|
Dit is
Mijn woord
A en W
Het evangelie van Jezus
De Christusopenbaring,
die de wereld niet kent
Deel 1
Christus,
de zoon Gods,
de mederegent der hemelen,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser
van het rijk Gods op aarde,
openbaart zich
over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth
Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,
Het leven in God
is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind,
onze zuster Gabriële,
uit de eeuwige bron toestroomt,
wordt het telkens aan ons doorgegeven.
Christus,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk,
schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin
ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven,
dat het God welgevallig is.
Uitgever: Universelles Leben e.V.
Haugerring 7, D-97070 Würzburg
Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:
Das ist Mein Wort
A und W
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche die Welt nicht kennt
Eerste druk 1991
In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse
originele uitgave doorslaggevend.
1e Nederlandse uitgave: januari 1999
Inhoud
De titels van de hoofdstukken van het »Evangelie van
Jezus« zijn vet en cursief gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels
hebben betrekking op de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van het »Evangelie
van Jezus«, momenteel door Christus gegeven (1989). De tussen haakjes geplaatste getallen
duiden telkens de verzen aan van het »Evangelie van Jezus« waarop de verklaringen,
verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.
Voorwoord
Ik Ben
Proloog
1) De verkondiging van de geboorte
van Johannes de Doper - Johannes de Doper; zijn afkomst en opdracht in het
verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid van Zacharias (8)
2) De reine verwekking van Jezus
Christus - Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5). De
verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de
lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door
Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe
Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25)
3) De geboorte en naamgeving van
Johannes de Doper - De ware profeten (5
4) De geboorte van Jezus Christus
- Het volk Israël heeft gefaald - Christus heerschappij in het vredesrijk wordt
voorbereid met de geïncarneerde zonen en dochters van God uit de stam van David (5). De
»verschijningen van de engelen« aan de herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning
van aardse wetten, voor zover deze niet in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten
(12)
5) De aanbidding van de wijzen en
Herodes - De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5).
Verkondigingen van God en Zijn engelen, zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken
over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13)
6) Kindschap en jeugd van Jezus
- De tempel van het innerlijk (4). Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond
van trouw voor God - Ervaring van het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en
kruisdood waren niet nodig geweest (10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der
Egyptenaren (11). Kort bericht over het leven van Jezus voor het begin van Zijn
leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de almacht en liefde van God en vervulde het
gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond, gesloten met de Oergemeente Nieuw
Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het reinigingsproces van de aarde (17)
7) Boeteprediking van Johannes
- De betekenis van symbolen en ceremonies (4). Het gerecht: de wet van zaad en oogst -
Loutering van de ziel (10).
8) Het doopsel van Jezus, de
Christus - God en Christus openbaren thans de volledige waarheid door de serafijn
van de goddelijke wijsheid - de stam David bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)
9) De vier bekoringen - De duisternis mag zich meten aan het licht (1).
Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)
10) Jozef en Maria bereiden Jezus
een feest - Andreas en Petrus vinden Jezus - Aan de mensen van de Nieuwe Tijd: de
verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van Jezus
van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)
11) Zalving van Jezus door Maria
Magdalena - Oordeel naar aardse maatstaf (6). De verlichte mens schouwt (10)
12) De bruiloft van Kana - De
genezing in Kapharnaüm - De geïncarneerde geestwezens en hun opdracht in het
verlossingswerk (9). God is liefde, Hij verdoemt niet - Van God verwijderde mensen
scheppen wraakgoden - Afgodendienst is ook verering van aardse machten en machthebbers -
»Eeuwige verdoemenis« is bespotting van God (11). Hemel en hel zijn in de mens zelf - De
atmosferische kroniek (12). Leven in de waarheid - de drie stappen naar de waarheid (16)
13) De eerste prediking in de
synagoge - Het evangelie van de liefde, de weg naar de innerlijke vrijheid (2).
Geloof, vertrouwen en verwezenlijking als basis voor hulp en genezing uit de Geest (4)
14) De roeping van Andreas en Petrus
- De honden-dresseur - De rijken - Weg in de navolging van Christus eerst na het
ordenen van alle menselijke betrekkingen en situaties (1-3). Voorwaarden voor genezing
(4). Zonde tegen de schepping door het minachten en doden van medeschepselen en de
gevolgen daarvan - In de omwentelingstijd komen de oorzaken sneller tot uitwerking - De
mogelijkheid tot incarneren neemt af met de verfijning van de aarde - Omwentelingstijd is
catastrofentijd - Christus beschermt de Zijnen - Leven op de gereinigde aarde (6-7).
Uiterlijke en innerlijke rijkdom (11-12)
15) De genezing van een melaatse,
een lamme en een dove - De mensen in de geest van de Heer
16) De roeping van Mattheus - Nieuwe
wijn in oude zakken - De mogelijkheid tot reïncarneren en afdragen is
beperkt
17) Jezus zendt de twaalf uit
- De vooruitgang van het verlosserswerk is afhankelijk van de trouw en evolutie van
degenen die de opdracht hebben ontvangen (3). Doopsel met de geest der waarheid (6).
Genezing der zieken en opwekking van doden - Groepsschuld - Uitdrijven van duivels - Gaven
der liefde niet opdringen (7). De hel is geen plaats, maar een toestand van de ziel (10).
Voor God is niets verborgen - Slechts wie in het licht der waarheid leeft, kent het woord
der waarheid (13). Wie tegen Christus is, is tegen zijn naaste (14)
18) De uitzending van de
tweeënzeventig - Over het doorgeven van de waarheid (3). Gedrag als gast (6).
Maatstaven voor de samenleving der mensen; het doel: de onbaatzuchtige liefde
(10-12)
19) Jezus leert bidden - Het
juiste en het verkeerde bidden (2-4). De essentie van al het Zijn is in het binnenste van
iedere ziel - Gods almacht dient hem, die bewust leeft in verbinding met God, door alle
levensvormen (6). Terechtwijzing uit de liefde en de ernst (8). Achting voor het leven van
planten en dieren (9). De verantwoordelijkheid van een genezene (10)
20) Terugkeer van de tweeënzeventig
- Succes of mislukking van de door Christus uitgezondenen - Verfijning van de materie -
Aardvlekken, resten van negatieve energieën: de basis voor de laatste opstand van de
demonen aan het einde van het vredesrijk - De ontbinding van de aardziel - Over
»geesten« (3). De »wijzen« van de wereld herkennen de krachten van het heelal niet;
zij worden beïnvloed en strijden tegen het licht (4). Christus openbaart Zijn eigen
positie en Zijn verhouding tot God, het valgebeuren en Zijn Verlossersdaad (5). Christus
in het aardse lichaam en Zijn boden konden en kunnen alleen door diegenen worden herkend,
die het innerlijke schouwen en horen hebben ontwikkeld - Wie Christus geboden hoort
en verwezenlijkt, aan die openbaart zich de goddelijke wet en hij leeft in Hem (6).
Machtige instraling van de eeuwige waarheid door de wijsheid in de tijd van de omwenteling
(7)
21) Jezus berispt de wreedheid tegen
een paard - De zelfzuchtige, egoïstische mens heerst over de dieren en kwelt hen
- Wie in God leeft, is één met alle schepselen (2-4). De mens schendt en vernietigt het
leven op aarde - Het uitsterven van vele diersoorten - Betekenis van veel dieren voor het
ecologische evenwicht - De wet van zaad en oogst geldt ook in de omgang met de schepping
(5). Onbaatzuchtige liefde, de sleutel tot begrip van en hulp voor de naaste en tot
inzicht in de causaliteitswet en het overwinnen daarvan - Honger en dorst van de ziel naar
de innerlijke bron (7). Het doden van dieren, ook als offer, is een gruwel voor God -
Ieder mens zou vrijwillig zijn ik moeten offeren - Verkeerd Godsbeeld - »Oog om oog, tand
om tand« (8) en »zo wil Ik jullie verstoten« juist begrepen - Overlevering en
inter-pretatie van bijbelse woorden (10). Aardse rijkdommen en innerlijke rijkdom (11).
Uiterlijke rijkdom is slechts geleend, om hem voor velen in te zetten (12-13). De wet Gods
is absoluut en zal vervuld worden - Het doopsel met water, een symbool - Het »volbracht«
- Christus leert nu de gehele waarheid (14). De planning en voorbereiding van de
verlossersopdracht en van het verlosserswerk - Vele geestwezens staan in de op-dracht,
totdat alle valwezens zijn teruggekeerd (16)
22) De opwekking van de dochter van
Jaïrus - Voor-waarden voor genezing van het lichaam - De Christus is in jou
(2-5). De opwekking van »doden« (6-12)
23) Jezus en de Samaritaanse
- Het water des levens, de waarheid, een eeuwig stromende kracht (3-7). Wie ernstig zoekt,
vindt de waarheid - Test degenen, die over de waarheid spreken - Over de waarde van
uiterlijke vormen van aanbidding - Wie is thans het volk Israël? - Het nieuwe Jeruzalem -
Het laatste Verbond (16)
24) Jezus veroordeelt wreedheid -
Hij geneest zieken en drijft duivels uit - Alle overtredingen tegen de wet des
levens vallen op de mens terug; natuur en schepsels op aarde zijn geschenken van God, tot
welzijn van de mensen (1). Verklaring van de »verdorde arm« (3). Heil en genezing voor
het lichaam, wanneer het goed is voor de ziel (7). Farizeeën toen en nu - Strijd tegen
het groeiende licht op aarde en in de reinigingsgebieden, nog in de tijd van het
vredesrijk - In de tijds-omwenteling wordt het fundament van het vredesrijk gelegd en
neemt vorm aan - Vermaning aan de mensen in het vredesrijk: vergeet de pioniers niet en de
geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid, Mijn profetes en verkondigster - De
strijd achter de nevel-wand gaat door (8). Verklaring van de »wonderbare
broodvermenigvuldiging« (12-13)
25) De Bergrede (1e deel) -
De Bergrede, de Innerlijke Weg naar de volmaaktheid - De zaligen - De »armen« - Draag je
leed op de juiste manier - De zachtmoedig-heid, eigenschap van hen, die onbaatzuchtig
liefhebben - De Tien Geboden en de Bergrede als weg naar waarheid en gerechtigheid - De
barmhartigheid, de poort naar het eeuwige Zijn - De reine zielen in de Absolute Wet Gods -
De vredestichters hebben de vrede in zich - Strijd van de pioniers op verschillende
fronten - Kerkleiders, farizeeën, wolven in schaapskleren - Slachtveld achter de
nevelwand - Bidt voor de onver-lichte zielen (2-4). Aardse rijkdom als verplichting en
opdracht - Verkeerd gebruik van rijkdom heeft ernstige gevolgen - Waarschuwing aan de
spotters - rijken, machthebbers, valse profeten, mooipraters, schijnchris-tenen:
werktuigen van de satan (5). De rechtvaardigen zijn het zout der aarde, die het onrecht
aan het licht brengen (6). Benoeming en opdracht van de profetes en verkondigster van God
- Het werk van de pioniers onder directe scholing en leiding - Het Nieuwe Jeruzalem (7).
Vrij worden van de wet van zaad en oogst door Christus, binding in de valwet door
kerkgenootschappen en dogmas - Christus leidt thans naar de gehele waarheid (8).
Valse en ware leraren (9). Alleen redding door geloof en verwezenlijking (10). Christus
trans-formeert vrijwillig aan Hem gegeven zonden (11). In het reine brengen, voordat een
zwaar karma ontstaat - De schijnbare vijand, je spiegel (12-13). Eenieder ontvangt, wat
hij zelf heeft gezaaid - Geeft onbaatzuchtige liefde (14). Persoonlijke wensen leiden tot
binding aan mensen en dingen - Leven in een "poel van verderf" (16).
Rondvliegend zaad in de zielenakker van je naaste - De reinigingsweg van de pioniers tot
aan het vredesrijk (18)
26) De Bergrede (2e deel) -
De eerste stappen op de Innerlijke Weg, een evolutieproces naar onbaatzuch-tigheid (2).
