Dit is
Mijn woord
A en Ω
 

Het evangelie van Jezus
De Christusopenbaring,
die inmiddels de ware christenen over de hele wereld kennen

DEEL 1

DEEL 2

DEEL 3

Christus, de zoon Gods, de mederegent der hemelen, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser van het rijk Gods op aarde, openbaart zich over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth

Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,

Het leven in God is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind, onze zuster Gabriële, uit de eeuwige bron toestroomt, wordt het telkens aan ons doorgegeven.

Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk, schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven, dat het God welgevallig is.


Uitgever: VERLAG DAS WORT GMBH
IM UNIVERSELLEN LEBEN
Max-Braun-Str. 2,
97828 Marktheidenfeld
Tel. 09391/504135, Fax 09391/504-133
http://www.das-wort.com. ∙ e-mail:info@das-wort.com


Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:

Das ist Mein Wort
A und 
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche inzwischen die wahren Christen
in aller Welt kennen

Erste Auflage 1991

In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.

Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave doorslaggevend.

1e Nederlandse uitgave: december 2000

ISBN 3-89201-114-1





Inhoud*

Voorwoord

Ik Ben

64. Over het wezen van God - De krachten van het Vader-Moeder-principe zijn aanwezig in man en vrouw; daarom zijn beiden gelijkwaardig (1-3). Erkent het onzichtbare in het zichtbare; schouwt in alles God, het leven (4-5). Over de wet van aantrekking in al het Zijn - Het besluit tot het verlossingswerk van Christus in de troonzaal Gods - De opdracht van de verlossing - De dragers van de goddelijke wijsheid dragen samen met Christus de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk van de verlossing - De zendingen van de incarnaties van de zonen en dochters van God, die in de opdracht staan - De incarnatie van Christus - De opdracht blijft bestaan tot aan de vervulling (6-11). De geestelijk dode (12). De vrije wil mag nooit worden beïnvloed (13)








65. De laatste zalving door Maria Magdalena - De voorbereiding van het verraad - Over het ware geven en de hulp voor de armen - De schaduwen van het menselijke ik verhinderen, het licht Gods te schouwen; de mens spreekt dan over de „geheimen van God” (1-10)



66. Leer over de volmaaktheid - Het ware leven is leven in God (1-3). De reine wezens leven in de al-eenheid; zij zijn één - De polariteit als eenheid in God - Maria Magdalena,


een voorbeeld van het ontvangende principe - Al het Zijn is opgebouwd op polariteit (4-11). De drie-eenheid: geest, ziel en mens - Wanneer komt het rijk Gods op aarde? (12-13)



____________________
* De titels van de hoofdstukken van „Het evangelie van Jezus” zijn vet en cursief gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels hebben betrekking op de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van „Het evangelie van Jezus”, momenteel door Christus gegeven [1989]. De tussen haakjes geplaatste getallen duiden telkens de verzen aan van „Het evangelie van Jezus”, waarop de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.

67. Intocht in Jeruzalem - Het eindoordeel - Hosanna - kruisigt Hem: wie alleen aan zijn eigen welzijn denkt, is wankelmoedig - De joden oogsten sinds 2000 jaar hun zaad - De mens dient God te achten in iedere geschapen vorm, dus ook in de naaste, anders zal hij ter linkerzijde van Christus staan (1-10). Het afdragen en reinigen voor extreem belaste zielen (11). Wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan (12-14). De evolutieweg van extreem belaste zielen (15)



68. Gelijkenissen van het goddelijke gerecht - »Het rijk Gods zal jullie worden afgenomen en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt« (1-7). De strijd tegen de boden van God, die leven hetgeen zij onderwijzen (8-10). Ik kwam in Jezus en kom als Christus (11). Innerlijke en uiterlijke waardigheid - De aardse machthebbers zullen aan de hoeksteen Christus, die de sluitsteen zal worden, ten ondergaan (12-14). Keer tijdig om, voordat het noodlot zich voltrekt - Menselijke woorden, begrippen, maten en hun betekenis zijn slechts wegwijzers naar de waarheid (15-20)



69. Over dood, wedergeboorte en leven - De wedergeboorte in de Geest Gods bevrijdt van de reïncarnatie (1-2). Over het rad van wedergeboorte - De schaduwzielen - De ziel vindt pas rust, wanneer alle zonden zijn uitgeboet - Aflossing van zonden op aarde gemakkelijker en sneller dan in het zielenrijk (3-4). Het woord van de mens is het woord van de dwaling (5-6). De werking van het Vader-Moeder-principe in de dualen (7-10). Wie van goede wil is, begrijpt en vervult de wet van het leven en wordt vrij van dwalingen (11-13)



0. Jezus berispt Petrus wegens zijn opvliegendheid - Eerbiedig het leven in elke ontwikkelingsfase; iedere levensvorm bevindt zich op de evolutieweg naar de volmaaktheid (1-5). Wie in Mij leeft, is een getuigenis in deze wereld (6-7). De wegbereiders voor Christus van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd (8). Christus wordt steeds opnieuw gekruisigd in de strijd tussen licht en duisternis (9-10). In de tijdsomwenteling wordt het alomvattende licht zichtbaar; de duisternis wil het uitdoven (11). De goddelijke wijsheid bouwt tijdens de tijdsomwenteling de oergemeenten op, door wie Christus, het licht der wereld, tot alle volkeren straalt - De bondgemeente Nieuw Jeruzalem is de priesteres (12-14)


71. De reiniging van de tempel - Zweepslagen voor ziel en lichaam (1-2). De ware godsdienst (3-4). Alleen de zin van het woord maakt levend (5-7). Ieder mens tekent zichzelf (8-11)


72. Jezus’ afscheidswoorden - Het evenbeeld van de Vader (1-3). Zij zullen grotere werken doen, dan Ik als Jezus heb gedaan (4). Wie onbaatzuchtig dient, zal Ik geven, waarom Hij vraagt (5). Wie de tempel heiligt, leeft in Mij (6-7). De onbaatzuchtige liefde is communicatie met God (8). De betekenis van de woorden: »De Vader is groter dan Ik« (9-11)


De goede wijnstok - Elke wijnrank in Mij brengt vrucht voort (1-2). Wie niet in Mij blijft, zondigt (3). In Christus leven (4). Het heldere oog van de ziel verkrijgt het onderscheidingsvermogen tussen waarheid en dwaling (5). De getrouwen brengen in Mijn naam goede vruchten voort (6-8). De schouwende is geen blinde meer (9). Waarom Christus zich nu weer openbaart (10-11). De kennis van de wetten verplicht tot verwezenlijking (12). Geen mens zal kunnen zeggen: »Ik heb van Christus niets geweten« (13)

74. Jezus bereidt Zijn discipelen op het komende voor -
De strijd in de naam van Christus tegen Christus (1). Het werk van de verlossing wordt vervuld (2-3). Momenteel stroomt de waarheid als een grote stroom (4-5)

75. Het laatste Paschamaal - Word rein van harte (1-2). Over het verraad - Tolerantie en begrip jegens onwetenden (3-6). In de Nieuwe Tijd van de Christus is er geen bloedvergieten meer (7-9). De gereinigde aarde schenkt in overvloed (10). Leven in Christus leidt tot de adel der ziel en tot ware vrijheid (11-12). De wet van het leven, het liefdegebod - Wie zijn naaste veracht, komt niet tot Christus, tot de waarheid, in het eeuwige Zijn - Ieder berecht zichzelf (13-16). Het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem (17). Uit alle volkeren en stammen verbroederen zich diegenen, die de werken Gods doen (18)


76. De voetwassing - Het laatste avondmaal - De ontsluiting van de zeven basiskrachten van de ziel begint bij de orde (1-3). Wie onbaatzuchtig liefheeft, vervult de wet en schouwt God in alles (4-5). De ware strijders voor Christus zijn rein van harte (6). Het doel en de opdracht van de ziel: weer tot wet te worden (7). De betekenis van wierook (8). Over het avondmaal - Geen ceremonie, maar symbool (9). Jezus’ gebed voor de Zijnen: vervult het woord Gods en het liefdegebod; straalt uit, wat God jullie schenkt (10-19). Het gebed van de eenheid (20-21). Brood en wijn (22). De geestelijke substantie in de gaven van de natuur (23-25). Uit de concessies van Mozes ontstonden onwetmatige zeden en gebruiken (26-28). Het verraad aan Christus - Waarom Jezus kon worden gevangen genomen en werd gekruisigd - Christus’ daad voor het geslacht David (29-30)


77. Het lijden in de tuin van Gethsémané - De slapende discipelen in de tuin van Gethsémané - Wie alleen geestelijk weten verzamelt, het echter niet omzet, kan een situatie niet begrijpen en verslaapt de nood van zijn naaste - Gods wil en plan worden vervuld (1-3)



78. Het verraad van Judas - De verloochening van Petrus - De gevangenname: de duisternis kreeg macht, om Jezus te grijpen - Wie het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen - De kraaiende haan, de stem van het geweten (1-8)



79. Het verhoor voor de hogepriester Kaïphas - Gedrag bij beschuldiging - Betekenis van de woorden: »Ik kan de tempel Gods afbreken en in drie dagen weer opbouwen« (1-10)


80. Het berouw van Judas - Onrecht jegens de naaste kan noodlottig worden - Het zondigen van ingewijden is zondigen tegen de Heilige Geest - Wie opzettelijk in strijd met het evangelie van de liefde handelt, kruisigt Christus opnieuw (1-10)




81. Het verhoor voor Pilatus - Zij, die in de waarheid leven, zijn rechtvaardig in denken, spreken en handelen (8-9). De tegenstrijdige krachten trachtten de verlossersdaad te verhinderen - »Ik vind geen schuld in Hem« - Te allen tijde mag de duisternis zich meten met het licht - De macht van het schijnchristendom is aan het vergaan - De rechtvaardige leed voor de ongerechtigheid - Het kruis: teken van de verlossing en de opstanding of van de nederlaag (10-32)


82. De kruisiging van Jezus - Jezus weerstond alle aanvallen en werd tot Verlosser (l-2). Pilatus offerde een onschuldige, om zijn positie te behouden (3-4). Verwekken en baren in zonde of in onbaatzuchtige liefde (5-7). De mens bepaalt het kleed, dat zijn ziel aan gene zijde draagt (8-13). De rouwmoedige zondaar (14-16). De schijnbare triomf van de duisternis werd een overwinning van Christus, ter verheerlijking van de Vader - Alleen het reine geestelijke lichaam kan de hemel binnengaan (17-19). »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten?« (20). De wet van liefde en eenheid (21-23). De aardbeving, teken van de Christuskracht (24-27). Er bestaat geen recht, om ter dood te veroordelen of te doden (28)



83. De begrafenis van Jezus - Over het begraven van doden (1-3). Dodenherdenking en dodenwake (4-10)



84. De opstanding van Jezus - De engel aan het graf (1-5). De lichte, krachtige ziel is dichter bij God (6). Boodschap en leiding door engelen (7-8). De opdracht van het aardse en het geestelijke lichaam van Christus (9). De transformatie van het fysieke lichaam van Jezus - Het kruis met en zonder corpus (10-13)


85. De verrezen Jezus verschijnt aan twee discipelen in Emmaus - De blindheid van hen, die tegen Mij waren - Veranderingen in de satanische hiërarchieën na de hemelvaart (14-16)



86. Jezus verschijnt in de tempel en de bloedoffers houden op - Geestelijke gebeurtenissen in de dagen na Jezus’ lichamelijke dood in Jeruzalem en omgeving (1-8)


87. Jezus verschijnt aan Zijn discipelen - Waarom konden de discipelen de verrezene schouwen? (1-2). Het kruis zonder corpus, een symbool van de opstanding en de zege over de duisternis (3-6). Verlossing enkel door geloven? (7). Gedoopt door de Heilige Geest (8). Onbaatzuchtige liefde omsluit al het Zijn (9). Een aan God gewijd leven leiden (10). De Godsgeest gebruikt de woordenschat en de begrippen van de menselijke tussenpersonen; hun betekenis hangt af van de verandering der tijden - De gemeenten in Christus tot aan de lichttijd (11-15)


88. De achtste dag na de opstanding - Israël en Jeruzalem zijn daar, waar mensen Gods wil vervullen - De zondige wereld erkent de ware zonen en dochters niet, ook niet de hoogstaande vrouw, die voor Christus de weg bereidt (1-3). Door haar straalt Hij Zijn licht over de hele aarde (4-7). Bereidwillige mensen vinden de weg van het innerlijk (8). De duisternis zal in de strijd tegen het licht der wereld het onderspit delven (9-10). Christus’ verlossersdaad verhinder-de het voornemen van de vrouwelijke engel: het terug-ontwikkelen van alle levensvormen en de oplossing van de schepping (11-12)


89. Jezus verschijnt aan het meer van Genezareth - De verrezene ontmoet Zijn discipelen (1-5). De ware discipelen: wegwijzers, geen herders; rotsen van het geloof en de Godsvervulling - De oergemeenten zijn de ene kudde van de herder Christus (6-8). De sleutels van het hemelrijk (9). „Omgord” en geleid door het menselijke ik of door de Eeuwige (10). Wat je naaste doet, gaat jou niet aan (11-12)





90. Wat is waarheid? - Over het vermogen de eeuwige waarheid te begrijpen (1-3). Alles is bewustzijn (4-5). De mens kan slechts de verwezenlijkte waarheid begrijpen - Het bereiken van de volmaaktheid (6-11). Wie heeft de waarheid? (12). Wie geen onbaatzuchtige liefde heeft, leeft niet in de waarheid en herkent haar niet - Ieder mens wordt overeenkomstig zijn bewustzijnsgraad geleid (13-16)





Voorwoord bij de voorschriften voor de gemeente

91. De voorschriften voor de gemeente (deel 1) - De taal, die trilling is (1-4). Naamgeving en doopsel van pasgeborenen - Opvoeding in rechtschapenheid (5-6). Opvoeding van opgroeiende kinderen (7). Rangschikken in het levensprincipe van de gemeente: rust en harmonie (8). Het geestelijke doopsel - Het gebod „bid en werk” - De engel van de gemeente - De oudste - De raad van de oudsten - Het gemeenteboek (9). De gezalfde (10)





92. De voorschriften voor de gemeente (deel 2) - Huwelijk en partnerschap, een verbinding volgens de wet van de onbaatzuchtige liefde en trouw - Huwelijkssluiting in de gemeente, een bond met God (1-3). Ouders dragen voor God de verantwoordelijkheid voor hun kinderen - Het vader-moeder-huis - Kinderen niet als eigendom beschouwen - Over de geestelijke duaalparen en het ontstaan van „geestelijke kinderen” (4). Over het avondmaal in de gemeente - Terugblik op de week - Geen ceremoniën (5). Uiterlijke vormen en handelingen zijn concessies, geen wetmatigheden (6-7)







93. De voorschriften voor de gemeente (3e deel) - Over vergeven en om vergeving vragen (1-2). De genezing uit de Geest Gods (3-4). De verantwoordelijken in de gemeente (5-10)


94. De voorschriften voor de gemeente (4e deel) - Over het begraven van de doden - Bewust leven - Geestelijk doden - God wenst geen herhaalde incarnaties (1-4). Wie zijn innerlijke God heeft gevonden, heeft geen aardse leiders nodig - Criteria voor de echtheid van de verantwoordelijken: onbaatzuchtig dienen - Over de kleding: de innerlijke schoonheid wordt in het uiterlijk zichtbaar (5-7). Groei en levensonderhoud van de gemeente, een gezamenlijke opdracht (8-10)






95. De hemelvaart - De verrezene onderwijst Zijn discipelen over de vervulling van de verlossersopdracht en over de invloed van negatieve krachten - In de machtige geheugenbron van het heelal, evenals in de etherkroniek, zijn de terugleiding en het rijk Gods op aarde als positieve energie opgeslagen en bouwen zich meer en meer op (1). De aardse heerschappij in de naam van Christus door de werktuigen van de demonen (2-3). Deze machtige tijdsomwenteling laat al het tegenstrijdige openbaar worden - De duisternis in haar uitwerkingen en zelfgeschapen ketens (4). Belofte van de Heilige Geest (5). Draag Christus in jezelf (6). Ik kom terug in alle heerlijkheid (7). De onbaatzuchtige liefde is een onverbrekelijke band (8). Jezus leed en ervaarde als mens, wat menszijn betekent (9-10)









96. Nederdaling van de Heilige Geest - Over de opdrachten en functie van de discipelen (1-3). Wie groot is in de geest, dient en geeft in deemoed en dankbaarheid. (4-5). Het ontstaan van de kerkelijke hiërarchie door hooggeplaatsten en hoogwaardigheidsbekleders - De onbaatzuchtige dienaren van allen geven vanuit het hart (6-7). Wat gebeurde er bij het instromen van de Heilige Geest? (8-9). De ware broederschap van Christus in dienst van het algemeen welzijn (10). Eén voor allen, Christus (11). Menselijkheden in de oergemeenten - splitsing van de oergemeenten wegens meningsverschillen en gezagsgetrouw denken (12-13). Ceremoniën en ander mensenwerk behoren niet tot de leer van de Nazarener (14-15). Harmonie in de gezindheid brengt vrijheid en eenheid (16). Toelichting van de geloofsbekentenis (17-23). Wie Mij navolgt wordt tot tempel van de liefde (24-25). Ik Ben de waarheid (26). Door het werk „Dit is Mijn woord” zal het leven uitstromen in de wereld.











Nawoord

De wetten van God voor het vredesrijk van Jezus Christus
7
Tot beter begrip van dit werk:
De profetie van God


Boeken van Universeel Leven




Voorwoord

van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid

Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat Christus, de zoon van God, op een nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen daarop opbouwt, maar het ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook aanvult.
De reden daarvoor is de volgende:
Christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel bijbeldeskundigen, hebben „hun bijbel”, die zij voor de volledige en zuivere waarheid houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging, dat het woord Gods in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en daarmee is afgesloten. Daardoor was het Christus, de Verlosser van alle zielen en mensen, niet mogelijk, binnen de nog bestaande christelijke kerken en de aan zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun bijbel, te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de waarheid buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan allen is de vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en zielen, is de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het vredesrijk van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium [1980] enkele broeders - die allen, op een na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te schrijven.
Christus’ wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken als Jezus van Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht voor diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en door Hem een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de volgende strekking:
Neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en laat jullie geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin voor de waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die de waarheid bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van betekenis is, want Ik zal het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie verklaren en verdiepen. Het zijn de woorden van God, die grote profeten en verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw voor de tegenwoordige en voor de komende tijd ontvingen.
Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de grotendeels volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen nalezen en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht - en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het vredesrijk alleen nog vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat zij de wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid moeten komen. Ook de vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd [1989] nog steunen, zullen dan onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft verworven, heeft zijn geestelijke bewustzijn ontsloten en zijn reine geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid volledig werkt, is voor hem dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan. Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen goeddunken inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun confessionele denken noodzakelijk leek.

Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is als een groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde, omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk aangenomen; het nam als zijn aandeel van de opdracht een of meerdere „mozaïeksteentjes” in zijn geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te kunnen vervullen, wat het als opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet worden vervuld.
Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende mogelijkheden op. Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie is gegaan, niet werd vervuld, dan moet het „debet”, wat daardoor in zijn geestlichaam is opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere incarnatie of in de reinigingsgebieden.
Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïeksteentje van de opdracht op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een verleiding door de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje, dat nu door andere geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is dan in het opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het betreffende geestwezen echter, dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit elders goedmaken.
Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven, gaat Hij andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek „Dit is Mijn woord” gebeurde.
Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert Hij bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst van deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te verleiden - ook diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en de vrede in de wereld te brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de beslissing genomen, in het aardse gewaad de werken Gods te vervullen en Christus en hun naasten te dienen in de wereld, die het territorium is van de duisternis. Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong - voor de keuze: vóór of tegen God.
De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een werk te schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het menselijke. Zij konden hetgeen zij in hun geestlichaam hadden ingegeven, niet volgens plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere mogelijkheid geopend: de weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Want het schrijven van het boek „Dit is Mijn woord” is een essentiële bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel Leven, omdat het zijn betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben. Het omvat alle belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk, als Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en door de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan. Zalige, dus nagenoeg volmaakte mensen, zullen haar dan bewonen en haar meer en meer bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds Zijn „volbracht” aan het kruis, bindt het satanische zichzelf steeds meer. Wanneer eenmaal het vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden. Alleen door de verlossersdaad is dit mogelijk geworden!
Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen, om te bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd [1989] en in het bijzonder voor de Nieuwe Tijd - van betekenis is.

Het boek „Dit is Mijn woord” maakte niet direct deel uit van de opdracht van onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid aan, die geboden werd, om het boek „Het evangelie van Jezus”* tot basis van het openbaringswerk „Dit is Mijn woord” te maken. Christus kwam haar met dit boek tegemoet, omdat de taak, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst te ontvangen, niet direct in haar opdracht stond.
Christus sprak onder andere tot onze zuster met woorden van de volgende strekking:
Aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij echter voor de geestelijke taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik jou - voor zover dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw directe taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat de tijd hiervoor kostbaar is, zal Ik op het boek »Het evangelie van Jezus« voortbouwen, door te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.

_____________________
* Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna kortweg „Het evangelie van Jezus” genoemd.

Het boek, dat door de mensen „Het evangelie van Jezus”
wordt genoemd, bevat, ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd [1989] een andere betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth voltrok.
Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een geheel nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou beletten, de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen.

Daarom bouwt Christus voort op de in het boek „Het evangelie van Jezus” voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult daarmee door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk ligt: een historisch werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het werk „Dit is Mijn woord”.*
Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die zij vervult, groeide uit het boek „Het evangelie van Jezus” het werk „Dit is Mijn woord”.
Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle betekenis krijgen.
Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van het vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de mederegent der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God, onderricht, noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de Geest Gods ben ik de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk van Jezus Christus.

___________________
* Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus bij de afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt.

In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is er niet langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.

Vrede!





Ik Ben

Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het gefemel van de Farizeeën en schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om waardering, lof en loon te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en niet mis te verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.

Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden volharden, zeiden tegen Mij als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« De eeuwige wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens een beslissing en consequentie verlangt - voor of tegen God. Wie echter niet wil beslissen, omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen, dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf daaruit profijt te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
Ik Ben de wet, de absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn medemensen, echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het ware, niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt.

Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de vroegere schriftgeleerden en Farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige farizeeër en schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil aannemen, omdat hij niet voor de waarheid wil kiezen.
Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een beslising voor of tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die late het. Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God.

Jijzelf bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je daaraan!





HOOFDSTUK 64

Over het wezen van God

De krachten van het Vader-Moeder-principe zijn
aanwezig in man en vrouw; daarom zijn beiden gelijkwaardig (1-3). Erkent het onzichtbare in het zichtbare; schouwt in alles God, het leven (4-5). Over de wet van aantrekking in al het Zijn - Het besluit tot het verlossingswerk van Christus in de troonzaal Gods - De opdracht van de verlossing - De dragers van de goddelijke wijsheid dragen samen met Christus de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk van de verlossing - De zendingen van de incarnaties van de zonen en dochters van God, die in de opdracht staan - De incarnatie van Christus - De opdracht blijft bestaan tot aan de vervulling (6-11). De geestelijk dode (12). De vrije wil mag nooit worden beïnvloed (13)

1. Jezus kwam bij een bron in de nabijheid van Bethanië, waaromheen twaalf palmbomen groeiden en waar Hij vaak met Zijn discipelen naartoe ging, om hen de geheimen van het rijk Gods te leren. Daar zat Hij in de schaduw van de bomen en Zijn discipelen met Hem.
2. En een van hen zei: »Heer, van oudsher staat geschreven, Elohim maakte de mens naar Zijn eigen beeld en schiep man en vrouw. Hoezo zei Jij dan, dat God één is?« En Jezus sprak tot hen: »Waarlijk, Ik zeg jullie, in God is man noch vrouw, en toch zijn beiden één, toch is God beiden in één. Hij is Zij, en Zij is Hij. Elohim - onze God - is volmaakt, oneindig en één.
3. Dus is in de man de vader belichaamd en de moeder verborgen; zo is in de vrouw de moeder belichaamd en de vader verborgen. Daarom dient de naam van de vader en van de moeder in gelijke mate te worden geheiligd; want zij zijn beiden de grote krachten van God, en het ene is niet zonder het andere in de Ene God. (Hoofdst. 64, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In de Geest Gods, in de wet van het innerlijke leven, bestaan geen geslachten, maar de gevende en de ontvangende kracht. Ik noem de gevende kracht het principe van het mannelijke en de ontvangende kracht het principe van het vrouwelijke.
Erkent: als Ik spreek over de man of over de vrouw, bedoel Ik daarmee de twee polen, de twee levensprincipes, de gevende en de ontvangende pool, dus het mannelijke en het vrouwelijke principe. In de man, de mannelijke pool of het mannelijke principe, openbaren zich de krachten van de vader: de gevende pool, ook het geestelijk scheppende of verwekkende element genoemd, maar daarin verborgen tevens de vrouwelijke pool, het vrouwelijke principe, de moeder: het ontvangende en bewarende leven. Zo zijn in de vrouw, in de ontvangende pool, het vrouwelijke principe, de krachten van de moeder openbaar, die het leven ontvangt en bewaart, en verborgen in haar ook het mannelijke, het gevende, de vader.
De twee krachten, het gevende en het ontvangende principe, zijn op elkaar afgestemd. Als wezens zijn zij twee - en toch één: het gevende principe en het ontvangende en bewarende principe. Zoals het gevende principe, het mannelijke, een groter aandeel scheppende krachten bezit en een geringer aandeel vrouwelijke, dus ontvangende krachten, zo bezit het vrouwelijke, het ontvangende principe, de ontvangende pool, meer vrouwelijke, dus moederlijke aspecten en minder mannelijke, vaderlijke, dus gevende krachten.
Erkent: in iedere kracht, gevend of ontvangend, is het Zijn aanwezig. Daarom dient de vrouw evenzo te worden geacht als de man. Want in beiden zijn de twee krachten aanwezig, het mannelijke zowel als het vrouwelijke element, het vader- en het moederprincipe. Daarom is jullie Vader, die ook Mijn Vader is, de Vader-Moeder-God. Beide krachten zijn in Hem verenigd en zijn werkzaam in al het Zijn. Dit is de onpersoonlijke Geest van het innerlijke leven, de onbaatzuchtige liefde, kracht en wijsheid.
Wie in de wereld de vrouw als minderwaardig beschouwt en de man boven de vrouw plaatst, handelt zodoende in strijd met de wet van het leven, het Vader-Moeder-principe, dat de alwet is.

4. Aanbid God, die boven je is, onder je, aan je rechterzijde en aan de linker, voor, onder, achter je, ín je en om je heen. Waarlijk, het is slechts één God. Hij is alles in alles en in Hem bestaan alle dingen, Hij is de bron van al het leven en van elke substantie, zonder begin en zonder einde.
5. De dingen, die zichtbaar zijn en vergaan, zijn belichamingen van het onzichtbare, dat eeuwig is, opdat je van de zichtbare dingen van de natuur tot de onzichtbare dingen van de Godheid mag komen. En opdat je door het natuurlijke tot het bovennatuurlijke komt. (Hoofdst. 64, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Jullie hebben gelezen, dat alle dingen, die zichtbaar zijn, belichamingen zijn van het onzichtbare, van het eeuwige. Leert daarom, om in alle zichtbare dingen het leven, het onzichtbare te herkennen, dat in alles verborgen is.
Aan de mens, die moeite doet, om Gods wetten te vervullen, zal alles openbaar worden. Hij schouwt, hetgeen voor de mens, die op de wereld gericht is, verborgen is: het leven, dat in alles de kracht en het Zijn is. Het is het erfdeel van de ziel, de Geest, God, die het leven is en de substantie en de vorm van het leven - dus: alles-in-alles.
Erkent: iedere ziel moet haar erfdeel weer aanvaarden, datgene, wat voor de mens onzichtbaar is, het Geestelijk-Goddelijke. Want ieder rein wezen heeft zijn oorsprong in de Geest, in God, en iedere ziel zal zich reinigen en als zuiver wezen terugkeren naar de oorsprong, naar de Geest, God, naar het leven, naar het Vader-Moeder-principe.

6. Waarlijk, Elohim schiep de mens naar het evenbeeld Gods, mannelijk en vrouwelijk, en de hele natuur is een beeld Gods, daarom is God allebei, mannelijk en vrouwelijk, niet gedeeld, maar de twee in één, onverdeeld en eeuwig, in wie alle dingen zijn, de zichtbare en de onzichtbare.
7. Van het eeuwige zijn zij uitgegaan en naar het eeuwige zullen zij terugkeren. Geest naar geest, ziel naar ziel, verstand naar verstand, gevoel naar gevoel, leven naar leven, vorm naar vorm, stof naar stof.
8. In het begin is Gods wil, en toen kwamen Zijn zoon, de goddelijk liefde, en de geliefde dochter, de heilige wijsheid, in gelijke mate uit de ene eeuwige bron; en daaruit komen de geslachten van de geestwezens van God, de zonen en dochters van de Eeuwige.
9. En dezen dalen af naar de aarde en wonen met de mensen en leren hen de wegen van God, de wetten van de Eeuwige te beminnen en te gehoorzamen, opdat zij daarin de verlossing mogen vinden.
10. Vele volkeren hebben hun dagen gezien. Onder verschillende namen hebben zij zich aan hen geopenbaard, en de volkeren hebben zich in hun licht verheugd; en juist nu komen zij weer tot jullie, doch Israël neemt hen niet op.
11. Waarlijk, Ik zeg jullie, Mijn twaalf, die Ik heb uitgekozen: al hetgeen in vroegere tijden over hen is gezegd, is waar - slechts verdraaid door de verkeerde voorstellingen van de mensen.« (Hoofdst. 64, 6-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Al het reine is in God, en al het reine komt van God.
Van de Eeuwige komen lichtwezens naar de aarde - en naar de Eeuwige keren zij weer terug.
De wet van de aantrekking luidt: wie leeft in de Geest Gods, beweegt zich ook in de Geest Gods, omdat hij in Hem zijn tehuis heeft.
Volgens deze wet van de aantrekking - het gelijke trekt het gelijke aan - komt een ziel of een mens samen met die zielen of mensen, die hetzelfde of iets dergelijks in zich dragen, opdat zij met elkaar in het reine brengen, hetgeen zondig is. Zo zal een verstandsmens samenkomen met verstandsmensen, die hetzelfde of iets dergelijks in hun bewustzijn hebben opgeslagen en bewegen. Een gevoelsmens zal weer gevoelsmensen ontmoeten. Als zij met elkaar iets te bereinigen hebben, wordt hen hiertoe de mogelijkheid gegeven, doordat zij bijeen werden gebracht.
Op deze wijze komt ook het goddelijke aspect weer tot het goddelijke aspect. Dat wil zeggen, dat zielen en mensen, die dezelfde of vergelijkbare aanleg van innerlijk leven hebben, elkaar vinden, om elkaar wederzijds te helpen en te dienen en steeds meer het innerlijke leven te ontsluiten, het leven dat alles verenigt. Zo komt vorm tot vorm. Want iedere vorm straalt haar eigen bewustzijnsgraad uit en wordt door het innerlijke leven bestraald, opdat substantie en vorm zich mogen verheffen tot de volgende hogere geestelijke vorm.

Stof wordt wederom tot dezelfde substantie, stof, en leeft als kracht en bewustzijn in God, die ook in het stofdeeltje leeft, die het aanzet tot evolutie en het leidt tot de volgende hogere geestelijke vorm.
Het gelijke verbindt zich met het gelijke. In de materiële wereld verbinden zich de mensen met elkaar, in de zielenrijken de zielen - en in het eeuwige Zijn verbindt zich alles, wat zich in de geestelijke evolutie bevindt: geestelijke mineralen, planten, dieren en natuurwezens.

God, de eeuwige Vader, schiep en schept uit de eeuwige Geest, het Vader-Moeder-principe, mannelijke en vrouwelijke principes, de zonen en dochters van God, de geestwezens, die uit Zijn liefde en wijsheid, uit die ene bron, God, voortkwamen en voortkomen.

Toen het valgebeuren bijna op zijn dieptepunt was gekomen, ging Ik, de zoon, de mederegent der hemelen, naar de aarde, om de mensen de verlossing te brengen. In het „volbracht”, dat Ik aan het kruis door Mijn aardse lichaam, Jezus, sprak, geschiedde het heil in alle zielen: Mijn erfdeel, de deelkracht van de Oerkracht, verdeelde zich in vonken en nestelde zich in alle zielen. De verlossersvonk begon te stralen in iedere ziel en is sindsdien haar steun en toeverlaat.

Voordat Ik, Christus, de hemelen verliet, om als Jesus van Nazareth werkzaam te worden, werd in de troonzaal van de Eeuwige Mijn geweldige, machtige werk der verlossing besloten.
Vele zonen en dochters van God droegen een deel van hun geestelijk lichtpotentiëel in de verlossingsopdracht bij en nemen zo deel in het werk der verlossing. Het verlossingswerk leidt alle zielen terug, haalt hen dus terug naar hun innerlijk, zodat na het heengaan van hun aardse lichaam het wezen uit God weer naar God, de wet van het leven en de liefde, kan terugkeren.
De zonen en dochters van God incarneerden in verschillende geslachten, op de eerste plaats in het geslacht David. Het heeft een leidende functie in het werk der verlossing. Voorop gaat de goddelijke wijsheid. Het is de derde wezenheid Gods, vertegenwoordigd door de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de derde wetsengel.

Zoals Ik reeds openbaarde, bevindt het vrouwelijke principe van de drager van de goddelijke wijsheid zich in het aardse gewaad [1989], het mannelijke principe in het geestelijke gewaad. Beiden - de vrouwelijke geestduaal op aarde en de mannelijke geestduaal in de geest - dragen samen met Mij, Christus, de hoofdverantwoordelijkheid voor het werk der verlossing en gaan de zonen en dochters van God, die in de opdracht der verlossing staan, voor. Zij allen hebben de opdracht, de mensen de weg naar God te leren, hen te onderwijzen, hoe de wetten van de Eeuwige lief te hebben en te onderhouden - en in alles God te gehoorzamen. Daarmee komen de mensen tot de verlossersvonk in hun ziel en brengen hem steeds meer tot stralen. Dan is hij voor hen een licht op hun weg naar het eeuwige Zijn. Het is de Christus Gods, die in de Vader leeft.
Zo geschiedde en geschiedt het. In een wetmatige volgorde incarneerden de zonen en dochters, die in de opdracht van het verlosserswerk stonden en nog steeds staan, in de geslachten van deze aarde, vóór allen het duaalpaar van de goddelijke wijsheid.
In het Oude Verbond gingen de eerste zendingen - de eerste zonen en dochters, die in de opdracht van het verlosserswerk staan - uit de hemelen naar de aarde en ter incarnatie. Zij bereidden voor Mij, de Christus, de weg naar de mensen voor. Allereerst kwam het mannelijke principe, de cherubijn van de goddelijke wijsheid, als profeet op deze aarde en kondigde de komst van de Verlosser aan.
Zonder dat het de mens in het aardse lichaam bewust werd, werden enkele zonen en dochters van God aan de zijde van de profeet geplaatst, om in het Oude Verbond samen met hem datgene tot uitvoering te brengen, wat door de Geest Gods voor de toenmalige tijd was voorzien. Toen hun aardse bestaan beëindigd was, kwamen enkele van deze zonen en dochters van God uit de eerste zendingen, die zich nauwelijks hadden belast, weer terug naar het eeuwige Zijn voor de troon van de Vader, voorop het mannelijke principe van de goddelijke wijsheid, de cherubijn, die de Eeuwige op aarde als profeet had gediend.
De opdracht in het verlosserswerk bleef en blijft echter als zegel voor de Nieuwe Tijd in de beide principes van de goddelijke wijsheid - dat wil zeggen: tot aan de voleinding van de opdracht onuitwisbaar ingegrift -, evenzo in alle zonen en dochters van God, die in de opdracht staan.
Sommigen onder hen, die hun aardse lichaam hadden afgelegd, verzamelden zich weer in de reinigingsgebieden om nieuwe zendingen te vormen - samen met diegenen, die nu uit de hemelen kwamen - , om opnieuw te incarneren. Steeds weer gingen zendingen zonen en dochters van God ter incarnatie, onder hen ook velen, die hun opdracht in de eerste incarnatiezendingen niet hadden vervuld.
Gedurende de verschillende incarnaties ontstonden belastingen. Sommigen vervulden een deel van hun opdracht, anderen weer belastten zichzelf. Zij keerden terug naar de zielenrijken en vertoefden als zielen in die gebieden, die overeenstemden met hun bewustzijnsgraad.
Steeds nieuwe zendingen van zonen en dochters van God formeerden zich, om voor Mij, de Christus, de wegen op aarde voor te bereiden. Tenslotte verzamelde zich de beslissende zending voor het verlosserswerk: Ik, Christus, de zoon Gods, de mederegent van de hemelen, kwam in het aardse lichaam en met Mij vele zonen en dochters van God, om Mij te dienen en te helpen. Velen van hen waren in Mijn gevolg; zij hadden zich geïncarneerd in romeinse en joodse gezinnen. Veel van deze zonen en dochters van God waren door hun vorige incarnaties reeds belast en herkenden nu in het aardse gewaad het grote gebeuren niet. Desondanks bracht Ik de mensen een deel van Mijn goddelijke erfdeel. Ik werd gedragen door de Vader en door de boden van het licht en door de weinige zonen en dochters in het aardse lichaam, die Mij, hun broeder en Verlosser, de Verlosser der mensheid, herkenden.

Na Mijn terugkeer tot de Vader als mederegent der hemelen en Verlosser der mensheid ging de volgende geestelijke zending naar de aarde. Weer verzamelden zich in de reinigingsgebieden zonen en dochters van God met zonen en dochters van God uit de hemelen, om samen ter incarnatie te gaan. Vóór allen kwam met deze zending het vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid. Na het heengaan van hun lichamen gingen ook deze zielen weer ofwel naar de zielenrijken, of naar lichtere gebieden.
Zo kwamen en komen de zonen en dochters van God zending na zending tot de mensen, om hen te onderwijzen in de wetten van het leven, opdat zij God liefhebben, Hem gehoorzamen, zodat zij in Christus terugkeren naar God, hun en onze Vader. Elke keer brachten zij tevens de gedachte van het rijk Gods op aarde, zodat deze geleidelijk op aarde vorm en gestalte aanneemt: het is het vredesrijk van Jezus Christus. Vóór allen kwam steeds opnieuw het vrouwelijke principe van de goddelijke wijsheid, in samenwerking met haar geestduaal, de positieve pool van de goddelijke wijsheid, die zich in het geestelijke gewaad bevond en bevindt, om verder voor de zonen en dochters van God de weg te bereiden.
Sinds Mijn aardse bestaan zijn thans bijna tweeduizend jaar verlopen. Zeer geleidelijk voltrekt zich de wil van de Eeuwige in en door de zonen en dochters van God. Steeds meer vervullen zij op aarde datgene, wat in de opdracht der verlossing staat: samen met Mij, Christus, aan alle mensen te leren, de wetten van het leven en de liefde te onderhouden, om vrij te worden voor het rijk Gods. De zonen en dochters van God, die in de opdracht van de verlossing staan, komen en gaan, tot zich vervuld heeft, hetgeen Ik, de Christus, heb aangekondigd: een kudde en een herder, een volk in Mij, Christus, een rijk op aarde, het rijk van de Eeuwige.
De opdracht van de zoon, die Ik Ben, is, om naar huis te halen, wat verloren scheen. Deze opdracht staat in de harten van hen, die Mij in het werk der verlossing dienen.

Erkent: totdat het gehele verlosserswerk vervuld is - zowel op aarde alsook in de reinigingsgebieden - staan al deze zonen en dochters van God, voorop de goddelijke wijsheid, in de opdracht van de verlossing.
In Mij, de Christus, komt iedere ziel tot de Vader.

»Vele volkeren hebben hun dagen gezien. Onder verschillende namen hebben zij zich aan hen geopenbaard, en de volkeren hebben zich in hun licht verheugd; en juist nu komen zij weer tot jullie, doch Israël neemt hen niet op« betekent: de zonen en dochters van God kwamen, voorop de goddelijke wijsheid, zowel in het Oude alsook in het Nieuwe Verbond en zijn ook in de huidige tijd [1989] weer onder de mensen, om als pioniers voor de Nieuwe Tijd werkzaam te zijn.
De tijdsomwenteling is aangebroken van de oude, zondige wereld naar het Nieuwe Tijdperk van het licht en van de liefde. Heel geleidelijk zal het leven in Mij, de Christus Gods, opbloeien.
Omdat Israël Mij, de zoon Gods, en de andere zonen en dochters van God, die in de opdracht der verlossing stonden en staan, niet heeft opgenomen, ontstaat Israël nu in een ander land en daar ook het Nieuwe Jeruzalem.
12. En vervolgens sprak Jezus tot Maria Magdalena: »Er staat geschreven in de wet, wie vader en moeder verlaat, die laat de dood sterven. De wet echter spreekt niet over de ouders in dit leven, maar over het inwendige licht, dat in ons is tot de dag van vandaag. (Hoofdst. 64, 12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De zin van de woorden »...wie vader en moeder verlaat, die laat de dood sterven« is de volgende: de Vader-Moeder-God is voor ieder geestwezen en ieder mens de Oer-vader en de Oer-Moeder. Hij is het inwendige licht. Wanneer de mens het verlaat, door bewust te zondigen, is hij een geestelijk dode. Hij zal zo lang in de schaduw van zijn ik rusteloos ronddolen, totdat zijn ziel ontwaakt en de wedergeboorte in de Geest Gods nastreeft, om zich weer met de Vader-Moeder-God te verenigen.

13. Wie dus breekt met Christus, de Verlosser, met de heilige wet en met de gemeenschap der uitverkorenen, die laat de dood sterven. Ja, laat hen verloren zijn in de uiterste duisternis; want zo hebben zij het gewild, en niemand kan hen hinderen.« (Hoofdst. 64, 13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze woorden betekenen: wie breekt met Mij, de Christus, die breekt met de eeuwige wet, met God en met de gemeenschap van hen, die Zijn wil doen. Hij zal zo lang in de duisternis blijven en geestelijk dood zijn, totdat hij het licht der wereld zoekt, dat Ik in hem Ben.
Iedere ziel en ieder mens heeft de vrije wil, om Gods wetten te vervullen - of in de duisternis te wandelen. Aangezien het geestelijke lichaam - in staat van belasting ziel genoemd - uit God is, zal voor iedere ziel de tijd komen, waarin zij datgene zal aannemen en vervullen, wat haar vrij maakt: de wet van de liefde en het leven. Wanneer echter ziel en mens in de duisternis willen vertoeven, hebben zij volgens de wet van de vrije wil ook te dragen, hetgeen zij in de duisternis hebben veroorzaakt: de gevolgen van hun zaad.
De wet van de gerechtigheid zegt: iedereen heeft de vrije wil, om het Goddelijke aan te nemen of af te wijzen. Maar iedereen heeft dat, wat hij heeft geschapen, zelf te dragen.
De woorden „verloren zijn” betekenen: laat je naaste zijn vrije wil - en dwing hem ook niet, het Goddelijke aan te nemen, dat hem vrij maakt. De goddelijke wetten moeten de mens worden geleerd; maar of hij ze toepast en wanneer hij er gebruik van maakt, dient aan hem te worden overgelaten. Wie dit in acht neemt, vervult Gods wil, die luidt: iedereen mag vrij aannemen, wat Goddelijk is. Wie zijn naaste ertoe dwingt, handelt in strijd met Gods gerechtigheid, liefde en vrijheid.





HOOFDSTUK 65

De laatste zalving door Maria Magdalena -
De voorbereiding van het verraad

Over het ware geven en de hulp voor de armen -
De schaduwen van het menselijke ik verhinderen om het licht Gods te schouwen; de mens spreekt dan over de „geheimen van God” (1-10)

1. En op de avond van de sabbat voor het Pascha-feest was Jezus in Bethanië en ging naar het huis van Simon, de melaatse, waar men voor hem een avondmaaltijd bereidde. En Martha diende op, terwijl Lazarus een van degenen was, die met Hem aan tafel zaten.
2. En daar kwam Maria, genaamd Magdalena, die een albasten bokaal had met een heerlijke en kostbare zalf van nardusolie. Zij opende de bokaal en goot Jezus de zalfolie op het hoofd en zalfde zijn voeten en droogde ze met haar hoofdhaar.
3. Toen zei een van Zijn discipelen, Judas Iskariot, die Hem zou verraden: »Waartoe deze verkwisting van zalfolie? Men had haar duur kunnen verkopen en het geld aan de armen kunnen geven.« Dit echter zei hij niet uit bezorgdheid voor de armen, maar omdat hij vervuld was van jaloezie en hebzucht en omdat hij de beurs had en het geld beheerde. En zij morden over Magdalena.
4. Jezus echter sprak: »Laat haar met rust! Waarom vallen jullie haar lastig? Zij heeft alles gedaan wat zij kon. Zij volbracht een goed werk aan Mij. Armen hebben jullie altijd bij je, Mij echter hebben jullie niet altijd. Zij heeft Mijn lichaam gezalfd voor Mijn begrafenis.
5. Waarlijk, Ik zeg jullie, waar ook dit evangelie wordt gepredikt in de wereld, zal ook worden bericht tot haar gedachtenis, hetgeen zij heeft gedaan.«
6. Toen trad satan in het hart van Judas Iskariot, en hij ging zijn weg en beraadslaagde vertrouwelijk met de hogepriesters en oudsten, hoe hij Hem zou kunnen verraden. En zij waren blij en kwamen met hem dertig zilverlingen overeen, de prijs voor een slaaf. Hij beloofde het hen en zocht een gelegenheid, om Hem te verraden.
7. En in deze tijd sprak Jezus tot Zijn discipelen: »Predikt tot allen in de wereld en zegt: streeft ernaar, de geheimen van het licht te ontvangen en in te gaan in het rijk van het licht, want nu is de tijd daarvoor gekomen, en nu is de dag der verlossing.
8. Schuift het niet op van de ene dag naar de andere, van de ene omloop (van het rad van wedergeboorte) naar de andere, van aeon naar aeon, in de mening, dat jullie er dan bij de terugkeer in deze wereld in slagen, om de geheimen te verwerven en in te gaan in het rijk van het licht.
9. Want jullie weten niet, wanneer het aantal der volmaakte zielen in vervulling is gegaan. Want dan zullen de poorten van het lichtrijk gesloten worden, en van dan af zal niemand meer in staat zijn, om binnen te treden, noch zal iemand naar buiten gaan.
10. Streeft ernaar om binnen te treden, zolang de roep weerklinkt, voordat het aantal der volmaakten bezegeld en volledig is en de poort wordt gesloten.« (Hoofdst. 65, 1-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Hoe vaak horen jullie in deze wereld: men had het kunnen »verkopen en het geld aan de armen geven«. Iedereen, die deze woorden gebruikt, zou zich de vraag moeten stellen, hoe eerlijk hij dit meent, hoeveel hij zelf heeft bijgedragen tot de hulp aan de armen.
Het is niet voldoende, de armen aalmoezen te geven, zoals de farizeeërs doen, om door de mensen te worden gezien.
Het ware geven bestaat daarin, de wet van de liefde en het leven te vervullen. Dan is een gift geen aalmoes, maar een echte hulp. Met haar komt de arme ziel in het arme lichaam tot de wet „bid en werk” en wordt rijk in het hart. Dan zal ook de mens alles ontvangen, wat hij nodig heeft, om te leven als kind van God.
Waar dus het evangelie van de liefde en het leven eerst wordt geleefd en daarna wordt onderwezen, daar zullen de armen, die het aannemen en vervullen, in hun harten rijk worden en ook de arme mens zal ontvangen, hetgeen hij voor het leven als een kind van God nodig heeft. Het vervullen van het evangelie brengt de waarlijk goede werken.

De woorden: »streeft ernaar, de geheimen van het licht te ontvangen« willen zeggen: de schaduwen van het menselijke ik verhullen het licht en hinderen de mens, om het licht Gods te schouwen. Daarom spreekt de mens van de geheimen van het licht, omdat hij het nog niet vermag te schouwen. Wie achter de geheimen wil kijken, moet allereerst zijn schaduwen zien en datgene, wat hij heeft herkend en wat heeft geleid tot de schaduwen, wegnemen, zodat hij het licht Gods vindt en kan ingaan in het rijk Gods.

Schuift daarom hetgeen jullie aan menselijkheden hebben herkend, niet op van de ene naar de andere dag, van de ene ,omloop’ naar de andere, van de ene aeon naar de andere, in de mening, dat jullie het nog in het reine kunnen brengen in een van de volgende aardse levens. Want wie van jullie weet, wanneer het rad van wedergeboorte voor zwaar belaste zielen zal stilstaan en de poorten voor zulke incarnaties zullen worden gesloten?
Erkent: in dit aardse bestaan dienen jullie moeite te doen, om de wetten van God te vervullen. Schuift dus de verwezenlijking van het heilige leven niet van de ene dag op de andere, zeggende dat het jullie na dit aardse leven in een latere incarnatie beter zal lukken, de wetten van God te vervullen en de sluiers te doordringen, die jullie het licht en het leven niet laten schouwen.

Erkent: de mens spreekt zolang over de geheimen Gods, als hij zelf nog geheimen voor zijn medemensen heeft. Wie echter de volmaaktheid nastreeft, heeft voor zijn medemensen geen geheimen, omdat de wet Gods, die hij vervult, in zichzelf geen geheimen bevat.
Wie de wetten van de liefde en het leven vervult, is een open boek en voor hem is eveneens alles openbaar.
Gods genade werkt momenteel [1989] in versterkte mate in deze wereld. Hij, de Almachtige, heeft alle zielen en mensen nog eenmaal een spanne tijds en daarmee de mogelijkheid gegeven, om alles goed te maken, wat onrein is.





HOOFDSTUK 66

Leer over de volmaaktheid

Het ware leven is leven in God (1-3).
De reine wezens leven in de al-eenheid; zij zijn één - De polariteit als eenheid in God - Maria Magdalena, een voorbeeld van het ontvangende principe - Al het Zijn is opgebouwd op polariteit (4-11). De drie-eenheid: geest, ziel en mens - Wanneer komt het rijk Gods op aarde? (12-13)

1. En weer onderwees Jezus hen en sprak: »God heeft getuigen opgeroepen voor de waarheid in ieder volk en ieder tijdperk, opdat allen de wil van de Eeuwige horen en deze vervullen, om daarna als regenten en medewerkers in te gaan in het rijk Gods.
2. God is kracht, liefde en wijsheid, en deze drie zijn één. God is waarheid, goedertierenheid en schoonheid, en deze drie zijn één.
3. God is gerechtigheid, kennis en reinheid, en deze drie zijn één. God is glans, mededogen en heiligheid, en deze drie zijn één. (Hoofdst. 66, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In God is alle substantie, en alle krachten van het heelal zijn in de Ene, God.
Te allen tijde zond de Eeuwige boden in deze wereld, die van de waarheid getuigenis aflegden en de mensen getuigenis brachten, dat de waarheid, indien zij geleefd wordt, leven schenkt. Want het ware leven is leven in God.
Het woord „mededogen” betekent in de wet van God van de liefde en het leven: mee-lijden, mee-voelen en begrip hebben voor alle mensen en zielen en voor ieder creatuur.
4. En deze vier drieëenheden zijn één in de verborgen Godheid, de volmaakte, de oneindige, de enige.
5. Zoals in iedere man, die volledig is, drie personen zijn, de zoon, de echtgenoot en de vader, en deze drie zijn één.
6. Zoals in iedere vrouw, die volledig is, deze drie personen zijn, de dochter, de bruid en de moeder en deze drie zijn één. En de man en de vrouw zijn één, evenals God één is.
7. Zo is het ook met God, de Vader, in wie noch het mannelijke noch het vrouwelijke is en in wie beiden zijn en beiden drievoudig, en allen zijn één in de verborgen eenheid.
8. Verwondert jullie niet daarover, want zoals boven, zo is het beneden, en zoals beneden, zo is het boven, en wat op aarde is, is zo, omdat het in de hemel zo is.
9. En Ik zeg jullie nogmaals: Ik en Mijn bruid zijn één, zoals Maria Magdalena, die Ik verkozen heb en voor Mijzelf geheiligd heb als een voorbeeld, een is met Mij. Ik en Mijn gemeente zijn één. En de gemeente is de keur der mensheid ter verlossing van allen.
10. De gemeente van de eerstgeborene is de Maria Gods. Zo spreekt de Eeuwige. Zij is Mijn moeder, en zij heeft Mij steeds ontvangen vanaf den beginne en heeft Mij gebaard als haar zoon in ieder tijdperk en hemelsstreek. Zij is Mijn bruid, eeuwig één in heilige gemeenschap met Mij, haar gade. Zij is Mijn dochter, want zij is eeuwig ontsprongen en voortgekomen uit Mij, haar Vader, en verheugt zich in Mij.
11. En deze twee drieëenheden zijn één in de Eeuwige en worden betoond in iedere man en iedere vrouw, die volmaakt zijn geworden en eeuwig door God geboren worden en zich in het licht verheugen en steeds opgeheven en één gemaakt worden met God, en die voor eeuwig God ontvangen en voortbrengen ter verlossing van velen. (Hoofdst. 66, 4-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden van de mensen zijn symbolen. De woorden „man” en „vrouw” worden door de mensen allereerst verbonden met het geslacht. Zij dienen echter hier ook te worden begrepen als het duaalprincipe der hemelen, waarin alles geslachtsloos is.
Zoals God de kracht van alle krachten in het heelal is, zo bezitten alle wezens uit God de krachten van het heelal. Niet het aardse lichaam bezit deze krachten, maar het reine geestlichaam in het binnenste van de geïncarneerde ziel.
In de geest betekenen „man” en „vrouw” het gevende en het ontvangende principe. Tegelijkertijd zijn zij zoon of dochter Gods en vader of moeder. Beiden zijn één in hun gevende en ontvangende straling en tevens één in God, in de wet des levens.
De volmaaktheid kent mijn noch dijn. Al het Zijn is voor ieder rein wezen ook het zijne, want het kent geen persoonlijk eigendom. Wat het ene reine wezen bezit, bezit ook het andere. Zij zijn het niet alleen in alles eens - zij zijn één. Uit de al-eenheid stromen de overvloed en de innerlijke rijkdom.
Iedere ziel en ieder mens, die één is met Mij, de Christus, is ook één met Mij in de eeuwige Vader. Hij is een uitverkorene en vormt met vele uitverkorenen de gemeente, die de selectie is uit de mensheid van deze aarde, ter verlossing van allen. Uit de vier windstreken verzamelde en verzamel Ik hen, die één zijn met Mij of het pad der eenwording bewandelen.

Mijn verbinding met Maria Magdalena is het symbool daarvoor, dat al het Zijn op polariteit berust, ook in de verbinding van man en vrouw. Ik verkoos de bruid van mijn ziel ten teken, dat het gevende en het ontvangende een eenheid is in God, samengesmolten in het eeuwige. Daarmee getuigde Ik, dat voor het aangezicht van God vrouw en man gelijk zijn als eenheid en polariteit in Hem.
De ziel van Maria Magdalena kwam zeer dicht bij Mijn eigen zielenstraling. Zij leefde als levend voorbeeld van de geestelijke vrouw, het ontvangende principe in Mij en Ik als het levende gevende principe in haar. Zo is zij in Mij het geheiligde aspect van God, het ontvangende principe. In Jezus van Nazareth was zij in Mij, en zij is in Mij, de Christus - en wij zijn in God. Zij is het levende voorbeeld voor de vrouwen van deze aarde als het ontvangende principe, dat tevens de aspecten van het gevende principe in zich draagt.
Maria Magdalena verwachtte niets. Zij was in Mij, de Jezus, en is met Mij en in Mij voor eeuwig. Want alle hemelse krachten, geven en ontvangen, verenigen zich in al het Zijn, in ieder geestwezen, in de gesternten en in de natuurrijken, want al het Zijn is op polariteit opgebouwd. Al het Zijn is substantiëel leven, is God in alles.

Erkent: alles, wat de aarde draagt aan licht en kracht uit God, is door God gegeven ter verlossing van de zielen, van de mensen en van de aarde.
God, de Al-Eenheid, de liefde en wijsheid, ademt Zijn Ik Ben in ieder aeon, in iedere nieuwe scheppingsdaad. En hetgeen de Eeuwige in deze wereld heeft ingeademd, is weer Hijzelf, alles in alles. De reine krachten van de aarde zijn tevens de reine krachten van de hemelen. Zoals de reine krachten, het reine Zijn, als substantie op aarde werkzaam zijn, zo werken zij alomvattend in het eeuwige Zijn.

12. Dit is het geheim der drieëenheid in de mensheid, hierdoor moet het geheim van God zich in ieder mensenkind vervullen, om het licht te aanschouwen, leed te dulden voor de waarheid, in de hemel op te stijgen en de Geest der waarheid uit te zenden. Dit is het pad der verlossing; want het rijk Gods is inwendig.«
13. Toen sprak iemand tot Hem: »Heer, wanneer zal het rijk Gods komen?« En Hij antwoordde en sprak: »Wanneer hetgeen buiten is zal zijn zoals hetgeen binnen is en hetgeen binnen is zoals hetgeen buiten is, en het mannelijke en het vrouwelijke noch mannelijk noch vrouwelijk, maar beiden één zijn. Wie oren hebben om te horen, dat zij horen.« (Hoofdst. 66, 12-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De drie-eenheid in de mensheid is: de geest, de ziel en de mens. Zonder de geest en zonder de ziel kan de mens niet ademen. Adem is leven. God is de odem, het leven, de Geest, die door de ziel en de mens ademt en zo de hele mensheid in stand houdt.
Opdat de mens zichzelf transformeert en tot zijn ware Zijn komt, leer Ik het pad der liefde. Wie dit pad bewandelt voor zijn innerlijke verlichting, legt heel geleidelijk zijn hartstochten en begeerten af en ook zijn verwerpelijke aardse gedachten. Dan spreekt hij woorden des levens en handelt zoals hij dan weer geworden zal zijn: goddelijk. Dan eerst is de mens getransformeerd. Zijn uiterlijk is zijn ware Zijn, zijn innerlijk geworden.

Pas wanneer de mens zich in het licht van de waarheid heeft getransformeerd, komt het rijk Gods op deze aarde. Want wanneer het uiterlijke als het innerlijke en het innerlijke als het uiterlijke is geworden, dan vervult de mens Gods werken, en het leven op aarde is dan het leven in God. Dan zijn vrouw en man, het mannelijke en het vrouwelijke, één en de polariteit in God. Het positieve en het negatieve principe - dus de gevende en ontvangende wezens - leven dan bewust als kinderen Gods.






HOOFDSTUK 67

Intocht in Jeruzalem - Het eindoordeel

Hosanna - kruisigt Hem: wie alleen aan zijn eigen welzijn
denkt, is wankelmoedig - De joden oogsten sinds 2000 jaar hun zaad - De mens dient God te achten in iedere geschapen vorm, dus ook in de naaste, anders zal hij ter linkerzijde van Christus staan (1-10). Het afdragen en reinigen voor extreem belaste zielen (11). Wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan (12-14). De evolutieweg van extreem belaste zielen (15)

1. En op de eerste dag van de week, toen zij in de nabijheid van Jeruzalem kwamen bij de olijfberg bij Bethphage en Bethanië, zond Hij twee van Zijn discipelen uit en sprak tot hen: »Gaat heen naar de plaats, die vóór jullie ligt; en meteen, als jullie binnenkomen, zullen jullie een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mens heeft gezeten; maakt het los en brengt het mee.
2. En wanneer iemand tegen jullie zal zeggen: waarom doen jullie dit, zegt dan, de Heer heeft het nodig. En zij zullen het mee laten gaan.«
3. En zij gingen huns weegs en vonden het veulen vastgebonden op een plaats, waar twee wegen zich kruisten, en zij maakten het los. En sommigen, die daar stonden, spraken tot hen: »Wat doen jullie daar, waarom maken jullie het veulen los?« En zij zeiden hen, hetgeen Jezus hen had geboden, en zij lieten hen gaan.
4. En zij leidden het veulen tot Jezus en legden hun kleren op het dier, en Hij ging erop zitten. Velen echter spreidden hun kleren op de weg uit, en anderen braken jonge twijgen van de bomen en strooiden ze op de weg.
5. En zij, die voorop liepen en zij, die volgden riepen luid: »Hosanna, gezegend ben Jij, die komt in de naam van Jehova: gezegend zij het rijk van onze vader David en gezegend zij Jij, die komt in de naam van de Hoogste! Hosanna in de hoge!«
6. En Jezus nam Zijn intocht in Jeruzalem en in de tempel en nadat Hij alles rondom zich had gezien, zei Hij deze gelijkenis tot hen en sprak:
7. »Wanneer de mensenzoon zal komen in Zijn heerlijkheid en alle heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen alle volkeren verzameld zijn, en Hij zal hen van elkaar scheiden, zoals een herder zijn schapen scheidt van de bokken. En Hij zal de schapen aan Zijn rechterzijde, de bokken echter aan Zijn linkerzijde plaatsen.
8. Dan zal de koning tot hen, die aan Zijn rechterzijde zijn, zeggen: komt hier, gezegenden van Mijn Vader, erft het rijk, dat voor jullie bereid is vanaf het begin van de wereld. Want Ik was hongerig en jullie hebben mij te eten gegeven. Ik was dorstig en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie hebben Mij onderdak gegeven. Ik was naakt en jullie hebbben Mij gekleed. Ik was ziek en jullie hebben Mij bezocht. Ik was gevangen en jullie zijn bij Mij gekomen.
9. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij Jou hongerig gezien en hebben Jou te eten gegeven? Of dorstig en hebben Jou te drinken gegeven? Wanneer hebben wij Jou als vreemdeling gezien en onderdak gegeven? Of naakt en hebben Jou gekleed? Wanneer hebben wij Jou ziek of gevangen gezien en zijn tot Jou gekomen?
10. En de koning zal antwoorden en tot hen zeggen: zie, Ik toon Mij aan jullie in alle geschapen vormen, en waarlijk, Ik zeg jullie: wat jullie gedaan hebben aan een der geringsten onder Mijn broeders, dat hebben jullie aan Mij gedaan. (Hoofdst. 67, 1-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het woord „veulen” is de ezelin bedoeld, die Mij door de luid roepende menigte van joden droeg, die hun aardse koning wilden hebben.
Zolang de mens slechts bedacht is op zijn materiële welzijn, zal hij ook zo denken, spreken en handelen als de joden, die Mij met hun lippen prezen, in de hoop, dat God hen, het zondige volk, in Mij een mens zou zenden, die hen in hun ondeugden nog zou bevestigen en voor hen datgene teweeg zou brengen, wat voor hen een zondig leven mogelijk zou maken: aardse geneugten en uitspattingen, vraat- en drankzucht - dat betekent, hen alles mogelijk maakt, waarnaar zij verlangen.
Dezelfde joden, die »hosanna« riepen, »gezegend zij het rijk van onze vader David, en gezegend zij Jij, die komt in naam van de Hoogste«, riepen enkele dagen later: »Kruisigt Hem, laat Barabbas vrij.«
Herkent de mensen aan hun taal: wie slechts aan zijn eigen welzijn denkt, zal vandaag diegene eren, die hem dit mogelijk zou kunnen maken en morgen diezelfde verwensen, omdat hij het hem niet mogelijk heeft gemaakt.
Onderzoekt jezelf en jullie leven, of jullie niet in kleine en grote dingen hetzelfde denken, spreken en handelen als de joden toen. Op deze wijze worden velen een Judas. Zij zullen daarvoor moeten afdragen - als het niet in deze incarnatie is, dan in de zielenrijken of in een van de volgende incarnaties: want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
Sedert bijna 2000 jaar oogsten de joden van de ene incarnatie op de andere, wat zij toen en ook in latere incarnaties hebben gezaaid - totdat zij hun Verlosser aan- en opnemen en datgene berouwen, wat zij hebben veroorzaakt.

Begrijpt dit in jullie harten: alles, wat leven draagt, bezit Gods kracht, liefde en wijsheid, en alles, wat leeft, leeft omdat God erin woont.
God is in alles het geheel. Zijn kracht is onverdeeld in alles. Daarom is God alles in alles. In iedere geschapen vorm is God, is alles-in-alles. Alles, wat op deze aarde leeft, elke materiële vorm, draagt in zich de geestelijke vorm, het door God geschapene, en draagt daarmee alles, wat in God is, dus alles-in-alles.
Wie dat niet eerbiedigt, eert ook God niet en acht ook zijn naaste niet. Daarom heeft hij hem niet te eten gegeven, noch te drinken, hem geen onderdak verleend, niet gekleed en hem niet gediend. Wie God niet in elke vorm heeft geacht, heeft ook in zijn naaste God niet herkend en zodoende God niet aan- noch opgenomen. Zijn plaats zal aan Mijn linkerzijde zijn.

11. Dan zal Hij ook tegen degenen aan Zijn linkerzijde zeggen: gaat heen van Mij, slechte zielen, in het aeonen-durende vuur, dat jullie jezelf hebben bereid, totdat jullie zevenmaal gereinigd zijn en bevrijd zijn van jullie zonden. (Hoofdst. 67, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het woord „slecht” is de verdorvenheid van de ziel bedoeld, die alle zeven basiskrachten van God heeft overdekt met zware zonden.
Het afdragen van zware zonden geschiedt in cycli van aeonen*), want een diep gevallen ziel kan haar belastingen vaak niet in kortere tijdspannen afdragen. In veel gevallen zouden zowel de ziel in de reinigingsgebieden, alsook de mens dit niet kunnen verdragen. Daar komt bij, dat zo’n ziel aan verschillende of zelfs aan vele zielen en mensen gebonden is en pas dan vrij wordt, als deze haar allemaal hebben vergeven. Ook al het leed, dat zij als mens haar naaste heeft toegevoegd, zal zij aan het eigen zielenlichaam voelen. Deze afdraging en reiniging kan voor zo’n ziel de zogenaamde hel, het vuur, zijn.
________________________
* Met het woord aeonen zijn lichtcycli of energie-cycli bedoeld.

12. Want Ik was hongerig en jullie hebben Mij niet te eten gegeven. Ik was dorstig en jullie hebben Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie hebben Mij geen onderdak verleend. Naakt, en jullie hebben Mij niet gekleed. Ziek en gevangen en jullie hebben Mij niet bezocht.
13. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij Jou hongerig gezien of dorstig, of als vreemde of naakt of ziek en hebben Jou niet gediend?
14. Dan zal Hij hen antwoorden en zeggen: ziet, Ik toon Mij aan jullie in alle geschapen vormen, en waarlijk, Ik zeg jullie, wat jullie niet gedaan hebben aan een der geringsten onder Mijn broeders, dat hebben jullie ook Mij niet gedaan. (Hoofdst. 67, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De onbaatzuchtige liefde is de wet van het leven. Alleen wanneer zijn werken onbaatzuchtig zijn, leeft de mens bewust in God. Al het andere is gericht op de mens, op de eigen persoon, en houdt geen verband met God, die de Al-Eenheid en de onbaatzuchtigheid is. Wie slechts zijn naaste dient, om van hem loon te ontvangen, heeft zijn loon reeds en zal van God geen loon meer ontvangen.
Alle levensvormen leven door de eeuwig stromende wet, God, die liefde, leven en wijsheid is. Wie zich schuldig maakt aan een levensvorm in gevoelens, gedachten, woorden of daden, handelt in strijd met de wet, God. Ieder mens is geschapen vorm uit God. Alle gesternten, elke steen, elke plant en ieder dier zijn geschapen vormen uit God.
God, het leven, toont zich dus in alle geschapen vormen. Wie niet alle vormgeworden krachten van God onbaatzuchtig dient, maakt zich aan hen schuldig en zal moeten dragen en aflossen, wat hij zichzelf daarmee heeft opgelegd. Wat jullie dus aan een der geringsten van Mijn broeders, jullie naasten, niet onbaatzuchtig hebben gedaan, dat hebben jullie ook aan Mij niet gedaan.

Erkent: wie zijn naaste leed aandoet, hem uitbuit, hem voor een gering loon voor zich laat werken en daardoor rijkdommen verzamelt, zal alles aan zijn eigen lichaam voelen, wat hij zijn naaste heeft aangedaan.
Ik treed de mensen tegemoet in allerlei gestalten en vormen. Wie het leven, dat Ik in gestalte en vorm Ben, niet aan- en opneemt, verwerpt zijn eigen leven en kan het vaak pas na aeonen van leed terugvinden. Want geen enkele ziel gaat verloren - omdat Ik in iedere ziel Ben: Christus, het leven.

15. En de hardvochtigen en liefdelozen zullen heengaan voor een strenge straf gedurende aeonen, en als zij niet berouwen, zullen zij geheel en al vernietigd worden. De rechtvaardigen echter en de barmhartigen zullen ingaan in het eeuwige leven en de eeuwige vrede.« (Hoofdst. 67, 15)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het begrip „geheel en al vernietigd worden” is als volgt te verstaan: zielen, die zichzelf de zwaarste belastingen hebben opgelegd, zonden tegen de Heilige Geest - die zich dus tegen beter weten in hebben bezondigd aan het eeuwige, heilige leven - , en dit niet berouwen, maar willens en wetens doorgaan met zondigen, zullen schade ondervinden aan hun zielenlichaam. Aangezien iedere ziel het eeuwige leven heeft, moeten deze zielen zich regenereren in de geestelijke ontwikkelingsgebieden, dat wil zeggen, zij moeten hun geestelijke lichaam weer vervolmaken.
Dit geldt ook voor demonen, die tot aan de oplossing van alle materiële vormen en daarna nog tegen Mij strijden. Als valwezens zijn zij verantwoordelijk voor het gehele belastingspotentieel en dragen ook in dezelfde mate af tot aan de beëindiging van de val. De individuele zielen en mensen echter dragen af, waaraan zij zich schuldig hebben gemaakt.
Al deze zwaarbelaste zielen worden in het geestelijke evolutieproces opgenomen, om hun geestelijke levenskiemen, de deeltjes van hun geestelijke lichaam, weer op te bouwen en de geestelijke atoomsoorten weer op Mij af te stemmen. Ongeveer zoals het verloopt in het geestelijke evolutiegebeuren in het eeuwige Zijn - van steen tot plant, van plant tot dier en van dier tot natuurwezen -, zal het ook gebeuren met deze zielenlichamen. Op deze wijze bouwen zulke zielen hun geestelijke lichaam weer op en nemen vervolgens weer bewust het kindschap Gods aan - als kinderen van de onbaatzuchtige liefde. Wat hen gegeven werd, het kindschap uit God, is en wordt hen niet afgenomen.
Ik herhaal:
Zulke zwaarbelaste zielen, die delen van hun geestelijke lichaam hebben beschadigd, gaan naar de geestelijke evolutievelden, om datgene weer te herstellen, wat zij door voortdurende belasting hebben geschaad. Het kindschap in God echter blijft hun deel.





