruchten van het werk van de priesters zullen worden verlangd, worden er geen gegeven, maar zij mishandelen de afgezanten, die de waarheid Gods leren, zoals zij hebben gedaan vanaf het begin. (Hoofdst. 68, 8-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wat eens was, is ook momenteel [1989] actueel! De wijnberg is de wereld; de priesters menen nog steeds, dat zij het daarin voor het zeggen hebben. Maar de tijd is gekomen, waarin de ware dienaren en dienaressen en de ware profeten werkzaam zijn en de mensen het leven uit God leren en het hen voorleven, opdat de wijnstokken Mij, de Christus, de ware vruchten brengen: zichzelf.
Erkent: steeds weer zijn het dezelfden - de goddelozen, priesters, schriftgeleerden en farizeeërs - die mannen en vrouwen veroordelen, die God heeft gezonden. Het hele streven der goddelozen is, om de waarheid tot zwijgen te brengen. Maar wie meent, de waarheid te kunnen uitdoven, die zij gezegd, dat ook de stenen spreken.
Te allen tijde ondernamen de goddelozen de eerste stappen tegen de rechtvaardige mannen en vrouwen. Zij, die horig zijn aan de mannen van de kerk, spelen hun spel, vernietigen en verwoesten alles, wat hun drang naar aanzien en rijkdom in de weg staat.
Mensen die slechts voor hun eigen schuren verzamelen, kunnen geen vruchten van onbaatzuchtigheid voorleggen. Daarom spreekt God het egoïstische, het zelfzuchtige, het streven naar macht en de hebzucht aan door Zijn knechten en maagden, door profeten en door verlichte mannen en vrouwen. Als deze dan de satan der zinnen in de mens aan de kaak stellen, steigert deze en wendt zich tegen de boden van God.

11. En als de mensenzoon zal komen, de Christus Gods zelf, verzamelen zij zich tegen de Heilige, slaan Hem en werpen Hem uit de wijngaard; want zij hebben niet de dingen des geestes gedaan, maar zochten hun eigen genot en gewin, door de heilige wet te verwerpen. (Hoofdst. 68, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik, de Christus Gods, kwam in Jezus tot hen en kom als Christus tot hen. In velerlei gestalten hadden zij Mij kunnen aanschouwen en ervaren, want Ik Ben in de Vader-Moeder-God het leven in alle levensvormen.
Ik kwam en kom tot hen ook met Mijn heilige woord, dat de eeuwige waarheid is. Ik vermaande en vermaan hen door Godsprofeten, om de wetten Gods in acht te nemen. Maar zij luisterden en luisteren slechts naar de influisteringen van hem, aan wie zij zich hebben overgegeven. Deze verleidt en leidt hen, en zo waren en zijn zij slechts bedacht op hun eigen genot en gewin. Op deze wijze hebben zij de wet, God, verworpen en verwerpen deze tot aan deze generatie toe [1989].
12. Hadden zij die Ene Gezalfde aangenomen, die de hoeksteen is en de nok, dan was het goed geworden met hen, en het gebouw had gestaan als een tempel Gods, waarin de Geest woonde.
13. Maar de dag zal komen, dat de wet, die zij verwerpen, tot sluitsteen wordt, die allen zien en zij, die over hem struikelen, te gronde zullen gaan; maar zij die in de ongehoorzaamheid volharden, zullen in stukken worden geslagen.
14. Want God heeft aan enkele engelen de heerschappij gegeven over de loop van de wereld en hen de opdracht gegeven, in wijsheid, gerechtigheid en in liefde te regeren. Maar zij hebben de geboden van de machtigste geminacht en tegen de goede bevelen Gods gehandeld. Zo waren wreedheid en leed en verdriet in de wereld gekomen, totdat de Meester terugkomt en alle dingen in bezit neemt en Zijn dienaren ter afrekening roept.« (Hoofdst. 68, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Hetgeen hier is aangekondigd, geschiedt nu [1989]. De Nieuwe Tijd zal de zondige wereld uit haar voegen rukken en alles aan het daglicht brengen, wat tot nu toe verborgen was - ofwel in de regeringen van deze wereld, onder de regerenden, die hun machtsstructuren willen handhaven, om daarmee het volk te onderdrukken; of ook de machtsstructuren van de kerkelijke instituties, die Mijn naam, Christus, misbruiken, om hun gelovigen aan hun dogma’s en leerstellingen te binden.
Hadden zij Mij, Christus, aan- en opgenomen, dan waren de mensen bewust in Mij, de Christus, en ieder mens zou bewust een tempel Gods zijn. Hun kerken waren dan gebedshuizen voor alle mensen, zonder pracht en praal. Maar de machthebbers van de kerkelijke instituties hebben van de gebedshuizen prachtige bouwsels gemaakt, waarin zij hun rijkdommen tentoonstellen. Daarheen leiden zij de hen onderhorige schapen ter aanbidding in uiterlijke pracht en praal, zoals het bij de mammon, het satanische, hoort.
Wie in zijn innerlijk is verkoeld, wie arm is, wie dus zijn tempel niet heeft versierd met de sier van innerlijke liefde en deugdzaamheid, heeft behoefte aan het uiterlijke vertoon van grote, rijk versierde kerkgebouwen. Hij zal er dan ook naar streven, om in het uiterlijke waardigheid en aanzien te verkrijgen en als hoogwaardigheidsbekleder in zo’n kader te schitteren.
Wie de innerlijke waardigheid ontbreekt, meet zich uiterlijke waardigheid aan.