Gebed als zelfpresentatie of bezield gebed (4). Ware wijzen rusten in zichzelf en
discussiëren niet (5). Over het onzevader (6). Vergeven en om vergeving vragen;
gerechtigheid en genade Gods (7-9). De aardse dood - Het bewustzijn van de ziel daarna -
De rouwenden - Herhaalde incarnatie - Bindingen tussen mensen en zielen - Juiste
instelling (10-11). Schatten verzamelen - Einde der incarnaties in de Nieuwe Tijd (12-14).
Bezorgd zijn om jezelf, plannen maken in vertrouwen op God - Het juiste bidden en werken -
Al het Zijn staat onder Gods hoede (15-18)
27) De Bergrede (3e deel) -
Je negatieve gedachten, woorden en daden zijn je eigen rechters (1). Splinter en balk -
Noodzaak van zelfkennis (2). Missioneren is willen overtuigen - Leef de waarheid en wees
een voorbeeld (3). Vragen, zoeken, aankloppen; de innerlijke poort opent zich niet voor
het verstand (4). Wat je van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart;
verwachtingshouding leidt tot binding (6). De strijd op de smalle weg naar het leven (7).
Onderscheid maken tussen goede en slechte vruchten (8-9). Neem het woord des levens met je
hart op - »Dit is Mijn woord«: een werk van leven en liefde (13)
Nawoord
Tot beter begrip van dit werk:
De profetie van God
Wat is Universeel Leven?
Voorwoord
van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid.
Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat
Christus, de zoon van God, op een nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen
daarop opbouwt, maar het ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook
aanvult.
De reden daarvoor is de volgende:
christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel
bijbeldeskundigen, hebben »hun bijbel«, die zij voor de volledige en zuivere waarheid
houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging, dat het woord Gods
in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en daarmee afgesloten. Daardoor
was het Christus, de Verlosser van alle zielen en mensen, niet mogelijk, binnen de nog
bestaande christelijke kerken en de aan zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun
bijbel, te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de
waarheid buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en
mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan allen is de
vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en
zielen, is de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het
vredesrijk van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium
(1980) enkele broeders - die allen, op één na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie
der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te schrijven.
Christus wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken
als Jezus van Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht
voor diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en door Hem
een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de
volgende strekking:
neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en
laat jullie geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen
der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin voor de
waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die de waarheid
bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van betekenis is, want Ik zal
het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie verklaren en verdiepen. Het zijn de
woorden van God, die grote profeten en verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw
voor de tegenwoordige en voor de komende tijd ontvingen.
Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de
grotendeels volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen
nalezen en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht -
en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal
omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het vredesrijk alleen nog
vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk
geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat zij de
wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid moeten komen. Ook de
vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd (1989) nog steunen, zullen dan
onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft verworven, heeft zijn geestelijke
bewustzijn ontsloten en zijn reine geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid
volledig werkt, is voor hem dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het
vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan.
Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen goeddunken
inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun confessionele denken
noodzakelijk leek.
Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is
als een groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde,
omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk aangenomen; het
nam als zijn aandeel van de opdracht één of meerdere »mozaïeksteentjes« in zijn
geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te kunnen vervullen, wat het als
opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet
worden vervuld.
Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende
mogelijkheden op. Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie
is gegaan, niet werd vervuld, dan moet het »debet«, wat daardoor in zijn geestlichaam is
opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere incarnatie of in de
reinigingsgebieden.
Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïeksteentje van de
opdracht op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene
over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een verleiding door
de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje, dat nu door andere
geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is dan in het
opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het betreffende geestwezen echter,
dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit
elders goedmaken.
Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven,
gaat Hij andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek »Dit is Mijn woord« gebeurde.
Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert
Hij bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst van
deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te verleiden - ook
diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en de vrede in de wereld te
brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de beslissing genomen, in het aardse gewaad
de werken Gods te vervullen en Christus en hun naasten te dienen in de wereld, die het
territorium is van de duisternis. Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong -
voor de keuze: vóór of tegen God.
De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een
werk te schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het
menselijke. Zij konden datgene, dat zij in hun geestlichaam hadden ingegeven, niet volgens
plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere mogelijkheid geopend: de
weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Want het schrijven van het boek
»Dit is Mijn woord« is een essentiële bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel
Leven, omdat het zijn betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben.
Het omvat alle belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk,
als Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en door
de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan.
Zalige, dus nagenoeg volmaakte mensen zullen haar dan bewonen en haar meer en meer
bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds Zijn
»volbracht« aan het kruis bindt het satanische zichzelf steeds meer. Wanneer eenmaal het
vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden. Alleen door de verlossersdaad is
dit mogelijk geworden!
Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen,
om te bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd (1989) en in het bijzonder voor de Nieuwe
Tijd - van betekenis is.
Het boek »Dit is Mijn woord« maakte niet de direct deel uit van de
opdracht van onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid
aan, die geboden werd, om het boek »Het evangelie van Jezus«* tot basis van het
openbaringswerk »Dit is Mijn woord« te maken. Christus kwam haar met dit boek tegemoet,
omdat de opdracht, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst te ontvangen,
niet direct in haar opdracht stond.
*Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het
evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna ook kortweg »Evangelie
van Jezus« genoemd.
Christus sprak onder andere tot onze zuster, met
woorden van de volgende strekking:
Aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij
echter voor de geestelijke taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik
jou - voor zover dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw
directe taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat de tijd hiervoor kostbaar is,
zal ik op het boek »Het evangelie van Jezus« voortbouwen door te verklaren, te
verbeteren en te verdiepen.
Het boek, dat door de mensen »Het evangelie van Jezus« wordt genoemd,
bevat, ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd (1989) een andere
betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn aardse leven
als Jezus van Nazareth voltrok.
Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een
geheel nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou beletten,
de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen.
Daarom bouwt Christus voort op de in het Boek »Het evangelie van
Jezus« voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult daarmee
door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk ligt: een historisch
werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het werk »Dit is Mijn woord«.*
*Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das
Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus
bij de afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt.
Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die
zij vervult, groeide uit het boek »Het evangelie van Jezus« het werk »Dit is Mijn
woord«.
Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle
betekenis krijgen.
Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van
het vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de mederegent
der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God,
onderricht, noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de geest Gods ben ik de
cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk van Jezus
Christus.
In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is
er niet langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.
Vrede!
Ik Ben
Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het
gefemel van de farizeeën en schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om
waardering, lof en loon te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en
niet mis te verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn
profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.
Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden
volharden, zeiden tegen Mij als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze
aanhoren?« De eeuwige wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens
een beslissing en consequentie verlangt - vóór of tegen God. Wie echter niet wil
beslissen, omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen,
dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf daaruit profijt
te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
Ik Ben de wet, de Absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn
medemensen, echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich
alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het ware,
niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt.
Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de
vroegere schriftgeleerden en farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie
kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige farizeeër en
schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil aannemen, omdat hij
niet voor de waarheid wil kiezen.
Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een
beslising vóór of tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die
late het. Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf
de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God.
Jij bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je
daaraan!
In de naam van de Allerheiligste.
Amen
Hier begint het evangelie van Jezus, de Christus, de
nakomeling van David, - lichamelijk door Jozef en Maria - en de zoon Gods door goddelijke
liefde en wijsheid naar de Geest.
Proloog
Van eeuwigheid tot eeuwigheid
is de eeuwige gedachte,
en de eeuwige gedachte is het woord,
het woord Gods is eeuwige oergewaarwording,*
is licht en kracht -
*Met de tekst, die in recht schrift is gedrukt, verklaart,
verbetert en verdiept Christus de overeenkomstige passages uit het boek »Das Evangelium
Jesu« (Het evangelie van Jezus)
en het woord is de daad,
en deze drie zijn één in de eeuwige wet;
en de wet is bij God,
en de wet gaat van God uit.
God is de eeuwige wet.
Hij straalt vanuit de Oercentraalzon
door alle gebieden van de oneindigheid
en door alle reine wezens,
door al het reine Zijn.
Alles is geschapen door de wet
en zonder haar is niets geschapen,
van wat voorhanden is.
In het woord is leven en substantie,
het vuur en het licht.
Het woord Gods is leven en substantie,
is vuur en licht.
De liefde en de wijsheid
zijn één tot verlossing van allen.
Uit de liefde kwam daarom de wijsheid
en woont onder de mensen,
opdat deze ontvangen,
wat God, de liefde en wijsheid,
hen te zeggen heeft -
heden (1989) in de grote tijd
van de bevrijding der geslachten
van een leven in benauwing en droefenis.
En het licht schijnt in de duisternis,
en de duisternis verbergt het niet.
Het licht is de sterkte,
de kracht en de macht.
Het woord is het ene levenschenkende vuur,
en doordat het deze wereld verlicht,
wordt het tot vuur en licht in iedere ziel,
die de wereld betreedt.
Ik Ben in de wereld *
en de wereld is in Mij;
en de wereld weet het niet.
*De wijziging van de kleingeschreven persoonlijke voornaamwoorden
die betrekking hebben op Jezus, de Christus, op God (bijvoorbeeld Ik, Mijn, Mij) in het
schrijven met een hoofdletter, alsook de hoofdletterspelling van "Ik Ben",
gebeurde met de vriendelijke toestemming van de uitgever »DAS WORT«.
Ik Ben in de wereld,
en Ik doorstraal de wereld -
doch de wereld weet het niet.
Ik kom naar Mijn eigen huis,
en mijn vrienden nemen Mij niet op.
Doch allen, die opnemen en gehoorzamen,
is de macht gegeven,
zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen, die in de heilige naam geloven,
die niet uit de wil van vlees en bloed,
maar uit God geboren zijn.
Ik kom naar Mijn eigen huis,
naar alle zielen en mensen,
en Mijn vrienden nemen mij niet op.
Doch allen, die Mij opnemen
en Mij gehoorzamen,
is de macht gegeven,
bewust zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen,
die in de heilige naam geloven
en ernaar leven,
die niet aan de wil van het vlees en
het bloed onderworpen zijn,
maar Gods wil vervullen.
Zij zijn bewust geborenen uit God.
En het woord is vlees geworden en woont onder ons
en wij zagen Zijn heerlijkheid vol van genade.
Ziet de goedheid en de waarheid
en de schoonheid van GOD!
HOOFDSTUK 1
De verkondiging van de geboorte van
Johannes
de Doper
Johannes de Doper;
zijn afkomst en opdracht in het verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid
van Zacharias (8)
1. In de tijd van Herodes, de koning van Judea,
leefde er een priester van de stam Abias, Zacharias genaamd, en zijn vrouw, van de
dochters van Aaroni, heette Elisabeth.
2. Zij waren beiden vroom voor God en leefden onberispelijk in alle
geboden en wetten van de Heer. En zij hadden geen kind; want Elisabeth was onvruchtbaar en
beiden waren hoogbejaard.
3. En het gebeurde, dat hij volgens de orde van zijn dienst het
priesterambt moest waarnemen. Volgens de gebruiken van het priesterambt trof hem het lot
te moeten wieroken, als hij de tempel van Jehova betrad. En de gehele mensenmenigte was
buiten en bad op het uur van het wierookoffer.
4. En hem verscheen een engel des Heren en stond boven het
wierookaltaar. En toen Zacharias hem zag, schrok hij, en angst beving hem. Maar de engel
sprak tot hem: »Vrees niet, Zacharias; want je gebed is verhoord, en je vrouw Elisabeth
zal je een zoon baren; en je zult hem de naam Johannes geven.
5. En je zult vol blijdschap en geluk zijn en velen zullen zich over
zijn geboorte verheugen. Want hij zal groot zijn in de ogen van de Heer en zal geen vlees
eten, noch sterke drank drinken en reeds in het moederlichaam vervuld worden van de
Heilige Geest.
6. En hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot God, hun
Heer. En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elias om de harten van de
vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de
rechtvaardigen, om een volk voor te bereiden, opdat het gereed is voor de Heer.«
(Hoofdst. 1, 1-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Woorden van deze strekking hoorde Zacharias ongeveer
zo in zijn hart. Want God en Zijn engelen hebben niet de taal van de mensen.
In Johannes was niet de cherubijn van de goddelijke wil, op aarde Elia
genaamd, geïncarneerd, maar de geest van Elia overstraalde Johannes.