HOOFDSTUK 68

Gelijkenissen van het goddelijke gerecht

»Het rijk Gods zal jullie worden afgenomen
en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt« (1-7). De strijd tegen de boden van God, die leven volgens hetgeen zij onderwijzen (8-10). Ik kwam in Jezus en kom als Christus (11). Innerlijke en uiterlijke waardigheid - De aardse machthebbers zullen aan de hoeksteen Christus, die de sluitsteen zal worden, ten ondergaan (12-14). Keert tijdig om, voordat het noodlot zich voltrekt - Menselijke woorden, begrippen, maten en hun betekenis zijn slechts wegwijzers naar de waarheid (15-20)

1. En Jezus sprak een andere gelijkenis: »Er was eens een huisvader, die plantte een wijnberg en plaatste er een omheining omheen en groef daarin een wijnpers en bouwde een toren en gaf hem aan wijnbouwers en trok naar een ver land.
2. En toen de tijd van het rijpen nabij was, zond hij zijn knechten naar de wijnbouwers, om de vruchten eraf te halen. De wijnbouwers echter namen de knechten en sloegen de eerste, stenigden de tweede en doodden de derde.
3. Hij zond nogmaals andere knechten tot hen, die hoger in aanzien waren dan de eersten, en zij handelden evenzo met hen. Als laatste echter zond hij zijn zoon tot hen en sprak: Mijn zoon zullen zij aanvaarden.
4. Toen echter de wijnbouwers de zoon zagen, spraken zij onder elkaar: dit is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden en zijn erfenis in bezit nemen. En zij namen hem, wierpen hem uit de wijnberg en sloegen hem dood.
5. Als nu de heer van de wijnberg komt, wat zal hij doen met deze wijnbouwers? Zij spraken tot Hem: »Hij zal deze slechte mensen op ellendige wijze ombrengen en de wijnberg aan andere wijnbouwers geven, die hem de vruchten zullen overdragen, als zij rijp zijn.«
6. Jezus sprak tot hen: »Hebben jullie niet gelezen in de schrift: de steen, die de bouwlieden hebben verworpen, is tot de sluitsteen van de pyramide geworden? Dit is de daad van de Heer en zij is wonderbaar in onze ogen!
7. Daarom zeg Ik jullie: het rijk Gods zal van jullie worden weggenomen en worden gegeven aan een volk, dat zijn vruchten voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal breken, maar op wie hij valt, die zal hij tot stof verpulveren.« (Hoofdst. 68, 1-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Vele gelijkenissen, die Ik als Jezus van Nazareth aan Mijn apostelen, discipelen en aan het volk gaf, zijn eveneens van toepassing op de huidige tijd [1989].
De uitspraak »het rijk Gods zal jullie worden afgenomen en aan een volk worden gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt« was en is van toepassing op de joden en geldt eveneens voor de zogenaamde „plaatsvervangers van Christus”.
Ook thans roept God nog steeds door Zijn getrouwen en door Zijn profeten en nog steeds spoort God door hen de „plaatsvervangers van Christus” aan, om de vruchten van het innerlijke leven te brengen. Weliswaar wilden zij Mijn leer verspreiden, maar het is bij willen gebleven. Omdat zij geen vruchten van innerlijk leven kunnen tonen, maar hun harten geestelijk leeg zijn, werden en worden zij beheerst door machtlust en hebzucht, doodden zij de afgezanten Gods en zij bespotten en honen hen nog steeds.
Nu verzamel Ik uit de vier windstreken een ander uitverkoren volk, dat God gehoorzaamt en zijn geestelijke vruchten voortbrengt, en Ik zal daarmee datgene tot stand brengen, wat Ik door vele rechtvaardige profeten heb geopenbaard: het rijk Gods op deze aarde.

8. En toen de hogepriesters en Farizeeën deze gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij over hen sprak. Maar zij waren bevreesd voor het volk, toen zij de hand aan Hem wilden slaan; want het hield Hem voor een profeet.
9. De discipelen vroegen Hem daarna naar de zin van deze gelijkenis, en Hij sprak tot hen: »De wijnberg is de wereld, de wijnbouwers zijn jullie priesters, en de knechten zijn de dienaren van de goede wet en de profeten.
10. Wanneer de vruchten van het werk van de priesters zullen worden verlangd, worden er geen gegeven, maar zij mishandelen de afgezanten, die de waarheid Gods leren, zoals zij hebben gedaan vanaf het begin. (Hoofdst. 68, 8-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wat eens was, is ook momenteel [1989] actueel! De wijnberg is de wereld; de priesters menen nog steeds, dat zij het daarin voor het zeggen hebben. Maar de tijd is gekomen, waarin de ware dienaren en dienaressen en de ware profeten werkzaam zijn en de mensen het leven uit God leren en het hen voorleven, opdat de wijnstokken Mij, de Christus, de ware vruchten brengen: zichzelf.
Erkent: steeds weer zijn het dezelfden - de goddelozen, priesters, schriftgeleerden en farizeeërs - die mannen en vrouwen veroordelen, die God heeft gezonden. Het hele streven der goddelozen is, om de waarheid tot zwijgen te brengen. Maar wie meent, de waarheid te kunnen uitdoven, die zij gezegd, dat ook de stenen spreken.
Te allen tijde ondernamen de goddelozen de eerste stappen tegen de rechtvaardige mannen en vrouwen. Zij, die horig zijn aan de mannen van de kerk, spelen hun spel, vernietigen en verwoesten alles, wat hun drang naar aanzien en rijkdom in de weg staat.
Mensen die slechts voor hun eigen schuren verzamelen, kunnen geen vruchten van onbaatzuchtigheid voorleggen. Daarom spreekt God het egoïstische, het zelfzuchtige, het streven naar macht en de hebzucht aan door Zijn knechten en maagden, door profeten en door verlichte mannen en vrouwen. Als deze dan de satan der zinnen in de mens aan de kaak stellen, steigert deze en wendt zich tegen de boden van God.

11. En als de mensenzoon zal komen, de Christus Gods zelf, verzamelen zij zich tegen de Heilige, slaan Hem en werpen Hem uit de wijngaard; want zij hebben niet de dingen des geestes gedaan, maar zochten hun eigen genot en gewin, door de heilige wet te verwerpen. (Hoofdst. 68, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik, de Christus Gods, kwam in Jezus tot hen en kom als Christus tot hen. In velerlei gestalten hadden zij Mij kunnen aanschouwen en ervaren, want Ik Ben in de Vader-Moeder-God het leven in alle levensvormen.
Ik kwam en kom tot hen ook met Mijn heilige woord, dat de eeuwige waarheid is. Ik vermaande en vermaan hen door Godsprofeten, om de wetten Gods in acht te nemen. Maar zij luisterden en luisteren slechts naar de influisteringen van hem, aan wie zij zich hebben overgegeven. Deze verleidt en leidt hen, en zo waren en zijn zij slechts bedacht op hun eigen genot en gewin. Op deze wijze hebben zij de wet, God, verworpen en verwerpen deze tot aan deze generatie toe [1989].
12. Hadden zij die Ene Gezalfde aangenomen, die de hoeksteen is en de nok, dan was het goed geworden met hen, en het gebouw had gestaan als een tempel Gods, waarin de Geest woonde.
13. Maar de dag zal komen, dat de wet, die zij verwerpen, tot sluitsteen wordt, die allen zien en zij, die over hem struikelen, te gronde zullen gaan; maar zij die in de ongehoorzaamheid volharden, zullen in stukken worden geslagen.
14. Want God heeft aan enkele engelen de heerschappij gegeven over de loop van de wereld en hen de opdracht gegeven, in wijsheid, gerechtigheid en in liefde te regeren. Maar zij hebben de geboden van de machtigste geminacht en tegen de goede bevelen Gods gehandeld. Zo waren wreedheid en leed en verdriet in de wereld gekomen, totdat de Meester terugkomt en alle dingen in bezit neemt en Zijn dienaren ter afrekening roept.« (Hoofdst. 68, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Hetgeen hier is aangekondigd, geschiedt nu [1989]. De Nieuwe Tijd zal de zondige wereld uit haar voegen rukken en alles aan het daglicht brengen, wat tot nu toe verborgen was - ofwel in de regeringen van deze wereld, onder de regerenden, die hun machtsstructuren willen handhaven, om daarmee het volk te onderdrukken; of ook de machtsstructuren van de kerkelijke instituties, die Mijn naam, Christus, misbruiken, om hun gelovigen aan hun dogma’s en leerstellingen te binden.
Hadden zij Mij, Christus, aan- en opgenomen, dan waren de mensen bewust in Mij, de Christus, en ieder mens zou bewust een tempel Gods zijn. Hun kerken waren dan gebedshuizen voor alle mensen, zonder pracht en praal. Maar de machthebbers van de kerkelijke instituties hebben van de gebedshuizen prachtige bouwsels gemaakt, waarin zij hun rijkdommen tentoonstellen. Daarheen leiden zij de hen onderhorige schapen ter aanbidding in uiterlijke pracht en praal, zoals het bij de mammon, het satanische, hoort.
Wie in zijn innerlijk is verkoeld, wie arm is, wie dus zijn tempel niet heeft versierd met de sier van innerlijke liefde en deugdzaamheid, heeft behoefte aan het uiterlijke vertoon van grote, rijk versierde kerkgebouwen. Hij zal er dan ook naar streven, om in het uiterlijke waardigheid en aanzien te verkrijgen en als hoogwaardigheidsbekleder in zo’n kader te schitteren.
Wie de innerlijke waardigheid ontbreekt, meet zich uiterlijke waardigheid aan.

De wet luidt: wie in zijn innerlijk arm is, tracht zich in het uiterlijke op te smukken. Wie in zijn innerlijk rijk is, draagt de sier van de onbaatzuchtige liefde, van de deugd, de goedheid en de deemoed; zijn blik is helder en niet verblind door ijdele waan.
Hadden zowel de regeerders van alle volkeren, alsook de machthebbers van de kerkelijke instituties Mij, de hoeksteen en de nok, aan- en opgenomen, dan zouden zij dienaren zijn van het levende heil; zij zouden dan gelijkgesteld zijn aan hun naaste en geen hooggeplaatsten. Wie zichzelf hoger dunkt dan zijn naasten, zal vallen. Zo zullen alle hooggeplaatsten aan de hoeksteen, die de sluitsteen zal worden, te gronde gaan. Alles zal openbaar worden. Dat is de wet van de gerechtigheid, die alles onthult.
God de Eeuwige, heeft steeds weer mensen geroepen, om onbaatzuchtige dienaren van al Zijn kinderen te zijn, opdat alle mensen onbaatzuchtig worden en zich allen verenigen in onbaatzuchtige liefde. God, de Eeuwige, heeft hen de wetten van het innerlijke heil verkondigd, opdat zij een engelachtig leven mogen leiden, om zoals de engelen in de hemel op aarde werkzaam te zijn. Zij hebben deze wetten slechts aangenomen, maar in hun leven niet verwezenlijkt. Zij misbruikten de waarheid voor hun eigen doeleinden en hebben in naam van de Allerheiligste een hel van zonde geschapen, waarin veel mensen uit Mijn naam worden vastgehouden. In blind geloof in het goede brengen zij hun geld als offer, dat echter dan grotendeels door de verantwoordelijken voor egoïstische doeleinden wordt gebruikt.

Dit alles en nog veel meer brengt de wet Gods, de gerechtigheid, liefde en wijsheid, aan het daglicht. Daaraan zullen diegenen te gronde gaan, die het volk blind hebben gehouden. Het volk moet zijn bedrieglijke leiders herkennen en uit deze herkenning vrijwillig omkeren; want ieder mens is de vrije wil gegeven.
Omdat de hoeksteen tot sluitsteen wordt, zullen de ogen van velen worden geopend en zij zullen herkennen, wie zij zijn gevolgd. Dan zullen velen de uiterlijke pracht en rijkdom verlaten en afbreken. Op deze manier vergaan de machtsstructuren, die door het schijnvertoon en de uiterlijke rijkdom omhoog zijn geklommen.

Aangezien dit boek een historisch werk is, wil Ik steeds opnieuw de mensen in het rijk Gods, in het vredesrijk van Jezus Christus, aanspreken:

Erkent: in de machtige tijdsomwenteling streden de pioniers met zichzelf, om vrij te worden van al het menselijke, dat hen nog eigen was. Tegelijkertijd streden zij tegen de machtsstructuren, die zijn voortgekomen uit het menselijke ik. Zij wisten, dat Ik met hen was, zoals Ik met jullie Ben in het vredesrijk. Zij streden tegen al het institutionele, omdat zij wisten: God is vrijheid en laat alle mensen de vrijheid.
Ook binnen de bondgemeente Nieuw Jeruzalem vond steeds weer het reinigingsproces plaats: voor of tegen Christus. Iedereen had de vrije wil, in de bondgemeente Nieuw Jeruzalem te blijven of deze te verlaten. Niemand werd gebonden aan een bepaalde uitspraak of een belofte. Maar iedereen moet zich voor hetgeen hij doet alleen voor God verantwoorden en niet voor de mensen.
De pioniers voor het vredesrijk van Jezus Christus streden voor de nieuwe wereld, de wereld van Christus, waarin alleen de wetten der hemelen geldigheid hebben. Zij wisten - en daarop bouwden zij - :
Ik, Christus, maak alles nieuw.
Zij wisten: Ik zal tempels stichten, die Mij aan- en opnemen. Deze tempels zullen stralende fakkels zijn van het ware christelijke leven. Het zijn de tempels van vlees en bloed, waarin verlichte zielen zullen wonen, in wie het altaar Gods is opgericht, waarop het vuur van de onbaatzuchtige liefde, de wijsheid en de goedheid brandt. Dat Ben dan Ik, Christus, in de Mijnen.

15. En Hij sprak een andere gelijkenis: »Een man had twee zonen, en hij kwam bij de eerste en sprak: mijn zoon, ga heen en werk vandaag in mijn wijnberg, en deze antwoordde: ik wil niet. Later echter had hij spijt en ging er heen. En hij kwam bij de tweede en sprak evenzo. En deze antwoordde: ik ga, vader. Maar hij ging er niet heen. Welke van beiden deed de wil van de vader?«
16. Zij zeiden tot Hem: »De eerste.« En Jezus sprak tot hen: »Waarlijk, Ik zeg jullie, dat de tollenaars en de hoeren het rijk Gods zullen binnengaan vóór jullie. Want Johannes is tot jullie gekomen op het pad der gerechtigheid, en jullie geloofden hem niet; maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem, en jullie, toen jullie het gezien hadden, hebben het daarna niet berouwd, opdat jullie hem zouden hebben geloofd.«
17. En de Heer verzamelde al Zijn discipelen om zich heen op een plaats. En Hij sprak tot hen: »Kunnen jullie volmaaktheid geven aan hetgeen onvolmaakt is? Kunnen jullie orde maken van wanorde?« En zij antwoordden: »Neen, Heer.«
18. En Hij stelde hen op, ieder volgens zijn cijfer in een vierkant, aan elke kant één minder dan twaalf; Hij deed dit, omdat Hij wist, wie Hem zou verraden (die door de mensen als een van de Zijnen beschouwd zou worden, maar het niet was).
19. De eerste in de zevende rij van boven in het midden, en de laatste in de zevende rij van beneden, en degene, die noch de eerste noch de laatste was, maakte Hij tot middelpunt, en de overigen stelde Hij op volgens een goddelijke orde, en ieder vond zijn plaats, zodat de bovensten net zo stonden als de ondersten, en de ondersten net zo als de bovensten, en de linkerzijde gelijk was aan de rechter en de rechterzijde gelijk aan de linker, volgens de som van de cijfers.
20. En Hij sprak: »Zien jullie, hoe jullie staan? Ik zeg jullie, zo is ook de orde in het rijk Gods, en de Ene die over allen regeert, is in jullie midden, en Hij is het middelpunt en met Hem zijn de honderdtwintig, de uitverkorenen van Israël, en na Hem komen de honderdvierenveertigduizend, de uitverkorenen der heidenen, die hun broeders zijn.« (Hoofdst. 68, 15-20)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: wie tijdig erkent en berouwt, kan ook tijdig ontvangen, voordat het noodlot toeslaat. Keert daarom om, voordat jullie intreden in het rad van lijden en datgene over jullie komt, wat jullie hebben veroorzaakt door jullie gevoelens, gedachten, woorden en daden.
De dagen zijn jullie gegeven, opdat jullie uit het verloop van de dag lezen, wat de dag jullie wil meedelen. Indien jullie bewust in de dag leven en de taal van de dag hebben leren duiden, zullen jullie je daarin ook herkennen; en jullie zullen in het reine brengen, wat als vermaning op jullie toekomt, voordat het noodlot in werking treedt.

Als Jezus van Nazareth sprak Ik in vele gelijkenissen. Bovendien gebruikte Ik getallen en maten, om Mijn getrouwen het rijk van het innerlijke leven uit te leggen.
Het woord van de mensen heeft verschillende betekenissen en ieder mens neemt slechts die betekenissen waar, die hij in staat is te begrijpen, volgens de bewustzijnsstand van dat moment. Daarom moeten jullie je niet aan woorden, aan betekenissen, noch aan getallen en maten vastklampen, maar deze allemaal als hulpmiddelen, als wegwijzers zien, die jullie leiden naar het innerlijke leven, naar de waarheid, die woorden noch begrippen, getallen noch maten heeft, maar die de kracht zelf is, de liefde en de wijsheid - het Albewustzijn.
Wanneer de ziel weer teruggekomen is tot het Al-Vader-bewustzijn, dus rein is, dan is ook de mens zich van veel bewust en hij gebruikt dan de hulpmiddelen slechts nog zolang, als hij in de wereld van woorden, begrippen, getallen en maten leeft.
Aangezien alles vibratie is, heeft alles een betekenis. Maar ook de betekenis der dingen kan slechts worden begrepen volgens de zin; zij is niet de waarheid zelf - deze is het zich openbarende bewustzijn zonder woorden, begrippen, getallen en maten.





HOOFDSTUK 69

Over dood, wedergeboorte en leven

De wedergeboorte in de Geest Gods bevrijdt van
de reïncarnatie (1-2). Over het rad van wedergeboorte - De schaduwzielen - De ziel vindt pas rust, wanneer alle zonden zijn uitgeboet - Aflossing van zonden op aarde gemakkelijker en sneller dan in het zielenrijk (3-4). Het woord van de mens is het woord van de dwaling (5-6). De werking van het Vader-Moeder-principe in de dualen (7-10). Wie van goede wil is, begrijpt en vervult de wet van het leven en wordt vrij van dwalingen (11-13)

1. Toen Jezus met Zijn discipelen aan de westelijke zijde van de tempel zat, zie, daar droegen de mensen een dode op een draagbaar, om hem te begraven, en een van hen zei tot Hem: »Meester, wanneer een mens is gestorven, zal hij dan weer leven?«
2. En Hij antwoordde en sprak: »Ik Ben de opstanding en het leven, Ik Ben het goede, het mooie, het ware en wie in Mij gelooft, zal nooit sterven, maar eeuwig leven. Zoals in Adam allen sterven, zo zullen allen in Christus weer levend worden. Gezegend zijn zij, die in Mij sterven en volkomen gelijk geworden zijn aan Mij; want zij rusten uit van hun werk, en hun werken volgen hen na. Zij hebben het kwade overwonnen en werden gemaakt tot pijlers van de tempel van Mijn God, en zij gaan er niet meer uit; want zij zullen in de eeuwigheid blijven. (Hoofdst. 69, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

„... in Adam sterven” betekent, in de zonde sterven. In Christus verrijzen betekent, ontbonden zijn van de zonde door berouw, vergeving, vragen om vergeving, door het weer goedmaken en doordat de mens zulke en vergelijkbare zonden niet meer doet.
Wie de reinheid van de ziel nastreeft en wie in Mij, Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, gelooft, zal bewust in Mij leven en de wedergeboorte in de Geest Gods verkrijgen. Hij gaat het Allerheiligste binnen, in God, en zal ook in God blijven. Het wezen, dat weer bewust het evenbeeld van de Vader is geworden, blijft in de eeuwige hemelen en gaat niet meer ter incarnatie - behalve om de Eeuwige in het aardse gewaad te dienen.

3. Zij echter, die kwaad hebben gedaan, voor hen is er geen rust; want zij zullen in- en uitgaan en door vele tijdperken heen leed moeten dulden voor hun verbetering, totdat zij volmaakt zullen zijn geworden. Zij echter, die het goede hebben gedaan en volmaaktheid hebben verkregen, hebben de eeuwige rust en zij gaan het eeuwige leven binnen. Zij rusten in de eeuwigheid.
4. Dood en geboorte hebben in hun herhaling geen macht meer over hen, voor hen draait het rad van de Eeuwige niet meer, want zij hebben het middelpunt bereikt, waar eeuwige rust heerst, en het middelpunt van alle dingen is God.« (Hoofdst. 69, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie in de zonde sterft, zal geen rust hebben, omdat op z’n laatst in de reinigingsgebieden de zonde tot borende pijn wordt.
Als de ziel in deze incarnatie haar meegebrachte zonden niet heeft afgelost, maar daarop verder heeft opgebouwd, blijft zij vastzitten aan het rad der wedergeboorte en wordt daardoor in een volgende incarnatie getrokken, omdat zij zich vanwege haar belasting, vanwege de zonde niet kon verheffen. Elke zonde wordt rijp volgens voorgeschreven wetten en dringt dan tot aflossing. Zolang de ziel vast blijft zitten aan het rad van wedergeboorte, trekt dit haar ook weer naar de aarde, omdat zij daar de mogelijkheid heeft, in een korte periode in het reine te brengen, wat nog aardgebonden, dus in de aarde geworteld is.
Een ziel kan verschillende of zelfs vele incarnaties hebben doorleefd. Dit kan zo lang voortgaan, totdat alle zonden zijn afgelost, die de ziel steeds weer naar de aarde trekken, omdat zij nog in de aarde geworteld is.
Wanneer in de reinigingsgebieden een zielenschuld openbreekt, kan dit voor de ziel een „vuurhaard” zijn, waarin zij smacht. Veel zielen herkennen in de gloed van de opengebroken zonde - die de ziel evenveel pijn doet als de wonden aan het fysieke lichaam van de mens -, dat zij opnieuw de mogelijkheid zouden hebben, om als mens op aarde deze schuld af te dragen en eveneens andere zonden, die nog latent zijn. Zij vernemen van leerengelen, dat in een latere incarnatie de mogelijkheid bestaat, de belastingen van de ziel sneller en gemakkelijker af te dragen en zich sneller te bevrijden van het leed, dat door de zonde is ontstaan.
Weer andere zielen gaan door vele tijdperken, komen op aarde en gaan weer - komen en gaan weer. Velen van hen belasten zich steeds opnieuw, omdat zij noch in de reinigingsgebieden, noch in het aardse bestaan bereid zijn, hun zonden in te zien, als hun schuld te erkennen, te berouwen en niet meer te zondigen. Dat zijn vaak degenen, die kwaad spreken over mensen, die trachten, Gods wil te vervullen.
Wie gedurende lange perioden in zonde leeft, is ver verwijderd van het licht - en is uiteindelijk tegen het licht, omdat voor hem de schaduw zijn tehuis is. Dit zijn dan ook zulke zielen, die in het aardse gewaad steeds weer die mensen achtervolgen, die zij reeds in het verleden kwaad hebben aangedaan. Ook via hun overeenkomsten kunnen de achtervolgers diegenen herkennen, die trachten, de schaduwen - hun zonden - met Christus in het reine te brengen.

Erkent: veel geïncarneerde zielen, mensen dus, ontmoeten in hun bestaan op aarde in andere mensen hun slachtoffers uit vroegere tijden. Daarmee wordt hen de mogelijkheid gegeven tot inzicht en ommekeer.
De een erkent, berouwt en gaat als ziel geleidelijk het leven in en komt niet terug. De andere ziel komt weer in een aards bestaan, omdat zij de vorige incarnaties niet heeft benut en zich opnieuw heeft bezondigd.
Erkent: in de zielenrijken beleven de zielen hun zonden als vuur in het zielenlichaam, wanneer de oorzaken, de zonden dus, actief worden; het is ongeveer zoals in het aardse bestaan, wanneer de oorzaken tot uitwerking komen en de mens bepaalde lotgevallen en ziekten moet ondergaan. In de reinigingsgebieden echter beleeft de ziel de uitwerkingen van de zonden veel pijnlijker dan wanneer zij deze als mens in een aards bestaan moet afdragen en ondergaan. Want wie in het aardse gewaad berouw heeft en moeite doet, zijn zonden aan Mij, de Christus, over te geven en ze bij Mij te laten, wie in Mij leeft en niet meer zondigt, gaat het eeuwige, reine, geestelijke leven binnen. Voor hem draait het rad van wedergeboorte niet meer. Hij is ontbonden van dood en geboorte, omdat de ziel weer het wezen uit God is geworden en leeft in het middelpunt, in God.

5. En een van Zijn discipelen vroeg Hem: »Hoe moet men ingaan in het rijk Gods?« En Hij antwoordde en sprak: »Als jullie niet het onderste maken als het bovenste en het linkse als het rechtse, datgene wat van achteren is als dat, wat van voren is, als jullie niet ingaan in het middelpunt en in de geest, zullen jullie niet ingaan in het rijk Gods.«
6. En Hij sprak: »Meent niet, dat er één mens is zonder dwaling, want zelfs onder de profeten en ingewijden van het christen-zijn wordt het woord van de dwaling gevonden. Maar er zijn veel dwalingen, die de liefde toedekt.« (Hoofdst. 69, 5-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het woord van de mens is het woord van de dwaling. Want woorden zijn slechts symbolen en kunnen op velerlei wijze worden geduid. Het woord van de mens wordt door mensen slechts zo begrepen, als hun momentane bewustzijn gerijpt is. Geestelijk ontwaakte mensen begrijpen de betekenis van het woord, omdat zij zijn ingegaan in de waarheid. Mensen, wier bewustzijn zich nog in een embryonale toestand bevindt, blijven hangen aan de letter en zien in alles de tegenspraak.
Het woord van de ware profeten, ingewijden en verlichten wordt dikwijls verkeerd geduid, omdat het verkeerd begrepen wordt. Op aarde leven mensen met verschillende bewustzijnsniveau’s, en ieder hoort overeenkomstig zijn eigen bewustzijnsstand, en ieder duidt het ook dienovereenkomstig voor zichzelf en voor zijn naasten.

De woorden »... want zelfs onder de profeten en ingewijden van het christen-zijn wordt het woord van de dwaling gevonden. Maar er zijn veel dwalingen, die de liefde toedekt« betekenen het volgende:
De zogenaamde profeten en ingewijden, die Mij, de Christus, slechts als middel voor hun doel gebruiken, om hun eigen belangen te dienen, misbruiken Mijn naam, om de dwaling in deze wereld te brengen. Deze onverlichten beroepen zich met hun menselijke voorstellingen - die zij als waarheid verkondigen en die toch dwalingen zijn - op het woord van de ware profeten en ingewijden, dat zij verkeerd begrijpen en interpreteren, om zichzelf te legitimeren. Deze dwalingen, die zij de ware profeten en ingewijden in de mond leggen, rekent de Eeuwige hen niet aan. Hij dekt ze als het ware toe, tot de tijd rijp is, om de dwaling aan het licht te brengen, die in deze wereld kwam.

7. En toen het avond was geworden, ging Hij naar Bethanië met de twaalf; want daar woonden Lazarus en Maria en Martha, die Hij liefhad.
8. En Salomé kwam tot Hem en vroeg Hem: »Heer, hoe lang zal de dood macht bezitten?« En Hij antwoordde en sprak: »Zolang de mannen lasten opleggen en de vrouwen zullen baren. Om deze reden ben Ik gekomen, om de werken van de lichtzinnigen te beëindigen.«
9. En Salomé zei tot Hem: »Dan heb ik goed gedaan, door niet te hebben gebaard.« En de Heer antwoordde en sprak: »Eet van elke weide die goed is; maar van die, die de bitterheid van de dood heeft, eet niet.«
10. En toen Salomé vroeg, wanneer deze dingen, waarnaar zij Hem had gevraagd, begrepen zullen worden, sprak de Heer: »Als jullie het kleed der schaamte zullen hebben afgelegd en je over de begeerte verheffen; als de twee één zullen zijn, en het mannelijke met het vrouwelijke noch mannelijk, noch vrouwelijk zal zijn.« (Hoofdst. 69, 7-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het mannelijke en het vrouwelijke principe worden in God het positieve en het negatieve principe genoemd. Het zijn de twee polen, die werkzaam zijn in absolute eenheid. Het zijn de gevende en de ontvangende pool. Zij vormen in de eenheid het Vader-Moeder-principe.
Beide polen, het gevende en het onvangende principe, zijn ook werkzaam in de kinderen Gods. Zij zorgen o.a. voor het samenkomen van twee wezens, het gevende en het ontvangende principe. Zij smelten samen in de dualiteit en activeren zo het Vader-Moeder-principe, de geestelijk verwekkende en ontvangende kracht.
Wezens in het licht Gods vrijen niet en worden ook niet gevrijd. Zij beminnen elkander in God en uit God, en in de verbinding van de Vader-Moeder-kracht verwekken zij geestelijke wezens, kinderen van het licht.
Het duaalpaar is de dualiteit. Het zijn de twee met elkaar versmolten krachten, de gevende en de ontvangende kracht. De dualen zijn twee wezens - en toch voor eeuwig tot eenheid versmolten. Hun geestelijke kinderen bieden zij de Eeuwige aan en verheffen hen in het kindschap Gods, in de heelal-familie, die de grote familie Gods vormt.

11. En nogmaals tot een andere discipel, die Hem vroeg: »Wanneer zullen allen gehoorzaam zijn aan de wet?« »Wanneer de Geest Gods de hele aarde en het hart van elke man en elke vrouw zal vervullen.
12. Ik strooide de wet in de aarde en het schoot wortel en droeg op de juiste tijd twaalf vruchten als voeding voor allen. Ik wierp de wet in het water, en zij werd gereinigd van alle kwaad. Ik wierp de wet in het vuur, en het goud werd gereinigd van alle slakken. Ik wierp de wet in de lucht, en zij ontving leven door de Geest van de levende Ene, die alle dingen vervult en die in het hart van ieder woont.«
12. En nog vele andere soortgelijke gelijkenissen sprak Hij tot hen, die oren hadden, om te horen en een verstandige ziel. Maar voor de menigte waren het duistere woorden. (Hoofdst. 69, 11-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze woorden willen zeggen: de eeuwige Vader in Mij, Zijn zoon, bracht de wet des levens in deze wereld. De bewuste en onbewuste dwalingen van de mensen omranken de wet van de liefde en het leven. Deze dwalingen zal Ik wegnemen, zodat de eeuwige wet door ieder mens, die van goede wil is, herkend en begrepen wordt, opdat hij de eeuwige wet verwezenlijkt en in zijn dagelijkse leven vervult.
Als alle mensen de wet Gods vervullen, schouwen zij hun eigen woorden en die van hun naasten; dan is er niet langer plaats voor dwaling. Wie in God leeft, leeft als kind Gods in de alles omvattende oceaan God. Het kind Gods kent de wet van de aarde, van het water, het vuur en de lucht, omdat het in de wet leeft. Zo heeft het ook de kracht, de vier elementen te bewegen.




HOOFDSTUK 70

Jezus berispt Petrus wegens zijn opvliegendheid

Eerbiedig het leven in elke ontwikkelingsfase;
iedere levensvorm bevindt zich op de evolutieweg naar de volmaaktheid (1-5). Wie in Mij leeft, is een getuigenis in deze wereld (6-7). De wegbereiders voor Christus van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd (8). Christus wordt steeds opnieuw gekruisigd in de strijd tussen licht en duisternis (9-10). In de tijdsomwenteling wordt het allesomvattende licht zichtbaar; de duisternis wil het uitdoven (11). De goddelijke wijsheid bouwt tijdens de tijdsomwenteling de oergemeenten op, door wie Christus, het licht der wereld, naar alle volkeren straalt - De bondge-
meente Nieuw Jeruzalem is de priesteres (12-14)

1. En op de morgen van de dag, waarop zij van Bethanië kwamen, was Petrus hongerig en ontdekte in de verte een vijgenboom met bladeren. Vol verwachting liep hij erheen, want hij hoopte, vruchten te vinden. Maar hij vond niets dan bladeren, want de tijd voor vijgen was nog lang niet gekomen.
2. En Petrus werd kwaad en zei: »Vervloekte boom, nooit meer zal een mens van jou vruchten eten!« En enkele discipelen hoorden dat.
3. En de volgende dag, toen Jezus en Zijn discipelen er langs liepen, zei Petrus tot Jezus: »Meester, zie de vijgenboom, die ik vervloekt heb, is groen en bloeit. Waarom ging mijn woord niet in vervulling?«
4. Jezus sprak tot Petrus: »Jij weet niet, van welke geest je bent. Waarom heb je vervloekt, wat God niet heeft vervloekt?« En Petrus zei: »Zie, Heer, ik had honger, en toen ik de bladeren vond en geen vruchten, werd ik kwaad en vervloekte de boom.«
5. En Jezus sprak: »Zoon van Jonas, wist je niet, dat de tijd voor de vijgen nog helemaal niet gekomen is? Zie het koren op het veld, het groeit volgens zijn soort - eerst de groene scheut, dan de halm en dan de aar - zou je ook kwaad worden, als je op de tijd van de tere scheuten of halmen kwam en je zou geen koren op de aar vinden? En jij wilt de boom vervloeken, die vol knoppen en bloesems staat en nog geen rijpe vruchten draagt? (Hoofdst. 70, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De vijgenboom is een gelijkenis voor de evolutie van het leven. Alle levensvormen hebben het leven, dat evolutie is, in zich - ook ziel en mens. Iedere ziel zal weer de volledige rijpheid bereiken door Mij, de Christus. Maar alle zielen en mensen zullen verschillend rijp worden - afhankelijk van hun bewustzijnsstand en hun denken, spreken en handelen. Eerbiedig daarom het leven, ongeacht, hoe ver het zich heeft ontplooid. Want in alle ontwikkelingsfasen is God, het leven, en leidt de ziel naar de volmaaktheid.
Elke vloek, die over de lippen van de mens komt of in de gedachten van de mens is, zal hem noodlottig worden. Dit moest ook de onstuimige Petrus ondervinden. Hij moest erkennen, dat hij weliswaar veel kennis bezat, maar nog weinig wijsheid.

De wijze kent de wegen der ziel. Was Petrus op deze momenten vervuld geweest van de wijsheid Gods, dan had hij kennis gehad van de wet van de innerlijke rijping van de levensvormen, de evolutieweg, die Ik de apostelen en discipelen in vele gelijkenissen heb getoond.
Weinigen, die Mij wilden volgen, begrepen de zin van Mijn uiteenzettingen, want de meesten waren nog teveel met zichzelf en met hun oude gewoontes bezig. Daarom bleven deze in de dwaling, omdat zij het woord slechts hoorden en de zin van mijn uiteenzettingen niet konden begrijpen.

6. Waarlijk, Petrus, Ik zeg je, een van Mijn twaalf zal Mij driemaal verloochenen in zijn angst en vrees met vloeken en zweren, dat hij Mij niet kent, en de rest zal Mij een tijd lang verlaten.
7. Maar jullie zullen het berouwen en bitter betreuren; want jullie hebben Mij lief in jullie harten, en jullie moeten zijn als een altaar van twaalf gebeitelde stenen en een getuigenis van Mijn naam, en jullie moeten zijn de dienaars van de dienaars, en de sleutels van de gemeente wil Ik jullie geven, en jullie moeten Mijn schapen hoeden en Mijn lammeren, en jullie moeten Mijn plaatsvervangers op aarde zijn. (Hoofdst. 70, 6-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Mijn woorden golden niet slechts voor de apostelen en de discipelen en voor het toenmalige volk Israël. Mijn woord was en is het woord van de Vader. Het geldt voor alle volkeren van deze aarde van generatie tot generatie en voor alle zielen in de reinigingsgebieden.

Het altaar van God moet worden gevormd door die mannen en vrouwen, wier leven rust in Mij, de Christus. Wie in Mij leeft, zal een getuigenis voor Christus zijn in deze wereld. Hij zal in Mijn naam een wegwijzer zijn voor de leden van de gemeenten, die in Mij leven. Hij zal in Mij een sleutel zijn, die steeds meer harten opent voor Mij, de Christus.
Zij, die in Mij leven en door wie Ik leef, moeten de dienaren van allen zijn. Door hen wijs Ik de leden van Mijn gemeenten, Mijn schapen en lammeren, de weg naar de eeuwige weiden van het innerlijke leven.

De tijd wordt rijp. Evenals de rijpheid van de mensen en de aarde voortschrijdt, zullen steeds meer schapen die ene herder vinden - Mij, de Christus, die in alle zielen en mensen woont.

8. En er zullen mensen onder hen opstaan, die jullie zullen navolgen, waarvan menigeen Mij werkelijk zal liefhebben evenals jij, en de heethoofden en de onverstandigen en ongeduldigen zullen diegenen vervloeken, die God niet heeft vervloekt, en hen vervolgen in hun onwetendheid, omdat zij in hen nog geen vruchten kunnen vinden, die zij verlangen. (Hoofdst. 70, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Alle mensen en zielen zijn vruchten aan de boom des levens. Iedere vrucht rijpt geleidelijk tot Mij, de Christus. Heeft eenmaal de vrucht de volle rijpheid bereikt, dan draag Ik haar naar de eeuwige Vader, die haar opneemt en eeuwig daar laat, waar zij haar plaats heeft in het rijk Gods.
Totdat echter een vrucht de innerlijke rijpheid heeft bereikt, duurt het vaak meerdere aardse levens. Daarom kwamen en komen veel zielen steeds weer in het aardse bestaan terug. Zij glippen een aards lichaam binnen en bij de dood van het lichaam er weer uit, totdat zij de rijpheid hebben bereikt, die hen van het rad van wedergeboorte bevrijdt.
Pas wanneer de ziel in de mens rijp wordt, kan de mens onbaatzuchtig de gaven van het innerlijke leven aan de mensen doorgeven, die ernaar dorsten, opdat ook zij de innerlijke rijpheid mogen verwerven.
Daarom kan volgens de wet van het eeuwige leven slechts die mens het evangelie der liefde doorgeven en naar alle landen dragen, die grotendeels tot waarheid is geworden. Hij kan dan vele harten beroeren, omdat hij geeft uit de eeuwige waarheid.
Erkent: sinds Mijn aardse bestaan als Jezus van Nazareth rijpt - via de apostelen, de discipelen en alle rechtvaardige profeten en verlichten - van generatie tot generatie de Nieuwe Tijd, de tijd van de Christus. Steeds weer kwamen, van generatie tot generatie, zielen, die in hun aardse bestaan hun vruchten van innerlijk leven lieten rijpen. Hetgeen zij telkens aan verwezenlijking meebrachten in deze wereld, deelden zij ook uit door te onderwijzen en te dienen. Bij hun fysieke dood legden zij hun aardse gewaad af; zij kwamen terug in een andere generatie, in een nieuw aards gewaad en brachten de innerlijke rijpheid, het licht van de Christus, mee en gaven ervan aan hen, die er ernstig naar streefden, stappen naar de innerlijke rijpheid te doen.
Velen, die terugkwamen en -komen, dragen een grotendeels rijpe vrucht in zich, het leven in Mij, de Christus. Zij nu zijn het, die voor Mij de wegen bereiden van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd, die in Mij, de Christus, opbloeit.
Erkent: slechts diegene vervloekt zijn medemensen, die weinig zielenrijpheid bezit. Wie nog in de zonde leeft, kan de rijpe vruchten in zijn medemensen niet herkennen, omdat hij slechts kijkt naar zijn eigen schaduwen en daarom van mening is, dat zijn naasten net als hij, rijk aan schaduwen zouden moeten zijn.

9. En anderen, die zichzelf liefhebben, zullen zich verbinden met de koningen en heersers van de wereld en aardse macht nastreven, rijkdommen en heerschappij, en zij zullen te vuur en te zwaard de dood brengen voor hen, die de waarheid zoeken en daarom waarachtig Mijn discipelen zijn.
10. En in die dagen zal Ik, Jezus, opnieuw worden gekruisigd en openlijk gehoond worden; want zij zullen verklaren, dit allemaal te doen in Mijn naam.« En Petrus zei: »Dit zij verre van Jou, Heer.« (Hoofdst. 70, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De strijd tussen licht en duisternis zal zolang voortduren, tot voor de zwaarbelaste zielen de poorten voor de incarnatie gesloten zijn. Deze strijd tussen licht en duisternis vindt ook plaats tijdens de grote tijdsomwenteling [1989]. De demonische krachten zetten nog eenmaal alles op alles en schakelen allen in, die hen horig zijn, zielen of mensen, om het licht uit te doven, dat op de aarde steeds groter wordt.
Ongeveer zoals in de tijd, toen Ik als Jezus over deze aarde ging, is het ook nu [1989]. Zij, die zichzelf liefhebben en hechten aan hun have en goed, verbinden zich met de heersers van deze wereld en met de kerkelijke gezagsdragers, om met de aardse macht diegenen uit te schakelen, die zich tot Mij, de Christus, hebben gewend en Mijn evangelie van liefde in de wereld dragen. Want voor de zelfzuchtige zijn diegenen een gevaar, die het evangelie van de liefde en het leven niet slechts met woorden, maar met de onbaatzuchtige liefde uitdragen en door Mijn kracht werkzaam worden.
In vroegere eeuwen trokken de machtshongerigen, de heersers, de kerkelijke gezagsdragers en de aan hen horigen in Mijn naam er te vuur en te zwaard op uit, om de mensen van andere landen het evangelie der liefde te brengen. Zij pasten daarbij op hun naasten dat toe, wat in en aan henzelf was: wreedheid en moord.
In de huidige tijd [1989] trekken opnieuw dezelfden - alleen in andere aardse lichamen - met lasterlijke taal van de ene plaats naar de andere. Zij brengen via de media van de huidige generatie hun onwaarheden onder het volk, om op deze wijze weer tegen hen ten velde te trekken, die nu de tijdsomwenteling inleiden en Mijn licht tot doorbraak brengen. Zo wordt Ik van generatie tot generatie opnieuw gekruisigd door hen, die Mijn naam noemen en hem voor hun eigen doeleinden misbruiken.
De pioniers voor de Nieuwe Tijd, voor de tijd van Christus, zijn de Christusvrienden over de hele wereld. Wie in Mij blijft, is Mijn volgeling, nu en in de toekomst.

11. En Jezus antwoordde: »Evenals Ik aan het kruis genageld word, zal het ook met Mijn gemeente geschieden in die dagen; want zij is Mijn bruid en één met Mij. Maar de dag zal komen, dat de duisternis zal wijken en het ware licht zal schijnen. (Hoofdst. 70, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De eerste oergemeenten werden door de duisternis vernietigd. Het waren echter slechts de uiterlijke inrichtingen, die zij kon vernietigen. Het leven in Mij plantte zich voort van generatie tot generatie. Want de vele, steeds lichter wordende zielen kwamen steeds weer in aardse lichamen en zetten zichtbaar en onzichtbaar datgene om, wat zij meebrachten. Zij begonnen kleine oergemeenten te stichten en onderwezen de wet van de waarheid. Op deze wijze vonden steeds meer mensen de weg naar Mij, de Christus, die in alle zielen en mensen woont.
Tijdens de huidige tijdsomwenteling [1989] wordt het allesomvattende licht zichtbaar. De bondgemeente Nieuw Jeruzalem ontstond en vergroot zich steeds meer - evenals de andere oergemeenten in Universeel Leven. Zij is de bondgemeente voor het vredesrijk van Jezus Christus. Zij is Mijn bruid, en Ik Ben haar bruidegom. Steeds meer leden van de bondgemeente Nieuw Jeruzalem vervullen Mijn wil, de wil van de Eeuwige.
Ook rond de bondgemeente Nieuw Jeruzalem sluipen weer de wolven en verspreiden in Mijn naam onwaarheden over de leden van de gemeente. Weer word Ik gekruisigd, omdat Mijn naam wordt misbruikt. Met Mijn naam, Christus, willen zij het licht van de wereld, Mij dus, uitdoven.
De duisternis zal echter wijken, want haar dagen zijn geteld. De aarde opent zich en verslindt de nacht, en de wateren komen en overspoelen al wat duister is. Dan zal het licht, dat Ik Ben, op de hele aarde schijnen: Christus.

12. En één zal op Mijn troon zitten, die een man van waarheid en goedheid en kracht zal zijn, en hij zal vervuld zijn van liefde en wijsheid meer dan alle anderen, en hij zal Mijn gemeente leiden, door viermaal twaalf en tweeënzeventig zoals voorheen. Alleen wat waar is, zal hij onderwijzen.
13. En Mijn gemeente zal van licht vervuld zijn en zal licht schenken aan alle volkeren der aarde; en er zal een hogepriester op de troon zitten als een konig en een priester.
14. En Mijn Geest zal in hem zijn, en zijn troon zal duren en niet aan het wankelen worden gebracht; want hij wordt gegrondvest op liefde, waarheid en gerechtigheid, en licht zal tot hem komen en van hem uitstralen naar alle volkeren der aarde, en de waarheid zal hen vrij maken.« (Hoofdst. 70, 12-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De uitspraak »en één zal op Mijn troon zitten, die een man van waarheid en goedheid en kracht zal zijn, en hij zal vervuld zijn van liefde en wijsheid meer dan alle anderen, en hij zal Mijn gemeente leiden, door viermaal twaalf en tweeenzeventig zoals voorheen. Alleen hetgeen waar is, zal hij onderwijzen. En Mijn gemeente zal van licht vervuld zijn en zal licht schenken aan alle volkeren der aarde; en er zal een hogepriester op de troon zitten als een koning en een priester« heeft de volgende betekenis:
Deze woorden zijn gecodeerde woorden. Er wordt in gecodeerde taal uitgesproken, wat de tijdsomwenteling zal brengen. Deze gecodeerde woorden betekenen: de goddelijke wijsheid zal zo lang op Mijn troon zitten, tot Ik in de geest terugkeer. Want Ik heb de troon voor Mijn komst in deze wereld geplaatst. Ik Ben het licht der wereld. De goddelijke wijsheid, door de Vader en door Mij, de Christus, geroepen, om Mijn werk van verlossing te leiden en Mijn komst voor te bereiden, is de waarheid, goedheid en kracht. De goddelijke wijsheid, geschapen uit de liefde van de Vader, zal gedurende de tijdsomwenteling de oergemeenten opbouwen en vullen met leven en kracht. Zij zal de volmaakte waarheid onderrichten en aan alle mensen geven, wat zij in staat zijn te begrijpen.
De getallen zijn symbolen en waren aan diegenen tot teken gegeven, die uit de getallen konden lezen. De mensen van de Nieuwe Tijd echter ontvangen Mijn woord, dat ook het woord van de eeuwige Vader is.
Het licht van de waarheid vervult de bondgemeente Nieuw Jeruzalem en haar oergemeenten met kracht voor onbaatzuchtige daden in Mijn Geest. De oergemeenten in Mijn Geest in het verlosserswerk van Jezus Christus, Universeel Leven, zullen voor de Nieuwe Tijd aan alle volkeren van de aarde licht en kracht schenken.
De bondgemeente Nieuw Jeruzalem is in Mij het instrument van het leven voor deze aarde. Zij troont in Mij en zal alle volkeren geleidelijk tot een volk in Mij, de Christus, samenbrengen. De bondgemeente Nieuw Jeruzalem, verbonden met de goddelijke wijsheid, is de priesteres, die alle mensen, die tot haar komen, licht, liefde en leven schenkt. Zij, de priesteres, zal in Mij, de Christus, zijn en Ik zal door haar en door andere oergemeenten, die in Mij zijn, werken. Zij allen zijn gegrondvest op liefde, waarheid en wijsheid, op de gerechtigheid Gods.
Het licht der wereld, dat Ik Ben, zal stralen door de gemeenten, die in Mij zijn, en Ik zal door hen uitstralen naar alle volkeren der aarde. De waarheid zal steeds meer mensen vrij maken; zij vormen vervolgens die ene kudde, die in Mij is, de Christus. Met die ene kudde zijn de oergemeenten in Mij, Christus, bedoeld, die zich ontwikkelen via de bondgemeente Nieuw Jeruzalem in het verlossingswerk van Universeel Leven. Ik zal hun herder zijn.





HOOFDSTUK 71

De reiniging van de tempel

Zweepslagen voor ziel en lichaam (1-2).
De ware godsdienst (3-4). Alleen de zin van het woord maakt levend (5-7). Ieder mens tekent zichzelf (8-11)

1. Het Paschafeest van de joden was nabij, en Jezus trok weer van Bethanië op naar Jeruzalem. En Hij trof in de tempel mensen aan, die ossen, schapen en duiven te koop aanboden en ook geldwisselaars.
2. Toen maakte Hij van zeven touwen een gesel en dreef hen allen uit de tempel. Hij liet de schapen en ossen en de duiven vrij, smeet het geld van de wissselaars op de grond en gooide de tafels omver. (Hoofdst. 71, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De gesel van zeven touwen symboliseerde de zeven basiskrachten van God, de wet van het leven.
Wie tegen de wet Gods handelt, handelt in strijd met de zeven basiskrachten van God en schept zodoende zijn eigen oorzaken. Elke oorzaak, die niet tijdig wordt berouwd en weer goedgemaakt, is een zweepslag voor ziel en lichaam.
Wie handelt in strijd met de zeven basiskrachten, zal de overeenkomstige zweepslagen ontvangen. Het zijn de uitwerkingen, die hij aan den lijve moet voelen.

3. En Hij sprak tot hen: »Brengt dit allemaal naar buiten en maakt niet het huis van Mijn Vader tot een warenhuis. Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een bedehuis worden genoemd voor alle volkeren? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt en het gevuld met alle mogelijke afgrijselijke dingen.«
4. En Hij duldde niet, dat iemand een schotel vol bloed door de tempel droeg of dat er dieren werden gedood. En Zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven staat: »De ijver rond Jouw huis heeft mij gevreten.«
(Hoofdst. 71, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

»Mijn huis zal een bedehuis worden genoemd voor alle volkeren« betekent: het moet een huis of een grote ruimte zijn, waarin alle mensen bijeenkomen - ongeacht hun godsdienst of ras, om het even van welk volk of land, van welke stand zij ook zijn. Daar vinden zij elkaar, om te bidden, om God te loven en te prijzen - en om de wetten van God te leren en vervolgens in acht te nemen.
God is de Ene, Enige, de Vader-Moeder-God van alle wezens en mensen - er is geen andere God. Daarom zal er ook een volk zijn, dat de Ene, Enige aanbidt, zonder rituelen en erediensten, dogma’s en leerstellingen.
Over God moet men niet discussiëren en van gedachten wisselen.
God is in het hart van alle wezens en mensen. Hij is het leven in al het Zijn. Wie zichzelf acht, door zijn leven te heiligen, heeft ook achting voor zijn naasten en zal God welgevallig worden. Hij tracht niet God te doorgronden; want hij leeft in de stroom des levens en vraagt niet naar de stroom.
Daarom heeft hij geen behoefte aan erediensten en ceremoniën en ook niet aan discussies. Wie vrij is van zulke uiterlijkheden, is bewust verlost en één met het leven, dat eeuwig duurt.
God wenst geen slachtoffers. Deze zijn Hem een gruwel. Hij wenst het reine en oprechte hart van Zijn kinderen, die de wetten Gods vervullen, God in alles trouw zijn en elkander in liefde toegenegen zijn.

5. Toen wierpen de joden Hem tegen: »Welk teken geef Je ons, als wij zien dat Jij zulke dingen doet«? Jezus antwoordde en sprak tot hen: »Nogmaals zeg Ik jullie: breekt deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem oprichten.«
6. Toen antwoordden de joden: »Zesenveertig jaren lang werd er aan deze tempel gebouwd, en Jij wilt hem in drie dagen oprichten?« Hij echter sprak van de tempel van Zijn lichaam.
7. Toen Hij was opgestaan van de dood, herinnerden Zijn discipelen zich, dat Hij hen dit gezegd had, en zij geloofden de schrift en het woord, dat Jezus had gesproken.
(Hoofdst. 71, 5-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het is veel beter, de schrift en het woord niet letterlijk te nemen en letterlijk te geloven, dat wil zeggen, niet aan de letter vast te houden, maar de zin van het geschrevene en gesprokene te begrijpen. Dit leert de mens door de verwezenlijking van de goddelijke geboden; dit zijn de eerste stappen naar de vervulling van de eeuwige wetten. Wanneer de mens de zin van het woord in zijn diepte vermag te begrijpen, zal hij ook niet langer misleid kunnen worden. De letter alleen is dood en brengt niet de vitaliteit van het innerlijke leven. Dit brengt slechts de zin, die in de letter, in het woord ligt. De betekenis van het woord, maakt ziel en mens levend.
Wie alleen het woord volgt, leeft vaak in dwaling. Wie echter de zin, de betekenis van het woord begrijpt, leeft in het woord, en begrijpt ook het woord, omdat hij daarin Gods teken herkent.

8. De schriftgeleerden en priesters echter zagen en hoorden dit en waren geschrokken en overdachten, hoe zij Hem zouden kunnen vernietigen; want zij vreesden Hem, omdat zij zagen, dat het volk naar zijn leer luisterde.
9. Toen het avond werd, ging Hij de stad uit. Want gedurende de dag onderwees Hij in de tempel, en ’s nachts ging Hij naar buiten de olijfberg op. Het volk kwam ’s morgens vroeg, om Hem op de binnenplaats van de tempel te horen.
10. Toen Hij dan te Jeruzalem was voor het Paschafeest, geloofden velen in Hem, toen zij de wonderen zagen, die Hij deed.
11. Maar Jezus vertrouwde zich niet aan hen toe, want Hij herkende hen allen. En Hij had er geen behoefte aan, dat iemand voor een ander getuigde; want Hij wist wel, wat er in een mens was. (Hoofdst. 71, 8-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »want Hij wist wel, wat er in een mens was« hebben de volgende betekenis: zolang de mens slechts luistert en het gehoorde alleen gelooft, maar het in zijn dagelijkse leven niet vervult, blijft hij een zondig mens, die oordeelt en veroordeelt. Vandaag roept hij: »Hosanna« - en morgen: »Kruisigt Hem«.
Ieder mens tekent zichzelf door zijn denken, spreken en doen. Zijn denken en leven is het tekenpotlood, waarmee hij zijn lichaam tekent en zijn aangezicht kenmerkt. Zo staat in het aangezicht van ieder mens geschreven, wat hij denkt. Wat de mens denkt, dat is hij.
Wie slechts gelooft en zijn geloof niet in de daad omzet, blijft ondanks zijn geloof dezelfde mens, die zijn gewoontes en ondeugden behoudt. Zulke mensen zijn onbetrouwbaar. Want wie Gods wetten niet vervult, waait met alle winden mee.

12. Toen het Paschafeest nabij was, zond Hij twee van Zijn discipelen, om de bovenste ruimte voor te bereiden, waar Hij met Zijn twaalf wilde eten, en om alles in te kopen, wat nodig was voor het feest, dat Hij met hen wilde vieren. (Hoofdst. 71, 12)






HOOFDSTUK 72

Jezus’ afscheidswoorden

Het evenbeeld van de Vader (1-3). Zij zullen grotere
werken doen, dan Ik als Jezus heb gedaan (4). Wie onbaatzuchtig dient, zal Ik vervullen, waarom hij vraagt (5). Wie de tempel heiligt, leeft in Mij (6-7). De onbaatzuchtige liefde is communicatie met God (8). De betekenis van de woorden: »De Vader is groter
dan Ik« (9-11)

1. Jezus zat met Zijn discipelen in de tuin van Gethsemane en sprak tot hen: »Laat jullie harten niet bedroefd zijn: jullie geloven in God, gelooft dan ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen: als het niet zo was, had Ik het jullie gezegd. Ik ga, om voor jullie een verblijfplaats voor te bereiden. En wanneer Ik ga en voor jullie een verblijfplaats voorbereid, zal Ik terugkomen en jullie bij Mij ontvangen, opdat, waar Ik ben, ook jullie mogen zijn. En waarheen Ik ga, dat weten jullie, en ook de weg weten jullie.«
2. Thomas zei tot Hem: »Heer, wij weten niet, waarheen Je gaat, hoe kunnen wij dan de weg weten?« En Jezus sprak tot hen: »Ik Ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Als jullie Mij hadden herkend, hadden jullie ook Mijn Vader herkend. Maar nu weten jullie het en hebben Mijn Vader gezien.«
3. Philippus zei tot Hem: »Heer, toon ons de Vader, dat is voor ons voldoende.« Jezus sprak tot hem: »Nu Ben Ik zo lang bij jou geweest, en je kent Mij nog niet, Philippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien, en waarom zeg je dan: toon ons de Vader? Geloof je niet, dat Ik in de Vader Ben, en de Vader in Mij? De woorden, die Ik tot jullie spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf. Want de Vader, die in Mij woont, doet alle werken.« (Hoofdst. 72, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie tot tempel Gods is geworden, is het evenbeeld van de Vader. En wie het evenbeeld van de Vader schouwt, ervaart de heerlijkheid van de Vader. De Vader is de manifestatie uit de oerenergie, het stromende leven, dat ook God wordt genoemd.

God is alomtegenwoordig leven. Alle reine wezens zijn manifestaties uit God, de oerenergie, het stromende leven. Wie het evenbeeld van de Vader schouwt, het wezen in God, schouwt ook het licht van de Vader, die het wezen in God doorstraalt.
De lichtwezens vragen niet naar de vorm van de Vader. Zij zijn de manifestatie, de vorm van de Vader, en zij stralen uit, wat Hij is: liefde, wijsheid, kracht en leven. Al het reine Zijn beweegt zich in de stroom des levens, in God.
Wie zijn naaste heeft aangenomen en in zich opgenomen heeft, wie hem van harte en met zijn reine wezen liefheeft, schouwt het evenbeeld van de Vader, die liefde, wijsheid en kracht is.

4. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader Ben en de Vader in Mij, of gelooft Mij tenminste omwille van de waarachtige werken. Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie, degenen die in Mij geloven, zullen dezelfde werken doen, die Ik doe; en zij zullen grotere werken doen dan deze; omdat Ik naar Mijn Vader ga. (Hoofdst. 72, 4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Alleen het geloof in Mij is niet voldoende. Velen geloven in Mij - en toch denken, spreken en handelen zij als ongelovigen. Uit het geloof in God ontstaan slechts de werken van God, als ziel en mens zich verheffen tot het leven in God door de vervulling van het eeuwige leven, die de eeuwige wet is.

Wie slechts gelooft en niet vervult, heeft niet de kracht om Gods werken te doen. Wie echter de wetten van God steeds meer verwezenlijkt en onderhoudt, heeft daardoor ook kracht, om Gods werken te doen, die Ik als Jezus van Nazareth heb gedaan. Hij zal, met Mijn deelkracht, de verlosserskracht, in verbinding met de Oerkracht - nog grotere werken doen. Want Ik, de Christus, die van de Vader in deze wereld kwam en weer tot de Vader Ben teruggekeerd, om als Christus Gods, als trooster en Verlosser, in alle zielen werkzaam te zijn, werk thans door diegenen, die de wetten van het leven in acht nemen, zodat zij veel grotere werken doen dan Ik als Jezus heb gedaan.

5. En wat jullie ook zullen vragen in Mijn naam, dat wil Ik doen, opdat de Vader verheerlijkt moge worden in de mensenzoon. Wat jullie in Mijn naam zullen vragen, dat zal Ik doen. (Hoofdst. 72, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »en wat jullie ook zullen vragen in Mijn naam, dat wil Ik doen, opdat de Vader verheerlijkt moge worden in de mensenzoon« willen zeggen: wie in Mij, de Christus, leeft, wie onbaatzuchtig dient, zal Ik alles vervullen, waar hij om vraagt. Want wie in Mij leeft, vraagt alleen de gaven van de geest, omdat hij in de Geest Gods leeft en niet streeft naar de wereld, om met haar te leven.

6. Als jullie Mij liefhebben, onderhoudt dan Mijn geboden. En Ik wil de Vader vragen, en Hij zal jullie een andere trooster geven, die voor altijd bij jullie zal blijven: de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet niet en kent Hem niet; jullie echter kennen Hem; want de geest woont in jullie en zal in jullie zijn.
7. Ik wil jullie niet zonder troost laten. Ik zal tot jullie komen. Een kleine wijle nog en de wereld zal Mij niet meer zien; maar jullie zien Mij. Omdat Ik leef, zullen ook jullie leven. Op deze dag zullen jullie weten, dat Ik in Mijn Vader Ben en jullie in Mij en Ik in jullie. (Hoofdst. 72, 6-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De mens is de tempel van de Heilige Geest, want in hem, in het binnenste van de ziel, woont het geestelijke lichaam uit God. Sinds Mijn verlossersdaad Ben Ik als trooster en Verlosser, als geest des levens in deze tempel, in mens en ziel. Wie de tempel heiligt, door de geboden te onderhouden, leeft in Mij, en Ik leef en werk door hem.

8. Zij, die Mijn geboden hebben en ze onderhouden, hebben Mij lief; en zij, die Mij liefhebben, zullen door Mijn Vader bemind worden, en Ik zal hen beminnen en Mij aan hen openbaren. (Hoofdst. 72, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De liefde Gods is hemelse communicatie. Wie God meer liefheeft dan deze wereld, heeft ook zijn naaste lief. Wie echter zegt: »Ik heb God lief« en tegen zijn naaste is, heeft God niet lief. Zijn woorden zijn niet vervuld van de liefde tot God. Het zijn lege, zelfzuchtige woorden, die geen zeggingskracht hebben. Wie echter zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, heeft ook God lief en staat daardoor in communicatie met de hoogste kracht, de liefde - met God. De communicatie met God is openbaring.

9. En Judas (niet Iskariot) vroeg Hem: »Heer, hoe komt het, dat Jij Je aan ons wilt tonen en niet aan de wereld?« Jezus antwoordde en sprak tot hen: »Zij, die Mij liefhebben, zullen Mijn woorden in acht nemen: en de heilige Ene zal hen liefhebben, en Wij zullen tot hen komen, en Wij zullen bij hen blijven.
10. Zij, die Mij niet liefhebben, zullen Mijn woorden niet horen, en de woorden, die jullie horen, zijn niet Mijn woorden, maar de woorden van de Vader, die Mij heeft gezonden. Deze dingen heb Ik tot jullie gesproken, zolang Ik nog bij jullie Ben. Maar de trooster, die de Heilige Geest is, die de Vader zal zenden in Mijn naam, zal jullie alles leren en jullie alles in herinnering brengen, wat Ik jullie heb gezegd.
11. Vrede laat Ik jullie, Mijn vrede geef Ik jullie: niet zoals de wereld geeft, geef Ik jullie. Laat jullie hart niet bedroefd zijn of bevreesd. Jullie hebben gehoord, wat Ik jullie heb gezegd, Ik ga heen, en Ik zal tot jullie terugkeren. En als jullie Mij liefhebben, zullen jullie je verheugen; want Ik heb jullie gezegd: Ik ga tot de Vader; want de Vader is groter dan Ik.« (Hoofdst. 72, 9-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De trooster en Verlosser is de Christus Gods, die in de Geest van de eeuwige Vader leeft. Ik Ben één met de Vader. De Vader en Ik zijn de ene wet - de waarheid, die alle zielen en mensen vrij maakt, die geloven en Gods wil vervullen.
»... want de Vader is groter dan Ik« betekent: de Geest van de Vader is de Algeest, de wet, die uit de zeven basiskrachten van het leven bestaat. God is wet.
De Christus Gods leeft en werkt in God, de Algeest, in de vier goddelijke basiskrachten: orde, wil, wijsheid en ernst. De Vader echter is de Alkracht. Hij is de eeuwige wet, die bestaat uit de zeven basiskrachten: orde, wil, wijsheid, ernst, goedheid, liefde en zachtmoedigheid. Op aarde worden deze zeven basiskrachten orde, wil, wijsheid, ernst, geduld, liefde en barmhartigheid genoemd.
De Vader is dus groter dan de zoon. Hij is de Alkracht - Ik Ben de deelkracht in de Alkracht.

12. En Ik heb het jullie nu gezegd, voordat het is geschied, opdat jullie het geloven, wanneer het zal geschieden. Nu zal Ik niet meer veel tot jullie spreken; want de vorst van deze wereld zal komen en vindt geen schuld in Mij.
13. Opdat echter de wereld moge weten, dat Ik de Vader liefheb: zoals de Vader Mij heeft opgedragen, precies zo doe Ik het. Zelfs tot aan het einde toe.« (Hoofdst. 72, 12-13)





HOOFDSTUK 73

De goede wijnstok

Elke wijnrank in Mij brengt vrucht voort (1-2).
Wie niet in Mij blijft, zondigt (3). In Christus leven (4). Het heldere oog van de ziel verkrijgt het onderscheidingsvermogen tussen waarheid en dwaling (5). De getrouwen brengen in Mijn naam goede vruchten voort (6-8). De schouwende is geen blinde meer (9). Waarom Christus zich nu weer openbaart (10-11). Kennis van de wetten verplicht tot verwezenlijking (12). Geen mens zal kunnen zeggen: »Ik heb van Christus niets geweten« (13)

1. En vervolgens sprak Jezus tot hen: »Ik ben de goede wijnstok en Mijn Vader is de wijngaardenier. Elke wijnrank aan Mij, die geen vrucht voortbrengt, wordt weggenomen, en elke, die vrucht voortbrengt, wordt gereinigd, opdat zij nog meer vruchten voortbrengt.
2. Blijft in Mij en Ik in jullie. Zoals de wijnrank uit zichzelf geen vrucht kan voortbrengen, tenzij zij aan de wijnstok blijft, zo kunnen ook jullie het niet, tenzij jullie in Mij blijven. Ik Ben de wijnstok en jullie zijn de ranken: wie in Mij blijft en Ik in hem, brengt veel vruchten voort; want zonder Mij kunnen jullie niets doen. (Hoofdst. 73, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De vrucht kan alleen rijpen, wanneer zij in Mij, de Christus, blijft, wanneer dus de mens al zijn denken en streven aan Mij wijdt, door te trachten, Gods wil te vervullen, om de wet Gods te worden. Elke wijnrank - dat wil zeggen, elke ziel en ieder mens, die door Mij zijn innerlijke leven verwezenlijkt, zich dus reinigt door Mijn kracht - wordt de vrucht, die weer vruchten voortbrengt; want de goede vruchten schenken zichzelf onbaatzuchtig.
Erkent: ieder mens straalt uit, wat in hem is, het Goddelijke of het ongoddelijke.

3. Zij, die niet in Mij blijven, worden weggeworpen als nutteloze ranken, en deze verdorren; men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. Als je echter in Mij blijft en Mijn woorden blijven in jou, kun je vragen, wat je wilt, en het zal je gegeven worden. (Hoofdst. 73, 3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Al diegenen, die met de wereld leven en door hun zondige leven de Christus Gods verloochenen, zullen het vuur van hun eigen gedachten, woorden en daden ondergaan. Want wat de mens zaait, zal hij oogsten. Elke ongoddelijke gedachte, ieder onwetmatig woord en elke egoïstische handeling is nutteloos, omdat zij zonder kracht is. Het zijn menselijke ranken en zij zullen verdorren.
Wie niet in Mij blijft, zondigt. De zonde zal die ziel en die mens moeten dragen, die ze begaan heeft. Het vuur van de zonde brengt de loutering van de ziel. Wie echter in Mij, de Christus Gods, blijft, blijft ook in de Vader, want de Vader en Ik zijn één. Zijn bede wordt vervuld, want hij vraagt slechts, hetgeen Gods wil is.

4. Waarlijk, Ik Ben het goede brood, dat van de hemel komt, de substantie Gods, die één is met het leven van God. En evenals er veel granen in jullie brood zijn, zo zijn ook jullie, die geloven en de wil van Mijn Vader doen, één in Mij. Niet zoals jullie voorouders, die manna aten en gestorven zijn; want wie dit brood eet, zal eeuwig leven. (Hoofdst. 73, 4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het leven in God is het geestelijke brood. Het is het voedsel voor de ziel. Wie ervan eet, zal ook als mens geen honger en gebrek lijden.
Wie Gods wil vervult en uit de waarheid leeft, ontvangt de waarheid in al haar facetten. Dan is zijn denken en handelen vervuld van de kracht Gods, en ook zijn aardse leven zal een vervuld leven zijn.
Mensen in Mij, de Christus, leven; zij vegeteren niet. Slechts die mens vegeteert, die zijn leven verspilt, omdat hij zijn denken en streven richt op de aardse wereld en er zodoende deel van uitmaakt. Na zijn aardse dood zal hij ook geestelijk dood zijn, omdat hij slechts wereldgebonden en niet op God gericht was; zijn ziel weet niet, waar zij vandaan kwam en waar zij naartoe gaat.
Wie in God leeft, is de essentie uit God en kent de weg van zijn ziel, omdat zij in Mij, de Christus, leeft; want Ik Ben de weg, de waarheid en het leven.

5. Zoals het koren wordt gescheiden van het kaf, zo moeten jullie je ook afscheiden van de dwalingen van deze wereld; en toch hoeven jullie niet uit de wereld te gaan, maar jullie moeten afgezonderd leven in de wereld, voor het leven van de wereld. (Hoofdst. 73, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie in God wil leven, zal zich ook losmaken van de dwalingen van deze wereld, die hij steeds meer herkent, naarmate het oog van zijn ziel helderder wordt.
Slechts het heldere oog van de ziel verkrijgt het onderscheidingsvermogen tussen waarheid en dwaling. Het heldere oog van de ziel verkrijgt die mens, die helderheid in zijn leven brengt door zijn aan God welgevallige denken en leven.
Wie streeft naar God, zal ook leven met hen, die er eveneens naar streven, Gods wil te doen, want het gelijke trekt het gelijke aan. Daaruit volgt de betekenis van de volgende uitspraak: wie is Mijn moeder, wie zijn Mijn broeders? Zij, die de wil van Mijn Vader doen.
Wie in God leeft, mijdt deze wereld niet. Hij leeft in deze wereld, is echter niet mét deze wereld. Wie in God leeft, leeft in deze wereld voor al die mensen, die het leven in God zoeken, om het te vervullen.