De wet luidt: wie in zijn innerlijk arm is, tracht zich in het uiterlijke op te smukken. Wie in zijn innerlijk rijk is, draagt de sier van de onbaatzuchtige liefde, van de deugd, de goedheid en de deemoed; zijn blik is helder en niet verblind door ijdele waan.
Hadden zowel de regeerders van alle volkeren, alsook de machthebbers van de kerkelijke instituties Mij, de hoeksteen en de nok, aan- en opgenomen, dan zouden zij dienaren zijn van het levende heil; zij zouden dan gelijkgesteld zijn aan hun naaste en geen hooggeplaatsten. Wie zichzelf hoger dunkt dan zijn naasten, zal vallen. Zo zullen alle hooggeplaatsten aan de hoeksteen, die de sluitsteen zal worden, te gronde gaan. Alles zal openbaar worden. Dat is de wet van de gerechtigheid, die alles onthult.
God de Eeuwige, heeft steeds weer mensen geroepen, om onbaatzuchtige dienaren van al Zijn kinderen te zijn, opdat alle mensen onbaatzuchtig worden en zich allen verenigen in onbaatzuchtige liefde. God, de Eeuwige, heeft hen de wetten van het innerlijke heil verkondigd, opdat zij een engelachtig leven mogen leiden, om zoals de engelen in de hemel op aarde werkzaam te zijn. Zij hebben deze wetten slechts aangenomen, maar in hun leven niet verwezenlijkt. Zij misbruikten de waarheid voor hun eigen doeleinden en hebben in naam van de Allerheiligste een hel van zonde geschapen, waarin veel mensen uit Mijn naam worden vastgehouden. In blind geloof in het goede brengen zij hun geld als offer, dat echter dan grotendeels door de verantwoordelijken voor egoïstische doeleinden wordt gebruikt.

Dit alles en nog veel meer brengt de wet Gods, de gerechtigheid, liefde en wijsheid, aan het daglicht. Daaraan zullen diegenen te gronde gaan, die het volk blind hebben gehouden. Het volk moet zijn bedrieglijke leiders herkennen en uit deze herkenning vrijwillig omkeren; want ieder mens is de vrije wil gegeven.
Omdat de hoeksteen tot sluitsteen wordt, zullen de ogen van velen worden geopend en zij zullen herkennen, wie zij zijn gevolgd. Dan zullen velen de uiterlijke pracht en rijkdom verlaten en afbreken. Op deze manier vergaan de machtsstructuren, die door het schijnvertoon en de uiterlijke rijkdom omhoog zijn geklommen.

Aangezien dit boek een historisch werk is, wil Ik steeds opnieuw de mensen in het rijk Gods, in het vredesrijk van Jezus Christus, aanspreken:

Erkent: in de machtige tijdsomwenteling streden de pioniers met zichzelf, om vrij te worden van al het menselijke, dat hen nog eigen was. Tegelijkertijd streden zij tegen de machtsstructuren, die zijn voortgekomen uit het menselijke ik. Zij wisten, dat Ik met hen was, zoals Ik met jullie Ben in het vredesrijk. Zij streden tegen al het institutionele, omdat zij wisten: God is vrijheid en laat alle mensen de vrijheid.
Ook binnen de bondgemeente Nieuw Jeruzalem vond steeds weer het reinigingsproces plaats: voor of tegen Christus. Iedereen had de vrije wil, in de bondgemeente Nieuw Jeruzalem te blijven of deze te verlaten. Niemand werd gebonden aan een bepaalde uitspraak of een belofte. Maar iedereen moet zich voor hetgeen hij doet alleen voor God verantwoorden en niet voor de mensen.
De pioniers voor het vredesrijk van Jezus Christus streden voor de nieuwe wereld, de wereld van Christus, waarin alleen de wetten der hemelen geldigheid hebben. Zij wisten - en daarop bouwden zij - :
Ik, Christus, maak alles nieuw.
Zij wisten: Ik zal tempels stichten, die Mij aan- en opnemen. Deze tempels zullen stralende fakkels zijn van het ware christelijke leven. Het zijn de tempels van vlees en bloed, waarin verlichte zielen zullen wonen, in wie het altaar Gods is opgericht, waarop het vuur van de onbaatzuchtige liefde, de wijsheid en de goedheid brandt. Dat Ben dan Ik, Christus, in de Mijnen.

15. En Hij sprak een andere gelijkenis: »Een man had twee zonen, en hij kwam bij de eerste en sprak: mijn zoon, ga heen en werk vandaag in mijn wijnberg, en deze antwoordde: ik wil niet. Later echter had hij spijt en ging er heen. En hij kwam bij de tweede en sprak evenzo. En deze antwoordde: ik ga, vader. Maar hij ging er niet heen. Welke van beiden deed de wil van de vader?«
16. Zij zeiden tot Hem: »De eerste.« En Jezus sprak tot hen: »Waarlijk, Ik zeg jullie, dat de tollenaars en de hoeren het rijk Gods zullen binnengaan vóór jullie. Want Johannes is tot jullie gekomen op het pad der gerechtigheid, en jullie geloofden hem niet; maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem, en jullie, toen jullie het gezien hadden, hebben het daarna niet berouwd, opdat jullie hem zouden hebben geloofd.«
17. En de Heer verzamelde al Zijn discipelen om zich heen op een plaats. En Hij sprak tot hen: »Kunnen jullie volmaaktheid geven aan hetgeen onvolmaakt is? Kunnen jullie orde maken van wanorde?« En zij antwoordden: »Neen, Heer.«
18. En Hij stelde hen op, ieder volgens zijn cijfer in een vierkant, aan elke kant één minder dan twaalf; Hij deed dit, omdat Hij wist, wie Hem zou verraden (die door de mensen als een van de Zijnen beschouwd zou worden, maar het niet was).
19. De eerste in de zevende rij van boven in het midden, en de laatste in de zevende rij van beneden, en degene, die noch de eerste noch de laatste was, maakte Hij tot middelpunt, en de overigen stelde Hij op volgens een goddelijke orde, en ieder vond zijn plaats, zodat de bovensten net zo stonden als de ondersten, en de ondersten net zo als de bovensten, en de linkerzijde gelijk was aan de rechter en de rechterzijde gelijk aan de linker, volgens de som van de cijfers.
20. En Hij sprak: »Zien jullie, hoe jullie staan? Ik zeg jullie, zo is ook de orde in het rijk Gods, en de Ene die over allen regeert, is in jullie midden, en Hij is het middelpunt en met Hem zijn de honderdtwintig, de uitverkorenen van Israël, en na Hem komen de honderdvierenveertigduizend, de uitverkorenen der heidenen, die hun broeders zijn.« (Hoofdst. 68, 15-20)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: wie tijdig erkent en berouwt, kan ook tijdig ontvangen, voordat het noodlot toeslaat. Keert daarom om, voordat jullie intreden in het rad van lijden en datgene over jullie komt, wat jullie hebben veroorzaakt door jullie gevoelens, gedachten, woorden en daden.
De dagen zijn jullie gegeven, opdat jullie uit het verloop van de dag lezen, wat de dag jullie wil meedelen. Indien jullie bewust in de dag leven en de taal van de dag hebben leren duiden, zullen jullie je daarin ook herkennen; en jullie zullen in het reine brengen, wat als vermaning op jullie toekomt, voordat het noodlot in werking treedt.