Het wezen, dat in Johannes was geïncarneerd, is in de geest een
directe nakomeling van de cherubijn van de goddelijke wil.
Ook Johannes had reeds de opdracht van God, de kinderen van Israël te
roepen en te onderwijzen. Zij moesten zich bekeren en één volk worden, opdat zij Mij
aan- en opnamen, wanneer Ik als Christus in Jezus geboren zou worden. Want met hen wilde
Ik de verlossersopdracht vervullen. Ik vervulde het werk van de verlossing - echter niet
met het volk Israël, maar eenzaam in God.
Omdat de kinderen Israëls niet luisterden, werd het plan Gods
vertraagd. Het gaat toch in vervulling, want God kent geen tijd. Hij roept zo lang, tot de
kinderen Gods tot één volk worden en Gods wil vervullen. Dan zullen Israël en Jeruzalem
daar zijn, waar mensen de wil van God doen.
7. En Zacharias sprak tot de engel: »Waaraan zal ik dat
herkennen? Want ik ben oud en mijn vrouw is bejaard.« De engel antwoordde en sprak tot
hem: »Ik ben Gabriël, die voor God staat en ben gezonden, om met jou te spreken en je
deze blijde boodschap te brengen.
8. En zie, je zult stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag, waarop
dit zal geschieden; dan zal je tong losgemaakt worden, opdat je mijn woorden kunt geloven,
die op hun tijd vervuld zullen worden.« (Hoofdst. 1, 7-8)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De engel Gabriël is de cherubijn van de goddelijke
barmhartigheid. Niet de engel des Heren ontnam Zacharias de spraak, maar het schrikken
voor het machtige licht van de engel en de twijfel aan dat, wat hij zag en hoorde,
verlamden de stembanden van Zacharias. De wet Gods bindt niet. Zij legt zielen en mensen
straffen, noch gebreken op. Dit zijn gevolgen van oorzaken, die door de mens zelf
geschapen werden.
9. En het volk wachtte op Zacharias en verwonderde
zich, dat hij zo lang in de tempel bleef. En toen hij naar buiten kwam, kon hij niet met
hen praten en zij zagen in, dat hij in de tempel een visioen had gehad; want hij maakte
tekens en bleef stom.
10. En het gebeurde, dat hij terugkeerde naar zijn huis, toen de tijd
van zijn dienst beëindigd was. En na die dagen werd zijn vrouw Elisabeth zwanger en
verborg zich vijf maanden en sprak: »Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen, toen
Hij mij heeft aangezien, dat Hij mijn schande onder de mensen van mij weg zou
nemen.« (Hoofdst. 1, 9-10)
HOOFDSTUK 2
De reine verwekking van Jezus Christus
Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5).
De verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de
lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door
Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe
Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25)
1. En in de zesde maand werd de engel Gabriël door
God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth genaamd, naar een maagd, die verloofd was
met een man met de naam Jozef, uit het huis David, en de maagd heette Maria.
2. Nu was Jozef een rechtschapen en verstandig man en hij was vaardig
in het bewerken van alle soorten hout en steen. En Maria was een meelevende en helder
ziende ziel en weefde sluiers voor de tempel. En beiden waren zij rein voor God. En van
hen beiden was Jezus-Maria, die de Christus wordt genoemd.
3. En de engel trad bij haar binnen en sprak: »Wees gegroet, Maria, je
hebt genade gevonden; want Gods moederschap is met jou, je bent gezegend onder de vrouwen
en gezegend is de vrucht van je schoot.«
4. En toen zij hem zag, was zij verward over zijn woorden en overwoog
in haar geest, wat deze groet te betekenen had. En de engel sprak tot haar: »Vrees niet
Maria, je hebt genade gevonden bij God. Zie, je zult zwanger worden en een zoon baren, die
zal groot zijn en een zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
5. En God, de Heer, zal Hem de troon geven van Zijn vader David en Hij
zal voor altijd regeren over het huis Jakob en Zijn koninkrijk zal geen einde hebben.«
6. Toen sprak Maria tot de engel: »Hoe kan dat geschieden, daar ik
geen man beken?« ... (Hoofdst. 2, 1-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
David is de biologische stamvader voor alle wezens
van het licht, die in de opdracht van de verlossing staan. Zij zullen met Mij het
vredesrijk van Jezus Christus stichten en in een lang tijdsbestek opbouwen. Daarbij wordt
de verdichte materie geleidelijk verfijnd, tot zij - in de laatste fase van het vredesrijk
van Jezus Christus - fijnere, lichtstoffelijke materie is. Daarom wordt gezegd: en God, de
Heer, zal Hem de troon van zijn stamvader op aarde, David, geven.
De woorden: »Hoe moet dat geschieden, daar ik geen man beken?«
betekenen: hoe moet dat geschieden, daar ik alleen maar verloofd ben met een man?
... En de engel antwoordde en sprak tot haar: »De
Heilige Geest zal over Jozef, je verloofde, komen, en de kracht van de Allerhoogste zal je
overschaduwen, o Maria; daarom zal ook het Heilige, dat uit jou geboren wordt, Christus,
Gods zoon worden genoemd en Zijn naam op aarde zal zijn Jezus-Maria; want Hij zal de
mensen van hun zonden verlossen, telkens wanneer zij berouw tonen en Zijn wet gehoorzamen.
(Hoofdst. 2, 6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
En het geschiedde. Ik heb het volbracht!
Mijn verlosserslicht brandt in alle zielen tot aan het vierde
reinigingsgebied - of zij nu op aarde zijn óf als ziel in het zielenrijk.
Eenieder - ziel of mens - zal slechts dan bevrijding van zonde en
schuld ontvangen, als hij berouw heeft en de eeuwige wetten vervult.
De zonde van mens en ziel heeft haar uitwerking in ziel en mens. De
schuld is gelijk aan de zonde. Zij bindt vaak verschillende mensen aan elkaar, die samen
hetzelfde of iets soortgelijks hebben veroorzaakt, opdat zij elkaar vergeven en met elkaar
in het reine brengen, wat hen samengebracht heeft.
7. Daarom zul je ook geen vlees eten, noch sterke
drank drinken; want het kind zal van de schoot van Zijn moeder af, aan God gewijd zijn en
geen vlees, noch sterke drank zal Het tot zich nemen, noch zal ooit een scheermes Zijn
hoofd aanraken.
8. En zie, Elisabeth, je nicht, is in haar ouderdom ook zwanger van een
zoon en is nu in de zesde maand, zij, die onvruchtbaar genoemd werd. Want bij God is niets
onmogelijk.« En Maria sprak: »Zie, ik ben de maagd des Heren, mij geschiede naar jouw
woord.« En de engel nam afscheid van haar. (Hoofdst. 2, 7-8)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De engel des Heren sprak tot Maria in de taal der
hemelen, in de lichttaal, die de reine ziel binnenstroomt. Hij duidde slechts aan, wat
zich in Elisabeth voltrok, sprak echter niet over de maand en de onvruchtbaarheid.
9. En op dezelfde dag verscheen de engel Gabriël
aan Jozef in een droom en sprak tot hem: »Wees gegroet, Jozef, je bent uitverkoren; want
het vaderschap Gods is met jou. Gezegend ben jij onder de mannen en gezegend de vrucht van
je lendenen.«
10. En toen Jozef over de woorden nadacht, werd hij verward. En de
engel des Heren sprak tot hem: »Vrees niet Jozef, zoon van David; want je hebt genade
gevonden voor God en zie, je zult een kind verwekken en je zult Hem de naam Jezus-Maria
geven; want Hij zal Zijn volk verlossen van zijn zonde.«
11. Dit is echter geschied, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door
de profeet heeft gezegd, die spreekt: »Zie, een maagd zal ontvangen en zwanger worden en
een zoon baren en hem de naam Emmanuel* geven, wat betekent: God in ons.«
*In het werk van de Heer is geopenbaard »Immanuel« is God en »Emanuel«
is Zijn dienaar. Met Emmanuel wordt Immanuel bedoeld.
12. Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakte, deed hij,
wat de engel hem bevolen had en ging naar Maria, zijn verloofde en zij ontving in haar
schoot de Heer. (Hoofdst. 2, 9-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
En zo waren zij als man en vrouw voor God verbonden.
Hun verbintenis werd door God gezegend.
13. Maria echter stond op in die dagen en ging
ijlings naar het bergland, naar een stad in Judea en kwam in het huis van Zacharias en
groette Elisabeth.
14. En het geschiedde, toen Elisabeth de groet van Maria vernam, dat
het kind opsprong in haar schoot. En Elisabeth werd vervuld van de kracht van de Heilige
Geest en sprak met heldere stem: »Gezegend ben je onder de vrouwen en gezegend is de
vrucht van je schoot.
15. En vanwaar komt het, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen ik je stem
hoorde om mij te begroeten, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En gezegend
is degene, die geloofde. Want het zal volbracht worden, wat haar is gezegd door de heilige
Ene.«
16. En Maria sprak: »Mijn ziel verheerlijkt Jou, de Eeuwige, en mijn
geest verheugt zich in God, mijn Heiland. Want Hij heeft de nederigheid van Zijn maagd
gezien; want zie, van nu af aan zullen alle geslachten mij zalig prijzen.
17. Want Jij, die machtig bent, hebt grote dingen aan mij gedaan en
heilig is Jouw naam. En Jouw barmhartigheid is voortdurend bij hen, die Jou vrezen.
(Hoofdst. 2, 13-17)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Maria doelde met de zaligheid vooral op haar
innerlijk, op haar ontwaakte ziel - niet op haar menszijn. Zij is en blijft het reine,
onbaatzuchtige wezen in God, Zijn dienares en die der mensen. Zalig, zo bedoelde zij, is
de ziel van de mens, die Gods wil vervult.
Het oude Verbond bevindt zich in de overgang van het geloof in
verscheidene goden, - het geloof aan een godenwereld - naar het geloof aan de ware Ene,
die is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarom klinkt steeds weer de straffende en
tuchtigende God door, die de mens moet vrezen. Ik echter zeg jullie: de mens moet vol
eerbied zijn voor God, doordat hij gewetensvol Gods geboden vervult. De ware, eeuwige Ene
is liefde. Hij straft en tuchtigt niet. De straf en de tuchtiging legt de mens zichzelf
op, die tegen de geboden van God handelt en dan ontvangt, wat hij gezaaid heeft - tenzij
hij tijdig berouwt en in het reine brengt, wat hij veroorzaakt heeft. Ik, Christus in
Jezus, openbaarde en prentte de mens de ene God en Vader van liefde in, die de waarheid en
het leven is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
18. Jij hebt geweld uitgeoefend met Je arm, Jij hebt
verstrooid hen, die hoovaardig zijn in de verbeelding van hun hart.
19. Jij hebt de machtigen van hun stoelen gestoten en de deemoedigen en
zachtmoedigen verheven. Jij vervult de hongerigen met het goede en de rijken stuur Je met
lege handen weg.
20. Jij helpt Je dienaar Israël in de gedachtenis aan Jouw
barmhartigheid, zoals Je gesproken hebt tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nakomelingen
voor alle tijden.« En Maria bleef drie maanden bij haar; daarna keerde zij weer naar huis
terug.
21. En dit zijn de woorden die Jozef sprak: »Gezegend ben Jij, God van
onze vaders en moeders in Israël; want op de juiste tijd heb Jij mij verhoord en op de
dag van de verlossing heb Jij mij geholpen.
22. Want Jij sprak: Ik wil je beschermen en met jou een bond met het
volk sluiten, om het aanschijn van de aarde te vernieuwen en de troosteloze oorden te
bevrijden uit de handen van de verwoesters.
23. Dat Jij tot de gevangenen kunt zeggen: gaat heen en weest vrij en
tot degenen, die in de duisternis wandelen: toon je in het licht. En zij zullen grazen op
de paden van vreugde en zij zullen nooit meer jagen, noch doden de schepselen, die Ik heb
geschapen, om zich voor Mij te verblijden.
24. Zij zullen geen honger en dorst meer lijden, noch zal de hitte hen
te gronde richten, noch de kou hen vernietigen. En Ik wil op al Mijn bergen een weg maken
voor de wandelaars en Mijn hoogten zullen worden geprezen.
