|


Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel: Die zehn Gebote Gottes -
Das Leben der Urchristen.
© Universelles Leben
Haugerring 7
D-97070 Würzburg
Alle rechten voorbehouden
In licentie uitgegeven, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse originele uitgave
doorslaggevend.
»De letter gaat eerst dan leven,
wanneer de mens de geboden begint te vervullen.
Daardoor groeit hij heel geleidelijk aan in de alomvattende
wet van de liefde en het leven.
Alleen degene, die met het hart en in de geest van de liefde de geboden
vervult,
zal de alomvattende wet herkennen en zo de waarheid vinden,
die in de ziel van ieder mens is.«
Uit: »Dit is Mijn woord«
Voorwoord
Het eerste gebod
Het tweede gebod
Het derde gebod
Het vierde gebod
Het vijfde gebod
Het zesde gebod
Het zevende gebod
Het achtste gebod
Het negende en tiende gebod
God, de bron en de stroom van het Zijn, onze
Vader - en wij, Zijn evenbeelden
Voorwoord
God gaf de mensheid door Zijn
dienaar Mozes de Tien Geboden. Het volk Israël was ertoe uitverkoren, de mensheid door
een voorbeeldig leven het heil, de geleefde wet Gods, te brengen. Toen de Israëlieten
zich, ondanks de hulp en de richtlijnen door de geboden, steeds meer in hun oorzaken
verstrikten, ging de zoon Gods in Jezus van Nazareth ter incarnatie. In Hem kwam de Vader
ons weer dichterbij, de God van liefde, van goedheid, van vergeving en genade. Want Hij
wees ons de weg, die door inzicht in jezelf, het in het reine brengen van je zonden, - via
de verwezenlijking en de vervulling van de wetten van God - terugleidt naar het eeuwige
tehuis. Jezus van Nazareth leefde en onderwees deze weg. Deze weg is samengevat in de
Bergrede*, die aanwijzingen bevat tot concrete verwezenlijking in het dagelijkse leven.
Dit aanbod gold en geldt voor alle mensen, die christelijk willen leven.
*Het boekje »De Bergrede« is eveneens in het Nederlands verkrijgbaar.
In onze tijd spreekt Christus
weer tot ons via profetenmond. In ontelbaar vele openbaringen en door het werk van Zijn
leerprofetes en verkondigster, verdiepte en verdiept Hij de Tien Geboden en de Bergrede.
Zo geeft de Gods-Geest ons hulp voor het toepassen van Zijn leer, laat ons oorzaken en
geestelijke samenhangen zien en leidt ons naar antwoorden, naar wegen en oplossingen in de
meest verschillende levenssituaties. Daarmee integreert de Geest Gods Zijn eeuwige wetten
in ons dagelijks leven, opdat wij ervaring opdoen, hoe wij wetmatig, dat wil zeggen, in de
Geest Gods, kunnen denken en leven.
Het komt erop aan, dat wij hetgeen wij inzien, ook in ons leven
omzetten. Doen wij, wat Jezus leerde - en Jezus sprak met nadruk van het doen! -
dan scheppen wij een machtig potentieel van positieve, dus goddelijke energie en
verkrijgen ook aanvoelingsvermogen en begrip ten opzichte van onze medemensen en niet te
vergeten tolerantie, om onze naaste zijn vrije wil te laten.
Dit boekje, dat op basis van de tekst van drie radio-uitzendingen, de
»kleine gespreksronde in Universeel Leven«, ontstond, bevat enkele belangrijke
uiteenzettingen over de Tien Geboden.
De Tien Geboden zijn uittreksels uit de absolute, volmaakte wet van
God. Deze wet van God is het leven. Het leven, God, is alles in alles, de oneindige
veelvuldigheid en de overvloed van het Zijn. Het is in iedere wetmatigheid, ook in elk
gebod, het leven, dat zich voor ons ontsluit door verwezenlijking en vervulling, door ons
handelen en leven. Wie het begrijpen kan, begrijpe het. Wie het wil laten, die late het.
Wie het wil begrijpen, kan ieder gebod zien als een poort tot de overvloed van het leven -
het leven in God, in de Geest Gods.
Begeven wij ons door ons denken en handelen in de diepte van het leven,
dan ontdekken wij, dat ieder gebod uiteindelijk in de andere geboden besloten ligt. De
ervaring, dat alles in alles ligt besloten, kan dit boekje niet overbrengen, maar het
geeft aansporingen, aanwijzingen en voorbeelden voor diegene, die eerlijk
christelijk wil leven, die dus de Christus-Gods in onze huidige tijd wil navolgen.
Evenals 2000 jaar geleden maakt Christus ons ook nu het hoogste gebod
bewust: »Heb God, je eeuwige Vader, boven alles lief en je naaste als jezelf!« In deze
wetmatigheid van innerlijk leven zijn alle geboden Gods inbegrepen.
Belangrijk daarbij is, dat de geboden - zoals alle goddelijke waarheden
- niet alleen op papier staan, maar worden nageleefd; eerst dan kunnen wij het woord Gods,
Zijn levensaanwijzingen voor ons, Zijn geboden, tot in de kern begrijpen. Zo zei Jezus, de
Christus, ons: »Wie Mijn woorden hoort en ernaar handelt, lijkt op een verstandig man ...«
Nu spreekt Hij niet anders.
Niemand van ons,
oerchristenen, leeft al volmaakt naar het woord, maar wij doen dagelijks moeite, Christus
na te volgen, door onszelf in de loop van de dag waar te nemen, onze zonden in het reine
te brengen, het niet meer te doen en inplaats daarvan wetmatigheden van God te vervullen,
die in overeenstemming zijn met het hoogste gebod van de onbaatzuchtige liefde, met de
Tien Geboden en de Bergrede. Totdat mensen de wet Gods helemaal vervullen, d.w.z. in alles
de wil van God doen, zodat Zijn Geest zonder onderbreking door hen kan werken, houdt de
dagelijkse strijd nog aan. Daarbij komt het voor, dat wij in gedachten, woorden en daden
nog »vallen«, dus fouten maken en verkeerde beslissingen nemen. In dit geval komt
het erop aan, niet te blijven liggen, maar met de hulp en de kracht van Christus weer op
te staan en ons opnieuw af te stemmen op God en Zijn wetten. Op deze wijze streven wij
verder naar de vervulling en benaderen steeds meer ons geestelijke erfdeel, zoals het de
zin en het doel is van ons aardse leven. Dat is voor ons de navolging van Christus en ons
leven in de Geest Gods.
De oerchristenen in Universeel Leven
en in de Bundgemeinde Neues Jerusalem
(Bondgemeente Nieuw Jeruzalem)
Würzburg, nov. 1994
I
Het eerste gebod
In de bijbel, die voor ons
ligt, staat volgens de vertaling van Luther *: »Ik ben de Heer, je God. Je zult
naast Mij geen andere goden hebben. Je zult je geen beeld, noch een of andere gelijkenis
maken, noch van hetgeen boven in de hemel, noch van hetgeen beneden op de aarde, noch van
hetgeen in het water onder de aarde is.«
* Lutherbijbel: De bijbel volgens de vertaling
van Martin Luther; bijbeltekst in de herziene druk van 1984
Wat wil ons, oerchristenen in
Universeel Leven, het eerste gebod zeggen? Hoe houden wij, oerchristenen, ons aan het
eerste gebod? Hoe brengen wij het in het dagelijkse leven in praktijk?
De eerste uitspraak bij het begin
van het eerste gebod luidt: »Ik Ben de Heer, je God.« Deze uitspraak is voor ons
oerchristenen van fundamentele betekenis, want God is alles, wat is; Hij is de Geest van
het leven en ons aller Vader. Daarin is ook het waar-vandaan en het waarheen van de mensen
gebaseerd.
In het eerste gebod staat
verder: »Je zult naast Mij geen andere goden hebben.« Wij, oerchristenen,
verstaan onder »andere goden« niet alleen macht, geld, de uiterst gecultiveerde
techniek, de zucht naar vermaak, drugs en dergelijke. Wij zien het zo:
alles, wat niet overeenkomt met de goddelijke wet, het eeuwige woord
Gods, zijn »andere goden«, dus afgoden. Daartoe behoren ook overdreven wensen,
hartstochten en begeerten, alles, waarnaar mensen - boven een gezonde maatstaf uit -
streven.
Wanneer wij deze dringende, extreme wensen, begeerten, hartstochten en
verslavingen voeden, door ze lange tijd in gevoelens, gewaarwordingen en gedachten te
bewegen, of er zelfs naar te handelen, dan aanbidden wij als het ware deze afgoden en
betalen hen onze tol. Tot de »andere goden« horen ook mensen, die wij op
een voetstuk plaatsen, die wij bewonderen en vereren, inplaats van hen gewoon als onze
naasten te achten.
In het eerste gebod staat
verder: »Je zult je geen beeld, noch een of andere gelijkenis maken, noch van hetgeen
boven in de hemel, noch van hetgeen beneden op de aarde, noch van hetgeen in het water
onder de aarde is«.
Hoe denken de oerchristenen daarover?
Wij oerchristenen weten, dat de Geest Gods in ieder mens woont. Om ons
tot God, onze Vader, en tot Christus, onze Verlosser, te wenden, hebben wij geen
uiterlijke beelden nodig, waarvoor wij knielen en die wij aanbidden, maar wij gaan in ons
innerlijk en bidden daar tot God. Wij hebben geen beelden nodig, geen tabernakels, geen
kruisbeelden of andere dingen, want wij weten, dat de Geest Gods in ons leeft. Tot Hem
wenden wij ons. Hij is onze steun en ons houvast.
Ieder z.g. heiligenbeeld, dat vereerd wordt, is uiteindelijk »de
andere god«, want elk beeld, dat in het uiterlijke vereerd wordt, leidt ons weg van
de ware God, van God in ons innerlijk.
Christus openbaarde ons: wanneer wij afbeeldingen of beelden vereren,
zoals b.v. de vele heiligenbeelden, dan maken wij ons van God, van de engelen of zelfs van
de hemel, die vaak stralend, - maar geheel overeenkomstig aardse voorstellingen wordt
uitgebeeld - een beeld. Dit beeld prent zich in onze ziel. Komt dan het stervensuur en
gaan wij als ziel naar de gebieden aan gene zijde, dan hebben wij eventueel te lijden
onder deze beelden, want het zijn programmas, die wij in onze ziel hebben ingegeven.
Met ons denken kunnen wij ons
de eeuwige hemel niet voorstellen. Wij kunnen ons geen beeld maken van de reine
geestelijke werelden, ook niet van de engelen, de geestwezens, en al helemaal niet van
God-Vader, de Vader-Moeder-God, en van Christus, de mederegent van de hemelen.
Afbeeldingen en beelden zijn dus slechts voorstellingen. Gaan wij als ziel met zulke
voorstellingen naar gene zijde, dan moeten wij deze eerst afleggen, totdat wij in de loop
van het reinigingsproces van onze ziel het juiste beeld vinden, de realiteit van het Zijn;
totdat wij de hemel binnengaan, die wij ons als mens niet kunnen voorstellen; totdat wij
God, onze Vader, van aangezicht tot aangezicht schouwen; ook Christus, onze Broeder en
Verlosser, en onze broeders en zusters, de goddelijke wezens van de hemelen. - Zo leerde
Christus, de zich openbarende Geest, het ons.
Wij oerchristenen in
Universeel Leven hebben ook geen kruis met corpus. Voor ons is Christus verrezen. Wij zijn
ons ervan bewust, dat wij de Verlossersdaad van de Heer in onze ziel, in ons hart dragen.
Zij wordt gesymboliseerd door het kruis zonder corpus. Voor ons is het opstandingskruis
tegelijk de wegwijzer naar het eeuwige Zijn.
Het corpus wordt verschillend uitgebeeld. Geloven wij van het corpus,
de beeltenis, dat dat eens Jezus geweest zou zijn, dan hebben wij dit corpus als beeld in
onze ziel. Gaan wij na onze dood als ziel naar gene zijde, dan zal dat beeld, het corpus,
verschijnen. Wij zullen het dan moeilijk hebben, dit aanschouwelijke beeld, dat wij altijd
hebben aanbeden, uit onze ziel te verwijderen. Het is dan eventueel een lange weg, tot het
ons bewust wordt, dat de Verrezene een stralend wezen van het eeuwige Zijn is en niet het
corpus aan het kruis.