Als Jezus van Nazareth sprak Ik in vele gelijkenissen. Bovendien gebruikte Ik getallen en maten, om Mijn getrouwen het rijk van het innerlijke leven uit te leggen.
Het woord van de mensen heeft verschillende betekenissen en ieder mens neemt slechts die betekenissen waar, die hij in staat is te begrijpen, volgens de bewustzijnsstand van dat moment. Daarom moeten jullie je niet aan woorden, aan betekenissen, noch aan getallen en maten vastklampen, maar deze allemaal als hulpmiddelen, als wegwijzers zien, die jullie leiden naar het innerlijke leven, naar de waarheid, die woorden noch begrippen, getallen noch maten heeft, maar die de kracht zelf is, de liefde en de wijsheid - het Albewustzijn.
Wanneer de ziel weer teruggekomen is tot het Al-Vader-bewustzijn, dus rein is, dan is ook de mens zich van veel bewust en hij gebruikt dan de hulpmiddelen slechts nog zolang, als hij in de wereld van woorden, begrippen, getallen en maten leeft.
Aangezien alles vibratie is, heeft alles een betekenis. Maar ook de betekenis der dingen kan slechts worden begrepen volgens de zin; zij is niet de waarheid zelf - deze is het zich openbarende bewustzijn zonder woorden, begrippen, getallen en maten.





HOOFDSTUK 69

Over dood, wedergeboorte en leven

De wedergeboorte in de Geest Gods bevrijdt van
de reïncarnatie (1-2). Over het rad van wedergeboorte - De schaduwzielen - De ziel vindt pas rust, wanneer alle zonden zijn uitgeboet - Aflossing van zonden op aarde gemakkelijker en sneller dan in het zielenrijk (3-4). Het woord van de mens is het woord van de dwaling (5-6). De werking van het Vader-Moeder-principe in de dualen (7-10). Wie van goede wil is, begrijpt en vervult de wet van het leven en wordt vrij van dwalingen (11-13)

1. Toen Jezus met Zijn discipelen aan de westelijke zijde van de tempel zat, zie, daar droegen de mensen een dode op een draagbaar, om hem te begraven, en een van hen zei tot Hem: »Meester, wanneer een mens is gestorven, zal hij dan weer leven?«
2. En Hij antwoordde en sprak: »Ik Ben de opstanding en het leven, Ik Ben het goede, het mooie, het ware en wie in Mij gelooft, zal nooit sterven, maar eeuwig leven. Zoals in Adam allen sterven, zo zullen allen in Christus weer levend worden. Gezegend zijn zij, die in Mij sterven en volkomen gelijk geworden zijn aan Mij; want zij rusten uit van hun werk, en hun werken volgen hen na. Zij hebben het kwade overwonnen en werden gemaakt tot pijlers van de tempel van Mijn God, en zij gaan er niet meer uit; want zij zullen in de eeuwigheid blijven. (Hoofdst. 69, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

„... in Adam sterven” betekent, in de zonde sterven. In Christus verrijzen betekent, ontbonden zijn van de zonde door berouw, vergeving, vragen om vergeving, door het weer goedmaken en doordat de mens zulke en vergelijkbare zonden niet meer doet.
Wie de reinheid van de ziel nastreeft en wie in Mij, Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, gelooft, zal bewust in Mij leven en de wedergeboorte in de Geest Gods verkrijgen. Hij gaat het Allerheiligste binnen, in God, en zal ook in God blijven. Het wezen, dat weer bewust het evenbeeld van de Vader is geworden, blijft in de eeuwige hemelen en gaat niet meer ter incarnatie - behalve om de Eeuwige in het aardse gewaad te dienen.