6. Waarlijk, waarlijk, de tarwe wordt geroosterd door het vuur, zo moeten ook jullie, Mijn discipelen, door benarde ervaringen gaan. Maar verheugt jullie: want zoals jullie geleden hebben met Mij als één lichaam, zo zullen jullie heersen met Mij in één lichaam en de wereld leven schenken.
7. De Vader wordt daarin verheerlijkt, dat jullie vele vruchten voortbrengen; zo zullen jullie Mijn discipelen zijn. Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik jullie liefgehad: blijft in Mijn liefde. Als jullie Mijn geboden onderhouden, zullen jullie in Mijn liefde blijven, evenals Ik de geboden van Mijn Vader heb onderhouden en in de geest van de liefde blijf.
8. Dit alles heb Ik jullie gezegd, opdat Mijn vreugde in jullie moge blijven en jullie vreugde volmaakt zij. Dit is Mijn gebod, dat jullie elkander liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad. Geen mens heeft een grotere liefde dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vriend. Jullie zijn Mijn vrienden, als jullie alles doen, wat Ik jullie gebied. (Hoofdst. 73, 6-8)


Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze inhoudelijke woorden van troost en liefde golden niet alleen voor de apostelen en discipelen, maar gelden voor alle mensen in alle generaties, die moeite doen, om Mij na te volgen.
Velen, die Mij navolgen, zullen in nood komen, want de tegenstander dringt hen in het nauw, opdat zij zich losmaken van God, om zich te richten op de wereld en haar naar de mond te praten.
Wie lijdt omwille van het evangelie, draagt het kruis met Mij. Hij zal aan Mijn rechterzijde staan, wanneer Ik zal verschijnen als heerser van het vredesrijk. En allen, die in hun zonde sterven, zullen hen aanschouwen, die zij leed en pijn hebben aangedaan.
De Eeuwige, in wie Ik, de Christus, Ben, wordt verheerlijkt door Mijn getrouwen, die Hem in Mijn naam en door Mijn kracht veel rijpe vruchten brengen. Wie in Mij blijft, onderhoudt het gebod van de onbaatzuchtige liefde en zal zijn leven geven voor het gebod van de liefde. Zij, die in Mij blijven, zullen elkander onbaatzuchtig liefhebben en de onbaatzuchtige liefde uitstralen in de harten van alle zoekende mensen. Wie in Mij blijft, is vervuld van de ware blijdschap, en hij zal ook hen de vreugde brengen, die hun harten met onbaatzuchtige liefde laten vullen.

9. Voortaan noem Ik jullie geen dienaars meer, want de dienaar weet niet, wat zijn Meester doet: Ik echter heb jullie vrienden genoemd, want alles, wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, heb Ik jullie geleerd. Niet jullie hebben Mij gekozen, maar Ik heb jullie gekozen en jullie ingezet, opdat jullie heengaan en vruchten dragen en jullie vrucht duurzaam zal zijn. Wat jullie ook van de Vader in Mijn naam zullen vragen, zullen jullie onvangen. (Hoofdst. 73, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De ware dienaar is de vriend van de Christus Gods. Wie onbaatzuchtig dient en goede vruchten voortbrengt, is niet langer onwetend. Hij kent de wetten van God, omdat hij erin leeft. Hij zal niet langer blind de blinde tegemoettreden, maar de blinde herkennen, omdat zijn geestelijke ogen zijn geopend door de verwezenlijking van de eeuwige wetten.
De schouwende is geen blinde meer. Hij schouwt de blinde zoals hij is - en zoals hij zich voordoet. Want wie Gods wil vervult, verlaat het rad van wedergeboorte en verkrijgt de geestelijke wedergeboorte. Dan Ben Ik voor hem geen trooster en Verlosser meer, maar broeder en vriend.

10. Dit gebied Ik jullie: dat jullie elkander liefhebben en eveneens alle schepselen Gods. Als de wereld jullie haat, weet dan, dat zij Mij heeft gehaat, voordat zij jullie haatte. Waren jullie van deze wereld, dan zou de wereld jullie liefhebben, als bij hen behorend; omdat jullie echter niet van deze wereld zijn - want Ik heb jullie uit de wereld gekozen - haat de wereld jullie.
11. Herinnert je het woord, dat Ik jullie heb gezegd: de knecht is niet groter dan de heer. Zoals zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook jullie vervolgen; zoals zij Mijn woorden hebben nageleefd, zullen zij ook jullie woorden naleven. Maar alles zullen zij jullie aandoen, omwille van Mijn naam; want zij kennen Hem niet, die Mij heeft gezonden. (Hoofdst. 73, 10-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie voor Mij, Christus, heeft gekozen, heeft ervoor gekozen, niet meer met de wereld te zijn. Hij zal omwille van Mij door de wereld worden gehaat.
Wat Mij als Jezus geschiedde, geschiedt ook allen, die Mij liefhebben, want zij houden niet van de intriges van deze wereld. Wie van deze wereld is, wordt ook bemind door deze wereld en aangenomen als bij hen behorend. Wie zich echter tot Mij, de Christus, wendt, zal door de wereld worden gehaat, zoals Ik door de wereld werd en word gehaat.
Erkent: de huidige generatie [1989] is niet veel beter dan de vroegere generaties. Wat de mensen in vroegere incarnaties niet erkenden, erkennen zij ook in deze generatie niet, namelijk de werken van liefde. Wat zij in vroegere incarnaties verkeerd hebben geduid, dat duiden zij ook in deze generatie verkeerd.
Velen spreken over Mijn aardse leven, over Mijn werken als Jezus van Nazareth - en begrijpen desondanks niet, wat Ik heb onderwezen. Velen leggen nog steeds de woorden van de Eeuwige - zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament - naar eigen goeddunken uit, ook de woorden van God door Mozes. Zou de wereld zich hebben veranderd, dan had Ik Mij niet meer geopenbaard. Omdat de wereld zich echter niet veranderd heeft, spraken en spreken de Eeuwige en Ik, Christus, nu weer door het profetische woord tot de mensen, om recht te zetten, wat verkeerd is, om de mensen uit de wirwar van dogma’s, voorstellingen en verkeerd-begrepen woorden te leiden.
Vele woorden uit de eeuwige waarheid werden en worden geciteerd en voor menselijke intriges misbruikt. Veel zogenaamde christenen spreken slechts christelijk, denken echter als de antichrist. Zij wenden dus hun christen-zijn slechts voor - innerlijk zijn het verscheurende wolven.

12. Als Ik niet was gekomen en tot hen had gesproken, waren zij zonder zonde geweest. Nu echter hebben zij geen dekmantel meer voor hun zonden. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader. Als Ik niet onder hen die werken had gedaan, die niemand anders deed, zouden zij geen zonden hebben; maar nu hebben zij deze wel en zij hebben Mij en Mijn Vader gezien en gehaat. Maar dit alles moet geschieden, opdat het woord vervuld worde, dat geschreven staat in hun wet: zij haatten Mij zonder reden. (Hoofdst. 73, 12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

»Als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, waren zij zonder zonde geweest« betekent: als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, hadden zij hun zonden niet ingezien en zouden zij zich zonder zonden wanen. Maar Ik Ben gekomen en heb gesproken over de wet van de Vader en heb hen deze voorgeleefd.
Wie de eeuwige Vader en Mij, Christus, en de ware profeten citeert, heeft ook de woorden van de Eeuwige, Mijn woorden en die van de profeten aangenomen. Wie er echter niet naar leeft - zoals hem werd geboden -, bezondigt zich aan de wet Gods; hij is een zondaar. Hij heeft voor zijn handelen geen dekmantel meer, die onwetendheid heet.
De Eeuwige gaf te allen tijde Zijn woord: alle volkeren vernamen Hem door profeten en verlichten. Mozes bracht de Tien Geboden, uittreksels uit de eeuwige wet. Als Jezus van Nazareth leerde Ik de mensen de wet en leefde hem voor.
De wet, die Ik hen bracht, luidt: heb God, je Vader, van ganser harte lief met al je krachten en je naaste als jezelf. - Geen mens kan zeggen, dat hij onwetend is!
Erkent: wie zijn naaste niet onbaatzuchtig liefheeft, heeft ook God niet lief. Wie zijn naaste haat, haat ook God, zijn eeuwige Vader. Wie zijn naaste versmaadt, versmaadt ook God, zijn eeuwige Vader.

»Als Ik niet onder hen die werken had gedaan, die niemand anders deed, zouden zij geen zonden hebben; maar nu hebben zij deze wel en hebben Mij en Mijn Vader gezien en gehaat« betekent: had Ik Gods werken niet gedaan, dan zouden veel mensen de werken in God niet kennen en denken, dat zij geen zonden hadden. Maar omdat zij Mijn werken hebben gezien of kregen overgeleverd, werd hen daarmee getoond, hoe zij dienen te denken, te spreken en te handelen. En als zij dit niet doen, herkennen zij daarin hun zonden. In Mijn denken, spreken en handelen als Jezus hebben zij Mijn Vader gezien en gehoord, en horen Hem, de Eeuwige, in Mij, de Christus, in de overlevering van de werken, die Ik deed.

Wie niet in onbaatzuchtige liefde denkt, spreekt en handelt en zijn werken van hebzucht, gierigheid, machtsstreven behoudt en niet teniet doet, is een zondaar. In veel situaties zondigt hij ook tegen de Heilige Geest.

Wie Mij dus heeft gezien of Mijn werken kreeg overgeleverd, heeft de Vader gezien en Hem in Mij, Christus, ervaren.
Wie de werken van God door Zijn profeten en de werken van de Christus erkent, verplicht zich daarmee, ook zo te denken en te leven als Ik, Christus, het de mensen heb geboden.

13. Maar de trooster zal komen, die Ik jullie van de Vader zal zenden, namelijk de Geest der waarheid. Hij zal uitgaan van de Vader en van Mij getuigen: en jullie zullen allen getuigenis afleggen; want jullie zijn bij Mij geweest vanaf het begin. (Hoofdst. 73, 13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In alle generaties legden en leggen veel mensen getuigenis af van Mij, zo ook in deze [1989]. Geen mens zal ooit kunnen zeggen: »Ik heb van Christus niets geweten.« Want de pioniers voor de Nieuwe Tijd, die in Mijn opdracht staan, zullen de waarheid, die Ik Ben, naar alle landen uitdragen. En het evangelie van de liefde zal veel mensen worden aangereikt. De Christus Gods is de trooster en Verlosser, de waarheid en het leven in de stroom van de eeuwige wet.
De tijd doet het hare: zoals de huidige tijd de mensen opjaagt en ophitst, komen ook de oorzaken steeds sneller tot uitwerking. Velen, die nu nog het materialisme najagen, zullen aan deze uitwerkingen ten onder gaan. Die mensen echter, die aan het einde van de tijdsomwenteling van de wereld overblijven, zullen het evangelie van de liefde erkennen, en velen zullen er ook naar leven.





HOOFDSTUK 74

Jezus bereidt Zijn discipelen op het komende voor

De strijd in de naam van Christus tegen Christus (1).
Het werk van de verlossing wordt vervuld (2-3). Momenteel
stroomt de waarheid als een grote stroom (4-5)

1. Dit alles heb Ik jullie gezegd, om jullie te waarschuwen. Zij zullen jullie uit de synagogen jagen, ja, de tijd zal komen, dat iedereen, die jullie doodt, zal denken, dat hij dit ter ere Gods doet. En zij zullen dit doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij hebben herkend. (Hoofdst. 74, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In alle generaties geschiedde en geschiedt - en zo ook rond het jaar tweeduizend -, hetgeen Ik tot Mijn apostelen en discipelen sprak: omdat zij Mijn Vader en Mij niet kennen, zullen zij jullie uit hun leven verbannen en jullie niet aan hun erediensten laten deelnemen, omdat jullie hun geloof niet aanhangen. Velen van jullie zullen zij doden en weer anderen belasteren en prijsgeven aan de spot van het volk. Erkent: wie zonder liefde en achting jegens zijn naaste is, heeft noch de eeuwige Vader, noch Mij, de Christus, lief.
In de afgelopen eeuwen hitsten de autoriteiten steeds weer het volk op tegen de ware volgelingen van Christus. Uit angst voor de gevolgen was het volk hen horig. Daarom was het mogelijk, dat in Mijn naam gruweldaden werden verricht aan mensen, die Mij navolgden of die een andere gezindheid hadden dan de kerkelijke autoriteiten.
Op schandelijke wijze werd Mijn naam misbruikt en verkocht. Niet slechts tijdens de zogenaamde kruistochten trachtten mensen, die zich christenen noemden, die echter niet christelijk leefden, andersdenkenden met het zwaard in de hand te kerstenen. De kerkelijke overheid misbruikte en misbruikt Mijn naam, ketende en ketent hem in haar dogma’s en beweerde en beweert, dat zij de alleenzaligmakende genade zou hebben, omdat zij Mij, Christus, in het juk van hun dogma’s gevangen waant.
Zoals het enkele apostelen en discipelen verging, zo vergaat het rond het jaar tweeduizend enkele Christusvrienden, de ware pioniers voor de Nieuwe Tijd. Weer is het de kerkelijke overheid, die het volk tegen hen ophitst. Weer gebeurt dit met dezelfde argumenten, opdat de opgezweepte mensen zich tegen Mijn ware volgelingen opstellen. Zoals toentertijd worden de Christusvrienden, de pioniers voor de Nieuwe Tijd, rechten onthouden, waar elke burger van het land aanspraak op heeft. Zoals in vroegere tijden noemen de ophitsers en de uitvoerenden zich ook weer christenen.
Veel van Mijn ware volgelingen zijn in de ogen van de staat, van de kerken en van al diegenen, die hen horig zijn, uitgestotenen. Het recht wordt vaak in hun nadeel geïnterpreteerd, zodat de schijn wordt gewekt, dat de Christusvrienden in het ongelijk zijn. Daardoor maken zij mensen het leven zwaar, die ernaar streven, waarachtige christenen te zijn.
Erkent: ook nu nog [1989] zit het satanische in de hoogste rangen van de overheid en regeert hen, die eraan ten prooi zijn gevallen - die mensen, die zich tevredenstellen met hetgeen hen „van bovenaf” wordt voorgeschreven. Zonder dit zelf na te gaan, nemen zij hun oordeel over hun naasten over. Maar deze overheid zal niet op lange termijn de mensheid regeren. Weliswaar werd aan het satanische door God een grote spanne tijds als bedenktijd tot ommekeer gegeven, maar ook aan deze tijdsspanne komt een einde; voor dit einde staat de duisternis. Want Ik, Christus, het licht der wereld, de waarheid en het leven, kom!

2. Dit alles echter heb Ik jullie gezegd, opdat jullie, wanneer de tijd gekomen is, je moogt herinneren, hetgeen Ik jullie hierover heb gezegd. En Ik heb jullie dit niet al aan het begin gezegd, omdat Ik bij jullie was. Maar nu ga Ik Mijn weg naar Mijn Vader, die Mij gezonden heeft; en niemand van jullie vraagt Mij: waarheen ga Je? Maar omdat Ik jullie dit alllemaal heb gezegd, zijn jullie bedroefd.
3. Desondanks zeg Ik jullie de waarheid; het is noodzakelijk voor jullie dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de trooster niet tot jullie komen; maar, wanneer Ik wegga, zal Ik jullie Mijn Geest zenden. En als Hij gekomen is, zal Hij de wereld wijzen op zonde, rechtvaardigheid en gerecht. (Hoofdst. 74, 2-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De trooster is de Geest van Christus, die Ik Ben, het leven in God, Mijn Vader. De Christus-Gods-Geest is alomtegenwoordig in de vier wezenheden Gods, de scheppings- en voortbrengingskrachten - die iedere ziel als kracht en leven in zich draagt.
De trooster, Mijn Geest, is de verlossersvonk, waarin troost en verlossing werkzaam zijn. De verlossing is Mijn werk, dat Ik heb ontvangen van de Vader, om alle zielen en mensen naar huis te halen.
Veel mensen zijn werkzaam in Mijn verlosserswerk en dragen Mijn licht in de wereld. Door hun onbaatzuchtige hulp groeide Mijn werk in enkele aardse jaren over de hele aarde. Vele wezens gingen en gaan voor het werk der verlossing naar de aarde, om de mensen de waarheid te leren en hen deze voor te leven, zoals Ik het als Jezus van Nazareth heb gedaan. Vele harten en veel mensen worden door het denken, leven en werken van deze pioniers bewogen en gestimuleerd, om na te denken en de eeuwige wetten te verwezenlijken.
Het is de bovenmenselijke prestatie van een vrouw, die leeft in de Vader en in Mij, de Christus, dat binnen enkele jaren het werk der verlossing een wereldwijd werk is geworden. Zij staat in de goddelijke opdracht, om samen met de pioniers voor de Nieuwe Tijd alle mensen, die van goede wil zijn, op te roepen en hen te onderrichten, opdat zij het innerlijke licht van de liefde en het ware leven mogen vinden, de eeuwige wet van het heelal. Want de waarheid, de wet van het heelal, is inwendig in ieder mens.
Erkent: de eeuwige wet van het heelal is de ware wet, die alle wetten van de materie en de causaliteitswet zal overwinnen, omdat zij onpersoonlijk en absoluut is.
In deze machtige tijdsomwenteling [1989] werken vele wezens in het aardse gewaad. Onvermoeibaar verrichten zij grote daden voor de lichttijd en zodoende voor Mij, de Christus Gods, en voor alle na hen komende generaties.
Wie in de Nieuwe Tijd, wanneer de vrede in de mensen woont, deze woorden zal lezen, zal menige uitspraak nauwelijks kunnen begrijpen. Mijn woorden echter behouden hun betekenis, want vele wezens, die in de Nieuwe Tijd zullen incarneren, dragen als herinnering de oude wereld in zich, die zij met veel moeite, ellende en leed hebben overwonnen.
Dit herinneringspotentieel blijft zolang in de zielen en mensen van de Nieuwe Tijd leven, tot ook in de reinigingsgebieden datgene is vervuld, wat zich heeft voltrokken op de aarde, het podium van de oude wereld. Want het satanische is weliswaar op aarde voor enige tijd gebonden, echter niet in de reinigingsgebieden. Daar draagt de ziel haar zonden verder af, die zij zichzelf op aarde heeft opgelegd.
Ik kom in verschillende gestalten tot de mensen, om hen te wijzen op hun zonden, op hun gerecht en op de rechtvaardigheid Gods.
4. Op de zonde, omdat zij niet in Mij geloven; op de rechtvaardigheid, omdat Ik naar de Vader ga en jullie Mij voortaan niet zullen zien; op het gerecht, omdat over de vorst van deze wereld geoordeeld is.
5. Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu nog niet begrijpen. Wanneer echter de Geest der waarheid zal komen, zal Hij jullie in de gehele waarheid leiden; want Hij zal niet uit zichzelf spreken, doch dat wat Hij zal horen, zal Hij spreken. En Hij zal jullie tonen, hetgeen zal komen. Hij zal Mij verheerlijken. Want Hij zal het van Mij ontvangen en aan jullie openbaren. (Hoofdst. 74, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De Geest der waarheid is de Christus Gods, over wie Ik als de mensenzoon sprak. Ik heb deze toezeggingen in de bijna tweeduizend jaar waargemaakt. De Geest der waarheid kwam in alle generaties en Zijn werken namen in deze wereld steeds meer aan licht en kracht toe, want veel mensen hoorden en lazen uit de wet van het leven, van de eeuwige waarheid, en menigeen begon het leven in zichzelf te ontwikkelen.
In deze tijdsomwenteling [1989] echter breekt het licht - Ik, de Christus, de eeuwige waarheid - in een breed spectrum door en straalt in de gehele wereld. De wet van de waarheid stroomt als een grote stroom door het profetische woord, want Ik zond de goddelijke wijsheid tot de mensen, opdat de waarheid openbaar moge worden en de mensen wakker moge schudden, die in wereldlijke bevangenheid en zonde leven.
De waarheid openbaart tevens, wat er momenteel is en wat zal komen. Zij geeft vele zielen en mensen te drinken en sterkt hen met liefde, kracht en wijsheid. Wie zijn zonden in het reine brengt, zal Mij, de Christus, herkennen; want de zonde vertroebelt het geestelijke oog. Wie vermag te schouwen, herkent Mij, de Christus, in zichzelf en in hen, die Mij waarlijk navolgen. En zij, die in Mij leven, verheerlijken de Eeuwige in Mij, want zij ontvangen van Mij, om het door te geven aan de mensen.

6. Alles, wat Mijn Vader heeft, is het Mijne. Daarom heb Ik jullie gezegd, de trooster zal het van Mij overnemen en het aan jullie openbaren. Gedurende een korte tijd zullen jullie Mij niet zien, maar na een korte tijd zullen jullie Mij weer zien, want Ik ga naar de Vader.« Toen zeiden enkelen van Zijn discipelen tegen elkaar: »Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: gedurende een korte tijd zullen jullie Mij niet zien, maar na een korte tijd zullen jullie Mij weer zien, want Ik ga naar de Vader?«
7. Toen merkte Jezus, dat zij Hem iets wilden vragen, en sprak tot hen: »Jullie willen iets vragen vanwege Mijn woorden: gedurende een korte tijd zullen jullie Mij niet zien, maar na een korte tijd zullen jullie Mij weer zien. Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie, jullie zullen wenen en weeklagen, maar de wereld zal zich verheugen: jullie zullen bedroefd zijn, maar jullie droefenis zal veranderen in blijdschap.
8. Een vrouw, die in barensweeën is, heeft smart, omdat haar uur is gekomen; maar als zij het kind heeft gebaard, denkt zij niet meer aan de angst, van blijdschap, dat er een mens op de wereld is gekomen. En jullie zijn nu ook bedroefd; maar Ik wil jullie weerzien, en jullie hart zal zich verblijden, en niemand zal jullie deze vreugde ontnemen.
9. En op die dag zullen jullie Mij niets vragen. Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie: als jullie Mijn Vader vragen in Mijn naam, zullen jullie het ontvangen. Tot nu toe hebben jullie niets gevraagd in Mijn naam. Vraagt, en jullie zullen verkrijgen, opdat jullie vreugde volmaakt zij. Dit alles heb Ik tot jullie gesproken in gelijkenissen; de tijd echter zal komen, dat Ik niet meer in geheimen met jullie spreek, maar jullie openlijk over Mijn Vader zal verkondigen.
10. Op die dag zullen jullie bidden in Mijn naam: en Ik zeg jullie niet, dat Ik Mijn Vader voor jullie zal vragen; want Hijzelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij liefhebben en geloven, dat Ik van God Ben uitgegaan. Ik Ben van God uitgegaan en in de wereld gekomen; en Ik verlaat de wereld weer en ga naar Mijn God.«
11. Toen spraken Zijn discipelen tot Hem: »Zie, nu spreek Je vrijuit en spreek Je niet in raadselen. Nu weten wij, dat Jij alles weet en het niet nodig is, dat iemand Jou iets vraagt; want wij geloven, dat Jij van God bent uitgegaan.«
12. Jezus antwoordde hen: »Geloven jullie nu? Ziet, het uur zal komen, ja, het is reeds daar, dat jullie verstrooid zullen worden en iedereen naar huis gaat en jullie Mij alleen laten: maar Ik Ben niet alleen, want de Vader is bij Mij.
13. Dit heb Ik jullie gezegd, opdat jullie vrede moogt hebben in Mij. In de wereld zullen jullie verdrukking te lijden hebben, maar weest getroost, Ik heb de wereld overwonnen. Komt, laat ons op weg gaan.« (Hoofdst. 74, 6-13)





HOOFDSTUK 75

Het laatste Paschamaal

Wordt rein van harte (1-2).
Over het verraad - Tolerantie en begrip jegens onwetenden (3-6). In de Nieuwe Tijd van Christus is er geen bloedvergieten meer (7-9). De gereinigde aarde schenkt in overvloed (10). Leven in Christus leidt tot de adel der ziel en tot ware vrijheid (11-12). De wet van het leven, het liefdegebod - Wie zijn naaste veracht, komt niet tot Christus, tot de waarheid, in het eeuwige Zijn - Ieder berecht zichzelf (13-16). Het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem (17). Uit alle volkeren en stammen verbroederen zich diegenen, die de werken Gods doen (18)

1. ’s Avonds kwam Hij in het huis, waar de twaalf en hun begeleiders verzameld waren; Petrus, Jacobus, Thomas, Johannes, Simon, Mattheus, Andreas, Nathanael, Jacobus, Thaddeüs, Judas en Philippus en hun gezellen (en daar was ook Judas Iskarioth, die door de mensen tot de twaalf werd gerekend, tot het ogenblik waarop hij zichzelf ontmaskerde).
2. En zij waren allen gekleed in zuiver wit linnen; want linnen is de gerechtigheid der heiligen. En ieder droeg de kleur van zijn stam. De Meester echter was gekleed in Zijn reine witte gewaad, zonder naad of smet. (Hoofdst. 75, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Als mensenzoon ging Ik heen van de mensen: als de Christus Gods, hun Verlosser, de Geest der waarheid, Ben Ik teruggekomen.
Wie in Mijn naam verzamelt, verstrooit niet. Slechts hij verstrooit, die in zijn eigen naam wil verzamelen, ook dan, als hij daartoe mijn naam gebruikt - en zodoende misbruikt.
Wordt rein, dan zullen jullie in alles God, het leven schouwen. Want de reine schouwt het reine. Hij ziet echter ook het onreine, dat aangesproken dient te worden, opdat het herkend en overwonnen wordt.
Erkent: het zuivere wit van het linnen gold in de toenmalige tijd als symbool van de innerlijke reinheid. Ik zeg jullie: jullie moeten je niet alleen uiterlijk sieren en de reinheid in God voorwenden, maar rein worden in jullie harten. Dan zullen jullie ook schone en lichtere kleding dragen. Is het hart rein, dan heeft dit ook zijn uitwerking op het uiterlijk, op het gedrag en de kleding van de mens, die naar God streeft.

3. En zij begonnen erover te redetwisten, wie van hen als de grootste moest gelden, daarom sprak Hij tot hen: »De koningen van de heidenen oefenen hun heerschappij uit over hen, en zij, die heersen, worden weldoeners genoemd. Maar jullie moeten niet zo zijn. Wie van jullie de grootste is, zal de geringste zijn, en wie de eerste is, moet dienen.«
4. En Jezus sprak: »Met verlangen heb Ik ernaar uitgezien, dit Paschamaal met jullie te houden, voordat Ik lijd, en om de gedachtenis aan Mijn offer voor de dienst en de verlossing van alle mensen in te stellen. Want zie, het uur komt, dat de mensenzoon wordt prijsgegeven aan de handen van de zondaars.«
5. En een van de twaalf vroeg Hem: »Heer, ben ik het?« En Hij antwoordde: »Degene, aan wie Ik het brood zal geven, die is het.«
6. En Judas Iskarioth zei tot Hem: »Zie, het ongedesemd brood, de gemengde wijn, de olie en de kruiden, maar waar is het lam, dat Mozes heeft bevolen?« (Want Judas had het lam gekocht; maar Jezus had verboden, dat het geslacht zou worden.) (Hoofdst. 75, 3-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Mensen verraden mensen, hun naasten. God echter verraadt Zijn kind niet. Ook de mens, die in God leeft, verraadt zijn naaste niet. Zo heb ook Ik als Jezus van Nazareth Judas niet verraden. Ik sprak algemeen van de verrader, die zonder innerlijk gebed de eerste hap tot zich neemt.
Noch door de apostelen, noch door de discipelen werd bevolen, om een lam te slachten. Maar zowel aan Mij, alsook aan de apostelen en discipelen, werden delen van een toebereid lam als gave van liefde gereikt. Onze naasten wilden ons daarmee een geschenk aanbieden, omdat zij niet beter wisten. Ik zegende de gave en begon het vlees tot Mij te nemen. Mijn apostelen en discipelen deden hetzelfde. Daarop stelden zij Mij de vraag: wij behoren toch afstand te nemen van het eten van vlees. Zo heb Je het ons bevolen. Nu heb Je zelf vlees gegeten.
Ik onderwees de Mijnen: de mens behoort geen dier moedwillig te doden en ook niet het vlees van dieren te eten, die werden gedood voor het eten van hun vlees. Maar wanneer mensen, die nog onwetend zijn, vlees als voedsel hebben toebereid en het de gast als geschenk aanbieden en het hem bij het gastmaal aanreiken, dan behoort de gast de gave niet af te wijzen. Want het is een verschil, of de mens vlees eet uit begeerte of als dank aan de gastheer voor zijn moeite.
De wetende zou echter, als het hem mogelijk is en de uiterlijke omstandigehden en de tijd het mogelijk maken, de gastheer algemene aanwijzingen moeten geven, hem echter niet trachten te beleren. Als de tijd rijp is, zal ook de gastheer deze algemene aanwijzingen begrijpen.
Tot de onbaatzuchtige liefde behoren in deze wereld ook begrip en tolerantie. Laat ieder mens zijn vrije wil, of hij jullie algemene aanwijzingen wil begrijpen en aannemen of niet. Als jullie altijd onbaatzuchtig denken, spreken en handelen, blijven jullie in de liefde, en de liefde zal jullie zegenen. Wat jullie dan als gave van liefde wordt aangereikt, is gezegend.

7. En Johannes profeteerde uit de geest: »Ziet het lam Gods, de goede herder, die Zijn leven geeft voor Zijn schapen.« Judas was getroffen door deze woorden, want hij wist, dat hij Hem zou verraden. Maar nog eenmaal vroeg Judas: »Meester, staat er niet geschreven in de wet, dat er een lam geslacht moet worden voor het Paschafeest binnen de poorten?«
8. En Jezus antwoordde: »Wanneer Ik aan het kruis zal worden geslagen, zal waarachtig het lam zijn geslacht. Wee echter degene, door wie het wordt overgeleverd in de handen van de slachters. Het zou beter zijn voor hem, dat hij nooit geboren was.
9. Waarlijk, Ik zeg jullie, daarom Ben Ik in de wereld gekomen, dat Ik alle bloedoffers en het eten van vlees van dieren en vogels afschaf, die door mensen worden geslacht. (Hoofdst. 75, 7-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie het leven in God liefheeft, heeft God lief en is één met het leven uit God.
Ik kwam in deze wereld, om het evangelie van de liefde, de wet der hemelen, te onderrichten en voor te leven. Wie de liefdewet van de hemelen verwezenlijkt, zal komen tot een vervuld leven.

Het leven in God omvat niet slechts de naaste, maar eveneens alle levensvormen, zoals dieren, planten, mineralen en stenen, want al het Zijn draagt het leven, God. Wie in eenheid is met het leven, doodt niet moedwillig dieren, noch zal hij moedwillig planten vernietigen. Hij respecteert ook het leven - de bewustzijnskrachten - van de mineralen en de stenen.
Wie het leven respecteert, heeft ook achting voor zijn naaste, omdat hij zichzelf respecteert. Want in de ziel is het leven, God, als substantie en kracht. Wie zijn naaste respecteert, leeft dus in vrede met al het Zijn en met zijn naaste, want alle wezens en mensen zijn kinderen van de Vader-Moeder-God.
Erkent: wie de liefdewet verwezenlijkt, verandert zijn denken en zijn leven. Daardoor verfijnt hij zijn zintuigen en doet geleidelijk afstand van het bewuste doden van dieren, ook van het slachten van dieren, om hun vlees te eten.
Wie zijn zinnen zet op het vlees, zal het ook eten. Wie zijn zinnen zet op de geest, voedt zich met hetgeen de aarde hem schenkt, zoals het vroeger was.
Erkent: geen verandering, in de mens ofwel in de wereld, vindt plaats van vandaag op morgen. Het is een geleidelijk veranderingsproces. Wie zich wendt tot God, verandert heel geleidelijk zijn denken en zijn leven en veredelt zo zijn zintuigen, ja de gehele mens. Daarbij zal hij steeds meer afstand nemen van het eten van vlees en vrede bewaren met de mensen en de natuurrijken. In de wisseling van de generaties zal er geen bloedoffer meer zijn; want de mensen zullen inzien, dat zij God daarmee geen eer betuigen en dat hun zelfbedachte goden op hun denken en handelen niet reageren.
Erkent: wie niet meer benijdt, wie niet meer strijdt, wie niet meer bindt en niet meer wil heersen en de grootste wil zijn, is een mens van de ware vrede.
Zolang er in de mens zelf geen vrede is, zullen er bloedoffers zijn - zij het in oorlogen en door rampen. Als de mensen eenmaal tot innerlijke vrede zijn gekomen, zullen er geen oorlogen, noch catastrofen meer zijn en ook geen bloedvergieten meer.
Dit alles zal komen; het zal echter nog enige tijd duren, want nog zijn alle oorzaken niet uitgeboet en afgelost. Zij komen als gevolgen terug op hen, die ze gezaaid hebben. Maar de tijd rijpt, waarin de vrede zijn intrek zal nemen in de harten der mensen; het is dan, als de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus, steeds meer ontstaat.
De huidige mensheid [1989] leeft in een grote tijdsomwenteling van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd. Als deze wending grotendeels is voltrokken, zullen de mensen Gods wetten steeds meer vervullen, en het zal zijn, zoals Ik het als Jezus heb voorspeld: er zal een herder zijn en een kudde, en de volkeren zullen een volk zijn. Dan zijn alle bloedoffers afgeschaft en ook het eten van vlees.

10. In het begin gaf God allen de vruchten van de bomen en de zaden en de kruiden tot voedsel; maar zij, die zichzelf meer liefhadden dan God of hun naaste, bedierven hun zeden en brachten ziekten in hun lichaam en vervulden de aarde met begeerte en wreedheid. (Hoofdst. 75, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het lagere, satanische, loopt ten einde. Het leven in en met God wordt voor steeds meer mensen een behoefte. Daarom zal ook de aarde zich reinigen en de kinderen van God voeden, zoals het was in het begin van het mensengeslacht: moeder aarde schenkt de bewoners van de aarde weer in overvloed, wat zij voor hun aardse lichamen nodig hebben. Dat is dan weer het reine voor de overwegend reine lichamen.

11. Niet door het vergieten van onschuldig bloed, maar door een rechtschapen leven zullen jullie de vrede van God vinden. Jullie noemen Mij de Christus Gods, en jullie spreken de waarheid; want Ik Ben de weg, de waarheid en het leven.
12. Bewandelt deze weg, en jullie zullen God vinden. Zoekt de waarheid, en de waarheid zal jullie vrij maken. Leeft in het leven, en jullie zullen de dood niet zien. Alle dingen leven in God, en de Geest Gods vervult alle dingen. (Hoofdst. 75, 11-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Rechtschapen leven is leven in God. Wie rechtschapen is, zal zijn naasten niet bedriegen, veroordelen of berechten. Wie in alle dingen streeft naar rechtschapenheid, vindt de weg van de waarachtigheid. Hij is zichzelf trouw in edele gedachten, woorden en daden. Overeenkomstig zijn denken en leven gedraagt hij zich ook ten opzichte van zijn medemensen: hij zal hen niet bedriegen, noch veroordelen of berechten, omdat hij zichzelf heeft veredeld.
Erkent: de vrede en het ware christendom kunnen slechts in deze wereld komen door mensen, die hun zielen hebben geadeld met de sier van de deugd en de bescheidenheid, met vreedzame gedachten, onbaatzuchtige woorden en daden.
Ik Ben de weg, de waarheid en het leven. Wie zijn ziel tot Mij verheft, komt ook tot Mij. En wie in Mij, de waarheid, leeft, is vrij van uiterlijke bindingen en van de ijdele waan van deze wereld. Wie in de waarheid leeft, vult alle woorden en dingen met leven, omdat hij zelf vervuld is van de Geest Gods.

13. Onderhoud de geboden. Heb God lief met heel je hart en je naaste als jezelf. Daaraan hangt de hele wet en de profeten. En de som van de wet is: doe niemand aan, wat jij niet wilt, dat anderen jou aandoen. Doe voor anderen, wat jij wilt dat anderen voor jou doen.
14. Gezegend zijn zij, die dit gebod vervullen; want God is in alle schepselen openbaar. Alle schepselen leven in God en God is in hen verborgen.«
15. En daarna dompelde Jezus het brood, gaf het aan Judas Iskarioth en sprak: »Wat je doet, dat doe spoedig!« Deze ging, nadat hij het brood had ontvangen, meteen naar buiten. En het was nacht.
16. Nadat Judas Iskarioth naar buiten was gegaan, sprak Jezus: »Nu is de mensenzoon verheerlijkt onder Zijn twaalf en God is verheerlijkt in Hem. En waarlijk, Ik zeg jullie, zij, die jullie opnemen, zullen Mij opnemen, en die Mij opnemen, nemen de Vader op, die Mij heeft gezonden. En voor jullie, die Mij navolgen in de geestelijke vernieuwing als Mijn uitverkorenen, zal Ik een rijk oprichten, zoals er voor Mij een werd opgericht, en jullie, die getrouw gebleven zijn aan de waarheid, zullen zitten op twaalf tronen en over de twaalf stammen van Israël rechtspreken.« (Hoofdst. 75, 13-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie de geboden van de onbaatzuchtige liefde vervult, diens hart is vervuld van liefde en van de wijsheid Gods, van de waarheid, die eeuwig duurt, omdat zij de wet van het leven is.
Wie het gebod „heb je God lief met heel je hart en je naaste als jezelf” vervult, leeft in de wet Gods, want de onbaatzuchtige liefde omvat alle krachten van het heelal, van de orde tot aan de barmhartigheid.
Te allen tijde en in alle generaties hebben de ware profeten en alle rechtvaardige mannen en vrouwen de wet Gods vervuld. Wie Gods wet vervult, geeft zichzelf over aan God en geeft, wat Gods wil is: liefde en wijsheid.
Wie de wet van de liefde wil worden, bedenke de eerste stap naar het innerlijke leven, naar onbaatzuchtige liefde: »doe niemand iets aan, wat jij niet wilt, dat anderen jou aandoen. Doe voor anderen, wat jij wilt, dat anderen voor jou doen.«
Wie de wet van het leven, de liefde, vervult, hem is God openbaar in alle mensen, dieren, planten, mineralen, stenen en in alle krachten van het heelal. Niets blijft degene verborgen, die zich opent voor God. Diegene echter zijn de dingen en de krachten van het heelal verborgen, die zich omwille van zijn zonden voor God tracht te verbergen.
Judas nam het brood aan. Omdat hij niet oprecht gebeden had, legde hij er een stuk van terug en verliet de kleine schare. Daarmee toonde hij zijn gezindheid; vervolgens voerde hij uit, wat hij van plan was.

Hetgeen Ik sprak tot de kleine schare, is bedoeld, om jullie en alle komende generaties tot erkentenis voor jullie denken en leven te dienen. Jullie hebben daarmee een maatstaf tot inzicht van jullie geestelijke rijpheid.
Wie zijn medemensen neerhaalt en veroordeelt, heeft noch hen, noch Mij aan- en opgenomen. Hij verwerpt en veroordeelt daarmee ook Mij, de Christus Gods, want Ik leef in jullie naasten. Met dit gedrag kan hij ook niet tot de waarheid komen, want Ik, de Christus, Ben de weg, de waarheid en het leven. Wie zijn naaste verwerpt, verwerpt ook Mij. Hij kan daarom ook niet tot de eeuwige Vader komen, die door Mij, de Christus, werkt.
En wie niet in Mij leeft, is ook niet uitverkoren - noch voor het rijk Gods op aarde, noch voor het eeuwige rijk, de eeuwige hemelen; want het eeuwige Zijn is de Vader in Mij. Wie zijn naaste veracht, kent ook Hem, de Vader niet.
Wie tot de waarheid is gekomen, zal niet oordelen, noch veroordelen.
Het woord „oordelen” betekent:
De stammen van Israël zullen overeenkomstig hun denken en handelen over zichzelf oordelen.
Erkent: ieder mens oordeelt over zichzelf, want elk onzuiver gevoel, iedere onwetmatige gedachte, elk egoïstisch woord en iedere zelfzuchtige handeling dragen het gerecht in zich. De maatstaf, waarmee de mens meet, is zijn eigen gerecht: het is zijn eigen zelfzuchtigheid in zijn gevoelens, gedachten, woorden en handelingen.
Ik, de Christus Gods in Jezus, bleef in de Vader. Zo werd de Vader door Mij, Christus, verheerlijkt.

17. En een van hen vroeg Hem: »Heer, wil Je het koninkrijk Israël weer oprichten?« Maar Jezus antwoordde: »Mijn rijk is niet van deze wereld, noch zijn allen Israël, die zich Israël noemen. (Hoofdst. 75, 17)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Mijn rijk is niet van deze wereld.
Het woord „oprichten” betekent: Ik zal het Israël - in het midden Jeruzalem - daar oprichten, waar mensen Gods wil vervullen. Mijn rijk bestaat uit mensen, die Gods wil in Mij, de Christus, doen.
Erkent: Israël en Jeruzalem hebben geen betrekking op een bepaalde plaats. Zij bevinden zich daar, waar mensen in de naam van de Allerhoogste werken en de wet van de onbaatzuchtige liefde vervullen. Zij zullen met de liefde en wijsheid van God dat stichten en opbouwen, wat geopenbaard is: het rijk Gods op aarde, waarvan Ik, Christus, de heerser zal zijn.
Het rijk Gods op aarde zal niet daar zijn, waar het egoïsme van de halsstarrige joden regeert en van die mensen, die Mij slechts naar het woord aannemen. Het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem zullen die mensen stichten en opbouwen, die de Vader en Mij, de zoon, aan- en opgenomen hebben, die dus de wetten der liefde en wijsheid Gods vervullen. Zij zijn het, die de geestelijke vernieuwing brengen. Zij staan in Mijn opdracht, om te stichten, op te bouwen en te voleindigen, wat geopenbaard is: het rijk Gods, het vredesrijk van Jezus Christus op deze aarde.
Erkent: Israël en Jeruzalem zullen zich daar bevinden, waar de bron Gods opborrelt, van waaruit de waarheid als een stroom de gehele wereld doordringt.
Die zielen en mensen zullen over zichzelf rechtspreken, die zichzelf hebben veroordeeld door het niet-vervullen van de eeuwige wetten.
Vele geestwezens kwamen uit het heiligdom Gods in het aardse gewaad. Zij zullen de troon Gods op aarde oprichten en behoeden. Daarom zullen Israël en Jeruzalem zich daar bevinden, waar de bron Gods ontspringt en het sterkst stroomt - ver van het oude Israël. Als het oude Israël opgeheven is, zal het Nieuwe Israël zich op de plaats van het oude Israël bevinden, omdat door wereldschokkende gebeurtenissen en door de verandering van de zogenaamde aardas de ligging van de aardmassa’s zal veranderen.

18. Diegenen in ieder volk, die zich niet met wreedheid bezoedelen, die de gerechtigheid beoefenen, die de barmhartigheid liefhebben en de werken van God eren, die hulp brengen aan de zwakken en de onderdrukten - zij zijn het Israël Gods.« (Hoofdst. 75, 18)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Uit alle vier windstreken, uit alle volkeren en stammen van de gehele aarde verzamel Ik mensen, die zich niet met wreedheid hebben bezoedeld en bezoedelen, maar die gerechtigheid en barmhartigheid beoefenen, die de zwakken en onderdrukten onbaatzuchtig helpen en de werken Gods doen.
Zij zullen zich met diegenen verbroederen en verbinden, die het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem oprichten, het rijk Gods op deze aarde, het vredesrijk van Jezus Christus, dat de gehele aarde omspant.





HOOFDSTUK 76

De voetwassing - Het laatste avondmaal

De ontsluiting van de zeven basiskrachten van de ziel
begint bij de orde (1-3). Wie onbaatzuchtig liefheeft, vervult de wet en schouwt God in alles (4-5). De ware strijders voor Christus zijn rein van harte (6). Het doel en de opdracht van de ziel: weer tot wet te worden (7). De betekenis van wierook (8). Over het avondmaal - Geen ceremonie, maar symbool (9). Jezus’ gebed voor de Zijnen: vervult het woord Gods en het liefdegebod; straalt uit, wat God jullie schenkt (10-19). Het gebed van de eenheid (20-21). Brood en wijn (22). De geestelijke substantie in de gaven van de natuur (23-25). Uit de concessies van Mozes ontstonden onwetmatige zeden en gebruiken (26-28). Het verraad aan Christus - Waarom Jezus kon worden gevangen genomen en werd gekruisigd
- Christus’ daad voor het geslacht David (29-30)

1. En toen het Paschamaal beëindigd was, werden de lichten ontstoken, want het was avond. En Jezus stond op van tafel, legde Zijn bovenkleed af en bond een voorschoot om. Daarna goot Hij water in een bekken, waste alle vier maal twaalf de voeten en droogde ze af met de voorschoot, waarmee Hij omgord was.
2. En een van hen zei: »Heer, Je zou mij niet de voeten moeten wassen.« En Jezus sprak: »Als Ik je niet was, heb je geen deel aan Mij.« En hij antwoordde: »Heer, niet slechts de voeten, maar ook mijn hoofd en mijn handen.«
3. En Jezus sprak tot hem: »Wie uit het bad komt, moet alleen nog zijn voeten wassen, want hij is helemaal schoon.« (Hoofdst. 76, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ook de voetwassing was een symbool. Zij betekent de innerlijke reiniging.
Om tot voleinding te komen, moeten ziel en mens bij de ontsluiting van de „onderste” basiskracht, de orde, beginnen. Dit betekent, gevoelens en gedachten te reinigen en zodanig te veredelen, dat ook de woorden van de mens bezield zijn door Mijn leven. Dan herkent de mens geleidelijk Gods wil. Tegelijkertijd zal de naar God toestrevende zijn menselijke zintuigen steeds meer verfijnen, om te komen tot innerlijke adel. Dit geschiedt van de ene evolutiestap op de andere. De rijpende ziel en de ontwaakte mens worden edel en goed.
Op deze wijze ontsluiten ziel en mens gaandeweg de zeven basiskrachten van de ziel, die de wet Gods uitmaken. Wanneer de ziel de zeven basiskrachten van de orde tot de barmhartigheid geheel heeft ontsloten, is zij weer het smetteloze geestelijke lichaam, de druppel in de oceaan God, in de wet van het leven.

4. Toen Hij dan Zijn gewaad van het zuiverste witte linnen zonder smet en zonder zoom weer had aangedaan, zette Hij zich weer aan tafel en sprak tot hen: »Weten jullie, wat Ik voor jullie heb gedaan? Jullie noemen Mij Heer en Meester, en jullie spreken juist, want Ik Ben het. En zoals Ik nu jullie voeten heb gewassen, zo moeten ook jullie elkanders voeten wassen. Want Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, opdat jullie doen, wat Ik voor jullie heb gedaan.
5. Een nieuw gebod geef Ik jullie, dat jullie elkaar en alle schepselen Gods liefhebben. Liefde is de vervulling van de wet. Liefde is van God, en God is liefde. Wie niet liefheeft, kent God niet. (Hoofdst. 76, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie alle mensen en alle levensvormen onbaatzuchtig vermag lief te hebben, wie dus niet langer oordeelt, beoordeelt en veroordeelt, vervult de wet.
De wet, God, is liefde, omdat God liefde is. Wie de onbaatzuchtige liefde leeft, is rein. Hij schouwt God, de wet van de liefde, in alle mensen, in alle levensvormen en in alle dingen, omdat hij God, de wet van de liefde, kent.
Wie zichzelf niet kent, kent ook de wet, God, niet en schouwt ook niet in alle mensen, levensvormen en dingen de wet van de liefde, God.

6. Nu zijn jullie rein door het woord, dat Ik tot jullie heb gesproken. Daaraan zullen allen jullie herkennen, dat jullie Mijn discipelen zijn, dat jullie elkander liefhebben en barmhartigheid en liefde tonen voor alle schepselen Gods, in het bijzonder voor diegenen, die zwak en onderdrukt zijn en onschuldig lijden. Want de gehele aarde is vol van donkere oorden van wreedheid, met pijn en angst, vanwege de zelfzuchtigheid en de onwetendheid van de mensen. (Hoofdst. 76, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

„... rein door het woord” betekent: wie Mijn woord, dat leven en kracht is, verwezenlijkt, zal rein worden naar ziel en lichaam. Wie rein is van hart, draagt ook in de wereld ertoe bij, dat alle mensen, die hunkeren naar God, de vervulling vinden en dat de duistere oorden van verschrikking, waar pijn, angst en dood heersen, lichter worden. Want dan ontwaakt en ontluikt ook daar het leven in God en vinden mensen de innerlijke vrede.
Wie in God leeft, wordt een ware, onbaatzuchtige strijder voor het rijk Gods, dat vrede is. Hij strijdt met de wapens van de liefde tegen de zelfzuchtigheid en onwetendheid van zijn medemensen, opdat de aarde vernieuwd wordt door Mij, de Christus.

7. Ik zeg jullie, hebt jullie vijanden lief, zegent hen, die jullie vervloeken en geeft hen licht in hun duisternis, en laat de geest van de liefde in jullie harten wonen en doorstromen naar allen. En nogmaals zeg Ik jullie: hebt elkander lief en alle schepselen Gods.« En toen Hij uitgesproken was, zeiden allen: »Geloofd zij God.« (Hoofdst. 76, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wat Ik als Jezus van Nazareth sprak, gold niet slechts voor de Mijnen, die met Mij, Jezus, waren, en niet slechts voor het toenmalige volk. Het gold en geldt voor de mensen uit alle volkeren en alle generaties, want het is het woord Gods, dat gericht was en is tot alle mensen. Het wordt zolang gegeven, totdat veel mensen de wet des levens zijn geworden en deze dan het woord, de wet, God, zelf spreken. Dan is alles, wat door Mij als Jezus en door de ware profeten van God werd voorspeld, vervuld.
Wanneer Ik dan in de Geest terugkeer, is de aarde grotendeels gereinigd, zodat zij Mijn licht, het licht van de Christus, vermag te ontvangen. Dan zullen alle mensen, die op de gereinigde aarde leven, de geboden Gods vervullen en het woord, de wet, spreken, omdat zij de wet leven.
Het is de opdracht van de ziel, in haar verschillende aardse levens gedurende verschillende tijdperken weer de wet, God, het woord van het leven, te worden. Mensen, die hogere graden van reinheid hebben bereikt, zullen elkander en alle schepselen Gods liefhebben, zoals Ik hen heb liefgehad en liefheb.
8. En toen verhief Hij Zijn stem, en zij sloten zich aaneen en spraken: »Zoals het hert verlangt naar de waterbronnen, zo verlangt Mijn ziel naar Jou, o God!« En toen zij dit hadden gezegd, bracht iemand Hem een wierookvat met gloeiende kolen, en Hij strooide er wierook op, dezelfde wierook, die Zijn moeder Hem op de dag van Zijn openbaring had gegeven, en de zoetheid van de geur vervulde de ruimte. (Hoofdst. 76, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het zogenaamde wierookvat stond in ruimten van burgers van aanzien. Wierook symboliseert het gewijde leven. Het werd en wordt door veel mensen gebruikt, zonder dat zij zich bewust waren en zijn van deze betekenis. Ook in de institutionele kerk wordt nog steeds wierook gebruikt bij ceremoniën. Het gewijde leven daarentegen wordt door veel mensen en ook in de institutionele kerk niet geleefd. Wat echter niet geleefd wordt, blijft symbool, en is daarom ook zonder betekenis.

9. Daarna plaatste Jezus een schotel voor zich en daarachter de kelk en, de ogen ten hemel geheven, dankte Hij God voor Zijn goedheid in alles en voor allen en nam het ongedesemde brood in Zijn handen en zegende het. Vervolgens mengde Hij de wijn met water en zegende hem, zong de aanroeping van de zevenvoudig heilige naam, riep de Drie-ënige aan, opdat Hij de Heilige Geest zende en het brood tot Zijn lichaam moge maken, namelijk het lichaam van Christus, en de wijn tot Zijn bloed, namelijk het bloed van Christus, tot vergeving der zonden en tot eeuwig leven voor allen, die het evangelie gehoorzamen. (Hoofdst. 76, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie in de wereld een ambt bekleedt, gebruikt ook de woordenschat, die daarvoor nodig is. Ook de vertalers kunnen de teksten slechts met hun eigen woordenschat, die overeenkomt met hun bewustzijnsstand, weergeven. Ook konden en kunnen vertalingen niet altijd inhoudelijk nauwkeurig zijn, omdat dezelfde woorden voor iedereen een andere betekenis kunnen hebben - overeenkomstig zijn bewustzijn en voorstelling. Zo werd ook Mijn woord in veel gevallen gezien door de bril van het geloof van hen, die het hebben weergegeven. Daarom verklaar, verbeter en verdiep Ik het woord, dat in het boek „Het evangelie van Jezus” is geschreven.

Als Jezus van Nazareth bad Ik veel tot God, Mijn Vader, en hield tweespraak met Hem. Tot Hem, de Eeuwige, bad Ik om Zijn zegen voor het laaste avondmaal met de Mijnen.
Inhoudelijk sprak Ik tot hen: wat Ik nu doe, doet dit voortaan tot Mijn gedachtenis. De spijze is voor het lichaam. Ik reik haar jullie aan als symbool voor de innerlijke versterking.
Erkent: Mijn lichaam wordt gegeven, opdat jullie het eeuwige leven moogt verwerven. Laat jullie lichaam tot een tempel Gods worden, opdat de Geest in en door jullie vermag te werken. Door de verrijzenis van Mijn geestelijke lichaam zullen ook jullie verrijzen, want de Christus Gods, die tot de Vader gaat, is de Geest der waarheid in God. De Geest der waarheid zal jullie geestelijke lichaam reinigen, en het licht van de wereld, dat Ik Ben, zal in en door jullie stralen. Want door Mijn verrijzenis Ben Ik het licht in jullie en de reiniging van jullie ziel. Wie in Mij gelooft en de wetten van de hemelen vervult, zal door Mij, de Christus, de wedergeboorte in de Geest van Mijn Vader verwerven.
Ik nam de wijn, deed er wat water bij en sprak inhoudelijk: wat Ik jullie nu zeg, is een symbool. Herkent de betekenis - en denkt aan Mij, wanneer jullie eten en drinken, want in alles is de Geest van het leven, die Ik Ben.
De wijn is het symbool voor Mijn bloed, dat Ik zal vergieten voor alle zielen en mensen. De geest van de ziel moet door ziel en mens weer opgewekt, dat wil zeggen weer in het aardse leven worden gebracht. Wie de Geest der waarheid - als symbool: Mijn bloed - niet aan- en opneemt, diens ziel kan niet in de eeuwigheid terugkeren, omdat zij niet in de absolute waarheid leeft. De ziel blijft zolang buiten de hemelen, tot zij Mij, het licht van de wereld, haar Verlosser, aan- en opgenomen heeft. Wie dus Mij, zijn Verlosser, de mederegent der hemelen, niet aan- en opneemt, zal niet de absolute volmaaktheid verwerven.
Erkent: wie Mij niet aan- en opneemt, neemt ook de Vader niet aan en op - want de Vader en Ik zijn één.
Dit symbolische gebeuren heb Ik in Jezus van Nazareth onder de Mijnen voltrokken, om hen uit te leggen, dat het leven, de Geest Gods, als substantie en kracht in alle vormen van het leven aanwezig is, zowel in het voedsel als in de drank. Want Ik ging heen voor alle zielen en mensen, opdat zij de verrijzenis mogen verwerven. Jullie behoren tijdens de maaltijd slechts Mij indachtig te zijn en bij alles, wat jullie volbrengen. Want wat jullie waarlijk in Mijn naam doen, is welgedaan.

Veel mensen zullen tijdens de machtige tijdsomwenteling verbloeden, omdat zij Mij niet aan- en opgenomen hebben en daarom in hun zonden blijven. De mens echter, die naar God streeft, zal met Mij de maaltijd gebruiken. Vraagt dus om de zegen van God voor julllie maaltijd en denkt bij het eten aan de kracht en de liefde van God, dan denken jullie ook aan jullie Verlosser, de Christus Gods, die in de Vader is.

10. En Hij hief de offergaven ten hemel en sprak: »De mensenzoon wordt verheven van de aarde, en Ik zal alle mensen tot Mij trekken. Dan zullen allen weten, dat Ik door God gezonden Ben.«
11. En toen dit was geschied, sprak Jezus deze woorden en verhief Zijn ogen ten hemel: »Abba, het uur is daar, verheerlijk Jouw zoon, opdat Jouw zoon in Jou verheerlijkt worde.
12. Ja, Jij hebt Mij verheerlijkt, Jij hebt Mijn hart met vuur vervuld, Jij hebt licht geplaatst aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerzijde, opdat geen deel van Mij zonder licht zou zijn. Jouw liefde schijnt aan mijn rechterhand en Jouw wijsheid aan Mijn linker. Jouw liefde, Jouw wijsheid en Jouw macht zijn in Mij openbaar.
13. Ik heb Jou verheerlijkt op aarde, Ik heb het werk voleindigd, dat Jij Mij te doen gegeven hebt. Heilige Ene, behoud door Jouw naam de twaalf en hun gezellen, die Jij Mij hebt gegeven, opdat zij één worden, zoals Wij één zijn. Terwijl Ik met hen in de wereld was, leidde Ik hen in Jouw naam, en niemand is verloren; want wie van ons is weggegaan, was niet de onze, maar Ik bid voor hem, dat hij gered moge worden. Vader vergeef hem, want hij weet niet, wat hij doet.
14. En nu kom Ik tot Jou, en dit spreek Ik tot de wereld, opdat mijn vreugde zich moge vervullen in hen. Ik geef hen Jouw woord, en de wereld haat hen; want zij zijn niet van deze wereld, zoals Ik niet van de wereld Ben.
15. Ik vraag niet, dat Jij hen van deze wereld wegneemt, maar dat Jij hen tegen het kwade behoedt, zolang zij in de wereld zijn. Zij zijn niet van deze wereld, zoals Ik niet van de wereld Ben. Zegen hen door Jouw waarheid. Jouw woord is waarheid. Zoals Jij Mij in de wereld hebt gezonden, zo zend Ik hen in de wereld, en om hunnentwille heilig Ik Mij, opdat ook zij geheiligd worden door de waarheid.
16. Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die erbij komen, en voor de tweeënzeventig, die Ik ook uitzond, en voor allen, die in de waarheid zullen geloven door Jouw woord, opdat ook zij één worden zoals Jij, Allerheiligste, bent in Mij en Ik in Jou, opdat zij ook één worden in Jou en opdat de wereld moge herkennen, dat Jij Mij hebt gezonden.
17. Heilige Vader, Ik wil ook, dat allen, die Jij Mij hebt gegeven, ja allen, die leven, met Mij zijn, waar Ik Ben, opdat zij mogen deelhebben aan de heerlijkheid, die Jij Mij geeft, omdat Jij Mij liefhebt in allen en allen in Mij, voordat de wereld geschapen werd.
18. De wereld heeft Jou niet herkend in Jouw gerechtigheid, Ik echter herken Jou, en zij weten, dat Jij Mij hebt gezonden.
19. En Ik heb hen Jouw naam verkondigd, opdat de liefde, waarmee Jij Mij hebt liefgehad, in hen zij en dat zij van hen doorstrome naar al Jouw schepselen, ja, naar allen.« En toen Hij deze woorden had gesproken, verhieven allen hun stemmen met Hem en baden, zoals Hij hen had geleerd: (Hoofdst. 76, 10-19)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Dit inhoudelijk weergegeven gebed werd niet slechts gesproken voor Mijn apostelen en discipelen, het gold en geldt voor alle mensen, voor al het Zijn.
Zij, die steeds meer Gods wil vervullen, zullen het woord Gods, dat hen vervult, in de wereld dragen. Dit geschiedt momenteel en in de toekomst, tot Ik in de Geest wederkeer.
In de goddelijke tijd, in het rijk Gods op aarde, is het leven van de mensen een geleefd gebed, een leven, dat de eeuwige wet is. Want de liefde tot God en voor de naaste is de vervulling van de wet.
Wie onbaatzuchtig liefheeft, zal Ik, Christus, verheffen, zoals de eeuwige Vader Mij verheven heeft. Tegelijkertijd zal Ik hem tot Mij, zijn broeder trekken, en wij zullen in God leven als kinderen van God.
Ik heb het werk van de verlossing in de wereld gebracht - in alle zielen en mensen. De verlossing is in die zielen en mensen afgesloten, die de voleinding, dus de reinheid hebben bereikt. Zij zijn weer één geworden met de eeuwige Vader en hebben het broederschap in Mij verworven. Zij staan met Mij in de broederschap - en in de Vader-Moeder-God in het zoon- en dochterschap.
Laat je naaste nooit uit je hart, zelfs niet wanneer hij je heeft verraden en overgeleverd, zoals Judas met Mij deed. Houd hem in je hart, ook al is hij momenteel niet met, maar tegen je. Hij is en blijft je naaste. Zo staat het in de hemel, in de eeuwige wet, geschreven.
Neem het gebod van de liefde en vervul het: heb je Vader van ganser harte lief, met al je krachten, heb Hem lief in ieder gevoel, in elke gedachte, in ieder woord en in elke handeling - en heb je naaste lief, zoals je jezelf liefhebt. En wanneer in je voelen, denken, spreken en doen de liefde tot God overheerst, zul je jezelf ook als kind van God achten en ook je naasten, die eveneens kinderen zijn van de eeuwige Vader en die God, onze Vader, net zo liefheeft als Hij jou liefheeft. Want in God, jouw en Mijn Vader, zijn allen Zijn kinderen. Hij heeft allen in dezelfde mate lief - zonder onderscheid. En als je dit erkent en aanneemt, zul ook jij geen onderscheid maken.
De liefde tot God omvat ook het vergeven. Wie in de Vader leeft, bezit de innerlijke grootheid, die vergeeft, zonder haatdragend te zijn.
Wie het woord Gods vervult, is het ook gegeven, aan de wereld het woord Gods te verkondigen en te onderwijzen. Wie echter het woord Gods niet zelf heeft verwezenlijkt, kan beter zwijgen. Want wie slechts over het woord Gods spreekt, belast zijn ziel. Hij zondigt tegen het heilige woord, tegen God. Wie Gods woord slechts predikt en onderricht, zonder het verwezenlijkt te hebben, diens woorden gaan niet in het hart van de naasten; zij worden voor hem, die ze uitzendt, tot een boemerang. Wie dus het woord Gods slechts predikt en onderricht, zonder dat hij het verwezenlijkt heeft, kan het ook niet vervullen met kracht en macht, omdat hij zelf krachteloos is.
Wie Mijn woord vervult met leven en kracht door zijn eigen verwezenlijking en dit in de wereld onderwijst, zal door de mensen van deze wereld vaak niet worden begrepen - en zal door velen omwille van het evangelie worden gehaat.
Wie het woord Gods vervult, is niet van deze wereld, zoals ook Ik als Jezus van Nazareth niet van deze wereld was. Wie het woord Gods vervult, is een levende bron en een stroom van innerlijk heil, die stroomt naar alle schepselen en die alles doorstroomt; want God is alles-doorstromende kracht. Wie dus in God leeft, verspreidt, wat God hem schenkt: liefde, wijsheid en kracht, de stroom voor allen en alles.

20. »Onze Vader, Jij die boven ons en in ons bent, geheiligd worde Jouw naam in drieëenheid. Jouw rijk kome tot allen in wijsheid, liefde en gerechtigheid. Jouw heilige wil geschiede voor altijd zoals in de hemel, ook op aarde. Geef ons dagelijks aandeel aan Jouw heilige brood en de vrucht van Jouw levende wijnstok. Zoals Jij onze schuld vergeeft, zo mogen wij anderen vergeven, die zondigen tegen ons. Terwijl wij trachten, anderen tot de voleinding te leiden, voleindige Jij ons in Jouw Christus. Schenk ons Jouw goedheid, opdat wij voor anderen hetzelfde kunnen doen. In het uur van de bekoring bevrijd ons van het kwade.
Want van Jou is het rijk, de kracht en de heerlijkheid: in het begin, nu en voor altijd. Amen.« (Hoofdst. 76, 20-21)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Sinds Mijn werken als Jezus van Nazareth zijn tijdperken verstreken. Generaties kwamen en gingen. De mensen baden te allen tijde. De inhoud van veel van hun gebeden waren dezelfde, maar zij werden overeenkomstig de betreffende generatie met andere woorden gesproken. Daarom zou de mens aan het aardse woord geen al te grote betekenis moeten hechten, omdat het van tijdperk tot tijdperk, van generatie tot generatie een andere betekenis heeft gekregen en kan krijgen. Streeft er dus naar, de zin te begrijpen en ook de juiste betekenis erin te leggen.
Ik gaf de mensen via het innerlijke woord door de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid [1986] het gebed van de eenheid als een dank- en liefdegebed tot God. Het kan worden gebeden naar de betekenis. Het verwijst ook naar het naderen van het rijk Gods op aarde en naar Mijn geestelijke wederkomst. Het werd het gebed van de Christusvrienden:

Onze Vader, Jij die in de hemel bent,
geheiligd is Jouw naam.
Ons rijk komt, Jouw wil geschiedt
zoals in de hemel, zo op aarde.
Ons dagelijkse brood geef Jij ons heden
en vergeeft ons onze schuld,
en wij vergeven onze schuldenaren;
Jij leidt ons in de bekoring
en verlost ons van het kwade.
Want van ons is het rijk en de kracht
en de heerlijkheid
van eeuwigheid tot eeuwigheid.

22. Toen nam onze Meester het heilige brood en brak het en evenzo de vrucht van de wijnstok en mengde haar en zegende beide. En Hij liet een stukje van het brood in de kelk vallen en zegende de heilige vereniging. (Hoofdst. 76, 22)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »en Hij liet een stukje van het brood in de kelk vallen en zegende de heilige vereniging« tonen aan, dat de schrijver beïnvloed was door het denken in ceremoniën.
Erkent: alles is één in God. Niets kan zonder het andere bestaan, omdat God in alles de substantie en de kracht is. Daaruit ontstaat de vereniging met het leven. Zo zijn ook het brood en de wijn in God en komen van God voor de mensen en kunnen niet worden gescheiden. De aarde is de voedster, de moeder van alle mensen, die van haar ontvangen door de Geest Gods. Hij doorstroomt de aarde en de mens en schenkt leven aan al het Zijn op aarde.

23. En daarna gaf Hij het brood, dat Hij gezegend had, aan Zijn discipelen en sprak: »Eet, want dit is Mijn lichaam, het lichaam van Christus, dat voor jullie gegeven werd ter verlossing van lichaam en ziel.«
24. Op dezelfde wijze gaf Hij hen de vrucht van de wijnstok, die Hij gezegend had, en sprak tot hen: »Drinkt, want dit is Mijn bloed, het bloed van Christus, dat vergoten wordt voor jullie en velen ter verlossing van ziel en lichaam.«
25. En toen allen hadden deelgenomen, sprak Hij tot hen: »Telkens wanneer jullie verzameld zijn in Mijn naam, houdt dit offer te Mijner gedachtenis, bereidt het brood van het eeuwige leven en de wijn van de eeuwige verlossing en eet en drinkt ervan met een rein hart, en jullie zullen de substantie en het leven van God, die in Mij woont, ontvangen.« (Hoofdst. 76, 23-25)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Brood en wijn dienden slechts als symbool voor de overgave van Mijn lichaam en Mijn bloed. Jullie dienen daarvan echter geen ceremonie te maken, maar Mij altijd te gedenken in al jullie gevoelens, gedachten, woorden en handelingen.
Ook wanneer jullie de gaven des levens tot jullie nemen, die jullie door God gegeven werden uit de schoot van moeder aarde, gedenkt de Eeuwige in dank en gedenkt ook Mijn verlossersdaad. En wanneer jullie dit met een oprecht hart doen, zal niet slechts jullie aardse lichaam de geestelijke substantie, het geestelijke leven ontvangen, maar ook jullie ziel. Want in alles, wat de natuur de mensen schenkt, is het leven, God, de geestelijke substantie, de kracht.

26. En toen zij een lofzang hadden gezongen, stond Jezus op temidden van Zijn apostelen, en zij schreden om Hem heen, die hun middelpunt was, zoals in een plechtige dans, en verheugden zich in Hem. En daarna ging Hij naar buiten op de olijfberg, en Zijn discipelen volgden Hem.
27. Nu was Judas Iskarioth het huis van Kaïphas binnengegaan en zei tot hem: »Zie, Hij heeft het Paschamaal gevierd binnen de poorten, met matses inplaats van het lam. Ik echter had een lam gekocht; maar Hij verbood, dat het gedood zou worden. Zie, de man, van wie ik het kocht, is getuige.«
28. En Kaïphas verscheurde zijn kleren en zei: »Waarlijk, dit is geen Paschafeest volgens de wet van Mozes. Hij heeft een daad begaan, die de dood verdient; want het is een zware overtreding van de wet. Waarvoor hebben wij nog meer getuigen nodig? Ja, zoëven zijn twee rovers ingebroken in de tempel en hebben het wetboek gestolen, dat is het resultaat van Zijn leer. Laat ons de mensen, die Hem volgen, zeggen, wat Hij gedaan heeft; want zij vrezen de macht van de wet.« (Hoofdst. 76, 26-28)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »... en zij schreden om Hem heen, die hun middelpunt was, als in een plechtige dans ...« willen zeggen: Mijn apostelen en discipelen kwamen dicht bij Mij en bewogen zich om Mij heen, omdat Ik voor hen op dit moment het middelpunt was, want zij voelden de smart van Mijn hart - en kregen angst om hun eigen aardse leven.
Mozes moest aan de Israëlieten enige concessies doen, omdat zij, zoals alle wezens en mensen, van God de vrije wil hadden en hebben, om de wetten van het leven in acht te nemen of ze te veronachtzamen. Ondanks de vermaningen en aanwijzingen van Mozes, dat hun denken en handelen niet overeenkwam met de wil van God, bleven vele Israëlieten in de zonde. Velen hielden zich niet aan de wetten van God of slechts ten dele. Ook daarom brachten zij vele jaren door in de woestijn, omdat hun zeden niet overeen kwamen met Gods wil en het leven van velen op een woestijn leek. Het denken en leven van veel Israëlieten draaide steeds weer rond het gouden kalf. Hun verdorven, egoïstische gedrag en hun halsstarrige verzet tegen het vervullen van Gods wetten brachten zij gedeeltelijk mee naar het Beloofde Land en maakten de concessies van Mozes tot hun wetten - in de mening, dat zij deze zo van God door Mozes hadden ontvangen. Wie tegen hun gebruiken in de tempel en tegen hun onwetmatige zeden was - waarvan beweerd werd, dat God ze door Mozes had geopenbaard -, was een vijand van hetgeen zij voor juist en rechtvaardig hielden.
In de huidige tijd is het net zo [1989]. Wie het gedrag van vertegenwoordigers van de institutionele kerken aan de kaak stelt, wordt door hen onchristelijk genoemd. Wie niet in de dogma’s en ceremoniën gelooft - zoals de Israëlieten geloofden aan hun gebruiken en zeden -, wordt gehoond, bespot en gehaat. Vele vertegenwoordigers van de kerkelijke instituties misbruiken Mijn woord - zoals ook de Israëlieten het woord Gods door Mozes en de concessies van Mozes hebben misbruikt.
Het was te allen tijde zo: wie niet aan de kant van de heersende opinies en meningen van de mensen staat, dus niet zo denkt en gelooft als zij, is in hun ogen een verrader. Te allen tijde hitste de overheid het volk op tegen rechtvaardige mannen en vrouwen.