In het eerste gebod staat ook,
dat wij ons geen beeltenis zullen maken van wat beneden op aarde en van wat in het water
onder de aarde is. Dit begrijpen wij, als wij weten, dat alles, wat wij op de aarde zien,
niet de ware realiteit is. Onze fysieke ogen kijken naar het omhulsel, dat in zich het
leven, de geest, bevat.
De dieren, planten en stenen, dat, wat op en in de aarde is, wat wij in
het water zien en wat op de zeebodem is, zijn aspecten van God, die - naar aanleiding van
de verharding - in de materie een andere vorm hebben dan in het eeuwige Zijn. Wij behoren
onze overnaasten, de dieren, in ons hart waar te nemen; de hele natuur behoren wij als het
grote scheppingslicht van God te bevestigen en in het hart te dragen. Het zou echter
onjuist zijn, aan te nemen, dat de aardse levensvorm - b.v. de verschijningsvorm van een
bloem, van een dier - overeenkomt met de scheppingskracht van God in de hemel. In
de bloem, in het dier, is de essentie van het leven, is God - de uiterlijke vorm is
het materiële omhulsel.
De natuurrijken zijn vormgeworden aspecten van God. Dat, wat wij op
aarde zien, is dus niet de oorspronkelijke schepping, maar alleen een afspiegeling van
datgene, zoals God het in de reine schepping heeft geschapen. Daarom zouden wij ons
daarvan geen beeld moeten maken en denken, dat deze vorm in de hemel hetzelfde zou zijn.
In de bijbel, »Die Gute
Nachricht«* ("De blijde boodschap"), luidt het eerste gebod ietwat anders:
»Ik Ben de Heer, je God. Naast Mij zijn er voor jou geen andere goden. Maak je
geen voorstelling van God. Maak je ook geen voorstelling van wat dan ook in de hemel, op
aarde of in de zee.«
*»Die Gute Nachricht«, bijbeltekst: bijbel in het huidige Duits.
Stuttgart 1982. Gemeenschappelijke bijbelvertaling in opdracht en onder de
verantwoordelijkheid van de katholieke en evangelische kerk der Duitstalige landen.
Niet de letter is dus de
waarheid, maar de zin ervan. Daarom is het voor ons, oerchristenen, belangrijk, door de
dagelijkse vervulling van de geboden en de Bergrede, de zin ervan te begrijpen
II
Het tweede gebod
Het tweede gebod luidt in de
Luther-bijbel: »Je zult de naam van de Heer, je God, niet misbruiken, want de Heer zal
diegene niet ongestraft laten, die Zijn naam misbruikt.«
Wij oerchristenen zien als misbruik van Gods naam, als mensen, die de
geboden van God en de leer van Christus kennen, daartoe ja gezegd hebben, en zich er
desondanks niet aan houden; wanneer zij eventueel zelfs anderen op de geboden wijzen, hen
daarover onderwijzen en zelf heel anders handelen.
Wij maken niet alleen misbruik, wanneer wij bij Zijn naam zweren,
vloeken, of iets dergelijks, maar ook, als wij de naam van de eeuwig Heilige zonder te
denken in de mond nemen, b.v.: »Oh God«! Of als wij iemand groeten met »Grüß Gott«
of »Gott zum Gruß« (In Beieren gebruikelijk, zoals bij ons »adieu«), zonder er op te
letten, wat wij zeggen, zonder het bewust uit te spreken.
In veel gesprekken nemen wij het woord »God« in de mond - maar wat
denken wij daarbij? Vaak denken wij er niets bij, het zijn slechts lege woorden, holle
frasen. Doch alles is energie. Daaruit blijkt: voor ieder woord, dat uit onze mond komt,
zijn wij verantwoordelijk. Zo leerde het de profetische Geest, Christus; zo staat het
inhoudelijk ook in de bijbel. Wij zouden dus het tweede gebod moeten vervullen, door erop
te letten, wat wij denken, als wij het woord »God« in de mond nemen.
Vaak zeggen we: »God zij dank is me dit of dat niet overkomen!«. Wij
kunnen de woorden »God zij dank« wel uitspreken, maar zijn wij God werkelijk dankbaar?
Vaak is het niets dan een uitdrukking, die velen gebruiken. Maar zelden gebruiken zij deze
situatie als aanleiding om over zichzelf na te denken - over hun denken en leven, over hun
zaad en de eventueel te verwachten oogst en over God en Zijn geboden. Staan wij even stil
bij de situatie en vragen wij ons af, hoe het kwam, dat wij opgelucht »God zij dank«!
uitriepen, dan heeft ons dat zeker het een en ander te zeggen.
Herkennen wij onszelf in onze gemoedsbewegingen, dan leren wij, God van
harte te danken. Tegelijk doen wij ons best, deze fout, deze zonde, die wij hebben
ingezien en dan ook met Christus in het reine hebben gebracht, niet meer te doen. Dat is
de actieve dank aan God, onze Vader, en aan Christus, onze Verlosser.
Wij oerchristenen kennen de
vredesgroet en wij hebben ons intussen aangewend, daarover na te denken. Spreken wij het
woord »vrede« uit en zenden het als groet naar onze naaste, dan zouden wij er ook
dagelijks naar moeten streven, vrede te houden met onze naaste.
Wijzen wij echter onze naaste af, benijden wij hem om het een of ander,
haten wij hem en wensen wij hem dan de vrede, dan bespotten wij God. Dat is misbruik maken
van Zijn heilige naam.
De naam van God wordt vaker ernstig misbruikt dan in het algemeen wordt
aangenomen, want velen bedriegen anderen en zichzelf over de ware beweegredenen van hun
doen en laten. Wij misbruiken de goddelijke naam, als wij ons b.v. aansluiten bij een
religieuze gemeenschap, met de bedoeling daarmee iets voor onszelf te bereiken, wanneer
wij ons b.v. door een functie in een gemeenschap willen verzekeren van een hoge
levensstandaard, aanzien en een zorgeloos leven. Hetzelfde geldt, wanneer wij b.v.
meewerken in een kerkbestuur om gerespecteerd te worden door de medemensen in de gemeente,
om »iemand te zijn«. Staat voor de naam van een politieke partij het predikaat
»christelijk«, om daarmee geloofwaardig te maken, dat hier de geboden van God worden
nageleefd of dat zij de navolgers van Christus zijn, dan is dat misbruik maken van Zijn
naam, in zoverre de naam van de Heer wordt gebruikt als uithangbord, ofschoon het er in
het leven en streven van de mensen anders uitziet, dan de geboden of de Bergrede
verlangen. Zo worden medemensen verblind en misleid.
Wie wil nagaan, of het woord
»christelijk« alleen als dekmantel of farce wordt gebruikt, of dat er werkelijk
christelijke doeleinden worden nagestreefd, zou moeten kijken naar de vruchten - zoals
Jezus het ons in Zijn Bergrede ter onderscheiding heeft aanbevolen: »Aan hun vruchten zul
je hen herkennen.« Als maatstaf helpen ook de Tien Geboden. Vertegenwoordigt b.v. een
groep, gemeenschap of partij het gebod: »Je zult niet doden« - of verdedigen zij
de opvatting, dat andere mensen, b.v. in een oorlog, gedood mogen worden?
Wij zouden ons bewust moeten maken, dat mensen, die zon
gemeenschap of partij ondersteunen, doordat zij deze kiezen of contributie betalen,
eveneens verantwoordelijk zijn voor het misbruiken van Gods naam. Iedereen moet zich voor
het standpunt, dat hij inneemt of voor wat hij aanhangt, voor God verantwoorden. Wie van
onrecht op de hoogte is en daarover zwijgt, maakt zich eveneens medeschuldig.
In het tweede gebod staat: »...want de Heer zal diegene niet
ongestraft laten, die Zijn naam misbruikt«.
Christus, de profetische Geest, leerde ons, dat niet God ons straft voor
hetgeen wij doen, maar dat wij onszelf bestraffen door de wet: »Wat de mens zaait, zal
hij oogsten«. God zaait toch niet, maar wij zaaien het; en wat wij zaaien,
zullen wij ook oogsten. Wij zullen de gevolgen van ons doen en laten dus
ondervinden, want iedereen is voor zichzelf verantwoordelijk. God zal de zondaar niet in
de hemel opnemen, maar hem zijn overtredingen laten zien, opdat hij het in het reine
brengt en het niet meer doet.
Deze samenhangen zijn echter niet af te leiden uit de tekst van de
evangelisch-katholieke gemeenschappelijke bijbel, want daar staat: »Misbruik de naam
van de Heer, je God, niet, want de Heer zal iedereen bestraffen, die dat doet«.
Wij zien, dat het goed zou zijn, eerst de geboden te vervullen, inplaats
van te oordelen en God als de straffende God te kwalificeren. Hij laat het toe, dat wij
zondigen, want Hij heeft ons de vrije wil gegeven. Omdat Hij het - als gevolg van
de vrije wil - toelaat, zal Hij ons daarom ook niet straffen. Wij straffen onszelf.
Wij moeten de zin van de woorden, ook de zin van de geboden
begrijpen. De bijbel kan alleen dan naar zijn inhoud worden begrepen, als wij de geboden
stap voor stap vervullen; anders nemen wij het gesproken woord letterlijk en dichten God
toe, dat Hij straft.
Jezus bracht ons de Vader van liefde. Dat was noodzakelijk, omdat in
het Oude Testament steeds weer de straffende God doorklinkt. De woordenschat van die tijd
ontwikkelde zich uit het geloof aan meerdere goden. Daardoor is het Oude Testament,
waartoe ook de Tien Geboden behoren, doorweven met uitspraken vanuit het geloof aan de
vele goden die straffen - en uit dat geloof werd het een en ander overgenomen naar het
geloof in de ene God.
Wij zouden onszelf bewust de vraag moeten stellen: geloven wij in de
straffende God, dus in het Oude Testament - of geloven wij in de God van liefde, die
Jezus, de Christus, ons naderbij heeft gebracht? In het Nieuwe Testament staat ook: »Wat
de mens zaait, zal hij oogsten«. Als wij aan de straffende God geloven, dan ontkennen wij
deze wetmatigheid, zaad en oogst, waardoor wij uiteindelijk - via het zelfinzicht en het
in het reine brengen van onze zonden - indirect worden geleid.
Wij zijn christenen en zouden moeten beslissen: of wij geloven in de
straffende God - of in de God van liefde en barmhartigheid: in de God, die verzoent, die
vergeeft, die ons uit Zijn liefde Zijn Zoon zond, Jezus, de Christus.
III
Het derde gebod
In de »Bijbel volgens de
vertaling van Martin Luther« zegt het derde gebod: »Gedenk de sabbatdag, heilig hem.
Zes dagen zul je werken en al je werken doen. Maar de zevende dag is de sabbat van de
Heer, je God. Daarop mag je geen werk verrichten en ook niet je zoon, je dochter, je
knecht, je dienstmaagd, je vee en ook geen vreemdeling, die in de stad woont«.
Hoe behoren wij de sabbat te
heiligen? Hoe doen wij, oerchristenen, het?
Dit gebod zegt niet, dat op één dag van de week helemaal niets gedaan
mag worden, maar wij begrijpen het zo:
wij dienen op deze dag samen te komen in de gemeenschap, samen een
terugblik te houden op de week en de afgelopen week met de kracht van de Heer af te
sluiten. Wat er nog aan negatiefs relevant is, dus nog niet in het reine is gebracht,
behoren wij met onze naaste in orde te maken, om vrij in de nieuwe week te kunnen gaan. Is
alles zo goed mogelijk afgesloten, dan dienen wij God te loven en te prijzen, Hem te
danken en ook over Hem spreken, die de oneindige liefde is en ons door de afgelopen week
heeft begeleid.
Wij oerchristenen doen het iedere zaterdagavond zo. Wij komen samen in
gebed en houden een terugblik op de week; wij sluiten de week af en houden een avondmaal.