3. Zij echter, die kwaad hebben gedaan, voor hen is er geen rust; want zij zullen in- en uitgaan en door vele tijdperken heen leed moeten dulden voor hun verbetering, totdat zij volmaakt zullen zijn geworden. Zij echter, die het goede hebben gedaan en volmaaktheid hebben verkregen, hebben de eeuwige rust en zij gaan het eeuwige leven binnen. Zij rusten in de eeuwigheid.
4. Dood en geboorte hebben in hun herhaling geen macht meer over hen, voor hen draait het rad van de Eeuwige niet meer, want zij hebben het middelpunt bereikt, waar eeuwige rust heerst, en het middelpunt van alle dingen is God.« (Hoofdst. 69, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie in de zonde sterft, zal geen rust hebben, omdat op z’n laatst in de reinigingsgebieden de zonde tot borende pijn wordt.
Als de ziel in deze incarnatie haar meegebrachte zonden niet heeft afgelost, maar daarop verder heeft opgebouwd, blijft zij vastzitten aan het rad der wedergeboorte en wordt daardoor in een volgende incarnatie getrokken, omdat zij zich vanwege haar belasting, vanwege de zonde niet kon verheffen. Elke zonde wordt rijp volgens voorgeschreven wetten en dringt dan tot aflossing. Zolang de ziel vast blijft zitten aan het rad van wedergeboorte, trekt dit haar ook weer naar de aarde, omdat zij daar de mogelijkheid heeft, in een korte periode in het reine te brengen, wat nog aardgebonden, dus in de aarde geworteld is.
Een ziel kan verschillende of zelfs vele incarnaties hebben doorleefd. Dit kan zo lang voortgaan, totdat alle zonden zijn afgelost, die de ziel steeds weer naar de aarde trekken, omdat zij nog in de aarde geworteld is.
Wanneer in de reinigingsgebieden een zielenschuld openbreekt, kan dit voor de ziel een „vuurhaard” zijn, waarin zij smacht. Veel zielen herkennen in de gloed van de opengebroken zonde - die de ziel evenveel pijn doet als de wonden aan het fysieke lichaam van de mens -, dat zij opnieuw de mogelijkheid zouden hebben, om als mens op aarde deze schuld af te dragen en eveneens andere zonden, die nog latent zijn. Zij vernemen van leerengelen, dat in een latere incarnatie de mogelijkheid bestaat, de belastingen van de ziel sneller en gemakkelijker af te dragen en zich sneller te bevrijden van het leed, dat door de zonde is ontstaan.
Weer andere zielen gaan door vele tijdperken, komen op aarde en gaan weer - komen en gaan weer. Velen van hen belasten zich steeds opnieuw, omdat zij noch in de reinigingsgebieden, noch in het aardse bestaan bereid zijn, hun zonden in te zien, als hun schuld te erkennen, te berouwen en niet meer te zondigen. Dat zijn vaak degenen, die kwaad spreken over mensen, die trachten, Gods wil te vervullen.
Wie gedurende lange perioden in zonde leeft, is ver verwijderd van het licht - en is uiteindelijk tegen het licht, omdat voor hem de schaduw zijn tehuis is. Dit zijn dan ook zulke zielen, die in het aardse gewaad steeds weer die mensen achtervolgen, die zij reeds in het verleden kwaad hebben aangedaan. Ook via hun overeenkomsten kunnen de achtervolgers diegenen herkennen, die trachten, de schaduwen - hun zonden - met Christus in het reine te brengen.

Erkent: veel geïncarneerde zielen, mensen dus, ontmoeten in hun bestaan op aarde in andere mensen hun slachtoffers uit vroegere tijden. Daarmee wordt hen de mogelijkheid gegeven tot inzicht en ommekeer.
De een erkent, berouwt en gaat als ziel geleidelijk het leven in en komt niet terug. De andere ziel komt weer in een aards bestaan, omdat zij de vorige incarnaties niet heeft benut en zich opnieuw heeft bezondigd.
Erkent: in de zielenrijken beleven de zielen hun zonden als vuur in het zielenlichaam, wanneer de oorzaken, de zonden dus, actief worden; het is ongeveer zoals in het aardse bestaan, wanneer de oorzaken tot uitwerking komen en de mens bepaalde lotgevallen en ziekten moet ondergaan. In de reinigingsgebieden echter beleeft de ziel de uitwerkingen van de zonden veel pijnlijker dan wanneer zij deze als mens in een aards bestaan moet afdragen en ondergaan. Want wie in het aardse gewaad berouw heeft en moeite doet, zijn zonden aan Mij, de Christus, over te geven en ze bij Mij te laten, wie in Mij leeft en niet meer zondigt, gaat het eeuwige, reine, geestelijke leven binnen. Voor hem draait het rad van wedergeboorte niet meer. Hij is ontbonden van dood en geboorte, omdat de ziel weer het wezen uit God is geworden en leeft in het middelpunt, in God.

5. En een van Zijn discipelen vroeg Hem: »Hoe moet men ingaan in het rijk Gods?« En Hij antwoordde en sprak: »Als jullie niet het onderste maken als het bovenste en het linkse als het rechtse, datgene wat van achteren is als dat, wat van voren is, als jullie niet ingaan in het middelpunt en in de geest, zullen jullie niet ingaan in het rijk Gods.«
6. En Hij sprak: »Meent niet, dat er één mens is zonder dwaling, want zelfs onder de profeten en ingewijden van het christen-zijn wordt het woord van de dwaling gevonden. Maar er zijn veel dwalingen, die de liefde toedekt.« (Hoofdst. 69, 5-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het woord van de mens is het woord van de dwaling. Want woorden zijn slechts symbolen en kunnen op velerlei wijze worden geduid. Het woord van de mens wordt door mensen slechts zo begrepen, als hun momentane bewustzijn gerijpt is. Geestelijk ontwaakte mensen begrijpen de betekenis van het woord, omdat zij zijn ingegaan in de waarheid. Mensen, wier bewustzijn zich nog in een embryonale toestand bevindt, blijven hangen aan de letter en zien in alles de tegenspraak.
Het woord van de ware profeten, ingewijden en verlichten wordt dikwijls verkeerd geduid, omdat het verkeerd begrepen wordt. Op aarde leven mensen met verschillende bewustzijnsniveau’s, en ieder hoort overeenkomstig zijn eigen bewustzijnsstand, en ieder duidt het ook dienovereenkomstig voor zichzelf en voor zijn naasten.

De woorden »... want zelfs onder de profeten en ingewijden van het christen-zijn wordt het woord van de dwaling gevonden. Maar er zijn veel dwalingen, die de liefde toedekt« betekenen het volgende:
De zogenaamde profeten en ingewijden, die Mij, de Christus, slechts als middel voor hun doel gebruiken, om hun eigen belangen te dienen, misbruiken Mijn naam, om de dwaling in deze wereld te brengen. Deze onverlichten beroepen zich met hun menselijke voorstellingen - die zij als waarheid verkondigen en die toch dwalingen zijn - op het woord van de ware profeten en ingewijden, dat zij verkeerd begrijpen en interpreteren, om zichzelf te legitimeren. Deze dwalingen, die zij de ware profeten en ingewijden in de mond leggen, rekent de Eeuwige hen niet aan. Hij dekt ze als het ware toe, tot de tijd rijp is, om de dwaling aan het licht te brengen, die in deze wereld kwam.