29. En iemand, die erbij stond, toen Judas naar buiten ging, vroeg hem: »Denk je, dat zij Hem zullen doden?«
30. En Judas zei: »Neen, want Hij zal een wonder doen, om zich uit hun handen te bevrijden. Toen zij in de synagoge te Kapharnaüm tegen Hem opstonden en Hem op de top van de berg brachten om Hem eraf te stoten, is Hij toen niet ongedeerd tussen hen doorgegaan? Zo zal Hij zeker opnieuw aan hen ontsnappen en een openlijke verklaring afleggen en het rijk oprichten, waarvan Hij heeft gesproken.« (Hoofdst. 76, 29-30)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het verraad aan Mij wilde Judas op oneerlijke wijze zilverlingen verwerven.
Mensen, weest waakzaam, opdat het jullie niet net zo vergaat als Judas. Want in de bijna 2000 jaren waren er steeds weer Judassen, die hun Heer voor enkele zilverlingen hebben verraden.
Het verraad aan de Christus Gods is ook in de huidige tijd [1989] openbaar voor diegenen, die moeite doen, om de wet van God te vervullen: veel van de huidige schriftgeleerden, farizeeërs en gezagsdragers in kerk, politiek en economie gebruiken Mijn naam voor hun persoonlijke doeleinden en voordeel. Dat is misbruik van de heilige naam en dus zonde tegen de Heilige Geest.
Judas was van mening, dat Ik Mij zou onttrekken aan de gevangenneming, zoals Ik eerder in vele situaties had gedaan. Steeds wilden degenen, die tegen Mij waren, Mij boeien of stenigen of van muren naar beneden storten - maar Ik ging steeds als onzichtbaar, beschermd door de eeuwige kracht, tussen hen door en ging Mijns weegs.
Maar nu moest geschieden, wat toen is geschied. Zij, die tegen Mij waren, konden Mij gevangennemen en Mij overleveren aan de hogepriester en laten kruisigen.
Veel mensen stelden en stellen steeds weer de vraag: waarom is Jezus zo vaak ontkomen aan zijn achtervolgers en waarom niet in deze nacht? Van hetgeen toen gebeurd is, wil Ik nu [1989] slechts de essentiële aspecten uitleggen, want het gaat om de verlossing, die Ik alle zielen en mensen heb gebracht:
De deelkracht van de Oerkracht, een deel van Mijn geestelijke, alomtegenwoordige erfdeel, werd ingelost, omdat het gehele joodse volk Mij niet had aangenomen en Mijn leer, de wet van het leven, niet had opgenomen en dus niet had vervuld.
Ik nam een deel van de schuld van het geslacht David op Mij en een deel van de schuld van enkelen uit andere geslachten. Met deze energetische krachten uit de wet van zaad en oogst omhulde Ik kort voor de gevangenneming Mijn reine geestlichaam. Deze omhulling maakte Mij voor de duisternis zichtbaar en grijpbaar.

Erkent: het geslacht David is de incarnatiebrug voor die geestwezens, die zich hebben ingeschakeld in Gods plan voor de aarde en die rechtstreeks uit het centrum van het eeuwige Zijn kwamen en komen, om met Mij alles terug te leiden, wat verloren leek.
Sinds David kwamen zij steeds terug, om voor Mij de wegen te bereiden en de uitvoering van het verlossersplan, het heilsplan, voor te bereiden. Het was voorzien, dat deze geestwezens uit het geslacht David in het aardse gewaad vooral zelf de wetten zouden vervullen. Daarmee moesten zij de joden de wetten van het leven bijbrengen en voor hen goede voorbeelden zijn, opdat ook dezen de wetten zouden vervullen, om Mij, Christus, te kunnen herkennen, als Ik in Jezus tot hen kom.
Vele geestwezens in het aardse gewaad raakten echter als mensen van incarnatie tot incarnatie steeds meer verstrikt, dat wil zeggen, zij zondigden en belastten hun zielen, zodat zij vanwege hun zonde niet meer voelden, waarvoor zij waren uitgegaan. Dientengevolge konden ook de geïncarneerde geestwezens uit andere geslachten, die voor Gods plan hadden moeten werken, geen houvast vinden in de mensen uit het geslacht David.
In de loop van Mijn werken als Jezus van Nazareth moest Ik erkennen, dat de geestwezens - als mensen joden uit het geslacht David - zich niet tot Mij bekenden, omdat hun geestlichamen te zeer overschaduwd waren, zich dus in de wet van zaad en oogst hadden verstrikt. Bovendien moest Ik erkennen, dat de joden van de wetten van het innerlijke leven weliswaar spraken, zich er echter niet aan hielden en zelfs hun naasten ermee onderdrukten. Zoals ook de mensen uit het geslacht David waren zij verblind door de zonde.
Ik wist, dat Ik moest lijden omwille van het werk van de verlossing. Ik wist - en het werd Mij ook bij de verheffing, de verheerlijking, geopenbaard, toen cherubijnen Mij in het geestelijk gewaad verschenen -, dat de geestwezens - in het aardse gewaad als mensen uit het geslacht David en uit andere geslachten - met Mij het gehele goddelijke plan, de verlossing en het stichten en de opbouw van het rijk Gods op aarde, ten uitvoer moesten brengen. Ik wist, dat het geslacht David hiervoor op de eerste plaats stond.
Opdat zonen en dochters van God weer via de stam David ter incarnatie konden en ook in de toekomst kunnen gaan, om vervolgens ook op aarde voor het plan Gods werkzaam te zijn, omhulde Ik Mij vooral met een deel van de schuld van het geslacht David, dat wil zeggen, met de schuld van die zielen, die in het plan Gods stonden en die zich in vorige incarnaties zodanig hadden belast, dat zij gedurende vele incarnaties niet meer voor het plan Gods hadden kunnen werken. Door de omhulling van Mijn geestelijke lichaam met een deel van deze schuld werd Ik voor de duisternis zichtbaar en grijpbaar. Daarom konden zij Mij gevangennemen.
Wat toen volgde, het verhoor, de geseling, de kruisweg, waarop Ik steeds weer neerviel, tot aan de kruisiging, droeg Ik voor het geslacht David - en ook voor alle joden en uiteindelijk voor alle mensen van alle voorbije, tegenwoordige en toekomstige generaties, totdat het vredesrijk de aarde zal omsluiten.
Als het geslacht David vol licht was geweest en als de joden vanaf de tijd van Mozes Gods wetten hadden opgevolgd, hadden zij samen met de zonen en dochters uit het geslacht David de alomvattende wetten geleefd. De daad van Golgotha voor de verlossing was niet nodig geweest, omdat dan het toenmalige Israël en het toenmalige Jeruzalem het ware Israël en het ware Jeruzalem waren geweest - het rijk Gods, dat toentertijd over de hele aarde had kunnen werken.
Reeds vóór Mijn tijd op aarde werden door de Geest van Mijn Vader op aarde steeds weer mogelijkheden geschapen voor het oprichten van het rijk Gods. Maar de mensen vervielen steeds meer in zonde.
Had het geslacht David stand gehouden, dan was de kruisiging niet nodig geweest. Als het joodse volk het ware Godsvolk was geweest, was het gehele verlossingsplan anders verlopen, en had Ik een deel van Mijn erfdeel, de deelkracht uit de Oerkracht, niet weg hoeven te geven. Maar nu is het volbracht, en is voor alle zielen en mensen de weg vrij naar het hart van God.
Nu beginnen het geslacht David en mensen uit andere geslachten steeds meer hun opdracht in het verlosserswerk te vervullen, opdat het rijk Gods op aarde kan komen. Het is volbracht. Daarom noem Ik het kruis ook het Christus-David-kruis.





HOOFDSTUK 77

Het lijden in de tuin van Gethsémané

De slapende discipelen in de tuin van Gethsémané -
Wie alleen geestelijk weten verzamelt, het echter niet omzet, kan een situatie niet begrijpen en verslaapt de nood van zijn naaste -
Gods wil en plan worden vervuld (1-3)

1. Toen zij naar de olijfberg gingen, sprak Jezus tot hen: »In deze nacht zal Ik voor jullie allen een ergernis zijn; want er staat geschreven: ,Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen worden verstrooid’. Wanneer Ik echter verrezen zal zijn, wil Ik jullie voorgaan naar Galilea.«
2. Simon antwoordde en sprak tot Hem: »Ook al zouden allen zich over Jou ergeren, wil ik mij toch in geen geval ergeren.« En Jezus sprak tot hem: »Simon, Simon, zie, satan wilde jou bezitten, opdat hij jou zou ziften als tarwe. Maar Ik heb voor jou gebeden, dat je geloof niet verzwakt. En als je gesterkt bent, sterk dan je broeders.«
3. En hij sprak tot Hem: »Heer, ik ben bereid, met Jou te gaan, in de gevangenis en ook in de dood.« En Jezus sprak: »Ik zeg je, Simon, de haan zal in deze nacht niet kraaien, voordat jij driemaal geloochend hebt, dat je Mij kent.«
4. Nadat ze de beek Kedron hadden overschreden, kwam Jezus met hen in de tuin van Gethsémané. En Hij sprak tot Zijn discipelen: »Gaan jullie hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.« (Judas, die Hem verried, kende deze plaats ook; want Jezus vertoefde daar vaak met Zijn discipelen.)
5. Toen sprak Hij tot hen: »Mijn ziel is nu bedroefd tot aan de dood; blijft hier en waakt met Mij.«
6. En Hij ging wat verder, viel op Zijn aangezicht en bad en sprak: »O, Mijn Vader, als het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan; doch niet zoals Ik wil, maar zoals Jij wilt.«
7. En er verscheen een engel uit de hemel aan Hem en sterkte Hem. En Hij ging naar Zijn discipelen en toen Hij hen slapend vond, sprak Hij tot Petrus: »Konden jullie dan niet één uur met Mij waken?
8. Waakt en bidt, opdat jullie niet in verleiding komen: de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.«
9. Voor de tweede keer ging Hij weg en bad: »O, Mijn Vader, als het niet mogelijk is, als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, zo geschiede Jouw wil.«
10. En in diepe nood bad Hij nog inniger. En Zijn zweet viel als grote bloeddruppels op de aarde.
11. En Hij kwam weer terug en vond hen slapend; want hun ogen waren zwaar.
12. En Hij verliet hen en ging weer heen en bad voor de derde keer en sprak: »O, Mijn Vader, niet Mijn wil geschiede, maar de Jouwe, op aarde zoals in de hemel.«
13. Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en sprak tot hen: »Slaapt en rust maar, ziet, het uur is nabij, dat de mensenzoon in de handen van de zondaars wordt overgeleverd. Staat op, laat ons gaan: ziet, hij is er, die Mij verraadt.« (Hoofdst. 77, 1-13)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De apostelen en discipelen, die met Mij in de tuin van Gethsémané waren, vielen steeds weer in slaap. Dat toont aan, dat hun zielen nog niet waakzaam genoeg waren, om de draagwijdte van het gebeuren te kunnen begrijpen, dat nu op Mij toekwam.
Veel van Mijn apostelen en discipelen konden Mij en Mijn leer, de wet des levens, niet in hun diepgang begrijpen. Omdat ze te vaak met zichzelf bezig waren, konden ze het grote geheel niet bevatten en kregen ook geen dieper inzicht. Steeds weer moest Ik hen vermanen, over de wet, God, die Ik hen leerde en voorleefde, niet slechts te spreken, maar deze in het dagelijkse leven te vervullen. Maar ook zij - zoals veel mensen in alle generaties - vergaarden en vergaren slechts geestelijk weten. Enkele van Mijn apostelen en discipelen overkwam steeds weer de trots, omdat ze aan Mijn zijde gingen en dit verleidde hen tot zelfoverschatting.
Mijn herhaaldelijke vermaningen vielen bij menigeen op onvruchtbare bodem; want zij zaaiden steeds weer op het vlees, inplaats van op de Geest, God. Omdat zij bij Mij waren of zich steeds weer om Mij schaarden, om over de eeuwige waarheid te horen, vergaarden zij geestelijke kennis en konden zo op vele vragen een antwoord geven. Zo meenden zij, dat alleen het weten over de wetten van God zou volstaan, om de ziel met leven en kracht te vullen. Zij verwisselden kennis met wijsheid en dit trok zo menigeen in de draaikolk van de zelfoverschatting.
Ook in de tuin van Gethsémané wilde Ik hen uitleggen, wat het betekent, in zo een beslissende situatie te slapen. Daarom wekte Ik hen en maakte hen duidelijk, dat ze nauwelijks in staat waren, de situatie van hun naaste te begrijpen. Hun fysieke ogen waren zwaar, omdat hun geestelijke ogen niet zagen, wat zich aankondigde. Zo stonden zij onverschillig tegenover het zwaarwegende gebeuren, dat voor Mij lag - ofschoon Ik herhaaldelijk over het bewuste uur had gesproken, waarin Ik zichtbaar en aangrijpbaar zou worden voor de duisternis.

Erkent: geestelijk weten wekt de ziel niet tot Innerlijk Leven en maakt haar ook niet waakzaam en bewust voor de dingen en gebeurtenissen, die vóór haar en haar naasten liggen.
De mens, die met zichzelf bezig is, slaapt over het leed van zijn naaste in, omdat de ziel nog zwak is, dat wil zeggen te weinig geestelijke kracht heeft, omdat het de mens ontbreekt aan verwezenlijking. De egoïstische mens verslaapt ook de impulsen, die hem dag voor dag worden gegeven, omdat hij alleen op het vlees zaait en niet op de Geest, God. Daardoor herkent hij zichzelf niet en staat ook onverschillig tegenover de nood van zijn naaste.
Als Mijn apostelen en discipelen Mij bewust in zich hadden gedragen, dat wil zeggen, in hun hart hadden opgenomen door de verwezenlijking van de eeuwige wetten, zouden ze niet zijn ingeslapen en het komende gebeuren zou hen dan bewust zijn geworden, want Ik heb het hen steeds weer in gelijkenissen geopenbaard.
Pas na Mijn lichamelijke dood kwam in velen het grote ontwaken en menigeen werd een trouwe navolger en begon te vervullen, wat Ik hem als Jezus van Nazareth had geboden. Maar zolang ze aan Mijn zijde gingen, begrepen velen niet wat Ik tot hen sprak en wie Ik was en Ben.
De wil van de Vader, die ook in Jezus Mijn wil was en als Christus Mijn wil is, werd vervuld. Ik volbracht, wat moest geschieden, omdat de wet, God, als gevolg van de zonden van zonen en dochters uit het geslacht David, uit andere geslachten en van de joden, niet werd aangenomen. Omdat zij het rijk Gods op aarde niet met Mij hebben opgericht, moest het kruis worden opgericht. Door het ,volbracht’ zal, ondanks alle tegenstand, Mijn rijk, het rijk van de vrede, worden opgericht.
Zo is het in Gods plan. De wil Gods vervult zich. God is grenzenloos, zonder tijd en ruimte. Al vervulde Zijn wil zich niet in de tijd, waarin Ik als Jezus van Nazareth over de aarde ging, zal hij zich toch in latere tijd vervullen. Het licht, God, is de Alkracht. De Alkracht is de overwinnaar van de duisternis.
God kijkt niet naar de tijd van de mens. Wat voor de mens vandaag of morgen is, is voor God het heden. God laat elke ziel en ieder mens de vrije wil. Als Zijn plan niet vervuld wordt op de weg der bevrijding door de vervulling van Gods wetten - dán door de verlossing. Zij is aan mensen en zielen gegeven als steun en hulp en staat hen bij, opdat zij de bevrijding verwerven uit het knechtschap van de zonde.





HOOFDSTUK 78

Het verraad van Judas - De verloochening van Petrus

De gevangenname: de duisternis kreeg macht, om Jezus te grijpen - Wie het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen - De kraaiende haan, de stem van het geweten (1-8)

1. Terwijl Hij nog sprak, zie, daar kwam een schare en Judas, genaamd Iskarioth, ging voor hen uit. Want Judas had van de hogepriesters en Farizeeën een schare soldaten en hoofdmannen gekregen. Ze waren met lantaarns, fakkels en wapens hierheen gekomen.
2. Jezus echter wist alles, wat met Hem zou gebeuren. Hij trad naar voren en sprak tot hen: »Wie zoeken jullie?« Zij antwoordden Hem: »Jezus van Nazareth.« Jezus sprak tot hen: »Ik Ben het.«
3. Zodra Hij tot hen gezegd had ,Ik Ben het’ weken zij terug en vielen op de grond. Toen zij waren opgestaan, vroeg Hij hen nogmaals: »Wie zoeken jullie?« En zij zeiden: »Jezus van Nazareth.« Jezus antwoordde: »Ik Ben het.« En toen zij dit hoorden, weken zij weer terug en vielen op de grond. En toen zij waren opgestaan, vroeg Hij weer: »Wie zoeken jullie?« En zij zeiden: »Jezus van Nazareth.« En Jezus antwoordde: »Ik heb het jullie gezegd, Ik Ben het. Zoeken jullie Mij, laat dezen dan gaan.«
4. Nu gaf de verrader hen een teken en sprak: »Die ik zal kussen, die is het, grijpt Hem.«
5. En Hij ging naar Jezus en sprak: »Wees gegroet, meester« en hij kuste Hem. En Jezus sprak tot hem: »Vriend, waarom ben je gekomen? Verraad je de mensenzoon met een kus?«
6. Toen sprak Jezus tot de hogepriesters en de oversten van de tempel en de oudsten, die meegekomen waren: »Jullie zijn uitgegaan als naar een dief, met zwaarden en stokken. Toen Ik dagelijks bij jullie in de tempel was, hebben jullie de handen niet naar Mij uitgestoken; maar nu is het jullie uur en de macht van de duisternis.«
7. Toen kwamen zij naderbij en legden de hand aan Hem. En Simon Petrus strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof een knecht van de hogepriester en sloeg hem een oor af.
8. Toen sprak Jezus tot hem: »Steek je zwaard weer op zijn plaats; zij die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.« En Jezus raakte zijn oor aan en genas hem.
9. En tot Petrus sprak Hij: »Denk jij, dat Ik nu niet Mijn Vader zou kunnen vragen, dat Hij Mij onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen toestuurt? Maar hoe zal dan de schrift worden vervuld, waarnaar dit moet geschieden?«
10. Toen verlieten Hem alle discipelen en vluchtten. Zij echter, die Jezus hadden gegrepen, leidden Hem weg naar Kaïphas, de hogepriester. Maar eerst brachten zij Hem naar Hannas, de schoonvader van Kaïphas, die de hogepriester was van dat jaar.
11. Nu was het echter Kaïphas, die de joden de raad gaf, dat het van voordeel zou zijn, als één mens zou sterven voor de zonden van het volk.
12. De schriftgeleerden en de oudsten waren verzameld, maar Petrus, Johannes en Judas volgen hen op een afstand tot in het paleis van de hogepriester. Zij gingen naar binnen en gingen bij de knechten zitten, zodat zij konden zien, wat voor een einde het zou nemen.
13. En zij hadden in het midden van de hal een vuur aangestoken en toen zij hadden plaatsgenomen, ging Petrus bij hen zitten en verwarmde zich.
14. Maar een maagd zag hem toen hij bij het vuur zat, bekeek hem nauwkeurig en zei: »Deze man was ook bij Hem.« Maar hij verloochende Hem en zei: »Vrouw, ik ken Hem niet.«
15. En na een poosje zag een ander hem en zei: »Jij bent ook één van hen.« En Simon Petrus zei: »Man, ik ben het niet.«
16. En nog voordat een uur was verstreken verzekerde een ander met nadruk: »Waarachtig, die daar was bij Jezus van Nazareth. Zijn taal verraadt hem.«
17. En Simon loochende voor de derde keer met een eed en zei: »Ik ken de mens niet.« En meteen, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.
18. En de Heer draaide zich om en keek Simon aan. En Simon dacht aan het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: »Voordat de haan op deze dag kraait, zul je Mij driemaal verloochend hebben.« En Simon ging naar buiten en weende bitter. (Hoofdst. 78, 1-18)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het terugwijken van de soldaten toont aan, dat zij Mij nog niet hadden herkend. Zij weken voor Mijn licht terug. Met de kus werd Ik verraden en kon worden gevangengenomen. De kus symboliseert het verraad van het hele joodse volk en het verraad van de zonen en dochters uit het geslacht David en uit andere geslachten. Ik droeg het kruis voor alle joden en draag het voor alle zielen en mensen - want Mijn verlossersdaad werkt in alle zielen en mensen, die vastzitten aan het rad van wedergeboorte.

»Toen Ik dagelijks bij jullie in de tempel was, hebben jullie de handen niet naar Mij uitgestoken; maar nu is het jullie uur en de macht van de duisternis« betekent: de duisternis had tot nu toe geen macht over Mij, omdat Mijn geestelijke lichaam smetteloos was en is. Zij kregen pas de macht Mij te grijpen, toen Ik Mij met de schuld uit het geslacht David en uit andere geslachten had omhuld en daardoor zichtbaar werd voor de duisternis.

Mensen, denkt eraan: »Zij, die het zwaard opnemen, zullen door het zwaard omkomen« betekent: wie zich tegen zijn naaste wapent, zij het slechts door de bevestiging van het tegenstrijdige, zal door hetgeen hij bevestigd heeft, omkomen of eronder te lijden hebben. Want tot hetgeen daardoor aan tegenstrijdigs werd en wordt geschapen, heeft hij bijgedragen. Wie dit echter tijdig inziet, zijn verkeerde gedrag berouwt en weer goedmaakt, ontvangt de genade en hoeft mogelijk de gevolgen niet te dragen - of slechts een deel daarvan. Of al het zondige tot werking moet komen of slechts een deel daarvan, hangt af van het complex van de schuld.
Er staat geschreven: »Nu was het echter Kaïphas, die de joden de raad gaf, dat het van voordeel zou zijn, als een mens zou sterven voor de schuld van het volk«.
Erkent: Ik stierf voor de schuld van het volk.
Er staat geschreven: »... terwijl Hij nog sprak, kraaide de haan«.
Wat toen gebeurde, geschiedt ook nu nog: als de mens bewust handelt in strijd met de wet des levens, kraait in zijn innerlijk de haan. Het is het geweten, dat tot hem spreekt. Gezegend hij, die naar zijn geweten luistert en tijdig omkeert.





HOOFDSTUK 79






Het verhoor voor de hogepriester Kaïphas

Gedrag bij beschuldiging -
Betekenis van de woorden: »Ik kan de tempel Gods afbreken en in drie dagen weer opbouwen« (1-10)

1. De hogepriester ondervroeg Jezus toen over Zijn discipelen en Zijn leer en zei: »Hoe oud ben Je? Ben Jij degene, die zei, dat Hij onze vader Abraham in Zijn tijd gezien heeft?«
2. En Jezus antwoordde: »Waarlijk, voordat Abraham was, Ben Ik.« En de hogepriester zei: »Jij bent nog geen vijftig jaar oud, waarom zeg Je, dat Je Abraham hebt gezien? Wie ben Jij dan? Wie maak Jij uit Jezelf? Wat onderwijs Jij?«
3. En Jezus antwoordde hem: »Ik heb openlijk gesproken voor de wereld, Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar alle joden samenkomen en Ik heb niets in het geheim gezegd. Waarom ondervraag je Mij? Vraag hen, die Mij gehoord hebben, wat Ik tot hen gezegd heb; zie, zij weten, wat Ik gezegd heb.«
4. Toen Hij dat echter gezegd had, sloeg één van de hoofdmannen, die erbij stonden, Jezus met de vlakke hand in het gezicht en zei: »Antwoord Jij zo de hogepriester?« Jezus antwoordde hem: »Heb Ik slecht gesproken, bewijs dan, dat het slecht is; heb Ik echter juist gesproken, waarom sla je Mij dan?«
5. Nu zochten de hogepriesters, de oudsten en de hele raad valse getuigenissen tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden, maar zij vonden er geen. Ja, er traden veel valse getuigen op, maar zij stemden niet overeen.
6. Tenslotte kwamen twee valse getuigen. En een van hen sprak: »Die daar heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken en hem in drie dagen weer opbouwen.« En de ander sprak: »Deze man heeft gezegd: »Ik wil deze tempel afbreken en een andere opbouwen.«
7. Toen stond de hogepriester op en zei tot Hem: »Antwoord Je niets? Hoe staat het met hetgeen deze getuigen tegen Jou inbrengen?« Maar Jezus zweeg. Want het was tegen de wet van de joden, een mens ’s nachts te verhoren.
8. En zij vroegen Hem: »Ben Jij de Christus? Zeg het ons.« En Hij sprak tot hen: »Als Ik het jullie zeg, zouden jullie Mij niet geloven. En als Ik jullie eveneens zou vragen, zouden jullie Mij niet antwoorden, noch Mij laten gaan.«
9. En zij ondervroegen Hem verder en zeiden: »Loochen Jij de wetten en verbied Jij het eten van vlees, dat Mozes heeft bevolen?« En Hij antwoordde: »Zie, een grotere dan Mozes staat hier.«
10. En de hogepriester antwoordde en sprak tot Hem: »Ik bezweer Je bij de levende God, dat Je ons zegt, of Jij de Christus, de zoon Gods, bent.« Jezus sprak tot hem: »Je hebt het gezegd; maar Ik zeg jullie: spoedig zullen jullie de mensenzoon aan de rechterzijde van de kracht zien zitten en in de wolken van de hemel zien komen.« (Hoofdst. 79, 1-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De uitspraak: »Heb ik slecht gesproken, bewijs dan, dat het slecht is; heb Ik echter juist gesproken, waarom sla je Me dan« wil jullie op een wetmatig gedrag wijzen: als er iets verkeerds over jullie wordt gezegd of de hand aan jullie wordt gelegd, dienen jullie de situatie te verklaren en recht te zetten. Maar jullie mogen niet terwille van de waarheid met vuur, zwaard of laster strijden. Dat doen alleen zij, die niet in Mij leven. Ik, de Christus, weet jullie te beschermen en weet jullie te rechtvaardigen - zo niet in dit aardse leven, dan in de werelden van het hiernamaals, in de zielenrijken.

Er staat geschreven: »Nu zochten de hogepriesters, de oudsten en de hele raad valse getuigenissen tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden, maar zij vonden er geen. Ja, er traden veel valse getuigen op, maar zij stemden niet overeen«.
Erkent: Mijn geestelijk lichaam was en is smetteloos. Daarin was de schuld niet ingegraveerd, die Ik van het geslacht David en van enkelen uit andere geslachten heb overgenomen, want Ik heb ze niet begaan. De overgenomen deelschuld omhulde slechts Mijn lichaam.
Er staat geschreven: »Die daar heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en hem in drie dagen weer opbouwen«.
Erkent: wie alleen naar de materie kijkt, ziet slechts de stenen van een tempelgebouw en kent de innerlijke tempel niet, die in God verrijst. Wanneer het zilveren koord, dat de ziel met het lichaam verbindt, verbroken is, keert het geestelijke lichaam naar de Eeuwige terug, die hem heeft geschapen. Dat is dan mogelijk, als het geestelijke lichaam smetteloos is.
Er staat geschreven: »Spoedig zullen jullie de mensenzoon aan de rechterkant van de kracht zien zitten en in de wolken van de hemel zien komen«. Ja, Ik, Christus, zal komen. Ik heb Mij al op weg begeven. En Ik zal door de Mijnen en met de Mijnen het rijk Gods stichten, dat in het plan van de Eeuwige staat.

11. Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren en sprak: »Hij heeft God gelasterd; wat hebben we verder nog getuigenis nodig? Ziet, nu hebben jullie Zijn godslastering gehoord. Wat denken jullie?« Zij antwoordden en spraken: »Hij is des doods schuldig.«
12. Toen spuwden zij Hem in Zijn aangezicht en sloegen Hem met de handen en spraken: »Zeg ons, Jij, Christus, wie het is, die Je sloeg?«
13. En toen het morgen werd, hielden alle hogepriesters en de oudsten van het volk en de hele raad een beraadslaging over Jezus, om Hem te kunnen terechtstellen.
14. En zij velden hun vonnis tegen Jezus, dat Hij des doods schuldig was en dat Hij geboeid en weggevoerd zou worden en zij gaven Hem over aan Pilatus.
(Hoofdst. 79, 11-14)





HOOFDSTUK 80

Het berouw van Judas

Onrecht jegens de naaste kan noodlottig worden -
Het zondigen van ingewijden is zondigen tegen de Heilige Geest - Wie opzettelijk in strijd met het evangelie van de liefde handelt, kruisigt Christus opnieuw (1-10)

1. Toen nu Judas zag, dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw, dat hij Hem had verraden. Hij bracht de dertig zilverlingen weer naar de hogepriesters en oudsten en zei: »Ik heb gezondigd, omdat ik onschuldig bloed verraden heb.«
2. Zij zeiden: »Wat gaat ons dat aan? Kijk maar wat je ermee doet!« En hij wierp de zilverlingen in de tempel, ging heen en hing zich op.
3. De hogepriesters echter namen de zilverlingen en zeiden: »Het is niet volgens de wet, dat wij ze in de schatkamer leggen; want het is bloedgeld.«
4. En zij beraadden zich en kochten er de pottenbakkersakker van, om er vreemdelingen op te begraven. Daarom wordt deze akker tot de dag van vandaag Aceldama genoemd, dat betekent bloedakker.
5. Daarmee is vervuld, wat door de profeet Zacharias gezegd werd: »Zij hebben dertig zilverlingen gewogen als Mijn prijs. En zij namen de dertig zilverlingen, het bedrag, waarvoor Hij door de kinderen van Israël werd ingeschat en gaven ze voor de pottenbakkersakker en wierpen ze de pottenbakker in het huis van de Heer toe.«
6. Nu had Jezus tot Zijn discipelen gezegd: »Wee degene, die de inwijding ontvangt en daarna in zonde valt!
7. Want voor hen is er geen oord van boete in deze cyclus, wanneer zij begrijpen, dat zij de hemelse zoon van God en mens nogmaals hebben gekruisigd, door de Christus ook in zichzelf diepe smaad toe te voegen.
8. Want dezen zijn slechter dan dieren, die jullie onwetend tot de ondergang bestemmen; want in jullie schrift staat geschreven: wat met het dier geschiedt, geschiedt ook met de mensenkinderen.
9. Zij hebben allen een adem; zoals de een sterft, zo sterft de ander, zodat geen mens voorrang heeft op een dier; want allen gaan naar hetzelfde oord - allen komen uit het stof voort en zullen tot stof wederkeren.«
10. Dit sprak Jezus voor degenen, die nog niet wedergeboren waren, die nog niet de Geest Gods in hun zielen hadden opgenomen, de geest van de goddelijke liefde, die, nadat zij eenmaal het licht ontvingen, desondanks de zoon Gods opnieuw kruisigden en Hem in diepe smaad brachten. (Hoofdst. 80, 1-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat over Judas geschreven: »Ik heb gezondigd, omdat ik onschuldig bloed heb verraden«. Denkt daaraan, als jullie tegen je naasten zijn, hen wilt veroordelen en over hen wilt rechtspreken!
Wie zijn naaste verraadt, veroordeelt of over hem oordeelt, geeft zichzelf over aan de duisternis, die hem dan, als zij het juist acht of als het haar mogelijk is, de dood in drijft, om zijn ziel voor een langere periode voor zich te winnen.
Met de uitspraak: »Kijk maar, wat je ermee doet« dreven zij Judas de dood in. Zij gaven hem geen mogelijkheid meer om hetgeen hij gedaan had, te verklaren en weer goed te maken.
Let daarom op jullie spreken en handelen! Zeer snel kan onrecht tot onheil leiden. De oorzaak draagt de veroorzaker - echter ook degenen, die het goedkeuren, die hun voordeel daaraan hebben en het vergroten.
Erkent: in elke situatie, die Mij en Mijn leven als Jezus betrof, kunnen jullie een symboliek zien. Zo is alles, wat met Mij als Jezus gebeurde en Mij werd aangedaan, een symbool voor velen.

Er staat geschreven: »Wee degene, die de inwijding ontvangt en daarna in zonde valt«! Wie de wetten van het leven hoort en aanneemt, verplicht zich daarmee, deze te vervullen. Vervolgens ontvangt hij de inwijding, de zegening, om als bode van God die mensen, die ze willen horen, de wetten des levens te brengen.

Valt een ingewijde weer in zonde, dan zondigt hij tegen de Heilige Geest. Al naargelang de intensiteit en omvang kan hij zijn schuld vaak niet meer in één cyclus goedmaken. Want wie willens en wetens handelt in strijd met het evangelie van het leven, kruisigt Mij, de Christus, in zichzelf - en daarmee ook zichzelf.
O mensen in alle generaties, onthoudt dit goed: »Wat met het dier geschiedt, gebeurt ook met de mensenkinderen.«
Wat de mens de dieren aandoet, doet hij zichzelf aan. Want het leven, God, is in alle levensvormen; God gaf de mens niet het recht, zich boven het dier te plaatsen. Hij gaf hen het gebod, het leven lief te hebben - ongeacht, in welke vorm het zich openbaart.

De uitspraak »Dit sprak Jezus voor degenen, die nog niet wedergeboren waren« betekent: de ziel en de mens is het geboden, de wedergeboorte in de Geest Gods te bereiken. Wie daarnaar streeft, zal de Geest van de Eeuwige bewust in zich opnemen en zal ook liefde geven, die hij van God ontvangt.
Wie tegen beter weten in steeds weer zondigt, kruisigt Mij, Christus, opnieuw.





HOOFDSTUK 81

Het verhoor voor Pilatus

Zij, die in de waarheid leven, zijn rechtvaardig in denken,
spreken en handelen (8-9). De tegenstrijdige krachten trachtten de verlossersdaad te verhinderen - »Ik vind geen schuld in Hem« - Te allen tijde mag de duisternis zich meten met het licht - De macht van het schijnchristendom is aan het vergaan - De rechtvaardige leed voor de ongerechtigheid - Het kruis: teken van de verlossing
en de opstanding of van de nederlaag (10-32)

1. Toen brachten zij Jezus van Kaïphas voor de gerechtszaal naar Pontius Pilatus, de stadhouder. Het was vroeg en zij gingen niet de gerechtszaal binnen, opdat zij niet onrein zouden worden, maar het feest konden houden.
2. Daarom ging Pilatus tot hen naar buiten en zei: »Wat brengen jullie voor een klacht naar voren tegen deze man?« Zij antwoordden en zeiden tot hem: »Zou deze niet een misdadiger zijn, dan hadden wij hem niet bij je gebracht. Wij hebben een wet en volgens onze wet moet Hij sterven; want Hij wil de zeden en gebruiken afschaffen, die Mozes ons heeft bevolen, ja, Hij maakt zichzelf tot zoon Gods.«
3. Toen zei Pilatus tot hen: »Dan neemt Hem mee en berecht Hem volgens jullie wet.« Want hij wist, dat zij Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
4. Daarop zeiden de joden tot hem: »Het recht veroorlooft ons niet, dat wij iemand ter dood veroordelen.« Zo werd het woord van Jezus vervuld, die gezegd had, welke dood Hij zou sterven.
5. En zij beschuldigden Hem verder en zeiden: »Wij hebben deze mens gezien, hoe Hij het volk opruide en het verbood accijns te betalen aan de keizer en dat Hij van zichzelf zei, dat Hij Christus was, een koning.«
6. Toen ging Pilatus weer de gerechtszaal in, riep Jezus en vroeg Hem: »Ben Jij de koning der joden?« Jezus antwoordde hem: »Zeg je dat vanuit jezelf of hebben anderen je dat van Mij gezegd?«
7. Pilatus antwoordde: »Ben ik een jood? Jouw eigen volk en de hogepriesters hebben Jou aan mij overgeleverd; wat heb Je gedaan?« Jezus antwoordde: »Mijn rijk is niet van deze wereld. Als Mijn rijk van deze wereld zou zijn, zouden Mijn volgelingen ervoor strijden, dat Ik niet aan de joden zou worden overgeleverd; maar nu is Mijn rijk niet van hier.«
8. Toen vroeg Pilatus: »Dus ben Je toch een koning?« Jezus antwoordde: »Jij zegt, dat Ik een koning Ben. Ik Ben ertoe geboren en in de wereld gekomen, om te getuigen voor de waarheid. Eenieder, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.«
9. Pilatus zei tegen Hem: »Wat is waarheid?« Jezus sprak: »De waarheid komt uit de hemel.« Pilatus zei: »Dan is de waarheid niet op aarde.« Jezus sprak tot Pilatus: »Geloof het, de waarheid is op aarde onder hen, die haar aannemen en haar gehoorzamen. Diegenen zijn in de waarheid, die rechtvaardig oordelen.« (Hoofdst. 81, 1-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Waarlijk, »de waarheid komt uit de hemel«. Zij kwam door alle van God vervulde profeten en door Mij als Jezus van Nazareth op aarde - en zij komt door Mij, de Christus, en door allen, die in de waarheid leven. De waarheid maakt ziel en mens vrij. En zij, die streven naar de waarheid, kennen Mijn stem, de waarheid.
Het rijk Gods, dat Ik als Jezus van Nazareth heb verkondigd en met het joodse volk wilde oprichten, komt op de aarde. Zo staat het, zoals reeds werd geopenbaard, in het plan Gods. Zij, die in de waarheid leven, brengen de gerechtigheid Gods en heffen daarmee de veroordeling op.
Er staat geschreven: »Diegenen zijn in de waarheid, die rechtvaardig oordelen«. Het woord „oordelen” heeft in deze tijd [1989] niet meer die betekenis, die het generaties geleden had. Ziet hier in het woord „oordelen” de betekenis: rechtvaardig, trouw en oprecht zijn. Want zij, die in God leven, zullen rechtvaardig zijn in hun denken, spreken en handelen.

10. En toen hij dit gehoord had, ging hij weer naar buiten naar de joden en zei tot hen: »Ik vind geen schuld in Hem.« En toen Hij door de hogepriesters en oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij hen niet.
11. Toen zei Pilatus tot Hem: »Hoor Je niet, hoeveel ze tegen Jou naar voren brengen?«
12. En Hij antwoordde hem op geen enkele woord meer, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde. En weer zei hij tot hen: »Ik vind geen schuld in deze mens.«
13. Toen raakten zij nog meer vertoornd en riepen: »Hij ruit het volk op en onderwijst in het hele joodse land van Galilea tot hier.« Toen Pilatus echter de naam Galilea hoorde, vroeg hij, of de man een Galileeër was.
14. En toen hij vernam, dat Hij onder de jurisdictie van Herodes viel, zond hij Hem naar Herodes, die in deze tijd ook in Jeruzalem was.
15. Toen echter Herodes Jezus zag, was hij zeer blij; want hij had Hem allang graag eens willen zien; want hij had veel over Hem gehoord en hoopte, dat hij een wonder van Hem te zien zou krijgen.
16. En hij ondervroeg Hem met veel woorden; maar Hij antwoordde hem niet. De hogepriesters en schriftgeleerden stonden erbij en klaagden Hem fel aan en een menigte valse getuigen verhief zich tegen Hem en beschuldigde Hem van veel dingen, die Hij niet kende.
17. En Herodes met zijn krijgers verachtte en bespotte Hem, legde Hem een prachtig gewaad om en zond Hem terug naar Pilatus. En op diezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden; want daarvóór waren zij vijanden van elkaar.
18. En Pilatus ging weer de gerechtszaal in en vroeg Jezus: »Van waar ben Jij?« Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Toen zei Pilatus tot Hem: »Spreek Je niet met mij? Weet Je niet, dat ik de macht heb, Je te kruisigen en de macht, Je vrij te laten?«
19. Jezus antwoordde: »Je zou geen enkele macht over Mij hebben, als deze je niet van hogerhand zou zijn gegeven; daarom heeft diegene grotere zonde, die Mij aan jou heeft overgeleverd.«
20. Van toen af aan was Pilatus’ streven erop gericht, Hem los te kunnen laten; de joden echter schreeuwden en riepen: »Als je deze loslaat, dan ben je geen vriend van de keizer; want wie zichzelf tot koning maakt, spreekt tegen de keizer.«
21. En Pilatus riep de hogepriesters en de verantwoordelijken van het volk bij elkaar. Toen hij op de rechterstoel had plaatsgenomen, zond zijn vrouw iemand tot hem en liet hem zeggen: »Laat je niet in met deze rechtvaardige man; want ik heb vannacht in een droom veel om Hem geleden.«
22. En Pilatus zei tot hen: »Jullie hebben deze mens tot mij gebracht als iemand, die het volk opruit en ziet, ik heb Hem voor jullie verhoord en ik heb geen schuld in Hem gevonden wegens dingen, waarvan jullie Hem beschuldigen. Evenmin heeft Herodes, tot wie ik Hem heb gezonden, iets in Hem gevonden, wat de dood verdient.
23. Jullie hebben echter een gebruik, dat ik jullie iemand met het Paschafeest vrijlaat. Willen jullie nu, dat ik de koning der joden vrijlaat?«
24. Toen schreeuwden ze allen weer: »Niet Hem, maar Barabbas!« Barabbas echter was een rover, die wegens opruiïng in de stad en wegens een moord in de gevangenis was geworpen.
25. Pilatus echter wilde Jezus vrijlaten en hij vroeg hen nog eenmaal: »Wie van beiden willen jullie, dat ik vrijlaat? Barabbas of Jezus, die men Christus noemt?« En zij riepen: »Barabbas!«
26. Pilatus zei tot hen: »Wat moet ik dan doen met Jezus, van wie gezegd wordt, dat Hij de Christus is?« Toen riepen zij allen tot hem: »Laat Hem kruisigen!«
27. En de stadhouder vroeg: »Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan?« Maar zij schreeuwden steeds harder: »Kruisig Hem! Kruisig Hem!«
28. En Pilatus trad naar voren en zei tot hen: »Ziet, ik breng Hem weer tot jullie en zeg jullie, dat ik geen schuld in Hem vind.« Zij echter schreeuwden weer: »Kruisig Hem! Kruisig Hem!«
29. En Pilatus vroeg voor de derde keer: »Waarom?« Wat heeft Hij voor kwaad gedaan? Ik heb geen doodsschuld in Hem gevonden: Ik wil Hem inplaats daarvan laten geselen en Hem laten gaan.«
30. Zij echter schreeuwden aanhoudend met luide stem en eisten, dat Hij gekruisigd zou worden. En hun stemmen en die der hogepriesters overstemden allen.
31. Toen nu Pilatus zag, dat hij niet de overhand behield, maar er een behoorlijk tumult ontstond, nam hij water en waste zijn handen voor het volk en zei: »Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige. Ziet maar wat jullie ermee doen!«
32. Toen antwoordde het hele volk en riep: »Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!« En Pilatus gaf het bevel, dat alles zo geschiede, als zij het eisten. En hij leverde Jezus aan hen over volgens hun wil. (Hoofdst. 81, 10-32)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Pilatus sprak inhoudelijk: »Ik vind geen schuld in Hem.« Noch tegen de wet van God, noch tegen de wet van deze wereld had Ik Mij schuldig gemaakt. Mijn geïncarneerde geestwezen was smetteloos, echter omhuld door een deelschuld van het geslacht David en de schuld van enkele anderen. Dat bewoog de tegenstrijdige krachten ertoe, alle mogelijkheden te benutten en iedere actieve overeenkomst bij de hogepriesters, schriftgeleerden, oudsten en bij het volk te gebruiken, om Mijn schuld te bewijzen. Want had Ik slechts een zonde begaan, b.v. een onwetmatig woord gesproken of Mij op een of andere wijze verdedigd, dan had de verlossersdaad niet voltrokken kunnen worden.
De deelschuld van hen, die in de verlossersopdracht stonden en staan, waarmee Ik Mij omhulde en die de gevangenname mogelijk maakte, kon de verlossersdaad niet verhinderen. Ikzelf, Christus, had Mij tegen de Vader moeten bezondigen. Om dat te bereiken, zetten de tegenstrijdige krachten alles op alles. Iedere jood, die hiervoor vatbaar was, werd door de demonische krachten aangezet, om tegen Mij te spreken. De beschuldigingen waren allemaal verzonnen, om Pilatus en vooral Mij ten val te brengen.
Bij Pilatus bereikten zij het. Ook al waste hij zijn handen in onschuld, hij heeft zich toch schuldig gemaakt. Ofschoon hij overtuigd was van Mijn onschuld, leverde hij Mij, de onschuldige, over. Pilatus doorstond de proef niet, want hij gaf orders in strijd met zijn overtuiging.
Het innerlijke inzicht baat weinig, als de mens niet doet, wat hij heeft ingezien.

Te allen tijde - ook nu [1989] - ruien diegenen het volk op, die menen, de wetten van God te moeten beheren. Weliswaar prediken zij het woord Gods naar de letter, echter zonder het te verwezenlijken en te vervullen.
Wie niet leeft, wat hij verkondigt, leeft voortdurend in angst voor hetgeen hij zijn naaste leert en zelf niet vervult. Zulke mensen zijn dus bang voor hun eigen leerstelsel, omdat ze voelen, dat hetgeen niet vervuld wordt, zich tegen henzelf keert. Zo verdraaien zij nog steeds de wet Gods en passen het toe voor hun eigen voordeel.

Uit de schriftgeleerden, Farizeeën en oudsten en ook uit het joodse volk, schreeuwde het satanische. De tegenstrijdige krachten werkten in op alle joden, die zich lieten verleiden, om zich tegen Mij op te ruien en valse getuigenis te geven.
Te allen tijde wordt de tegenstrijdige krachten de mogelijkheid gegeven, zich te meten met het licht. Zo was het ook bijna tweeduizend jaar geleden. De duisternis mocht zich meten met het licht. Zij kon alle mogelijkheden inzetten om nog te verhinderen, wat reeds in de reinigingsgebieden en ook in de atmosferische laag van de aarde aangetoond was: de verlossing door Mij, de Christus Gods, die mens werd en als mens de strijd aanbond tegen de tegenstrijdige krachten, opdat zij zich met de mens Jezus konden meten - en daarmee aan de Christus Gods, de mederegent van de hemelen in het aardse gewaad.

De vervolging van Jezus en Zijn uitlevering duiden op het volgende:
Wie Mij navolgt, zal, zoals Ik als Jezus van Nazareth, vervolging lijden. Hij zal, zoals Ik, smaad en leed moeten dulden. Want zoals zij Mij als Jezus van Nazareth hebben vervolgd, hebben zij in de bijna tweeduizend jaar steeds weer die mensen vervolgd, belasterd en ook gedood, die in Mijn navolging zijn gegaan.
De vervolging van Mijn ware navolgers duurt voort tot in de tegenwoordige tijd [1989]. Het zijn altijd weer dezelfden, die Mij in de Mijnen vervolgen, want Ik Ben, ondanks het ,volbracht’ nog steeds de doorn in het oog van hen, die de demonenstaat willen handhaven en uitbreiden. In de huidige tijd [1989] zijn het opnieuw schriftgeleerden en zij, die hen horig zijn in de kerkelijke en wereldlijke overheid. Ook zij hitsen het volk met onwaarheden op tegen de navolgers van de Christus.
Maar aan alles komt een einde. Wat in de bijna tweeduizend jaren geschiedde, heeft nu zijn gevolgen en treft nu diegenen, die zich tweeduizend jaar lang zo gedroegen als in Mijn tijd als Jezus van Nazareth. Ook nu vrezen zij hun positie en hun aanzien te verliezen. Maar hun macht gaat geleidelijk ten einde - de gevolgen van hun oorzaken komen over hen heen.

De positie van de tegenstrijdige krachten wordt steeds zwakker. De toenmalige schriftgeleerden, Farizeeën en de wereldlijke en kerkelijke overheid roepen als verdrinkenden. Zij voelen, dat de vloed al onderweg is, die hen zal wegnemen. Wat gedurende tweeduizend jaar ten onrechte in Mijn naam werd opgebouwd, verdwijnt: een macht, die zich weliswaar christelijk noemde en noemt, die echter niet christelijk was en is, die op velerlei manieren Mijn naam, Christus, misbruikte en misbruikt.
De nieuwe tijd ontwaakt en zal uit het puin van het verleden verrijzen. De Mijnen zullen verwoest land weer tot bloei brengen door hun onbaatzuchtig werken. Wat nu reeds in de tijd van de omwenteling wordt opgebouwd en zich dan, na het einde van het zondigen op de aarde voleindigt, is het nieuwe Israël - in zijn midden het Nieuwe Jeruzalem, de bondsstad met haar gemeenten in het vredesrijk van Jezus Christus.

Erkent: de uitspraak »Je zou geen enkele macht over Mij hebben, als ze jou niet van hogerhand gegeven was; daarom heeft diegene grotere zonde, die Mij aan jou heeft overgeleverd« betekent: slechts over die mensen heeft de duisternis macht, die het licht van de Eeuwige hebben verduisterd en verduisterd houden. Mijn eeuwige Vader liet de gevangenname toe, omdat Ik voor het geslacht David en voor andere geslachten opkwam en voor de vele joden leed, die een koning van deze wereld wilden hebben. Het geschiedde tenslotte tevens voor alle zielen en mensen, die zich aan de wet des levens hadden bezondigd en dat nog doen: de rechtvaardige leed voor de ongerechtigheid en duldde, dat met Hem geschiedde, wat Hijzelf niet had veroorzaakt.
De krachten van de hemelen kwamen Mij niet in die mate te hulp, als het had kunnen zijn, wanneer het geslacht David en andere geslachten tengevolge van hun zonden niet hadden geslapen en het joodse volk Mij als zijn Messias en stichter van het rijk Gods op aarde had aangenomen. Ik zou hun koning zijn geweest - echter niet voor deze wereld, maar voor het rijk Gods op aarde, voor een wereld, waarin de wetten van God zouden zijn vervuld.
»Niet Hem, maar Barabbas!« wil zeggen: de blinden en de demonen houden de blinden blind. Zij kunnen slechts geestelijk blinden nog meer verblinden en ophitsen, zodat dezen blindelings schreeuwen en tekeergaan en de rechtvaardigen inplaats van de onrechtvaardigen opeisen.
Zij schreeuwden: »Kruisig Hem! Kruisig Hem!«
Slechts diegene roept: »Kruisig Hem, kruisig Hem«, die zelf nog aan het kruis van zijn zonde hangt. Wie zichzelf heeft gekruisigd door de zonde, ziet slechts door het oog van de zonde en wil al diegenen daar zien, waar hij zelf is: aan het kruis van de zonde.
Het kruis werd met het lichaam van Jezus overeind gezet, maar het lichaam werd van het kruis genomen en de verrezene heeft zich getoond en geopenbaard. Dat betekent, dat Ik, Christus, het verrezen leven in alle zielen en mensen Ben.

De ware christen ziet het kruis, dat zonder de gekruisigde is, als teken van de verlossing en als opstanding in God. Het kruis zonder corpus symboliseert ook de weg van de aarde naar de hemelen, naar het hart van God. Alleen die mens kijkt naar het kruis met de gekruisigde, die zijn ik nog niet heeft gekruisigd en zijn menselijkheden nog wil vasthouden.
De demonen schiepen het kruis met het corpus. Daarmee willen zij Mijn nederlaag symboliseren. Maar het kruis en de gekruisigde werden en zijn hun kruis en hun nederlaag.
De ware christen gedenkt Mijn opstanding, omdat hij in Mij en door Mij is verrezen. Slechts hij treurt over Mijn dood als Jezus, die nog niet in Mij, de Christus, bewust is verrezen. Wie nog niet bewust in Mij is opgestaan, wie dus nog in zonde leeft, roept steeds weer: »Kruisig Hem, kruisig Hem!« Daarom houden die mensen het kruis met het corpus in ere, die hun zonden nog in ere houden, die hun lagere ik liefhebben.
De mens, die zijn zonde en deze zondige wereld liefheeft, denkt aan de gekruisigde en niet aan de verrezene, omdat hijzelf nog niet in Mij is verrezen.

»Zijn bloed kome over ons en onze kinderen« betekent: elke oorzaak draagt reeds het gevolg in zich. Eenieder, die oorzaken schept, moet ook zelf het gevolg dragen. Wie dus zaait, zal zijn zaad oogsten - in deze incarnatie of in andere incarnaties. Zo komen steeds weer dezelfden als kinderen op deze aarde, totdat is uitgeboet hetgeen zij hebben veroorzaakt.





HOOFDSTUK 82

De kruisiging van Jezus

Jezus weerstond alle
aanvallen en werd tot Verlosser (l-2). Pilatus offerde een onschuldige, om zijn positie te behouden (3-4). Verwekken en baren in zonde of in onbaatzuchtige liefde (5-7). De mens bepaalt het kleed, dat zijn ziel aan gene zijde draagt (8-13). De rouwmoedige zondaar (14-16). De schijnbare triomf van de duisternis werd een overwinning van Christus, ter verheerlijking van de Vader - Alleen het reine geestelijke lichaam kan de hemel binnengaan (17-19). »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten?« (20). De wet van liefde en eenheid (21-23). De aardbeving, teken van de Christuskracht (24-27). Er bestaat geen recht, om ter dood te veroordelen of te doden (28)

1. Toen gaf hij hen Barabbas vrij. Nadat hij Jezus had laten geselen, leverde hij Hem uit, opdat Hij gekruisigd zou worden. Toen namen de krijgsknechten van de stadhouder Hem bij zich in de rechtszaal en haalden de hele schaar soldaten om Hem bij elkaar.
2. En zij kleedden Hem uit en legden Hem een purperen mantel om. En zij vlochten een doornenkroon en zetten die op Zijn hoofd en gaven Hem een rieten stok in de rechterhand, knielden voor Hem neer, bespotten Hem en spraken: »Wees gegroet, Jij koning der joden!« (Hoofdst. 82, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Alle middelen, die de demonen ter beschikking stonden, zetten zij in, om Mij te beproeven, om Mij te laten twijfelen aan Mijn opdracht. Want elke twijfel aan God is zonde.
Ik twijfelde niet en zondigde niet en zo kon het ,volbracht’ gesproken worden, opdat de deelkracht uit de Oerkracht, een deel van Mijn geestelijke erfdeel, in vonken de zielen kon binnenstromen. De hoon, noch de spot met de purperen mantel, de doornenkroon en de rieten stok konden Mij tot zonde bewegen. Ik bleef in de Eeuwige, in wie Ik Ben, Christus.
Niemand komt tot de Vader in de hemelen, dan door Mij, de zoon Gods en de mederegent der hemelen, die de Verlosser werd van alle zielen en mensen.
Waren het joodse volk en het geslacht David Mij trouw gebleven, dan had Ik niet de kruisdood hoeven sterven. Ik zou voor aller ogen in de hemel zijn opgestegen en de hemel zou onder Mijn volk gebleven zijn, omdat de mensen de hemelse wetten zouden hebben verwezenlijkt - en Ik zou weer tot hen zijn gekomen als de heerser van het rijk Gods op aarde.

Erkent: wie de wet des levens slechts hoort en niet verwezenlijkt, blijft wie hij is en wordt misbruikt door degene, die meent de wereld te regeren: door de satan der zinnen, door de tegenkrachten.
Ik bleef in de eeuwige Vader en heb in de geest het werk van de verlossing volbracht, dat in de hemel besloten werd: de thuisbrenging van alle zielen en mensen door het werk van de liefde.

3. Zo trad Jezus naar buiten. Hij droeg de doornenkroon en het purperen gewaad. En Pilatus zei tot hen: »Ziet deze man!«
4. Toen de hogepriesters en de oversten van het volk Hem zo zagen, schreeuwden zij: »Kruisig Hem! Kruisig Hem!« En Pilatus zei tot hen: »Nemen jullie Hem en kruisigt Hem; want ik vind geen schuld in Hem.« (Hoofdst. 82, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ook al sprak Pilatus inhoudelijk deze woorden: »Nemen jullie Hem en kruisigt Hem; want ik vind geen schuld in Hem«, heeft hij zich toch schuldig gemaakt. Pilatus had met inzet van zijn innerlijke inzicht en zijn uiterlijke positie menige jood tot bezinning kunnen brengen.
Denkt eraan: het is niet mogelijk, een heel volk in één keer tot ommekeer te bewegen. Ieder afzonderlijk is deel van het volk en is belangrijk voor het volk. Als Pilatus zo gedacht en overeenkomstig gehandeld had, was hij vóór Mij, Christus, geweest. Maar zo keerde hij zich tegen Mij.
Pilatus toonde zijn zwakte. Hij had angst voor het volk, want hij wilde zijn positie in de wereld behouden. Ook het gedrag van Pilatus was en is een symbool voor velen. Degene die op de wereld is gericht, is afhankelijk van de massa, om in deze wereld zijn macht en positie te behouden. Daarvoor offert hij zijn naaste, om zijn aanzien te handhaven en zijn uiterlijke macht te bewaren.

5. En zij bespuwden Hem en namen de stok en sloegen Hem daarmee op het hoofd. En nadat zij Hem hadden bespot, trokken ze Hem de mantel uit, trokken Hem Zijn eigen kleren aan en leidden Hem weg, om Hem te kruisigen.
6. En toen zij Hem wegleidden, hielden ze een man aan, Simon, een Cyrener, die juist naar het land ging. Ze dwongen hem Jezus’ kruis te dragen. Een grote menigte volgde Hem en vele vrouwen, die klaagden en Hem beweenden.
7. Jezus echter wendde zich tot hen en sprak: »Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over jezelf en jullie kinderen. Want zie, er zullen dagen komen, waarop men zal zeggen: zalig zijn de onvruchtbaren en de lichamen, die niet hebben gebaard en de borsten, die niet hebben gezoogd! (Hoofdst. 82, 5-7)


Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: slechts die mensen bespuwen hun naaste en slaan hem, die zelf bespuwd en geslagen worden door hun zonden. Zo was Ik als Jezus voor velen een symbool. Ook Simon, die Mij hielp Mijn kruis te dragen, was een symbool voor velen.
Veel eenvoudige mensen, die hun hart vrij houden van de ijdelheid, de pronk en praal van deze wereld, zullen ware onbaatzuchtige helpers zijn in de wijnberg van de Heer. Zij zullen veel mensen helpen, hun kruis te dragen.

Mijn leven als Jezus van Nazareth zal zolang een symbool zijn voor alle mensen, tot in iedereen het geestelijke leven, het leven in Mij, is ontwaakt. En Mijn woorden hebben zolang geldigheid in de wereld, tot het licht der wereld alle zielen en mensen heeft doordrongen. Zolang echter nog veel mensen zich laten regeren door de duisternis, verleiden zij ook steeds weer degenen, die zijn als een wankelend riet in de wind, die zich de ene keer richten op het rijk Gods en dan weer op de wereld. Velen van hen scheppen steeds weer nieuwe oorzaken en zullen ook steeds opnieuw kinderen baren met dezelfde of soortgelijke oorzaken.
De betekenis van de woorden: »Zalig zijn de onvruchtbaren en de lichamen, die niet hebben gebaard en de borsten, die niet hebben gezoogd« is: al diegenen zouden over zichzelf treurig moeten zijn, die een wankelend riet zijn in de wind en die weer hetzelfde of soortgelijks baren, als zij zelf zijn. Want het gelijke trekt steeds weer het gelijke aan. In de woorden ligt de wet van de aantrekking en de uitboeting der oorzaken, die ouders en kinderen aan elkaar binden en die zij samen hebben af te dragen en te bereinigen.
De woorden »zalig zijn de onvruchtbaren en de lichamen, die niet hebben gebaard en de borsten, die niet hebben gezoogd« betekenen ook: wie in zonde en onzedelijkheid verwekt en ontvangt, baart weer hetzelfde of iets soortgelijks en de zonde zal weer onder de zonde te lijden hebben. Dit geldt vooral in die dagen, waarop geschiedt, hetgeen Ik heb geopenbaard: de materialistische wereld stort ineen. Wee degenen, die in zonde leven.
Maar niet iedere zogenaamde onvruchtbaarheid vindt haar oorzaak in een schuld. Mensen van het licht zullen lichte zielen baren, wanneer voor lichte zielen de tijd daar is, om op de aarde te komen.
Erkent: zalig zijn zij, die lichte zielen hebben gebaard en baren; want zij verwekten en verwekken niet in zonde, begeerte en hartstocht, en zij baarden en baren ook niet in zonde. Zij verwekten en verwekken in onbaatzuchtige liefde en baren in onbaatzuchtige liefde. Zulke borsten zullen ook onbaatzuchtig leven schenken.

8. Dan zullen zij beginnen te zeggen tegen de bergen: valt op ons! En tot de heuvels: bedekt ons! Want als men dat doet met het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?«
9. Er werden echter ook twee andere misdadigers voorgeleid, om samen met Hem te worden terechtgesteld. En toen zij op de plaats kwamen, die Calvarië en Golgotha heet, dat betekent schedelplaats, kruisigden zij Hem; evenzo de misdadigers, een aan Zijn rechterkant en een aan Zijn linkerkant.
10. En het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden en zij gaven Hem azijn te drinken, gemengd met gal. En nadat Hij daarvan geproefd had, wilde Hij niet drinken. En Jezus sprak: »Vader, vergeef hen, want zij weten niet, wat ze doen!«
11. Nadat de krijgsknechten Jezus hadden gekruisigd, namen ze Zijn kleren en maakten vier delen, voor elke knecht een stuk en daarbij ook de mantel. De mantel was echter zonder zoom, in één stuk geweven. Zij spraken daarom onder elkaar: laat ons die niet verscheuren, maar erom loten, wie hem zal hebben.
12. Opdat de schrift vervuld worde, die zegt: »Zij hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en hebben over Mijn mantel het lot geworpen.« Dit deden dus de krijgsknechten. En zij gingen zitten en hielden de wacht.
13. En een opschrift werd boven Hem bevestigd in Griekse, Latijnse en Hebreeuwse letters: »Dit is de koning der joden.« (Hoofdst. 82, 8-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Zij verdeelden Mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot erover. De hebzucht van de mens houdt ook niet op voor de kleren van een ter dood veroordeelde. Voor niets en niemand heeft het hebzuchtige ik achting - niet eens voor zichzelf. Met al het have en goed, dat de mens zich op eerlijke of oneerlijke wijze heeft toegeëigend, kan hij het hemelrijk niet binnengaan. Hij zal ook zijn laatste kleed moeten afgeven.
De ziel echter gaat - met haar kleren van de zonde of de deugd - naar het leven aan gene zijde. De ziel, noch de mens kunnen dat verhinderen. Wat de mens heeft gezaaid, draagt de ziel. Zij kan het niet verbergen en ook niet afleggen, behalve door vergeving, door vragen om vergeving, door het weer goedmaken en daardoor, dat zij dezelfde zonden niet meer doet. Slechts dan kan het kleed van de zonde van haar worden weggenomen.
Welk kleed je als ziel draagt of wilt afleggen, wordt niet bepaald door de dobbelsteen, maar dat bepaal jijzelf - daardoor, hoe je je ten opzichte van de wet Gods gedraagt.
De woorden »Dit is de koning der joden« waren als hoon gesproken; Pilatus echter vermoedde, dat ze meer betekenden: dat is de koning, de heerser van het rijk Gods op aarde, van het Nieuwe Israël en van het Nieuwe Jeruzalem.

14. Deze titel lazen vele joden; want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad. Toen spraken de hogepriesters der joden tot Pilatus: »Schrijf niet ,de koning der joden’, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de koning der joden.« Pilatus antwoordde: »Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.«
15. Een van de misdadigers, die gehangen waren, bespotte Hem en zei: »Ben Jij Christus, help dan Jezelf en ons!« Toen berispte hem de andere en zei: »Vrees jij God niet, jij, die toch in dezelfde verdoemenis bent? Wij zijn daar terecht in; want wij ontvangen het rechtvaardige loon voor onze daden; deze echter heeft geen onrecht begaan.«
16. En hij zei tot Jezus: »Heer, gedenk mij, als Je in Jouw rijk komt.« En Jezus sprak tot hem: »Waarlijk, Ik zeg je: vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs.«
(Hoofdst. 82, 14-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De inhoudelijke woorden, die Ik als Jezus tot de rouwmoedige zondaar sprak: »Waarlijk, Ik zeg je: vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs«, waren woorden van vergeving. Hij ging hogere gebieden van het leven binnen, waarin hij leed, noch pijn te verduren had, want hij had zichzelf herkend, had berouwd en uitgeboet en was daarmee in Mij, de Christus, opgenomen. Hij had voor zijn hongerlijdende gezin gestolen.
De ander was een moordenaar en ontving zijn loon.

17. En zij gingen langs het kruis en bespotten Hem, schudden hun hoofd en zeiden: »Jij wilde de tempel verwoesten en hem in drie dagen weer opbouwen. Help nu Jezelf! Als Jij de zoon Gods bent, kom dan van het kruis af!«
18. En ook de hogepriesters bespotten Hem met de schriftgeleerden en de oudsten en zeiden: »Hij heeft een lam geholpen, maar Zichzelf kan Hij niet helpen. Als Hij de koning van Israël is, laat Hem dan nu van het kruis afkomen en wij willen in Hem geloven. Hij vertrouwde op God, laat Hem nu aan Hem over, of Hij Hem wil hebben. Want Hij heeft gezegd: Ik Ben Gods zoon.«
19. De woekeraars en dierenhandelaars lieten zich op dezelfde wijze uit en zeiden: »Jij hebt de handelaars met hun ossen, schapen en duiven uit de tempel gedreven en bent zelf echter een schaap, dat geofferd werd.« (Hoofdst. 82, 17-19)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Dit alles duldde Ik, opdat de verlossing tot alle zielen en mensen - in de reinigingsgebieden en in deze wereld - kon komen. De duisternis belasterde, bespotte en doodde Mijn aardse lichaam; maar wat zij daarmee wilde bereiken, bereikte zij niet, namelijk: Mij door twijfel aan God van Hem te scheiden. Ik bleef in Mijn Vader en de Vader bleef in Mij.
Op deze wijze verheerlijkte Ik de Vader in Mij. En zo kwam de heerlijkheid van de Vader als het licht van de verlossing in deze wereld, door Mij, de Christus. En niemand kan dit licht van de wereld uitblussen. Het heeft zich in alle zielen en mensen ingeboren - zelfs in de donkerste demon. Of hij het wil weten of niet: ook hij heeft van Mij het verlosserslicht ontvangen. Ook hij zal daardoor van zijn zonden worden bevrijd.
Ik Ben van het kruis afgekomen, echter niet met Mijn aardse lichaam. Niet het aardse lichaam kan de hemelen ingaan, maar alleen het reine geestelijke lichaam. Wie echter het aardse lichaam als de maatstaf van alle dingen ziet, wil het fysieke lichaam behouden. En als hij in zonde leeft, zal hij ook door de zonde en in zonde zijn fysieke lichaam afleggen. Dat kan met veel leed verbonden zijn, want het is zijn zonde, die hij wil behouden. De zonde bindt zich aan het fysieke lichaam en zodoende aan deze wereld.

Hetzelfde of iets dergelijks als Ik zullen allen te verduren hebben, die Mij navolgen - tot aan het einde van deze zondige wereld. Voor hen geldt: hebben zij Mij vervolgd, zo zullen zij ook jullie vervolgen. Hebben zij Mij belasterd en bespot, zo zullen zij ook jullie belasteren en bespotten. Hebben zij Mij van kwaad beticht, zo zullen zij ook jullie van kwaad beschuldigen. Hebben ze Mij gedood, zo zullen zij ook velen van jullie doden en martelen - zei het door woorden, door daden of door beide.

20. En vanaf het zesde uur was er duisternis over het hele land tot aan het negende uur. Sommigen echter, die daar stonden, staken hun fakkels aan; want de duisternis was zeer groot. En omstreeks het zesde uur riep Jezus met luide stem: »Eli, Eli, lama sabachthani?« Dat is: »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten?« (Hoofdst. 82, 20)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten« riep het hart van Jezus.
Vanaf het kruis zag Ik vele volkeren - ontelbaar veel mensen, wier zielen steeds opnieuw in het aardse kleed kwamen en vele eeuwen lang in de duisternis verbleven. Zij hadden de Innerlijke Weg verloren. In hun onwetendheid, in hun nood, ziekte en eenzaamheid riepen zij God aan. Zij dachten echter alleen aan hun materiële lichaam en niet aan hun zielen. Deze lieten ze verkommeren.
Zo was Mijn roep aan het kruis de roep van vele generaties, die zich verloren waanden en wanen. Want Mijn lijden en sterven was en is een symbool voor het lijden en sterven der mensen. Mijn woorden »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten« zijn de woorden van de mensen in alle volkeren en generaties, die in hun ongeloof God voor hun zonden aanklaagden en aanklagen. Ik sprak deze woorden niet voor Mij, maar als symbool voor velen.

Ook nu nog zijn Mijn woorden aan het kruis voor veel mensen een symbool. Ook nu nog roepen zij in hun uiterlijke nood: »Mijn God, Mijn God, waarom heb Je mij verlaten?« Want zij begrijpen ook nu [1989] nog niet, dat het heil, de hulp en de genezing alleen van binnen komt. Ook nu nog strijden velen slechts voor hun aardse leven, omdat hun ware Zijn hen nog vreemd is.
Zo was Mijn roep aan het kruis de roep van hen, die zich verloren waanden en nog wanen. Hun roep zal worden verhoord - wanneer zij hun hart voor God openen en met hun wezen niet langer aan hun aardse leven hangen. Dan zullen zij verhoord worden, omdat zij de weg naar het hart van God hebben gevonden.

De trooster en de Verlosser, de Christus Gods, die Ik, de weg, de waarheid en het leven, Ben, bracht en brengt opnieuw de weg van de liefde in deze wereld, die naar het hart van God leidt.
Zoals de Vader zich in Mij, Jezus, heeft verheerlijkt en in Mij, Christus, verheerlijkt, zo zal Ik Mij verheerlijken in hen, die waarachtig naar God roepen, want zij zullen vinden, waarnaar hun hart verlangt: God, de liefde en het leven, hun ware Zijn.