Wij danken God, wij loven en prijzen Hem en nemen Christus weer bewust mee in de komende
week, opdat Hij ons bijstaat, om de geboden en de Bergrede te vervullen.
Wij oerchristenen geven dus samen op de »sabbatdag« onze
eeuwige Vader de eer en zijn op deze dag meer met het innerlijke bezig dan met het
uiterlijke. Zo is deze dag voor ons een krachtbron. Wij zullen onze kracht niet zinloos
verspillen, maar wij zullen op deze dag uit de bron, die God is, de hoop, de kracht, het
vertrouwen en ook de blijdschap putten voor de nieuwe week.
Bovendien verheugen wij ons over de vrije uren, waarin wij voor onszelf
het een en ander kunnen doen, dat ons blij maakt. De z.g. vrijetijds-stress vermijden wij
echter, want de gevolgen zouden onze komende week kunnen beïnvloeden. Hoe zou het er dan
op maandag uitzien, die een dynamische werkdag behoort te zijn?
Wij, oerchristenen, doen ons best, op de vrije dag rustiger en
bedachtzamer te worden, ons nog meer te verinnerlijken, kracht te putten, te »tanken« om
vol energie met Christus, onze Verlosser, in de nieuwe week te kunnen gaan.
In de tekst van de bijbel »De blijde boodschap« luidt het derde
gebod: »Vergeet de rustdag niet. Het is een bijzondere dag, die de Heer toebehoort.
Zes dagen van de week heb je tijd, om je werk te doen. De zevende dag behoort echter een
rustdag te zijn«.
Wanneer wij beide bijbelteksten vergelijken, dan beseffen wij opnieuw: de
waarheid is in beide boeken met andere woorden beschreven. Wij zien: wij zouden niet aan
de letter moeten vasthouden, maar de zin begrijpen en deze kunnen wij alleen doorgronden,
als wij in het dagelijkse leven streven naar de vervulling van de Tien Geboden en de
Bergrede en daar steeds meer naar leven.
IV
Het vierde gebod
In de Luther-bijbel zegt het
vierde gebod:
»Je zult je vader en moeder
eren, opdat je lang leeft in het land, dat de Heer, je God, je zal geven«.
In de
»standaardvertaling« staat: »Eer je vader en je moeder, zodat je lang leeft in het
land, dat de Heer, je God, je geeft«.
Christus, de zich openbarende Geest, leerde ons het volgende: ook
vader en moeder zijn onze naasten. Wij behoren hen te achten en te waarderen, wij behoren
hen - zoals alle mensen - in het hart te dragen. De eer komt echter alleen God, onze Heer,
toe. Er is dus een verschil tussen »achten« en »eren«: wij eren God, door Hem boven
alles lief te hebben, Hem boven onze menselijkheden te plaatsen en met Zijn kracht onze
menselijkheid, het zondige, in orde te brengen. Onze naaste achten wij, door hem van harte
het goede te wensen, hem met begrip tegemoet te treden, hem niets te benijden, hem niet af
te wijzen, hem vrij te laten en voor hem eerst datgene te doen, wat wij van hem
verwachten.
Kinderen zowel als ouders zijn kinderen van God. Zo zijn zij broeders
en zusters. In het kind, dat tijdens het opgroeien de programmas voor dit aardse
leven moet leren en opbouwen, leeft een volgroeid geestwezen. De ouders zijn alleen aan
jaren ouder, volgens de wet Gods zijn zij de grote broeders en zusters voor hun kinderen,
die aan hun zorg en bescherming zijn toevertrouwd.
De woorden »opdat je lang leeft in het land, dat de Heer, je God,
je heeft gegeven« zeggen: wie de wetten van God onderhoudt, diens leven zal
harmonisch verlopen. Hij zal ook geen ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven hebben,
niet door een zware ziekte, noch door een vervroegde dood. Hij zal ook in vrede leven met
zijn naaste en zo zullen allen, die zich aan dit gebod en de andere geboden houden, met
elkaar in vrede »in het land« kunnen leven.
V
Het vijfde gebod
In de meeste bijbels is de
tekst van het vijfde gebod eenvoudig en duidelijk: »Je zult niet doden«.
Zo ook in de »Scofield Bibel«*, waarin echter in een voetnoot vermeld
staat: »De Hebreeuwse taal gebruikt verschillende woorden, om het begrip 'doden' uit te
drukken. Het werkwoord, dat hier gebruikt wordt, is een bijzonder woord, dat alleen moord
kan betekenen en altijd doden met voorbedachten rade aantoont.«
*»Scofield Bibel« De heilige schrift, naar de Duitse vertaling van D.
Martin Luther, Uitgever C.I. Scofield, vierde Duitse oplage 1982
In de standaardvertaling van
de evangelische en katholieke kerk is het reeds »ambtelijk«. Daar staat nu: »Je zult
niet moorden«.
Dat werpt vragen op. Wat is nu juist? Is het nu: »Je zult niet
doden« of »Je zult niet moorden«? Hoe moeten wij ons als christen
gedragen?
De hierboven genoemde voetnoot in de Scofield bijbel zegt, dat wij niet
met voorbedachten rade mogen doden. Met het oog op de dierenwereld zou het gebod, met
betrekking tot het niet doden met voorbedachten rade, zin hebben, want waar wij mensen ook
een voet
neerzetten, zijn onder onze voeten vele - deels kleine - dieren. Wij
vertrappen menig diertje, maar doen dit niet opzettelijk. Leunen wij tegen een boom, dan
doden wij daarbij eventueel eveneens enkele kleine diertjes; wij zien hen niet, dus doen
wij het niet opzettelijk. Maar als wij een mens willen doden, dan zullen wij dat
opzettelijk doen. En dat is volgens algemeen taalgebruik niets anders dan moord. Dus is
doden, strikt genomen, hetzelfde als moorden.
Bekijken wij de stand van zaken nader, dan zien wij: wanneer een mens
een ander mens doodt, heeft hij van tevoren bepaalde gedachten, en gedachten zijn
krachten. Weliswaar zien wij deze gedachten niet, maar het is energie, realiteit - en zij
hebben effect. Wij hebben bijvoorbeeld in de oorlog angstige gedachten: de vijand - zo
betitelen wij onze broeder - zou ons kunnen doden. Dus doden wij hem eerst. Is iemand
soldaat, dan moet hij erover nadenken, dat hij zal doden; want een soldaat leert en oefent
het doden, om het vervolgens te doen.
Pleit een institutie - zoals b.v. de evangelische of katholieke
institutie - vóór de oorlog, dan is het niet verwonderlijk, dat hen een voetnoot zoals
in de Scofield bijbel, gelegen komt.
Doden of moorden - iedereen weet: wie ten oorlog trekt, zal eventueel
zijn broeder doden. Omdat Jezus van Nazareth ons heeft verkondigd, dat wij allen broeders
en zusters zijn, kinderen van één Vader, is dat zonder meer broedermoord - of het nu
doden of moorden wordt genoemd.
Een vraag aan u, beste lezer: is het voor u een verschil, of u gedood
of vermoord wordt? Vermoedelijk niet, want dood is dood.
Als wij ware christenen zijn, dan moeten wij ons de vraag stellen: wat
zou Jezus daarover zeggen? Hij sprak tot Petrus, toen deze een soldaat een oor afsloeg:
»Steek je zwaard in de schede,« en Jezus genas het oor. Waarom? »Doe niemand geweld of
onrecht aan.«
Jezus zei inhoudelijk: »Wie het zwaard neemt, zal ook door het zwaard
omkomen«. Dus geldt ook: wie een pistool neemt en zijn broeder doodt, zal ook door het
pistool, door een schot, worden gedood - tenzij hij streeft naar de genade van God, zijn
geweten laat spreken en zijn schuld van ganser harte vereffent. Zeggen wij echter van
tevoren: »Vandaag dood ik mijn broeder, die mijn vijand is - morgen kan ik het toch weer
in het reine brengen«, dan zal ons dat niet helpen.
Geweld roept altijd geweld op. Wij beseffen de zinloosheid van
oorlogen. Daar geldt: soldaten worden de oorlog ingestuurd, opdat er vrede komt, maar kan
men door wapens, door kanonnen, door het doden van onze naaste vrede verkrijgen?
Wij weten, dat al het zondige, dat van ons uitgaat, weer op ons
terugvalt. De angst van onze naaste, die het schot in zijn hart ervaart en voelt, dat hij
moet sterven, zijn pijn, zijn vele gedachten, zijn haat, zijn wens tot wraak - dat alles
is energie, die zich niet zomaar in het niets oplost. Ergens heeft het zijn uitwerking;
deels in degene, die sterft, want hij was ook soldaat. Hij neemt dit deel van de negatieve
energie als belasting mee naar de zielerijken en meestal naar een volgend aards leven. De
gevoelens en gedachten van de stervende vallen ook op de dader terug. De dader heeft met
voorbedachten rade gedood, want hij wist van tevoren, dat hij als soldaat zou doden.
Wat in dit leven niet wordt uitgeboet, brengt ons in een volgend aards
leven in soortgelijke situaties. Wij worden b.v. in een land geboren, waarin oorlog is.
Door het rad van wedergeboorte komen dader en slachtoffer weer bij elkaar. Steeds zijn zij
weer dader en slachtoffer, vijanden - tot zij elkaar ooit eens de hand reiken en vrede
sluiten met elkaar. De schuld, die beiden aan elkaar bindt, als het ware aan elkaar
ketent, wordt alleen vereffend en opgelost door het wederkerig om-vergeving-vragen en het
vergeven.
Het rad van wedergeboorte, het feit van de reïncarnatie, wordt bij
veel gebeurtenissen van onze tegenwoordige tijd duidelijk zichtbaar. Alles is energie en
er gaat geen energie verloren. In oorlogen b.v. wordt een geweldige golf van gebundelde
agressieve negatieve energie werkzaam. Het is het niet vereffende zondenpotentieel van
vele mensen, dat zich - eventueel eeuwen lang - heeft opgestapeld en opgebouwd.
In de bijbel staat: »wat de mens zaait, zal hij oogsten«. Zaaien wij
dus de dood, door onze naaste opzettelijk te doden, dan zullen wij eveneens op deze wijze
de dood oogsten, voor zover wij onze oorzaken niet tijdig inzien, met de hulp van de
genade Gods in orde brengen en niet meer doen. Zo heeft Jezus het ons geleerd.
Het rad van wedergeboorte draait en brengt steeds weer die zielen op
aarde, die schuld op zich hebben geladen en deze nog niet hebben afgelost. Volgen wij de
verschillende oorlogen in deze wereld, dan zien we, dat soortgelijke oorlogen in dezelfde
landen of in buurlanden steeds weer opvlammen. Waarom? Omdat de oorzaken niet in het reine
zijn gebracht; ze komen tot uitwerking.
God gaf ons door Mozes het gebod: »Je zult niet doden«. Waarom
werd dus deze bijbeltekst de laatste tijd vervalst in de woorden: »Je zult niet
moorden«? Laten we eens achter deze woorden kijken. De volgende verklaring ligt voor
de hand:
beide kerken, die deze vervalsing tot stand brachten, zijn vóór
oorlog. Met het herformuleren van het vijfde gebod hebben zij daar nu een bijbelse
rechtvaardiging voor, want naar hun mening is het doden van een mens in de oorlog
»slechts« doden en geen moorden. Omdat doden nu sinds kort geoorloofd moet zijn, mogen
oorlogen bijgevolg zonder bedenken gevoerd worden en mensen in de oorlog worden gedood.
Kijken wij nu dieper in de samenhangen, dan zien wij ook hier weer het
rad van wedergeboorte, de reïncarnatie. In de achter ons liggende tijdperken liet de
katholieke kerk mensen in de »heilige« oorlog trekken, om andersdenkenden onder dwang te
kerstenen of te doden. Zo is dat b.v. gebeurd met de joden in het Rheintal, en met de
christelijke Hongaren en met de Saracenen door het Frankische leger in de eerste
kruistocht. Zo gebeurde het ook in de ontdekkingstijd van Zuid-Amerika met
honderdduizenden Indianen. Zo gebeurde het in de 20ste eeuw, toen de Balkanstaten alleen
door »christenen« bevolkt mochten zijn. Men doodde en plunderde - en dat zogenaamd in de
naam van Christus.