25. Zingt, o hemelen en juich, o aarde, woestijnen, schalt van gezang!
Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die onrecht hebben geleden.« (Hoofdst. 2,
18-25)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het volk Israël bleef doof. Het nam de genadegaven
van de Christus Gods niet aan.
Nu is een nieuwe tijd aangebroken; liefde en wijsheid werken in het
plan van de verlossing. God, de rechtvaardige Al-Ene, verbrak (1988) het verbond met het
oude Israël en sloot een nieuw verbond met hen, die in Mijn werk van de verlossing op
aarde dienen. En het zal dan het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem op aarde zijn. Uit
dit volk ontstaat, in de loop van zijn evolutie, het vredesrijk van Jezus Christus en het
zal zijn, zoals het geschreven staat: »Gaat heen en weest vrij!«
En zij, die tot nu toe in de duisternis met woorden van deze strekking
hebben gewandeld, zullen de weg naar het licht gaan en getuigen van het licht. En zij
zullen grazen op de paden van blijdschap en zij zullen nooit meer jagen of de schepselen
doden, die de Eeuwige geschapen heeft. Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten, noch
lijden, noch zal de hitte hen verdelgen of de kou hen vernietigen. Want in het rijk van de
vrede zal een andere zon schijnen en de elementen zullen niet meer in tegenstelling staan
tot de stromende liefde. Zingt, o hemelen en juich, o aarde - want alles zal vruchtbaar
zijn met inbegrip van de woestijnen. Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die
ten onrechte hebben geleden, met de gaven van het innerlijke leven.
HOOFDSTUK 3
De geboorte en naamgeving van
Johannes de Doper
De ware profeten (5)
1. Toen de tijd voor Elisabeth gekomen was, dat zij
zou baren, baarde zij een zoon. En haar buren en verwanten hoorden, hoe de Heer grote
barmhartigheid aan haar gedaan had en zij verheugden zich met haar.
2. En het geschiedde, dat zij op de achtste dag kwamen, om het kindje
te besnijden en zij noemden de knaap naar zijn vader Zacharias. Maar zijn moeder
antwoordde en sprak: »Zo niet, want hij zal Johannes heten.« En zij zeiden tegen haar:
»Er is toch niemand in je familie, die zo heet.«
3. En zij wenkten zijn vader, en vroegen hoe hij hem wilde noemen. En
hij vroeg om een lei en schreef en sprak tegelijk: hij heet Johannes. En zij waren allen
verbaasd, omdat zijn mond zich plotseling opende en zijn tong was losgemaakt en hij sprak
en prees God. (Hoofdst. 3, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het aannemen van datgene, wat Zacharias verkondigd
werd door de engel en de blijdschap over het kind, dat Zacharias trouw Johannes noemde,
loste in Zacharias op, wat hij veroorzaakt had.
4. En een grote eerbied kwam over allen, die in de
nabijheid waren en deze gebeurtenis werd bekend gemaakt in het gehele bergland van Judea.
En allen die het hoorden, namen het ter harte en spraken: »Wat zal dat voor een kindje
zijn? En de hand van Jehova was met hem.«
5. En zijn vader Zacharias werd vervuld van de Heilige Geest,
voorspelde en sprak: »Geprezen ben Jij, o God van Israël; want Jij hebt Je volk
aangenomen en verlost. En hebt voor ons een hoorn van heil opgericht in het huis van Je
dienaar David. Zoals Je door de mond van Jouw heilige profeten hebt gesproken, die er
geweest zijn, sinds de wereld begon. (Hoofdst. 3, 4-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Woorden hebben vaak velerlei betekenissen. Het komt
erop aan, welk gevoel de mens in het woord legt. Zo waren ook met de woorden »Jouw
heilige profeten«, niet alleen de in de boeken van het zogenaamde Oude Testament genoemde
profeten bedoeld.
Slechts Eén is er heilig: God, de Eeuwige.
Zalig waren en zijn de door God gezonden profeten, die Zijn wil
vervulden en vanuit het eigen vervulde leven Gods woord schonken en de mensen vermaanden,
dit aan te nemen en te verwezenlijken. Dat zijn de ware profeten.
6. Dat wij gered zouden worden van onze vijanden en
uit de hand van allen, die ons haten. Dat Jij de barmhartigheid toont, die Je onze vaders
hebt beloofd en Je herinnert aan Je heilige verbond,
7. aan de eed, die Je onze vader Abraham hebt gezworen, dat Je ons
toestaat, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Jou kunnen dienen zonder angst,
in heiligheid en gerechtigheid, alle dagen van ons leven.
8. En dit kind zal de profeet van de Allerhoogste heten; want het zal
voor Jouw aangezicht, o God, uitgaan, om Jouw wegen te bereiden en Jouw volk het inzicht
van het heil te brengen door de vergeving van hun zonden.
9. Door de liefdevolle barmhartigheid van onze God, waardoor ons de
zonsopgang uit de hoogte heeft bezocht, opdat Hij licht geve aan hen, die daar zitten in
de duisternis en in de schaduw van de dood en onze voeten leide op de weg naar de vrede.«
10. En het kindje groeide op en werd sterk in de geest en zijn zending
bleef verborgen, tot aan de dag van zijn optreden voor het volk Israël. (Hoofdst. 3,
6-10)
HOOFDSTUK 4
De geboorte van Jezus Christus
Het volk Israël heeft gefaald -
Christus heerschappij in het vredesrijk wordt voorbereid met de geïncarneerde zonen
en dochters van God uit de stam van David (5). De »verschijningen van de engelen« aan de
herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning van aardse wetten, voor zover deze niet
in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten (12)
1. De geboorte van Jezus, de Christus, geschiedde op
deze wijze: het gebeurde in die tijd, dat een bevel van keizer Augustus uitging, dat het
hele volk geteld zou worden. En iedereen in Syrië ging naar zijn geboorteplaats, om zich
te laten tellen, het was midden in de winter.
2. En ook Jozef met Maria gingen weg uit Galilea, uit de stad Nazareth,
naar het land Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij van het huis en
het geslacht David was, opdat hij geteld werd met Maria, zijn gehuwde vrouw, die zwanger
was van het kind.
3. Toen zij daar waren, kwam de tijd, dat zij zou baren. En zij baarde
haar eerste zoon in een grot in een rots en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een
kribbe, die in de grot was, want zij hadden anders geen plaats daarvoor in de herberg. En
zie, de grot werd vervuld van licht en straalde als de zon in al haar pracht.
4. En in de grot waren een os, een paard, een ezel en een schaap en
naast de kribbe lag een kat met haar jongen; en er waren ook duiven en ieder dier had zijn
metgezel, een mannetje of vrouwtje.
5. Zulks geschiedde, dat Hij geboren zou worden temidden van dieren.
Want Hij kwam, om ook hen van hun lijden te bevrijden. Hij was gekomen, om de mensen vrij
te maken van hun onwetendheid en zelfzucht en hen te openbaren, dat zij zonen en dochters
van God zijn. (Hoofdst. 4, 1-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik heb als Jezus het rijk Gods geopenbaard en heb
Zijn wetten geleerd en geleefd. Met de zonen en dochters van Israël uit de stam David en
met alle zonen en dochters van God, die de wil van de Eeuwige vervullen, wilde Ik in
Israël het rijk Gods stichten en opbouwen - en na Mijn terugkeer in de heerlijkheid van
Mijn Vader wederkomen in de geest en het met het volk Israël verder uitbouwen en het
vredesrijk, dat in de fijne materie zijn hoogtepunt bereikt, regeren. Maar de zonen en
dochters van God en van Israël waren verblind door de zonde.
Na Mijn verlossersdaad riep God, de Eeuwige, in alle daaropvolgende
eeuwen steeds weer de zonen en dochters uit het geslacht David en uit andere geslachten,
die Zijn wil vervullen, opdat zij inzien, wat hun opdracht is.
Nu (1989) is er een nieuwe tijd aangebroken: de tijd van de wending van
de oude naar de nieuwe wereld, de wereld van Christus. Ik bereid Mijn geestelijke komst
voor - weer door de zonen en dochters uit de stam David en de andere zonen en dochters van
de Eeuwige uit andere geslachten, die Gods wil vervullen. Door de geïncarneerde
goddelijke wijsheid onderwijs Ik hen en allen, die Mij navolgen, opdat zij bewuste zonen
en dochters van God worden, die Gods wil vervullen.
Dan voltrekt zich wat geopenbaard is: Ik kom in de Geest. Dan zullen
alle mensen in vrede leven en ook de dieren zullen van hun knechtschap en hun lijden
bevrijd zijn door Mij, de Christus Gods. Want wie zijn leven in het zoon- en dochterschap
van God plaatst, zal niet doden - noch mensen, noch dieren.
6. En er waren herders in diezelfde streek op het
veld, die s nachts hun kudden hoedden. En zie, de engel Gods verscheen hen en de
glans van de Allerhoogste omstraalde hen en zij waren zeer bevreesd.
7. En de engel sprak tot hen: »Vreest niet, zie, ik verkondig jullie
een grote blijdschap, die heel het volk zal wedervaren; want vandaag is in de stad van
David de Verlosser geboren, die de Christus is, de heilige Ene Gods. En dit zal het teken
voor jullie zijn: jullie zullen het kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een
kribbe.«
8. En plotseling was bij de engel een menigte van hemelse heerscharen,
die God loofden en spraken: »Ere aan God in de hoge en vrede op aarde aan allen, die van
goede wil zijn.«
9. En toen de engelen weer ten hemel gingen, spraken de herders onder
elkaar: »Laat ons nu naar Bethlehem gaan en kijken, wat daar is gebeurd, wat onze God ons
heeft verkondigd.« (Hoofdst. 4, 6-9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De engel sprak tot de herders. Zij zagen hem echter
niet met de menselijke ogen en hoorden hem niet met de menselijke oren.
Zij zagen en hoorden ook niet met menselijke ogen en oren de
heerscharen, die God loofden en prezen. Enkele herders schouwden in hun innerlijk het
licht en weer anderen hoorden in hun hart de lofprijs Gods. Want wat niet in het lichaam
is, heeft niet de menselijke woorden en niet de klank van het woord. Het woord Gods en dat
van de wezens van God wordt in het innerlijk van de mens vernomen.
De engel des Heren stond niet als een mens voor hen. Zij stonden aan
het vuur en verwarmden zich. Zij zagen hoe de vuurzuil omhoogkringelde. En in het vuur
meenden zij de gestalte te zien van een engel, die enkelen van hen in hun hart vernamen.
De herders waren het oneens over datgene, wat zij zagen en hoorden. Degenen echter, die de
zin van de boodschap in hun hart ontvingen, gingen op weg naar Bethlehem.
Zoals toen verkondigen ook nu de engelen Gods: bereidt de Heer de
wegen! Christus, de Verlosser, komt in de Geest - en Hij zal de herder van een kudde zijn,
die het volk Gods op aarde is. Hij zal het in Zijn rijk op aarde regeren, en zij zullen
met Hem zijn in de geest, omdat zij de wetten van God in acht nemen.
10. En zij kwamen ijlings en vonden Maria en Jozef
in de grot en het kind, liggend in de kribbe. En toen zij dit gezien hadden, verspreidden
zij de woorden, die hen over dit kind gezegd waren.
11. En allen, die hen hoorden, verwonderden zich over dat, wat de
herders hen hadden gezegd. Maria echter onthield dit alles en bewaarde het in haar hart.
En de herders gingen weer terug en prezen en loofden God voor alles, wat zij hadden
gehoord en gezien.
12. En toen er acht dagen voorbij waren en het kind besneden werd, werd
Hem zijn naam gegeven: Jezus-Maria; die genoemd was door de engel, voordat het kind in de
moederschoot werd ontvangen. En toen de dagen van haar reiniging naar de wet van Mozes
voorbij waren, brachten zij het kind naar Jeruzalem, om het aan God aan te bieden. (Zoals
staat geschreven in de wet van Mozes: al het mannelijke, dat de moederschoot opent, moet
voor de Heer geheiligd worden). (Hoofdst. 4, 10-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter,
en verdiep het woord:
De besnijdenis is de wet van de Joden. Aangezien
deze aardse wet niet in strijd is met de eeuwige wet, wordt zij door God - uitsluitend
voor de mens - getolereerd. Wanneer een wezen uit God door zijn incarnatie mens wordt, dan
is deze mens onderhevig aan de natuurwetten en dient hij de wetten van de wereld in acht
te nemen, voor zover deze niet in strijd zijn met de goddelijke wetten.