21. Enkelen van hen, die daar stonden en dit hoorden, zeiden: »Deze man roept naar Elias«, anderen weer zeiden: »Hij roept de zon.« De overigen zeiden: »Laat ons blijven en zien, of Elias komt en Hem redt.«
22. Bij het kruis van Jezus echter stonden Zijn moeder en de zuster van Zijn moeder, Maria, de vrouw van Cleophas, en Maria Magdalena.
23. Toen Jezus Zijn moeder zag en de discipel erbij zag staan, die Hij liefhad, sprak Hij tot Zijn moeder: »Vrouw, zie je zoon!« En Hij sprak tot de discipel: »Zie, je moeder!« En vanaf dat uur nam de discipel haar bij zich in huis. (Hoofdst. 82, 21-23)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De inhoudelijke woorden tot Maria »Vrouw, zie je zoon« en tot de discipel: »Zie, je moeder« symboliseren de wet van de onbaatzuchtige liefde en eenheid. Deze woorden werden door diegenen begrepen, voor wie ze bestemd waren. De discipel vervulde de wet van de liefde en eenheid en nam Maria bij zich. Want een gebod uit de wet Gods luidt: één voor allen - Christus; en allen voor één - Christus; ieder voor iedereen - in goede gedachten en in de juiste liefde en zorg.
Wie de wet van liefde en eenheid onderhoudt, is er voor de naaste. Hij neemt hem niet alleen in zijn hart op, maar ook in zijn huis, als deze waarachtig hulp nodig heeft.
Wie de wet van de liefde en eenheid onderhoudt en zelf in het huis van God, in het hart Gods, woont, leidt ook de mensen, die van goede wil zijn, tot Gods liefde en eenheid.
24. Jezus wist nu, dat alles was geschied en de schrift werd vervuld. Hij sprak: »Ik Ben dorstig.« En uit een vat met azijn vulden zij een spons en legden hem om een hysop en hielden hem aan Zijn mond.
25. En Jezus riep met luide stem: »Vader, in Jouw handen beveel Ik Mijn Geest!«
26. Toen nu Jezus de azijn genomen had, riep Hij luid: »Het is volbracht!« En Hij neigde Zijn hoofd en gaf de geest. En het was het negende uur.
27. En zie, het donderde en bliksemde hevig en de scheidingswand van het heiligdom, waarvoor het gordijn hing, viel omlaag en brak in twee stukken. De aarde beefde en ook de rotsen barstten. (Hoofdst. 82, 24-27)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De aardbeving symboliseert niet alleen de vrijheid van de zielen, maar vooral de kracht, het leven, dat alle zielen ontvingen, of ze nu een lichaam hadden of niet:
Het is de deelkracht van de Oerkracht, de Christuskracht, die zich in vonken splitste en in alle zielen kwam - ook in die van de demonen.
Door de machtige kosmische instraling waren enkele mensen tijdelijk helderziend en schouwden zielen, die door deze kracht van de verlossing in hogere regionen van Innerlijk Leven gingen; want zij hadden de innerlijke rijpheid tot hogere levensfasen bereikt en verlangend op de kracht van de verlossing gewacht, op de verlossersvonk, die hen de weg naar het hart van de Eeuwige wees en wijst.

28. De hoofdman echter en zij, die bij hem waren en Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en alles, wat geschiedde. Zij waren zeer bevreesd en zeiden: »Dit was waarlijk een zoon van God.« (Hoofdst. 82, 28)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat geschreven: »Zij waren zeer bevreesd en zeiden: »Dit was waarlijk een zoon van God«.
Wanneer inzichten de mensen angstig maken, behoren ze hun geweten te onderzoeken: hoe vaak begingen ze al daden, waarvan ze nu inzien, dat het onwetmatig was? De angst en het inzicht waren uiteindelijk gewetenswroeging; zij wilden de zogenaamde hoofdman en hen, die bij hem waren en Jezus bewaakten, vermanen en hen zeggen, dat de mens niet mag doden, noch aan de dood van een mens medeplichtig mag zijn, b.v. door de dood van een mens te bevelen. Want wie heeft het recht, anderen ter dood te veroordelen of te doden?
God, de Eeuwige, heeft zoiets niet bevolen. Hij, de grote Al-Ene, die de wet des levens is, heeft de mensen veel meer geboden: je zult niet doden. Want Hij is het leven, niet de dood.
De zogenaamde dood is het sterven van het aardse lichaam, dat van de aarde is en weer tot de aarde terugkeert. Het is een wetmatig gebeuren, afhankelijk van de incarnatie van de ziel en zal zich voltrekken overeenkomstig het denken en leven van de mens en de toestand van zijn ziel.

God is het leven. Daarom heeft de mens niet het recht, het aardse lichaam van zijn naaste te doden of diens dood te bevelen. Wie bewust doodt of bewust opdracht geeft om te doden, zal volgens de wet van zaad en oogst datgene moeten dulden en doorlijden, wat hij in zijn goddeloze leven heeft veroorzaakt.

29. En er waren daar veel vrouwen, die vanuit Galilea waren gevolgd en Hem hadden gediend. Onder hen was Maria, de moeder van Jacobus en Jozes en de moeder van de kinderen van Zebedeus, en zij weenden en klaagden en zeiden: »Het licht der wereld is voor onze ogen verborgen, de Heer van onze liefde werd gekruisigd!«
30. Omdat het echter de dag voor de sabbat was, vroegen de joden Pilatus, of de benen van de lijken gebroken en ze van het kruis genomen konden worden, opdat ze niet aan het kruis zouden blijven gedurende de Sabbat, (want het was de Pascha-sabbat).
31. Toen kwamen de krijgsknechten en braken de benen van de twee, die met Hem waren gekruisigd. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij Zijn benen niet, maar een van de soldaten stak Hem met een lans in het hart en spoedig vloeide er bloed en water uit.
32. En hij, die het zag, getuigde het en zijn getuigenis is waar. Hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook jullie geloven. Want dit is geschied, zodat de schrift zou worden vervuld: jullie zullen Hem geen been breken, en: zij zullen Hem aanzien, die zij doorstaken. (Hoofdst. 82, 29-32)





HOOFDSTUK 83

De begrafenis van Jezus

Over het begraven van doden (1-3).
Dodenherdenking en dodenwake (4-10)

1. Toen nu de avond gekomen was, kwam Joseph van Arimathea, een eerbare raadsheer, die ook op het rijk Gods wachtte. Hij waagde het en ging bij Pilatus binnen en vroeg om het lichaam van Jezus. (Hij was een goed en rechtvaardig man en had het besluit van de raad niet goedgekeurd.)
2. En Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds dood was, riep de hoofdman en vroeg hem, of Hij al lang gestorven was. En toen hij het van de hoofdmannen had vernomen, liet hij het dode lichaam aan Joseph over. Die ging heen en nam Jezus’ lichaam van het kruis.
3. Ook Nicodemus kwam, die al eerder die nacht bij Jezus geweest was. Hij bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Toen namen zij Jezus’ dode lichaam en hulden het in linnen doeken met de kruiden, volgens het joodse begrafenisgebruik. (Hoofdst. 83, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat geschreven: »Toen namen zij Jezus’ dode lichaam en hulden het in linnen doeken met de kruiden, volgens het joodse begrafenisgebruik«. Het was een joods begrafenisgebruik - een ritueel dus, echter geen gebod. Daarom zeg Ik, Christus:
Als jullie nog bestaande aardse wet het toestaat, hult dan de dode aardse lichamen in doeken en geeft ze aan de aarde; of, als jullie erkennen, dat de ziel van de overledene in God leeft, omdat de mens een rechtschapen, van God vervuld leven heeft geleid, geeft dan - enkele dagen na het overlijden - het vergankelijke lichaam over aan het vuur. Daardoor kunnen de substanties sneller worden toegevoegd aan de aarde, waaruit de mens is.

4. Op de plaats echter, waar Hij gekruisigd werd, was een tuin en in de tuin een nieuw graf, waarin nog niemand lag. Daar legden zij Jezus in en het was aan het begin van de tweede week, dat zij Hem begroeven, omwille van de vigilie van de joden, omdat het graf in de nabijheid was.
5. En Maria Magdalena en de andere Maria en Maria, de moeder van Jozes, gingen naar het graf kijken, waarin Hij gelegd was.
6. En ook de vrouwen, die met Hem uit Galilea waren gekomen, volgden hen, droegen lampen in de hand, bekeken het graf en hoe Zijn lichaam neergelegd was en begonnen te wenen en te klagen.
7. En zij keerden terug en bereidden kruidenmengsels en zalven en wachtten op het einde van de sabbat.
8. De volgende dag nu, die op de vigilie volgde, kwamen de hogepriesters en de Farizeeën tot Pilatus en zeiden: »Heer, wij herinneren ons, dat deze verleider, toen Hij nog leefde, sprak: ,Na drie dagen zal Ik verrijzen’.
9. Beveel daarom, dat men het graf beveiligt, tot de derde dag voorbij is, opdat niet ’s nachts Zijn discipelen komen en Hem weghalen en tot het volk zeggen: ,Hij is verrezen van de dood’, en het laatste bedrog is erger dan het eerste.«
10. Pilatus sprak tot hen: »Hier hebben jullie een bewaker, gaat heen en maakt het zo veilig als jullie kunnen.« Zo gingen zij heen en beveiligden het graf, verzegelden de steen en zetten er een bewaker voor, tot de derde dag voorbij zou zijn. (Hoofdst. 83, 4-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: jullie aardse gebruiken tonen aan, waar jullie staan. Waarom bewaken jullie je doden? Misschien zeggen jullie: om de overledene te eren. Ik, Christus, vraag jullie: wie willen jullie eren? Tot wiens eer?
Als een mens God niet de eer heeft bewezen en bewijst, is hij bedacht op het eerbetoon van de mensen en zal alles op alles zetten om als mens of als overledene te worden geëerd. Als mensen mensen eren, geven ze niet God de eer, die alle dingen weet, die het leven is van de ziel.
Wie uit zorg de doden bewaakt, opdat het aardse kleed van de ziel niet wordt ontvreemd, zoals het gebeurde door de bewaker bij Jezus’ graf, is zich bewust van zijn eigen wandaad en daarmee van zijn zonde.





HOOFDSTUK 84

De opstanding van Jezus

De engel aan het graf (1-5). De lichte, krachtige
ziel is dichter bij God (6). Boodschap en leiding door engelen (7-8). De opdracht van het aardse en het geestelijke lichaam van Christus (9). De transformatie van het fysieke lichaam van Jezus - Het kruis met en zonder corpus (10-13)

1. Aan het einde van de sabbat, toen het in de vroege ochtend van de eerste weekdag begon te schemeren, kwam Maria Magdalena bij het graf en droeg de specerijen, die zij bereid had en met haar kwamen nog anderen.
2. En terwijl zij zo liepen, spraken zij tegen elkaar: »Wie rolt ons de steen weg voor de ingang van het graf?« Want hij was groot. En toen ze op de plaats kwamen en keken, merkten zij, dat de steen weggerold was.
3. Want zie, er was een grote aardbeving. De engel des Heren daalde af van de hemel, rolde de steen weg voor de ingang en had daarop plaats genomen. Zijn gestalte was als de bliksem en zijn kleed wit als sneeuw. De bewakers echter schrokken zo zeer, dat zij voor dood op de grond vielen.
4. En de engel sprak tot de vrouwen: »Vreest niet! Ik weet, jullie zoeken Jezus, die gekruisigd werd. Hij is niet hier; want Hij is opgestaan, zoals Hij zei.
5. Komt, ziet de plaats, waar de Heer lag! En gaat snel heen en zegt het Zijn discipelen, dat Hij van de dood is opgestaan. En ziet, Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien; ziet, ik heb het jullie gezegd.« (Hoofdst. 84, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De bewakers zagen geen engel. De aardbeving werkte in op hun slechte geweten en de angst werkte kort op de bloedsomloop in hun lichamen, waardoor zij bewusteloos op de grond vielen.
Erkent: ook de engel des Heren - een engel van velen, die bij Mij als Jezus waren - werd alleen door die vrouwen waargenomen, die door hun verwezenlijking van de wetten van de liefde hun zielen tot stralen hadden gebracht; hun innerlijke oor had zich geopend en zij verstonden de taal van de liefde. Deze vrouwen deelden hun naasten mee, wat zij hadden waargenomen. En zij, die daarin geloofden, gaven er gehoor aan.

Wie in God leeft, leeft in de wet van de liefde en vrijheid en neemt de vrije wil in acht. Daarom hield de engel rekening met de vrije wil van de mensen en sprak inhoudelijk: »Als jullie willen, kijkt in het graf, waarin het aardse lichaam van de Heer lag en als jullie willen, gaat heen, zegt het Zijn discipelen, dat de Heer geen dood kent. De zoon van de Eeuwige is verrezen en als jullie in het geloof en in de aanbidding blijven, zal Hij jullie op de weg, die jullie nemen, ontmoeten.«

6. En zij gingen naar binnen en vonden Jezus’ lichaam niet. Toen liepen ze weg en kwamen bij Simon Petrus en de andere discipel, die Jezus liefhad en zeiden tot hen: »Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem neer hebben gelegd.« (Hoofdst. 84, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

»... die Jezus liefhad« betekent: die Hem door zijn leven en denken het meest nabij was.
God heeft al Zijn kinderen even lief - maar, als een kind zijn ziel gereinigd en zijn leven aan Hem gewijd heeft, komt het Hem naderbij.
Wie God als het middelpunt van zijn aardse leven ziet en aan God toegedaan leeft, verkrijgt een steeds grotere reinheid van zijn ziel. De gelouterde ziel komt dan in een diepe, innige communicatie met God, haar Vader.
Zo was het ook met de genoemde discipel, over wie dit geschreven staat. Hij stond dichter bij God, omdat zijn ziel lichter en krachtiger was door zijn voortdurende toewending tot God, de Eeuwige.
De verbinding tussen de Eeuwige en een lichte ziel bewerkstelligt tevens een innige communicatie tussen die mensen, die naar het Goddelijke streven. Zo waren Mijn geestelijke lichaam en zijn lichte ziel met God verbonden en bewust verenigd in God. Daardoor begreep hij de zin van Mijn woorden en kon uit weinig woorden begrijpen, waar het werkelijk om ging.
Erkent: begrip voor de naaste en wederkerig begrip leiden nader tot God en tot gemeenschappelijke daden in de geest van de Heer.

7. En zij liepen en kwamen bij het graf, keken naar binnen en zagen de linnen doeken liggen en de zweetdoek, die om het hoofd van Jezus was gebonden, niet bij de linnen doeken, maar opzij gelegd op een bijzondere plaats.
8. En het geschiedde, dat zij zeer in de war raakten; want zie, twee engelen stonden naast hen in schitterende, witte gewaden en spraken tot hen: »Waarom zoeken jullie de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen en ziet, Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien. (Hoofdst.84, 7-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het graf werd door joden en Romeinen onderzocht. De angst dreef hen, want zij konden Mijn woorden »na drie dagen zal Ik verrijzen« niet duiden.
De wezens uit God, de engelen, van wie geschreven staat, werden slechts door enkelen in hun hart waargenomen. Niet alle aanwezigen geloofden in de uitspraak van hen, die de wezens uit God in hun hart waarnamen. Daardoor ontstond aan het graf een tumult: sommigen verloren hun zelfbeheersing en begonnen ook te twijfelen. Sommigen geloofden dus - de anderen twijfelden. De opgewonden twijfelaars namen niet de weg naar Galilea.
Aangezien onder de mensen zeer vaak meningsverschillen bestaan, leiden God en de wezens uit God de mensen op indirecte wijze. Zij leidden de gelovigen door middel van hun van God vervulde gewaarwordingen, noemden echter het woord „Galilea” niet.

9. Herinneren jullie je niet, hoe Hij tot jullie sprak, toen Hij nog in Galilea was, dat Hij, de mensenzoon, gekruisigd zou worden en dat Hij zou verrijzen na de derde dag?« En zij herinnerden zich Zijn woorden. Zij gingen ijlings naar buiten en vluchtten voor het graf, want zij beefden en waren ontdaan. Ook spraken zij er met niemand over, want zij waren bevreesd. (Hoofdst. 84, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De angst en de vlucht voor het lege graf maken de twijfels duidelijk, die velen hadden. Velen waren ook door Mij teleurgesteld en over Mij ontsteld, want zij hoopten op een zogenaamd wonder. Zij hoopten op de opstanding van Mijn aardse lichaam. Het aardse lichaam is echter slechts het uitvoerende orgaan van het geestelijke lichaam. Is het geestelijke lichaam rein en in God, dan heeft het menselijke lichaam, het orgaan, zijn functie vervult.
Zo is het geweest. Ik had het volbracht: een deel van Mijn erfdeel, de deelkracht uit de Oerkracht, kon zich uit de oersubstantie losmaken en werd tot verlossersenergie, omdat Mijn geestelijke lichaam in God bleef en zonder zonde was.

10. Maar Maria stond schreiend voor het graf. En terwijl zij weende, boog zij zich voorover en keek in het graf en zag twee engelen in witte gewaden, een aan het hoofdeind en de andere aan het voeteneind, waar het lichaam van Jezus had gelegen. En zij spraken tot haar: »Vrouw, waarom ween je?«
11. Zij zei tot hen: »Omdat zij mijn Heer hebben weggenomen en ik niet weet, waar zij Hem hebben neergelegd.« En toen ze dit zei, draaide zij zich om en zag Jezus staan en besefte niet, dat het Jezus was.
12. Jezus sprak tot haar: »Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je?« Zij meende, dat het de tuinman was en zei tegen Hem: »Heer, heb Jij Hem weggedragen, zeg mij, waar Je Hem hebt neergelegd, dan wil ik Hem halen.« Jezus sprak tot haar: »Maria!« Toen draaide zij zich om en zei tot Hem: »Rabboni«, dat betekent meester.
13. Jezus sprak tot haar: »Raak Mij niet aan, want Ik Ben nog niet opgestegen tot Mijn Vader. Ga echter naar Mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op tot Mijn Vader en tot jullie Vader, tot Mijn God en tot jullie God.« (Hoofdst. 84, 10-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ook de ogen van Maria waren zolang gesloten, tot Ik met het noemen van de naam „Maria” haar zielenogen opende. Vervolgens schouwde zij Mijn fijnstoffelijke lichaam. »Raak Mij niet aan« betekent onder andere ook: »Geloof!«
De mens kan slechts het materiële, aardse lichaam aanraken, niet echter het fijnstoffelijke.
Terwijl Ik aan Maria en enkele apostelen en discipelen verscheen, bevond zich Mijn aardse lichaam in het proces van de transformatie. Deze transformatie van Mijn fysieke lichaam was voor mensen onzichtbaar. Zij voltrok zich tot aan de hemelvaart. Omdat Mijn geestelijke lichaam Mijn aardse lichaam absoluut had doorstraald, werd Mijn aardse lichaam door de geestelijke atomen geleidelijk geabsorbeerd. De eeuwige kracht van de Vader, de Oerkracht, transformeerde dus Mijn grofstoffelijke lichaam, zodat de door Mij doorstraalde materie van de grofstoffelijke materie werd weggenomen.

Wie het kruis met het dode lichaam ophangt en aanbidt, wijst op het fysieke lichaam en toont daarmee de mensheid ten onrechte Mijn nederlaag. Hij vereert het dode lichaam, inplaats van tot de verrezene te bidden, tot het innerlijke licht, de Vader in Mij, de Christus. Het symbool van de opstanding, de hemelvaart, is het kruis zonder corpus.

14. Maria Magdalena ging en vertelde de discipelen, dat zij de Heer had gezien en dat Hij tot haar gesproken had en haar de opdracht had gegeven, Zijn opstanding van de doden te berichten. (Hoofdst. 84, 14)





HOOFDSTUK 85

De verrezen Jezus verschijnt aan twee discipelen
in Emmaus

De blindheid van hen, die tegen Mij waren -
Veranderingen in de satanische hiërarchieën na de hemelvaart (14-16)

1. Op dezelfde dag gingen twee discipelen naar het dorp Emmaus, dat drie uren van Jeruzalem ligt. En zij spraken samen over alles, wat er was gebeurd.
2. En terwijl zij met elkaar spraken, geschiedde het, dat Jezus zelf hen naderde en met hen ging. Maar hun ogen waren gesloten, zodat zij Hem niet konden herkennen.
3. En Hij sprak tot hen: »Waarover spreken jullie met elkaar, dat jullie er zo treurig bijlopen?«
4. En een van hen, die Cleophas heette, antwoordde: »Ben Jij de enige vreemdeling in Jeruzalem en heb Je nog niet gehoord, wat hier in deze dagen gebeurd is?« En Hij sprak tot hen: »Wat dan?«
5. En zij spraken tot Hem over Jezus van Nazareth, die een profeet was geweest, machtig in woord en daad voor God en het hele volk, en hoe de hogepriesters en hun overheid Hem hadden uitgeleverd, opdat Hij ter dood werd veroordeeld en hoe zij Hem dan aan het kruis hadden geslagen. »Maar wij vertrouwden erop, dat Hij het zou zijn, die het land Israël had moeten verlossen. En ondanks dat zijn hier in deze laatste drie dagen al deze dingen gebeurd.
6. Ja, en meerdere vrouwen, ook die van ons, verrasten ons. Zij waren in de vroegte bij het graf en vonden het dode lichaam niet. En zij kwamen en vertelden ons, dat hen engelen verschenen waren, die zeiden, dat Hij verrezen zou zijn.
7. En sommigen van ons waren naar het graf gegaan en vonden alles, zoals de vrouwen het hadden gezegd. Maar Hem zagen zij niet.«
8. Daarop sprak Hij tot hen: »O, jullie zijn dwazen en traag van hart en geloven niet, wat de profeten hebben gezegd! Moest Christus dit alles niet lijden, om in te gaan in Zijn heerlijkheid?«
9. En beginnend bij Mozes en al de profeten, onderwees Hij hen over alle schriften, die Hem zelf betroffen.
10. En zij kwamen in de buurt van het dorp, waar zij heengingen. En Hij deed, alsof Hij verder wilde gaan. Maar zij drongen aan bij Hem en zeiden: »Blijf bij ons, want het wordt avond en de dag is bijna ten einde.« En Hij ging naar binnen, om bij hen te blijven.
11. En het geschiedde, dat Hij met hen aan tafel zat: Hij nam brood en de vrucht van de wijnstok, dankte, zegende, brak het brood en gaf het hen. En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem. En Hij verdween uit hun ogen.
12. En zij zeiden tegen elkaar: »Brandden onze harten niet, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de schrift verklaarde?« En zij stonden direct op en keerden naar Jeruzalem terug, en daar vonden ze de elf verzameld met hun aanhangers. En deze zeiden: »De Heer is waarlijk opgestaan en Hij is aan Simon verschenen.«
13. En zij vertelden, wat hen op hun weg overkomen was en hoe zij Hem aan het breken van het brood hadden herkend.
14. Terwijl zij naar Emmaus waren gegaan, kwamen enkele van de bewakers de stad in en meldden Kaïphas wat er gebeurd was.
15. En zij verzamelden zich met de oudsten, beraadslaagden en zeiden: »Ziet, terwijl de soldaten sliepen, kwamen verschillende van Zijn discipelen en droegen Zijn dode lichaam weg. En is Joseph van Arimathea niet een van Zijn discipelen?
16. Daarom heeft hij Pilatus om het dode lichaam gevraagd, opdat hij Hem in zijn tuin in zijn eigen graf zou kunnen begraven. Laat ons daarom de soldaten geld geven, opdat ze zullen zeggen, dat Zijn discipelen ’s nachts zijn gekomen en het dode lichaam hebben gestolen, terwijl zij sliepen. En als dit bericht ter ore komt van de stadhouder, willen we hem overtuigen en jullie beschermen.«
(Hoofdst. 85, 1-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze leugen is als een verraad. Zo werd Ik tot het laatst miskend en tot het laatst verraden. Want zij, die tegen Mij waren, wilden uit angst voor Mij verhinderen, dat het volk in Mijn opstanding gelooft.
Na de kruisdood en het verdwijnen van Mijn aardse lichaam, waarvan zij aannamen, dat het verwijderd werd, meenden zij Mij te hebben overwonnen, want hun onzichtbare aanvoerders in de satanische hiërarchieën werden Mij ook daar niet gewaar. Daarom meenden ze, dat Ik nog in de nabijheid van de aarde was, mogelijk zelfs als een aardgebonden ziel, die zich voor hen nog trachtte te verbergen.
Zij beseften nog niet, wat er gebeurd was en wat zich, voor hun zintuigen niet waarneembaar, voltrok. Pas na Mijn hemelvaart, na het heengaan naar de Vader, beleefden de zielen in alle valgebieden tot aan de poorten van het reine Zijn, dat plotseling alles veranderde: de satanische hiërarchieën werden treden van de hemelladder; zij werden tot reinigingsgebieden. Deze bestaan van de reinigingsfase van de Orde tot aan de reinigingsfase van de Ernst. De andere drie fasen - Geduld, Liefde en Barmhartigheid - werden ontwikkelingsgebieden. Dit zijn de vóórhemelen, die eveneens tot de hemelladder behoren; daarop leert de lichte ziel, die tot geestlichaam is geworden, de eeuwige wet weer in alle details toe te passen.





HOOFDSTUK 86

Jezus verschijnt in de tempel en de bloedoffers houden op

Geestelijke gebeurtenissen in de dagen na Jezus’ lichamelijke dood in Jeruzalem en omgeving (1-8)

1. Het was op dezelfde dag ten tijde van het offer in de tempel. Daar verscheen onder de dieren- en vogelhandelaars iemand in witte kleren, stralend als het licht en Hij had een gesel in de hand met zeven koorden.
2. En bij Zijn aanblik vluchtten de handelaars en de kopers vol schrik en sommigen vielen voor dood op de grond; want zij herinnerden zich, hoe Jezus hen vóór Zijn dood op dezelfde wijze uit het binnenste van de tempel had gejaagd.
3. En sommigen verklaarden, dat ze een spook hadden gezien en anderen, dat ze Degene hadden gezien, die gekruisigd was en Hij zou van de dood zijn opgestaan.
4. En de offers in de tempel hielden op deze dag op, want allen hadden angst te verkopen of te kopen; en zij lieten hun gevangenen vrij.
5. En de priesters en de oudsten lieten een gerucht verspreiden, dat zij, die het hadden verteld, dronken waren geweest en niets hadden gezien. Maar velen verzekerden, dat zij Hem met eigen ogen hadden gezien en op hun rug de gesel hadden gevoeld; maar dat zij niet in staat waren geweest, zich te weren. Want toen sommigen van de moedigen onder hen hun handen uitstrekten, konden zij de gestalte, die zij zagen, niet grijpen, noch de gesel te pakken krijgen, die hen sloeg.
6. En vanaf deze dag geloofden zij in Jezus, dat Hij door God gezonden was, om de onderdrukten, die gebonden waren, te bevrijden en te verlossen. En zij keerden om en zondigden niet meer.
7. Hij verscheen ook aan anderen in liefde en medelijden en genas hen door Zijn aanraking en bevrijdde hen uit de handen van de vervolgers. En veel soortgelijke dingen werden over Hem verteld en velen spraken: »Waarlijk, het rijk Gods is gekomen.«
8. En sommigen van hen, die waren gestorven en opgestaan, toen Jezus van de dood verrees, verschenen en werden gezien door velen in de heilige stad en grote vrees overviel de slechten, terwijl licht en vreugde de harten van de rechtvaardigen vervulde. (Hoofdst. 86, 1-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Veel van hetgeen in de dagen van Mijn heengaan naar de Vader geschiedde en ook werd doorgegeven, stemt met de waarheid overeen.
Sommige mensen schouwden Mij met hun zielenogen, weer anderen zagen slechts het spiegelbeeld, dat hun aura uit de atmosferische kroniek kon aantrekken.
Mijn leven als Jezus van Nazareth had niet slechts ingang gevonden in de harten van veel mensen, maar ook in de atmosferische kroniek. Daarin is een deel van het denken en leven van de mensen opgeslagen en dit werkt nog steeds op de aarde in. Mijn lichamelijke dood bracht de aardse en de astrale krachten in sterkere beweging. Ook de atmosferische kroniek kwam in actie, zodat sommige mensen Mij via de spiegeling van de atmosferische kroniek zagen; weer anderen, wier hart vervuld was van Mijn leven, zagen Mij met hun geestelijke ogen. Weer anderen zagen via de atmosferische kroniek zielen, die in die reinigingsgebieden gingen, die overeenkwamen met hun psychische bewustzijnsgraad.
Door Mijn lijden, sterven en Mijn opstanding werden Jeruzalem en de omliggende plaatsen, waar Ik als Jezus had gewerkt, in hun straling verhoogd, zodat veel mensen geestelijk schouwden en velen de atmosferische kroniek konden waarnemen.
In het algemeen zij geopenbaard: het ontvangen uit de atmosferische kroniek dient niet te worden nagestreefd, maar alleen het ontvangen uit de Geest Gods, wat alleen door verwezenlijking en vervulling van de wetten Gods mogelijk kan worden.





HOOFDSTUK 87

Jezus verschijnt aan Zijn discipelen

Waarom konden de discipelen de verrezene schouwen?
(1-2). Het kruis zonder corpus, een symbool van de opstanding en de zege over de duisternis (3-6). Verlossing enkel door geloven? (7). Gedoopt door de Heilige Geest (8). Onbaatzuchtige liefde omsluit al het Zijn (9). Een aan God gewijd leven leiden (10). De Godsgeest gebruikt de woordenschat en de begrippen van de menselijke tussenpersonen; hun betekenis hangt af van de verandering der tijden - De gemeenten in Christus tot aan de lichttijd (11-15)

1. Op de avond van deze dag, de eerste dag van de week, waren de discipelen verzameld en hadden de deuren gesloten uit angst voor de joden. Toen kwam Jezus en stond midden onder hen en sprak tot hen: »Vrede zij met jullie!« Maar zij schrokken en meenden, dat ze een geest zagen.
2. En Hij sprak tot hen: »Ziet, Ik Ben het zelf, zoals jullie Mij voorheen hebben gezien. Een geest kan waarlijk verschijnen in vlees en bloed, zoals jullie zien, dat Ik ze heb. Ziet Mijn handen en voeten, raakt ze aan en ziet!« (Hoofdst. 87, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik had geen lichaam uit vlees en bloed, maar Ik bracht Mijn geestelijke lichaam in overeenstemming met de trilling van de aarde en verhoogde tegelijkertijd het bewustzijn van de discipelen, zodat zij Mij konden zien en voelen.

3. En toen Hij dit gezegd had, toonde Hij hen Zijn handen en voeten en de discipelen waren verheugd, dat ze de Heer zagen.
4. Thomas echter, Didymus genaamd, een van Zijn discipelen, zei tot hen: »Tenzij ik in Zijn handen de littekens zie van de spijkers en mijn vingers in de littekens van de spijkers leg en mijn hand in Zijn hart leg, anders wil ik het niet geloven.« Toen sprak Hij tot Thomas: »Zie Mijn handen, Mijn hart en Mijn voeten; reik je hand en leg je vinger in het litteken van de spijkers en leg je hand aan Mijn hart en wees niet ongelovig, maar gelovig.«
5. En Thomas zei tot Hem: »Mijn Heer en mijn God!« En Jezus sprak tot hem: »Thomas, omdat je Mij hebt gezien, heb je geloofd: zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven.«
6. Toen sprak Jezus weer tot hen: »Vrede zij met jullie! Zoals Mij de Vader gezonden heeft, zo zend Ik jullie.« En toen Hij dat gezegd had, ademde Hij op hen en sprak tot hen: »Ontvangt de Heilige Geest; predikt het evangelie en verkondigt aan alle volkeren de opstanding van de zoon Gods. (Hoofdst. 87, 3-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Waarlijk: »Zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven.« Wie in en uit God leeft, verlangt geen uiterlijke bewijzen voor het innerlijke leven. Slechts die mens wil bewijzen voor het leven van het innerlijk, die meer in het uiterlijke leeft, die de zichtbare dingen hoger schat dan het innerlijke gebeuren.
De uitspraak »ontvangt de Heilige Geest« betekent: ontvangt de kracht uit de eeuwige wet, de Heilige Geest, om uit de wet van liefde en wijsheid te spreken en te werken, om de volkeren de opstanding van de zoon Gods te verkondigen en het evangelie van liefde en wijsheid te brengen.
Waarlijk, de opstanding van de zoon Gods behoren jullie in het hart te dragen en door Mij, de Christus, de verrezene, van jullie zonden te verrijzen, opdat jullie het leven kunnen ingaan, dat Ik in de Vader Ben.

Ik herhaal: wie aan de gekruisigde denkt en het aan het kruis van de opstanding hangende lichaam aanbidt, hangt zelf nog aan het kruis van de zonde. Hij heeft Mij in zijn hart nog niet aan- en opgenomen. Wie dus het corpus aan het kruis beaamt en aan het kruis met het gemartelde lichaam vasthoudt, is nog niet in Mij, de Christus, opgestaan. Hij getuigt van zichzelf, dat hij nog in het knechtschap van de zonde leeft en zich door het zondige laat beïnvloeden.
Want de demonen willen de gekruisigde, het kruis met het corpus, zien. Voor hen betekent het de nederlaag van de Nazarener - niet de overwinning van Christus. Zij willen met het dode lichaam aan het kruis de mensheid de voorstelling inprenten, dat de zoon Gods onder de zonde zou zijn bezweken.
Maar Ik Ben verrezen en tot de Eeuwige teruggekeerd. Ik heb jullie de verlossing gebracht. Het kruis zonder het dode lichaam symboliseert de opstanding en de zege over de duisternis. Daarom zullen alle mensen, die in Mij leven en door wie Ik leef, kiezen voor het kruis van de overwinning, dat zonder corpus is. Want net zoals Ik de overwinning over de duisternis heb behaald, evenzo hebben die mensen en zielen de overwinning over de zonde behaald, die bewust in Mij geloven en dagelijks meer de wil van de Al-Heilige doen.

7. Leert hen de heilige wet van de liefde, die Ik jullie gegeven heb. Hen, die hun zonden afzweren worden ze vergeven en zij, die verder zondigen, zullen ze behouden. (Hoofdst. 87, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De woorden: »hen, die hun zonden afzweren, worden ze vergeven en zij, die verder zondigen, zullen ze behouden« betekenen: wie om vergeving vraagt en vergeeft en, als het nog mogelijk is, weer goedmaakt, wat hij heeft veroorzaakt, en hetgeen tot zonde heeft geleid, niet meer doet, dus niet meer zondigt - heeft de zonde afgezworen. Wie echter tegen beter weten in, ondanks vergeving en de vraag om vergeving, dezelfde zonden weer begaat, van hem kan de zonde niet worden weggenomen - ook niet, als hij om vergeving heeft gevraagd.
En als je naaste, tegen wie je gezondigd hebt, je niet vergeeft, kan ook de hemelse Vader je deze zonde niet afnemen. Zijn genade en liefde zullen echter bewerkstelligen, dat je naaste zichzelf sneller erkent en je vergeeft - als hij uit vrije wil hiertoe bereid is.

Niemand mag zeggen: alleen door het geloof in Mij, de Christus, werden hem zijn zonden weggenomen. Wie zijn zonden niet inziet, wie niet berouwt en daardoor doorgaat met zondigen, blijft een zondaar. Mijn verlossersdaad zal de zonde niet van hem wegnemen. Want als hij zichzelf niet herkent, zal hij ook zijn zonden niet inzien, zal ze ook niet berouwen en zal niet weer goedmaken, wat hij zijn naaste heeft aangedaan. Wie echter deze stappen tot zelfkennis, tot echt berouw en vergeving, de vraag om vergeving en het weer goedmaken niet doet, zal steeds weer in dezelfde zonden vervallen.

Ofschoon het licht van het heil, de verlossing, in alle zielen straalt, wordt toch slechts diegene volmaakt, die zijn ziel reinigt en ook rein houdt. Mijn verlossersdaad nam niet de zonden der wereld weg, de zonden van alle zielen en mensen. Zij is de kracht en de bron van de kracht voor allen, die hun zonden berouwen en niet meer doen. De verlossing is de steun voor de ziel en de bescherming tegen de oplossing van de ziel. Zij is ook het licht op de weg naar het hart van God. Geen mens en geen ziel kan er onderuit, de zonden te erkennen, te berouwen en ze niet meer te doen. Pas wanneer ziel en mens de wet van de liefde steeds meer vervullen, worden zij rein. De verlossing van de ziel is pas dan afgesloten, als zij weer de reinheid heeft verkregen en bewust een kind met een rein hart is geworden.
Alleen het geloof in Mij, de Verlosser van alle zielen en mensen, brengt niet de reinheid van ziel en mens tot stand.
Verlossing kan geen enkele zonde oplossen, tenzij inzicht en berouw van de zondaar er aan voorafgaan. Verlossing betekent steun, kracht en licht voor de ziel en brengt dan de oplossing van de zonde tot stand, als de zondaar zijn zonden inziet, berouwt en niet meer doet - en het veroorzaakte weer goedmaakt, voor zover dit nog mogelijk is. Daardoor wordt het verlosserslicht tot een innerlijk vuur van liefde, dat hem vervolgens bevrijdt en hem op de weg naar het Vaderhuis tot het hart van God begeleidt.

8. Doopt hen, die geloven en berouwen, zegent en zalft hen en brengt het reine offer van de vruchten der aarde, dat Ik heb ingesteld tot Mijn gedachtenis. (Hoofdst. 87, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: alleen het geestelijke doopsel geldt. Al het andere zijn symbolen en als zodanig hebben zij geen uitdrukkingskracht, noch geldigheid, omdat zij niet tot de wet Gods behoren. De rituele zegening, zalving en het offer van de vruchten der aarde heb Ik niet voor het uiterlijke ingesteld. Het is als symbool gesproken voor het innerlijke leven en niet als uiterlijk ceremoniëel gedacht.
Slechts hij is waarachtig een geestelijk gedoopte, door wie de Geest Gods werkzaam is en die niet meer zondigt. Leert daarom jullie naasten de wet Gods te onderhouden.
Wanneer de mens de zonde heeft afgezworen, daardoor rein van hart werd en de wet Gods onderhoudt, is hij ook vervuld van de geest der waarheid. Hij is dan ook de geestelijk gedoopte.
Het is jullie opgave, de wetten van God te vervullen - en dan te onderrichten. De Heilige Geest zal dan diegene dopen, die rein van hart is. Want Ik, de Christus in de Vader, doop met het vuur van het innerlijke leven, met de Heilige Geest.

9. Ziet, Ik heb Mijn lichaam en Mijn bloed aan het kruis geofferd ter verlossing van de wereld van de zonden tegen de liefde en van de bloedoffers en feesten uit het verleden. (Hoofdst. 87, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Momenteel en in de toekomst zal het zo zijn, dat zij, die hun zonden oprecht berouwen en ze niet meer doen, ook afstand nemen van bloedoffers en buitensporige feesten. Wie niet meer tegen de onbaatzuchtige liefde zondigt, is bewust in de liefde Gods en heeft alle mensen en al het Zijn onbaatzuchtig lief - alles, wat uit God is: dieren, planten en ook stenen.
De veredelde mens en de ziel die van de liefde Gods is doordrongen, zullen zich niet meer aan het leven vergrijpen. Wie vóór God is, is ook voor zijn naasten, ook voor de dieren-, planten- en mineraalwereld.

10. En jullie zullen het brood des levens en de wijn van de verlossing in een reine gave met wierook offeren, zoals geschreven staat door Mij, en jullie zullen daarvan eten en drinken tot gedachtenis, dat Ik allen, die in Mij geloven, bevrijd heb van het oude knechtschap van jullie voorvaderen. (Hoofdst. 87, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

»En jullie zullen het brood des levens en de wijn van de verlossing in een reine gave met wierook offeren«, betekent inhoudelijk: wie een gewijd, dus van God vervuld leven leidt, wie zijn denken, spreken en handelen aan de Eeuwige wijdt, zal Mij in alles gedenken. Elke maaltijd zal een maaltijd met Mij zijn, omdat hij de gaven uit de hand van God dankbaar aanneemt en bewust tot zich neemt.
En wie in Mij, zijn Verlosser, gelooft en datgene aanneemt en verwezenlijkt, wat Ik heb onderwezen, is bevrijd van het knechtschap van de zonde.
Alles, wat uit Mijn woorden werd afgeleid en veruiterlijkt, behoort niet tot het innerlijke leven en ook niet tot Mijn leer.

11. Want dezen hadden hun buik tot een God gemaakt en offerden aan deze God de onschuldige schepselen der aarde, inplaats van de vleselijke natuur in henzelf.
12. En zij aten het vlees en dronken het bloed tot hun eigen ondergang, richtten hun lichamen te gronde en verkortten hun leven, evenals de heidenen, die de waarheid niet kennen, of die zij kenden en tot een leugen hebben omgebogen.
13. Zoals Ik jullie zend, zo zullen jullie ook anderen zenden, opdat zij deze dingen doen in Mijn naam«, en Hij legde hen Zijn handen op.
14. En op dezelfde wijze als de apostelen, zo benoemde Hij ook profeten en evangelisten en predikanten, een heilig priesterschap, en Hij legde Zijn handen op allen, die zij tot diakens kozen, ieder persoonlijk van de vier maal twaalf.
15. En dezen zijn voor de begeleiding en leiding van de universele gemeente, opdat allen onberispelijk zouden zijn, ieder op zijn plaats in de eenheid van het lichaam van Christus. (Hoofdst. 87, 11-15)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: ook de woorden in het boek, genaamd »Het evangelie van Jezus« dienen naar de zin te worden begrepen:
Mijn woord is de eeuwige waarheid. Omdat echter de eeuwige waarheid niet de taal en de woorden van de mensen heeft, vul Ik de woorden van de van God vervulde mensen met de eeuwige waarheid, opdat de mensen Mij kunnen horen en - overeenkomstig hun ontsloten bewustzijn - kunnen begrijpen.
De waarheid, de wet van het heelal, werkt in alles en is niet het omhulsel, de materie. Alles, wat de aarde aan leven voortbrengt, de natuur- en dierenrijken en ook de mens, zijn slechts weerspiegelingen van de eeuwige waarheid, van de eeuwige wet. Zo is ook het door mensenmond gesproken woord van God slechts een weerspiegeling van de waarheid. Als de mens Mij dus wil begrijpen, moet hij zich invoelen in het woord en de zin van het woord verstaan, de waarheid, die Ik in het woord van de van God vervulde mens Ben. Het woord Gods, door de mens gesproken, is de bemiddelaar van de waarheid en moet derhalve naar de zin worden begrepen.
Zoals van tijdperk tot tijdperk de mensen in hun denken, spreken en handelen aan verandering onderhevig zijn, zo veranderen ook hun begrippen en woorden. De Geest der waarheid, die Ik Ben, gebruikt in ieder tijdperk telkens de woorden en begrippen van de in haar levende profetische en verlichte mensen.
Tegenwoordig [1989] hebben veel woorden en begrippen een andere betekenis dan in vroegere tijden. Dientengevolge verklaar en verbeter Ik het neergeschrevene, als de hedendaagse begrippen [1989] van de toenmalige afwijken. Ook moet rekening worden gehouden met de woordenschat van de overbrengers, die de goddelijke boodschap telkens in de woorden van hun eigen tijd hebben gebracht.
Als de overbrenger de goddelijke boodschap door inspiratie opneemt, gebruikt de Geest van het leven ter overbrenging van de waarheid de woordenschat en de begrippen van de ontvanger. Daarom moeten, zoals geopenbaard, de woorden naar de zin worden begrepen - dus inhoudelijk en niet letterlijk - worden opgenomen. Wie vasthoudt aan de letter, houdt het materiële omhulsel voor de waarheid en kan de zin van het levende woord niet begrijpen. Daarom betekent het: verwezenlijkt eerst hetgeen jullie kunnen begrijpen; dan verruimt zich jullie geestelijke bewustzijn voor verdere aspecten uit de eeuwige waarheid en kunnen jullie geleidelijk meer begrijpen en verwezenlijken.
Daarom moeten ook woorden zoals b.v. „evangelisten”, „predikanten”, „heilig priesterschap” en „diakens” naar de zin worden begrepen. De overbrenger, die de boodschap vele aardse jaren geleden neerschreef, nam zijn woordenschat en de begrippen, die voor hem voor de gemeenschappen en gemeenten der mensen in de Geest Gods gangbaar waren.
Ik herhaal: de Geest des levens legt de waarheid in het woord van de van God vervulde mensen en de mens spreekt het woord in zijn moedertaal uit. De Geest, God, kan slechts die woorden van de mens gebruiken, die de mens zelf vertrouwd zijn. Daarom moeten de woorden der waarheid naar de zin worden begrepen. Daarom moet Ik steeds weer verklaren en verbeteren. Dat gold en geldt in alle tijdperken.

Ik verklaar: Ik sprak tot de Mijnen in deze zin: Ik zal profeten benoemen, en verlichte mannen en vrouwen zullen getuigenis afleggen van het leven in God. Te allen tijde zal er een schare zijn van vervulde mensen, die naar God streven, die steeds meer Gods wil vervullen. En zij, die Gods wil vervullen, zullen in de gemeenschap, in de broederschap met Mij, de Christus, leven. Velen van hen, die geroepen zijn, zullen gemeenten stichten in Mijn Geest.
Totdat alle mensen in Mij, de Christus, leven, zijn er oudsten nodig, geestelijke leraren, leiders en genezers in de gemeenten. Uit de oergemeenten in Mij, de Christus, zullen steeds weer oudsten, leraren, leiders en genezers voortkomen, die met de leden van de oergemeenten alles bespreken en gezamenlijk afstemmen en dan, hetgeen samen werd besloten, inleiden en ten uitvoer brengen.
Deze gemeenten zijn het oerbeeld van het leven in de gemeenschap van de mensen met Mij. De oudsten, leraren, leiders en genezers zijn met de leden van de gemeente gelijkgesteld. Allen zijn onder elkaar broeders en zusters in Mij, de Christus. Totdat echter alle mensen één volk zijn geworden in Mij, de Christus, en de wetten van de liefde en het leven naleven en uitsluitend de herder, Christus, navolgen, zijn er oudsten, leraren, leiders en genezers nodig, die zich echter niet boven de andere gemeenteleden verheffen.
Wanneer de lichttijd de aarde heeft omgeven, zullen er geen leraren, leiders en genezers meer zijn, omdat het fijnstoffelijke rijk het rijk Gods op aarde omsluit; er zal een gemeenschap zijn tussen mensen en wezens van het licht en er zal een heerser en leider zijn - Christus. En zoals boven zo zal het ook beneden, dus op aarde in het rijk Gods, zijn.
Als Mijn leven het leven van alle leden van de oergemeenten is, zullen ook de zogenaamde oudsten in de oergemeenten andere functies overnemen. Het zijn dan de ouderen en wijzen, die bekend zijn met alle dingen van het innerlijke leven en die ook de ontwikkeling naar het vredesrijk van Jezus Christus kennen; zij kunnen ook door de leden van de oergemeenten in veel dingen worden geraadpleegd.





HOOFDSTUK 88

De achtste dag na de opstanding

Israël en Jeruzalem zijn daar, waar mensen
Gods wil vervullen - De zondige wereld erkent de ware zonen en dochters niet, ook niet de hoogstaande vrouw, die voor Christus de weg bereidt (1-3). Door haar straalt Hij Zijn licht over de hele aarde (4-7). Bereidwillige mensen vinden de weg van het innerlijk (8). De duisternis zal in de strijd tegen het licht der wereld het onderspit delven (9-10). Christus’ verlossersdaad verhinderde het voornemen van de vrouwelijke engel: het terugontwikkelen van alle levensvormen en de oplossing van de schepping (11-12)

1. En na zeven dagen waren Zijn discipelen weer in de bovenste ruimte. De deuren waren gesloten. Toen kwam Jezus en stond in hun midden en sprak: »Vrede zij met jullie!« En Hij werd door hen herkend bij het heilige gedachtenismaal.
2. En Hij sprak tot hen: »Hebt elkander lief en alle schepselen Gods! Doch Ik zeg jullie, het zijn niet allemaal mensen, die de gestalte van mensen hebben. Zijn dit mannen of vrouwen naar het evenbeeld van God, die gewelddadigheid plegen, onderdrukking en onrecht en eerder een leugen dan de waarheid spreken?
3. Neen, waarachtig, niet voordat ze wedergeboren worden en de geest van liefde en wijsheid in hun harten opnemen. Want alleen dan zijn zij zonen en dochters van Israël, en als zij van Israël zijn, zijn zij als zodanig kinderen Gods. En daarom Ben Ik in de wereld gekomen en daarom heb Ik geleden in de handen van de zondaars.«
(Hoofdst. 88, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie het gebod van de onbaatzuchtige liefde niet onderhoudt, heeft zijn medemensen, noch de dieren-, planten- en mineraalwereld, lief.

Alleen zij, die onbaatzuchtig liefhebben, hebben hun naasten en al het Zijn onbaatzuchtig lief, evenals dieren, planten en stenen. Wie niet leeft in de liefde uit God, geeft ook niet uit de stroom van de onbaatzuchtige liefde en is daarom blind voor de waarheid. Een blinde slaat blind - zoals hij is - om zich heen. Hij denkt alleen aan zichzelf en wordt daardoor een zoon of een dochter van de wreedheid.

Daarom zijn niet allen, die de gestalte van mensen hebben, bewuste evenbeelden van God. Slechts zij zullen waarachtig zonen en dochters van God heten, die het onbaatzuchtige leven nastreven en één zijn met hun medemensen en met alle levensvormen. En alleen zij zullen waarachtig zonen en dochters van Israël heten, die in het ware Israël, in het ware Jeruzalem, leven en de wil van God in het ware Israël en in het ware Jeruzalem vervullen. Want Israël en Jeruzalem zijn daar, waar mensen moeite doen, Gods wil te vervullen. Israël en Jeruzalem zijn daar, waar het heil in een brede stroom over de aarde stroomt.
Wie meent, dat Israël en Jeruzalem, waar Ik tweeduizend jaar geleden als Jezus van Nazareth werkzaam was, ook het Israël en het Jeruzalem van de komende tijd van de geest zullen zijn, vergist zich: het komt niet aan op de plaats, maar op de straling van de aarde. Uit de aarde komt de straling voor het rijk Gods op aarde tevoorschijn. Zij zal zich daar opbouwen, waar mensen zijn, die waarachtig zonen en dochters van God heten.
Omdat de zonen en dochters van het oude Israël Mij niet hebben aangenomen, heb Ik geleden in de handen van de zondaars. Het oude Israël en het oude Jeruzalem bleven in hun zonde en zullen vergaan.

Uit het puin van de oude, zondige wereld komen het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem tevoorschijn, het rijk Gods op aarde. De zonen en dochters van God, die het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem laten ontstaan, worden - net zoals Ik als Jezus van Nazareth - vervolgd, bespot en belasterd. De zondige wereld, die bestaat uit de zonen en dochters van de wreedheid, zal de bewuste zonen en dochters van God niet herkennen - zoals zij ook Mij, de zoon Gods, hun Verlosser, niet heeft herkend.
Ook de hoogstaande vrouw, het geestwezen in het aardse kleed, die onder hen vertoeft, om Mij, de Christus, de weg te bereiden, wordt, zoals Ik als Jezus van Nazareth, slechts door weinigen herkend - niet door de wereld, ook niet door allen in de binnenste kring. Veel zonen en dochters van de wereld zijn tegen haar, omdat zij standvastig instaat voor het evangelie van de liefde en in Mij, de Christus, leeft - en met Mij in de Vader voor de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus, die Ik Ben.
Zoals de joden nu nog steeds op de Messias wachten en Mij, de Christus, de Messias, niet aannemen, net zo vergaat het de vrouw, die Mij, de Christus, voorgaat, om Mijn komst voor te bereiden.
Veel mensen spraken over de Messias en herkenden Mij niet, toen Ik als Jezus van Nazareth onder de mensen vertoefde. Veel mensen spreken - zoals het lang geleden werd doorgegeven - over een hoogstaande vrouw, die de Heer voorgaat, om Hem de wegen te bereiden. Zij is als mens onder de mensen - maar zij herkennen haar niet. Zoals Ik zonder herkend te worden van de aarde Ben gegaan, zo zal ook zij zonder herkend te worden van de aarde gaan. Velen zullen op de hoogstaande vrouw blijven wachten, die voor Mij, de Christus, de wegen bereidt; en toch was zij reeds onder hen.
Pas wanneer de tijd rijp is, wanneer de waarheid tot doorbraak komt, zullen de mensen inzien, dat de deelstraal van de goddelijke wijsheid in het aardse kleed onder hen vertoefde: de hoogstaande vrouw in Mij, de Christus, en wij in God, onze eeuwige Vader, voor de Nieuwe Tijd, het rijk van Christus.
Met de woorden „de hoogstaande vrouw” is niet de mens bedoeld, maar het wezen in God, dat in het aardse kleed vertoeft [1989].

4. En Jezus sprak: »Ik heb temidden van de wereld gestaan en werd gezien en gehoord in het vlees, en Ik vond alle mensen oververzadigd van hun eigen begeerten en dronken van hun eigen dwaasheden en Ik vond niemand, die hongerde en dorstte naar de wijsheid Gods. Mijn ziel treurt over de mensenkinderen; want zij zijn blind in hun harten en doof in hun zielen en horen Mijn stem niet.
5. Dit zijn de woorden, die Ik tot jullie gesproken heb, toen Ik nog bij jullie was, opdat alles vervuld zou worden wat er over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en bij de profeten en in de psalmen.«
6. En Hij opende hun begrip, opdat zij de schrift zouden kunnen begrijpen en sprak tot hen: »Zo staat het geschreven en zo kwam het Christus toe, te lijden en van de dood op te staan op de derde dag. En boete en vergeving van de zonden zou in Mijn naam gepredikt moeten worden onder alle volkeren, uitgaande van Jeruzalem. En jullie zijn daarvoor getuigen.
7. En Ik zend jullie de belofte van Mijn Vader, die jullie niet gezien hebben op aarde. Want waarlijk, Ik zeg jullie, zoals de hele wereld vernietigd werd door de zonde en de ijdelheid van een vrouw, zo zal zij worden gered door de eenvoud en waarheid van een vrouw, en door jullie moet zij worden gered. (Hoofdst. 88, 4-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat geschreven: »Ik stond temidden van de wereld en werd gezien en gehoord in het vlees, en Ik vond alle mensen oververzadigd van hun eigen begeerten en dronken van hun eigen dwaasheden, en Ik vond niemand, die hongerde en dorstte naar de wijsheid Gods«.
Bijna tweeduizend jaar zijn voorbijgegaan. Nog steeds zijn veel mensen oververzadigd van hun eigen begeerten en dronken van hun eigen dwaasheden. Ik stond waarlijk temidden van de wereld - en Ik vond weinig mensen, die hongerden en dorstten naar de wijsheid Gods.
Zo vergaat het ook de vrouw, die Mij de wegen bereidt. Zij staat midden in de wereld. Mijn woord, het woord van het heil, weerklinkt door haar als het profetische woord en doordringt de hele wereld [1989]. Velen horen Mijn woorden door haar - en blijven toch zondaars. Velen echter keren om en trachten de oude, zondige wereld te laten, dus niet langer te zondigen, om toe te treden tot de schare van hen, die de Nieuwe Tijd oprichten, de tijd van Christus, die Ik Ben.
Omdat de oude wereld zondig bleef, zal zij ook in haar zonden sterven - en met haar al die mensen, die de zonde huldigen.

Er staat geschreven: »... Zoals de hele wereld werd vernietigd door de zonde en de ijdelheid van een vrouw, zo zal zij worden gered door de eenvoud en waarheid van een vrouw, en door jullie moet zij worden gered«.
Erkent: een vrouw, dus een vrouwelijk geestwezen, de manifestatie van het vrouwelijke deel van God, veroorzaakte de val. God, de Eeuwige, is zowel mannelijk als vrouwelijk; dat betekent: Hij is gevend en ontvangend. Het vrouwelijke principe, het gemanifesteerde vrouwelijke deel van God, wilde zijn als het mannelijke principe, als God in Zijn alomtegenwoordigheid, mannelijk en vrouwelijk, gevend en ontvangend, de Alstroom, het Zijn.
De vrouw, van wie geschreven staat »... zo zal zij worden gered door de eenvoud en waarheid van een vrouw, en door jullie zal zij gered worden« is de deelstraal - de serafijn - van de goddelijke wijsheid, het hoge geestwezen voor de troon van de Almachtige - thans [1989] in het aardse kleed. Met de zonen en dochters van God draagt zij bij tot redding van velen. Samen met hen richt zij de nieuwe wereld op, het rijk Gods op aarde.
Het woord „eenvoud” betekent „gewoon”. Werkelijk eenvoudig, zonder rang en aanzien in de wereld, zonder een grote naam gaat zij over de aarde - en Ik, Christus, straal Mijn licht door haar over de hele aarde naar alle mensen, die bereid zijn, Mijn heilige woord aan te nemen en te vervullen. Ik breng de waarheid, de weg en het leven, het Ik Ben, aan hen, die in Mij geloven, die verwezenlijken en vervullen, wat Ik hen door het profetische woord leer en schenk: de wet Gods - zoals vroeger als Jezus van Nazareth.
Wat Ik als Jezus van Nazareth onderwees, onderwijs Ik opnieuw en verdiep het als Christus door haar, die Mij voorgaat, de vrouw voor Gods troon. Zij is het, die onherkend blijft, totdat de waarheid zich in de harten der mensen heeft gevestigd. En zij, die dan vervuld zijn van de waarheid en uit de waarheid spreken en geven, zullen haar herkennen en getuigenis afleggen van de vrouw, die in het aardse kleed door de wereld niet werd herkend, die echter leefde en werkte voor de waarheid en de waarheid in Mij, de Christus, in de hele wereld bracht.
Veel wezens van het licht staan in Mijn opdracht van de verlossing, om de wet van de liefde in de wereld te brengen en zichtbaar te laten worden: het rijk Gods op aarde. De voor mensen onzichtbare wezens uit God bereiden voor de geliefde dochter der wijsheid en voor de zonen en dochters van God de wegen in de Nieuwe Tijd.
De zendingswoorden, die Ik tot Mijn apostelen en discipelen sprak, golden niet alleen voor hen, maar zij werden tevens gesproken voor alle mensen en voor alle zonen en dochters van God op aarde, die steeds meer de wil van de Eeuwige vervullen.

8. Verheugt jullie dus en weest blij; want jullie zijn meer gezegend dan allen op aarde; want jullie, Mijn twaalfduizend, zijn het, die de hele wereld zullen verlossen. (Hoofdst. 88, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De woorden »... want jullie, Mijn twaalfduizend, zijn het, die de hele wereld zullen verlossen«, moeten naar de zin worden begrepen.
Het getal had in de toenmalige tijd een andere betekenis dan in de tegenwoordige, jachtige tijd [1989], die door de Eeuwige reeds werd verkort. Houdt jullie niet vast aan getallen, maar alleen aan Mij, de Christus.
Erkent: niet zij zullen de wereld verlossen, die in Mij, de Christus, leven en onder Mijn opdracht staan; zij dragen er echter wel toe bij, dat de gewillige mensen Mij, hun Verlosser, erkennen en op de weg van het innerlijk, die Ik hen leer, tot het hart van God komen.

9. En opnieuw zeg Ik jullie, toen de grote tiran en al de zeven tirannen tevergeefs tegen het licht begonnen te strijden, wisten zij niet, met wie en tegen wie zij streden.
10. Want zij zagen niets dan een verblindend licht en toen zij streden, verspilden zij hun kracht, de een tegen de ander, en zo is het. (Hoofdst. 88, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

„De grote tiran” was de aanvoerder der demonen. De andere zeven tirannen vormden met hem het hoofd van de duisternis, want de duisternis trachtte en tracht haar territorium zo op te richten, als het rijk Gods is opgebouwd: de Eeuwige en de zeven hemelvorsten.
Toen Ik, de mederegent, uit de hemelen ging, was Mijn licht afgedekt. Ik ging door de satanische hiërarchieën - die na de verlossersdaad reinigingsgebieden werden - en werd niet herkend. Pas toen Ik het kleed van de materie aannam, Mij dus incarneerde, werd Ik door de duisternis herkend. Vanaf dat ogenblik streed de macht van de duisternis tegen Mij, om de hand aan Mij te leggen.
Erkent: wie tegen zijn naaste strijdt, verspilt zijn psychische en fysieke krachten en wordt daardoor steeds zwakker. Op deze wijze verzwakt sinds de val de duisternis zichzelf en zal steeds meer terrein verliezen. Het licht der wereld, het Ik Ben, zal zegevieren en de hele aarde omstralen en er zal vrede zijn in de mensen, die in de straal van het licht leven.

11. En daarom nam Ik een vierde van hun kracht, opdat zij niet zoveel kracht zouden hebben en in hun slechte daden volharden.
12. Want door involutie en evolutie zal de verlossing van de wereld worden voleindigd: door het nederdalen van de Geest in de materie en het omhoogstijgen van de materie in de geest, door alle tijden.« (Hoofdst. 88, 11-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik verbeter de volgende uitspraak: »En daarom nam Ik een vierde van hun kracht, opdat zij niet zoveel kracht zouden hebben en in hun slechte daden volharden.« Niet Ik nam en neem de mens kracht af. Zijzelf verspillen hun levenskracht door hun onwetmatige denken, spreken en handelen en in de strijd met hun naasten.
Erkent: als de zielen op deze wijze steeds meer aan levenskracht hadden verloren, zou hebben plaatsgevonden hetgeen de vrouw, die wilde zijn als God, trachtte te bereiken: de oplossing van de goddelijke schepping, zodat alle levensvormen opgelost in de oerstroom, in de oerenergie, zouden zijn overgegaan. Ieder geestwezen, elke ziel en elke andere levensvorm zou zich geleidelijk hebben opgelost.
Want het vrouwelijke principe, de vrouwelijke engel, de vrouwelijke manifestatie van God, wilde weer de oertoestand: alles doorstromende, alomtegenwoordige oerenergie zonder geestelijke levensvormen. Want dan zou zij weer in de alomtegenwoordige oerstroom zijn geweest, zou zodoende de Vader-Moeder-God overwonnen hebben en zou zich als alomtegenwoordige godin zelf hebben geschapen en uit zichzelf alle levensvormen.
Het was dus haar wens, dat alle zielen steeds meer aan levenskracht zouden verliezen, zodat de vormgeworden substantie, de ziel en het geestlichaam, zich weer terugontwikkelen en weer in de oerstroom overgaan. Uit de oerstroom zou zij dan opnieuw hebben geput en geschapen.
Met Mijn verlossersdaad en het inbrengen van het verlosserslicht in alle zielen en mensen riep Ik deze terugontwikkeling een halt toe. Sinds Mijn verlossersdaad is het niet langer mogelijk, dat de door God geschapen levensvormen zich kunnen oplossen en in de oerenergie, in de vloeiende stroom, in de scheppingsstroom, kunnen overgaan. Elke ziel kan zich wel belasten, echter niet oplossen. In de verlossersdaad is de evolutie van de ziel aangelegd.
De Geest Gods in Mij, de Christus, daalde neer in de materie; het is de deelkracht van de Oerkracht. Deze deelkracht van de Oerkracht in de zielen zal weer met de zielen in het eeuwige Zijn opstijgen. Dit geschiedt „door alle tijden heen” door transformatie en evolutie - totdat elke ziel weer reine geestelijke vorm geworden is, het geestwezen in God, zoals het uit God voortkwam.
De Vader-Moeder-God in Zijn zoon, die Ik Ben, Christus, is de overwinning over het donkere en de materie.





HOOFDSTUK 89

Jezus verschijnt aan het meer van Genezareth

De verrezene ontmoet Zijn discipelen (1-5).
De ware discipelen: wegwijzers, geen herders; rotsen van het geloof en de Godsvervulling - De oergemeenten zijn de ene kudde van de herder Christus (6-8). De sleutels van het hemelrijk (9). „Omgord” en geleid door het menselijke ik of door de Eeuwige (10). Wat je naaste doet, gaat jou niet aan (11-12)

1. Daarna toonde Jezus zich nogmaals aan Zijn discipelen aan het meer van Tiberias op deze wijze: bij elkaar waren Simon Petrus en Thomas, genaamd Didymus, en Nathanaël van Kana in Galilea en Jacobus en Johannes en nog twee van Zijn discipelen.
2. Petrus zei tot hen: »Ik wil gaan vissen.« Zij zeiden tegen hem: »Dan willen we met jou meegaan.« Ze gingen naar buiten en stapten meteen in een boot en in diezelfde nacht vingen zij niets. En toen het ochtend was geworden, stond Jezus aan de oever; maar de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.
3. Toen sprak Jezus tot hen: »Kinderen, hebben jullie iets te eten?« Zij antwoordden Hem: »Niet genoeg voor allemaal. Slechts een klein brood, een beetje olie en een paar gedroogde vruchten.« En Hij sprak tot hen: »Laat dat genoeg zijn. Komt en eet!«
4. En Hij zegende hen, en zij aten en werden verzadigd. En er was ook een kruik met water en Hij zegende die eveneens en zie, het werd tot de vrucht van de wijnstok.
5. En zij verwonderden zich en zeiden: »Het is de Heer.« En niemand van de discipelen waagde het Hem te vragen: »Wie ben Jij?« Want zij wisten, dat het de Heer was. (Hoofdst. 89, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Doordat Ik de trilling van Mijn geestlichaam naar beneden transformeerde en de trilling van hun zielen verhoogde, werd Ik voor Mijn apostelen en discipelen zichtbaar.
Daarmee toonde Ik hen, dat Ik met hen Ben. Wij ontmoetten elkaar dus op een hoger trillingsniveau. Zij herkenden Mij echter pas, toen Ik hetzelfde of ongeveer zo sprak of deed als Jezus van Nazareth. Hetgeen hen aan Mij herinnerde kon Ik ook in hen oproepen, want deze beelden hadden zich in hun innerlijk geprent, zodat zij Mij daaraan herkenden.
Ik at en dronk echter niet de materiële substantie met hen, want het geestelijke lichaam leeft uitsluitend van de reine substantie, God.

6. Het was nu de zesde keer, dat Jezus zich aan Zijn discipelen toonde, nadat Hij uit de dood was opgestaan. Toen zij nu gegeten hadden, sprak Jezus tot Petrus: »Zoon van Jonas, heb je Mij meer lief dan dezen?« Hij zei tot Hem: »Ja, Heer, Je weet, dat ik Je liefheb.« Hij sprak tot hem: »Weid Mijn lammeren!« Voor de tweede keer vroeg Hij hem: »Petrus, zoon van Jonas, heb je Mij lief?« Hij zei tot Hem: »Ja, Heer, Je weet, dat ik Je liefheb.« Hij zei tot hem: »Weid mijn schapen!«
7. Hij sprak voor de derde keer tot hem: »Petrus, zoon van Jonas, heb je Mij lief?« Petrus was verdrietig, dat Hij voor de derde keer vroeg: heb je Mij lief? En hij zei tot Hem: »Heer, Jij weet alles, Jij weet, dat ik Je liefheb.«
8. Jezus sprak tot hem: »Weid Mijn kudde. Waarlijk, waarlijk, Ik zeg je: jij bent een rots uit de grote rots en op deze rots wil Ik Mijn gemeente bouwen, en Ik wil je verhogen onder Mijn twaalf, tot Mijn plaatsvervanger op aarde, tot een middelpunt van eenheid voor de twaalf, en een ander zal worden benoemd en gekozen, om jouw plaats onder de twaalf te bekleden, en je zult de dienaar der dienaren zijn en Mijn rammen, Mijn schapen en Mijn lammeren weiden. (Hoofdst. 89, 6-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De vraag aan Petrus is tot alle mensen gericht, die steeds meer Gods wil vervullen en tot de wet van de liefde worden.
Ik, de verrezene, sprak niet met de stem der mensen, want Ik was niet langer mens. Mijn geestelijke kleed, het geestlichaam, was en is het evenbeeld van de Vader. Met de stem van het heelal sprak Ik in de stem van het hart van hen, die Mij vermochten waar te nemen. Mijn goddelijke woorden »... Heb je Mij meer lief dan dezen« waren niet alleen tot Petrus gericht, maar tot de aanwezige discipelen en uiteindelijk tot alle mensen. Want diegene heeft het meeste lief, die de wet Gods grotendeels vervult en Mij meer liefheeft dan de wereld.
Zulke mensen zijn rotsen in de branding, sterk in hun geloof en Godbewust. Hen is het gegeven, het evangelie van de liefde uit te leggen en de wetten van het leven te onderrichten - omdat zij zelf putten uit de Geest Gods en leven in de Geest van de Heer. Zulke mensen kunnen uit de Geest van de Eeuwige Mijn lammeren op de weiden van het eeuwige leven begeleiden en hen naar de landouwen van het geestelijke Zijn leiden, omdat Ik leef en werk door hen, die in de geest van de liefde en in de wet Gods leven en deze kennen. Hen is de kracht gegeven, Mijn schapen te onderrichten, hen de wet van het leven bij te brengen, opdat ook zij de weg naar de weiden van het leven vinden en lammeren worden, om zich met de Eeuwige te verenigen.
Wie in de wet van het leven, in God, leeft, zal de schapen naar die ene kudde leiden, waarvan Ik, Christus, de herder, Ben. Hij zal trachten te voorkomen, dat de schapen worden verstrooid of zich afzonderen. Hijzelf zal echter slechts wegwijzer zijn - en niet de herder.
Uit de mensen, die in Mij tot een rots van geloof en Godsvervulling zijn geworden, zullen de universele gemeenten in Mij, de Christus, ontstaan.
De woorden „plaatsvervanger” en „middelpunt” hebben nu [1989] een andere betekenis. Het middelpunt onder de oergemeenten is de eerste oergemeente, de bondgemeente Nieuw Jeruzalem met haar oudsten, leraren, leiders en genezers; zij is de plaatsvervangster voor alle oergemeenten. Zij is het centrale licht van alle gemeenten en belichaamt de eenheid.
De leden van de oergemeenten doen hun best, om met elkaar te onderhouden, hetgeen Ik hen heb geboden: elkander en alle schepselen van de aarde in onbaatzuchtige liefde toegenegen te zijn. En de mens, wiens geestelijke bewustzijn het meest gerijpt is, moet in Mijn oergemeenten de dienaar zijn van allen en de leden van de gemeenten dienen. Hij moet met alle leden van de oergemeenten de rammen, schapen en lammeren tot de hoogten van het leven leiden, zodat het één kudde wordt, waarvan Ik, Christus, de herder Ben.

9. En nog een ander zal opstaan en hij zal vele dingen onderrichten, die Ik jullie reeds heb geleerd, en hij zal het evangelie verspreiden onder de heidenen met grote ijver. Maar de sleutels van het hemelrijk wil Ik aan hen geven, die jou navolgen in Mijn geest en Mijn wet gehoorzamen. (Hoofdst. 89, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»En nog een ander zal opstaan en hij zal vele dingen onderrichten, die Ik jullie reeds heb geleerd, en hij zal het evangelie verspreiden onder de heidenen met grote ijver« betekent: na Mijn opstanding, in de daaropvolgende tijdperken, zullen nog anderen de wereld ingaan en het evangelie, de wet van de liefde, verspreiden, dat Ik heb onderwezen. De sleutels van het hemelrijk zijn echter in Mij en in hen, die Mijn wil doen. Ik zal door hem werken, die Mij navolgt, door de wetten van de liefde en het leven in acht te nemen. Ik zal door hem voor veel mensen de hemelen openen tot heil en tot leven van hun ziel.
Deze woorden waren niet alleen voor Petrus bestemd, maar voor alle aanwezige discipelen en zij zijn ook bestemd voor alle mensen, die in latere tijden Mijn ware navolgelingen werden en worden en die in de broederschap met Mij leefden en zullen leven. Want wie de wetten van God verwezenlijkt en vervult, leeft bewust in Mij en Ik leef door hem. Hij wordt een ware wegwijzer van Innerlijk Leven, die de schapen tot Mij, de ene herder, Christus, leidt.
Want Ik alleen Ben de weg, de waarheid en het leven. En Ik, Christus, Ben de sleutel tot de poorten van de hemel, de sleutel tot de poort van het leven.