In de zielen van de toenmalige daders is, in zover zij niet zijn
omgekeerd, dit intensieve negatieve potentieel nog aanwezig. Dus hebben veel van de
huidige kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, die eventueel in die tijd op aarde waren en
aan de zogenaamde heilige oorlog deelnamen, dit nog in hun ziel. Omdat het nog in de ziel
is, wordt het woord »doden« misschien in zo menige zgn. kerkvorst geactiveerd. Gedachten
en gevoelens komen bij hem boven. Maar inplaats van zijn gedachten en gevoelens in te zien
en met Christus in orde te brengen, stelt hij voor, dat doden in de oorlog geoorloofd is,
omdat het ook in de »heilige« oorlog geoorloofd was.
Het moorden, dus het z.g. bewuste doden, het afslachten, was
toentertijd ook onderhevig aan het gebod: »Je zult niet doden«. Wat gebeurde er
werkelijk? Hoe werden andersdenkenden ter dood gebracht?
Hoe verging het de Germanen? Ofwel gedoopt of onthoofd! En hoe verging
het de Indianen? Ofwel »mét ons, de christenen« - of »de hel in«! En hoe verging het
de ketters? Of mét de kerk - of in de dood! Bespot, verminkt, afgeslacht, met
honderdduizenden, miljoenen verbrand - door wie?
Het rad van wedergeboorte draait. Diezelfde zielen komen in andere
mensenlichamen terug. Waarheen? Daar, waar hun zielebelasting hen naar toetrekt.
Laten wij onszelf nog eens de vraag stellen: was dat nu doden of
moorden? En: wat zouden wij liever hebben: gedood te worden of vermoord?
Bij beiden betekent het: dood. Het leven werd bewust genomen.
Het vijfde gebod geldt ook voor ons gedrag tegenover de dieren. Beide
instituties, katholiek en evangelisch, zijn vóór dierproeven.
Ook dieren hebben gevoel! De dieren in de slachthuizen schreeuwen,
omdat zij voelen, dat zij binnen enkele minuten het leven zullen laten. Zij voelen, dat ze
niet volgens de natuurwetten mogen sterven, maar dat een schot een einde maakt aan hun
leven.
Het gaat nog verder. Vragen wij ons af: waarom zijn zoveel dieren
verdrietig? Omdat zij bewust hebben geleden of omdat zij voelen, dat ze onuitsprekelijk
zullen lijden, eventueel door dierproeven. De ervaringen, het leed en het lijden van
honderden, duizenden jaren, worden door de deelzielen van veel dieren gedragen. Dat maakt
veel dieren treurig, andere agressief. Wie is er schuldig?
Dat zij met miljoenen en miljarden moedwillig werden gedood, dus bewust
afgeslacht en voor dierproeven werden gebruikt - wat is dat? »Het is maar een dier«,
zegt de mens, maar ook het dier heeft gevoel. Een dier, dat geslagen wordt, voelt; het
huilt, het klaagt. Schreeuwt men tegen een dier - zie hoe het ineenkrimpt en afstand van
ons neemt! Wij zien, het ervaart, het voelt. Het voelt in veel dingen fijner dan de mens
en het weet, wanneer het op de slachtbank komt; het weet, wanneer het voor dierproeven
wordt gebruikt.
Zou eventeel uit het gezegde »moord niet« zelfs een rechtvaardiging
afgeleid kunnen worden voor stierengevechten, voor hanengevechten - al die gelegenheden,
waar mensen uit lust om te vechten, om de »tegenstander«, te vernietigen, of voor hun
vermaak het doden toelaten? Het is toch geen »moorden«.
De mens is wreed. Waarom mag er dus gedood, maar niet gemoord worden?
Over dit waarom zouden wij christenen moeten nadenken.
VI
Het zesde gebod
Het zesde gebod luidt van
oudsher: »Je zult niet echtbreken«. In een nieuwere bijbel, »Die Gute
Nachricht« ("De blijde boodschap"), staat inplaats daarvan: »Ontwricht geen
huwelijk«. Of wij nu een huwelijk verbreken of een huwelijk ontwrichten - wat is het
verschil?
Een huwelijk ontwrichten betekent, dat wij, man of vrouw, ons mengen in
het huwelijk van onze naaste, doordat wij de vrouw tegen de man ophitsen of de man tegen
de vrouw.
»Je zult niet echtbreken« betekent daarentegen: heb ik, b.v. als
vrouw of man, met mijn partner de bond voor God gesloten, dan blijf ik hem trouw in
gedachten, woorden en daden. Het is al echtbreuk, als ik in gedachten ontrouw word, mij
een andere partner voorstel of mij voorstel, met hem of haar lichamelijk contact te
hebben.
Maar dit alles begint met kleine signalen - woorden, blikken en gebaren
- die gedachten en voorstellingen activeren. Wat voor energie is het, die b.v. bij een
flirt - ongeacht in welke mate - stroomt? Is het goddelijke energie? Streven wij er met
een flirt naar, onze partner en ons ja tot de partner trouw te blijven?
Jezus zei het zo in de Bergrede: »Je zult geen echtbreuk plegen. Doch
Ik zeg jullie: wie een vrouw alleen maar met begeerte bekijkt, die heeft met haar het
huwelijk al verbroken in zijn hart«.
Ook in gedachten kan ik dus echtbreuk plegen. Wij zien: »echtbreuk«
en »het huwelijk ontwrichten« is niet hetzelfde. De bijbels drukken het dus verschillend
uit.
Wat heeft God door Mozes tot de Israëlieten gezegd? Sprak Hij: »Je
zult niet echtbreken«? Of zei Hij: »Ontwricht geen huwelijk«? Wie geloven wij eerder?
God door Mozes of de correctoren van de bijbel?
Laten we weer eens naar de achtergronden kijken. Wanneer een
formulering zich zozeer verandert, moet daar iets aan ten grondslag liggen. Waren de
correctoren eventueel van mening, dat een »huwelijksbedreigend gedrag«, - b.v. een
slippertje - niet beslist het huwelijk hoeft te ontwrichten? Daaruit zou volgen, dat
zon gedrag geoorloofd zou zijn, zolang het het huwelijk niet ontwricht.
Waarom denkt u dat de correctoren het huwelijksbedreigende gedrag
wilden »veroorloven«?
Laten wij ons ervan bewust worden: als de vrouw, de man op de hoogte is
van het huwelijksbedreigende gedrag van de partner, wat voelen zij dan? Wat denken zij?
Hoe voelen zij zich? Eventueel voelen zij onuitsprekelijk leed, teleurstelling,
gekrenktheid.
Misschien ontstaat daaruit vijandelijkheid, haat, strijd en ruzie met
de partner. Door dit gedrag ontstaan gedachten en woorden. Wij weten, dat er geen energie
verloren gaat - waarheen gaat dus deze energie? Ten dele gaat ze naar de denkende en ten
dele naar de veroorzaker.
Wij oerchristenen geloven aan de woorden van God door Mozes: »Je
zult niet echtbreken«. En wij geloven aan de woorden van de Christus-Gods in
Jezus, die sprak: »Jullie hebben gehoord, dat er gezegd werd 'je zult geen echtbreuk
plegen'. Ik echter zeg jullie, wie een vrouw ook maar met begeerte bekijkt, heeft met haar
al het huwelijk gebroken in zijn hart.«
Geen mens is volmaakt, daarom kan zoiets een keer voorkomen. Misschien
heeft de mens een vroegere echtbreuk als zielebelasting meegebracht in dit aardse leven.
Nu moet hij deze schuld in zijn gevoelens, ervaringen en gedachten beseffen en in het
reine brengen. Maar inplaats van het in orde te brengen, pleegt hij opnieuw echtbreuk. Is
dit gebeurd, dan komt het erop aan, hoe hij zich in deze situatie gedraagt. Ziet hij in,
wat hij met dit gedrag heeft aangericht, berouwt hij van harte, brengt het met Christus in
orde en doet dit niet meer, dan wordt het hem door God vergeven. Wordt het ook door de
partner vergeven, dan is deze zonde gedelgd. Vergeeft de partner hem echter niet, dan moet
deze schuld verder wachten op vergeving.
Echtbreuk - hoe staat het met degenen, die niet getrouwd zijn? Hoe is
het b.v. met het celibaat? Is het ongehuwd blijven door God gewild, of is de
herformulering van dit zesde gebod misschien o.a. een concessie op grond van ettelijke
misstappen van priesters? Wie voerde het celibaat in?
Jezus, de Christus, sprak niet over celibaat. Wij kunnen niet zeggen:
Jezus was niet getrouwd, daarom mogen het de zogenaamde navolgers ook niet. Dat zou niet
goed zijn. Jezus kwam als de zoon Gods, om de verlossing te brengen. En Jezus, de zoon
Gods, zei nooit, dat het huwelijk zondig zou zijn. Hij sprak zich uit voor het
huwelijk, echter niet voor de echtbreuk. Zodoende kan het celibaat ook niet van Jezus
komen.
Kan een mens zich aan het celibaat houden, als hij in zijn ziel de wens
om een huwelijk te sluiten, de wens naar geslachtsgemeenschap heeft meegebracht? Wij
oerchristenen weten van de reïncarnatie en weten, dat wij dat, wat in vorige incarnaties
niet in orde werd gebracht, weer meebrengen in deze incarnatie. Zo is het mogelijk, dat in
een priester de wens leeft samen te leven met een partner. Zijn dus in een mens
zielebelastingen aanwezig uit een huwelijk uit een vorig leven, dan zal hij weer zo of
ongeveer zo handelen, als hij dit zondenpotentieel niet met de kracht van de Heer wil
berouwen en vereffenen. Dit geldt voor alle mensen en het geldt ook voor priesters. Daarom
wordt onder priesters wat dit betreft ook veel gezondigd.
Door kastijden en verdringen worden wij niet vrij, doch alleen door het
menselijke, de zondige programmas, in te zien en het stapsgewijze op te heffen. Geen
mens is volmaakt. De ware christen strijdt dagelijks om volmaakt te worden.
Hoe verhouden wij oerchristenen ons t.o.v. het huwelijk?
Wij oerchristenen blijven in het huwelijk de partner trouw, die wij ons
jawoord hebben gegeven. Wij doen ons best, in ons dagelijkse leven volgens de Tien
Geboden en de Bergrede te leven. Daarom laten wij dat, wat aan meningsverschillen in een
partnerschap of huwelijk op ons afkomt, niet oplopen tot de wederzijdse teleurstelling
zich opbouwt, maar brengen het dagelijks in het reine.
Een oerchristen bericht, hoe hij in het reine brengt, wanneer gevoelens
of gedachten in hem opstijgen, die tegen zijn partner zijn. Hij zegt: »Ik ken de wet van
de overeenkomst en ik weet precies: dat, wat me aan haar ergert, waar ik bij haar kritiek
op heb, dat moet ook in mij aanwezig zijn - in ieder geval voor een bepaald gedeelte.
Voordat ik dus de splinter van mijn naaste bekritiseer, doe ik mijn best, de eigen balk te
verwijderen, door bij mezelf na te gaan, wat desbetreffend aan zonde in mij is. Ik weet,
dat ik alleen mijzelf kan veranderen. En als ik de naaste veranderen wil, moet ik me
afvragen, of ik mezelf niet wil veranderen.«
Geen mens is volmaakt, ook een oerchristen niet, die zich dagelijks
inspant, naar de Tien Geboden en de Bergrede te leven. Wij vragen de broeder: »Wat doe
je, als plotseling de wens opkomt, een andere vrouw te benaderen? Wat doe je, als
plotseling een andere vrouw je bevalt en je merkt, dat je gevoelens voor haar begint te
krijgen?«
De broeder antwoordt: »Ik weet, dat alles een oorzaak heeft. Dus vraag
ik me af, wat in mij ten grondslag ligt. Mijn gevoelens, gewaarwordingen, gedachten en
eventueel beelden zeggen het mij. Het kan een belasting, een schuld uit dit of uit een
vorig leven zijn. Als ik het werkelijk wil weten en ook wil veranderen, dan zal ik het
inzien. Het wordt mij dan duidelijk, tegen wie en op welke manier ik tegenstrijdig
gehandeld heb. Ik kan dan berouwen, om vergeving vragen, vergeven en weer goedmaken, wat
nog mogelijk is. Dan neem ik me vast voor, voortaan wat dit betreft anders, dus wetmatig,
te denken en te handelen. Dat is nu in het algemeen gezegd, maar er kan van alles in het
spel zijn, al naar gelang wat ik in het verleden verkeerd heb gedaan.