13. En zie, een mens met de naam Simeon was in
Jeruzalem, en hij was rechtvaardig en godvruchtig en wachtte op de troost van Israël en
de Heilige Geest kwam over hem. En hem was beloofd, dat hij de dood niet zou zien, voordat
hij de Christus Gods aanschouwd had.
14. En hij kwam door ingeving van de Geest in de tempel. En toen de
ouders het kind Jezus binnenbrachten, om het voorschrift van de wet te vervullen,
verscheen het kind hem, als ware het een lichtzuil. Toen nam hij het op zijn arm, prees
God en sprak:
15. »Nu laat Jij Je dienaar gaan in vrede, zoals Je gezegd hebt. Want
mijn ogen hebben Je Heiland gezien, die Jij bereid hebt, om in het aangezicht van alle
volkeren een licht te zijn, om de heidenen te verlichten en tot roem van Jouw volk
Israël.« En zijn ouders verwonderden zich over alles, wat over Hem gezegd werd.
16. En Simeon zegende hen en sprak tot Maria, Zijn moeder: »Zie, dit
kind werd bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat
tegengesproken wordt (en waarlijk, een zwaard zal ook jouw ziel doordringen), opdat van
vele harten de gedachten openbaar worden.«
17. En daar was Anna, een profetes, de dochter van Fanuel, van de stam
Aser, en zij was hoogbejaard en verliet de tempel nooit, maar diende God met vasten en
bidden, dag en nacht.
18. Ook zij kwam bij hen in dit uur en prees de Heer en sprak over Hem
tot allen, die daar in Jeruzalem wachtten op de verlossing. En toen zij alles hadden
beëindigd naar de wet van de Heer, keerden zij weer naar Galilea terug, naar hun
woonplaats Nazareth. (Hoofdst. 4, 13-18).
HOOFDSTUK 5
De aanbidding van de wijzen en Herodes
De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5).
Verkondigingen van God en Zijn engelen zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken
over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13)
1. Toen Jezus te Bethlehem in het land Judea geboren
was, in de tijd van koning Herodes, zie, daar kwamen enkele wijze mannen uit het Oosten
naar Jeruzalem. Zij hadden zich gereinigd en geen vlees, noch sterke drank tot zich
genomen, opdat zij de Christus zouden kunnen vinden, die zij zochten. En zij spraken:
»Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij in het Oosten hebben Zijn ster gezien
en zijn gekomen, om Hem te aanbidden.«
2. Toen koning Herodes dit hoorde, schrok hij en met hem heel
Jeruzalem. En hij liet alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen roepen
en verlangde van hen te horen, waar de Christus geboren zou worden.
3. En zij zeiden hem: »Te Bethlehem in het land Judea, want zo staat
het geschreven bij de profeet: en jij, Bethlehem in het land Juda, bent niet de geringste
onder de vorsten van Judea, want uit jou zal de heerser komen, die Mijn volk Israël zal
regeren.«
4. Toen riep Herodes de wijzen in het geheim bij zich en ondervroeg hen
precies, wanneer de ster was verschenen. En hij zond hen naar Bethlehem en sprak: »Gaat
heen en zoekt zorgvuldig naar het kindje en als jullie Het gevonden hebben, laat het mij
dan weten, zodat ook ik kan komen en Het aanbidden.«
5. En toen zij de koning hadden gehoord, gingen zij heen; en zie, de
ster, die de wijzen uit het Oosten zagen en de engel van de ster gingen hen voor, tot hij
kwam en boven de plaats stond, waar het kindje was. En de ster schitterde met zes stralen.
(Hoofdst. 5, 1-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wat betekent het symbool van de zes stralen? Gods
zoon brengt de wet Gods, de zeven basisstralen van de hemelen, op deze aarde. Zes stralen
stralen in de geest op Hem neer - de zevende straal, de barmhartigheid, woont onder de
mensen: de zoon van de Allerhoogste in het aardse gewaad, de Christus Gods in Jezus. Ook
Maria droeg een deelstraal van de straal der barmhartigheid in zich, want zij is in de
geest van de Heer met de cherubijn van de goddelijke barmhartigheid verbonden.
6. Zij gingen hun weegs met hun kamelen en ezels,
die beladen waren met hun gaven. En zij keken op zoek naar het kind zo aandachtig naar de
ster aan de hemel, dat zij hun vermoeide dieren, die de last en de hitte van de dag
droegen en dorstig en uitgeput waren, voor een poosje vergaten. En de ster verdween uit
hun ogen.
7. Vergeefs stonden zij daar en staarden en keken elkaar ontsteld aan.
Toen herinnerden zij zich hun kamelen en ezels en haastten zich, hun lasten af te laden,
zodat zij konden rusten.
8. Nu was daar in de buurt van Bethlehem een bron langs de weg. En toen
zij zich voorover bogen, om water op te halen voor hun dieren, zie, daar weerspiegelde de
ster, die zij hadden verloren zich op de stille watervlakte.
9. En toen zij dit zagen, werden zij vervuld van grote blijdschap.
10. En zij prezen God, die hen barmhartigheid toonde, op het moment,
dat zij zich over hun dorstige dieren hadden ontfermd.
11. En toen zij het huis waren binnengegaan, vonden zij het kindje met
Maria, Zijn moeder en zij vielen neer en aanbaden het. Zij openden hun schatten en legden
hun gaven voor Hem neer: goud, wierook en mirre.
12. En omdat zij door God in een droom gewaarschuwd waren, niet terug
te gaan naar Herodes, gingen zij langs een andere weg terug naar hun vaderland. En naar
hun gebruik ontstaken zij een vuur en aanbaden God in de vlam.
13. Toen zij echter vertrokken waren, zie, daar verscheen de engel des
Heren aan Jozef in een droom en sprak: »Sta op en neem het kindje met zijn moeder en
vlucht naar Egypte en blijf daar, tot ik je meer zeg; want Herodes tracht Het te doden.«
(Hoofdst. 5, 6-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Er staat geschreven: »...want Herodes tracht Het te
doden.« De woorden van de engel en de inspiratie uit de geest luidden inhoudelijk:
»Vlucht nu met het kindje en Zijn moeder naar Egypte en blijf daar tot nader order.« De
tijding, dat Herodes het kindje wilde doden, kwam uit andere bronnen tot Jozef en werd met
de uitspraak van de engel verbonden.
Aangezien de mensen van de Nieuwe Tijd - door verwezenlijking en
vervulling van de eeuwige wetten - de vrijheid in de wet van het leven kennen, zullen zij
twijfelen aan deze of vergelijkbare uitspraken: »Herodes tracht Het te doden«. Want zij
weten: zulke of gelijksoortige directe uitspraken doen God en Zijn engelen niet. Daardoor
zouden zij bevestigen, wat nog in de lucht hangt.
Daarom verklaar, verbeter en verdiep Ik, Christus, deze en andere
uitspraken, zodat dit boek voor velen een werk van inzicht is.
God laat de mensen via andere bronnen, dus indirect, boodschappen
overbrengen - dan, als het voornemen van een mens door hem reeds uitgesproken werd en door
tweeden of derden, die het hebben gehoord, doorgegeven kan worden. Als het van betekenis
is, zal het de betrokken persoon dan indirect bereiken. Op deze wijze leidt God - volgens
de wet van oorzaak en gevolg - indirect.
14. Hij stond op en nam s nachts het kindje en
Zijn moeder en vluchtte naar Egypte en bleef daar ongeveer zeven jaren, tot de dood van
Herodes, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door de profeten gezegd heeft, waar Hij
spreekt: »Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.«
15. En ook Elisabeth nam, toen zij dit hoorde, haar zoontje en ging met
hem het gebergte in en verborg hem daar. En Herodes zond zijn mannen naar Zacharias in de
tempel en liet hem vragen: »Waar is je kind?« En hij antwoordde: »Ik ben een dienaar
Gods en ben altijd in de tempel. Ik weet niet waar het is.«
16. En hij zond hen nogmaals tot hem en liet hem vragen: »Zeg mij
eerlijk, waar is je zoon, weet je dan niet, dat je leven in mijn hand ligt?« Zacharias
antwoordde en sprak: »God is getuige, als je mijn bloed vergiet, zal God mijn ziel
opnemen, want je vergiet het bloed van een onschuldige.«
17. En zij sloegen Zacharias in de tempel dood, tussen het
Allerheiligste en het altaar; het volk kreeg het te horen door een stem, die riep:
»Zacharias werd gedood en zijn bloed mag niet eerder afgewassen worden, voordat de wreker
gekomen is.« En na enige tijd wierpen de priesters het lot en het lot viel op Simeon, die
zijn plaats innam.
18. Toen nu Herodes zag, dat hij door de wijzen was misleid, werd hij
uiterst vertoornd en zond zijn mensen uit en liet alle kinderen te Bethlehem en in de
omgeving doden, die twee jaar of jonger waren, overeenkomstig de tijd, die hij van de
wijzen had vernomen.
19. Zo werd vervuld, wat door de profeet Jeremia is gezegd: »In Rama
hoort men een stem, wenen, klagen en groot verdriet. Rachel weent om haar kinderen en wil
zich niet laten troosten; want zij zijn niet meer.«
20. Doch toen Herodes was gestorven, zie, daar verscheen de engel des
Heren aan Jozef in een droom in Egypte en sprak: »Sta op en neem het kind en Zijn moeder
en keer terug naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn
gestorven.«
21. En hij stond op, nam het kind en Zijn moeder en kwam terug in het
land Israël. En zij woonden in een stad, genaamd Nazareth. En Hij werd de Nazarener
genoemd. (Hoofdst. 5, 14-21)
HOOFDSTUK 6
Kindschap en jeugd van Jezus
De tempel van het innerlijk (4).
Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond van trouw voor God - Ervaring van
het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en kruisdood waren niet nodig geweest
(10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der Egyptenaren (11). Kort bericht over het
leven van Jezus voor het begin van Zijn leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de
almacht en liefde van God en vervulde het gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond,
gesloten met de Oergemeente Nieuw Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het
reinigingsproces van de aarde (17)
1. Nu gingen Zijn ouders, Jozef en Maria, ieder jaar
naar Jeruzalem voor het Paschafeest; zij vierden het feest naar het gebruik van hun
broeders, die bloedvergieten, het eten van vlees en het drinken van sterke drank nalieten.
Toen Jezus twaalf jaar oud was, ging Hij met hen naar Jeruzalem, zoals het voor het feest
gebruikelijk was. (Hoofdst. 6, 1)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Hiermee is duidelijk, dat God, de Heer, niet
ingrijpt in de wetten van de mensen, voor zover het gebruiken zijn, die niet indruisen
tegen de hemelse wet. Ook de mens Jezus hield zich aan het gebruik en de Heer begeleidde
Hem met Zijn Geest.
2. En toen de dagen ten einde waren en zij
terugkeerden, bleef het kind Jezus in Jeruzalem achter en Zijn ouders wisten het niet. Zij
dachten, dat Hij bij het gezelschap was en gingen een dagreis ver. Toen zochten zij Hem
onder vrienden en bekenden. En omdat zij Hem niet vonden, gingen zij terug naar Jeruzalem
en zochten Hem daar.
3. Het geschiedde, dat zij Hem na drie dagen in de tempel vonden,
temidden van de geleerden. Hij zat, luisterde naar hen en stelde hen vragen. En allen, die
Hem hoorden verwonderden zich over Zijn begrip en Zijn antwoorden.