10. En nogmaals zeg Ik je: toen je jong was, omgordde je je en ging je, waarheen je wilde; als je echter oud wordt, zul je je hand uitstrekken en een ander zal je omgorden en je leiden, waarheen je niet wilt.« Dat echter zei Hij, om aan te tonen, met welke dood Hij God zou verheerlijken.
(Hoofdst. 89, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Zolang de mens zich met zijn menselijkheid omgordt, gaat hij, waarheen het menselijke ik hem leidt. Wanneer hij echter rijper is geworden en de hand uitstrekt naar de Eeuwige, zal de Eeuwige hem omgorden en hem leiden - niet, waarheen de mens wil, maar daarheen, waarnaar de ziel verlangt.
Hij wordt een rechtvaardig mens, die het evangelie van de liefde, de wet Gods, in de wereld verspreidt en weer mensen rond zich schaart. Onder hen zullen er weer zijn, die rein van harte zijn en eveneens het evangelie van de liefde en van het leven verder dragen. Deze mensen zijn omgord met het sieraad van de liefde, de schoonheid, de deugd en de reinheid.

11. En toen Hij dit gezegd had, sprak Hij tot hem: »Volg Mij na!« Petrus echter draaide zich om en zag de discipel, die Jezus liefhad. En toen hij hem zag, zei hij tot Jezus: »Heer, en wat moet deze doen?« Jezus sprak tot hem: »Als Ik wil, dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat jou dat aan? Volg jij Mij na!«
12. Toen ontstond er een gerucht onder de broeders, dat deze discipel niet zou sterven. Maar Jezus sprak niet tot hem: »Hij zal niet sterven, maar: als Ik wil, dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat jou dat aan?« (Hoofdst. 89, 11-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De inhoudelijke woorden »Als Ik wil, dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat jou dat aan« betekenen: en zelfs wanneer hij in de komende tijden steeds weer in het aardse kleed gaat, om Mij op aarde te dienen - wat gaat jou dat aan?
De woorden »... wat gaat jou dat aan?« zeggen ook: houd je niet bezig met je naaste, of hij Mij wil navolgen of niet. Volg jij Mij na en help met jouw verwezenlijking de nog zwakkeren, opdat ook zij in de navolging treden door jouw goede voorbeeld. Wanneer en hoe - laat dat aan Mij over en aan je naaste. Want wat jouw naaste doet, moet hij voor God verantwoorden en dat gaat alleen God en Zijn kind aan - niet jou.





HOOFDSTUK 90

Wat is waarheid?

Over het vermogen
de eeuwige waarheid te begrijpen (1-3). Alles is bewustzijn (4-5). De mens kan slechts de verwezenlijkte waarheid begrijpen - Het bereiken van de volmaaktheid (6-11). Wie heeft de waarheid? (12). Wie geen onbaatzuchtige liefde heeft, leeft niet in de waarheid en herkent haar niet - Ieder mens wordt overeenkomstig zijn bewust zijnsgraad geleid (13-16)

1. En weer waren de twaalf verzameld in de kring van de palmen en een van hen, namelijk Thomas, sprak tot de anderen: »Wat is waarheid? Want dezelfde dingen lijken voor dezelfde mensen op verschillende tijden verschillend. Wat is dus waarheid?«
2. En toen zij zo spraken, verscheen Jezus in hun midden en sprak: »De waarheid, de ene en absolute, is in God alleen; want niemand, geen enkel mens weet, wat God alleen weet, die in alles is. Want aan mensen kan de waarheid worden onthuld overeenkomstig hun vermogen te begrijpen en te bevatten.
3. De ene waarheid heeft veel aspecten, en de een ziet slechts het ene aspect, de ander het andere en sommigen zien meer dan anderen, zoals het hen gegeven is.
(Hoofdst. 90, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De eeuwige waarheid straalt in vele facetten in deze wereld. Maar eenieder kan er slechts zoveel van ontvangen en begrijpen, als hijzelf uit de eeuwige waarheid heeft verwezenlijkt, zo ver dus als zijn geestelijke bewustzijn ontsloten is.
Het „vermogen te begrijpen en te vatten” betekent: zijn geestelijke bewustzijn - door verwezenlijking en vervulling van de wetten van God - zo ver te hebben ontsloten, om de wet, God, de waarheid, op de juiste wijze te begrijpen, alsook de vele facetten der waarheid, die in deze wereld stralen.
De goddelijke wetten worden aan de mensen geleerd en daarmee onthuld. Aan de mens, die ernaar leeft, zal het ene facet na het andere zich onthullen. Op deze wijze ontwikkelt zich zijn geestelijke bewustzijn en kan hij steeds meer uit de waarheid opnemen en begrijpen.

„... zoals het hen gegeven is” betekent: in de mate waarin de mens uit de eeuwige waarheid, de wet Gods, heeft verwezenlijkt, is ook zijn geestelijke bewustzijn ontwikkeld. Met het onsloten gedeelte van zijn geestelijke bewustzijn schouwt hij dat facet van de waarheid, dat voor hem duidelijk is, overeenkomstig de graad van zijn verwezenlijking. De een, die meer facetten uit de eeuwige waarheid heeft verwezenlijkt, schouwt verder, de ander, die minder facetten heeft ontsloten, schouwt ook minder. De mens begrijpt dus overeenkomstig hetgeen hij van zijn geestelijke bewustzijn heeft ontsloten, meer of minder uit de eeuwige waarheid.

4. Ziet deze kristal: zoals het ene licht openbaar is in twaalf vlakken, ja in vier maal twaalf, en ieder vlak een straal van het licht terugwerpt, en de een het ene vlak en een ander een ander bekijkt, zo is het toch die ene kristal en het ene licht, dat in allen schijnt.
5. En ziet, als iemand een berg bestijgt en hij een bepaalde hoogte heeft bereikt, zegt hij: daar is de top van de berg, laten we hem bereiken; en wanneer hij deze hoogte heeft bereikt, ziet, dan is er een andere daarboven, tot hij op die hoogte komt, van waaruit geen andere meer te zien is, voor zover hij haar kan bereiken. (Hoofdst. 90, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De oneindigheid is te vergelijken met een machtige kristal, die de verschillende aspecten van de eeuwige waarheid uitstraalt. Alles is bewustzijn. Daarom is in alles, in elke bouwsteen van de oneindigheid, de gehele waarheid besloten.
Ieder mens beschouwt de waarheid van een andere kant of vanuit een andere fase, dat wil zeggen, een andere rijpingsgraad van de ziel. De ware wijze heeft alle facetten van de waarheid ontsloten en schouwt in alles de eeuwige waarheid.
Wie in de waarheid leeft, heeft het oog van de waarheid. Daarmee schouwt hij ook het menselijke. Wie in de waarheid leeft, spreekt het menselijke aan, maar hij leeft niet in het menselijke.

6. Zo is het ook met de waarheid. Ik Ben de waarheid, de weg en het leven, en Ik heb jullie de waarheid gegeven, die Ik van boven heb ontvangen. En wat door de een wordt gezien en ontvangen, wordt niet gezien en ontvangen door een ander. Wat voor de een als waar voorkomt, lijkt niet waar voor de ander. Zij, die beneden in het dal staan, zien niet, wat zij zien, die op de top van de berg staan.
7. Maar voor allen is dat de waarheid, zoals het individuele verstand haar ziet, en zo lang, tot een hogere waarheid hieraan geopenbaard wordt; aan de ziel, die meer licht vermag te ontvangen, zal meer licht worden gegeven. Verwerpt daarom de anderen niet, opdat jullie niet verworpen worden.
8. Als jullie je aan de heilige wet van de liefde willen houden, die Ik jullie gegeven heb, zal de waarheid steeds meer aan jullie worden onthuld, en de Geest der waarheid, die van boven komt, zal jullie in de gehele waarheid leiden, zij het ook op vele dwaalwegen, zoals de vurige wolk de kinderen van Israël door de woestijn heeft geleid.
9. Vertrouwt het licht, dat jullie hebben, totdat jullie een hoger licht gegeven wordt. Zoekt meer licht en jullie zullen overvloed hebben. Rust niet, tot jullie vinden.
10. God geeft jullie alle waarheid ter bevrijding en vervolmaking van de ziel, zoals een ladder met vele treden. De waarheid van vandaag zullen jullie verlaten voor de hogere waarheid van morgen. Streeft naar volmaaktheid.
11. Zij, die de heilige wet onderhouden, die Ik gegeven heb, zullen hun zielen redden, hoe verschillend ze ook de waarheid, die Ik hen gegeven heb, mogen zien.
(Hoofdst. 90, 6-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De uitspraak: »En wat door de een wordt gezien en ontvangen, wordt niet gezien en ontvangen door een ander« heeft de volgende betekenis: de eeuwige waarheid straalt in talloze facetten in de oneindigheid. Door de eeuwige waarheid leeft het hele universum, al het Zijn. Het goddelijk-fijnstoffelijke universum, het reine Zijn, is daarom weer de waarheid. Alle aspecten van het bewustzijn leven door het leven, dat de waarheid is - en alle goddelijke bewustzijns-aspecten zijn weer de waarheid.
Overeenkomstig zijn denken en leven heeft ieder mens zijn geestelijke bewustzijn ofwel overschaduwd met het negatieve, met het egoïstische, of verruimd door een positief, aan Godgewijd leven.
De mens herkent naar gelang zijn bewustzijnsgraad veel of slechts weinig facetten uit de eeuwige waarheid of, als hij slechts op de wereld is gericht - helemaal geen. Wat dus de ene mens uit de eeuwige waarheid vermag te ontvangen, kan de andere, wiens bewustzijn nog niet de ruime blik van het innerlijke leven heeft, niet ontvangen en daarom ook niet begrijpen. Zijn bewustzijnslicht reikt nog niet zo ver als dat van zijn naaste. Wat de een, die zijn geestelijke bewustzijn heeft verruimd, als waar voorkomt, komt zijn naaste, wiens bewustzijn nog slechts weinig geestelijk licht draagt, als onwaar voor. Vandaar de uitspraak: »Zij, die beneden in het dal zijn, zien niet, wat diegenen zien, die op de top van de berg staan.«
De andere uitspraken: »Maar voor allen is dat de waarheid, zoals het individuele verstand haar ziet, en zo lang, tot een hogere waarheid hieraan geopenbaard wordt; aan de ziel, die meer licht vermag te ontvangen, zal meer licht worden gegeven« hebben de volgende betekenis: zolang de enkeling het hem geopenbaarde facet van de waarheid niet vervult, kan hem ook geen verder facet van de waarheid worden onthuld. Dat betekent: horen kan hij de waarheid wel, haar echter niet vervullen, omdat hij de eerste stap, de verwezenlijking van het eerste facet, nog niet heeft gezet. De mens zal de hem geopenbaarde facetten van de eeuwige waarheid zo lang met zijn verstand beschouwen en beoordelen, totdat hij hetgeen hij telkens erkent, stap voor stap verwezenlijkt. Dan pas zal hij in staat zijn een hogere waarheid te ontvangen. Wanneer hem de samenhangen van alle facetten van de eeuwige waarheid duidelijk zijn, kan hij in de wet van het leven, in de waarheid, afdalen.
God, het eeuwige licht, straalt zichzelf, de gehele eeuwige waarheid, als talloze bewustzijnsfacetten in de oneindigheid.
Slechts die mens beklimt de ladder tot de volmaaktheid, die zich van dag tot dag inspant, datgene te erkennen en te bereinigen, wat hem de dag en de gebeurtenissen van de dag laten zien. De dagen brengen de mens zijn eigen denken en leven voor ogen - en niet dat van zijn naaste. Want de mens moet eerst de balk in zijn eigen oog herkennen en bewerken, voordat hij de splinter in het oog van zijn broeder zoekt.
Wie niet in de dag leeft, verspilt de dagen. Dan kan hij ook op de ladder naar de volmaaktheid geen verdere treden beklimmen. Wie echter naar volmaaktheid van zijn geestelijke leven streeft, door zichzelf in de dag te herkennen en te bereinigen, wat zich heeft opgestapeld, zal haar ook verkrijgen.

12. Velen zullen tot Mij zeggen: Heer, Heer, wij waren ijverig in Jouw waarheid. Ik echter zal tot hen zeggen: nee, jullie waren alleen maar ijverig, opdat anderen de waarheid zo zien, zoals jullie haar zien, en niet anders. Geloof zonder naastenliefde is dood. Liefde is de vervulling van de wet. (Hoofdst. 90, 12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie alleen over de waarheid spreekt en van mening is, dat zijn naasten haar net zo zouden moeten zien als hij, heeft de ladder tot de eeuwige waarheid nog niet betreden. Wie het facet van de waarheid, dat voor hem openbaar is en dat hij als waar aanneemt, niet verwezenlijkt, aan hem zullen verdere facetten uit de eeuwige waarheid niet worden onthuld.
Wie dus alleen spreekt over de waarheid, kan ook zijn naaste de waarheid niet onthullen, omdat hij de weg van de verwezenlijking niet kent.
En wie meent, dat alleen hetgeen hij zegt het juiste zou zijn en geen andere facetten der waarheid laat gelden, is een dwaas en blind voor de waarheid.
Wie dus slechts gelooft hetgeen hij zelf vermag te begrijpen en daarin volhardt, in de mening, dat hij de gehele waarheid bezit, keert zich tegen hen, die het ene facet van de eeuwige waarheid na het andere verwezenlijken, om de eeuwige waarheid te verkrijgen.
Erkent: wie tegen zijn naaste is, om welke reden dan ook, is tegen God. Wie tegen God is, staat niet in de waarheid, in de vervulling van de wet Gods, de liefde.

13. Hoe kan het geloof, dat zij hebben aangenomen, hen baten, wanneer zij het niet in gerechtigheid uitoefenen? Zij, die liefde bezitten, bezitten alles en zonder liefde bestaat er niets, dat waarde heeft. Laat eenieder behouden, wat hij als waarheid erkent, in de liefde en in de wetenschap, dat daar, waar geen liefde is, de waarheid een dode letter is en geen nut heeft.
14. Er blijven goedheid, waarheid en schoonheid; maar de grootste van deze is de goedheid. Als sommingen hun broeders hebben gehaat en hun harten hebben verhard tegen de schepselen van Gods hand, hoe kunnen dezen dan de waarheid zien tot hun heil, als hun ogen blind zijn en hun harten verhard voor Gods schepping?
15. Zoals Ik de waarheid heb ontvangen, zo heb Ik haar aan jullie gegeven. Laat eenieder haar ontvangen volgens zijn eigen verlichting en zijn vermogen, haar te begrijpen, en volgt hen niet, die haar volgens een andere uitleg ontvangen.
16. Want de waarheid is de macht van God en zij zal uiteindelijk heersen over alle dwalingen. Maar de heilige wet, die Ik heb gegeven, is begrijpelijk voor allen en rechtvaardig en goed. Laat allen haar naleven tot verlossing van hun zielen!« (Hoofdst. 90, 13-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het geloof in de waarheid is niet de waarheid, de wet des levens, zelf. Wie alleen genoegen neemt met het geloof in de waarheid, zal de waarheid nooit herkennen en ook niet in haar leven.
Het ware geloof is de voorwaarde, om het herkende facet uit de eeuwige waarheid te verwezenlijken. Wie echter zijn bewustzijn niet verruimt door verwezenlijking, kan de gerechtigheid Gods niet herkennen en daarom ook geen gerechtigheid toepassen.
Evenmin kan hij onbaatzuchtig geven, omdat hij in zichzelf de onbaatzuchtige liefde, de wet des levens, de waarheid, niet heeft onthuld. Alleen hetgeen de mens aan wetmatigheden Gods heeft verwezenlijkt, vermag hij ook onbaatzuchtig te geven, want alleen uit de verwezenlijking van de herkende facetten der waarheid groeit de onbaatzuchtige liefde, die zich weer onbaatzuchtig schenkt. Wie geen onbaatzuchtige liefde bezit, leeft ook niet in de waarheid. Hij is slechts op zichzelf gericht; hij heeft zichzelf lief, echter niet de waarheid, want deze is vrij van het menselijke ik.
Wat niet uit de onbaatzuchtige liefde gegeven is, is ook niets waard. Ook al spreekt de mens veel over de eeuwige waarheid en haar zijn naaste wil leren, blijven dit lege woorden, als het ware dode omhulsels, want zij zijn zonder geestelijk leven, dus dode letters.
Wie niet geeft uit de vervulling van de wet, uit God, maar alleen datgene doorgeeft, wat hij zich door lezen eigen heeft gemaakt en voor de waarheid houdt, is geen leraar van de waarheid - of hij nu theoloog, priester, pastoor of een bijbelgelovige is, zelfs al draagt hij hoge titels.

Wiens hart verhard is, is blind voor het leven. Hij heeft geen liefde - niet voor mensen, noch voor dieren, planten of stenen.
Wiens hart verhard is en wiens ogen blind zijn, spreekt en handelt tegen zijn naasten en tegen de schepping.
Onderzoekt daarom met de ogen der gerechtigheid, dan zullen jullie de rechtvaardige en de valse leraren aan hun vruchten herkennen.
Wie in de waarheid leeft, ziet, wat anderen niet zien en hoort, wat anderen niet horen; daarom zal hij iedereen in zijn geloof laten.
Mensen in de geest van de Heer zullen hun naasten, die uit andere bronnen geestelijke kennis ontvangen en dienovereenkomstig uitleggen, niet veroordelen, noch vervolgen.
Ieder mens wordt overeenkomstig zijn bewustzijn geleid, vaak via verschillende hindernissen of via andere bronnen, tot hij de bron van de waarheid vermag te herkennen.
De waarheid is het leven, God, de liefde, de macht der oneindigheid. Na de terugkeer van alle gevallen geestwezens zal zij alles volkomen doordringen. Dan zijn de zielen weer als reine wezens van God in God aangekomen en al het grofstoffelijke zal oersubstantie, dus goddelijke essentie zijn. Dan zullen er geen mensen en zielen meer zijn, geen materie, noch gedeeltelijke verdichting. Alles zal verenigd zijn in de Eeuwige. Al het Zijn zal weer absolute wet worden, God, de liefde, het leven. Totdat alle zielen weer het bewuste kindschap in God hebben verkregen, blijf Ik de Verlosser van alle zielen en mensen: Christus, de sleutel tot de poort van het leven.





Voorwoord bij de voorschriften voor de gemeente*

Ik, Christus, verklaar:

De nu volgende voorschriften voor de gemeente blijven zolang geldig, tot de mensen, die op de zich steeds meer vernieuwende aarde leven, grotendeels rein van harte zijn geworden en de wet Gods vervullen. Zo zal het in het vredesrijk van Jezus Christus zijn, in het rijk Gods op aarde, dat dan de hele aarde omsluit.
De voorschriften voor de gemeente gelden voor alle oergemeenten in Universeel Leven en voor het steeds meer groeiende en zich vervolmakende vredesrijk.**
Bovendien zullen de voorschriften voor de gemeente voor de mensen in het lichte vredesrijk, in het rijk Gods op aarde, een document zijn, waaruit zij kunnen zien, dat de mensen, die nog zondig waren, die echter steeds meer de reinheid nastreefden, deze voorschriften als maatstaf hadden. Zij zullen inzien, dat de mensen in het wordende vredesrijk deze orde nog nodig hadden, om de wetten van Innerlijk Leven steeds meer te kunnen vervullen.

____________________
* De verklarende aanwijzingen in de voetnoten bij de hoofdstukken 91 tot en met 94, alsmede het voorwoord, ontvingen wij door een openbaring van Christus door onze zuster Gabriële en uit haar goddelijke bewustzijn. De eerste voetnoot bij hoofdstuk 91 berust op een besluit van de stichtingsleden van de eerste gemeente in Universeel Leven, de gemeente Nieuw Jeruzalem, die op 8 November 1987 in Würzburg werd gesticht.
** De bondgemeente Nieuw Jeruzalem als verantwoordelijke gemeente in het vredesrijk van Jezus Christus, kan verdere besluiten nemen, die ook voor de andere oergemeenten bindend zijn.
Ieder voor zich is daardoor niet ontbonden van de inachtneming van de wereldlijke wetten, voor zover deze niet in strijd zijn met de goddelijke wet, want er staat geschreven: geeft de keizer, wat de keizer toekomt en God, wat God toekomt.

Evenzo geven de verschillende gemeenteboeken, waarin het pro en contra van de oergemeenten is opgetekend, inzicht in de worsteling om het wetmatige leven, het leven in God, van de afzonderlijke leden en van de oergemeenten.






HOOFSTUK 91

De voorschriften voor de gemeente (deel 1)

De taal, die trilling is (1-4).
Naamgeving en doopsel van pasgeborenen - Opvoeding in rechtschapenheid (5-6). Opvoeding van opgroeiende kinderen (7). Rangschikken in het levensprincipe van de gemeente: rust en harmonie (8). Het geestelijke doopsel - Het gebod „bid en werk” - De engel van de gemeente - De oudste - De raad van de oudsten -
Het gemeenteboek (9). De gezalfde (10)

1. Na Zijn opstanding van de dood was Jezus nog negentig dagen bij Maria, Zijn moeder, en Maria Magdalena, die Zijn lichaam had gezalfd en Maria Cleophas en de twaalf en hun aanhangers, onderwees hen en beantwoordde hun vragen over het rijk Gods.
2. En terwijl zij bij de avondmaaltijd zaten, vroeg Maria Magdalena Hem: »Meester, wil Je ons nu de orde in het rijk Gods uitleggen?«
3. En Jezus antwoordde en zei: »Waarlijk, Ik zeg je, Maria, en ieder van Mijn discipelen, het hemelrijk is in jullie. Maar de tijd zal komen, dat hetgeen van binnen is, in het uiterlijke openbaar wordt voor het heil van de wereld.
4. Orde is waarlijk goed en nuttig: maar boven alles staat de liefde. Hebt elkander lief en alle schepselen van God, en daaraan zullen alle mensen herkennen, dat jullie Mijn discipelen zijn.« (Hoofdst. 91, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik ben steeds en steeds weer aan de Mijnen verschenen en onderwees hen door het innerlijke woord, want wie niet meer in het lichaam is, spreekt niet meer met de klanken van deze wereld. Hij geeft de taal, die trilling is, in het innerlijk van de mens, zodat degene, wiens ziel gereinigd en op Mij afgestemd is, Mij kan vernemen. Op deze wijze vernamen de Mijnen Mijn woord.

5. Toen vroeg iemand Hem: »Meester, wil Jij, dat de kinderen worden opgenomen in de gemeenschap door de besnijdenis, zoals Mozes het heeft bevolen?« En Jezus antwoordde: »Voor hen, die in Christus zijn, is er geen besnijdenis, noch bloedvergieten.
6. Brengt het kind na acht dagen met dankbetuiging en gebed naar de Vader, die in de hemel is. Laat het een naam geven door zijn ouders en laat de oudste zuiver water op zijn hoofd gieten, zoals het is geschreven in de profeten. Laat de ouders er op toezien, dat het in rechtschapenheid wordt opgevoed, dat het geen vlees eet, noch sterke drank drinkt, en geen schepselen schendt, die God de mens ter bescherming in de hand heeft gegeven.« (Hoofdst. 91, 5-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het pasgeboren kind behoort na enkele dagen aan de eeuwige Vader, de Vader-Moeder-God in de hemel, te worden gewijd. De ouders zullen de Eeuwige voor hun kind danken en het de naam geven, die uit hun gevoelens en gewaarwordingen opstijgt. Want het kind is een deel van de moeder, onder wier hart het lag, en een deel van de vader, die het verwekte. De erfelijke aanleg van het kind lijkt op de erfelijke aanleg van de vader en de moeder. Zo staat ook de trilling van de ziel van het kind in verbinding met de ziel van de moeder en de vader. Stroomt er een naam uit de gevoelswereld van de moeder en de vader en zijn zij het over een naam eens, dan kan dit de juiste naamtrilling van de pasgeborene zijn, die ook overeenstemt met de ziel van het kind.

De gebruikelijke functies voor het overbrengen van de boodschap van God, de ambten, zoals die van priester, hogepriester en kerkdienaar, stemmen niet met de goddelijke wet overeen. Vervang daarom het woord „priester” door het woord „oudste”, want in Mijn gemeente zijn het de oudsten, die mede de gemeente leiden.

Het uiterlijke kenmerk van innerlijke kracht - water op de kruin te gieten - kunnen jullie handhaven. Maar het is niet noodzakelijk.* Wanneer jullie het toepassen, gaat dan als volgt te werk:
Een van de oudsten zal over de kruin van de pasgeborene water gieten, wat wil zeggen: God is het drijvende, eeuwige element, het leven. Beweeg je, kind, en besef, dat door jou het drijvende element, de stromende Geest, stroomt. Jij bent gezegend en door God, die Vader en Moeder voor je is, opgenomen.
En tot de ouders spreken de oudsten inhoudelijk als volgt: wanneer jullie in rechtschapenheid leven, zullen jullie ook je kind, dat het kind van de Vader-Moeder-God is, op de juiste wijze opvoeden. Jullie zullen het leren, dat het geen vlees mag eten, noch sterke drank drinken, noch de schepselen van de lucht, de aarde en de wateren schenden en doden, dat het met stenen en planten in eenheid dient te leven en de lichte straling van de gesternten als Gods licht dient te herkennen. Zijn jullie rechtschapen, dan zal ook jullie kind wijs worden.

________________________
* De eerste leden van de gemeente wilden meer waarde hechten aan het geestelijke dan aan het uiterlijke ritueel. Daarom besloten ze, van deze uiterlijke vorm af te zien.

7. En een ander vroeg Hem: »Meester wat wil Je, wanneer ze opgroeien?« En Jezus zei: »Na zeven jaren of wanneer zij beginnen, het kwade van het goede te onderscheiden en leren, het goede te zoeken, laat hen dan tot Mij komen: de zegen ontvangen uit de handen van de oudste of van de engel van de gemeente met dankzegging en gebed, en vermaant hen, het eten van vlees, sterke drank en het jagen van onschuldige schepselen van God na te laten; want staan zij soms op lager niveau dan de paarden en de schapen, voor wie iets dergelijks tegen hun natuur is? (Hoofdst. 91, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Hebben jullie je kinderen volgens de wet van de onbaatzuchtige liefde opgevoed en komen zij op de leeftijd, waarin zij het goede van het kwade leren te onderscheiden, streeft er dan naar, dat jullie kinderen - die de kinderen van de Vader-Moeder-God zijn - het goede in hun medemensen vinden. Brengt jullie kind of jullie kinderen naar het huis van de gemeente, naar de innerlijke kerk. Met velen, die naar God streven, zullen zij door een oudste van de gemeente - die de gemeente heeft gekozen en die Ik heb gewijd - Mijn zegen ontvangen.
Een ware oudste straalt veel geestelijkheid uit en is zodoende rechtvaardig. Hij is een vervuld mens; zijn onbaatzuchtigheid is het teken van de wijding.
De gemeente brengt Mij haar opgroeiende broeders en zusters; en door de oudste, die het vertrouwen van de gemeente bezit, zal Ik Mijn kinderen zegenen - hen dus in versterkte mate kracht schenken.
De ouders en de oudste zullen vervolgens de kinderen aan van Godvervulde opvoeders en leraren overhandigen, die hen in de wereldse plichten onderwijzen en hen in de loop van de eerste schooljaren Gods wetten in die mate verklaren, als zij deze met hun nog kinderlijke aard kunnen begrijpen.
Leert hen ook, van het eten van vlees van dieren af te zien.
En tot de ouders zij gezegd: heeft jullie kind de drang vlees te eten, laat het er dan van proeven, want jullie weten niet, hoe de ziel in een vroegere incarnatie heeft geleefd en wat de mens heeft gegeten. Maar jullie blijven het voorbeeld voor jullie zich ontwikkelende kinderen. De leer en de verwezenlijking van de eeuwige wetten zal geleidelijk de zintuigen van het kind verfijnen en het zal er zich van distantiëren.
In Mijn gemeente mogen geen dieren worden geslacht of worden gegeten. Als de een of ander zich in het proces van overgang bevindt van dierlijk naar wetmatig voedsel en af en toe nog behoefte heeft aan vlees, dan behoort hij dit - buiten de gemeente - tot zich te nemen. Dat geldt echter alleen voor vlees en niet voor sterke drank.*
Wiens zintuigen niet langer naar vlees verlangen, die leeft de wet „je zult niet doden”: hij zal zijn overnaaste, het dier, niet eten. Degene, wiens zintuigen nog troebel zijn, staat onder het gebod, dit na te laten.
Er behoort geen sterke drank noch vlees van dieren in Mijn gemeente te zijn.

Leert de kinderen, geen jacht te maken op onschuldige wezens, de dieren, en hen niet bewust dood te trappen. Want wie onschuldige wezens jaagt, zal door zijn zintuigen worden gejaagd en door al diegenen, die zijn zintuigen beïnvloeden. Wie bewust dieren doodtrapt of bewust kwelt en doodt, zal door zijn zintuigen en gedachten worden gekweld en als geestelijk dode onder de levenden vegeteren: hij zal ook in het zielenrijk geestelijk dood zijn.
___________________________
* Sterke dranken zijn principieel voor gemeenteleden niet toegestaan. Hiermee worden dranken bedoeld, die de mens een roes bezorgen en hem van het heldere denken beroven. Dit betekent dus: alcohol mag niet ter vertroebeling van de zintuigen worden gebruikt.

Leert jullie kinderen daarom de wet van het leven, dat alles wat leeft, voelt en er recht op heeft te leven, totdat de oersubstantie, de geest, zich uit de materiële vorm terugtrekt en opgenomen wordt in de wet van de alomvattende harmonie.
En leert jullie kinderen, die ook de Mijnen zijn, de natuur lief te hebben, de planten te achten en met de essentie van het leven in hen in communicatie te blijven. Zo zullen zij het leven van de natuur in hun lichaam opnemen en sterk en gezond blijven.

Leert de kinderen ook, het voedsel, dat de Al-Vader hen uit Zijn handen schenkt, dankbaar aan te nemen.
Leert hen ook netjes te eten: rustig te zijn tijdens het opnemen van het voedsel en zich met de goddelijke essentie in de gaven te verbinden, opdat het lichaam deze op de juiste wijze kan verteren. En als zij drinken, behoren zij de drank niet in hun lichaam te gieten, maar slok voor slok opnemen, zodat het lichaam dit ook op de juiste wijze kan verwerken.
Alleen zo verkrijgt de mens de adel van zijn ziel en wordt een bewust geestelijk levend mens, wiens tehuis het rijk van God in en om hem heen is.

8. En hij vroeg verder: »Wanneer iemand tot ons komt, die vlees eet en sterke drank drinkt, moeten we hem dan opnemen?« En Jezus zei tot hem: »Laat zulke mensen in het voorhof blijven, totdat zij zich gereinigd hebben van de grofste fouten; want voordat zij deze niet begrijpen en berouwen, zijn zij niet in staat, de hogere leringen op te nemen.« (Hoofdst. 91, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie zich niet in het gemeenteleven wil voegen, moet daar blijven, waar hij tot dusverre heeft geleefd, en de wetten van de gemeente, die hem overhandigd zullen worden, lezen en verwezenlijken. Het is hem volgens de wet toegestaan, de scholing in de gemeente van buitenaf te bezoeken, totdat hij zich heeft gereinigd en de wetten van het leven erkent en verwezenlijkt.
In de gemeente behoort rust en harmonie het levensprincipe te zijn, dat al Mijn mensenkinderen verenigt.
Wie binnen de gemeente zijn medemensen moeilijkheden bezorgt, met zijn naaste strijdt en in conflict leeft en daardoor de voorschriften voor de gemeente, de vrede en de harmonie stoort, zou de gemeente moeten verlaten en er buiten moeten wonen, totdat hij weer één is met Gods wetten voor de gemeente - en ook in harmonie is met zijn naaste.*

9. En een ander vroeg Hem: »Wanneer wil Je, dat zij het doopsel ontvangen?« En Jezus antwoordde: »Na nog eens zeven jaren of wanneer zij de leer kennen en doen, wat goed is, en een ambacht hebben geleerd, waarvan zij kunnen leven en met vaste schreden op de juiste weg gaan. Laat hen dan om de inwijding vragen en laat hen testen door de engel of de oudste der gemeente en zien, of zij waardig zijn, en laat hen dank zeggen en bidden en in het reinigende water afdalen, opdat zij tot nieuw leven opstijgen en God als hun Vader erkennen en beloven, dat zij de heilige wet in acht nemen en zich afzijdig houden van het kwade van deze wereld.« (Hoofdst. 91, 9)
___________________
* Deze wetmatigheid geldt voor alle oergemeenten in Universeel Leven, echter niet voor de bondgemeente Nieuw Jeruzalem. Hen zijn hogere aanwijzingen gegeven.

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Met het doopsel is het geestelijke doopsel bedoeld. Slechts die mens is een ingewijde en met de Geest van het leven gedoopt, die van Hem is vervuld, die grotendeels Mijn woord is door de verwezenlijking van de eeuwige wet.
Wie de eeuwige wetten verwezenlijkt, zal zich ook houden aan het gebod „bid en werk”, dat de Vader-Moeder-God Zijn aardse kinderen heeft gegeven.
Om dit gebod in acht te nemen, is een juist beroep nodig, dat het mensenkind overeenkomstig zijn vaardigheden, talenten en capaciteiten behoort te kiezen.
Hij, die met vaste schreden en rechtlijnig de weg naar het hart van God gaat, houdt zich aan de eeuwige wetten en is met de wet van het leven gedoopt.
Het doopsel met water is een oud ritueel. Het hoeft in Mijn gemeente niet te worden voltrokken.*
De engel van de gemeente is een mens, die tot Mijn woord is geworden, die het verkondigt en zich eraan houdt. Wie tot het woord van God is geworden, is grotendeels volmaakt; hij is verregaand de wet geworden.
Dat kunnen oudsten en andere verlichte mannen en vrouwen zijn.
Wie het ambt van een leerprofeet** of verkondigend profeet heeft, kan eveneens Mijn woord zijn: God spreekt door de profeet om zich rechtstreeks aan de gemeente mee te
______________
* Zie de voetnoot op blz. 241
** Zie volgende bladzijde
delen. Is de profeet het woord geworden, dan is hij een bode van het rijk Gods. Maar alleen diegene is profeet en een bode van het rijk Gods, die in de goddelijke opdracht staat, die uit de hemelen neerdaalde om de wereld Mijn woord te brengen en te verkondigen.
De oudste hoort het woord van God in zich, kent de eeuwige wet en is ervan vervuld door de verwezenlijking van de eeuwige wetten.
De engel van de gemeente of de oudste zullen het mensenkind testen, dat van zichzelf zegt: »Ik ben geestelijk gedoopt, omdat mijn leven de wet van God is« of van wie zijn naasten op deze wijze berichten. De engel of de oudste zullen nagaan, of het gemeentelid waardig is, in de raad van de oudsten of in het midden van de geestelijk gedoopten te worden opgenomen.
De engel of de oudste of beiden zullen met de gemeente de Vader-Moeder-God loven en prijzen en Hem danken, wiens kinderen alle mensen zijn. De ingewijde, die de gemeente heeft opgenomen, belooft, zich aan de wetten te houden, zijn leven aan God te wijden in gevoelens, gedachten, woorden en handelingen.
Niet iedereen is voor de raad* van de oudsten bestemd. Het zijn slechts die mannen en vrouwen, die op grond van hun verwezenlijking van de eeuwige wetten en hun geestelijke taken en capaciteiten in de gemeente wijs zijn geworden, dat wil zeggen: uit de waarheid spreken en geven en in de gemeente verantwoordelijk werkzaam zijn.
_________________
* Raad betekent het werken van de oudsten in eenheid met de gemeente.

(Zie blz.246) ** Deze woorden van de Heer betreffen de leerprofetes van God, Gabriële - Würzburg, voor de tijd van haar leerambt. God sprak: »Na haar zal Ik geen scheppende leerprofeten meer roepen, omdat Mijn woord door haar in een breed spectrum aan de wereld werd geschonken. Na haar aardse tijd zullen de mensen zelf de weg tot Mij vinden en zij zullen Mijn woord voor zichzelf horen en in het verdere verloop Mijn woord, de wet, zijn. Dit alles wordt in Mijn gemeente voltrokken. Daar is de groei van mens tot Godmens.«
Slechts diegenen worden in het heiligdom, in het midden van de geestelijk gedoopten opgenomen, die door verwezenlijking van de eeuwige wetten en door onbaatzuchtige daden van de geest vervuld zijn van liefde.* Zij worden oudsten, geloofsgenezers en geestelijke leermeesters.
Wie in een hoge graad van verwezenlijking staat, kan een leider van de verschillende activiteiten binnen de gemeente zijn. Slechts hij, die overeenkomstig zijn bekwaamheden en de verschillende gradaties van onbaatzuchtig dienen heeft vervuld, wie dus in de gemeente reeds veelzijdig werkzaam was, komt geleidelijk in de kring van de engelen en oudsten.
Alles wat in de gemeente gebeurt, het levensdoopsel van de pasgeborene en het geestelijke doopsel na de innerlijke rijpheid, de huwelijkssluiting, de geboorten van kinderen en alle belangrijke gebeurtenissen moeten in het gemeenteboek worden vastgehouden, dat de oudsten bewaren en dat door een oudste wordt bijgehouden.

10. En weer een ander vroeg Hem: »Meester, op welk tijdstip dienen zij de zalving te ontvangen?« En Jezus antwoordde: »Wanneer zij de leeftijd van rijpheid hebben verkregen en de zevenvoudige gaven van de Geest zich in hen hebben geopenbaard, laat dan de engel voor hen bidden en dank zeggen en hen het zegel van de zalving geven. Het is goed, dat allen in iedere graad zeven jaar lang op de proef worden gesteld. Maar laat het bij iedereen gebeuren overeenkomstig zijn groei, in de liefde en de wijsheid van God. (Hoofdst. 91, 10)

________________

* Van de liefde Gods vervuld zijn al diegenen, die onbaatzuchtig voor het rijk van God werkzaam zijn. Dat wil zeggen, die niet hun menselijke ik weerspiegelen, om zichzelf te presenteren, maar die grotendeels onpersoonlijk, dus de wet van God zijn geworden.
Wie geleidelijk tot de wet van God wordt, hoort de stem van God, en wie tot de wet van God is geworden, diens gevoelens, gedachten, woorden en handelingen zijn de wet en het woord.
Wie meent, deze onbaatzuchtige gaven te bezitten, moge zichzelf toetsen. Wanneer hij meent, dat God tot hem spreekt, dus dat God hem toespreekt, dan moge hij onderzoeken, of hij dat, wat God tot hem zegt, al heeft verwezenlijkt of een groot deel daarvan reeds heeft vervuld.

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Een gezalfde is een mens, die de zeven basiskrachten van het eeuwige leven in zichzelf als genade van de liefde verneemt - door wie Ik het woord Ben geworden.
Wie zijn bewustzijn tot Mij heeft verheven en wiens gevoelens, gedachten en zinnen in Mij rusten, is de engel van de gemeente, waarover Ik al sprak. Hij is Mijn woord en het woord van de Vader-Moeder-God.
Want wie tot de wet is geworden, wiens voelen, denken, spreken en handelen Ikzelf Ben, de wet, is een gezalfde, dat wil zeggen, een door God, de wet, gewijde. Hij kan dan een engel van de gemeente worden.
_______________________
De toespraak van God is diegene gegeven, die de eerste vier bewustzijnssferen in zichzelf heeft doorlicht. Wie God toespreekt, is nog niet tot het woord van God geworden. Hij kan God door zijn lichter geworden zielenomhulsels vernemen, dus nog door zijn lichte schaduwen.
Dit toespreken - dat wil zeggen: dit vernemen van het woord van God - is uitdrukkelijk voor degene bestemd, die God toespreekt, niet voor tweeden of derden.
Zolang God Zijn woord de mens toespreekt, is de ziel nog niet verregaand rein en dus ook niet het woord van de Heer, dat bij de mens aankomt. Dit betekent wederom: God kan weliswaar Zijn kind toespreken, maar omdat de mens het nog moet opnemen, zullen er menselijke aspecten mede in het bovenbewustzijn geraken. Het woord Gods is weliswaar duidelijk, maar wanneer het in het bewustzijn van de nog belaste mens aankomt, is het gemengd goed en daarom voor de enkeling bedoeld.
Wie tot het woord van God is geworden, heeft de vier reinigingsfasen verlaten; hij is opgenomen in de absolute wet.
Komt er een mens in de gemeente en zegt van zichzelf: »Ik ben een profeet en door God tot jullie gezonden«, dan moeten de oudsten hem zeggen: »Zwijg met het profetische woord. Kom in de gemeente, leef in de gemeente, werk in de gemeente en laat je enkele jaren door de gemeente toetsen.«

Is er zo’n mens onder jullie, die de graad van de zalving heeft bereikt, laat dan de engel van de gemeente en een oudste God ervoor danken, dat Hij weer een engel voor deze of een andere gemeente heeft opgeroepen.
Wie door de gemeente als gezalfde wordt aangenomen, dient zich eerst enkele jaren te bewijzen en de zeven basiskrachten van het leven in de gemeente in te brengen door zijn leven, dat wijs dient te verlopen.
Dit onderzoek heeft de volgende betekenis: een gezalfde is de wet; daarom moet hij de zeven basiskrachten van God, de eeuwige wet, kennen en leven en in de gemeente inbrengen. Daaraan herkent de gemeente zijn innerlijke rijpheid en zijn geestelijk ontwaakt-zijn in de liefde en in de wijsheid van de Eeuwige.
Heeft de gemeente hem aan- en opgenomen, dan zal de gemeente hem in lof en dank aan de Vader-Moeder-God en aan Mij, de Christus, aanbevelen en erop toezien, dat hij zich aan de wetten van God voor de gemeente houdt en deze ook in de gemeente vervult.





HOOFDSTUK 92

De voorschriften voor de gemeente (deel 2)

Huwelijk en partnerschap,
een verbinding volgens de wet van de onbaatzuchtige liefde en trouw - Huwelijkssluiting in de gemeente, een bond met God (1-3). Ouders dragen voor God de verantwoordelijkheid voor hun kinderen - Het vader-moeder-huis - Kinderen niet als eigendom beschouwen - Over de geestelijke duaalparen en het ontstaan van „geestelijke kinderen” (4). Over het avondmaal in de gemeente - Terugblik op de week - Geen ceremoniën (5). Uiterlijke vormen en
handelingen zijn concessies, geen wetmatigheden (6-7)

1. En een ander vroeg Hem: »Meester wil Je, dat er huwelijken worden gesloten bij ons, zoals onder de volkeren van de aarde?« En Jezus antwoordde en sprak: »Onder sommige volkeren is het gebruikelijk, dat een vrouw meerdere mannen trouwt, die tot haar zeggen: wees jij onze vrouw en neem onze schande van ons weg. Onder andere volkeren is het weer gebruikelijk, dat een man meerdere vrouwen trouwt, die tot hem zeggen: wees jij onze echtgenoot en neem onze schande van ons weg; want zij, die liefhebben, voelen dat het een straf is, niet te worden bemind.
2. Jullie echter, Mijn discipelen, wil Ik een betere en volmaaktere weg tonen: een huwelijk behoort te zijn tussen één man en één vrouw, die verenigd zijn door de volmaakte liefde en genegenheid, in volle vrijheid en dat zo lang, als de liefde en het leven duren. Doch laat hen erop toezien, dat ze volkomen gezond zijn en dat ze elkaar waarachtig liefhebben in alle reinheid en niet enkel omwille van wereldse voordelen. En laat hen elkaar dan voor getuigen de trouw beloven.
3. Wanneer de tijd is gekomen, laat dan de engel of de oudste bidden en dankzeggen en hen met het scharlaken snoer binden, wanneer jullie willen, en hen kronen. Leidt hen drie maal om het altaar heen en laat hen eten van hetzelfde brood en uit dezelfde beker. Terwijl hij dan hun handen bij elkaar houdt, laat hem zo spreken: weest twee in één, gezegend zij de heilige verbinding. Jullie, die God heeft samengebonden, laat je door niemand scheiden, zolang het leven en de liefde duren.« (Hoofdst. 92, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Het is niet in overeenstemming met de eeuwige wet, dat een man meerdere vrouwen heeft en een vrouw meerdere mannen.
Op aarde moet het zijn zoals in de hemel: de man kiest een vrouw en wanneer de uitverkorene de verbinding met de man bevestigt, dienen beiden zich de vraag te stellen, wat hen verbindt.

In de hemel verbinden zich twee wezens, de geestelijke man - het positief genaamd - en de geestelijke vrouw - het negatief genaamd - door dezelfde mentaliteitsaanleg. Dat wil zeggen, beiden lijken op elkaar in hun wezenskenmerken. Zij vullen elkaar aan in hun gemeenschappelijke werken, omdat hun vaardigheden op elkaar zijn afgestemd. Want Gods wet luidt: »Het gelijke verbindt zich met het gelijke«. Dat geldt ook voor de mentaliteit. De liefde tot God en tot al het Zijn is de band, die alle reine wezens voor eeuwig verenigt. Lijken dus twee wezens in enkele basiskrachten van het leven op elkaar, bijv. in de basiskracht van het Geduld en van de Orde, dan kunnen ze een duaalverbinding aangaan. Het één-zijn in de liefde van God verbindt alle wezens onder elkaar als broeders en zusters.
De verenigende liefde is de uitdrukking van de polariteit, die twee wezens verbindt, die door hun mentaliteit op elkaar zijn afgestemd. Het gelijke trekt het gelijke aan. Dat is de eeuwige wet van de aantrekking. Daaruit ontstaat de duaalverbinding.
Voor Mijn gemeente op aarde geldt verder nog:
Wanneer een vrouw of een man eenzaam is en niet wordt bemind, dan heeft zij of hij tegen de wet van de liefde gehandeld.
Dat wil zeggen: de eenzame, die niet wordt bemind, is zelf niet tot liefde in staat. Dientengevolge straalt hij ook weinig liefde uit - en kan daarom ook weinig mensen aantrekken, die onbaatzuchtig liefhebben. Of hij blijft alleen of trekt weer mensen met dezelfde trilling aan, die eveneens nauwelijks tot liefde in staat zijn. Dergelijke mensen zijn dan aan elkaar gebonden door wereldse wensen, ideeën en de lichamelijkheid.
Wanneer echter twee mensen, vrouw en man, elkaar in onbaatzuchtige liefde en genegenheid en in diep vertrouwen zijn toegedaan, zullen ze elkaar vrij ontmoeten, zonder dat de een de ander dwingt, hem zijn wensen te vervullen. Dergelijke huwelijken en partnerschappen zullen bestaan, zolang het aardse leven duurt, en in de geest zullen de partners broeder en zuster zijn, zowel op aarde als in de hemel.

Gaan twee mensen een verbinding aan, dan behoren ze door de engel - door de mens, die tot Mijn woord is geworden - en een oudste, over de wet van de onbaatzuchtige liefde en trouw te worden voorgelicht. Is er nog geen engel in de gemeente, een mens, die Mijn woord is geworden, dan dienen enkele oudsten dit ambt over te overnemen.

Wanneer twee mensen zich in de naam van de Vader-Moeder-God tot een huwelijk verbinden - het kan ook een partnerschap* zijn, sluiten zij het verbond met God. De
verbinding moet onder getuigen binnen de gemeente plaatsvinden.
De gemeente verplicht zich dan, peet voor het paar te zijn. Ze ziet erop toe, dat de gelofte voor God, elkaar in onbaatzuchtige liefde trouw te blijven, bestand heeft.
Verlaat een van de partners de ander, omdat er geen overeenstemming in denken en leven van beiden meer bestaat en er geen brug meer kan worden geslagen, en komen zij overeen, de band als broeder en zuster te handhaven, dan kunnen beiden een volgend huwelijk of partnerschap aangaan, voorzover beiden tot dusverre in hun eerste huwelijk of partnerschap hebben geleefd. In een derde huwelijk of partnerschap kan niet worden toegestemd.**

______________________
* Een partnerschap is een verbinding voor God zonder huwelijk voor de burgelijke stand. Een huwelijk is een verbinding voor God, die bovendien in het uiterlijk door het huwelijk voor de burgelijke stand tot uitdrukking komt.
Deze regeling stemt overeen met de goddelijke wet. Ze zal mettertijd volledige geldigheid hebben, wanneer het vredesrijk van Jezus Christus op aarde gestalte heeft aangenomen. Volgens de wereldlijke wet wordt in sommige landen op het moment het aangaan van zo’n partnerschap binnen de gemeente, zonder het voorafgaande huwelijk voor de burgerlijke stand, niet toegestaan. De leden van de oerchristelijke gemeente in Universeel Leven houden zich vanzelfsprekend ook op dit punt aan de wetten van de staat, die verlangen, dat een paar, voordat het de bond met God binnen de gemeente sluit, een huwelijk voor de burgerlijke stand heeft gesloten.

** Wanneer in het eerste huwelijk of partnerschap de geestelijke evolutie samen niet langer mogelijk is, omdat de partners verschillende wegen inslaan - de een verlangt naar het wereldse, de ander naar hogere idealen en waarden -, dan kan een tweede huwelijk of partnerschap worden toegestaan, wanneer dit volgens de goddelijke wetten op een hoger geestelijk niveau wordt gesloten en geleefd, met het doel van geestelijke verbinding en eenheid met alle mensen en wezens.
Wie volgens het duaalprincipe der hemelen wil leven, kan ook na een gescheiden tweede huwelijk of partnerschap een goddelijke verbinding aangaan, die niet meer lichamelijk is. Een lichamelijk derde huwelijk of partnerschap is volgens de wetten van God niet meer toegestaan. Besluit een mens, in de gemeente te treden, dan begint voor hem een nieuw hoofdstuk van zijn leven volgens de eeuwige wet. Hij zal zijn momentele situatie vanuit dit licht met de oudsten bespreken en ontvangt van hen raad en steun voor zijn nieuwe levensweg.
Wie dit desondanks doet, moge de gemeente verlaten. Bij de dood van een van de partners geldt deze regel niet. De verbinding van een paar volgens de wetten van de onbaatzuchtige liefde heeft geen ceremoniën nodig: de engel, die Mijn woord is geworden, de oudsten en de gemeente bidden tot de eeuwige Vader in de hemel en danken Hem voor de liefde, die Hij in de elkaar onbaatzuchtig liefhebbende mensen heeft gelegd. Ook vragen ze om kracht, opdat de man uit onbaatzuchtige liefde tot de vrouw kinderen verwekt en de vrouw uit onbaatzuchtige liefde tot de man de kinderen baart. Daarna bidt de gemeente, dat ze leden van het gemeenteleven worden en deelhebben aan de grote familie van God.
Wie de aardse wetten als maatstaf voor een huwelijk verkiest, kan dat doen. Hij moge echter het woord, dat hij God heeft gegeven als maatstaf bovenaan plaatsen.
Wie echter omwille van wereldse voordelen een huwelijk of partnerschap sluit, moet dit niet doen voor God, maar voor degenen, die dit voorstaan. Dit paar zou het leven met elkaar evenwel niet in de gemeente moeten leiden, maar buiten de gemeente, opdat de gemeente er geen aanstoot aan neemt en dit paar niet tot ergernis wordt.
Wie een huwelijk sluit om daaruit voordeel te trekken, is niet verstoten. De gemeente draagt beide echtelieden in gebed met het verzoek aan de Eeuwige, dat Hij alles zo moge leiden, dat ze elkander geleidelijk onbaatzuchtig leren liefhebben en een stevige schakel in de keten van de grote familie worden.

4. »En wanneer zij kinderen verwekken, laat hen dit doen met bezonnenheid en verstand, overeenkomstig hun mogelijkheden, hen te voeden. Maar degenen, die volmaakt willen zijn en hen, die het is gegeven, zeg Ik: laat hen zijn als de engelen van God in de hemel, die niet trouwen, noch worden getrouwd, noch kinderen hebben, noch zich om morgen bekommeren, maar vrij zijn van alle bindingen, zoals Ik het Ben, en de kracht van God in zich houden en behouden voor hun dienst en voor werken van genezing, zoals Ik het heb gedaan. Maar de massa kan deze woorden niet begrijpen, alleen degenen, die het gegeven is.« (Hoofdst. 92, 4).

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wie kinderen verwekt, behoort voor hen voor God de verantwoordelijkheid te dragen, zodat het van Godvervulde mensen worden, die zich aan Mijn wetten houden en voor de gemeente een grote steun en kracht zijn.
Velen, die kinderen hebben verwekt en gebaard, ontwaken voor de dienst aan de naaste en zien daarin hun opgave. Zij behoren hun kinderen niet te verwaarlozen, maar aan een vader-moeder-huis toe te vertrouwen, waarin ze op juiste wijze volgens de wetten van de onbaatzuchtige liefde worden opgevoed.

De ouders zullen echter met hun kinderen verbonden blijven en hen niet verlaten. Wie in de onbaatzuchtige dienst staat, behartigt de geboden van de onbaatzuchtige liefde:
De ouders zullen de kinderen zo vaak als het hen mogelijk is, bij zich halen. Ze zullen het vader-moeder-huis ondersteunen en er positieve krachten laten binnenstromen, opdat alle kinderen zich in het vader-moeder-huis prettig voelen en daar ook hun tehuis hebben.
God zorgt voor de zielen en mensen, die Zijn wil vervullen. Wie zichzelf en zijn kinderen aan God toevertrouwt en in onbaatzuchtige dienst aan de naaste werkzaam is, is niet aan mensen gebonden en zal zich ook niet aan zijn kind binden en het als zijn eigendom beschouwen. Hij zal het volgens de wet van de eeuwige liefde opvoeden en voor het kind een goede raadgever, helper en vriend zijn.
Wie echter zijn kinderen tot zijn eigendom maakt, moet zich zorgen maken voor de toekomst, omdat hij alleen op zijn menselijke krachten bouwt. Hij beschouwt alles wat hij bezit, met inbegrip van de vrouw of de man en de kinderen, als zijn eigendom en is met zijn eigenzinnigheid aan zijn bezit, aan vrouw of man en kinderen gebonden.
Een gebondene kan niet vrij en onbaatzuchtig leven en werken als de engelen van God. Hij is getrouwd met de materie, met het lichaam van de vrouw of met dat van de man, en zijn kinderen moeten zijn wil vervullen. Daardoor worden ze tot slaaf gemaakt, aan hem gebonden. Hij houdt hen als zijn eigendom.
Mensen, wier tehuis deze wereld is, wier gedachten alleen op menselijke instellingen, goederen en aardse vreugden zijn gericht en op mensen, die net zo denken en leven als zij, kunnen de zin van de volgende uitspraak uit „Het evangelie van Jezus” niet begrijpen:
»Laat hen zijn als de engelen van God in de hemelen, die niet trouwen, noch worden getrouwd, geen kinderen hebben, zich niet om morgen bekommeren, maar vrij zijn van alle bindingen, zoals Ik het Ben, en de krachten van God in zich houden en behouden voor hun dienst en voor werken van genezing, zoals Ik het heb gedaan.«
Alleen wie de innerlijke vrijheid heeft bereikt, wie steeds meer de wetten van de oneindigheid verwezenlijkt, begrijpt Mijn woord; voor hem gaat niet alleen in het woord de hemel open, maar ook in de daden. Zij, door wie Ik op aarde werkzaam Ben, begrijpen Mijn volgende woorden, die Ik uit de hemelen spreek:
De engelen in de hemel, de hemelse wezens, trouwen niet zoals de mensen het doen. Zij vinden elkaar door de eeuwige wet van de liefde, die hen bij elkaar brengt. Ze vrijen niet en worden niet gevrijd. Ze verwekken geen kinderen, zoals de mens dat doet. Ze zijn niet geslachtelijk, maar in de Geest van de Vader-Moeder-God twee polariteitswezens: de geestelijke vrouw - het negatieve principe - en de geestelijke man - het positieve principe, twee wezens in de zich met elkaar verbindende polariteitskrachten positief en negatief.*
Tot beter begrip voor Mijn mensenkinderen, noem Ik steeds weer het geestelijke positieve principe „man” en het geestelijk negatieve principe „vrouw”.
Uit de uitstromende liefde van het vrouwelijke en mannelijke principe, van het duaalpaar, uit de geestelijke man en de geestelijke vrouw, ontstaan weer geestelijke principes, tot beter begrip „geestelijke kinderen” genaamd. De dualen, de geestelijke man en de geestelijke vrouw, wijden het kind aan de Vader-Moeder-God, want God, het Vader-Moeder-principe, heeft het geestelijke lichaam uit een van Zijn liefdesstralen laten ontstaan.
Het duaalpaar gaf de hen door God geschonken, gerijpte geest-lichaamssubstantie hun duaal-liefdekracht en verhief deze tot het kindschap. Voor een beter begrip van mijn aardse kinderen: het duaalpaar verhief een uitgerijpt natuurwezen tot
het kindschap in God.
Het duaalpaar is voor het geestelijk verheven wezen, voor het geestelijke kind, dat een positief of negatief is - voor de mens gesproken: een jongen of meisje -, het dragende en behoudende leven. Het duaalpaar, dat door en voor de Vader-Moeder-God een natuurwezen tot het kindschap heeft verheven, is het geestelijke ouderpaar. Door het geestelijke ouderpaar draagt de Vader-Moeder-Geest de eigenschappen van het kindschap aan het natuurwezen over.

________________
* Wie alleen maar trouwt, is aan het lichaam gebonden en zodoende aan de mens. Wie een huwelijk aangaat, is met God verbonden en met degene, die hij heeft uitgekozen, Daarom moge eenieder het verschil zien: een huwelijk aangaan en getrouwd zijn. Wie alleen maar trouwt, kan niet leven als de engelen in de hemel, die elkaar in God, onze Vader, vinden en liefhebben.

5. En een ander vroeg Hem: Meester, op welke wijze moeten we het heilige offer brengen?« En Jezus antwoordde en sprak: »Het offer, dat God heimelijk liefheeft, is een rein hart. Maar offert als gedachtenis en tot aandachtigheid ongedesemd brood, gemengde wijn, olie en wierook. Wanneer jullie op een plaats samenkomen om het heilige offer te brengen en de lampen branden, laat degene, die het offer brengt, de engel van de gemeente of de oudste, schone handen en een rein hart hebben en van de geofferde gaven, het ongedesemde brood, de gemengde wijn en de wierook, nemen.« (Hoofdst. 92, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In Mijn gemeente zijn geen ceremonies nodig. Die heb Ik de joden toegestaan, omdat ze nog niet, zoals jullie in deze tijd, [1989] de rechtstreekse weg naar het hart van God kenden en ook de verlossing nog niet in zich droegen.
Mijn gemeente behoort echter eenmaal per week bij elkaar te komen; op zaterdagavond. De Mijnen ontmoeten elkaar in schone kleding, indien mogelijk feestelijk gekleed, om aan de gedekte tafel met brandende kaarsen de maaltijd te nuttigen ter ere van Hem, die hen voedt en gezond houdt. Wie in Mijn naam, in de geest der waarheid, de spijzen tot zich neemt, heeft Mij te gast.
Voor de maaltijd houden een of twee oudsten een terugblik op de week: al het belangrijke, het voor en tegen, zou openlijk moeten worden uitgesproken.
De oudsten, die aan het hoofd van de gemeente staan, stellen de gemeente de vraag: wat is er in de afgelopen week algemeen positief en opbouwend geweest en waarom? En: wie of wat heeft daartoe bijgedragen?

De gemeente bericht over het „voor”. De oudsten, die aan het hoofd van de gemeente staan, zullen dan in het boek van de gemeente de overeenkomstige opmerkingen opnemen. Ook de opmerkelijke daden van de leden van de gemeente voor de Geest van Christus, die tot welzijn en groei van de gemeente hebben bijgedragen, behoren in het gemeenteboek te worden vastgelegd. Hetzelfde geschiedt bij het „tegen”. Wie of wat waren de oorzaken van de negatieve aspecten in de afgelopen week? Ook daarover worden opmerkingen in het boek van de week opgenomen, dat een deel van de gemeenteboeken is; ook wie de veroorzakers of medeveroorzakers waren - en waarom zij moeilijkheden en problemen hadden of nog hebben.
Na het avondmaal moeten oudsten, die hiervoor in aanmerking komen, met hen, die eventueel nog onder moeilijkheden of problemen gebukt gaan, spreken, En wanneer het om tweeden of derden gaat, behoren deze bij het gesprek aanwezig te zijn.*

De brandende kaarsen symboliseren het innerlijke licht, waaromheen van God vervulde mensen zich verzamelen.
De maaltijd behoort, zoals ieder voedsel, in stilte te worden genuttigd - in het bewustzijn, dat de mens de gaven van God ontvangt en opneemt.
Een van jullie, die oprecht van harte is, d.w.z. die vervuld is van de liefde tot God, zal voor en na de maaltijd de dankgebeden spreken en de gemeente bij de Heer aanbevelen,

____________________________
* Alleen ernstige problemen, waarvan de bereiniging veel tijd vergt, moeten na het avondmaal met een of meer oudsten worden besproken. De eenvoudige problemen en moeilijkheden echter, die in korte tijd kunnen worden bereinigd, moeten voor het avondmaal met een oudste worden besproken.
opdat ook de volgende week in het teken van de onbaatzuchtige liefde moge staan en de nog belaste broeders en zusters het inzicht en de kracht mogen ontvangen om te bereinigen, hetgeen nog niet in orde is. Want de nieuwe week brengt weer voor iedereen datgene, wat voor hem nog te bereinigen is.
In Mijn gemeente behoort iedereen ieder ander te dienen.
Iedere week moeten afwisselend andere gemeenteleden bij het maal de tafel dekken, de spijzen opdienen en hun naasten, die aan tafel zitten, onbaatzuchtig bedienen. Ook de toebereiding van het voedsel behoort afwisselend te geschieden, zodat iedereen ieder ander een kleinere of grotere dienst bewijst.
De gemeente van Christus, Mijn gemeente, zou van geestelijk leven vervuld moeten zijn. Daarom behoort ieder gemeentelid zich aan het begin van iedere dag aan de Vader-Moeder-God over te geven, met het verzoek, dat de Eeuwige hem de kracht moge verlenen, rein van harte te worden, want zij, die rein zijn van harte, zullen God aanschouwen en het aardrijk bezitten. Ieder moet de zin van de volgende woorden meenemen in de dag: het offer, dat God liefheeft, is het reine hart van Zijn kinderen.
Met het offer is niet „offeren” bedoeld, maar de innige wens, zich vol vreugde over te geven aan Degene, die hem liefheeft, en met hen te zijn, die Hem liefhebben.
Ik herhaal: er waren in het verleden geen ceremoniën nodig, noch zijn ze in het heden en in de toekomst nodig. De woorden, die jullie in het boek „Het evangelie van Jezus” lezen, zijn symbolen voor het leven in de geest, symbolen voor het voedsel en het spijzigen van hen, die God in hun hart hebben opgenomen.

Wie bewust drinkt, ontvangt de essentie van het leven, en wie bewust eet, ontvangt het brood der hemelen. Doet daarom alles vanuit het hart; dan doen jullie het bewust en er zijn geen verdere wijdingen en ceremoniën nodig.
Wie alles bewust doet, afgestemd op Mij, Christus, doet het ter gedachtenis aan Mij.

6. En laat hem danken voor alles en hen zegenen en de Vader in de hemel aanroepen, opdat Hij Zijn Heilige Geest moge zenden, opdat Hij over hen kome en hen make tot het lichaam en het bloed, de substantie en het leven, van de Eeuwige, dat eeuwigdurend wordt gebroken en vergoten, voor allen.
7. En laat hem deze opheffen ten hemel en bidden voor allen, voor hen, die zijn voorgegaan, voor hen, die nog leven en voor hen, die nog zullen komen. Zoals Ik jullie geleerd heb, bidt ook zo en laat hem het brood breken en een stukje daarvan in de beker doen en dan de heilige verbinding zegenen, en laat hem dit dan aan de gelovigen geven en daartoe op deze wijze spreken: dit is het lichaam van Christus, de substantie van God. Dit is het bloed van Christus, het leven van God, eeuwigdurend gebroken en vergoten voor jullie en allen tot eeuwig leven. En zoals jullie het Mij hebben zien doen, doet evenzo in de geest van de liefde; want de woorden, die Ik tot jullie spreek, zijn geest en leven.« (Hoofdst. 92, 6-7)

Deze uiteenzettingen zijn eveneens consessies, echter geen wetmatigheden. De mensen van die tijd zochten naar uiterlijk houvast en hadden uiterlijke dingen nodig. Overeenkomstig hun mentaliteit kwam Ik aan hun wensen tegemoet. Maar voor wie de Geest van het leven in zichzelf zoekt en vindt, gaat de innerlijke tempel open. Hij zal zijn leven vol eerbied aan God wijden en zo ook alles, wat hij volbrengt.






HOOFDSTUK 93

De voorschriften voor de gemeente (3e deel)

Over vergeven en om vergeving vragen (1-2).
De genezing uit de Geest Gods (3-4). De verantwoordelijken
in de gemeente (5-10)

1. En een ander vroeg: »Meester, wanneer iemand een zonde heeft begaan, mag een mens hem dan zijn zonde vergeven of niet?« En Jezus zei: »God vergeeft alle zonden van degenen, die berouw hebben, maar wat jullie hebben gezaaid, dat moeten jullie ook oogsten. God noch mens kunnen degenen, die niet berouwen en zich niet van hun zonden afkeren, vergeven, evenmin als zij de zonden van degenen, die zich ervan afkeren, kunnen vasthouden. Maar wanneer iemand in de Geest is en duidelijk herkent, dat iemand zijn zonden berouwt en zich ervan afkeert, dan kan deze waarlijk tot de berouwvolle zondaar zeggen: je zonden zijn je vergeven; want elke zonde wordt vergeven door berouw en het weer-goed-maken en degenen, die zich ervan afkeren, worden ervan verlost, maar zij, die blijven zondigen, blijven eraan gebonden.
2. En toch duren de vruchten van de zonde een tijdlang voort; wij zaaien, dus moeten wij oogsten. Want God laat niet met zich spotten en degenen, die in het vlees zaaien, zullen verderf oogsten, maar zij die in de geest zaaien, zullen het eeuwige leven oogsten. Wie zich dus van zijn zonden afkeert en deze bekent, tot hem dient de oudste op deze wijze te zeggen: moge God je je zonden vergeven en je naar het eeuwige leven leiden. Alle zonden tegen God worden vergeven door God en alle zonden tegen mensen door mensen. (Hoofdst. 93, 1-2)


Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Alleen degene, aan wie de naaste zich heeft bezondigd, kan de zonde vergeven. Iemand die er geen deel aan had, een tweede of een derde, kan hem de zonde niet vergeven.
Wat de mens zaait, moet hij ook oogsten - tenzij hij zijn zonden, de handelingen tegen de wet, op tijd berouwt en zijn naaste door Mij, de Christus, om vergeving vraagt. Wanneer deze hem vergeeft, is de zonde van hem weggenomen, want God delgt alles, wat berouwd en vergeven is - en als de mens ernaar streeft, hetzelfde niet meer te doen.
Wat echter niet berouwd en vergeven is moet worden afgelost, in dit leven of in een van de volgende aardse levens of in de reinigingsgebieden, waar de ziel na het verlaten van het lichaam heengaat.
En wanneer iemand om vergeving vraagt en geen vergeving van zijn schuld verkrijgt, dan zal ook God deze niet van hem wegnemen. Maar Gods liefde en genade zal degene, die niet vergeeft, in versterkte mate met Zijn licht bestralen, zodat ook hij zijn verkeerde gedrag inziet, zijn naaste vergeeft en ook zelf om vergeving vraagt. Want niet altijd heeft bij een vergrijp slechts één zich schuldig gemaakt. In veel gevallen zijn het beiden, die door hun gedrag schuld dragen.
Voordat de oorzaken aan den lijve werkzaam worden, raakt de liefde en de genade van God steeds weer het hart van de zondaar aan en beweegt het, de zonde op tijd in het reine te brengen door vergeving en verzoek om vergeving, want iedere zonde is schuld, dus een vergrijp tegen de goddelijke wet.

Slechts diegene kan het hemelrijk binnengaan, die van zijn naaste vergeving heeft verkregen. Daarom, o mens, let op je gedachten en op je woorden, dat zowel de gedachte als het woord met mijn wet overeenstemmen.
De mens kan weliswaar vergeven, maar de smet van de ziel kan alleen God wegnemen. De oudste kan hen, die om vergeving vragen en de vergevenden volgens de wet van het weer-goed-maken voorlichten, dat alleen die zonden vereffend zijn, die in de toekomst niet meer worden begaan. Van zonden vrijspreken kan geen mens, alleen God.
Is er tussen twee mensen een twist ontstaan en kunnen ze hun onenigheden niet in het reine brengen, omdat zij de goddelijke wetten niet kennen, dan kunnen zij, als zij het willen, door een wijze oudste of door de engel van de gemeente, op de hoogte worden gebracht, hoe de eeuwige wetten luiden - opdat het beiden weer mogelijk wordt, juist te denken en te handelen.

3. En een ander vroeg Hem: »Wanneer er iemand van ons ziek is, zullen wij dan de kracht hebben om te genezen, zoals Jij?« En Jezus antwoordde: »Deze kracht komt uit de volmaakte reinheid en uit het geloof. Zij, die uit God zijn geboren, behouden hun zaad in zich.
4. Wanneer echter een van jullie ziek is, laat hem naar de oudste van de gemeente vragen, opdat hij hem zalft met de olijfolie, in de naam van de Heer. Het geloofsgebed, het uitstromen van de kracht, verbonden met een dankgebed, zal hem oprichten, wanneer hij niet terneer gedrukt wordt door zonden uit dit of uit een vorig leven.« (Hoofdst. 93, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In Mijn gemeente zullen mensen zijn, die de gave hebben om te genezen. Om uit de Geest Gods te kunnen genezen, moeten hun zielen verregaand zijn gereinigd, zodat door hen Mijn genezende stroom naar de zwakke ziel en naar het lijdende lichaam kan stromen.* Doch slechts diegene wordt gezond, die de last van zijn lichaam, de zonde, die daar tot uitwerking komt, aan Mij overgeeft. Dan geschiedt de genezing via zijn ziel, voorzover dit goed is voor de ziel en het lichaam. Begaat de mens echter dezelfde fouten weer, dan is het beter voor zijn ziel, dat hij zijn leed draagt en daardoor rijpt, ook al zou dat pas in een van zijn volgende aardse levens zijn, want zijn fouten zijn tegelijk zijn leed.