Het kan ook zijn, dat een disharmonisch lichaamsritme zondige
programmas weer laat opleven. Want als ik evenwichtig ben en in harmonie, dan komt
niet zo gauw de dringende wens naar menselijke, resp. vrouwelijke energie op. Aan deze
wens moeten dan bepaalde oorzaken ten grondslag liggen. Ik vraag me dan af, wat zich in
mij, in mijn gevoels-, gewaarwordings- en gedachtenwereld heeft opgebouwd en waarom. Er
kan een ontevredenheid in mij zijn, een teleurstelling, misschien ook onvervulde wensen
enz. Dat zijn gedachten en beelden, waarin ik mijzelf herken, die ik dan in orde kan
brengen. Ik hoef ze niet uit te leven, maar ze worden mij door de dagenergie voor ogen
gehouden, opdat ik ze met de hulp van Christus in orde breng.«
Verdere vragen aan de broeder: »Hoe breng je die wensen in orde? Hoe
breng je in het reine, wat je beweegt en dringt? Dwing je jezelf er niet meer aan te
denken, of zeg je tegen jezelf: als ik deze wensen vervul, dan bouw ik alleen maar
echtbreuk op, daarom laat ik het maar liever. Of wat doe je anders?«
De broeder: »Als er onwetmatige, dringende wensgedachten komen, komt
het erop aan, hoe ik daarop reageer, hoe ik daarmee omga. Laat ik mijn gedachten de vrije
loop en laat ik het toe, dat zich op een wensvoorstelling, die opkwam, verdere opbouwen,
dan versterk ik de wens. Ik wil echter mijn gedachten en wensen begrijpen en erin kijken,
om mezelf te herkennen en ze met Christus te overwinnen. Daarom zeg ik 'stop'! tegen de
wensgedachten, maar ik verdring ze niet. Ik moet de wortel vinden, in dit geval de wortel
van mijn ontevredenheid. Misschien ligt de ontevredenheid in een teleurstelling op mijn
werk of daarin, dat ik sommige - eventueel kleine, onschuldige, wetmatige - wensen niet
vervul. Of ik stel b.v. een ophelderend gesprek al een tijdje uit, of ik onttrek me aan
een beslissing. Er zijn veel mogelijkheden. Vind ik deze wortel en breng dat, wat
aanstaat, met Christus in orde, dan is de oorzaak van mijn wensgedachten uit de weg
geruimd. Dan word ik ook vrij van de wens naar een andere vrouw.«
Veel teleurstellingen in huwelijk en partnerschap worden veroorzaakt
doordat wij te dicht op elkaar wonen, dus te weinig privacy hebben.
Wij oerchristenen hebben ervaren: is voor ons de trouw het gebod in
Christus, dan ontstaan er zoveel mogelijkheden van samenleven in huwelijk en partnerschap.
Dan proberen wij mogelijkheden te creëren, waarin zich beiden in gelijke mate persoonlijk
kunnen ontwikkelen. Ieder zou b.v. een eigen kamer moeten hebben, waarin hij zich ook eens
kan terugtrekken; een kamer, die hij zo inricht, zoals hij het wenst en waarin hij ook zó
kan leven, zoals hij het graag wil. De voorwaarde is in ieder geval de trouw aan de
partner. Die trouw kunnen wij alleen in stand houden, als wij trouw blijven aan Christus,
door dagelijks ons best te doen, de Tien Geboden en de Bergrede in praktijk te brengen.
De sleutel tot een vredige samenleving ligt in de afstemming op
hetzelfde doel. Is het doel hetzelfde, dan zullen wij de naaste niet beperken of aan ons
binden, maar wij zullen hem vrijlaten en daardoor zelf vrij worden.
God heeft ons als een zelfstandig wezen geschapen en niet, om in
afhankelijkheid van elkaar te leven. Daarom verwezenlijken wij oerchristenen de
gelijkheid, ook in het opzicht, dat de man zijn best doet, ook eens het werk van de vrouw
te doen en de vrouw zich eveneens inspant, niet afhankelijk te zijn van de man, maar
zelfstandig te worden. Dat schept onafhankelijkheid en tevredenheid bij beiden. Ieder mens
behoort de talenten en capaciteiten te ontwikkelen, die hem door God zijn geschonken.
Ieder zou er voor de ander moeten zijn en niet de een tegen de ander.
Er wordt gezegd: »zoals in de hemel, zo ook op aarde«. Het huwelijk is
door God gewenst - echter niet de beperkte levenswijze. Niet de echtbreuk, maar het
met-elkaar-zijn.
Ook wij oerchristenen zijn niet volmaakt. Ook bij de oerchristenen komt
in zo menig huwelijk strijd voor, maar de partners proberen dan steeds weer, deze strijd
bij te leggen met de vraag: wat is mijn aandeel? Er wordt gezegd: zie eerst de balk in je
eigen oog, voordat je de splinter uit het oog van je naaste wilt trekken.
Wij streven er dus naar disharmonieën op te lossen en door het
actieve, gezamenlijke overwinnen van moeilijkheden, oplossingen te vinden, waarop een
verder samenleven weer opgebouwd kan worden.
We hebben ervaren, dat partners, die in huwelijk of partnerschap
telkens weer onenigheid hebben, weer tot een ontspannen en positieve relatie kunnen komen,
wanneer ieder van hen in de woning zijn eigen kleine rijk inricht. De partners hoeven dus
niet uit elkaar te gaan.
Als het mogelijk is, in huis voor ieder dit kleine rijk te creëren,
dan kan men zich terugtrekken, als men daar behoefte aan heeft. Dan kan men zijn
persoonlijke dingen beleven. Het botst dan niet voortdurend met elkaar, begrip en
welwillendheid worden weer opgebouwd; ieder werkt in rust zijn punten uit, men verzoent
zich met elkaar. Zo ontstaat in veel gevallen vrede. De voorwaarde voor zon
ontwikkeling is het trouw blijven aan elkaar en de bereidheid tot verzoening.
In ons huwelijk en partnerschap proberen wij zo te leven, dat wij ons
samen op Christus afstemmen en ons tot Hem wenden. Daarmee wordt een fundament geschapen
voor een huwelijk, dat de moeite waard is, in stand te worden gehouden, dat wij helemaal
niet willen verbreken. De gezamenlijke afstemming op Christus geeft ons de kracht
voor een echt, diep partnerschap. Alleen zo kan het lukken, samen in Zijn naam een gezin
te stichten en kinderen groot te brengen, die geborgenheid in Christus voelen, die merken,
dat er in het leven meer is dan egoïsme en materialisme.
Als er tussen de partners harmonie is, heeft dat ook een positieve
uitwerking op de kinderen. Het milieu in het gezin is voor de ontwikkeling van elk
gezinslid bevorderlijk - dat geldt ook voor het huisdier. De vreedzame sfeer thuis straalt
ook uit naar andere levensgebieden en naar de verdere omgeving. Licht trekt nu eenmaal
aan, omdat het stralend en warm is. Waar Gods geboden worden onderhouden, is geborgenheid
in God en vertrouwen onder elkaar en daar is vrijheid.
Zou een van de partners echter deze oerchristelijke wetmatigheden niet
willen vervullen, heeft hij andere interessen, dan blijven oerchristenen ondanks dat hun
principes trouw. Zij zullen de partner niet uit hun hart laten, doch blijven hem trouw, om
het even, wat hij doet - ook dan, als hij de partner verlaat en een andere vrouw neemt of
zij een andere man. Want het gebod: »Je zult niet echtbreken« betekent: ik heb
mijn partner trouw beloofd, dus zal ik hem vrijlaten, wanneer hij zich van mij afwendt. Ik
zal echter van mij uit deze belofte van trouw niet verbreken.
Zou een van beide partners een ander huwelijk sluiten en zich laten
scheiden van de vrouw of de man, dan zal de oerchristen haar of zijn toestemming daarvoor
geven. De verlaten oerchristen staat het dan vrij, om een nieuwe partner te nemen, want
degene, die verlaten werd, heeft geen echtbreuk gepleegd. Weliswaar zal ook hij zijn
gevoelens, gedachten en wensen moeten onderzoeken.
In de Bergrede hebben wij aanwijzingen, met behulp waarvan wij kunnen
inzien, waarom wij die fouten hebben gemaakt en hoe wij deze weer in orde kunnen brengen.
Ongeacht, welke zonden wij bij onszelf moeten erkennen - omkeer is
altijd mogelijk. Want God heeft al Zijn kinderen lief. Hij weert niemand uit Zijn hart.
Daarom bestaat er geen eeuwige verdoemenis, maar de ommekeer door de genade Gods. Dat wil
zeggen: als wij zondigen, moeten wij niet blijven liggen en ook niet verder in deze
gedachten en zonden volharden. Wij moeten de moed hebben, de hand van de Eeuwige te
grijpen en op te staan, het zondige met de hulp van Christus in ons in orde brengen en
niet meer doen. Dat is de weg naar de vrijheid. Dat is de weg tot onze naaste en met onze
naaste. Dat is voor ons oerchristelijk leven.
VII
Het zevende gebod
Het zevende gebod zegt: »Je
zult niet stelen«. Zo staat het in de meeste bijbels. In de bijbel »De blijde
boodschap« staat: »Beroof niemand van zijn vrijheid en zijn eigendom«.
Weer zien we, dat wij de bijbel niet letterlijk mogen nemen, maar naar de
zin. Als wij de zin leren begrijpen, weten wij ook, welke bijbelteksten overeenkomen met
de eeuwige waarheid en welke niet. Wij kunnen het bijbelse woord alleen naar de zin
begrijpen, als wij onszelf op God afstemmen, door stap voor stap de Tien Geboden en de
Bergrede te vervullen. Al het andere is een mening. En het blijft een mening en is niet de
waarheid, zolang wij niet zelf naar de waarheid streven. Met andere woorden: wat wij uit
een uitspraak opmaken en eruit concluderen, wat wij denken of spreken, is eerst dan
waarheid, als het gevuld is met onze verwezenlijking van de geboden van God.
Welke zin ligt dus in het zevende gebod »Je zult niet stelen«?
Stelen betekent, dat wij onze naaste iets afnemen, iets ontvreemden.
Eventueel stelen wij geld van onze naaste of zijn have en goed, maar wij stelen ook de
tijd van onze naaste, b.v. door onbelangrijke gesprekken met hem te voeren. Wij grijpen
eveneens in in zijn levensgebied, wanneer wij hem hinderen, zijn weg te gaan, door hem
onze mening op te dringen en van hem te verwachten, dat hij deze gepresenteerde mening
aanneemt.
Een vorm van diefstal is ook, de naaste van zijn energie te beroven,
doordat wij - al is het maar in gedachten - zolang met hem bezig zijn, tot hij ons
aandacht schenkt en datgene voor ons doet, dat wij zelf niet willen doen. Kan een
van onze naasten hierdoor zijn weg niet gaan, kan hij niet zijn eigen gedachten en wil
vervullen - al zouden ze ook tegenstrijdig zijn - dan hebben wij ons aan hem gebonden, om
energie van hem te nemen. Hij moet dan doen, wat wij willen. In Zijn grote openbaringswerk
»Das ist Mein Wort«* leert Christus ons hierover:
*»Das ist Mein Wort - Alpha & Omega - Das Evangelium Jesu - Die
Christus-Offenbarung, welche die Welt nicht kennt.«
»Wie zich door zijn
medemensen laat ringeloren, wie dus doet, wat anderen zeggen, ofschoon hij inziet, dat dit
niet zijn weg is, die wordt geleefd en leeft aan zijn eigenlijke aardse bestaan voorbij.