4. Toen Zijn ouders Hem zagen, waren zij ontsteld. En Zijn moeder sprak
tot Hem: »Mijn zoon, waarom heb Je ons dit aangedaan? Zie, Je vader en ik hebben Je vol
zorg gezocht.« En Hij sprak tot hen: »Waarom hebben jullie Mij gezocht? Weten jullie
niet, dat Ik in het huis van Mijn Vader moet zijn?« ... (Hoofdst. 6, 2-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Met de woorden »...dat Ik in het huis van Mijn
Vader moet zijn« bedoelde de knaap niet het huis, de tempel van steen, maar het huis van
vlees en bloed - de mens, waarin de Geest Gods woont, die door de knaap Jezus sprak. Jezus
bedoelde: Ik moet in Mijzelf rusten, in de tempel van het innerlijk, om aan de mensen te
geven - en degenen te antwoorden, die Mij daarom hebben gevraagd.
Ieder mens is een tempel Gods. Wie deze tempel rein houdt, die voelt,
denkt, spreekt en handelt ook zuiver en leeft daardoor in het bewustzijn van God. Jezus
onderwees uit deze »tempel van het innerlijk« in de tempel van Jeruzalem degenen, die
Hem in de tempel van steen wilden horen.
... En zij begrepen de woorden niet, die Hij tot hen
sprak. Maar Zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.
5. En een profeet, die Hem zag, zei tot Hem: »Zie,
de liefde en de wijsheid van God zijn in Jou verenigd, daarom zul Jij in het komende
tijdperk Jezus genoemd worden, want door de Christus zal God de mensheid verlossen, die in
deze tijd waarlijk is als de bittere zee; maar deze bitterheid zal veranderd worden in
liefelijkheid, maar aan dit geslacht zal de bruid nog niet verschijnen en ook niet in het
tijdperk, dat komen zal.« (Hoofdst. 6, 4-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De profeet heeft uit de Geest geprofeteerd. Intussen
zijn enkele tijdperken voorbij gegaan. Maar Ik, de bruidegom, - de Geest van Christus, die
Ik Ben - heb Mij nu op weg begeven, om de mensen, die in Mij geloven en de wil van de
Vader vervullen, te roepen, om hen in het land van de vrede te leiden. Zoals een getooide
bruid, gesierd met het sieraad en de deugd van innerlijk leven, komen veel zielen en
mensen Mij tegemoet - en het worden er steeds meer, die zich van bitterheid in
liefelijkheid veranderen en die zullen zitten aan Mijn rechterzijde.
6. En Hij daalde met hen af en kwam naar Nazareth en
was hen gehoorzaam. En Hij maakte wielen en jukken en ook tafels met grote vaardigheid. En
Jezus nam toe in grootte en ook in genade bij God en de mensen.
7. En op een dag kwam de knaap Jezus op een plaats, waar een val
opgezet was voor vogels en er stonden enkele jongens bij. En Jezus sprak tot hen: »Wie
heeft deze strik hier gezet voor de onschuldige schepsels van God? Zie, zij zullen op
dezelfde manier in een strik worden gevangen.« En Hij zag twaalf mussen, die zo goed als
dood waren.
8. En Hij bewoog zijn handen boven hen en sprak tot hen: »Vliegt weg
en zolang jullie leven, denkt aan Mij.« En zij verhieven zich en vlogen weg met gekrijs.
De joden, die dit zagen, waren zeer verbaasd en vertelden het aan de priesters.
9. En het kind deed nog meer wonderen en men zag, hoe bloemen onder
Zijn voeten ontsproten, daar, waar tot dan onvruchtbare bodem was geweest. En Zijn
metgezellen kregen eerbied voor Hem.
10. Toen Jezus achttien jaar oud was, werd Hij uitgehuwelijkt aan
Mirjam, een maagd uit de stam Juda en Hij leefde zeven jaar met haar; en zij stierf; want
God nam haar tot Zich, opdat Hij verder zou kunnen voortschrijden naar de hogere
opdrachten, die Hij te volbrengen had en te lijden voor alle zonen en dochters van de
mensen. (Hoofdst. 6, 6-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik was nooit gehuwd. In deze generatie (1989) heeft
het woord »gehuwd« een andere betekenis. Voor de mensen van deze tijd betekent het een
huwelijk voor de burgerlijke stand en eventueel een ceremonie in een aardse kerk voor en
met een priester.
Ook het woord »huwelijk« heeft in de geest een andere betekenis dan
»echtverbintenis«. Huwen in de Geest Gods betekent: twee mensen sluiten de bond met God
en streven ernaar, in God één te worden. Met elkaar trouwen is een besluit volgens de
wetten van deze wereld. Huwen daarentegen is een bond van trouw met de naaste voor God,
waarin twee mensen besluiten, de goddelijke wetten te verwezenlijken en met elkaar een
rein, van God vervuld leven te leiden.
In dit boek heeft het woord »gehuwd« de betekenis: verbonden door
Gods liefde.
Jezus was in de geest met alle mensen en wezens, met al het Zijn
verbonden - zoals Ik het als Christus Ben.
Als Jezus, dat wil zeggen, als de mensenzoon, moest Ik ook deze
verbinding met het vrouwelijke geslacht ervaren, om het te begrijpen en te kunnen helpen.
Als Jezus van Nazareth had Ik een diepe, reine verbinding met deze
vrouw, (Mirjam uit de stam Juda) die Mijn wezen zeer nabij was. De wet luidt: het gelijke
trekt het gelijke aan. Deze vrouw had enige gelijktrillende wezensaspecten als Mijn ziel.
Hierdoor stonden wij in diepe communicatie met elkaar. Ik ervaarde Mij in haar en zij zich
in Mij. Daarnaast beleefde Ik de gevoelswereld van het vrouwelijke principe in het aardse
lichaam en begreep daardoor ook de vele vrouwen, die in de jaren van Mijn leraarschap bij
Mij waren.
Kort vóór Mijn jaren als leraar was de aardse tijd voor deze vrouw
verstreken. God, onze eeuwige Vader, haalde haar, zoals later veel mannen en vrouwen onder
Mijn volgelingen, tot Zich terug. Want in deze wereld is het komen en gaan van de ziel een
wetmatigheid, die niet onderworpen is aan willekeur, maar aan het verloop van de wet van
zaad en oogst, of de lichtwet van God.
Mijn opdracht als Jezus van Nazareth, de Christus Gods, was, de
verlossersvonk in de zielen der mensen te plaatsen. Mijn lijden en de fysieke dood waren
het teken voor de onbuigzaamheid der mensen. Hadden de zonen en dochters van God uit het
geslacht David zich door Johannes en door Mij laten roepen en waren zij de Christus in
Jezus trouw gevolgd, dan waren er meer zonen en dochters van God uit andere geslachten
bijgekomen, om Mij trouw na te volgen. Daaruit zou een volk zijn ontstaan, dat bewust het
volk David voor het vredesrijk van Jezus Christus had kunnen zijn. Omdat het geslacht
David, dat in opdracht van het verlosserswerk staat, in zonde verbleef, omhulde Ik Mij met
een deel van zijn schuld, alsmede gedeelten van de schuld van enkelen uit andere
geslachten. Daardoor kon Ik gevangen worden genomen. En zo begon het lijden.
Was het geslacht David niet in de zonde gebleven, dan had Ik wél de
verlossersvonk aan alle zielen en mensen gebracht; het lijden en de fysieke dood aan het
kruis had Ik dan echter niet hoeven te ondergaan. Zo leed Ik voor de zonen en dochters van
de mensen, omdat zij niet bewust zonen en dochters van God werden, door Gods wil te
vervullen.
Had het geslacht David aan Mijn kant gestaan, dan had het hele gebeuren
een ander verloop gehad. En had het gehele Joodse volk - met inbegrip van zijn
schriftgeleerden en farizeeën - de zoon Gods aan- en opgenomen, door de wet Gods te
vervullen, dan was de deelkracht in de oerkracht gebleven. Want wie de eeuwige wet
vervult, heeft geen steun nodig.
11. En toen Jezus de studie van de wet had
afgesloten, ging Hij opnieuw naar Egypte, opdat Hij de wijsheid van de Egyptenaren zou
leren, zoals Mozes het had gedaan. ... (Hoofdst. 6, 11)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Omdat veel teksten in dit boek niet naar hun
betekenis worden begrepen, maar naar het woord, moet steeds weer het een en ander
verklaard en verbeterd worden.
Ik heb reeds geopenbaard, dat veel woorden bij het ontstaan van dit
boek een andere betekenis hadden dan nu (1989). Ook had de mens, die toen het woord
ontving en neerschreef, een bepaalde woordenschat; alleen deze kon worden gebruikt. Ook de
vertalers hadden weer hun eigen woordenschat voor de vertaling. Daarom dient alles, wat
uit het Goddelijke in woorden wordt gegeven, naar de zin te worden begrepen. Waar het
beslist verklaard, verbeterd of verdiept moet worden, zal Ik steeds weer door Mijn
instrument van deze tijd (1989) werken en het verklaren, verbeteren of verdiepen.
Ook in deze tekst verbeter Ik de woorden: »...ging weer naar Egypte,
opdat Hij de wijsheid der Egyptenaren zou leren, zoals Mozes had gedaan.« Naar de zin
moet het zijn: Hij ontmoette steeds weer Egyptenaren, om met hen over de wijsheid van God
te spreken. Ik ging echter niet naar Egypte, om de wijsheid Gods van de Egyptenaren te
leren. Als kind was Ik met Mijn pleegouders in Egypte, maar ook toen was dit niet, om de
goddelijke wijsheid te leren.
In de woestijn ontmoette Ik bovendien steeds mannen en vrouwen, om te
bidden en met hen over de eeuwige waarheid te spreken. Onder hen waren steeds weer
Egyptenaren. Reeds als knaap Jezus was de wijsheid Gods in Mij openbaar; zij sprak ook
door Mij. Daarom sprak Ik als knaap Jezus al uit de wijsheid Gods tot de zogenaamde
geleerden in de tempel. De wijsheid Gods was dus in Mij werkzaam. Waartoe deze dan nog
leren!
... En Hij ging de woestijn in, mediteerde, vastte
en bad en Hij ontving de volmacht van de heilige naam, waardoor Hij veel wonderen
verrichtte.
12. En gedurende zeven jaren sprak Hij met God van
aangezicht tot aangezicht en Hij leerde de taal van de vogels en de dieren en de
geneeskracht van bomen, kruiden en bloemen en de verborgen krachten van edelstenen en
leerde ook de bewegingen van zon, maan en sterren en de macht der schrifttekens, de
mysteriën van de hoekmaat en de cirkel en de verandering van dingen en vormen, van de
getallen en tekens. Vandaar keerde Hij terug naar Nazareth, om Zijn ouders te bezoeken en
Hij onderwees daar en in Jeruzalem als een gewaardeerde rabbi, zelfs in de tempel en
niemand hinderde Hem. (Hoofdst. 6, 11-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Alles wat God heeft geschapen en in stand houdt, is
in de ziel van de mens. Wie in God leeft, ontvangt van God en wordt - ook als mens -
onderwezen door God. Als Jezus van Nazareth leefde Ik in God en ontving van God, Mijn
Vader, met wie Ik in voortdurende communicatie stond.
Uit het innerlijk van Jezus stroomde de goddelijke wijsheid en Hij
sprak met de dieren in het water, in de lucht en in en op de aarde. En Jezus, waarin Ik
leefde, ervaarde in Zichzelf het leven van de planten en de stenen.
Vanuit het innerlijk beleefde Ik als Jezus de beweging van de
hemellichamen, waarover Ik zeer veel met de Egyptenaren sprak, onder wie ware wijzen
waren.
Omdat Ik als Jezus in de tempel onderwees, noemden veel mensen Mij
rabbi. Doch Ik was profeet en Gods zoon - in het aardse lichaam de mensenzoon, die de
wetten van God onderwees en leefde en Zich wegschonk, opdat de verlossing in de zielen der
mensen en in de zielen, die in de valgebieden leefden, plaats kon vinden.
13. Na enige tijd ging Hij naar Assyrië en India en
naar Perzië en naar het land van de Chaldeeën. En Hij bezocht hun tempels en sprak met
hun priesters en hun wijzen, vele jaren lang en Hij deed veel wonderbaarlijke dingen en
genas de zieken, terwijl Hij door de landen trok.