In de hemel zijn er geen ceremoniën. Deze heb Ik in veel gevallen de onwetenden toegestaan, die slechts een deel van de wet van het leven kenden, omdat zij nog aan rituelen vasthielden en door rituelen tot rust en inkeer kwamen.
De Mijnen, die de wet kennen en die in Mijn gemeente leven, die een bouwsteen van het vredesrijk is, hebben geen ceremoniën nodig en daarom ook geen zalving. De hemel is de wet van de liefde en zo moet het ook op aarde onder de Mijnen zijn.
Wie Mij om genezing vraagt, behoort tegelijkertijd voor de genezing te danken; want wie van harte vraagt en daden van onbaatzuchtige liefde doet - en niet meer dezelfde zonden begaat -, heeft reeds in zijn ziel genezing ontvangen. Dankt en weest jullie bewust: wie van harte dankt en zijn fouten niet meer begaat, heeft reeds ontvangen.

5. En een ander vroeg Hem: »Meester, hoe moet de heilige gemeente geordend zijn en wie moet erin dienen?« En Jezus antwoordde: »Wanneer Mijn discipelen verzameld zijn in Mijn naam, laat hen dan uit hun midden trouwe en ____________________
* Geloofsgenezers, ook Christus- of gebedsgenezers genoemd, moeten volgens de wet van het leven enige tijd in de gemeente hebben gediend. Ook hier bepaalt de gemeente, of het gemeentelid voor deze opdracht de innerlijke kwaliteit heeft ontwikkeld.
De geloofsgenezing sluit de consultatie van een dokter of natuurarts niet uit.
gelovige mannen en vrouwen kiezen, die in de wereldse aangelegenheden taken op zich nemen en raad geven, die voor de behoeften van de armen zorgen en voor degenen, die niet kunnen werken en laat hen het gemeentegoed beheren en bij het offer meehelpen en laat hen door hun hulp jullie diakens zijn.
6. En wanneer deze hun dienst goed hebben gedaan, laat hen dan uit hun midden diegenen kiezen, die geestelijke gaven bezitten: ofwel de gave van het leiding geven of van de profetie of van het prediken, het onderwijzen of het genezen, opdat zij de kudde geestelijk opbouwen, het heilige offer brengen en de mysteries van God vieren, en laat hen jullie oudsten en hun helpers zijn.
7. En laat uit degenen, die op hun plaats goed hebben gediend, er een kiezen, die het meest waardig lijkt en laat hem boven allen staan, en hij zal jullie engel zijn. En laat de engel de diakens inzetten en de oudsten wijden, hen zalven en de handen opleggen en hen beademen, opdat zij de Heilige Geest ontvangen voor de dienst, waartoe zij zijn geroepen. En laat de engel een van de hogere leiding zalven en wijden, een uit de bovenste raad.
8. Evenals Ik de apostelen en profeten heb gezonden, zo zend Ik ook evangelisten en herders - de achtenveertig pilaren van de tempel -, opdat Ik voor de dienst van de vier Mijn gemeente opbouw en vervolmaak. Deze moeten in Jeruzalem in een heilige vergadering zitten, ieder met zijn helper en diaken en aan hen moeten de elders gevestigde vergaderingen berichten over alle aangelegenheden, tot behoud van de gemeente. En zoals het licht komt, zo moeten zij Mijn gemeente leiden en opbouwen en onderwijzen. Zij zullen licht ontvangen van allen en aan allen zullen zij meer licht geven.
9. En vergeet niet in jullie gebeden, smeekbeden, voorspraken en dankzeggingen wierook te offeren, zoals het staat geschreven in de laatste van jullie profeten: vanaf zonsopgang tot zonsondergang moet in Mijn naam op alle plaatsen als reine offergave wierook geofferd worden; want Mijn naam zal groot zijn onder de heidenen.
10. Want voorwaar, Ik zeg jullie, wierook is de herinnering aan de smeekbede van de heiligen in het verborgene, met woorden, die niet kunnen worden gesproken.«
(Hoofdst. 93, 5-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

In Mijn gemeente dienen al degenen, die op de Innerlijke Weg naar het rijk van het hart de tweede fase, de goddelijke Wil, hebben erkend en verwezenlijkt. Zij worden rijp voor de daden in Mijn Geest.
Zij, die in Mijn dienst staan, zijn de engelen van de gemeente, de oudsten, de geloofsgenezers, de geestelijke leraren en de leiders van de Innerlijke-Geest=Christus-kerken (momenteel [2000] Kosmische Levensschool genoemd) en degenen, die onbaatzuchtig in de dienst aan de naasten werken.
Het gemeenteleven heeft geen starre vorm. Het leven in Mijn geest is evolutie. Er bestaan geen superieuren en geen ondergeschikten. Uit de gemeente worden steeds opnieuw in de geest gerijpte mannen en vrouwen gekozen, die de groeiende gemeente leiden of verdere gemeenten opbouwen, zodat de aarde wordt bevolkt met mensen, die de wil van de Vader-Moeder-God doen.
De gekozenen worden eerst aan de zijde van de geestelijke leermeesters en de leiders van de Innerlijke-Geest=Christus-kerken geplaatst en aan de zijde van degenen, die de verschillende taken verrichten, zoals b.v. in het onderwijs, in de sociale sector en tevens op bedrijfs- en economisch gebied, en ook aan de zijde van degenen, die voor de armen zorgen en het gemeentebezit beheren. Op deze wijze worden zij rijp voor andere en zelfstandige opdrachten in Mijn geest, opdat de gemeente - en in ruimere zin de gemeenten - mogen toenemen en zo op aarde het rijk van de vrede groeit.
Ook moeten gekozen mannen en vrouwen de schare van de oudsten vergroten. Laat daarom zo menig begenadigde onder toezicht van een oudste het gemeenteleven leiden, hetzij op de gemeente-avonden, op gebedsavonden, Innerlijke Geest=Christuskerken (de kosmische levensschool) en bij alles, wat de taken van de oudsten zijn.*
Enkele van de oudsten, die beroepen zijn of de engel van de wordende gemeente zullen voor andere gemeenten het gemeenteboek bijhouden en bewaren en erop toezien, dat al het belangrijke wordt vastgehouden, wat binnen de gemeente gebeurt.
En wanneer er iemand onder de gekozenen uitmunt door goede, onbaatzuchtige daden, door het in acht nemen van de eeuwige wetten, geef hem dan de mogelijkheid, een engel van een gemeente te worden. Hij zal pas dan als engel door de oudsten en de gemeente worden ingezet, wanneer hij de proefjaren met goed resultaat heeft doorlopen en de vierde fase, de goddelijke ernst, werkelijk heeft geabsolveerd en tot Mijn woord, tot de wet, geworden is.
Het zij gezegd: Ik leer de Mijnen Mijn wet, opdat het op aarde moge worden als in de hemel.
De Mijnen, die Mijn wetten kennen en zich eraan houden, omdat zij de Innerlijke Weg naar het rijk van het innerlijk, naar de wet van het leven, bewandelen, hebben geen ceremoniën nodig - en ook geen evangelisten en herders:

_________________________
* Op de oudsten berust de taak, de gemeente op alle gebieden te begeleiden en leiding te geven en erop toe te zien, dat de eeuwige wetten in acht worden genomen en worden geleefd.
Wie Mijn wil doet, kent de wet. De herder is dan de wet:
het is de Christus in jullie door de mens, die Mijn woord is en Mijn woord in zichzelf hoort.
Wie Mijn woord is - de engel - en degenen, die Mijn woord horen - de oudsten - en degenen, die dicht bij Mijn woord zijn - de geloofsgenezers, de geestelijke leermeesters en de leiders van de Innerlijke-Geest=Christus-kerken en allen, die onbaatzuchtig in de dienst voor Mijn gemeente staan, zijn verantwoordelijk voor Mijn gemeente.





HOOFDSTUK 94

De voorschriften voor de gemeente (4e deel)

Over het begraven van de doden -
Bewust leven - Geestelijk doden - God wenst geen herhaalde incarnaties (1-4). Wie zijn innerlijke God heeft gevonden, heeft geen aardse leiders nodig - Criteria voor de echtheid van de verantwoordelijken: onbaatzuchtig dienen - Over de kleding: de innerlijke schoonheid wordt in het uiterlijk zichtbaar (5-7). Groei en levensonderhoud van de gemeente, een gezamenlijke opdracht
(8-10)

1. En een ander vroeg Hem: »Meester, hoe wil Je, dat wij onze doden begraven?« En Jezus antwoordde: »Vraagt raad aan de diakens in deze zaak; want dit betreft alleen het lichaam. Voorwaar, Ik zeg jullie, er bestaat geen dood voor hen, die in het komende leven geloven. Wat jullie voor de dood houden, is de poort tot het leven en het graf is de poort van de opstanding voor degenen, die geloven en gehoorzamen. Treurt niet en weent niet om degenen, die jullie hebben verlaten, maar verheug je liever over hun intrede in het leven.
2. Zoals alle schepselen uit het onzichtbare in deze wereld komen, zo keren zij terug naar het onzichtbare en zo zullen zij terugkeren, totdat zij gereinigd zullen zijn. Laat hun lichamen aan de elementen worden overgegeven en de Vader, die alle dingen vernieuwt, zal de engelen opdracht geven, zich over hen te ontfermen. Laat de oudsten bidden, opdat hun lichamen in vrede mogen rusten en hun zielen tot een blijde opstanding mogen ontwaken.
3. Er is een opstanding uit het lichaam en een opstanding in het lichaam. Er is een uitstappen uit het vleselijke leven en een afdalen in het vleselijke leven. Laat gebeden spreken voor hen, die reeds zijn heengegaan en voor degenen, die nog leven en voor degenen, die nog zullen komen; want allen zijn één familie in God. In God leven zij, bewegen zij zich en hebben zij hun bestaan.
4. Het lichaam, dat jullie in het graf leggen of dat door het vuur wordt verteerd, is niet het lichaam dat zal zijn; want zij die komen, zullen andere lichamen ontvangen, die toch hun eigen zijn en wat zij in het ene leven hebben gezaaid, zullen zij in een ander leven oogsten. Zalig zijn zij, die onrecht lijden in dit leven, want zij zullen grotere vreugde hebben in het komende leven. Zalig zijn zij, die in dit leven rechtschapenheid hebben beoefend; want zij zullen de kroon van het leven ontvangen.« (Hoofdst. 94, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er bestaat slechts een vergankelijk lichaam; het materiële lichaam, dat uit de aarde is en weer tot aarde wordt.
Daarom raad Ik jullie aan, het dode lichaam, dat uit de aarde is, weer aan de aarde te geven. Zoals het loof van de bomen, dat in de herfst op de grond valt, weer aan de aarde wordt teruggeven, zo wordt ook het vergankelijke lichaam weer aan de aarde teruggegeven.
Jullie dodenakkers moeten niet met grafstenen en alle mogelijke sier worden getooid. De bloemen, die het aardrijk voortbrengt, zijn de mooiste tooi. En wanneer jullie het wensen en het volgens de aardse wet gebruikelijk is, kan een kleine steen of een klein houten bordje de naam van het vergankelijke lichaam dragen, dat aan de aarde werd toevertrouwd.

Wanneer het vergankelijke lichaam aan het vuur werd overgegeven, doet de as dan in een urn, die in een grafkamer wordt bewaard, totdat de tijd gekomen is, waarop ook deze vergaat en tot dat wordt, waaruit ze bestaat. Urnen van klei zijn goed voor de resten van het lichaam.
Wanneer het overeenkomt met de nog bestaande wereldlijke wetten, kunnen jullie de as van het lichaam aan de wind, het element lucht, overgeven. De wind verstrooit de as van het voormalige lichaam en geeft deze aan de aarde terug.

Er is geen dood van de ziel. Datgene wat uit God komt, leeft eeuwig - en wat van de aarde komt, zal weer tot aarde worden.
Streeft er daarom naar, de eeuwige wet te vervullen en in de wet van de liefde te leven, zodat jullie ziel reeds in het lichaam de opstanding uit de geestelijke dood verkrijgt, namelijk het bewuste leven, dat de ziel reeds in de mens in woord en daad verwezenlijkt.
Bewust leven betekent: de wetten van de liefde verwezenlijken en vervullen. Daardoor krijgt de mens duidelijkheid en zal wetmatig denken en handelen. Dan zal de ziel na de dood van het lichaam meteen opstaan en lichtere sferen binnengaan, overeenkomstig het leven van de ziel en van het lichaam, of opstijgen naar het licht, naar de hemelen.
Zolang de aardse wetten bestaan, geldt het woord: geef de keizer, wat des keizers is, en God, wat God toekomt. Streef er dus naar, de wetten van God in acht te nemen en ook de aardse wetten te vervullen - voorzover ze niet tegen de goddelijke wet indruisen. Want wie tegen God, de universele wet, handelt, belast zichzelf.

Wie de eeuwige wet van het leven niet kent en ook niet wil kennen en ervaren, is een geestelijk dode. Daarom zullen alleen de geestelijk doden om hun doden rouwen, omdat ze menen, dat zij van hen zijn heengegaan. Zij zijn echter slechts in het fijnstoffelijke leven overgegaan, dat met de ogen van het lichaam niet kan worden waargenomen.
Verheugt jullie, wanneer een lichte ziel uit het graf van het menselijke ik is opgestegen en na de dood van het lichaam het lichtrijk, de hemelen, binnengaat - intreedt in het leven, dat hen beschoren is, die reeds in het aardse gewaad in de geest, in het ware leven, hebben geleefd.
De wil van de Vader-Moeder-God en de zoon, die Ik Ben, is, dat de ziel in het aardse gewaad zich in die mate reinigt, dat zij niet meer in het vlees terugkeert, in een nieuw lichaam uit aarde, dat de aardse man heeft verwekt en de aardse vrouw heeft gedragen. Keert de ziel weer naar de aarde terug, dan stemt het nieuwe lichaam weer overeen met de toestand van de ziel, met haar wezenskenmerken. De licht- en schaduwzijden van de ziel kenmerken dus het aardse lichaam. Het materiële lichaam van de weer geïncarneerde ziel is het huis, waarin zij inkeer heeft genomen, om op aarde, in de levensschool van de geïncarneerde zielen, haar schaduwen af te dragen.
Het licht van de dag laat de mens zien, wat hij iedere dag moet overwinnen. Zodoende zijn de ogenblikken en minuten kostbare energie tot zelfkennis. Wie de ogenblikken, de minuten en de uren gebruikt en zodoende in het heden leeft, verkrijgt heerschappij over zichzelf. Hij bezit kostbare levensenergie in zijn ziel en in zijn lichaam.

Een ziel zal zolang weer in het vlees willen gaan, totdat zij meer licht dan schaduwen draagt.
Ook lichte zielen streven naar de aarde om diegenen te dienen, die met hun schaduwen worstelen. Voorzover deze zielen in het licht blijven, zijn zij niet aan de wet van zaad en oogst gebonden. Zij gaan na de dood van het lichaam weer terug in het licht. Er bestaat dus een uitstappen uit het leven van het vlees en een afdalen in het leven van het vlees.

Bidt tot de Vader-Moeder-God, dat Hij jullie dagelijks nieuwe levensenergie schenkt, opdat jullie herkennen, wat jullie op deze dag moeten overwinnen - opdat jullie na de dood van het lichaam naar lichtere gebieden terug mogen keren, om niet meer in het leven van het vlees af te dalen.

Bidt voor de overledenen, opdat zij hun weg mogen herkennen en op het pad naar het Goddelijke wandelen, naar het rijk van de vrede. Bidt echter ook voor hen die zullen komen, opdat zij in de reinigingsgebieden herkennen, waarop het in het aardse gewaad aankomt.

Wie in God leeft, beweegt zich in God en heeft in God zijn bestaan.
Wie in en met de wereld leeft, heeft zijn bestaan steeds weer in de wereld en zal zolang in de wereld leven, totdat hij de dagen benut om geestelijk goed te vergaren, wat uiteindelijk het leven is.
Wie als mens ondanks bekoringen van de duisternis standvastig blijft en in het licht van de waarheid, in God, blijft en onrecht in God ondergaat, zal in het eeuwige Zijn grote vreugde kennen, want hij moest niet vergeven en ook niet om vergeving vragen. Hij heeft in God geleefd en hij leeft in God. En wie ondanks verzoekingen in de rechtschapenheid bleef, zich dus aan de eeuwige wetten heeft gehouden, zal in het eeuwige leven de kroon van de liefde dragen.

5. En nog een ander vroeg Hem: »Meester, volgens de wet kleedde Mozes de priesters met prachtige gewaden voor hun dienst in de tempel. Moeten wij degenen, die wij de heilige diensten toevertrouwen, die Jij ons hebt geleerd, ook zo kleden?« En Jezus antwoordde: »Wit linnen is de gerechtigheid van de heiligen; maar voorwaar, de tijd zal komen, waarin Zion verwoest zal zijn, en als de tijd van hun rouw voorbij zal zijn, zal zij opstaan en haar mooie gewaden aantrekken, zoals staat geschreven.
6. Zoekt echter eerst de heerschappij van de gerechtigheid en dit alles zal jullie erbij worden gegeven. Zoekt in alle dingen de eenvoud en geeft geen gelegenheid tot ijdele pracht. Probeert eerst gekleed te gaan in barmhartigheid en met het kleed van de verlossing en de mantel van de gerechtigheid.
7. Waarvoor zou het van nut zijn, als jullie deze niet hebben? Zoals de klank van het erts en het klinken van de cymbaal zijn jullie, wanneer jullie de liefde niet hebben. Zoekt de gerechtigheid, de liefde en de vrede en alle dingen van schoonheid zullen jullie erbij worden gegeven.«
(Hoofdst. 94, 5-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: in de wet van de liefde bestaat er geen kastijding. De wet neemt niets van de mens, wat hij nog wil vasthouden. De wet leidt de mens uit zijn gewoontes, tradities, meningen en egoïsme weg en laat veel toe, totdat de mens zichzelf in Mij, de wet, heeft gevonden. Zo handelde ook Mozes.
Wie echter alleen zijn ogen vestigt op Mij en de wetten verwezenlijkt, behoeft geen uiterlijke pracht en ook geen menselijke leider. Hij heeft zijn leider en Verlosser in zichzelf gevonden. Het is Christus, die Ik Ben, de goede herder van alle getrouwe schapen.
Streeft daarom niet naar uiterlijk aanzien en ook niet naar menselijke leiders. In God is gelijkheid. Daarom behoren in Mijn gemeente de engelen en de oudsten van de gemeente niet meer en niet geringer te zijn dan de gemeente. In Mij is er maar een volk, dat zich aan de eeuwige wetten van de liefde houdt.
Waarom kiezen de mensen steeds weer hun aardse leiders? Omdat zij de geest van Christus niet in het middelpunt van hun leven hebben geplaatst. De mensheid heeft zolang haar aardse idolen nodig, totdat zij de innerlijke waarheid heeft gevonden. Heeft de mens zijn innerlijke God, de Vader-Moeder-God, eenmaal gevonden, dan kijkt hij niet meer op naar een menselijk idool, maar vervult de eeuwige wetten en is God welgevallig. Hij vormt dan met gelijkgezinden de familie van God op aarde.

Zolang de mensen, die de gemeente of de gemeenten in Mij, de Christus vormen, zich in evolutie bevinden, zullen er steeds weer mensen zijn, die reeds een hogere geestelijke rijpheid hebben verkregen. Zij zijn dan de engelen en de oudsten, de geloofsgenezers, de geestelijke leermeesters en de leiders van de kosmische levensschool in de gemeente. Wie in de geest is gerijpt, heeft niet de aanspraak, beter te zijn dan zijn naaste.
Een criterium van de echtheid van een engel en de oudsten en van alle anderen, die aan het hoofd van de gemeente staan, is de onbaatzuchtigheid, het onbaatzuchtige dienen, zonder naar loon en waardering te vragen.
Dit slaat niet op de werkzaamheden in Christusbedrijven en sociale instellingen. Daar voltrekt de mens de wet „bid en werk” en zal daarvoor loon ontvangen om zich in het materiële leven te kunnen handhaven. Maar ook hier geldt: werk onbaatzuchtig in de dienst van je naaste. Dan zul ook jij ontvangen.
De onbaatzuchtigheid in dienst van de gemeente als engel en oudste behoort niet in de wet „bid en werk” te worden ondergebracht. Het is de onbaatzuchtige dienst zonder loon.
Tracht eerst de gerechtigheid en de onbaatzuchtige liefde te bereiken, dan zullen jullie alles ontvangen en bezitten, wat jullie nodig hebben - en meer dan dat. Wie onbaatzuchtig dient, zal ook verdienen. Want de wil van God is met hem en de Vader-Moeder-God zal voor hem zorgen, opdat het hem aan niets ontbreekt.
Kleed je met het sieraad van de deugd, met de kracht van de liefde en barmhartigheid - en je zult verlost zijn van hetgeen de wereldse mens nog meesleept: zijn menselijke ik, dat zich in veel facetten weerspiegelt: in pracht en praal, in uiterlijke rijkdom, in willen-zijn en de wens naar bezit, in afgunst, haat en vijandschap.
Mozes stond de priesters de prachtige gewaden toe, omdat deze nog niet de barmhartigheid hadden bereikt en het volk het zo wilde.
Wie van liefde, barmhartigheid en gerechtigheid is doordrongen, is verlost. Hij zal zich overeenkomstig zijn innerlijke straling kleden en geven.
Wie zich aan de eeuwige wetten houdt, zal zich ook in de kleuren kleden, die overeenstemmen met de harmonie van de goddelijke wet. De basiskrachten van de geest zijn de zeven basiskleuren van de hemelen. Zij lijken op de kleuren van de regenboog.*

De onbaatzuchtige is ordentelijk, schoon en netjes gekleed in een kleur uit het spectrum van de regenboog. Hij zal zich echter niet in pracht en praal hullen.
De onbaatzuchtige zal niet op de voorgrond treden en zich opvallend gedragen. Hij straalt uit wat hij heeft verwezenlijkt - ook door zijn kleding.
_________________
* Daarin liggen ook voor de driedimensionale wereld - zoals in de natuur - harmonieuze tussenkleuren (gemengde kleuren).

Zoals de mens voelt, denkt, spreekt en handelt, zo is hij - en zo gedraagt hij zich in zijn gezin en in het openbaar.
Zoals hij is, zo eet hij. En zoals hij is en eet - zo gedraagt en kleedt hij zich.
De mens kan gedurende lange tijd zijn ik verbergen en de onverlichte mens misleiden. De tijd komt voor iedereen, waarin zijn ik zichtbaar wordt en hij zich laat zien, zoals hij werkelijk is.
Iedereen herkent aan zichzelf, hoe het er met hem voorstaat, ieder is zijn eigen maatstaf; zijn naaste is daarbij een spiegel voor hem: want wat hem bij zijn naaste niet bevalt, wat hem opwindt en waarover hij in zijn opwinding nadenkt en spreekt, heeft hij net zo of ongeveer zo bij zichzelf en in zichzelf. Iedere opwinding over de naaste is de maatstaf voor hemzelf.

Kom tot innerlijke schoonheid door onbaatzuchtige liefde, vrede en gerechtigheid - en alles zal je door de Vader in de hemel worden gegeven!
God wil, dat Zijn kinderen geen gebrek lijden, maar rijk zijn in de geest. Dan zullen zij ook als mens bezitten, wat zij nodig hebben en nog veel meer dan dat - opdat zij aan diegenen uitdelen, die op weg zijn van uiterlijke armoede en zielenbelasting naar innerlijke schoonheid en innerlijke rijkdom.
Streef daarom eerst naar het rijk Gods en Zijn gerechtigheid, dan zul je alles ontvangen, wat je nodig hebt en meer dan dat. Dit betekent echter niet, dat je je handen in de schoot moet leggen. „Bid en werk” luidt de wet voor de mensen.

8. En nog een ander vroeg Hem: »Meester, hoeveel van de rijken en machtigen zullen het leven ingaan en zich met ons verbinden, die arm zijn en veracht worden? Hoe moeten wij het werk van God in de geestelijke vernieuwing van de mensheid uitvoeren?« En Jezus sprak: »Ook dit is een zaak voor de diakens en de gemeente in de raad van de oudsten.
9. Wanneer echter Mijn discipelen samenkomen op de avond van de sabbat of op de morgen van de eerste dag van de week, laat ieder dan wat geld offeren, ook al is het nog zo weinig, zoals God het hem heeft gegeven en het in het offerblok leggen voor het behoud van de gemeente en de diensten en hun werken. Want Ik zeg jullie, geven is zaliger dan nemen.
10. Zo dienen alle dingen te worden gedaan, op passende wijze en ordelijk. En het overige zal de geest ordenen, die uitgaat van de Vader in de hemel. Ik heb jullie nu in de grondbeginselen onderwezen en zie, Ik Ben altijd bij jullie tot aan het einde der tijden.« (Hoofdst. 94, 8-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Geen rijkaard, die zijn bezit zijn eigendom noemt, zal het rijk van God binnengaan, en geen machtige, die over Mijn volk macht uitoefent, zal in de hemel komen.
Beiden, zowel de rijkaard als de machtige, zijn arm in de geest van de liefde en in de daden van barmhartigheid. Pas wanneer zij hun hoofden buigen, hun bezit voor het algemeen welzijn, voor het volk op de juiste wijze inzetten en gelijk zijn aan degenen, die Mij meer liefhebben dan deze wereld met haar verlokkingen, prikkelingen en geneugten, zullen zij in Mijn geest groeien en met jullie zijn, die rijk moeten zijn aan innerlijke waarden.
Wie zijn machtswellust, zijn intolerantie, zijn heerszucht en zijn hoogmoed berouwt en weer goedmaakt, wat hij heeft veroorzaakt - en wel daar, waar het nodig en gepast is, wie zich dus ondergeschikt maakt aan de eeuwige wetten, zal met de Mijnen zijn en de Mijnen met hem.
Zeg dus niet, dat jullie arm zijn, jullie, die het rijk van God hebben verkozen. De ware rijkaards zijn zij, die de wil van Mijn en hun Vader doen.

De tijd is nabij, waarin de Mijnen het aardrijk zullen bezitten. Want in de tijd van Christus zullen er geen rijken en armen bestaan, noch machtigen en onderdanen. In Mij zijn allen gelijk: Mijn broeders en zusters - en wij zijn allen de zonen en dochters van God.
Zolang het innerlijke rijk langzamerhand naar buiten groeit, dus op aarde zichtbaar wordt door hen, die de wil van de Vader doen - en ook door degenen, die de weg naar het rijk van het innerlijk zijn begonnen, om de wil van de Vader te herkennen en te vervullen, hebben de Mijnen in hun gemeente nog dienaren nodig: de engel, oudsten, geloofsgenezers, geestelijke leermeesters, leiders van de kosmische levensschool en andere onbaatzuchtige dienaren van God, in de ruimten waarin de gemeente gehouden wordt, in de scholen, kleuterscholen, Christuswerkplaatsen (door jullie „Christusbedrijven” en „Gut zum Leben” genoemd) in klinieken („Häusern zur Gesundheit”) en bejaardentehuizen („Häusern zur Inneren Heimat”) en nog veel meer, wat de mens nodig heeft, om in het tijdelijke te leven.
Opdat de gemeente behouden blijft en zich kan uitbreiden, is ieders hulp nodig. Daarom behoort iedereen een tiende bij te dragen, iedere week of iedere maand, en God danken, dat hij gezond en sterk is en de Eeuwige daardoor ook kan dienen, evenals de gemeente en zijn naaste.
De onbaatzuchtige zal er vrijwillig toe bijdragen, want hij weet: alles komt van God, en alles gaat weer naar God.
Zoals de zee de meren en rivieren en beken voedt en deze weer de zee, zoals het water tot waterdamp, tot wolken wordt en deze weer als water de aarde drenken, zo behoren ook de Mijnen de energieën te laten stromen. Alleen een gezonde kringloop, een stromen van de kracht, staat borg voor een gezonde groei en vermeerdering van de energie. Wie op deze gezonde kringloop is aangesloten, zal nooit gebrek lijden. Hij neemt de stromende, eeuwige wet van de onbaatzuchtige liefde in acht en houdt zich aan het gebod „bid en werk”.
Wie zich houdt aan de wet en de geboden, die uittreksels zijn uit de eeuwige wet, zal tot het Christusvolk behoren, dat maar één leider en Verlosser heeft: Christus, die Ik Ben als zoon in de Vader-Moeder-God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Totdat alle mensen en wezens één zijn in God, Mijn Vader, zal deze regeling voor de gemeente, voor het gemeenteleven gelden.
Geeft de moed niet op. Ik Ben bij jullie tot aan het einde der tijden - en als broeder in alle eeuwigheid.
Geeft de moed niet op. De engelen van de hemelen zijn met de Mijnen en de Mijnen met de engelen van de hemelen, de goddelijke wezens, opdat het worde op aarde zoals in de hemel, waar liefde en vrede heersen.
Wie met Mij is, wandelt onder het banier van de Christus, dat het innerlijke rijk, het rijk van de vrede symboliseert: vrijheid, eenheid en broederlijkheid.

Alle mensen zijn één volk in Mij, de Christus.





HOOFDSTUK 95

De hemelvaart

De verrezene onderwijst Zijn discipelen over de
vervulling van de verlossersopdracht en over de invloed van negatieve krachten - In de machtige geheugenbron van het heelal, evenals in de etherkroniek, zijn de terugleiding en het rijk Gods op aarde als positieve energie opgeslagen en bouwen zich meer en meer op (1). De aardse heerschappij in de naam van Christus door de werktuigen van de demonen (2-3). Deze machtige tijdsomwenteling laat al het tegenstrijdige openbaar worden - De duisternis in haar uitwerkingen en zelfgeschapen ketens (4). Belofte van de Heilige Geest (5). Draag Christus in jezelf (6). Ik kom terug in alle heerlijkheid (7). De onbaatzuchtige liefde is een onverbrekelijke band (8). Jezus leed en ervaarde als mens, wat menszijn betekent (9-10)

1. Na Zijn verrijzenis toonde Jezus zich als levende aan Zijn discipelen en bracht negentig dagen met hen door. Hij onderwees hen en sprak over het rijk Gods en al hetgeen dit aangaat, en voleindigde alles, wat Hij te doen had. Daarna liet Hij de twaalf met Maria Magdalena en Jozef, Zijn Vader, en Maria, Zijn moeder, en de andere trouwe vrouwen naar Bethanië op de olijfberg gaan, die Hij hen genoemd had. (Hoofdst. 95, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat geschreven: »Na Zijn verrijzenis toonde Jezus zich als levende aan Zijn discipelen en bracht negentig dagen met hen door. Hij onderwees hen en sprak over het rijk Gods en al hetgeen dit aangaat en voleindigde alles, wat Hij te doen had«. Ook deze woorden moeten naar de zin worden begrepen.
Mijn discipelen bleven gedurende de genoemde tijd bij elkaar. Zij baden en gaven zich helemaal over aan Hem, die van hen was heengegaan en toch met hen was en is - de Christus Gods in de eeuwige Vader.
In deze dagen van gebed en overgave verscheen Ik, de verrezene, steeds weer aan de biddenden. Via degenen, die het innerlijke woord vernamen, leerde ik Mijn discipelen, Gods wetten te onderhouden, die Ik hen als Jezus had bijgebracht en voorgeleefd; want zij moesten in staat zijn te vervullen, wat Ik als Jezus, vanwege het van-God-verwijderd-zijn van de joden, niet meer kon uitvoeren; want dezen wilden in Mij niets anders zien dan hun koning van deze wereld.

Wat Ik aan Mijn discipelen openbaarde, gold - en geldt - bovendien voor alle latere generaties, want steeds weer kwamen en komen van Godvervulde mensen, om dit te verwezenlijken. Mijn denken, leven en werken als Jezus werd ook opgeslagen in de grote geheugenbron van het heelal en in de etherkroniek, om van daaruit steeds weer naar de aarde te stralen.

Deze machtige geheugenbron van het heelal en de etherkroniek registreren alle energieën, die van de mensen uitgaan, evenals hetgeen uit het reine Zijn werd en wordt geopenbaard. Want niets, wat gedacht, gesproken, geopenbaard en gedaan wordt, gaat verloren.

Ik openbaarde aan de discipelen het rijk Gods, het eeuwige Zijn, en sprak over het rijk Gods op aarde. Ik openbaarde hen het voor en tegen, de invloed en de strijd van de negatieve krachten van deze wereld, die zullen voortduren, totdat het reine, de wet van het leven, in de harten van veel mensen ingang vindt en door hen wordt vervuld. Want als de mens rein, edel en goed is, zal hij op deze aarde met Mij, de Christus, het rijk Gods opbouwen.
Deze opdracht kon Ik als Jezus van Nazareth niet vervullen, omdat de Mijnen niet met Mij waren. Daarom voerde ik haar - door openbaring - in de geheugenbron van het heelal en in de etherkroniek in. Daar bouwde zich, onzichtbaar voor de mensen, de hele verlossersopdracht op: de terugbrenging van de kinderen Gods en het rijk Gods op aarde. Het is het machtige werk van de verlossing, waarbij talrijke reine geestwezens en ook geestwezens in het aardse kleed - mensen dus - betrokken zijn.
Te allen tijde gingen wezens - overeenkomstig hun opdracht - in het aardse kleed en begonnen, gedeelten daarvan in de wereld te brengen. Ofwel leidden zij een onbaatzuchtig leven in dienst van hun naasten of namen steeds weer kleine of grotere gedeelten van de geestelijke opdracht op zich en maakten deze daardoor zichtbaar. In een leven mét elkaar en voor de naasten schiepen zij instellingen, waarin zij hun best deden, het ware christen-zijn te leven. Doch steeds weer kwam de duisterling, om de uiterlijke instellingen te vernietigen.

Generaties lang gingen duistere zielen ter incarnatie, om in het aardse kleed de demonen als werktuigen te dienen. Zolang het demonische nog macht had, kon het het uiterlijke van de ware christelijke instellingen vernietigen - echter niet hetgeen zich als positieve energie in de geheugenbron van het heelal, in de etherkroniek en in de aarde steeds meer opbouwde: het rijk Gods op aarde.
In de machtige tijdsomwenteling [1989] ervaren nu vele van deze geïncarneerde duistere zielen de gevolgen van hun vroegere daden en worden daardoor verzwakt. Daarom hebben de demonen nu steeds minder toegang tot de activiteiten voor het rijk Gods op aarde. Dientengevolge zijn zij het ook onder elkaar oneens en nog maar nauwelijks in staat tot omvangrijke negatieve daden, om te vernietigen en de mensen te doden, die hen gevaarlijk lijken, omdat zij moeite doen om een leven in Mij, de Christus, te leiden.
Zo verliezen de negatieve krachten steeds meer terrein en zodoende invloed en kracht. Tegelijkertijd neemt in veel mensen en daardoor ook op aarde het licht van de hemelen toe. De duistere macht zal wijken.

Er staat geschreven: »Daarna liet Hij de twaalf met Maria Magdalena en Jozef, Zijn vader, en Maria, Zijn moeder, en de andere trouwe vrouwen naar Bethanië op de olijfberg gaan, die Hij hen genoemd had«.
Ik vroeg Mijn getrouwen, Mijn hemelvaart bij te wonen, opdat het gebeuren in hun zielen zou worden opgenomen en zij zouden inzien, dat al diegenen hemelwaarts zullen gaan, die Mij, de Christus, waarlijk aan- en opnemen. Zij gingen op de door Mij aangewezen berg.
Bij Mijn hemelvaart waren veel geestwezens aanwezig. Zij begeleidden Mij naar de eeuwige Vader, tot wie Ik als zoon en mederegent van de hemel terugkeerde.

Ik verbeter: onder de geestwezens was ook het geestwezen, dat eens in het aardse kleed mijn stiefvader Jozef was geweest, wiens zoon Mijn aardse kleed Jezus was. Jozef was reeds heengegaan. Zijn geestelijke lichaam, het wezen uit God, was onder de vele boden van God.

2. En Jezus sprak tot hen: »Ziet, Ik heb jullie uit de mensen gekozen en jullie de wet en het woord der waarheid gegeven.
3. Ik heb jullie als het licht van de wereld een plaats gegeven en als een stad, die niet verborgen kan zijn. Doch de tijd komt, dat duisternis de aarde zal bedekken en grote donkerte de volkeren. De vijanden van de waarheid en de gerechtigheid zullen heersen in Mijn naam en een heerschappij over de wereld oprichten. Zij zullen de volkeren onderdrukken en de vijand aanleiding geven tot laster, doordat zij Mijn leer vervangen door de meningen van de mensen en in Mijn naam zullen onderwijzen, hetgeen Ik niet onderwezen heb, en met hun tradities verduisteren, hetgeen Ik onderwezen heb. (Hoofdst. 95, 2-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Er staat geschreven: »Ziet, Ik heb jullie onder de mensen uitgekozen en heb jullie de wet en het woord der waarheid gegeven. Ik heb jullie als het licht van de wereld een plaats gegeven en als een stad, die niet verborgen kan zijn«.
Dit sprak Ik, inhoudelijk, niet alleen tot de getrouwen in het aardse kleed, maar tevens tot de vele aanwezige boden van God - en ook tot degenen, die zich in het zielenrijk voor latere incarnaties voorbereidden, om in de loop der tijden en generaties hun opdracht voor het werk van de terugleiding, de verlossing, te vervullen, om het te verkondigen en het rijk van de vrede op aarde te stichten. Nu [1989] zijn weer vele wezens uit God geïncarneerd, om de boodschap van de liefde uit te dragen, die Ik opnieuw openbaarde en openbaar, en om het rijk Gods op aarde te stichten.
Wat Ik de Mijnen voor Mijn hemelvaart heb geopenbaard, is geschied:
»Doch de tijd komt, dat duisternis de aarde zal bedekken en grote donkerte de volkeren. De vijanden van de waarheid en de gerechtigheid zullen heersen in Mijn naam en een heerschappij over de wereld oprichten. Zij zullen de volkeren onderdrukken en de vijand aanleiding geven tot laster, doordat zij Mijn leer vervangen door de meningen van de mensen en in Mijn naam zullen onderwijzen, hetgeen Ik niet onderwezen heb, en met hun tradities verduisteren, hetgeen Ik onderwezen heb.«
De demonen namen hun werktuigen en vestigden met Mijn naam, Christus, een heerschappij in deze wereld. Met Mijn naam, Christus, hebben zij hele volkeren onderdrukt en onderdrukken nog steeds veel mensen. In Mijn naam hebben zij kruistochten ondernomen en veel mensen gedood. Anderen hebben zij onder dwang tot christenen gemaakt, zodat ook dezen Mijn naam misbruikten, zoals de legers van de duisternis het deden en nog doen.
Het heilige woord, dat geldt voor de aarde en voor de mensheid, namen en nemen zij onder hun heerschappij en onder hun censuur en maken daarvan hun eigen boek, hun „Heilige Schrift”. Weliswaar onderwijzen zij in Mijn naam, in de naam van Jezus en van Christus; zij duiden hun boek aan als de waarheid - leven echter zelf niet, wat zij als waarheid verkondigen. Om mensen onder hun heerschappij te dwingen, stellen zij leerstellingen op, die door mensen zijn bedacht. Deze leerstellingen zijn niet de wet des levens, die Ik als Jezus van Nazareth heb onderwezen en als Christus Gods opnieuw openbaar. Zij voerden heidense gebruiken in, schiepen „tradities” en versluierden en versluieren zodoende de waarheid.
Deze menselijke voorstellingswereld, die niets gemeen heeft met de Godswereld, verbloemden en smukten en smukken zij op met Mijn naam als „christendom” en verduisteren Mijn leer, om zo het volk verder aan zich te binden en het blind te houden voor de waarheid. In Mijn naam, Christus, stichten de verleiden zelfs politieke partijen, om met Mijn naam, Christus, het volk aan te zetten, om voor hun onchristelijke doeleinden te stemmen.
Zo wordt op velerlei wijze Mijn naam gehoond, en allen, die Mij waarlijk willen navolgen, worden bespot, belachelijk gemaakt en van een valse leer beticht. Dat, wat zij zelf zijn, namelijk werktuigen van de duisternis, die Mijn naam misbruiken, beweren zij van de ware navolgers.

Zo gelden tot in de huidige generatie [1989] Mijn woorden: hebben zij Mij vervolgd, zo zullen zij ook jullie vervolgen. Hebben zij Mij gehoond, bespot en belachelijk gemaakt, zo zullen zij ook jullie honen, bespotten en openlijk belachelijk maken. Hebben zij Mij gedood, zo zullen zij ook velen van jullie doden.

4. Weest echter blijmoedig; want ook de tijd zal komen, dat de waarheid, die zij verborgen hebben, openbaar zal worden; en het licht zal stralen, en de duisternis zal verdwijnen en het ware rijk gesticht worden, dat in de wereld, maar niet van de wereld zal zijn. Het woord van gerechtigheid en liefde zal uitgaan vanuit het midden, de Heilige Stad op de berg Zion, en de berg, die in het land Egypte staat, zal worden herkend als een altaar ter getuigenis van de Heer. (Hoofdst. 95, 4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De nieuwe tijd, de tijd van Christus, komt met macht. De mensheid staat in een voor de materie nooit eerder voorgekomen tijdsomwenteling. Ik, Christus, kom - en met Mij degenen, die zich tot Mij bekennen door hun werken van ware onbaatzuchtige liefde.

In deze machtige tijdsomwenteling wordt al het tegenstrijdige openbaar, opdat alle mensen zichzelf kunnen herkennen, die tegen de wet van het leven gezondigd hebben, berouwen en weer goedmaken.
Ik Ben de Heer van de liefde en het leven en vernietig niet. Enkel de tijdgeest vernietigt. Ik bouw op en steun al diegenen, die van harte berouwen en weer goedmaken, wat zij veroorzaakt hebben. Zo wordt ook hen de mogelijkheid tot zelfkennis, tot berouw en tot weer goedmaken gegeven, die Mijn heilige woord, de waarheid, met hun satanische werken en met hun tradities hebben toegedekt. Hen wordt de mogelijkheid gegeven in het openbaar voor alle volkeren te bekennen, dat zij Mijn naam, Christus, voor satanische doeleinden hebben misbruikt, om zelf in de wereld naam te maken en om diegenen te verleiden, die aan hen horig werden.
De wet van oorzaak en gevolg grijpt steeds meer in de kerkelijke instituties in, waarin zich vele verantwoordelijken met Mijn naam opsmukten en opsmukken en hem voor hun eigen aanzien in de wereld misbruikten en misbruiken.
De wet van oorzaak en gevolg grijpt ook steeds meer in de zogenaamde christelijke partijen in en heeft zijn uitwerking op die mensen, die zich onder hun banier gesteld hebben en die niet omzetten en vervullen, hetgeen Ik als Jezus onderwezen heb.
Wie berouwt, bekent en om vergeving vraagt en datgene weer afbreekt, wat hij onder misbruik van Mijn naam, Christus, heeft opgebouwd, zal ook de genade en de hulp van de Eeuwige verkrijgen.
Wie echter hardnekkig met Mijn naam, Christus, aan het bouwwerk van het menselijke ik verderbouwt, zal worden afgebroken - met alles, wat hij heeft opgebouwd en vasthoudt.
Want ziet: Ik, de Christus, maak alles nieuw. Verblijd je en wees welgemoed. De tegenstander bindt zichzelf steeds meer. In de wet van zaad en oogst heeft hij zijn eigen ketenen gesmeed en allen die hem horig zijn en horig blijven, leggen zichzelf eveneens aan deze ketens.
Wie Mijn naam noemt, echter Mijn leer, die de wet van het leven is, niet vervult, is tegen Mij, hij is voor de tegenstander en bindt zichzelf ook aan deze ketens.
Wie Mijn naam, Christus, noemt, verplicht zich daarmee voor de wet van het leven, datgene te verwezenlijken en te vervullen, wat Ik als Jezus onderwezen heb en als Christus Gods onderwijs. Wie dit niet doet, is tegen Mij en een vijand van de waarheid.
Terwijl de duisternis zich door haar gevolgen meer en meer aan haar eigen ketens kluistert, straalt het licht Gods in Mij, de Christus, steeds sterker in deze wereld. Op de gereinigde aarde ontstaat een nieuwe wereld, de wereld van Christus.
Ook nu reeds, voordat de aarde is gereinigd en het rijk Gods, het vredesrijk van Jezus Christus, de aarde omspant, ontstaat Mijn rijk heel geleidelijk in de ten einde lopende oude, zondige wereld - en is toch niet mét deze wereld.

Er staat geschreven: »Het woord van gerechtigheid en liefde zal uitgaan vanuit het midden, de Heilige Stad op de berg Zion, en de berg, die in het land Egypte staat, zal worden herkend als een altaar ter getuigenis van de Heer«.
Ik, Christus, zeg jullie: de Israëlieten kregen van de Eeuwige een lange genadetijd, om zich op de wet van liefde en gerechtigheid te bezinnen en op Mij, hun Verlosser. Aangezien de Israëlieten zich echter tot aan deze machtige tijdsomwenteling niet bezonnen hebben en nog steeds aan hun voorstellingswereld en hun tradities vasthouden en nog steeds strijd voeren met hun naasten, inplaats van liefde en gerechtigheid te laten heersen, en nog steeds op de Messias wachten, die toch eens als Jezus onder hen was, heeft de Eeuwige het heil van Israël weggenomen en aan een ander volk gegeven. Dientengevolge zal het heil van het Nieuwe Jeruzalem uitgaan en van het Nieuwe Israël in wording. En de berg des Heren zal daar zijn, waar mensen volgens de verkondiging van het heil leven. En dezen zullen er getuigenis van afleggen, dat het rijk Gods op aarde, op de materie, geleefd kan worden en dat de levenswetten in alle details vervuld kunnen worden.
In het zich geleidelijk opbouwende Nieuwe Jeruzalem - dat alle voorzieningen voor het leven in God omvat - leven en werken mensen volgens de wetten van de Bergrede. Zij vervullen steeds meer de wetten van de onbaatzuchtige liefde en laten zo het licht Gods in Mij, de Christus, in de wereld stralen.
Op deze wijze zal in toenemende mate al datgene zichtbaar worden, wat niet op Mij, de Christus, opgebouwd is. En de mensen, die Mijn heilige naam misbruikt hebben en niet berouwden en bereinigen, wat hen het licht duidelijk heeft laten zien, zullen zich blootstellen en zich steeds meer aan de ketens van de duisternis binden. Het licht toont hen hun lagere, egoïstische leven, dat zij met Mijn naam hebben opgesmukt, om mensen te verleiden, hen aan zich te binden en om hun kerken te vullen - en het toont hen, dat zij in vroegere levens op aarde in kruistochten de mensen met dwang tot christenen maakten of hen in Mijn naam en met het kruis van de verlossing folterden en lieten doden. Dit alles zal openbaar worden, voordat deze zondige wereld vergaat.

5. En nu ga Ik tot Mijn en jullie Vader, tot Mijn en jullie God. Doch jullie, blijft in Jeruzalem en blijft voortdurend in gebed en na zeven dagen zullen jullie kracht ontvangen van boven, en de belofte van de Heilige Geest zal in vervulling gaan aan jullie, en jullie zullen van Jeruzalem uitgaan naar alle stammen van Israël en naar de verste delen der aarde.« (Hoofdst. 95, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Deze woorden »... en na zeven dagen zullen jullie kracht ontvangen van boven, en de belofte van de Heilige Geest zal in vervulling gaan aan jullie, en jullie zullen van Jeruzalem uitgaan naar alle stammen van Israël en naar de verste delen der aarde« hebben de volgende betekenis:
Ik, Christus, ga naar Mijn en jullie Vader, tot Mijn en jullie God, want Ik, Christus, bleef in God - zonder de smet van de zonde.
Ik, Christus, Ben in de Vader, die de liefde en de waarheid is, de wet van het leven. De wet, God, bestaat uit de zeven basiskrachten van God. Zij zijn de alstroom, de wet en de geest van het leven, die alles doordringt. Ik ga door alle zeven basiskrachten van het leven tot de Vader van het leven en zend jullie de kracht, de geest, het leven - de zeven basiskrachten van de hemelen. Na de hemelvaart werk Ik opnieuw in de zeven basiskrachten in God, in de geest van het leven en in alle levensvormen, aangezien alle krachten in alle krachten besloten zijn, met inbegrip van de vier wezenheidskrachten, de scheppings- en voortbrengingskrachten, waarin Ik alomtegenwoordig Ben.
De Heilige Geest, die Ik jullie zend, is de Vader in Mij, de Christus. Hij zal aan jullie en in en door jullie - en in allen, die mij trouw navolgen - datgene in vervulling laten gaan, wat Ik jullie gezegd heb. Ik zal door jullie en door mensen in latere generaties, die in Mijn navolging treden, het rijk Gods op aarde stichten.
Dit en meer sprak Ik door het woord van het hart tot degenen, die in het aardse kleed en in het geestkleed aanwezig waren. Want velen, die in het geestkleed aanwezig waren, hadden zich voor de incarnatie voorbereid, om hetgeen Ik als Jezus van Nazareth onderwees, zover voort te zetten als het hen in de generatie, waarin zij incarneren, mogelijk is.
Dat is in vervulling gegaan:
De waarheid, die Ik Ben, wordt in alle delen van de aarde onderwezen. Wie haar aanneemt en ernaar leeft, is de dienaar van allen en de geringste onder de Mijnen. Want groot in de geest is de mens, die onbaatzuchtig dient en de dienaar is van allen, zonder eer, titel en erkenning.
Wie in de Geest, God, groot is, leeft in God en wie in God leeft, leeft in de waarheid, die de wet, God, is. Wie in de waarheid leeft, leeft ook in de vervulling: hij schouwt, wat anderen niet zien, en hoort, wat anderen niet horen. Hij werkt en geeft uit de wet van het leven hetgeen anderen nog niet vermogen te begrijpen. Hij is rijk aan innerlijke waarden, omdat hij in het rijk van het innerlijk leeft.

6. En toen Hij dit gezegd had, verhief Hij Zijn reine en heilige handen en zegende hen. En het geschiedde dat, toen Hij hen zegende, Hij van hen gescheiden werd, en een wolk, die glansde als de zon, nam Hem voor hun ogen weg. En toen Hij opsteeg, hielden enkelen Hem bij de voeten vast, en anderen baden en vielen op hun aangezicht op de grond. (Hoofdst. 95, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De „wolk”, waarvan geschreven staat, dat zij glansde als de zon, bestond uit de stralingen van de zeven basiskrachten van God, van de eeuwige wet, die Mij omhulde en die alleen hij vermag te begrijpen, die in de wet, God, leeft.
De uitspraak »... hielden enkelen Hem bij de voeten vast« toont aan: de mens wil datgene vasthouden en zichtbaar en grijpbaar bij zich hebben, wat hij nog niet in zichzelf ontplooid heeft. Doch wie Mij, de Christus Gods, bewust in zich draagt als de wet van het leven en de waarheid, hoeft Mij niet als mens bij zich te weten. Hij is in zijn hart één met Mij. Daarom bidt en leeft de wet en wordt tot de wet van het leven, die Ik in de Vader Ben. Dan zijn jullie bewust één met Mij, de Christus Gods.

7. Terwijl zij Hem nakeken in de lucht, zie, daar stonden er twee bij hen in witte klederen en spraken: »Mannen van Israël, wat staan jullie daar en kijken naar de lucht? Deze Jezus, die in een wolk van jullie werd genomen, zal evenzo terugkomen uit een wolk. En zoals jullie Hem ten hemel zagen gaan, zo zal Hij terugkomen op de aarde.«
(Hoofdst. 95, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Op de zeven stralen, de zeven basiskrachten van God, zal Ik, Christus, terugkomen en het rijk Gods op aarde regeren, dat Ik met de Mijnen als de Christus Gods, als hun goddelijke broeder, heb opgericht. Dat heb Ik de Mijnen beloofd. Mijn woord geldt.
Ik kom terug in alle heerlijkheid tot degenen, die in Mij leven. Dit zullen na de reiniging en doorstraling van de aarde alle mensen zijn, die op haar wonen. Ik, Christus, kom niet in het aardse kleed tot de Mijnen, maar in het geestkleed. En toch zullen zij Mij schouwen, omdat zij de innerlijke hemel hebben ontsloten door de vervulling van de eeuwige wet.

8. Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de Olijfberg, die een sabbatreis van de stad verwijderd is. En toen zij terugkwamen, misten zij Maria Magdalena, en zij zochten haar en vonden haar niet. En enkelen van de discipelen zeiden: »De Meester heeft haar met zich meegenomen«, en zij verbaasden zich zeer en geraakten in grote eerbied. (Hoofdst. 95, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Maria Magdalena ging om te bidden naar de plaats, waar Ik met enkele getrouwe mannelijke en vrouwelijke discipelen en met haar was bijeengekomen en over de wet van de liefde had gesproken, die de eeuwige Vader in ons is. Zij voelde Mijn innerlijke nabijheid en wilde daar zijn, waar zij de heiligste gevoelens waarnam, de onbaatzuchtige liefde, die ons verenigde en eeuwig verenigt.
De onbaatzuchtige liefde is een onverbrekelijke, broederlijke band, die allen verbindt, die in reinheid met elkaar en vóór elkaar zijn. Want wie in de naaste leeft, voelt wat de naaste nodig heeft, en dient hem onbaatzuchtig.
Maria Magdalena had het verlangen naar verre landen. Maar toen Ik mijn opstandingsstralen in haar neerliet, werd dit verlangen veranderd in nabijheid en blijdschap en in het hartewoord, dat Ik Ben.

9. En het was midzomer, toen Jezus ten hemel opsteeg, en Hij had nog niet Zijn vijftigste jaar bereikt; want het was noodzakelijk, dat er zeven maal zeven jaren in Zijn leven vervuld worden.
10. Ja, opdat Hij volmaakt worde door het doorlijden van alle ervaringen en een voorbeeld worde voor allen, de kinderen zowel als de ouders, de gehuwden en de ongehuwden, de jongeren en de ouderen, ja, te allen tijde en in alle omstandigheden van het aardse leven. (Hoofdst. 95, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De zeven maal zeven jaren symboliseren de zeven basisstralen. In iedere basisstraal zijn telkens de andere zes stralen als kracht besloten. Zij vormen de onderste sferen in de basisstralen. Daarom zijn het zeven maal zeven krachten, stralen, die uit de zeven basisstralen - ook grond- of oerstraling genaamd - voortkomen.
Als Jezus van Nazareth doorleefde en vervulde Ik, wat voor de verlossing van alle mensen van belang is: Ik ervaarde en doorleed, wat mens-zijn betekent, en leed omwille van de mensen. Daardoor nam Ik in de zeven maal zeven stralen het doorleefde en geledene, het voor en tegen van de mensen, als herinnering op.
In de verlossersvonk ervaar Ik de blijdschap en het leed van iedere ziel en van ieder mens - of het nu opgroeiende kinderen zijn of hun ouders, gehuwden of ongehuwden, jongeren of bejaarden. Het aantal aardse jaren heb Ik niet doorleefd, doch hun leed gevoeld en hoe het verder gaat, als de mens blijft zondigen.
Ik heb de mensen gezien, geschouwd en gevoeld. Ik heb hen beleefd en ervaren. Ik heb het vrouwelijke en het mannelijke principe ervaren en de echtverbintenis als druk en binding gezien en als mens het huwelijk - de geestelijke verbinding dus - beleefd. Ik heb alles opgenomen in de verlossersvonk, opdat Ik iedere ziel en ieder mens de hulp, de genade en de woorden kan schenken, die hem troost en aanwijzing kunnen zijn op de weg naar het Innerlijke Leven, tot het rijk Gods van het innerlijk, als hij het leven in Mij, Christus, aanneemt en vervult.





HOOFDSTUK 96

Nederdaling van de Heilige Geest

Over de opdrachten en functie van de discipelen (1-3)
Wie groot is in de geest, dient en geeft in deemoed en dankbaarheid (4-5). Het ontstaan van de kerkelijke hiërarchie door hooggeplaatsten en hoogwaardigheidsbekleders - De onbaatzuchtige dienaren van allen geven vanuit het hart (6-7). Wat gebeurde er bij het instromen van de Heilige Geest? (8-9) De ware broederschap van Christus in dienst van het algemeen welzijn (10). Eén voor allen, Christus (11). Menselijkheden in de oergemeenten - splitsing van de oergemeenten wegens meningsverschillen en gezagsgetrouw denken (12-13). Ceremoniën en ander mensenwerk behoren niet tot de leer van de Nazarener (14-15). Harmonie in de gezindheid brengt vrijheid en eenheid (16). Toelichting van de geloofsbekentenis (17-23). Wie Mij navolgt wordt tot tempel van de liefde (24-25). Ik Ben de waarheid (26). Door het werk „Dit is
Mijn woord” zal het leven uitstromen in de wereld

1. Nadat de discipelen van de berg waren afgedaald, verzamelden zij zich in de hoger gelegen ruimte en verenigden zich allen voor het gemeenschappelijke gebed en bede-offer; en hun aantal was ongeveer honderdtwintig.
2. En op deze dag stond Jacobus op en zei: »Mannen en broeders, jullie weten, hoe de Heer, voordat Hij ons verliet, Petrus uitkoos, opdat hij onze leider zij en over ons wake in Zijn naam, en zei, dat het noodzakelijk was, een van diegenen, die met ons waren en getuigen waren van zijn opstanding, uit te kiezen en op Zijn plaats te zetten.«
3. En zij kozen er twee, Barsabas en Matthias, en zij baden en zeiden: »O God, Jij, die de harten van alle mensen kent, toon ons, welke van de twee Jij bestemd hebt, om aan het apostelschap deel te nemen, waaruit Jij Jouw dienaar Petrus hebt verheven, om ons te leiden.« (Hoofdst. 96, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik heb geen mens ertoe verheven, om over de Mijnen te waken. Schouwt dieper in de woorden »... Petrus uitkoos, opdat hij onze leider zij en over ons wake in Zijn naam«, en begrijpt de zin ervan.
Tot allen, die Mij navolgden - en ook tot Petrus, die Mij vroeg, wie de leider moest zijn -, sprak Ik onder andere inhoudelijk: wie onder jullie de grootste is, laat die de geringste zijn, en aan wie het meeste aan licht en kracht gegeven kan worden door zijn leven in de liefde Gods, laat die een wegwijzer zijn voor velen, naar de liefde Gods.
Ik heb jullie allen uitgekozen, om dragers van het licht te zijn, om met hen, die na jullie komen en waarmee jullie eventueel weer samen zullen zijn, datgene te vervullen, wat Ik, de Christus Gods, als Jezus in de wereld wilde brengen. Weest slechts in die mate een leider voor de leden van de wordende gemeente, als het een wegwijzer betaamt en laat jullie nooit verheffen en als de grootste eren. Want wie zich laat verheffen en eren, leeft niet in Mijn Geest; hij zal vernederd worden. En de innerlijke scholen, die tot het innerlijke mysterie van het leven leiden en die Ik niet meer kan oprichten - die echter zullen ontstaan -, moeten door diegenen in Mijn Geest opgebouwd en doorgloeid worden, die in Mij, de Christus, leven.
Zo is aan al Mijn mannelijke en vrouwelijke discipelen nu en in de toekomst de opdracht gegeven, datgene te vervullen, wat Ik als Jezus van Nazareth heb onderwezen en vervuld. Want jullie en velen met jullie zullen in de loop der tijden meerdere malen terugkeren, om datgene voor te bereiden en op te richten, wat Ik als Jezus niet vermocht te doen - vanwege het ongeloof en de halsstarrigheid en de zonden van het joodse volk en van hen, die Mij hadden moeten bijstaan.
Maar wanneer Ik, de Geest der waarheid in God, jullie en Mijn Vader, terugkeer, zal op de aarde al dit geschieden, wat Ik jullie heb gezegd en in de geest heb voorbereid. Want dan zal Ik in de geest met de Mijnen zijn en met hen alles oprichten en opbouwen, wat Mij als Jezus van Natareth niet mogelijk was.

4. En zij brachten hun stem uit, en het lot viel op Matthias, en de twaalf namen hem op, en hij werd onder de apostelen geteld.
5. Daarna namen Johannes en Jacobus Petrus uit hun midden, door het opleggen van de handen, opdat hij hen zou leiden in de naam van de Heer, en zij spraken: »Broeder, wees als een behouwen steen met zes vlakken, jij, Petros, bent Petra, jij draagt de getuigenis van de waarheid op iedere zijde.« (Hoofdst. 96, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Zoals de discipelen het met het uitbrengen van hun stem deden, zo geschiedde het ook in de oergemeenten, die zich na Mijn heengaan tot de Vader, vormden. En zo geschiedt het ook weer in de bondgemeente Nieuw Jeruzalem en in alle oergemeenten in Mijn werk van de verlossing, in Universeel Leven [1989].
De leden van de gemeenten legden en leggen niet de handen op het hoofd van hen, die zij in hun gemeenschap hebben gekozen. Zij bidden en bevelen de nieuwe leden van de oergemeenten de Eeuwige en Mij, de Christus, aan.
Wie zich door de leden van de oergemeenten laat kiezen, verplicht zich, de „behouwen steen” te worden: een geslepen steen, die de waarheid van God in vele facetten in de wereld straalt en allen de waarheid brengt, die ernaar dorsten. Wie een bewerkte steen is geworden, heeft in zichzelf de „steen der wijzen” gevonden en straalt in deemoed en dankbaarheid in deze wereld, zonder zich erop te laten voorstaan.
Want wie in de Geest van de Eeuwige groot is, is de geringste onder de Mijnen. Zonder er prat op te gaan, geeft hij, wat hij in zichzelf ontplooid heeft: de waarheid uit de bron van de waarheid - God. Hij zal geen leider zijn, maar alleen als getuigenis van Innerlijk Leven de rijpende leden van de gemeente dienen en hen leren en geven, hetgeen zij nog tot hun innerlijke rijping nodig hebben, opdat ook in hen de steen der wijzen, het eeuwige bewustzijn, tot volle ontplooiing komt en ook zij datgene uitstralen, wat de hemel is: de wet van de liefde.

6. En er werden staven aan de apostelen gegeven, om hun schreden op de weg der waarheid te leiden en tevens kronen van de roem, en aan de profeten brandende lampen, om licht te strooien op de weg, en wierookvaten met vuur; en aan de evangelisten het boek en de heilige wet, om het volk aan de eerste grondbeginselen te herinneren; en aan de herders werd de kelk en het bord gegeven, om de kudde te spijzigen en te voeden.
7. Maar niets werd aan één gegeven, wat niet aan allen gegeven zou zijn; want allen vormden één priesterschap onder Christus als hun Meester en hogepriester in de tempel Gods; en aan de diakens werden manden gegeven, opdat zij de dingen erin legden, die nodig waren voor het heilige offer. En hun aantal was bij de honderdtwintig, en Petrus leidde hen.

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Wat hier betoogd wordt, komt niet overeen met Mijn leer als Jezus van Nazareth.
Na Mijn hemelvaart ontwikkelden zich in de loop van de tijd zogenaamde ambtelijke leiders, die hun functie lieten gelden, omdat de vele mensen, die tot de apostelen en discipelen kwamen en die in de loop van de tijd de gemeenten vormden, leiding nodig hadden. Enkele van de discipelen herinnerden zich aan gebruiken uit hun jeugd, die in de toenmalige religieuze instellingen voor wetmatig werden gehouden, echter uit het heidendom stamden. Deze heidense aspecten brachten zij in de loop van de tijd in de wordende christelijke gemeenten.
Daarmee ontwikkelde zich steeds meer een zogenaamd christendom met uiterlijke rituelen en ceremoniën en een hiërarchie met zogenaamde ambtsdragers, dat wil zeggen hoogwaardigheidsbekleders en dignitarissen. Dat heb Ik hen als Jezus van Nazareth en als de Christus Gods niet geleerd.
Erkent: de grootste onder de Mijnen is hij, die de „steen der wijzen” heeft ontsloten - dit is het geheiligde bewustzijn in de diepte van de ziel. Hij is de onbaatzuchtige dienaar van allen. Hij is geen herder, maar slechts de wegwijzer naar het Innerlijke Leven, dat hij zelf heeft ontsloten door de verwezenlijking van de eeuwige wetten. Als Jezus van Nazareth sprak Ik niet van kronen, noch van titels en ook niet van hoogwaardigheidsbekleders. Dit zijn betitelingen voor enkelingen, die zich boven het volk willen verheffen.
Wat Ik als Jezus sprak, is wet. Dit spreek Ik ook als Christus. Ik heb geen evangelisten aangesteld, geen diakens en priesters. Ik wilde en wil een kudde, wiens herder Ik Ben, Christus.
Ik sprak tot Petrus en bedoelde daarmee allen, die Mij trouw navolgen. Zij behoorden en behoren wegwijzers tot het Innerlijke Leven te zijn, echter niet op de voorgrond te treden, om het volk bepalend te beïnvloeden.
Wat hier in het zogenaamde „Evangelie van Jezus” staat geschreven, kwam er pas later bij. Het werd door enkele discipelen, die op de voorgrond wilden treden, in de wordende gemeenten gebracht.
Ook een zogenaamd priesterschap riep Ik niet in het leven, maar een schare onbaatzuchtige dienaars, die de dienaren van allen zijn. De rechtvaardige profeten dragen geen lampen; zij zijn zelf lampen, lampen van de waarheid, die zij in de wereld dragen - tot heil van allen, die hunkeren naar de waarheid, naar het Innerlijke Leven.
Ik leerde het evangelie van het hart te brengen - het is datgene, wat ieder zelf verwezenlijkt heeft -, echter nooit de letter.
Aan degenen, die Mij waarlijk willen navolgen, werd de uitrusting voor hun tocht gegeven - dat, wat zij als mens nodig hadden. Want zij trokken naar verre landen, om te onderwijzen, wat Ik hen geleerd en voorgeleefd had. Zij hadden geen boeken. Hetgeen Ik hen geleerd had, droegen de ware navolgers in hun hart. Daarvan gaven zij onbaatzuchtig door. Want slechts hetgeen uit het hart stroomt, keert weer in het hart terug - niet wat uit het verstandsdenken komt en uit boekenwijsheid.
De waarheid, die met woorden is neergeschreven, kan wegwijzer zijn voor hen, die hunkeren naar de waarheid. De letter alleen is niet de waarheid, maar slechts de weerspiegeling van de waarheid.

8. En toen de zevende dag was aangebroken, waren zij allen eensgezind bij elkaar in hetzelfde huis, en toen zij baden kwam er een geluid uit de hemel als het bruisen van een geweldige windvlaag, en de ruimte, waarin zij verzameld waren, daverde en hij vulde het hele huis.
9. En er verschenen gespleten tongen als vurige vlammen en zweefden boven ieders hoofd. En zij werden allen vervuld van de Heilige Geest, en zij begonnen te spreken met tongen, zoals de Geest hen te spreken gaf. Toen stond Petrus op en predikte de wet van Christus aan de menigte uit alle landen en talen, die hier tezamen waren. Volgens het bericht van degenen, die dit gezien en gehoord hebben, vernam eenieder het woord in zijn eigen taal, in zijn moedertaal.
(Hoofdst. 96, 8-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Toen na de genoemde tijd velen in gebed verzameld waren, nam in de zielen, die zich tot God verhieven, de heilige kracht, de Heilige Geest, toe. Velen meenden, een „geluid uit de hemel als het bruisen van een geweldige windvlaag” te vernemen, die de hele ruimte, het hele huis, vulde.
Erkent: de eeuwige Geest, de Heilige Geest, bezit geen menselijke toon, die tot menselijke oren doordringt. Het instromen van de Heilige Geest in vele rechtvaardige mannen en vrouwen, had bij hen een opbruisen van het bloed tot gevolg, want het hart van de vervulden klopte hoorbaar. Toen vernamen zij de stem van de waarheid in hun hart - ieder in zijn moedertaal. In hun innerlijke bewogenheid en in hun uiterlijke ontroering, meenden zij vurige tongen te zien. Zij, die deze werkelijk zagen, schouwden het instromen van de Heilige Geest in hun zielen en harten. En zij, die het woord Gods door mensenmond hoorden, ondervonden het in hun harten, als ware het in hun taal gesproken. Zij verstonden echter, wat zij overeenkomstig de rijpheid van hun geestelijke bewustzijn konden begrijpen. Aangezien zij het woord Gods door mensenmond in hun innerlijk konden verstaan, meenden zij, dat het hun eigen taal was.
Erkent: bij veel uitspraken werd iets toegevoegd of weggenomen, al naargelang het begrip van de schrijver en de vertaler. En bij de vertalingen werden die woorden gebruikt, die voor de vertalers gebruikelijk waren en met hun begrip van de waarheid overeenkwamen.

10. En uit degenen, die geluisterd hadden, waren op deze dag drieduizend zielen in de gemeente verzameld, en zij ontvingen de heilige wet, berouwden hun zonden en ontvingen de doop en zetten hun leven voort in de broederschap van de apostelen, in voortdurend offer en gebed. (Hoofdst. 96, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Erkent: niet allen, die op de genoemde dag verzameld waren, berouwden oprecht hun zonden, vergaven en vroegen om vergeving en zondigden niet meer. Velen meenden slechts dit gedaan te hebben. Zij hervielen weer in hun oude zonden en werden weer degenen, die zij vóór het goddelijke gebeuren waren.
Geen van hen werd gedoopt - allen werden echter door de Geest der waarheid gezegend. En allen, die de waarheid trouw bleven, door van dag tot dag hun gebeden te vervullen en de wetten van het leven steeds meer te verwezenlijken, werden geleidelijk tot de wet van het leven. Daardoor verkregen zij de geestelijke doop, omdat zij indaalden in de eeuwige wet, God, en zo tot de wet van de liefde werden.

Allen, die het leven in Mij nastreefden en zich gewetensvol vervolmaakten, traden in de broederschap van Christus, in het leven in de Geest Gods. Het is de vervulling van de eeuwige wet, zowel voor de eigen innerlijke ontwikkeling alsook door het gebod „bid en werk”. „Bid en werk” gold en geldt niet alleen voor de persoonlijke belangen; het omvat ook de ware, onbaatzuchtige dienst aan de naaste.
Zoals het in die tijd was, zo ging het in de loop van de eeuwen door: steeds weer traden mensen in Mijn navolging - in de ware broederschap van Christus, die zich niet in kloosters afzondert, maar zich midden in de wereld ontwikkelt - onder de mensen, die moeite doen, om in Mij, de Christus, te leven voor alle mensen die van goede wil zijn. De echte broederschap in en met Mij, de Christus, is de vervulling van de eeuwige wetten, temidden van de wereld.