Hij benut de dagen niet; hij wordt gebruikt door degenen, waarvan hij afhankelijk is en
kent daarom zijn weg als mens op deze aarde niet.
Wie zijn medemensen aan zich bindt, door hen zijn wil op te dringen, is
te vergelijken met een vampier, die de energie van zijn medemensen opzuigt. Hij
kent zichzelf niet en bindt zich gelijktijdig aan zijn slachtoffers - en omgekeerd bindt
ook het slachtoffer, dat zich laat uitzuigen, zich aan hem. In een van de levens, op aarde
of als ziel in de gebieden aan gene zijde, worden beiden weer samengebracht - en dat zo
vaak en zo lang, tot de een de ander heeft vergeven«.
Waarom is iedere gedachte eigenlijk beslissend?
Waarom kan ik, via gedachten, energie,de ziele- en lichaamsenergie van
mijn naaste stelen? Mijn naaste kent mijn gedachten toch niet?
Het is ons nog te weinig bewust, dat gedachten krachten zijn en dat wij
ons alleen al door onze gedachten t.o.v. onze naaste schuldig kunnen maken. Wij kunnen via
gedachten van onze naaste ziele- en lichaamsenergie stelen, door hem bepaalde zondige
gedachten, b.v. wensen, toe te zenden. Liggen in de ziel van onze naaste, eventueel
latent, ongeveer dezelfde fouten als in de gedachten die wij hem toezenden, dan gaat dit
potentieel in hem werken, het wordt dus actief. Het stijgt op naar zijn gevoels- en
gedachtenwereld. Door het zenden van gedachten hebben wij in hem deze reactie opgeroepen,
hebben hem met onze gedachten, onze wil en wensen besmet.
Dan groeit het verder, want misschien vervult onze naaste, die
slachtoffer geworden is van onze gedachten, een tegenstrijdige wens, omdat wij hem zolang
onze gedachten hebben toegezonden, tot bij hem iets overeenkomstigs ontwaakt en
geactiveerd wordt, waarop hij zondig handelt. Wat is er gebeurd? Wij hebben ingewerkt op
zijn ziele- en lichaamsenergie, waardoor lichaam en ziel zwakker werden, omdat het
tegenstrijdige te snel losbrak. Kan onze naaste deze wensen en zonden, die voor hem weer
een belasting zijn, niet aan, dan zijn wij medeschuldig.
Een voorbeeld: een man ziet een vrouw. In hem komt het gevoel, deze
vrouw nader te leren kennen, met haar in contact te komen. De vrouw denkt niet aan hem.
Hij echter denkt steeds weer aan haar. Het resultaat daarvan kan zijn: zij wordt op hem
opmerkzaam, houdt zich met hem bezig. Misschien ontstaan in haar dezelfde wensen, die ook
in hem leven. Zo heeft hij door zijn initiatief deze gedachtengang bij haar in beweging
gezet, misschien zelfs tot begerens toe.
Ontbrandt bij deze vrouw de begeerte, omdat iets dergelijks in haar
ligt, maar richt zij zich helemaal niet op de zender, maar op een andere man, die
nu weer naar de vrouw terugzendt, dan is de (eerste) man, die het zondenpotentieel heeft
gewekt, mede betrokken bij de daardoor teweeggebrachte zonden van de vrouw en ook die van
de tweede man, bij wie eventueel ook hetzelfde of iets dergelijks werd opgewekt. De
gedachten gingen dus van de zender, de man, naar de vrouw; in de vrouw werd het een en
ander teweeggebracht; van de vrouw gingen de gedachten naar een andere man, in wie weer
het een en ander actief werd. Misschien denkt die man weer aan een andere vrouw of wordt
hij door de spanning tegenstrijdig actief, eventueel zelfs gewelddadig. Wie heeft nu
schuld aan de zondige daad van die man?
We zien, dat zo een keten van schuld kan ontstaan, waaraan ieder, die
daar deel aan had, nu met zijn aandeel gebonden is.
In zon schuldcomplex kan veel leed verborgen zijn. Een van de
betrokkenen wordt misschien zijn partner ontrouw, een ander kan eventueel zijn levensdoel
niet meer bereiken, weer een ander vervalt in zelfmedelijden en wordt depressief, enz.
Uitgangspunt van al dit onheil zou in dit voorbeeld de zendende man
zijn. Wie draagt de grootste schuld? Hij of de medemensen, die door hem werden aangezet?
De grootste schuld heeft hij te dragen, want hij heeft zijn naaste bestolen. Hij heeft bij
de bewuste vrouw energie weggenomen, zodat bij haar te vroeg deze oorzaken werden gewekt.
Ook als de oorzaken bij de naaste in de ziel liggen, hebben wij toch
niet het recht, ze door onze gedachten en wensen te activeren. Daarom zijn gedachten zeer
gevaarlijk en zo kunnen wij ook via onze gedachten onze naaste bestelen.
Is ons deze samenhang niet bewust, weten wij niets van een
gedachten-zendpotentieel, dat in de naaste veel kan teweegbrengen, dan zijn wij ervan
overtuigd, het zevende gebod »Je zult niet stelen« niet te hebben overtreden. Wij
hebben nooit geld gestolen, onze naaste ook niet zijn have en goed afgenomen; dus denken
we, dat wij betreffende het zevende gebod, onberispelijk zijn.
Laten wij onszelf dus de vraag stellen: zijn wij ook in onze gedachten
onberispelijk? Wij kunnen ook moeite doen om dieper zelfinzicht te verkrijgen met de
vraag: wie hebben wij door het zenden van gedachten energie onttrokken? Wie hebben wij
door ons wensen en willen, door ons zenden, beïnvloed, op wie hebben wij dus ingewerkt,
om daardoor iets voor onszelf te bereiken?
Men zou denken, dat onze bedoelingen - zowel voor onszelf alsook voor
onze naaste - in onze woorden en handelingen duidelijk zichtbaar, dus herkenbaar worden in
onze gevoelens, gewaarwordingen en gedachten. Doch ook hier is voorzichtigheid geboden,
want vaak bedriegt de schijn.
Onderzoeken wij de ware beweegredenen van ons spreken en handelen, dan
zullen wij wellicht ontdekken, dat wij achterbaks gehandeld hebben en zo onze naaste
hebben bestolen. Misschien hebben wij b.v. opzettelijk onze naaste een geschenk gegeven om
een groter geschenk terug te krijgen. Of wij hebben hem naar de mond gepraat, hem gevleid,
om hem voor ons te winnen, opdat hij doet, wat wij in onze gedachten willen. Vleiers,
jaknikkers en huichelaars willen altijd iets voor zichzelf en beroven hun naasten.
Laten wij eens naar de wereld kijken. Daar is strijd om de energie -
b.v. het geld - van de naasten. De rechtvaardige kringloop van de handel en wandel berust
op het principe »geven en ontvangen«. Is deze kringloop in evenwicht, dan ontvangen wij
evenveel, als wij tevoren onbaatzuchtig hebben gegeven. Daarop berust het vóór-elkaar en
met-elkaar van het ware christelijke gemeenschapsleven en daaruit ontstaat het welzijn
voor allen, het gemeenschappelijk welzijn.
Het principe »geven en ontvangen« wordt in het zakenleven niet alleen
maar zo nu en dan misbruikt. Eén voorbeeld: wanneer prijzen te hoog worden vastgesteld,
dan is dat diefstal van de naaste. Waar men ook kijkt, - overal is ongelijkheid. Er wordt
over het algemeen meer genomen dan gegeven. Daardoor zal op een dag de wereld kantelen.
In de natuur ziet het er hetzelfde uit. Moeder aarde wordt uitgebuit.
Duizenden jaren lang hebben wij haar krachten afgenomen - gegeven hebben wij haar
nauwelijks iets anders dan gif. Daarom is ook onze voeding gedeeltelijk vergiftigd en
daarom zullen ook wij ons stap voor stap vergiftigen. De vruchten laten de gevolgen zien,
van dat, wat wij hebben veroorzaakt. Zo werkt de wet van zaad en oogst.
De vele ziektes - waar komen ze vandaan? Ze komen niet alleen uit de
onzuivere voeding, uit het slechte, bedorven water, maar uit ons zaad, dat bestaat uit de
ontelbare negatieve, tegenstrijdige, egoïstische gevoelens, gedachten, woorden en daden.
Het water, het slechte voedsel zijn slechts het product, dat wij tot ons nemen en dat dan
het lichaam, dat reeds door de wet van zaad en oogst verzwakt is, ziek maakt.
Het is blijkbaar zo, dat juist de z.g. christenen in de westelijke,
hoogbeschaafde, vertechniseerde, kapitalistische en succesvolle wereld, juist het zevende
gebod met voeten hebben getreden. De fatale gevolgen beginnen wij nu al te zien.
Ook hier beleven wij weer de keten van oorzaken. Wie b.v. vergif
produceert, is medeschuldig aan de schade en nood in de natuurrijken. Ook medeschuldig
daaraan, dat mensen door het gif ziek worden, die door de misschien te vroeg uitgebroken
ziekte ook overeenkomstig negatieve gedachten zenden. Dit negatieve gedachten- en
zendpotentieel zet weer mensen aan tot negatief denken en handelen. Zo kan de keten van
oorzaken zich steeds meer uitbreiden. De gifproducent is de hoofdschuldige aan deze keten,
maar iedereen, die door zijn doen en laten - ook door onverschilligheid tegenover
duidelijke wantoestanden - daaraan deel heeft, draagt mede schuld.
»Je zult niet stelen« -
nemen
wij alleen maar de woorden, dan begrijpen wij weinig van hetgeen erin ligt. Om de zin, die
alleen levend maakt, dagelijks meer te begrijpen, hebben wij oerchristenen ons tot opgave
gesteld, stap voor stap de Tien Geboden en de Bergrede te vervullen. Zo streven wij naar
de waarheid, om steeds meer de waarheid te leven en de oprechtheid in de wereld te
brengen, de gerechtigheid tegenover onze naaste en de natuur. Dan erkennen wij ook de
waarheid in de bijbel.
VIII
Het achtste gebod
Het achtste gebod luidt in de
meeste bijbels: »Je zult geen valse getuigenis geven tegen je naasten« of »tegen
je naaste«. Opnieuw is de bijbel »De blijde boodschap« een uitzondering. Zij
reduceert de uitspraak tot slechts één aspect. Daar is te lezen: »Spreek geen
onwaarheid over je medemensen«.
Wij overtreden dus het achtste gebod, als wij onwaarheden over onze
naasten spreken. Maar valse getuigenis geven betekent ook, onze naaste naar de mond te
praten, hem te vleien, te loven, hem te bevestigen, en dat met vele en fraaie woorden, om
eventueel iets voor ons persoonlijk te bereiken. Ons denken en willen is dan heel anders
dan onze woorden. Dat is valse getuigenis - onwaarheid. Zo handelen wij, om van onze
naaste energie, waardering en aandacht te stelen, die hij anders in de door ons gewenste
vorm, niet zou hebben gegeven. Wij zeggen dan niet alleen onwaarheid, maar niet eens onze
eerlijke mening; wij zeggen dat, waarvan wij aannemen, dat onze naaste het graag wil
horen. Wij zien, dat in dit gebod de uitspraak van het zevende gebod, »Je zult niet
stelen« , mede betrokken is.
Wat is een mening? »Mening« wil altijd zeggen, dat wij het niet
weten. Wij kennen de waarheid niet, daarom bedenken wij iets, dat in ons denkschema past
en voor ons logisch klinkt. Dat is dan onze mening. Omdat een mening getuigt van het niet
weten, kan deze onwaar zijn.
Geestelijk gezien - dus: in werkelijkheid - is een woord, een
uitspraak, een gedachte, zoals wij hebben gezien, leeg en hol, zolang het woord alleen uit
het gelezene, uit het intellect, uit het weten, komt. Het verkrijgt alleen daardoor klank,
gewicht en betekenis, als de mens dat, wat hij zegt, met leven, dus met waarheid vult -
met zijn verwezenlijking, het doen.