7. En toen het avond was geworden, ging Hij naar Bethanië met de twaalf; want daar woonden Lazarus en Maria en Martha, die Hij liefhad.
8. En Salomé kwam tot Hem en vroeg Hem: »Heer, hoe lang zal de dood macht bezitten?« En Hij antwoordde en sprak: »Zolang de mannen lasten opleggen en de vrouwen zullen baren. Om deze reden ben Ik gekomen, om de werken van de lichtzinnigen te beëindigen.«
9. En Salomé zei tot Hem: »Dan heb ik goed gedaan, door niet te hebben gebaard.« En de Heer antwoordde en sprak: »Eet van elke weide die goed is; maar van die, die de bitterheid van de dood heeft, eet niet.«
10. En toen Salomé vroeg, wanneer deze dingen, waarnaar zij Hem had gevraagd, begrepen zullen worden, sprak de Heer: »Als jullie het kleed der schaamte zullen hebben afgelegd en je over de begeerte verheffen; als de twee één zullen zijn, en het mannelijke met het vrouwelijke noch mannelijk, noch vrouwelijk zal zijn.« (Hoofdst. 69, 7-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het mannelijke en het vrouwelijke principe worden in God het positieve en het negatieve principe genoemd. Het zijn de twee polen, die werkzaam zijn in absolute eenheid. Het zijn de gevende en de ontvangende pool. Zij vormen in de eenheid het Vader-Moeder-principe.
Beide polen, het gevende en het onvangende principe, zijn ook werkzaam in de kinderen Gods. Zij zorgen o.a. voor het samenkomen van twee wezens, het gevende en het ontvangende principe. Zij smelten samen in de dualiteit en activeren zo het Vader-Moeder-principe, de geestelijk verwekkende en ontvangende kracht.
Wezens in het licht Gods vrijen niet en worden ook niet gevrijd. Zij beminnen elkander in God en uit God, en in de verbinding van de Vader-Moeder-kracht verwekken zij geestelijke wezens, kinderen van het licht.
Het duaalpaar is de dualiteit. Het zijn de twee met elkaar versmolten krachten, de gevende en de ontvangende kracht. De dualen zijn twee wezens - en toch voor eeuwig tot eenheid versmolten. Hun geestelijke kinderen bieden zij de Eeuwige aan en verheffen hen in het kindschap Gods, in de heelal-familie, die de grote familie Gods vormt.

11. En nogmaals tot een andere discipel, die Hem vroeg: »Wanneer zullen allen gehoorzaam zijn aan de wet?« »Wanneer de Geest Gods de hele aarde en het hart van elke man en elke vrouw zal vervullen.
12. Ik strooide de wet in de aarde en het schoot wortel en droeg op de juiste tijd twaalf vruchten als voeding voor allen. Ik wierp de wet in het water, en zij werd gereinigd van alle kwaad. Ik wierp de wet in het vuur, en het goud werd gereinigd van alle slakken. Ik wierp de wet in de lucht, en zij ontving leven door de Geest van de levende Ene, die alle dingen vervult en die in het hart van ieder woont.«
12. En nog vele andere soortgelijke gelijkenissen sprak Hij tot hen, die oren hadden, om te horen en een verstandige ziel. Maar voor de menigte waren het duistere woorden. (Hoofdst. 69, 11-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze woorden willen zeggen: de eeuwige Vader in Mij, Zijn zoon, bracht de wet des levens in deze wereld. De bewuste en onbewuste dwalingen van de mensen omranken de wet van de liefde en het leven. Deze dwalingen zal Ik wegnemen, zodat de eeuwige wet door ieder mens, die van goede wil is, herkend en begrepen wordt, opdat hij de eeuwige wet verwezenlijkt en in zijn dagelijkse leven vervult.
Als alle mensen de wet Gods vervullen, schouwen zij hun eigen woorden en die van hun naasten; dan is er niet langer plaats voor dwaling. Wie in God leeft, leeft als kind Gods in de alles omvattende oceaan God. Het kind Gods kent de wet van de aarde, van het water, het vuur en de lucht, omdat het in de wet leeft. Zo heeft het ook de kracht, de vier elementen te bewegen.




HOOFDSTUK 70

Jezus berispt Petrus wegens zijn opvliegendheid

Eerbiedig het leven in elke ontwikkelingsfase;
iedere levensvorm bevindt zich op de evolutieweg naar de volmaaktheid (1-5). Wie in Mij leeft, is een getuigenis in deze wereld (6-7). De wegbereiders voor Christus van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd (8). Christus wordt steeds opnieuw gekruisigd in de strijd tussen licht en duisternis (9-10). In de tijdsomwenteling wordt het allesomvattende licht zichtbaar; de duisternis wil het uitdoven (11). De goddelijke wijsheid bouwt tijdens de tijdsomwenteling de oergemeenten op, door wie Christus, het licht der wereld, naar alle volkeren straalt - De bondge-
meente Nieuw Jeruzalem is de priesteres (12-14)