14. En de dieren van het veld voelden eerbied voor Hem en de vogels
waren niet bevreesd voor Hem; want Hij liet hen niet schrikken, ja, zelfs de wilde dieren
in de woestijn voelden de macht van God in Hem en dienden Hem vrijwillig en droegen Hem
van de ene plaats naar de andere. (Hoofdst. 6, 13-14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Als Jezus ontmoette Ik veel mensen van verschillende
standen en talen en sprak met Assyriërs, Indiërs, Perzen, Chaldeeën, Israëlieten en
met andere mannen en vrouwen uit de verschillende stammen. Maar Ik ging niet naar hun land
of naar andere landen, om Gods wijsheid te leren. Ik kwam in veel landen en aan veel
landsgrenzen. Vaak was de taal een hindernis, maar als wij over de wetten van de liefde
spraken, wist iedereen, wat de ander wilde zeggen. De taal van het hart kent geen grenzen
- ook nu niet, in de tijd dicht bij het jaar tweeduizend.
Uit liefde tot de mensen brak ook de geneeskracht door - om mensen te
helpen en om getuigenis te geven van dat, wat in Mij, Jezus, woonde: de almacht Gods.
De thans (1989) nog bestaande techniek maakt het mogelijk, Mijn woord
sneller te vertalen en over te brengen, zodat de harten van de mensen ontwaken en zij de
taal van de liefde leren; zij wordt door alle hartedenkers begrepen.
Veel mensen zijn van mening, dat Ik vele jaren onderweg ben geweest, om
wijsheid te verzamelen en werken van liefde te doen. Als Jezus van Nazareth was Ik wel
veel onderweg, om te onderwijzen en werken van liefde en barmhartigheid te doen. Ik
verzuimde echter niet, het gebod »bid en werk« te vervullen.
Zoals Jozef en Mijn lijfelijke broers verwezenlijkte Ik als timmerman,
wat God de mens heeft geboden: »bid en werk«.
De zin van de uitspraak »en droegen Hem van de ene plaats naar de
andere« wil zeggen: veel dieren gingen een groot stuk van de weg met Mij mee, sommige van
plaats tot plaats. Wie God liefheeft, heeft ook de natuurrijken lief. En de natuurrijken
dienen hem, die God liefheeft. Want al het Zijn is leven uit God - en wie God liefheeft,
die wordt door al het Zijn gediend.
15. Want de geest van goddelijke menselijkheid
vervulde Hem en vervulde zo alle dingen om Hem heen en maakte alles onderdanig aan Hem; en
zo vervulden zich de woorden van de profeet: »De leeuw zal bij het kalf liggen en het
luipaard bij het geitje en de wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de
duif. En een kind zal hen leiden.
16. En niemand zal verwonden of doden op Mijn heilige berg; want de
aarde zal vervuld worden van het inzicht van de Heilige, zoals de wateren de zeebodem
bedekken. En in deze dagen wil Ik nogmaals een verbond sluiten met de dieren der aarde en
met de vogels in de lucht, met de vissen van de zee en met alle schepselen der aarde. En
Ik wil de boog breken en ook het zwaard en alle oorlogswerktuigen wil Ik verbannen van de
aarde en zij moeten veilig opgeborgen worden, opdat allen zonder angst leven.
17. En Ik wil Mij voor altijd door een gelofte aan jou wijden in
rechtschapenheid en vrede en in de goedheid des harten en je zult je God erkennen en de
aarde zal koren en wijn en olie voortbrengen en Ik wil tot degenen zeggen, die niet Mijn
volk zijn: jij bent Mijn volk en zij zullen tot Mij spreken: Jij bent onze God.«
(Hoofdst. 6, 15-17)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Dit is gebeurd!
Omdat de Israëlieten Mij, Christus, niet als hun Verlosser aan- en
opgenomen hebben, verzamelen de Eeuwige en Ik, Christus, de zonen en dochters van God op
een ander continent. Daar is nu »Israël« en daar is ook het nieuwe »Jeruzalem«* Want
God bindt Zich niet aan een plaats en aan beloften van mensen, die hun belofte niet
houden, die niet vervullen, wat Hij hen geboden heeft.
*Vergelijk: Der Bund mit Gott für das Friedensreich Jesu Christi.
Christus ruft alle geistigen Gruppen, Konfessionen und Religionen. (Würzburg 1989, 2de
vernieuwde oplage. Niet in het Nederlands verkrijgbaar.)
Een ander volk staat in het verbond. Het is Mijn
volk en Ik zal hun herder zijn. Van daaruit zullen nu de eerste krachten van het
vredesrijk opstijgen.
God verbrak het verbond met het volk Israël en sloot een nieuw verbond
- het laatste verbond - met dit andere volk, met mensen, die ernaar streven, Gods wil te
vervullen. Zij zijn uit het grote geslacht David en uit andere geslachten, die de geboden
van het leven in acht nemen.
De Eeuwige en Ik, Christus, riepen en roepen in deze wereld door
profetenmond en verzamelen alle gewillige zonen en dochters van God: het reeds bestaande
volkje zal uitgroeien tot een machtig volk van God.
Het laatste verbond is gesloten en heeft geldigheid. Het brengt
degenen, die zich eraan houden, veel hulp uit de wet Gods. Ik, Christus, sta aan het hoofd
van het volk Gods en heb geen mens als plaatsvervanger. De Oergemeente Nieuw Jeruzalem,
die tot Bondgemeente werd, is dit volk Gods. Het is het centrale licht in Universeel
Leven.
Het volk Gods zal nog veel hindernissen te nemen hebben, maar de geest
der waarheid en des levens is met hen en allen, die met een eerlijk hart in het verbond
staan, zullen de stichters en bouwers zijn van het rijk Gods op aarde. In deze tijd -
dicht bij het jaar tweeduizend - kondigt zich aan, wat geschreven staat: Ik, jullie Heer
en God, zal met een ander volk de bond sluiten.
De duisternis heeft verloren; de bond is gesloten; de aarde reinigt
zich - zoals het geprofeteerd werd.
De aarde zal beven en zich openen en veel mensen verslinden. Voordat
echter al dit geschiedt, zullen ziekten, ellende, noodlottige gebeurtenissen en vele
andere rampen over de mensen komen. De engel des doods gaat om en neemt steeds meer mensen
weg. Het onzuivere zal vergaan. De zeeën zullen over hun oevers treden en al het
tegenstrijdige toedekken en de sterren zullen met hun stralen de aarde reinigen. Dan is
het zwaard gebroken en al het oorlogstuig. Dan zal op de hele aarde het vredesrijk
ontstaan en op de aarde zullen mensen leven, die Gods wil vervullen. En er zal vrede zijn.
Dan is vervuld, wat geschreven staat:
»De leeuw zal liggen bij het kalf en het luipaard bij het geitje en de
wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de duif. En een kind zal hen
leiden.« Dit alles zal geschieden!
18. En op een dag liep Hij op een bergpad langs de
rand van de woestijn; daar trof Hij een leeuw, die door een massa mensen met stenen en
speren werd vervolgd en zij wilden hem doden.
19. Maar Jezus berispte hen, zeggende: »Waarom jagen jullie op de
schepselen van God, die edeler zijn dan jullie? Door de wreedheid van vele generaties
werden zij tot vijanden van de mensen gemaakt, die eigenlijk hun vrienden zouden moeten
zijn.
20. Zoals in hen de macht Gods zichtbaar wordt, zo toont zich ook Zijn
geduld en Zijn medelijden. Houdt op, dit schepsel te vervolgen! Het wil jullie geen leed
aandoen, zien jullie niet, hoe het vlucht voor jullie en geschrokken is van jullie
gewelddadigheid?« (Hoofdst. 6, 18-20)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het woord »medelijden« betekent Gods hulp. Ik heb
de verlossing voor alle mensen en zielen gebracht. In de verlossing is ook de bevrijding
van de dieren. Want door de verlossing wordt in het evolutieproces alles tot eenheid
verheven, in het licht Gods, dat eenheid, leven, substantie en kracht is.
21. En de leeuw kwam naderbij en legde zich voor
Jezus voeten en betoonde Hem zijn liefde. En het volk verwonderde zich zeer en
sprak: »Ziet, deze mens heeft alle schepselen lief en Hij heeft zelfs macht over de
dieren van de woestijn en zij gehoorzamen Hem.« (Hoofdst. 6, 21)
HOOFDSTUK 7
Boeteprediking van Johannes
De betekenis van symbolenen ceremonies (4).
Het gerecht: de wet van zaad en oogst - Loutering van de ziel (10)
1. In het vijftiende jaar van de regering van keizer
Tiberius, terwijl Pontius Pilatus stadhouder van Judea was en Herodes viervorst van
Galilea (Caïphas hogepriester en Annas hoofd van het Sanhedrin), kwam het woord Gods tot
Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
2. En Johannes kwam in de landstreken aan de Jordaan en predikte over
de boetedoop ter vergeving der zonden. Zoals geschreven staat bij de profeten: »Zie, Ik
zend Mijn bode voor Jou uit, die de weg voor Je bereidt. Het is de stem van een roepende
in de woestijn: bereidt de weg van de Heilige en effent de paden voor de Gezalfde.
3. Alle dalen zullen worden opgevuld en alle bergen en heuvels zullen
worden geslecht en wat krom is, zal recht worden. En de ruwe wegen zullen geëffend
worden. En alle mensen zullen de verlossing van God zien.«
4. Johannes echter had een gewaad van kameelhaar en eenzelfde gordel om
de lendenen en zijn voeding bestond uit de vruchten van de erwtenboom en wilde honing. En
tot hem kwam Jeruzalem en heel Judea en allen uit het land langs de Jordaan en zij werden
door hem gedoopt in de Jordaan en bekenden hun zonden. (Hoofdst. 7, 1-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ook in dit bericht erkent de mens, dat God zeden en
gebruiken toelaat, die niet tegen de eeuwige, heilige wet zijn: hier is het de doop met
water.
Of de mens het water als symbool van reiniging nog wil handhaven, tot
hij gedoopt is met de geest des levens, dat laat God over aan Zijn mensenkinderen.
Wie echter de liefde tot God en tot zijn naasten ontwikkeld heeft, is
door de Geest Gods verheven, dat wil zeggen, hij is van de geest der waarheid doordrongen.
Wie geestelijk gerijpt is, heeft steeds minder symbolen en ceremonies
nodig. Hij leeft in het innerlijk, zoals het in de hemel is: rein! De reine is vervuld van
de geest der waarheid en van de geest des levens doordrongen: hij is dus door de Geest
Gods gedoopt.
5. Toen sprak hij tot het volk, dat tot hem kwam om
gedoopt te worden: »O, jij ongehoorzaam geslacht! Wie heeft jullie gewaarschuwd te
vluchten voor de toorn, die komen zal? Brengt daarom rechtschapen vruchten van boete en
begint niet tegen jezelf te zeggen: »Wij hebben Abraham als vader.«
6. Want ik zeg jullie: God kan voor Abraham uit deze stenen kinderen
verwekken. En reeds is de bijl gelegd aan de wortels van de bomen en iedere boom, die geen
goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.«
7. En de rijken vroegen hem en zeiden: »Wat moeten wij dan doen?« Hij
antwoordde en sprak tot hen: »Wie twee kledingstukken heeft, geve er één aan degene,
die er geen heeft en wie voedsel heeft, handele evenzo.«
8. Er kwamen echter ook enkele tollenaars, om te worden gedoopt en
zeiden tot hem: »Meester, wat moeten wij doen?« En hij sprak tot hen: »Eist niet meer,
dan jullie is voorgeschreven en weest inschikkelijk bij jullie beoordeling.«
9. Evenzo vroegen de krijgslieden hem: »Wat moeten wij doen?« En hij
sprak tot hen: »Doet niemand geweld aan, noch onrecht en weest tevreden met jullie
soldij.«
10. En hij sprak tot allen en zei tot hen: »Houdt jullie verre van het
bloed van gewurgden en van de dode lichamen van vogels en dieren en hoedt jullie voor alle
wreedheid en onrecht. Denken jullie soms, dat het bloed van dieren en vogels zonde kan
afwassen? Ik zeg jullie: neen. Spreekt de waarheid! Weest rechtvaardig, weest barmhartig
jegens jullie naasten en alle schepselen die leven en wandelt deemoedig met jullie God.«
(Hoofdst. 7, 5-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Met het woord »toorn« is het gerecht bedoeld, dat
over die mens komt, die niet tijdig omkeert: wie de goddelijke wet veronachtzaamt, zal
onder hetgeen hij gezaaid heeft, lijden. Geen mens kan voor zijn eigen gerecht, voor de
gevolgen van zijn eigen oorzaken, vluchten. Slechts het berouw en de vraag om vergeving en
de vergeving en ook het weer goed maken - als dit nog mogelijk is - wassen de ziel rein
van zonde. Dat, wat de mens in zijn ziel heeft ingegeven, licht en schaduw, dat draagt hij
met zich mee, tot het goedgemaakt is. Ongeacht op welke tijd, ongeacht op welke plaats hij
zich bevindt - hij draagt datgene aan schaduwen in zich, wat hij zelf in zijn ziel heeft
ingegeven - zo lang, tot het is goedgemaakt.