Wie de geboden Gods in zijn denken, spreken en handelen levend laat
worden, weet, dat dat, waarvan hij spreekt, waar is, want hij heeft het zelf beleefd en
ervaren. Zijn gevoelens, gewaarwordingen en gedachten zijn dan met zijn woorden in
overeenstemming. Wie daarentegen spreekt over het leven - over goddelijke wetmatigheden
evenals over dingen van de dagelijkse samenleving met mensen - en deze niet in praktijk
brengt in zijn leven en daardoor niet heeft ervaren, - die kan niet anders, dan een
vermoeden, een voorstelling, een mening uiten.
Een waarheid, een wetmatigheid van innerlijk leven, kan dus alleen door
diegene worden overgedragen en doorgegeven, die deze zelf in praktijk brengt, dus ernaar
leeft.
Er wordt beweerd, dat priesters, pastoors, bisschoppen en kardinalen
garant staan voor de waarheid. Mogen bisschoppen, kardinalen, pastoors en priesters dus
meningen hebben? Een mening is, zoals wij gezien hebben, niet de volstrekte waarheid.
Spreken wij als garant dus niet de waarheid, dan geven wij bijgevolg valse getuigenis
tegen onze naaste en zondigen zodoende. Nu komt de vraag aan de orde: kunnen wij onze
broeder, onze zuster, die tot ons komt en ons hun aangelegenheden, hun zonden, voorleggen,
hun zonden vergeven, als wij zelf welbewust of zelfs opzettelijk zondigen?
Wij zouden allen dagelijks moeten controleren wat wij zeggen. Want voor
God is iedereen een garant. Hij staat borg voor God, dat dat, wat hij zegt, de waarheid
is. Stemmen onze woorden niet met de waarheid overeen, zijn het dus vermoedens of meningen
en wij weten dat, terwijl onze gedachten heel anders zijn en terwijl wij misschien zelfs
heel anders handelen, dan geven wij valse getuigenis. Wij spreken dus vals, omdat wij
anders denken. Wij spreken onwaarachtig en zijn onwaarachtig. Wij zijn leugenaars.
Alleen hij, die rechtschapen, dus waarachtig is - die dat zegt, wat hij
ook voelt en denkt en ook overeenkomstig handelt - kan de eerlijke, waarachtige medemensen
onderscheiden van leugenaars, opinievormers en verleiders. Streven wij er niet krachtig
naar, ons denken en gedrag af te stemmen op de Tien Geboden en de Bergrede, dan
laten wij ons vaak beetnemen door opinievormers.
Wij oerchristenen verhouden ons t.o.v. het achtste gebod als volgt: wij
doen moeite in alles, wat wij denken, spreken en doen, onszelf te beschouwen. Als wij met
onze naaste in gesprek zijn, vragen wij ons af: is dat, wat wij zeggen, de waarheid of is
het valse getuigenis? Wij herkennen onszelf, door niet alleen onze woorden te controleren,
dat wat wij zeggen, maar ook onze gedachten en gevoelens na te gaan, of deze waarachtig
zijn.
Natuurlijk zou je kunnen zeggen: voor hem, bij wie het geweten zich
niet meldt, is alles waarheid, hij geeft vaak valse getuigenis tegen zijn naaste. Het is
echter normaal, dat het geweten zich meldt, wanneer wij onszelf dagelijks beschouwen en
ons leven in de handen van Christus leggen, door stap voor stap de Tien Geboden en de
Bergrede te vervullen. Dan merken wij direct: spreken wij vals, geven wij valse getuigenis
of zijn wij eerlijk? Wij merken het in onze gevoelens en ook onze gedachten laten het
zien. Zo heeft de Christus-Gods het ons geopenbaard en wie zich daaraan houdt, herkent
zichzelf en weet, of hij de waarheid, Christus dus, trouw is en ook in denken, spreken en
handelen trouw aan het achtste gebod.
Wij zijn het achtste gebod al ontrouw, als wij bewust een gerucht
verder vertellen, zoals b.v.: »Ik heb gehoord, dat mijn naaste dit of dat heeft gezegd«.
Onderzoeken wij niet eerst, of dat wel de waarheid is, dan maken wij ons reeds schuldig.
Om geen schuld op ons te laden, door dat wat wij hebben
»horen-zeggen«, als waarheid verder te vertellen, zouden wij eraan toe moeten voegen:
»Dat zou een gerucht kunnen zijn.« Maar in dat geval zouden wij onszelf de vraag moeten
stellen: waarom spreken wij überhaupt over dat gerucht? Wat willen wij ermee bereiken?
Wij zouden dus niet over een derde moeten praten. Als ons iets opvalt, dan gaan wij naar
onze broeder of zuster en vragen het hem of haar zelf. Wij zullen dat, wat ons beweegt,
uitspreken. Dan worden wij rechtvaardig tegenover onze naaste en hebben een stap gedaan
ter vervulling van het principe der gerechtigheid.
Zo behoren christenen te denken en te leven. Zo vervullen wij het
achtste gebod: »Je zult geen valse getuigenis geven t.o.v. je naaste«.
IX
X
Het negende en tiende gebod
De beide laatste geboden kunnen wij samenvatten,
omdat hun inhoud veel op elkaar lijkt. In de Scofield bijbel met de vertaling van Martin
Luther zegt het negende gebod: »Je zult niet het huis van je naaste begeren« en
het tiende gebod: »Je zult niet de vrouw van je naaste begeren, noch zijn knecht of
zijn (dienst)maagd, noch zijn os of zijn ezel, noch alles, wat je naaste bezit«.
In de herziene vertaling van Martin Luther uit het jaar 1984 zegt het
negende gebod ongeveer hetzelfde: »Je zult niet begeren het huis van je naaste«
en het tiende gebod: »Je zult niet begeren de vrouw, knecht, (dienst)maagd, rund, ezel
van je naaste, noch iets anders, dat je naaste toebehoort«.
In de bijbel »De blijde boodschap« zijn het negende en tiende gebod
reeds samengevat. Daar heet het: »Probeer je niets toe te eigenen, wat een ander
toebehoort, niet zijn vrouw, noch zijn slaven, rund of ezel, noch iets anders, dat hem
toebehoort«.
Laten wij ons afvragen: wat behoort mij eigenlijk toe? Zie ik mezelf als
datgene wat ik in waarheid ben, als het huis van de Heilige Geest, als de tempel
Gods - wat bezit ik dan? Ik bezit Gods overvloed, de hemel en de aarde. Alles, wat is, is
als essentie en kracht in mij, in mijn geestelijke lichaam, dat de mikrokosmos in de
makrokosmos is. Het is mijn geestelijke erfdeel. Mijn Vader, die eveneens de Vader is van
alle reine wezens, zielen en mensen, heeft ieder van ons de ontelbare krachten van de
oneindigheid als erfgoed gegeven. Dit alles is in ons, en wij dienen het weer te
ontsluiten door een leven volgens de goddelijke wet. Wat in het uiterlijke, het aardse,
van ons is, dat is als het ware ons aardse erfdeel. Het is een geschenk van God, dat wij
goed moeten beheren, maar waaraan wij ons nooit moeten binden.
Daaruit volgt, met het oog op het negende gebod »Je zult niet
begeren het huis van je naaste«: wees tevreden met dat, wat God je gegeven heeft, wat
je mag beheren. Het is jouw opgave om dat, wat je op aarde bezit, te achten, het wetmatig
te vermeerderen en te verzorgen, maar niet afgunstig te zijn op dat, wat je naaste bezit.
Velen zijn afgunstig op have en goed van hun naasten, omdat in onze
wereld veel onevenwichtigheid en ongelijkheid bestaat. Zou iedereen hetzelfde hebben, dan
zou niemand in armoe hoeven te leven. Iedereen zou min of meer tevreden zijn, omdat hij
tenslotte hetzelfde heeft als zijn buurman. Misschien is het zijne anders ingericht,
anders opgebouwd, anders toebereid of opgeknapt, maar, als energie beschouwd, zou het
gelijkwaardig zijn. Zolang deze onevenwichtigheid op aarde bestaat, zondigen mensen ook
tegen het negende gebod: »Je zult niet begeren het huis van je naaste«.
In de standaardvertaling lezen wij daarover, hoe de eerste christenen in
de eerste eeuw na de dood en de verrijzenis van Jezus, leefden. Daar staat: »De gemeente
der gelovigen was één hart en één ziel. Niemand noemde iets van wat hij had, zijn
eigendom, maar zij hadden alles gemeenschappelijk ... Er was ook niemand onder hen, die
nood leed. Want allen, die grondstukken of huizen bezaten, verkochten hun bezit, brachten
de opbrengst mee en legden het aan de voeten van de apostelen. Ieder werd daarvan zoveel
toebedeeld, als hij nodig had.« (Apg 4, 32-35)
Wij zien: als mensen de christelijke idealen naleven, de geboden van
het met-elkaar, de eenheid, de gemeenschappelijkheid, de broederlijkheid, dan is voor hen
het vereiste van het negende en tiende gebod helemaal niet meer actueel, want zij zijn
niet meer aan persoonlijk eigendom gebonden. Alles behoort de gemeenschap toe en allen
werken in de gemeenschap voor het welzijn van allen.
Ook de oerchristenen van nu streven iets dergelijks na. Steeds meer
mensen doen hun best naar deze zin te leven. Zij leggen hun have en goed bij elkaar, zodat
iedereen in dezelfde mate kan deelhebben aan datgene, wat de gemeenschap beheert en
onderhoudt en in dezelfde mate van datgene ontvangen kan, wat in de gemeenschap wordt
verdiend.
Werden wij in een welgesteld gezin geboren of brachten onze
levensomstandigheden - b.v. een goed betaald beroep, een goed geleide en florerende zaak -
ons welstand, veel have en goed, dan komt het erop aan, hoe wij met hetgeen wij bezitten,
omgaan.
Beheren wij ons have en goed op de juiste manier en geven wij dat
verder, wat wij niet persé nodig hebben, dan kan ook onze erfgenaam - de zoon of de
dochter - het zo doen. Hij zal het van de ouders ontvangen, het goed beheren en dat, wat
hij niet persé nodig heeft, verder geven.
Hebben ouders hun heb en goed niet op rechtmatige wijze verworven, hoe
kan het verdere verloop er dan uitzien? De erfgenamen krijgen na het overlijden van de
ouders, volgens de aardse wet, het bezit toegewezen. Maar hoe staat het met de geestelijke
wetmatigheid? Kan een bezit, dat niet met de positieve krachten van het leven - geven en
ontvangen - werd opgebouwd, duurzaam zijn?
Als wij in de wereld kijken, dan zien wij vaak, dat menig bedrijf in de
tweede of derde generatie opgeheven wordt. De erfgenamen hebben misschien heel andere
interessen. Zo valt vaak dat, wat de ouders op onjuiste wijze hebben verworven, uiteen.
Het negende gebod »Je zult het huis van je naaste niet begeren« kunnen
wij ook in geestelijke zin zien.
Wij oerchristenen geloven, dat ieder van ons de tempel van de Heilige
Geest is, dus het huis van God. Hoe is het, als wij een mens begeren, om zijn huis, de
tempel - misschien op lichamelijke wijze - te verontreinigen, letsel toe te brengen en te
schenden? Hoe is het, wanneer wij het huis, de tempel van onze naaste, als ons
eigendom beschouwen, om met deze tempel, dit huis, te doen wat wij willen?
Gebruiken wij b.v. dit huis, waarin de Geest Gods woont - de mens - als
slaaf, leggen wij hem de zwaarste last en het zwaarste werk op, laten wij onze medemensen
voor een gering loon voor ons werken, terwijl wijzelf verslaafd zijn aan onze rijkdom,
haar verafgoden en verbrassen - dan voelen wij ons gelijk aan God en dringen zodoende als
afgod in de tempel, in het huis van onze naaste en maken hem tot ons werktuig.
Een blik in de geschiedenis van de westerse wereld: in de middeleeuwen
bestond het lijfeigenschap. De boeren stonden ter beschikking van de adel, om voor deze te
werken en ontvingen zelf slechts een fractie van dat, wat zij zouden moeten verdienen.