1. En op de morgen van de dag, waarop zij van Bethanië kwamen, was Petrus hongerig en ontdekte in de verte een vijgenboom met bladeren. Vol verwachting liep hij erheen, want hij hoopte, vruchten te vinden. Maar hij vond niets dan bladeren, want de tijd voor vijgen was nog lang niet gekomen.
2. En Petrus werd kwaad en zei: »Vervloekte boom, nooit meer zal een mens van jou vruchten eten!« En enkele discipelen hoorden dat.
3. En de volgende dag, toen Jezus en Zijn discipelen er langs liepen, zei Petrus tot Jezus: »Meester, zie de vijgenboom, die ik vervloekt heb, is groen en bloeit. Waarom ging mijn woord niet in vervulling?«
4. Jezus sprak tot Petrus: »Jij weet niet, van welke geest je bent. Waarom heb je vervloekt, wat God niet heeft vervloekt?« En Petrus zei: »Zie, Heer, ik had honger, en toen ik de bladeren vond en geen vruchten, werd ik kwaad en vervloekte de boom.«
5. En Jezus sprak: »Zoon van Jonas, wist je niet, dat de tijd voor de vijgen nog helemaal niet gekomen is? Zie het koren op het veld, het groeit volgens zijn soort - eerst de groene scheut, dan de halm en dan de aar - zou je ook kwaad worden, als je op de tijd van de tere scheuten of halmen kwam en je zou geen koren op de aar vinden? En jij wilt de boom vervloeken, die vol knoppen en bloesems staat en nog geen rijpe vruchten draagt? (Hoofdst. 70, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De vijgenboom is een gelijkenis voor de evolutie van het leven. Alle levensvormen hebben het leven, dat evolutie is, in zich - ook ziel en mens. Iedere ziel zal weer de volledige rijpheid bereiken door Mij, de Christus. Maar alle zielen en mensen zullen verschillend rijp worden - afhankelijk van hun bewustzijnsstand en hun denken, spreken en handelen. Eerbiedig daarom het leven, ongeacht, hoe ver het zich heeft ontplooid. Want in alle ontwikkelingsfasen is God, het leven, en leidt de ziel naar de volmaaktheid.
Elke vloek, die over de lippen van de mens komt of in de gedachten van de mens is, zal hem noodlottig worden. Dit moest ook de onstuimige Petrus ondervinden. Hij moest erkennen, dat hij weliswaar veel kennis bezat, maar nog weinig wijsheid.

De wijze kent de wegen der ziel. Was Petrus op deze momenten vervuld geweest van de wijsheid Gods, dan had hij kennis gehad van de wet van de innerlijke rijping van de levensvormen, de evolutieweg, die Ik de apostelen en discipelen in vele gelijkenissen heb getoond.
Weinigen, die Mij wilden volgen, begrepen de zin van Mijn uiteenzettingen, want de meesten waren nog teveel met zichzelf en met hun oude gewoontes bezig. Daarom bleven deze in de dwaling, omdat zij het woord slechts hoorden en de zin van mijn uiteenzettingen niet konden begrijpen.

6. Waarlijk, Petrus, Ik zeg je, een van Mijn twaalf zal Mij driemaal verloochenen in zijn angst en vrees met vloeken en zweren, dat hij Mij niet kent, en de rest zal Mij een tijd lang verlaten.
7. Maar jullie zullen het berouwen en bitter betreuren; want jullie hebben Mij lief in jullie harten, en jullie moeten zijn als een altaar van twaalf gebeitelde stenen en een getuigenis van Mijn naam, en jullie moeten zijn de dienaars van de dienaars, en de sleutels van de gemeente wil Ik jullie geven, en jullie moeten Mijn schapen hoeden en Mijn lammeren, en jullie moeten Mijn plaatsvervangers op aarde zijn. (Hoofdst. 70, 6-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Mijn woorden golden niet slechts voor de apostelen en de discipelen en voor het toenmalige volk Israël. Mijn woord was en is het woord van de Vader. Het geldt voor alle volkeren van deze aarde van generatie tot generatie en voor alle zielen in de reinigingsgebieden.

Het altaar van God moet worden gevormd door die mannen en vrouwen, wier leven rust in Mij, de Christus. Wie in Mij leeft, zal een getuigenis voor Christus zijn in deze wereld. Hij zal in Mijn naam een wegwijzer zijn voor de leden van de gemeenten, die in Mij leven. Hij zal in Mij een sleutel zijn, die steeds meer harten opent voor Mij, de Christus.
Zij, die in Mij leven en door wie Ik leef, moeten de dienaren van allen zijn. Door hen wijs Ik de leden van Mijn gemeenten, Mijn schapen en lammeren, de weg naar de eeuwige weiden van het innerlijke leven.

De tijd wordt rijp. Evenals de rijpheid van de mensen en de aarde voortschrijdt, zullen steeds meer schapen die ene herder vinden - Mij, de Christus, die in alle zielen en mensen woont.