11. En zij, die geloofden, gaven al hun bezit op, bezaten alles tezamen en leefden bij elkaar op dezelfde plaats en betoonden de liefde en goedheid van God aan hun broeders en zusters en aan alle schepselen. Zij werkten met hun handen tot algemeen welzijn. (Hoofdst. 96, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Allen, die Gods wet, gelijkheid, vrijheid, eenheid, broederlijkheid en gerechtigheid vervulden, legden hun bezittingen bijeen, beheerden alles samen en vervulden zo de wet van het leven: Eén voor allen - Christus. Allen voor Eén - Christus. En allen met Christus - voor alle mensen die van goede wil zijn. Zij leefden - zoals de lichtwezens - met elkaar in onbaatzuchtige liefde als broeders en zusters en dienden het algemeen welzijn.
Deze broederschap in Mijn geest, die na Mijn hemelvaart onder diegenen ontstond, die mij waarlijk navolgden, voltrok zich ook in alle latere tijdperken. Steeds opnieuw verzamelden zich mensen in Mijn naam, om in Mij en met Mij in de ware broederschap te leven - in dienst van het algemeen welzijn voor de naaste. Want alleen dat is de ware, absolute navolging.
Wat eens was, is nu weer [1989]:
Steeds meer mensen zetten zich in, om Mij na te volgen, om in Mij te leven en in de broederschap met Mij te komen en als eenheid het algemeen welzijn te bevorderen - en zo de hemel op aarde te brengen, het vredesrijk van Jezus Christus.
De basis van de broederschap in Mij is de onbaatzuchtige liefde in het gezamenlijke werken voor het algemeen welzijn, want zoals het in de hemel is, zo zal het ook op aarde worden - op de materie, binnen de drie dimensies.
Wie in Mij, de Christus, leeft, leeft in vrede met zijn naasten en met de natuurrijken, met de dieren, planten en stenen.

12. En van dezen werden er twaalf geroepen, om profeten te zijn met de twaalf evangelisten en twaalf herders en hun helpers erbij en diakens van de universele gemeente, en zij waren honderdtwintig in aantal. En zo was de tempel van David opgericht, uit levende mensen vol goedheid, zoals de Meester het hun had getoond.
13. En de gemeente in Jeruzalem werd aan Jacobus, de broeder van de Heer gegeven als leider en engel en daarbij vierentwintig priesters in een viervoudig ambt en ook diakens en hun helpers. En na zes dagen kwamen velen tezamen, en er kwamen zesduizend mannen en vrouwen bij, die de heilige wet van de liefde ontvingen, en zij ontvingen met vreugde het woord. (Hoofdst. 96, 12-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Als Jezus van Nazareth sprak Ik wel over de universele gemeenten, die het universele leven, het leven uit de Geest Gods, zijn - echter niet over evangelisten, herders en diakens of andere ambtsdragers. Menselijke voorstellingen omranken datgene, wat Ik in deze wereld als leer en kracht heb gebracht.
Wat Ik als Jezus met degenen, die in de opdracht stonden en staan - in de eerste plaats mensen uit het geslacht David en bovendien ook uit andere geslachten - wilde oprichten, dat moest na Mijn verrijzenis in alle eenvoud en bescheidenheid door de Mijnen met Mij opgericht worden - met Mij, die na de verrijzenis in de geest met hen was.

Velen van hen, die zich lieten zegenen, echter niet vervulden, wat Ik allen geboden heb, brachten hun voorstellingen in de eenvoudige innerlijke opbouw, die ook in het uiterlijke, in de wereld, zichtbaar had moeten worden. Hun traditiegebonden denken, dat nog verstrikt was in verordeningen van overheid en ondergeschikten, vermengden zij met Mijn leer. Zij stelden ambtelijke functionarissen en letterkundigen aan en droegen de wordende gemeenten aan hen over. Zij lieten de leiding aan hen over en luisterden steeds minder naar het woord Gods en naar de engel van de betreffende gemeente. Het gezagsgetrouwe denken nam de overhand; daaruit ontstonden onenigheid en strijd.
Door dit gezagsgetrouwe denken begon het menselijke gedrag weelderig te tieren, omdat iedereen de grootste wilde zijn. De gevolgen waren onmin, onenigheid onder de leden van de eerste oergemeenten, waaruit vervolgens splitsingen ontstonden. Mijn wens was, dat de Mijnen de innerlijke tempel zouden oprichten en datgene zouden uitvoeren, wat het geslacht David en enkelen uit andere geslachten geboden was en is: het rijk Gods, het vredesrijk van Jezus Christus te stichten en op te bouwen.
Er ontstonden dus onenigheden. Allen echter, die ware navolgers werden en Mijn leer trouw bleven, ontvingen het rechtmatige woord, de wet van het leven. Degenen, die het konden begrijpen, ontvingen het met innerlijke blijdschap en dankbaarheid.

Er is een zekere orde nodig, totdat de mensen de eeuwige wet Gods vervullen. Daarom zouden er in de oergemeenten nog zolang oudsten, leraren, leiders en genezers moeten werken, tot alle leden van de oergemeenten verregaand in de wet van het Innerlijke Leven zijn. Niemand behoort zich echter als iets bijzonders voor te doen. De grootste onder hen behoort de geringste te zijn. De oudsten, leraren, leiders en genezers moeten mensen zijn, die diep in Mijn navolging zijn doorgedrongen. Zij dienen slechts wegwijzers te zijn en geen gezagsdragers.

Zoals het destijds had moeten zijn, moet het nu weer [1989] worden in de oergemeenten van Universeel Leven, in de oergemeenten, in wier midden zich de bondgemeente Nieuw Jeruzalem in het Nieuwe Israël in wording bevindt.

14. En toen zij op de dag des Heren, nadat de sabbat voorbij was, verzameld waren en het heilige offer brachten, misten zij Maria en Jozef, de ouders van Jezus. En zij zochten naar hen, vonden hen echter niet.
15. En enkelen onder hen zeiden: »De Heer heeft hen zeker van ons weggenomen, net zoals Magdalena.« En zij werden vervuld van schroom en zongen Gods lof.
(Hoofdst. 96, 14-15)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Mijn pleegvader was in deze tijd een wezen in God, en geen mens meer. Hij was een van de vele onzichtbaren, die zich voor de vervulling van de opdracht voorbereidden. Sommigen bleven in de Geest, dienden Mij in de geest en onzichtbaar degenen, die in het aardse kleed waren. Anderen bereidden zich voor op de incarnatie, om Mij, de Christus, als mens te dienen.
Ik had Maria aan Johannes toevertrouwd. Op een stille plaats was zij in gebed met Mij verbonden en met allen, die haar in de geest omgaven.

In de tijd vlak na Mijn verrijzenis en hemelvaart, ook na het instromen van de Heilige Geest, heerste er onder de apostelen en discipelen en onder degenen, die zich bij hen hadden aangesloten, een grote onzekerheid; deze leidde tot onenigheden.
Iedere onenigheid had haar eigen stemmen. Sommigen begrepen Mijn leer en Mijn gelijkenissen volgens de diepere zin, zoals zij het overeenkomstig hun geestelijke bewustzijn konden begrijpen; anderen hielden vast aan hun voorstellingen en meenden, dat de waarheid zo moest zijn, als zij Mijn leer en Mijn gelijkenissen met hun verstand hadden begrepen.
Vanaf Mijn hemelvaart bleven deze onenigheden bestaan tot het uiteenvallen van de eerste oergemeenten. Daaruit ontstond toen de overheid. Deze besliste over datgene, wat volgens haar juist zou zijn, en maakte uit Mijn leer - waarvan de inhoud de wet van het leven en de vrije wil is - een bindende geloofsleer. Daardoor werden de woorden, die oorspronkelijk symbolen waren, die het Innerlijke Leven begrijpelijk maakten, in een menselijke denkwereld geplaatst. Onder de dekmantel van Mijn naam, Christus, kozen zij gezagsdragers zoals herders, priesters en zo meer. In Mijn naam bouwden zij in de loop der tijd een confessionele hiërarchie op met pronkvolle godshuizen en kathedralen en paleizen, waarin zij resideerden. Daardoor verstarde het christendom en werd een instituut met dogma’s, geloofspunten, erediensten, wereldse heerschappij, kerkelijke heffingen, belastingen en zo meer.
Aangezien zij in hun harten verarmd waren, namen zij in hun confessionele leersystem steeds meer heidense cultus-handelingen op, om de mensen daarvoor uiterlijke feesten aan te bieden, die zij met ceremoniën opsmukten, om hun gelovigen te stimuleren. Zij noemden het christelijke feesten, die ter ere van God zouden zijn. In werkelijkheid waren - en zijn het gedeeltelijk nu [1989] - nog steeds valstrikken, waarmee zij hun gelovigen aan zich gebonden hebben en binden. De kerkelijke wetten, de dogma’s, de leerstellingen, de structuren en gebruiken, werden voor velen gevangenissen, waaruit het moeilijk ontsnappen is.
Het gebod van de vrijheid werd en wordt niet in acht genomen; zo bepaalden en bepalen zij bijvoorbeeld, dat kinderen eerst gedoopt moeten worden, voordat zij onderwezen worden en de zegeningen van de kerk kunnen ontvangen.
Het gebod van de vrijheid luidt echter: onderwijst eerst. Dat wil zeggen: leert jullie kinderen de wetten van het leven - en als zij deze onderhouden en in het dagelijkse leven toepassen, zullen zij door Mij, de Geest van Christus, met de geest der waarheid worden gedoopt, omdat zij in de waarheid, in de wet van het leven, zijn ingedaald. Wie echter zelf niet meer kan onderscheiden tussen waarheid en traditie, wie naar de sluiers van de tradities kijkt, ziet alleen nog kerkelijke geboden en leerstellingen, ceremoniën en rituelen en meent, dat al dit mensenwerk deel uitmaakt van de leer van de Nazarener, omdat alles met Mijn naam werd opgesmukt en nog steeds wordt. [1989].

In Mij, de Christus, is er een kudde, en Ik ben de ene herder.
In Mij, de Christus, zijn er geen gezagsdragers en is er geen gezagsdenken - en daarom ook geen horigheid. In Mij, Christus, zijn er alleen broeders en zusters, die in de eeuwige Vader en in Mij leven en die één zijn van geest.
Al zijn er ook in de universele oergemeenten [1989] nog oudsten, leraren, leiders en genezers, dan zijn dit slechts omschrijvingen voor de verschillende opdrachten van de leden van de oergemeenten. In de gemeenten onderscheiden zich deze leden door de ware navolging. De oudsten, leraren, leiders en genezers zijn met alle leden van de gemeente in een geest broeders en zusters.
De benamingen zoals oudsten, leraren, leiders en genezers mogen niet als titels van gezagsdragers worden gezien. Wie hen, die deze opdrachten vervullen tot gezagsdragers maakt, maakt zich schuldig aan de wet van de vrijheid - zoals diegenen zich schuldig hebben gemaakt, die na Mijn hemelvaart de jonge oergemeenten door het aanstellen van gezagsdragers, hebben doen uiteenvallen.

In het eeuwige Zijn zijn er zeven cherubijnen en serafijnen, de vorsten van de hemelen, en de oudsten. Doch zij zijn aan alle geestwezens gelijkgesteld: allen zijn kinderen van de Vader - zonder uitzondering. De namen zoals cherubijn en serafijn en oudste zijn taakomschrijvingen, die verwijzen naar overeenkomstige, in de schepping gegrondveste taken.

16. En de Geest Gods kwam over de apostelen en de profeten onder hen, en toen zij zich herinnerden, wat de Heer hen geleerd had, bekenden en prezen zij God - allen met één stem en spraken: (Hoofdst. 96, 16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»... met één stem« wil zeggen: zij waren van één gezindheid. De harmonie in de gezindheid heeft geleidelijk vrijheid en eenheid in Mij, de Christus, tot gevolg.

17. »Wij geloven in één God: de oneindige, de geheime oorsprong, de eeuwige Vader, van wie alle dingen komen, de onzichtbare en de zichtbare. Het heelal in alles, door alles en om alles. De Heilige Ene, in wie alle dingen bestaan, wat was, wat is en wat zal zijn.
18. Wij geloven in één Heer, onze Meesteres, de volmaakt heilige Christus: God door God, licht door licht verwekt. Onze Heer, de Vader, bruidegom en zoon. Onze Meesteres, de Moeder, de bruid en de dochter. Drie gedaanten in één onverdeelde wezenheid. Een tweevoudige drie-eenheid. Dat God openbaar worde als de Vader, bruidegom en zoon van iedere ziel, en dat iedere ziel volmaakt worde als de Moeder, de bruid en dochter van God.
19. En dit door het opstijgen van de ziel in de Geest en het neerdalen van de Geest in de ziel. De Geest komt van de hemel en is vlees geworden uit de eeuwig gezegende maagd, in Jezus, de Christus Gods, en werd geboren en onderwees de weg des levens en leed onder de wereldlijke heersers en werd gekruisigd en begraven en daalde neer ter helle. En die weer verrijst en opstijgt in heerlijkheid, vanwaar Hij allen het licht en het leven schenkt.
20. Wij geloven in de zevenvoudige Geest Gods, de schenker van het leven, die uit de Heilige Twee voortkomt, die over Jezus komt en over allen, die trouw zijn aan het innerlijke licht; die in de gemeente woont, in het door God uitverkoren Israël; die voor eeuwig in de wereld komt en iedere ziel verlicht, die zoekende is; die de wet geeft, oordeelt over levenden en doden; die door de profeten van alle tijden en landen spreekt.
21. Wij geloven in een heilige algemene en apostolische gemeente: de getuige van de gehele waarheid, die deze behoedt en schenkt. Geschapen door de Geest en het vuur van God; gevoed door de wateren, zaden en vruchten der aarde. Die door de Geest van het leven, haar twaalf boeken en sacramenten, haar heilige woorden en werken de uitverkorenen in een mystieke vereniging samenbrengt en de mensheid met God verenigt, die ons tot deelgenoten van het goddelijke leven en wezen maakt, dit betuigend in de heilige symbolen.
22. En wij verwachten de terugkeer van de alomvattende Christus en van het rijk Gods, waarin gerechtigheid bestaat. En de heilige stad, die twaalf poorten heeft: daarin zijn de tempel en het altaar van God. Van waaruit drie systemen in viervoudige ambten voortkomen, om de gehele waarheid te onderrichten en het dagelijkse offer van lofprijzingen aan te bieden.
23. En zoals binnen zo buiten. In het grote zoals in het kleine. Zo boven als beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde. Wij geloven in de loutering van de ziel door vele geboorten en ervaringen, in de opstanding van de doden, in het eeuwige leven van alle rechtvaardigen, van eeuwigheid tot eeuwigheid en rust in God voor altijd. - Amen.«
(Hoofdst. 96, 17-23)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep deze belijdenis
volgens de wetten van het leven:

(Vers 17) »... de „geheime oorsprong” wil zeggen: de geheiligde oorsprong. Want in God zijn er geen geheimen.
(Vers 18) In de uitspraak „onze Meesteres” is het Moeder-principe in de Vader-Moeder-God bedoeld.
„God door God, licht door licht verwekt” betekent: de Christus is de zoon Gods, die uit de Vader-Moeder-God voortkwam, de geschouwde, die in enkele aspecten van het Innerlijke Leven geschapen en in verdere aspecten van Innerlijk Leven geestelijk verwekt is, de zoon uit de heilige, eeuwige Vader en van de Moeder.
In het Vader-Moeder-principe is ook de dochter, het vrouwelijke principe, dat meer moederdelen heeft.
De bruidegom en de bruid symboliseren de verbinding - ook huwelijk genoemd - van de beide krachten positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, vader en moeder.
„Drie gedaanten” betekent: drie krachten: de positieve kracht, de positieve pool, het gevende principe, de Vaderkracht - de negatieve kracht, de negatieve pool, het ontvangende principe, de Moederkracht. Beide krachten tezamen, het Vader-Moeder-principe, worden ook de Oerkracht of de Heilige Geest genoemd, waarin de deelkracht werkzaam is, de alomtegenwoordige kracht van de mederegent, de Christus Gods. Omdat alle krachten in alles zijn besloten, zijn deze drie krachten - de Vader-Moeder-krachten en de deelkracht in de Oerkracht, de Christus-Gods-kracht - onverdeeld in ieder wezen voorhanden.
Aangezien alle krachten in alle wezens uit God aanwezig zijn, stelt het Vader-principe de zoon voor en de zoon de Vader. Het Moeder-principe stelt de dochter voor en de dochter de Moeder.
De bruidegom en de bruid symboliseren de innerlijke verbinding, het huwelijk.
(Vers 19) „En dit door het opstijgen van de ziel in de Geest en het neerdalen van de Geest in de ziel” wil zeggen: wie de eerste stap naar de Geest van het leven zet, hem komt de Geest ook tegemoet. De ziel op weg naar de volmaaktheid stijgt op naar de Geest van het leven, naar de Vader-Moeder-God - en de Geest, de Vader-Moeder-God, komt haar tegemoet.
Zoals de ziel haar erfdeel, de krachten van de oneindigheid, weer aannneemt, in diezelfde mate stroomt ook de Geest, God, het Vader-Moeder-principe, in haar binnen, waardoor zij weer de voleinding in God, het Vader-Moeder-principe, verkrijgt.
„De Geest komt van de hemel en is vlees geworden uit de eeuwig gezegende maagd” betekent: de Geest van de Christus Gods kwam in de zoon Gods in deze wereld. Hij was en is de mederegent der hemelen, de zoon, die in Jezus tot Christus werd, tot de Verlosser.
De natuurwetten zijn edele wetten, als de mens ze rein houdt. Door de reine verwekking kwam Ik, de zoon Gods, in de jonge vrouw, die de moeder van Jezus werd. „Maagd” betekent: jonge vrouw.
Als Jezus van Nazareth onderwees Ik de heilige wetten van God en leefde ze de mensen voor. In leer en leven toonde Ik hen de weg naar het eeuwige leven. Ik leed onder de wereldlijke heersers en werd gekruisigd, omdat de Mijnen, tot wie Ik kwam, Mij niet aan- en opnamen.
Het lichaam van Jezus werd in het graf gelegd en vervolgens vergoddelijkt door de transformatie van de materie in goddelijke substantie
Als de Christus Gods, de Verlosser, „daalde Ik neer in de hel” en doorstraalde daarbij alle valgebieden en maakte deze tot reinigingsgebieden.
De verrezene, die tot God, de eeuwige Vader, is opgestegen en als mederegent van de hemelen weer in God leeft, zal in alle heerlijkheid wederkomen, wanneer het rijk Gods op aarde opgericht is.
Mijn Geest, de verlossende kracht, is in alle zielen en mensen. Wie zich tot Mij, de Christus Gods, de Verlosser, wendt door de vervulling van de wetten, ontvangt steeds meer licht en kracht en zal het leven binnengaan, dat Ik Ben.
(Vers 20) „... zevenvoudige Geest Gods” wil zeggen: het zijn de zeven basiskrachten van God, die het leven schenken aan al het Zijn. Deze zeven basiskrachten van God zijn de alomtegenwoordige wet, God, het leven, in alles wat is.
De „Heilige Twee” betekent: twee Oerkrachten; de gevende en de ontvangende kracht - het mannelijke, de Vader, en het vrouwelijke, de Moeder.
De twee Oerkrachten vormen de kern van de Oercentraalzon, die de levensenergiecentrale van de schepping is, van waaruit het leven - de zeven basiskrachten - in de zeven prismazonnen stroomt. In de zeven prismazonnen wordt het Oerlicht - de zeven basiskrachten, de Oerkracht - gesplitst en straalt in zeven maal zeven krachten in het heelal. De zeven maal zeven krachten worden ook de bewustzijns-straling genoemd. Want zij doorstralen alle bewustzijns-aspecten van de oneindigheid, met inbegrip van de materie.
Het is de Geest, God, in Mij, de Christus, die in de ware christelijke gemeenten woont en werkt en in de leden van de gemeenten, die de wil van de Eeuwige in Mij, de Christus, vervullen.
De Geest, God, in Mij, de Christus, heeft het Nieuwe Jeruzalem in het Nieuwe Israël verkozen en opgericht. Van daaruit straalt het leven over de hele aarde en vanuit de lichte mensen en de gereinigde aarde in de reinigingsgebieden naar alle zielen.
De Geest, God, de waarheid, straalt in Mij, de Christus, in deze wereld. Wie zoekt, door te streven naar de geboden van het Innerlijke Leven, zal tot de wet, God, komen en zelf de eeuwige wet worden, die Ik, Christus, in God, Mijn en jullie Vader, Ben.
„... die de wet geeft, oordeelt over levenden en doden” betekent: wie de wet, God, leeft, doet zijn intrede de wet, God, in de eeuwige waarheid.
De wet van Innerlijk Leven eindigt niet, niet voor mensen noch voor de gestorvenen, de zogenaamde „doden”, de zielen in de gebieden aan de andere kant van de bewustzijnssluier, die tussen hier en gene zijde liggen.
Wie tegen de wet, God, zondigt, veroordeelt zichzelf in die mate, waarin hij tegen de wet van het leven, de eeuwige waarheid, heeft gezondigd.
Waarlijk, te allen tijde - in de verleden en in de tegenwoordige tijd - sprak en spreekt de Geest, God, door ware profeten.
Mijn woord, het woord van de Geest, is onbegrensd. Het stroomt door alle tijden en in alle landen. En wie in de Geest van het leven is ontwaakt, kent Mijn stem. Ja, Mijn schapen kennen Mijn stem, om het even, in welk land zij als mensen leven.

(Vers 21) „Wij geloven in een heilige algemene en apostolische gemeente” betekent:
Op de grondpijlers van Innerlijk Leven, waarop Mijn ware apostelen en leerlingen de oergemeenten hebben gegrondvest, moet worden opgebouwd. De Geest van de gemeente is de Alleenheilige. Vervullen de leden van de gemeente de wet van het leven, door in de waarheid te leven, dan zijn zij de zaligen. Deze zaligen, de broeders en zusters, die in Mijn geest leven, vormen de ware gemeente.
Zij zijn de getuigen van de waarheid, en de gemeente, die zich uit hen vormt, is de behoedster en schenkster van de waarheid. Al het andere zijn menselijke voorstellingen en ook duistere praktijken, die niets met Mij, de Christus, gemeen hebben.
Wie in Mij, de Christus, leeft, leeft in God en volbrengt de werken Gods - ook in deze wereld.
In de ware gemeenten in Mij, de Christus, zijn er geen hogergeplaatsten en ondergeschikten. De ware gemeenten in Mij, de Christus, bestaan uit broeders en zusters, die hun best doen, de wil van God te vervullen, en die deze reeds vervullen. Deze gemeenten in Mij, de Christus, zijn door de Geest van het leven geschapen en doordrongen van Gods vuur.
Wie doorgloeid is van Gods vuur, vervult Gods wetten. Hij is vóór alle mensen en ook voor de natuurrijken. En zo leeft hij met alle mensen in zijn hart. Hij waardeert en acht het leven in de natuur, en hij wordt door God via de aarde in stand gehouden en gevoed, met de wateren, zaden en vruchten.

De volgende woorden: „Die door de Geest van het leven, haar twaalf boeken en sacramenten, haar heilige woorden en werken de uitverkorenen in een mystieke vereniging samenbrengt en de mensheid met God verenigt, die ons tot deelgenoten van het goddelijke leven en wezen maakt, dit betuigend in de heilige symbolen” werd door mensen in de oergemeenten gebracht. Het stemt niet overeen met de eeuwige wet.
Wie waarlijk leeft volgens de wet van God, is een reine tempel Gods. Hij heeft geen boeken, sacramenten en symbolen nodig. Hij is tot het heilige woord, tot de wet, God, geworden.
Voor hem, die tot de wet Gods geworden is, blijft niets verborgen. Het leven in God is de wet, God, en wie in de eeuwige wet leeft, kent ook alle wetmatigheden van God - want hij wordt doorstraald door het Oerlicht, door de zeven basiskrachten van het leven, die hem alles openbaren. Daaruit put en geeft hij.
Dat zijn de mensen, die waarlijk in Mijn naam tezamenkomen, die ware deelgenoten zijn aan het goddelijke leven. Zij zijn wezens in het aardse kleed, die de innerlijke religie gegrondvest hebben en behoeden en die geen hogergeplaatsten en ondergeschikten, geen ceremoniën, rituelen, erediensten en dogma’s kennen. Het is de Innerlijke Geest=Christus-kerk, de innerlijke religie, waarin alle mensen broeders en zusters zijn, die alle mensen in God verenigt en aan- en opneemt. Uit hen kwamen en komen de ware navolgers voort, die elkaar innerlijk in Mij vinden. Zij stichtten en stichten de oergemeenten van Innerlijk Leven, waarin alleen Ik, Christus, de herder Ben, omdat Ik in de Vader hun leven Ben.

Mystiek leven betekent innerlijke verbinding in de tempel van het innerlijk, samen met allen, die naar God streven. Dit was Mijn wens als Jezus van Nazareth; dat is ook Mijn wens als de Christus Gods. Met mensen die moeite doen, Gods wil te vervullen, en die reeds in de vervulling leven, zal Ik in het wordende rijk Gods op aarde, in het vredesrijk van Jezus Christus, dat aan het ontstaan is, de mensen het Innerlijke Leven brengen. Heeft het rijk Gods, het vredesrijk van Jezus Christus, de aarde omspannen, dan zullen in het rijk Gods op aarde mensen leven, die geen religieuze boeken voor hun leven nodig hebben, noch ceremoniën, erediensten, rituelen, sacramenten en dergelijke. Zij zijn één in God, omdat zij in Mij, de Christus, leven. Zij vervullen de eeuwige wet en hebben zo kennis van alle dingen van het leven.
Het boek „Dit is Mijn woord” wordt voor hen een historisch naslagwerk, dat hen tot begrip van de gebeurtenissen in het verleden dient, waaruit zij het voor en tegen van de mensheid beseffen, dat zich in en onder de zielen - in de zielenrijken - nog verder voortzet.
(Vers 22) De wederkomst van de Christus Gods, die Ik Ben, staat te gebeuren. In de huidige tijd [1989] en in komende tijdperken richt Ik geleidelijk het rijk Gods op aarde op, waarin vrede, eenheid en gerechtigheid heersen.
„En de heilige stad, die twaalf poorten heeft” is het Nieuwe Jeruzalem op aarde. Zij vormt het innerlijke altaar voor alle universele oergemeenten op de hele aarde. Want van daaruit straalt het licht van de Eeuwige in Mij, de Christus, de wetten van Innerlijk Leven naar alle gemeenten. De bewoners van het rijk Gods zullen deze herkennen, aanvaarden en in acht nemen en er zal orde zijn. Het ambt van ieder afzonderlijk lid van de gemeente is de onbaatzuchtige dienst, waarmee alle leden van de gemeenten God loven en prijzen.

Zij, aan wie de vaardigheid van onderwijzen is gegeven, zullen de kinderen, die uit de mystieke verbindingen - uit de versmelting van twee mensen, man en vrouw in God - voortkomen, in de wetten van God onderwijzen en zo opvoeden, dat zij deze in acht nemen in de broederschap met Mij, die alle mensen in het rijk Gods op aarde verenigt.

(Vers 23) „En zo binnen als buiten. In het grote zoals in het kleine. Zo boven zo beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde” betekent:
God is alomtegenwoordig. Zoals het in het binnenste, het reine, is, zo is het ook in het uiterlijke. Zoals het boven, dat wil zeggen in de hemel is, zo zal het ook op aarde worden: rein.
De aarde is in haar aardse structuur slechts de afstraling van de hemelen, echter niet de hemel zelf. Door de kracht van de liefde zal echter ook de hemel op aarde komen, het reine tot de reinen. Want de zielen zullen zich louteren door de kracht van Christus, die Ik Ben - al was het maar, dat zij door vele aardse geboorten en ervaringen zullen gaan, totdat zij zichzelf herkennen en de erkende menselijkheden, de zonden, berouwen, om vergeving vragen en vergeven en weer goedmaken, wat zij veroorzaakt hebben en dan niet meer zondigen. Zij zullen uit de geestelijke dood ontwaken en opstaan in het eeuwige leven en als reine wezens uit God, weer tot God, hun Vader, terugkeren, van wie zij als reine wezens zijn uitgegaan. In het eeuwige Zijn zullen zij dan met alle reine wezens in liefde, wijsheid en gerechtigheid leven en werken, en de liefde en heerlijkheid zal geen einde hebben. Want het eeuwige licht, God, waarin zij leven, is zoals zij allen zijn - van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Wij in Mij leeft, heeft geen geloofsbelijdenis nodig, want hij leeft de wet - zoals de wezens van de hemelen de wet zijn en leven.

24. En toen de wolken van de wierook opstegen, werd de klank van vele klokken gehoord, en een grote hemelschare prees God en sprak:
25. »Roem, eer, lof en prijs zij God, de Vader, bruidegom en zoon, één met de Moeder, bruid en dochter, waaruit de Eeuwige Geest ontspruit, door wie alle wezens zijn geschapen. Van alle eeuwigheid, nu en in alle eeuwigheid - Amen - alleluja, alleluja, alleluja. (Hoofdst. 96, 24-25)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

De mens in God heeft geen uiterlijke vormen en rituelen nodig. De klank van de zogenaamde klokken zijn dan de melodieën van de hemelen, die een lichte ziel, een rein hart, doorstromen, omdat het wezen uit de Vader-Moeder-God weer in God, de Vader en de Moeder, leeft. Dat is de weg van iedere ziel, waarin Ik, Christus, Ben. Ik Ben de weg, de waarheid en het leven.
Wie Mij navolgt, wordt een tempel van liefde. Deze tempel heeft geen uiterlijke gebruiken. Daarin zijn alle mensen en wezens opgenomen en de gehele schepping. Wie in deze tempel leeft, in zijn innerlijk, het heiligdom van God, zal samen met de wezens uit God de Eeuwige roemen, eren, loven en prijzen door de vervulling van de heilige wet, die God is, de Vader-Moeder-God. De Eeuwige schouwde en schouwt alle wezens en schonk en schenkt de hemel, waarin zij leven voor eeuwig.

26. En als wie dan ook iets van de woorden van dit evangelie wegneemt of toevoegt, of als onder een korenmaat het licht hiervan verbergt, het licht, dat ons, de twaalf getuigen, verkozen door God tot verlichting der wereld, tot haar verlossing, door de Heilige Geest gegeven is: laat hem zijn Anathema Maranatha, tot het verschijnen van de Christus Jezus, onze Verlosser, met alle heiligen. Amen.«

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

Ik Ben de Christus Gods, de weg, de waarheid en het leven.
Ik Ben de waarheid, en de waarheid, die Ik Ben, straalt in ontelbare facetten in deze wereld.

Het zogenaamde „Evangelie van Jezus” is een van de vele facetten der waarheid. Niet zomaar een mens, maar Ik, de Christus Gods, nam het, verklaarde, verbeterde en verdiepte het en voegde er meer licht, dus meerdere facetten der waarheid aan toe, opdat de mensen van de huidige generatie [1989] en de toekomstige generaties de eeuwige waarheid, Mij, de Christus Gods, uit meerdere facetten van de waarheid zien stralen.

Ik Ben de waarheid, en de waarheid schenkt de waarheid aan de kinderen van de waarheid - en zo is het de waarheid.

Ik, de Christus, vervloek en verwens geen mens. Dat doen die mensen, die Mij, de Christus, de waarheid, voor hun menselijke doeleinden misbruiken, zichzelf aan.
Ik Ben het evangelie van de waarheid, en de waarheid, die Ik Ben, geeft het aan de generaties, zoals zij het nu en in de toekomst in het licht van de waarheid kunnen begrijpen.

Hier eindigt het Heilige Evangelie van het volmaakte leven van Jezus, de Christus, de zoon van David naar het vlees, de zoon Gods naar de geest.
Hier eindigt eveneens het evangelie van de heilige twaalf, dat oorspronkelijk door de apostelen werd vastgelegd en later aan de ware navolgers van de Meester werd overhandigd - in de eerste dagen van de gemeente van Jeruzalem.
Ere zij God, door wiens kracht dit werd geschreven!

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

„Hier eindigt het Heilige Evangelie van het volmaakte leven van Jezus, de Christus, de zoon van David naar het vlees, de zoon Gods naar de geest” betekent: hier eindigt het boek „Het evangelie van Jezus”, dat in het werk „Dit is Mijn woord” werd opgenomen, dat uit de waarheid is gegeven.
Slechts het uiterlijke kan een einde hebben, het Goddelijke echter niet. Het stroomt en stroomt en heeft altijd iets te zeggen. Het is de wet van het leven, die voortdurende openbaring is.
Laat daarom het leven uitstromen door het werk „Dit is Mijn woord”, dat tevens een historisch naslagwerk is. Als jullie niet streven naar de letter, maar de zin begrijpen, openen zich voor jullie de hemelen, die Ik in Mijn door mensenmond gegeven woorden openbaar laat worden voor al diegenen, die naar de hemel streven door de ware navolging.
De zalige waarnemingen van Jezus - de zoon van David naar het vlees, de zoon Gods naar de geest - eindigen nooit. Zij waren in Mij, Jezus, rein en zijn in Mij, de Christus, één met allen, die zo voelen als Jezus.

Via de bondgemeente Nieuw Jeruzalem en via de universele oergemeenten gaat dit werk, „Dit is Mijn woord”, deze wereld in naar de kinderen Gods en naar de kinderen van de wereld. Als kinderen van God zullen allen zich in Mij, Christus, verenigen. Dat is de waarheid. Want geen enkel schaap zal verloren gaan. Ook de kinderen van de wereld zullen bewust kinderen van het licht worden, omdat ook zij het licht van de Eeuwige, het eeuwige leven, in zich dragen.

Ik Ben de Christus Gods, die als Jezus in deze wereld kwam en dat volbracht, wat tot de vereniging van alle volkeren leidt en tot de reiniging van de aarde en tot de verfijning en assimilatie van alle grofstoffelijke vormen. Want God is Geest, is fijnstoffelijk, rein leven. Alles zal weer in het reine Zijn worden teruggeleid door de Oerkracht, God, het Vader-Moeder-principe, en door de deelkracht van de Oerkracht, door de zoon en mederegent van de hemelen, die tot de Zijnen in het vredesrijk van Jezus Christus als Jaehowea komt, als broeder tot de broeders en zusters, die zich in het aardse kleed bevinden.

Ik Ben Christus in God, jullie en Mijn Vader, het leven van eeuwigheid tot eeuwigheid.





Nawoord


Dit is, dit was, en dit zal zijn:
het leven in de Geest Gods.

Mijn woord is gegeven voor gisteren, vandaag en voor de toekomst.
In Mij, de Christus, is alles heden, omdat Ik onvergankelijk Ben.
In Mij is alles besloten en voor de Mijnen openbaar.
Wat voor de mensen nog toekomst is, is in Mij het heden.
Mijn woord is het woord van het heden. Wat zal zijn is in Mij en is ook reeds in Mij voltooid.
Welke strijd dan ook tegen je naaste, is reeds jouw einde.
Wie tegen zijn naaste strijdt, is reeds vergaan.
Daarom is de wereld volgens de wet van het Innerlijke Leven reeds vergaan,
en het Ik Ben is reeds werkzaam:
de vrede.

Ik Ben de vrede.





De wetten van God
voor het vredesrijk van Jezus Christus

Ik Ben de Heer, jullie God, de enig-Ene
van eeuwigheid tot eeuwigheid
Ik openbaar de mensen uit de eeuwige wet
de wetten van het leven
voor het vredesrijk van Jezus Christus

Het rijk Gods op aarde is in Mij, jullie Vader, en in Christus, de heerser van het vredesrijk
Ik Ben de Heer, jullie God, de Eeuwige, de Ene, de wet van het leven. Jullie God, die Ik Ben, is met jullie.

Mijn zoon, de Christus Gods, is de heerser van het rijk Gods op deze aarde. Hij heeft als Jezus van Nazareth de mensen de wetten van het leven gebracht en voorgeleefd. Als Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft Hij ze opnieuw geopenbaard door de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid.
De heerser is met de Zijnen, en de Zijnen onderhouden de eeuwige wetten.

De wetten van het vredesrijk van Jezus Christus zijn uittreksels uit de eeuwige wetten. Deze uittreksels gelden voor de driedimensionale wereld, waarin Mijn kinderen in het aardse kleed, dus in het kleed van de materie, leven. Er zullen zolang mensen zijn, als de aarde vruchten voortbrengt, om mens en dier te voeden.
Erkent: de oneindigheid is absolute orde. Zij bestaat uit ontelbare zonnen, geheugenplaneten en woonplaneten. Iedere woonplaneet van de hemelen draagt reine wezens; iedere woonplaneet in de reinigingsgebieden draagt zielen - en de materiële woonplaneet, de aarde, draagt mensen.
Mijn Absolute Wet is het gevende en ontvangende leven. Iedere planeet, die uit reine oerstof bestaat, vibreert in Mijn Absolute Wet. De wezens van het licht, die de reine, fijnstoffelijke planeten bewonen, vormen een absolute eenheid met hun woonplaneten in de eenheid met het grote geheel, in de stralingswet, God. Met menselijke woorden verduidelijkt betekent dit: Eén voor allen, allen voor Eén.

Het evolutieproces voltrekt zich in de reinigingsgebieden en in de voorbereidingsgebieden en tevens in de materiële gesternten, met inbegrip van de woonplaneet aarde. Het mondt uit in de eenheidswet, in de goddelijke stralingswet.
Beginnend bij de aardplaneet met zijn bewoners, worden geleidelijk alle materiële gesternten zodanig vergeestelijkt, dat de reine delen in de planeten, de „planeetzielen”, zich zonder grote moeilijkheden vrij kunnen maken, wanneer de tijd hiervoor rijp is, om zich dan weer in de stralingswet, in de eeuwige wet, te laten opnemen.
Deze machtige transformatie van materie in fijnere substantie met hogere trilling voltrekt zich vanuit de aarde. Dit betekent: eerst verfijnt zich de zielen- en lichaamstrilling van de mensen en vervolgens - van de mens uitgaand - geschiedt de transformatie van de grofste structuur, van de aarde. Als gevolg van de verfijning van de mensen en de aarde, voltrekt zich dan eveneens - stapsgewijs - het lichter-worden van de materie van alle materiële gesternten. De verfijning geschiedt door de reiniging van de mensen en de aarde - door mensen, die zich tot Mij, de Geest der waarheid wenden en naleven, wat Ik hen geboden heb: hun zonden en fouten te erkennen, om vergeving te vragen, hun naaste te vergeven en, waar het nodig is, weer goed te maken, wat tot de zonde heeft geleid, en niet meer dezelfde of soortgelijke zonden te begaan. Dan pas is het Mij mogelijk, door hen werkzaam te zijn, omdat zij Mijn wil vervullen: de wet van de liefde, van het leven en de vrijheid.
Wie zich in dit evolutieproces invoegt, werkt mee, om de hele stralingswet van de aarde te vernieuwen en de aarde in haar trilling te verheffen, zodat zij aan licht en kracht toeneemt. Want wie zich in Mijn Geest reinigt, vernieuwt zichzelf en wordt geleidelijk weer de eeuwige wet zelf - en daardoor goddelijk. Hij zal dan ook in dit grote evolutiegebeuren meewerken, zodat de verlossing zich in alle gebieden buiten de eeuwige hemelen, van het reine Zijn, in een kortere cyclus zal voleindigen.

De aarde staat op het punt zich te reinigen, doordat zij eerst alles afschudt, wat haar belet, hoger te vibreren. Daardoor biedt zij de mensen de mogelijkheid op haar te leven, zoals het met Mijn wil, mijn wet, overeenkomt. Deze machtige tijdsomwenteling is nu aangebroken. Ik, de Geest der waarheid, maak alles nieuw.
In deze omwentelingstijd van de oude wereld naar het lichttijdperk, vindt er ook een omwenteling plaats in veel van Mijn mensenkinderen. Zij voelen de bewegingen van Mijn Geest in zich en doen hun best, om Mijn krachten, de wetten van het leven, in het dagelijkse leven om te zetten. In hen is echter ook nog de causaalenergie werkzaam, zodat velen heen en weer slingeren tussen Mij, de Geest van de eeuwigheid, en de materie: tussen de vervulling van de eeuwige wetten en het volgen van het menselijke, de menselijke wensen en hartstochten. Dit heen en weer heeft de wisselvalligheid van Mijn mensenkinderen tot gevolg.
De fase van de omvorming van het wezen van Mijn mensenkinderen en ook de omvormingen in en op de aarde zal ten einde lopen. In de omwentelingstijd valt de duisternis steeds weer aan, om haar territorium, de aarde, voor zich te redden. Daarom zijn er in en onder alle volkeren steeds weer aanvallen van de duisternis, strijd en vrede, een heen en weer, een voor en tegen.
Deze aanvallen van de demonische krachten zullen nog toenemen, omdat de mensen nog niet voldoende in Mij, de Geest, gesterkt zijn. Steeds weer zullen er volkeren in opstand komen en tegen elkaar zijn. Strijd, gebrek, ziekte, leed en zwakte zullen de mensen wegrukken. Velen zullen wegvluchten uit de concentratiegebieden van negatieve energie - dus uit die volkeren - waarin oorlogen, opstand, rampen, ziekten en epidemieën voorkomen. Uit deze chaos van oorzaak en gevolg ontspruit het nieuwe tijdperk, het lichttijdperk. Het neemt op de zich steeds meer reinigende aarde steeds duidelijker en omvangrijker vorm en gestalte aan.
Op dezelfde wijze als de aarde zich reinigt en de lichttijd verrijst, vergeestelijken zich ook de mensen, die serieus en consequent de weg tot Mij, de Eeuwige, bewandelen. Uit de puinhopen van het menselijke ik ontstaat een nieuw mensengeslacht - mensen in en met Christus, het Christusgeslacht.
Het Christusgeslacht, dat zijn wortels in het geslacht David heeft, vormt het godmensdom, dat door het onderhouden van de geboden gekenmerkt wordt. De heerser van de godmensen, van het Christusgeslacht, is Christus, Mijn eerstgeschouwde en eerstgeboren zoon, de mederegent van de hemelen. Hij is de heerser van het rijk Gods op aarde, het vredesrijk. De heerser van het rijk Gods, Mijn zoon, is voor de godmensen tegelijk broeder en vriend. Zij zullen Hem Jaehowea, de Goddelijke, noemen.

Ik, jullie Heer en God, openbaar nu uit Mijn eeuwige wet de uittreksels voor het vredesrijk van Jezus Christus in de driedimensionale wereld.
Nu reeds kunnen mensen, die streven naar het godmensdom, zich op deze wetmatigheden voor het rijk Gods op aarde oriënteren.
Godmensen rusten in zichzelf, in hun gereinigde tempel. Zij zijn Mij, God, hun Heer, trouw, door de eeuwige wetten te onderhouden. De trouw ten opzichte van Mij omvat ook de trouw in het denken, spreken en handelen ten opzichte van de naaste.

Dit is een gebod en het luidt: bewaar in iedere levenssituatie de openheid, dan ben je ook trouw ten opzichte van je naaste in God.
De hemel is open en toegankelijk voor de godmens, omdat hij actief en werkzaam in hem is: de wet van de oprechtheid, de gerechtigheid, van de absolute, onbaatzuchtige liefde. Daarom mag er in je hart geen verdorvenheid zijn en geen geslotenheid.
Godmensen hebben elkaar onbaatzuchtig lief, zoals Ik, hun Heer en God, hen liefheb. Iedere gedachte, ieder woord en ook iedere handeling van de godmensen is een goddelijke daad.
Elke wetmatige actie draagt in zich reeds de wetmatige reactie, het eeuwig stromende leven, dat Ik Ben.

In het vredesrijk van Jezus Christus verspillen de Mijnen geen energie aan onloutere gevoelens, gedachten, woorden en handelingen. Zij laten de eeuwige wet stromen, want hun gevoelens, gedachten, woorden en handelingen zijn de Absolute Wet - ook wanneer zij over dingen en gebeurtenissen spreken, wanneer zij in vrije uren of voor of na het feestmaal met elkaar spreken. Zij rusten in Mij, en Ik, de eeuwige wet, stroom door hen heen, door ieder gevoel, door iedere gedachte, door ieder woord, door iedere handeling.
De godmensen in het vredesrijk van Jezus Christus leven in tijd en ruimte. Daarom hebben zij hun vastgestelde tijden, hun werkuren en hun vrije tijd.
Ook tijdens het werk activeren zij met wetmatige gevoelens, gedachten, woorden en handelingen de door hen stromende eeuwige wet. Deze begint dan, door hen en door het werk van hun handen in versterkte mate tot stand te brengen en te voleindigen, hetgeen zij in de vloeiende stroom, in de wet, hebben ingegeven. Hun leven is geven en ontvangen.
Godmensen vervullen de wet, die luidt: ieder gevoel, iedere gedachte, elk woord en iedere handeling is wetmatig en is daarom gebed. Godmensen zullen dus niet meer in het „zweet des aanschijns” hun brood verdienen.
Werk is actief gebed.
Godmensen leven in de gemeenschap, handelen en werken samen, omdat Een voor allen is en allen voor Een: Christus. Daarom zonderen zij zich niet van elkaar af en brengen ook hun vrije tijd met elkaar door, op wetmatige wijze.
In hun woongemeenschappen zullen zij eveneens volgens deze hoge ethiek en moraal leven, zodat zij op elk moment voor Mijn aangezicht als edele, reine wezens kunnen verschijnen.
Godmensen leven in eenheid met de natuurrijken, en de dieren en planten dienen hen. Daarom zullen zij de aarde op wetmatige wijze bezitten.
De godmensen in het vredesrijk van Jezus Christus zijn met hun ontplooide geestelijke talenten en vaardigheden op de aarde en voor de aarde, de driedimensionale wereld werkzaam. De hele aarde, de planeet van God, van de schepper, zal één grote tuin Gods zijn, waarin zich de woonsteden van de godmensen harmonisch in het landschap invoegen. Zo zijn ook hun werkplaatsen in het landschap geïntegreerd. Daar handelen en werken zij in dienst van hun naasten.
De scheppende kracht van het dienen, van het geven en ontvangen zijn dus in de goddelijke mens ontwikkeld: de godmens heeft gemeenschapszin. Hij is in eenheid met God en met zijn naaste en onderhoudt de gemeenschap met alle broeders en zusters. Zijn leven is geven en ontvangen. De godmens heeft geen wens naar bezit, want hij leeft in overvloed; alles behoort hem toe.
Hij werkt niet voor de daalder, het zogenaamde geld, maar voor de gemeenschap, voor het grote geheel.
De godmens is bezitter van de oneindigheid, omdat de overvloed uit God in hem levend is en hij daardoor het grote geheel, de oneindigheid, als zijn eigendom weet. Hij noemt alles zijn eigendom, onderhoudt en verzorgt het volgens de eeuwige wetten van de eenheid en de gemeenschappelijkheid. Hij weet: bezit verplicht.
De godmens is vriendelijk en straalt liefde uit. In alle dingen van zijn leven personifieert hij zijn goddelijke broeder, de Heer van het vredesrijk, Christus, door wetmatig te voelen, te denken, te leven en te handelen.
De gedachten van de godmensen zijn lichtgedachten en kennen geen beperking. Daarom zijn ook hun woongebieden niet afgezet met omheiningen of muren. Zoals zij één zijn met God, de Eeuwige, die Ik Ben, en met de heerser van het vredesrijk, hun broeder Jaehowea, de Goddelijke, zo zijn zij ook onder elkaar in onbaatzuchtige liefde verbonden.

Zij voelen zich als één grote eenheid in God, als de familie Gods op aarde, waarin de afzonderlijke gezinnen leven. Onder hen wordt niet gevrijd.
De goddelijke mensen komen tezamen volgens de eeuwige wetten; dit betekent, zij verbinden zich als man en vrouw overeenkomstig hun uitstraling - dit zijn wederzijds gelijktrillende energetische krachten, die berusten op hun mentaliteitstrilling. Deze gelijktrillende energie drukt zich in het mannelijke principe uit als positieve straling, als gevend element, in het vrouwelijke principe als negatieve straling, als ontvangend element. Beiden zijn polen, die op elkaar zijn afgestemd; hun basistendens is gelijktrillend.
Zij komen tezamen door de aanraking van hun mentaliteitstrilling. Zij verbinden zich in Mijn Geest en sluiten in de belofte van trouw de bond met Mij, de Eeuwige, met elkaar. Zij worden een deel van de grote familie Gods, om in de wet van de eenheid, in het grote geheel, te leven en te werken.
De vereniging van man en vrouw heeft slechts plaats, als zij een kind wensen. De wens naar een kind wordt alleen door de reine stralingswet in beide mensen tegelijkertijd gewekt. De verwekking geschiedt volgens de natuurwetten voor menselijke lichamen; zij is rein en wordt voltrokken in de reine straling van de wet, waarin zij leven en zich bewegen.
Zowel de man als de vrouw staan in dienst van hun naasten; zij brengen hun vaardigheden en talenten in voor het algemeen welzijn.
Zij leven in Mij, de Vader-Moeder-God. Wat zij doen, doen zij totaal. In alles, wat zij doen en tot stand brengen, leggen zij de Godsenergie.
Alles is energie. Ik, jullie Heer en God, gebruik jullie woorden en spreek met jullie woorden over energie. Daarom is de energie van een kledingstuk niet minder waard dan de energie van een schaal fruit, want alle energie is bezield met Mijn leven, met Mijn kracht. Ieder geeft overeenkomstig het kwantum aan energie, dat hij heeft ontvangen.
De godmens neemt het energiepotentieel waar, dat de producten en de prestaties uitstralen. Hij stelt er evenredig energiepotentieel tegenover. Voor de bouw van een huis bijvoorbeeld, zal hij een evenredig energiepotentieel aan arbeid of goederen geven. Het energiepotentieel kan - met jullie menselijke woorden gesproken - ook in hoeveelheid of omvang worden gemeten. Overeenkomstig de omvang stroomt weer de hoeveelheid aan energiepotentieel.

Als de mens in Mij, de Geest Gods, leeft, is hij wijs en geeft uit Mij, de goddelijke Intelligentie. Hij zal dan niet langer volgens menselijke normen waarderen en afwegen, wat meer of minder waard is. Hij weet dit in zichzelf uit Mij, de Intelligentie, God, en put daaruit. Dit is geen ruilhandel, maar een geven en ontvangen van energie. Hij brengt in alles de rechtvaardige compensatie tot stand. Er bestaat geen „mijn” en „dijn”.
De gaven van de godmensen bestaan uit hoogtrillend energiepotentieel. De godmensen leveren kwaliteitswerk, omdat hun geestelijke bewustzijn alles doordringt. Hun producten en prestaties zijn gaven van de Geest Gods. Zij weten uit hun ontsloten bewustzijn, dat eeuwige energie moet stromen, opdat de aarde en alles, wat daarop en in de lichtere materiële kosmos aanwezig is, slechts aan licht en kracht kunnen toenemen, wanneer gelijksoortige energieën zich verenigen. Zij weten, dat door de eeuwig stromende energie zijzelf en ook lagen van de aarde in een steeds hogere energetische trilling komen, en dat zich daardoor de materie geleidelijk steeds meer verfijnt, om tenslotte weer deel te worden van de oersubstantie, van de zevendimensionale, eeuwige schepping.
Wie bijvoorbeeld in de kinderverzorging of als leraar dienst doet op een school, ontvangt overeenkomstige gaven, goederen en waardebonnen van de gezinnen, wier kinderen hij als leraar of helper begeleidt en het wetmatige leven binnenleidt. Door jonge mensen in de omgang met taal en cijfers te onderwijzen en hen te helpen, hun capaciteiten en talenten te ontwikkelen, leidt hij hen tegelijkertijd binnen in Gods wet.

Ook de hulp aan en de verzorging van ouderen is een deel van de hulpdienst. De oudere mensen blijven in de familie Gods en worden ook door haar begeleid bij het overgaan naar het fijnstoffelijke leven. Of de ziel nu in een jong of een oud lichaam is - mensen van de geest helpen elkaar.
Op deze wijze vervullen de godmensen de wet van de geestelijke evolutie, de hogere ontwikkeling. Hun denken, leven en werken voltrekt zich in de stroom van de eeuwige wet. Daardoor zorgen zij, dat de aarde - en bovendien het gehele materiële universum - zich steeds meer vergeestelijkt.

In het vredesrijk, in het rijk Gods op aarde, is de stralingswet van de aarde het geestelijke leven van de kinderen Gods. Deze zijn dus met de gehele oneindigheid verbonden, omdat zij één zijn met Mij, de Eeuwige. Ook de atmosfeer van de aarde, die haar spiegel is, zal helder zijn en in staat om hogere energieën en levensvormen op te nemen.
Zoals de reine hemelse boden onder de mensen zullen zijn, zo zullen ook de gedeeltelijk materiële wezens uit hogere lichtbronnen, die in het verlosserswerk van Christus dienen, zich opnieuw met hun mensenbroeders en -zusters verbinden, omdat zij en hun mensenbroeders en -zusters van eenzelfde geest zijn in Christus, hun goddelijke broeder - Jaehowea, de Goddelijke, genoemd -, de heerser van het vredesrijk Gods op aarde.

Aan het einde van het vredesrijk van Jezus Christus mogen de demonen zich nog eenmaal met de mensen en met de aarde meten. Hun streven is nog steeds, de aarde, hun voormalige steunpunt, te heroveren. Dat wordt hen door Mij toegestaan, opdat zij zichzelf erkennen en in Christus, Mijn zoon, Mij, de eeuwige God, aannemen en zich voor de macht en de kracht en de liefde buigen. Deze inval van het demonische in die gebieden van de aarde en de atmosfeer, waarin zich nog concentratiegebieden van tegenstrijdige energie bevinden, zal - zoals ook de opwellingen van het menselijke ik - nog slechts een schamele poging zijn en zal zich niet meer over de hele aarde uitstrekken. Iedere poging om de hele aarde te bezitten, zal mislukken, omdat de god-mensen de aarde met licht en kracht hebben doordrongen.
Na deze aanval zal dan de verdere transformatie volgen: omdat Ik door de werkzaamheid van de geestelijke mensen lagen van het grofstoffelijke in hogertrillende energie heb getransformeerd, is de aardmantel poreuzer geworden. Hij zal uitzetten en openbarsten en de aardziel, de geestelijke deelplaneet uit het eeuwige Jeruzalem, assimileert zich met het reine Zijn. De exploderende aardmantel zal in het universum verder verfijnd en naar de eeuwig stromende energie worden geleid.

Tegelijkerijd zullen ook andere zonnen en gesternten geschokt worden. Ook hun geestelijke deelaspecten worden geleidelijk naar het eeuwige Zijn gevoerd. Zo zal zich de oplossing van alle materiële vormen en energieën voltrekken.

Wie deze, Mijn woorden, hoort en leest, is ingewijd in het komende gebeuren en in het Zijn. Of hij erin gelooft, danwel Mij, de waarheid van het leven, God, zijn Heer, verwerpt - staat ieder van Mijn kinderen vrij, want Ik heb hen de vrije wil gegeven. Daarom draagt ieder voor zichzelf de verantwoordelijkheid - voor zijn geloof of ongeloof, voor het voor of tegen Mij.

Wie ogen heeft, die schouwe, wie oren heeft, die hore. Wiens ziel het licht van de Eeuwige voelt, weet, dat deze wetten voor het vredesrijk van Jezus Christus uit Mij, God, de eeuwige waarheid, gegeven zijn, die Ik Ben van eeuwigheid tot eeuwigheid - de Oer-Vader van al Mijn kinderen van eeuwigheid tot eeuwigheid.





Tot beter begrip van dit werk:

De profetie van God

Wat is een profeet? -
Zijn roeping en zijn opdracht - Het profetische woord van
de Christus Gods in onze tijd

„Dit is Mijn woord. Alpha en Omega. Het evangelie van Jezus. De Christusopenbaring, die de wereld niet kent” is het boek, waarvan de inhoud rechtstreeks uit de oerbron God komt: Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, openbaart zich door het profetische woord van de mens Gabriële - door onze zuster, de profetes en verkondigster Gods in deze machtige tijdsomwenteling.
Ofschoon God te allen tijde door profetenmond sprak en zich aan de mensen meedeelde, hen voorlichtte, vermaande, troostte en leidde - dus mét Zijn kinderen was - hebben in onze tijd veel mensen geen weet meer van deze nabijheid van de sprekende God; de profetie had nauwelijks nog een plaats in het op het aardse leven betrokken, materialistische denken en leven. Daarom zijn deze verhelderende woorden over de profetie nodig. Maar ook voor de mensen in de komende tijdperken en ook voor hen, die na de machtige tijdsomwenteling op aarde leven, de bewoners van het vredesrijk van Jezus Christus, zijn deze uiteenzettingen van betekenis. Ze dienen ter herinnering; want in de lichttijd zal er geen profetisch woord meer zijn. De mensen zijn dan zelf het woord geworden, omdat zij de wet Gods leven.
God sprak tot de mensen in het Oude Verbond; Hij sprak de mensen in Zijn „Ik Ben” aan - door profetenmond. Jesaja, Elia, Jeremia, Daniël, Job heetten enkele van de bekendste profeten. De grootste aller profeten was Jezus van Nazareth, de geïncarneerde zoon Gods. En ook in de daaropvolgende tweeduizend jaar traden in de christenheid steeds weer profeten van God op. In hun menselijke lichamen waren lichte wezens uit de hemelen geïncarneerd, die de opdracht in zich droegen, woordvoerders te zijn van God.
De profeet is als een bazuin, waarin God, de eeuwige Geest, blaast. Zijn instrument - de mens, door wie Hij profetisch spreekt - is daarbij in het volle waakbewustzijn; in hem wordt de lichttaal Gods in zijn moedertaal omgezet, opdat de mensen de eeuwige waarheid, God, kunnen horen en verstaan. Ware Godsprofeten blijven gedurende het inspreken van de Godsgeest in het waakbewustzijn. Jezus van Nazareth, de grootste profeet, is ook, wat dit betreft, het voorbeeld. God, de Eeuwige, sprak door Hem in het waakbewustzijn - zoals ook door alle ware profeten, zowel in het Oude Verbond, als ook na Jezus’ tijd. De mens raakt slechts in trance, als hij krachten opneemt van gene zijde, die niet de directe Godsstraling zijn. Dit is bij de echte Godsprofeet niet het geval.
De ziel van de profeet wordt op de komende opdracht in het mensenlichaam lang voorbereid, vaak gedurende verschillende incarnaties. Uiteindelijk wordt de mens op een bepaald tijdstip door God aan de in de ziel liggende opdracht herinnerd; dit is de zogenaamde roeping.
De weg van de Godsprofeet is een lijdensweg. Hij staat onder de absolute plicht tegenover God en heeft datgene uit te spreken, wat God hem ingeeft. De ernstige en vermanende woorden van God, die tot ommekeer oproepen, zijn de mensen van deze wereld steeds onaangenaam, waardoor de profeten in de regel hoon, spot, laster, vervolging en vaak de dood moesten ondergaan.
Er zijn twee categorieën van profeten: de verkondiger-profeten - in het algemeen profeten genaamd - en de leerprofeten. Door verkondigerprofeten gaf en geeft God de mensheid de geestelijke kennis en de fundamentele geestelijke wetmatigheden, die de mensen nodig hebben, om hun leven op het Goddelijke af te stemmen en stap voor stap in een wetmatig leven te komen. Hij vermaande en vermaant de mensen, te vervullen, wat Gods wil is. Verkondigerprofeten roepen de mensen in het bewustzijn, dat zij Gods kinderen zijn; zij brengen hen Zijn liefde en wijsheid en wijzen de weg naar huis tot Hem.
Door leerprofeten, die tijdens de grote tijdsomwenteling optreden, verankert de eeuwige Geest niet alleen het geestelijke goed in het bewustzijn van de mensen, dat reeds voorheen geopenbaard was, maar Hij geeft verdergaande en hogere wetmatigheden en aspecten van de heilige oerwet. De leerprofeet brengt dus gedetailleerd de wetten Gods en interpreteert deze ook. Door hem leert de Geest Gods de mensen de Innerlijke Weg terug naar het eeuwige vaderland, vanwaar eens elke ziel is uitgegaan. Door de leerprofeet onderwijst God steeds geestelijk goed, dat verder gaat dan het tot nu toe bekende.
De leerprofeet dient alles, wat God, de Heer, door hem wil onderrichten, zichzelf tevoren eigen te maken, te ontwikkelen en te verwezenlijken. Hij moet de Innerlijke Weg, de weg van zelfkennis en loutering, vóór alle mensen eerst zelf gaan. Na geruime tijd bereikt deze, uit de Geest Gods rechtstreeks onderrichte en geschoolde mens, de hoogste top van mystieke ontwikkeling, het doel van het pad met zeven fasen tot God, dat de eenwording met het bewustzijn, God, tot gevolg heeft. In één ogenblik herkent, schouwt en heeft deze mens dan kennis van de dingen en gebeurtenissen, die voor diegene verborgen zijn, die nog in de wereld der zinnen leeft.
Daardoor wordt de leerprofeet de verkondiger Gods, die put uit zijn ontsloten en met het Goddelijke eengeworden bewustzijn. Hij ziet de dingen of de mensen niet meer, zoals ze schijnen te zijn, maar hij schouwt de dingen, gebeurtenissen en mensen, zoals ze werkelijk zijn. Hij schouwt alles, was is, tot op de kern.
In het Oude Testament zond God vooral verkondiger-profeten naar deze aarde, door wie Hij de mensheid uit haar gebondenheid aan de materie op de juiste weg tot geestelijk hogere ontwikkeling trachtte te brengen.
Daarna werkte Christus, de deelkracht van de Oerkracht, de mederegent van de hemelen, als Verlosser en leerprofeet onder de mensen. Zij hebben Hem als Jezus van Nazareth - zoals vele van de gerechte profeten - niet herkend, niet aangenomen en Zijn leven een voortijdig einde bereid. Op Golgotha kon Hij met de woorden »Het is volbracht« de verlossing volbrengen: het inbrengen van een vonk van de verlossende deelkracht van de Oerkracht, als ondersteunende en weer tot God leidende kracht in iedere ziel.
Nu heeft God wederom een wezen in deze wereld gezonden. Het incarneerde in de mens, die Gabriële genoemd wordt. Zij dient de Eeuwige in deze wereld als Zijn leerprofetes. Haar ontsloten geestelijke bewustzijn, dat in de Almachtige rust en doordrongen is van de kracht van de Almachtige, kent de eeuwige wetten en weet de weg naar de eeuwige wet, God. Onze zuster, Gabriële dus, schouwt in haar goddelijke bewustzijn en ontvangt van de Eeuwige door haar goddelijke bewustzijn de alomvattende weg naar het hart van God. Met eenvoudige woorden vermag zij de alomvattende Innerlijke Weg te verklaren, de mens tot zijn oorzaken te leiden, hem te helpen deze op te heffen en, wanneer hij dit wil, hem naar Christus te leiden. Zij heeft inzicht in de diepte van de mensen, in hun zielentoestand. Haar taak als leerprofetes bestaat er verder in, de details van de eeuwige wetten van God nu voor alle levensgebieden in deze wereld te brengen, de details van de goddelijke wetten voor het samenleven van de mensen in gezin en beroep, in economie en maatschappij, voor de kinderopvoeding en de sociale diensten, alsook voor de gezondheid van ziel en lichaam. Tevens onderricht zij stap voor stap de toepassing van de eeuwige wetten op alle gebieden van het leven.
Leerprofeten hebben dus, - aanvullend aan de opdracht, Gods directe bazuin te zijn - de taak, hun medemensen in alle wetten van het geestelijke leven te onderrichten en hen in alle vragen van het Innerlijke Leven terzijde te staan. Daarom moest onze zuster Gabriële zelf veel beleven, ervaren, doorlijden en overwinnen - in verschillende aardse levens - opdat zij de mensen zou kunnen begrijpen en hen de juiste weg wijzen.
In deze grote tijdsomwenteling, waarin wij nu staan, stichtte Christus door Zijn profetische woord en door de christelijke oergemeente Nieuw Jeruzalem Zijn vredesrijk op deze aarde.
Ter voorbereiding van de mensheid voor het Godsrijk op aarde, geeft de Eeuwige nu op alle hoofdvragen van de mensen in deze tijd, uitleg en onderricht. Zo openbaarde Christus zich door Zijn profetische woord in 1989 ook over Zijn leven, denken en werken als Jezus van Nazareth; tevens verklaarde Hij de samenhangen en de betekenis van Zijn leven op aarde voor deze en de komende tijd. De verklaringen, verbeteringen en verdiepingen in dit boek „Dit is Mijn woord” zijn het authentieke woord van Christus. De in het reeds eerder verschenen boek „Das Evangelium Jesu” (Het evangelie van Jezus) gegeven uiteenzettingen en het nu door Christus daartoe verklaarde, verbeterde en verdiepte werk, werpen een belangrijk licht op Zijn leven, denken en werken als Jezus van Nazareth - tot beter begrip en als voorbeeld voor de mensen in deze tijd en ook voor de bewoners van het vredesrijk, het lichtrijk van Christus op aarde.
In deze machtige tijdsomwenteling leidt Christus ons bovendien in de gehele waarheid: Hij openbaart nu - zoals eerder verklaard - de wetten Gods voor alle levensgebieden op deze aarde en bouwt zo het omvangrijke rijk Gods op deze aarde op.


De oerchristenen
in Universeel Leven







Boeken van Universeel Leven:

Voorbereiding op de Innerlijke Weg,
het goddelijke Zelf:
de weg naar binnen, naar

Oerchristelijke Bewustzijnsontsluiting I
12 Hoogtrillende teksten, die ons helpen in de stilte te komen en ons denken en leven steeds meer af te stemmen op God in het binnenste van onze ziel.
170 blz. Bestelnr. S 122 nl f 15,00 - ISBN 3-89201-116-8

Oerchristelijk mediteren II
In deze cursus worden de bewustzijnscentra,
de verbindingen tussen ziel en lichaam,
doelbewust aangesproken en zo de zelfgenezende
krachten in ziel en lichaam geactiveerd.
300 blz. Bestelnr. S 128 nl f 30,00 - ISBN 3-89371-254-2

De Innerlijke Weg
Fase van de Orde
Hier leren we, onze gedachten te ordenen, ons spreken
te beteugelen en onze zintuigen te verfijnen.
260 blz. Bestelnr. S 121 nl f 25,00 - ISBN 3-89371-082-5

De Bergrede
Gedeelten uit het goddelijke openbaringswerk
»Dit is Mijn woord - A en Ω - Het evangelie van Jezus.
De Christusopenbaring, die de wereld niet kent«
121 blz. Bestelnr. S 008 nl f 8,50 - ISBN 3-89201-016-1

De Tien Geboden van God
Het leven van de oerchristenen
De Tien Geboden zijn uittreksels uit de absolute,
volmaakte wet van God. De Godsgeest geeft ons
hulp voor het toepassen van Zijn leer,
laat ons oorzaken en geestelijke samenhangen zien
en leidt ons naar antwoorden, naar wegen en oplossingen
in de meest verschillende levenssituaties.
75 blz. Bestelnr. S 009 nl f 8,50 - ISBN 3-89201-115-x

Herken en genees jezelf door
de kracht van de Geest
Bestelnr. S 102 nl f 7,50 - ISBN 3-89201-119-2

Wat je denkt en zegt, laat zien wie je bent
Bestelnr. S 111 nl f 2,50 - ISBN 3-89201-117-6

Hoe je eet en wat je eet, laat zien wie je bent
Bestelnr. S 112 nl f 5,00 - ISBN 3-926056-94-0

Uit het leven van de profetes van God
Bestelnr. S 302 nl f 7,50

Gratis boekjes, die u kunt bestellen
tegen vergoeding van portokosten:

De christelijke mysterieschool

Kleine wegwijzer tot het Goddelijke
Profetische Genezen

Uittreksel »Dit is Mijn woord«





Het blad der waarheid »De Profeet«

De stem van het hart,
de eeuwige waarheid, de eeuwige wet van God,
gegeven door de profetes van God voor onze tijd.
Het fundamentele in onze tijd, om over
na te denken en tot zelfkennis te komen

»De Profeet« nr. 4
De opbouw van het goddelijke werk en de daad
- het bedrijfsleven volgens de Bergrede -
ontvangen van de Geest van de Christus Gods

»De Profeet« nr. 7
Het leven van de »christenen« in de loop van het jaar

»De Profeet« nr. 9
De dorpsgenoot en de profeet

»De Profeet« nr. 10
De jeugd en de profeet

»De Profeet« nr. 15
Dieren klagen - de profeet klaagt aan

Deze 5 brochures en de volledige Nederlandse en internationale boekenlijst kunt u gratis bestellen, (tegen vergoeding van portokosten).


Besteladres:
Universeel Leven
Postbus 31228
6503 CE NIJMEGEN


Uit de boekenreeks van Universeel leven, boeken die verkrijgbaar zijn in verschillende talen. Wij geven hieronder de originele Duitse titels:

Das ist Mein Wort. A und Ω
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche inzwischen die wahren Christen
in aller Welt kennen
1114 S., geb. Best.-Nr. S 007, DM 35,--

Die großen kosmischen Lehren
des JESUS von NAZARETH
an Seine Apostel und Jünger,
die es fassen konnten
Das Leben der wahren gotterfüllten Menschen
296 S., geb., Best.-Nr. S 134, DM 35,--

Mit Erläuterungen von Gabriele

Band 1, geb., 256 S., Best.-Nr. S 317, DM 35,--
Band 2, geb., 270 S., Best.-Nr. S 319, DM 35,--
Band 3, geb., 256 S., Best.-Nr. S 320, DM 35,--
Band 4, geb., 264 S., Best.-Nr. S 321, DM 35,--
Band 5, geb., 336 S., Best.-Nr. S 322, DM 35,--

Der Innere Weg
Gesamtausgabe
In dieser Ausgabe sind die 7 Bücher des Inneren Weges zusammengefaßt: Urchristliche Meditation I und II, Stufe der Ordnung, Stufe des Willens, Stufe der Weisheit, Stufe des Ernstes, Die großen kosmischen Lehren des Jesus von Nazareth an Seine Apostel und Jünger, die es fassen konnten
1391 S., geb., Best.-Nr. S 150, DM 44,50


Ich. Ich. Ich,
die Spinne im Netz
Das Entsprechungsgesetz
und das Gesetz der Projektion
288 S., geb., Best.-Nr. S 325, DM 34,80

Sein Auge
Die Buchhaltung Gottes
Der Mikrokosmos im Makrokosmos
216 S., geb., Best.-Nr. S 318, DM 27,--

Die kosmische Uhr
und das Netzwerk Deiner Haut
Dein Schicksal
liegt in Deiner Hand
188 S., geb., Best.-Nr. S 328, DM 38,50





Boeken in een andere dan de Nederlandse taal kunt
u bestellen bij:

VERLAG DAS WORT GMBH
IM UNIVERSELLEN LEBEN
Max-Braun-Str. 2,
97828 Marktheidenfeld
Tel. 09391/504135, Fax 09391/504-133
http://www.das-wort.com. ∙ e-mail:info@das-wort.com