Denken wij ook aan de slavenhandel. Europeanen hebben in Afrika mensen geroofd, hen per
schip naar Amerika gebracht, om hen dan daar als handelswaar bij opbod te verkopen. De
bezittende klasse van de nieuwe wereld veilden slaven, betaalden geld voor hen, hielden
hen soms als dieren, gebruikten hun werkkracht en lieten hen vaak onder erbarmelijke
omstandigheden leven.
De geschiedenis laat zien, dat één der »christelijke« ambtskerken
nog tot in de 19de eeuw slaven hield. Nu is de vraag: wie bepaalde de richting van deze
institutie? Was het de Christus-Gods, die als Jezus de broederlijkheid leerde of waren er
andere krachten aan het werk?
In Afrika werden mensen gevangen genomen en per opbod verkocht - er
werd dus slavenhandel bedreven. Dat vindt tegenwoordig op deze wijze niet meer plaats.
Maar gebeurt er bij het zuigelingendoopsel niet iets soortgelijks? Wij zijn nog niet
helemaal bevrijd van de slavernij, want: kinderen, die nog niet kunnen beslissen, omdat
zij nog te jong zijn en daarom niet het onderscheidingsvermogen bezitten, worden gewoon
genomen en door het doopsel bij een institutie ingelijfd, ofschoon Jezus leerde:
»Onderwijst eerst en doopt dan«, dat wil zeggen laat je naaste vrij beslissen, of hij
deze of gene religie wil aannemen.
We zien en beseffen, dat wij niet aan de letter van de bijbel moeten
vasthouden, anders zouden velen van ons kunnen zeggen: »Ik begeer het huis van mijn
naaste niet, ik neem genoegen met het mijne en ben tevreden, dus zondig ik niet tegen het
negende gebod: Je zult het huis van je naaste niet begeren. Ik ben dus
een goed christen«. Wie zichzelf niet controleert, zijn gedachten niet doorgrondt, wie de
zin van de woorden in de bijbel niet begrijpt, vlijt zich met de gedachte, dat hij de Tien
Geboden grotendeels vervult. Hoe een overtreding tegen het negende gebod er ook nog uit
kan zien, volgt, - in samenhang met het tiende gebod - met een voorbeeld.
In de bijbel van Luther zien wij het tiende gebod, dat ongeveer zo
klinkt als het negende: »Je zult niet begeren de vrouw, knecht, (dienst)maagd, rund,
ezel van je naaste noch iets anders, dat je naaste toebehoort.« Dit gebod zegt, dat
wij onze naaste dit alles en andere dingen niet af mogen nemen. Dit hoeft niet met geweld
of met uiterlijke represailles te gebeuren; vaak gaat het veel subtieler - via ons wensen
en willen. Zo kan het volgende gebeuren:
we hebben een oog geworpen op een bezit, b.v. een grondstuk. Lange
tijd, jaren en jaren, hebben wij deze wensgedachten, tot op een dag onze naaste door een
of andere situatie zijn grondstuk verkoopt en wij het kunnen kopen. Dan denken we: »Dit
grondstuk van mijn naaste heb ik altijd al willen hebben. Nu wil het toeval, dat hij het
verkoopt en ik kan dit grondstuk kopen. Wat een geluk!«
Was het werkelijk toeval of geluk? Heeft God ons aan deze koop
geholpen? Of was het ons wensen en willen? Hebben wij er misschien intensief van gedroomd
- ons dus in beelden voorgesteld - dit grondstuk te bezitten? Gedachten zijn krachten, ook
wensbeelden; beiden streven ernaar, zich te verwezenlijken. Dat kan als volgt gebeuren: we
hebben - misschien jarenlang - wensgedachten uitgezonden. Wij hebben een hele wensaura om
dit grondstuk gelegd en nu is de eigenaar in moeilijkheden geraakt. Wie heeft deze
moeilijkheden veroorzaakt? Wij misschien - door onze wensgedachten. Het is mogelijk, dat
bij onze naaste al moeilijkheden waren, die gunstig waren voor deze ontwikkeling. Doch als
zij geleidelijk aan tevoorschijn waren gekomen, dan had hij ze stap voor stap in orde
kunnen maken en zijn bezit niet hoeven te verkopen. Dus zijn ook wij schuldig aan dit
verloop van verkoop en koop.
Laten wij dit voorbeeld eens verder uitwerken: wij kopen een grondstuk.
Het is mogelijk, dat wij ook de knecht, de dienstmaagd, het rund, de ezel en alles, wat de
eerste eigenaar bezat, overnemen. Eerst gaat alles goed. In de tweede, derde generatie
echter neemt de energie af, omdat onze kinderen en kleinkinderen geen interesse hebben in
het grondstuk. Dan stelt zich de vraag: waarom is dat zo? Het bezit werd vals, dus
onwaarachtig, oneerlijk verworven, namelijk op basis van een begeerte, een afgunst;
uiteindelijk bestond er een roofzuchtige opzet.
Ook de in het tiende gebod vermelde vrouw kan er nog bijkomen: wij
zenden net zo lang gedachten naar een andere vrouw, tot wij haar eventueel hebben, zoals
wij het eigendom van onze naaste bezitten, beheersen en als het onze beschouwen.
Velen voelen zich eigenaar van een kleiner of groter vermogen. Hoe doen
wij het met ons zogenaamde bezit? Beschouwen wij het als ons eigendom, waarmee wij kunnen
doen wat wij willen - of beschouwen wij onszelf alleen als beheerder van dat, wat God ons
heeft toevertrouwd?
Geven wij alles, wat wij meer hebben dan wij nodig hebben, verder,
zodat op deze aarde, in deze wereld, gelijkheid kan ontstaan, dan bezitten wij ons
grondstuk terecht. Dan zullen wij ook met onze vrouw, met onze knecht, de dienstmaagd, met
rund en ezel en met hetgeen er verder nog allemaal voorhanden is, tevreden zijn. Wie met
hetgeen God hem ter beheer heeft toevertrouwd, niet tevreden is, kan dan datgene zoeken en
nemen, wat met zijn wensbeeld overeenstemt. Wie echter streeft naar het bezit van zijn
naaste, het dus begeert, wil uitsluitend iets voor zichzelf. Wie alleen iets voor zichzelf
wil, eigendom, bezit, zal dat vroeg of laat ook verkrijgen - maar niet door de goddelijke
krachten en nauwelijks heeft hij het, of hij zal het weer verliezen. Want een wetmatigheid
in de wet van oorzaak en gevolg luidt: wat je wilt behouden, zul je verliezen.
Voor ons oerchristenen is »begeren« zoveel als »stelen«, want wij
weten, dat wij met langer aanhoudende wensgedachten vaak meer negatiefs kunnen veroorzaken
dan met woorden, die wij even uitspreken, die wij echter dan in gedachten niet meer
versterken.
Gedachten zijn krachten. Begerige gedachten zijn roofzuchtige krachten.
Al kunnen wij ook niet direct het bezit van onze naaste stelen - ooit zullen wij het hem
afnemen door ons begerige denken, ons oneerlijke spreken en eventueel door ons onoprechte
handelen, als onze naaste hiervoor gevoelig is.
Ook het afkeuren van onze naaste op grond van een eigenschap,
capaciteit of bezittingen die wij hem benijden, is een overtreding tegen dit negende en
tiende en ook tegen het zevende gebod: »Je zult niet stelen«.
In de weinige woorden van het negende en tiende gebod ligt, zoals wij
zien, veel ter zelfkennis - van de ene kant het aspect van het materiële, van de andere
kant het geestelijke, de tempel Gods, de naaste, onze broeder, onze zuster.
Zo dus zien wij oerchristenen de Tien Geboden en daarnaar richten wij
ons. Zo menigeen van ons kan zeggen, dat hij daardoor een gelukkig en vrij leven heeft
gekregen, dat hij sober geworden is en dat hij alles bezit, wat hij nodig heeft en vaak
meer dan dat. Want God is overvloed en geeft aan degene, die niet begeert, die geen valse
getuigenis aflegt tegen zijn naaste, die zijn naaste noch in gedachten, noch in daden
besteelt.
Velen van onze medemensen zullen de Tien Geboden anders zien. Wij
willen geen mens dwingen zo te denken en te leven, zoals wij het doen. Iedereen is vrij en
iedereen heeft een andere mate van inzicht. Als wij naar onze maatstaf en ons inzicht van
de Tien Geboden leven, als wij deze dus in ons dagelijkse leven betrekken, dan zullen wij
uit ieder gebod steeds meer concluderen, omdat ons bewustzijn zich dan verruimt en wij
dieper schouwen.
Wij oerchristenen in Universeel Leven hebben één wens: dat zich
steeds meer mensen tot de Tien Geboden wenden en hun leven daarop afstemmen. Wij
oerchristenen voelen ons met alle mensen verbonden, want in God zijn wij allemaal broeders
en zusters, omdat wij Gods kinderen zijn.
Wij wensen U veel kracht en de voelbare liefde van onze Heer en
Verlosser, Christus.
God zij gegroet!
God, de bron
en
de stroom van het Zijn, onze Vader
- wij, Zijn evenbeelden
De eerste, belangrijke woorden, die God ons mensen
met de Tien Geboden gaf, luiden: »Ik Ben de Heer, je God.« Deze uitspraak is voor ons
oerchristenen van fundamentele betekenis, want God is de oorsprong en het leven van alle
wezens, van alle dingen, van al het Zijn.
God is die ene bron, waaruit Zijn licht, Zijn kracht, het leven
stroomt. God is eveneens de eeuwig stromende, hoogste energie, die ook geestelijke
licht-ether of Heilige Geest wordt genoemd. De Geest Gods is de scheppende, tevens
werkende, alles beademende, bezielende, voedende en in stand houdende kracht. Ze laat de
zijnsvormen ontstaan en leidt ze tot evolutie. Ze laat de ontelbaar vele vormen van de
geestelijke mineraal-, planten-, en dierenrijken groeien en rijpen, laat hen de
verschillende bewustzijnsgraden doorlopen - van natuurwezen tot volgroeid geestwezen, het
kind Gods, op aarde »engel« genoemd.
God gaf Zichzelf ook de vorm: Hij is het hoogste Geestwezen, de Vader
van alle geestelijke wezens, die Zijn volmaakte evenbeelden zijn.
God is ook de kracht en het leven in de materie en de Vader van alle
zielen en mensen. Hij is onze oorsprong en ons doel: van de kinderen van God op aarde en
in de reinigingsgebieden, waar de ziel na het afleggen van haar aardse lichaam naar toe
gaat, wordt verlangd, door de stapsgewijze verwezenlijking en vervulling van de wetten van
God, weer tot evenbeelden van God te worden, die we oorspronkelijk zijn, om weer rein en
volmaakt in de hemelen terug te keren. Daarheen wijzen de Tien Geboden, die een uittreksel
zijn uit de Absolute Wet van de hemelen, ons de weg. Een leven tegen de Tien Geboden van
God, dus een leven in zonde, leidt ons weg van God en - volgens de wet van zaad en oogst -
in verdere duistere en droevige aardse noodlottigheden.
Betrekken we het weten over ons waar-vandaan en waar-naar-toe in ons
dagelijkse leven, dan zullen we onze dagen benutten, om onze schuld in te zien en in het
reine te brengen, zoals Jezus het geleerd heeft: door te berouwen, om vergeving te vragen,
te vergeven, weer goed te maken en de ingeziene zonden niet meer te doen. Daardoor komen
we stap voor stap dichter bij God. We verwijderen dat, wat zich als belasting, als
schaduw, als zonde over ons goddelijke erfdeel gelegd heeft en laten het reine, lichte,
Goddelijke steeds meer tevoorschijn treden. Zo vervullen we de zin en het doel van ons
aardse leven, want: we zijn op aarde, om weer goddelijk te worden.
Wij oerchristenen gaan de Innerlijke Weg en groeien in een bewust
verantwoordelijk- leven in de Geest Gods, door de stapsgewijze verwezenlijking en
vervulling van Zijn wetten. In alle gebieden van het dagelijkse leven streven wij ernaar,
de goddelijke principes gelijkheid, vrijheid, eenheid en broederlijkheid te vervullen,
waaruit de gerechtigheid ontstaat.
|