8. En er zullen mensen onder hen opstaan, die jullie zullen navolgen, waarvan menigeen Mij werkelijk zal liefhebben evenals jij, en de heethoofden en de onverstandigen en ongeduldigen zullen diegenen vervloeken, die God niet heeft vervloekt, en hen vervolgen in hun onwetendheid, omdat zij in hen nog geen vruchten kunnen vinden, die zij verlangen. (Hoofdst. 70, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Alle mensen en zielen zijn vruchten aan de boom des levens. Iedere vrucht rijpt geleidelijk tot Mij, de Christus. Heeft eenmaal de vrucht de volle rijpheid bereikt, dan draag Ik haar naar de eeuwige Vader, die haar opneemt en eeuwig daar laat, waar zij haar plaats heeft in het rijk Gods.
Totdat echter een vrucht de innerlijke rijpheid heeft bereikt, duurt het vaak meerdere aardse levens. Daarom kwamen en komen veel zielen steeds weer in het aardse bestaan terug. Zij glippen een aards lichaam binnen en bij de dood van het lichaam er weer uit, totdat zij de rijpheid hebben bereikt, die hen van het rad van wedergeboorte bevrijdt.
Pas wanneer de ziel in de mens rijp wordt, kan de mens onbaatzuchtig de gaven van het innerlijke leven aan de mensen doorgeven, die ernaar dorsten, opdat ook zij de innerlijke rijpheid mogen verwerven.
Daarom kan volgens de wet van het eeuwige leven slechts die mens het evangelie der liefde doorgeven en naar alle landen dragen, die grotendeels tot waarheid is geworden. Hij kan dan vele harten beroeren, omdat hij geeft uit de eeuwige waarheid.
Erkent: sinds Mijn aardse bestaan als Jezus van Nazareth rijpt - via de apostelen, de discipelen en alle rechtvaardige profeten en verlichten - van generatie tot generatie de Nieuwe Tijd, de tijd van de Christus. Steeds weer kwamen, van generatie tot generatie, zielen, die in hun aardse bestaan hun vruchten van innerlijk leven lieten rijpen. Hetgeen zij telkens aan verwezenlijking meebrachten in deze wereld, deelden zij ook uit door te onderwijzen en te dienen. Bij hun fysieke dood legden zij hun aardse gewaad af; zij kwamen terug in een andere generatie, in een nieuw aards gewaad en brachten de innerlijke rijpheid, het licht van de Christus, mee en gaven ervan aan hen, die er ernstig naar streefden, stappen naar de innerlijke rijpheid te doen.
Velen, die terugkwamen en -komen, dragen een grotendeels rijpe vrucht in zich, het leven in Mij, de Christus. Zij nu zijn het, die voor Mij de wegen bereiden van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd, die in Mij, de Christus, opbloeit.
Erkent: slechts diegene vervloekt zijn medemensen, die weinig zielenrijpheid bezit. Wie nog in de zonde leeft, kan de rijpe vruchten in zijn medemensen niet herkennen, omdat hij slechts kijkt naar zijn eigen schaduwen en daarom van mening is, dat zijn naasten net als hij, rijk aan schaduwen zouden moeten zijn.

9. En anderen, die zichzelf liefhebben, zullen zich verbinden met de koningen en heersers van de wereld en aardse macht nastreven, rijkdommen en heerschappij, en zij zullen te vuur en te zwaard de dood brengen voor hen, die de waarheid zoeken en daarom waarachtig Mijn discipelen zijn.
10. En in die dagen zal Ik, Jezus, opnieuw worden gekruisigd en openlijk gehoond worden; want zij zullen verklaren, dit allemaal te doen in Mijn naam.« En Petrus zei: »Dit zij verre van Jou, Heer.« (Hoofdst. 70, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De strijd tussen licht en duisternis zal zolang voortduren, tot voor de zwaarbelaste zielen de poorten voor de incarnatie gesloten zijn. Deze strijd tussen licht en duisternis vindt ook plaats tijdens de grote tijdsomwenteling [1989]. De demonische krachten zetten nog eenmaal alles op alles en schakelen allen in, die hen horig zijn, zielen of mensen, om het licht uit te doven, dat op de aarde steeds groter wordt.
Ongeveer zoals in de tijd, toen Ik als Jezus over deze aarde ging, is het ook nu [1989]. Zij, die zichzelf liefhebben en hechten aan hun have en goed, verbinden zich met de heersers van deze wereld en met de kerkelijke gezagsdragers, om met de aardse macht diegenen uit te schakelen, die zich tot Mij, de Christus, hebben gewend en Mijn evangelie van liefde in de wereld dragen. Want voor de zelfzuchtige zijn diegenen een gevaar, die het evangelie van de liefde en het leven niet slechts met woorden, maar met de onbaatzuchtige liefde uitdragen en door Mijn kracht werkzaam worden.
In vroegere eeuwen trokken de machtshongerigen, de heersers, de kerkelijke gezagsdragers en de aan hen horigen in Mijn naam er te vuur en te zwaard op uit, om de mensen van andere landen het evangelie der liefde te brengen. Zij pasten daarbij op hun naasten dat toe, wat in en aan henzelf was: wreedheid en moord.
In de huidige tijd [1989] trekken opnieuw dezelfden - alleen in andere aardse lichamen - met lasterlijke taal van de ene plaats naar de andere. Zij brengen via de media van de huidige generatie hun onwaarheden onder het volk, om op deze wijze weer tegen hen ten velde te trekken, die nu de tijdsomwenteling inleiden en Mijn licht tot doorbraak brengen. Zo wordt Ik van generatie tot generatie opnieuw gekruisigd door hen, die Mijn naam noemen en hem voor hun eigen doeleinden misbruiken.
De pioniers voor de Nieuwe Tijd, voor de tijd van Christus, zijn de Christusvrienden over de hele wereld. Wie in Mij blijft, is Mijn volgeling, nu en in de toekomst.

11. En Jezus antwoordde: »Evenals Ik aan het kruis genageld word, zal het ook met Mijn gemeente geschieden in die dagen; want zij is Mijn bruid en één met Mij. Maar de dag zal komen, dat de duisternis zal wijken en het ware licht zal schijnen. (Hoofdst. 70, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De eerste oergemeenten werden door de duisternis vernietigd. Het waren echter slechts de uiterlijke inrichtingen, die zij kon vernietigen. Het leven in Mij plantte zich voort van generatie tot generatie. Want de vele, steeds lichter wordende zielen kwamen steeds weer in aardse lichamen en zetten zichtbaar en onzichtbaar datgene om, wat zij meebrachten. Zij begonnen kleine oergemeenten te stichten en onderwezen de wet van de waarheid. Op deze wijze vonden steeds meer mensen de weg naar Mij, de Christus, die in alle zielen en mensen woont.
Tijdens de huidige tijdsomwenteling [1989] wordt het allesomvattende licht zichtbaar. De bondgemeente Nieuw Jeruzalem ontstond en vergroot zich steeds meer - evenals de andere oergemeenten in Universeel Leven. Zij is de bondgemeente voor het vredesrijk van Jezus Christus. Zij is Mijn bruid, en Ik Ben haar bruidegom. Steeds meer leden van de bondgemeente Nieuw Jeruzalem vervullen Mijn wil, de wil van de Eeuwige.
Ook rond de bondgemeente Nieuw Jeruzalem sluipen weer de wolven en verspreiden in Mijn naam onwaarheden over de leden van de gemeente. Weer word Ik gekruisigd, omdat Mijn naam wordt misbruikt. Met Mijn naam, Christus, willen zij het licht van de wereld, Mij dus, uitdoven.
De duisternis zal echter wijken, want haar dagen zijn geteld. De aarde opent zich en verslindt de nacht, en de wateren komen en overspoelen al wat duister is. Dan zal het licht, dat Ik Ben, op de hele aarde schijnen: Christus.

12. En één zal op Mijn troon zitten, die een man van waarheid en goedheid en kracht zal zijn, en hij zal vervuld zijn van liefde en wijsheid meer dan alle anderen, en hij zal Mijn gemeente leiden, door viermaal twaalf en tweeënzeventig zoals voorheen. Alleen wat waar is, zal hij onderwijzen.
13. En Mijn gemeente zal van licht vervuld zijn en zal licht schenken aan alle volkeren der aarde; en er zal een hogepriester op de troon zitten als een konig en een priester.
14. En Mijn Geest zal in hem zijn, en zijn troon zal duren en niet aan het wankelen worden gebracht; want hij wordt gegrondvest op liefde, waarheid en gerechtigheid, en licht zal tot hem komen en van hem uitstralen naar alle volkeren der aarde, en de waarheid zal hen vrij maken.« (Hoofdst. 70, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De uitspraak »en één zal op Mijn troon zitten, die een man van waarheid en goedheid en kracht zal zijn, en hij zal vervuld zijn van liefde en wijsheid meer dan alle anderen, en hij zal Mijn gemeente leiden, door viermaal twaalf en tweeenzeventig zoals voorheen. Alleen hetgeen waar is, zal hij onderwijzen. En Mijn gemeente zal van licht vervuld zijn en zal licht schenken aan alle volkeren der aarde; en er zal een hogepriester op de troon zitten als een koning en een priester« heeft de volgende betekenis:
Deze woorden zijn gecodeerde woorden. Er wordt in gecodeerde taal uitgesproken, wat de tijdsomwenteling zal brengen. Deze gecodeerde woorden betekenen: de goddelijke wijsheid zal zo lang op Mijn troon zitten, tot Ik in de geest terugkeer. Want Ik heb de troon voor Mijn komst in deze wereld geplaatst. Ik Ben het licht der wereld. De goddelijke wijsheid, door de Vader en door Mij, de Christus, geroepen, om Mijn werk van verlossing te leiden en Mijn komst voor te bereiden, is de waarheid, goedheid en kracht. De goddelijke wijsheid, geschapen uit de liefde van de Vader, zal gedurende de tijdsomwenteling de oergemeenten opbouwen en vullen met leven en kracht. Zij zal de volmaakte waarheid onderrichten en aan alle mensen geven, wat zij in staat zijn te begrijpen.
De getallen zijn symbolen en waren aan diegenen tot teken gegeven, die uit de getallen konden lezen. De mensen van de Nieuwe Tijd echter ontvangen Mijn woord, dat ook het woord van de eeuwige Vader is.
Het licht van de waarheid vervult de bondgemeente Nieuw Jeruzalem en haar oergemeenten met kracht voor onbaatzuchtige daden in Mijn Geest. De oergemeenten in Mijn Geest in het verlosserswerk van Jezus Christus, Universeel Leven, zullen voor de Nieuwe Tijd aan alle volkeren van de aarde licht en kracht schenken.
De bondgemeente Nieuw Jeruzalem is in Mij het instrument van het leven voor deze aarde. Zij troont in Mij en zal alle volkeren geleidelijk tot een volk in Mij, de Christus, samenbrengen. De bondgemeente Nieuw Jeruzalem, verbonden met de goddelijke wijsheid, is de priesteres, die alle mensen, die tot haar komen, licht, liefde en leven schenkt. Zij, de priesteres, zal in Mij, de Christus, zijn en Ik zal door haar en door andere oergemeenten, die in Mij zijn, werken. Zij allen zijn gegrondvest op liefde, waarheid en wijsheid, op de gerechtigheid Gods.
Het licht der wereld, dat Ik Ben, zal stralen door de gemeenten, die in Mij zijn, en Ik zal door hen uitstralen naar alle volkeren der aarde. De waarheid zal steeds meer mensen vrij maken; zij vormen vervolgens die ene kudde, die in Mij is, de Christus. Met die ene kudde zijn de oergemeenten in Mij, Christus, bedoeld, die zich ontwikkelen via de bondgemeente Nieuw Jeruzalem in het verlossingswerk van Universeel Leven. Ik zal hun herder zijn.





HOOFDSTUK 71

De reiniging van de tempel

Zweepslagen voor ziel en lichaam (1-2).
De ware godsdienst (3-4). Alleen de zin van het woord maakt levend (5-7). Ieder mens tekent zichzelf (8-11)

1. Het Paschafeest van de joden was nabij, en Jezus trok weer van Bethanië op naar Jeruzalem. En Hij trof in de tempel mensen aan, die ossen, schapen en duiven te koop aanboden en ook geldwisselaars.
2. Toen maakte Hij van zeven touwen een gesel en dreef hen allen uit de tempel. Hij liet de schapen en ossen en de duiven vrij, smeet het geld van de wissselaars op de grond en gooide de tafels omver. (Hoofdst. 71, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De gesel van zeven touwen symboliseerde de zeven basiskrachten van God, de wet van het leven.
Wie tegen de wet Gods handelt, handelt in strijd met de zeven basiskrachten van God en schept zodoende zijn eigen oorzaken. Elke oorzaak, die niet tijdig wordt berouwd en weer goedgemaakt, is een zweepslag voor ziel en lichaam.
Wie handelt in strijd met de zeven basiskrachten, zal de overeenkomstige zweepslagen ontvangen. Het zijn de uitwerkingen, die hi