De woorden: »En reeds is de bijl aan de wortels van de bomen gelegd en
iedere boom, die geen goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen«
willen zeggen: iedere onuitgeboete oorzaak komt tot uitwerking. De bijl is de wet van zaad
en oogst. De boom is de mens, die zijn zonden niet berouwt en niet weer goedmaakt, wat hij
veroorzaakt heeft. Het vuur betekent de loutering van de ziel; het is het actieve gevolg
van de niet uitgeboete daad, de oorzaak.
Wie in dat, wat geschreven staat, de zin vermag te begrijpen, die
erkent, dat ziel en mens alleen dan rein worden, als zij hun fouten en zonden inzien,
berouwen, vergeven, om vergeving vragen en boete doen - dat wil zeggen, weer goedmaken en
hetzelfde of iets dergelijks niet meer doen.
Erkent: de hele natuur, dieren, planten en stenen, zijn de tuin van
God, Zijn scheppingswerk. Wie het veronachtzaamt, zondigt - en hij zal steeds weer opnieuw
voor zijn zonden staan, tot hij erkent, berouwt en boete doet. En als hij niet meer
zondigt en de geboden in acht neemt, zal hij in Mij leven en Ik bewust door hem.
Wie zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, zal ook geen dieren meer doden
of eten. Zo een mens wordt rein in zijn ziel en de vruchten, die hij voortbrengt, zullen
het leven in Mij zijn.
11. Het volk echter was in afwachting en allen
vroegen zich af in hun hart, of Johannes de Christus was of niet. Johannes antwoordde en
sprak tot allen: »Ik doop jullie met water; er komt echter een sterkere na mij, wiens
schoenriemen ik niet waard ben los te maken.
12. Hij zal jullie dopen met water en met vuur. In Zijn hand is de
schepel en Hij zal Zijn dorsvloer vegen en zal het koren in Zijn schuur verzamelen en het
kaf zal Hij met onblusbaar vuur verbranden.« En nog veel meer sprak hij tot het volk in
zijn boetepreek. (Hoofdst. 7, 11-12)
HOOFDSTUK 8
Het doopsel van Jezus, de Christus
God en Christus openbaren
thans de volledige waarheiddoor de serafijn van de goddelijke wijsheid - de stam David
bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)
1. En het was midden in de zomer in de tiende maand.
Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om zich door hem te laten dopen.
Maar Johannes weerde Hem af en sprak: »Ik heb het nodig, door Jou gedoopt te worden en
Jij komt tot mij«? Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Neem het nu zo aan, want het komt
ons toe, alle gerechtigheid te vervullen.« Toen liet hij het Hem toe.
2. En toen Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water; en zie,
de hemelen openden zich boven Hem en een lichtende wolk stond boven Hem en achter de wolk
twaalf lichtstralen en daaruit daalde gelijk een duif de Geest Gods op Hem neer en
omstraalde Hem. En zie, een stem uit de hemel sprak: »Dit is Mijn geliefde zoon, waarin
Ik welbehagen heb. En op deze dag heb Ik Hem verwekt.« (Hoofdst. 8, 1-2)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Water symboliseert de reiniging van ziel en lichaam.
Water is stromend - geest is stromend.
Het gebeuren na het doopsel van Jezus, waarvan hier wordt bericht,
voltrok zich in de geest. Johannes zag het in zijn innerlijk in deze symbolen. Het woord
»verwekt« moet »geroepen« zijn. Door de roeping door de Eeuwige volbracht Ik, de
Christus, wat in Jezus steeds meer openbaar werd.
3. En Johannes gaf getuigenis van Hem en sprak:
»Deze was het, van wie ik gezegd heb, Hij zal na mij komen en is vóór mij geplaatst;
want Hij was eerder dan ik. En uit Zijn overvloed hebben wij allen ontvangen, genade op
genade. Want de wet is slechts ten dele door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid
kwamen door Jezus Christus in overvloed. (Hoofdst. 8, 3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De eeuwige waarheid straalt nu in ontelbare facetten
in deze wereld. In veel generaties schonk de Eeuwige uit de eeuwige waarheid, die Hij is,
steeds die facetten van de waarheid, die naar God toestrevende mensen konden begrijpen en
waarnaar zij konden leven. Zo gaf Hij door Mozes de overeenkomstige facetten der waarheid
voor de toenmalige generaties. Ik, Christus in Jezus, schonk uit de waarheid de overvloed.
Weinigen echter konden Mij begrijpen.
Nu (1989) is de tijd aangebroken, waarin Ik alle facetten der waarheid
openbaar. Wie het vatten kan, die vatte het!
Erkent: de eeuwige waarheid zal zich nu in de hele wereld verbreiden en
al het onware zal een prooi van het vuur worden, zodat de overvloed, de gehele waarheid,
openbaar wordt. De goddelijke wijsheid heb Ik vanuit de geest als stammoeder van het
vredesrijk van Jezus Christus uitverkoren. De vrouwelijke straal, de serafijn uit Gods
wijsheid, is thans geïncarneerd en werkt voor de Eeuwige en voor Mij als profetes en
verkondigster van God. Door haar riepen en roepen de Eeuwige en Ik, Christus, in deze
wereld en brengen alle bereidwillige mensen - voor zover het met woorden mogelijk is - de
volledige waarheid.
Naar de wil van God is David, uit wie het geslacht David voortkwam, de
biologische stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus. Want hij bracht het zaad en
daaruit de genen in deze wereld, die het geslacht David vormen.
De wezens uit God incarneren in die mensen, waarin de genen van David
actief zijn. Zij staan met andere zonen en dochters uit andere geslachten in de opdracht
van de verlossing in mijn werk, in Universeel Leven.
David is derhalve de stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus
als mens en de straal van de goddelijke wijsheid, de stammoeder uit de geest. David bracht
aldus het zaad en de genen voor het volk Gods vanuit de mens; de goddelijke wijsheid
brengt de gehele waarheid in het aardse woord door haar geïncarneerde deelstraal, de
serafijn van de goddelijke wijsheid.
De zielen op aarde zijn geroepen.
Door de profetes en verkondigster van God ontvangen zielen en mensen
door Mij, de Christus, in het geopenbaarde woord de volledige waarheid. De geïncarneerde
deelstraal van de goddelijke wijsheid leert de eeuwige wetten ook in details en toont alle
bereidwilligen, hoe deze in de wereld vervuld kunnen worden.
De tijd is gekomen. De wereld nadert het jaar tweeduizend. Ik bereid
Mijn komst als Christus voor, door het uitverkoren volk Gods, waarmee de Eeuwige en Ik,
Christus, in de Alkracht, God, het laatste verbond hebben gesloten. Alleen die zielen en
mensen zullen aan Mijn rechterzijde staan, die de gehele waarheid kennen en haar ook
vervullen.
4. Niemand heeft God ooit gezien. Slechts in de
alleen Geborene, die uit de schoot van de Eeuwige komt, is God geopenbaard.« En dit is de
uitspraak van Johannes, toen de joden van Jeruzalem priesters en levieten zonden, om hem
te vragen: »Wie ben je?« En hij loochende niet, maar bekende: »Ik ben niet Christus.«
5. En zij vroegen hem: »Wie dan? Ben je Elia?« Hij sprak: »Ik ben
het niet.« »Ben je de profeet, over wie Mozes sprak?« En hij antwoordde: »Neen.« Toen
spraken zij tot hem: »Wie ben je dan? Zodat wij antwoord kunnen geven aan hen die ons
gezonden hebben. Wat zeg je over jezelf?« En hij sprak »Ik ben de stem van een roepende
in de woestijn. Bereidt de weg van de Heilige, zoals de profeet Jesaja heeft gezegd.«
6. En zij, die gezonden waren, kwamen van de farizeeën en vroegen hem:
»Waarom doop je dan, als je Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet, waarvan Mozes
sprak?«
7. Johannes antwoordde en sprak: »Ik doop met water; maar daar staat
de Ene onder jullie, die jullie niet kennen. Hij zal met water en met vuur dopen. Hij is
het, die na mij komen zal en mij toch voor zal gaan; ik ben het niet waard Zijn
schoenriemen los te maken.«
8. Dit geschiedde in Bethabara, aan de andere kant van de Jordaan, waar
Johannes doopte. En Jezus was in die tijd dertig jaar oud geworden, in menselijke gedaante
werkelijk de zoon van Jozef en Maria, maar naar de geest Christus, de zoon van God, de
eeuwige Vader, zoals door de Geest van Heiligheid met macht verkondigd was.
9. En Jozef was de zoon van Jakob en Elischeba en Maria was de dochter
van Eli (Joachim genoemd) en van Anna, die de kinderen waren van David en Bathscheba, van
Juda en Schela, van Jakob en Lea, van Isaak en Rebecca, van Abraham en Sara, van Seth en
Maat, van Adam en Eva, die de kinderen waren van God. (Hoofdst. 8, 4-9)
HOOFDSTUK 9
De vier bekoringen
De duisternis mag zich meten aan het licht (1).
Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)
1. Jezus werd door de geest naar de woestijn geleid,
om door de duivel te worden bekoord. En de wilde dieren van de woestijn waren om Hem heen
en dienden Hem. En toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij honger.
(Hoofdst. 9, 1)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De satan mocht Jezus op de proef stellen. De Geest
van Mijn eeuwige Vader liet de beproeving toe. Ook de satan moest zich daaraan kunnen
herkennen en meten, om te ervaren, dat degenen, die in God leven, sterker zijn dan de
macht van de duisternis.
Het is een wetmatigheid uit Gods liefde en genade, dat wanneer mensen
kennis en wijsheid uit God hebben verkregen, de duisternis zich aan hen mag meten.
Daardoor ontvangt ook de diepst gevallen ziel de mogelijkheid tot zelfkennis: - door haar
nederlaag mag zij aan zichzelf ervaren, dat diegene die in God leeft, sterker is dan de
satan; hem dient het reine. Wie Gods Geest in zijn innerlijk nog niet tot ontplooiing
heeft gebracht, moet het afleggen tegen de satan, want hij dient deze in veel aspecten van
zijn aardse leven.
Het woord »vasten« betekent: weinig voedsel tot zich nemen.
2. En de verleider kwam naar Hem toe en sprak: »Ben
Je Gods zoon, zeg dan, dat deze stenen brood worden; want er staat geschreven: Ik wil Je
voeden met de fijnste tarwe en met honing en uit de rots wil Ik je verzadigen.«
3. Maar Hij antwoordde en sprak tot hem: »Er staat geschreven: de mens
leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat komt uit de mond van God.«
4. Toen plaatste de duivel een vrouw voor Hem van buitengewone
schoonheid en liefelijkheid en fijne geest en levendig verstand en sprak tot Hem: »Neem
haar, als Je wilt, want haar wens gaat naar Jou uit en Je zult liefde en geluk genieten Je
hele leven lang, en Je kleinkinderen zien. Want staat er niet geschreven, het is niet
goed, dat de mens alleen zij?«
5. En Jezus sprak: »Ga weg van Mij! Want er staat geschreven: laat je
niet door de schoonheid van een vrouw verleiden; want al het vlees is als gras en als de
bloemen op het veld; het gras verdort en de bloemen verwelken, maar het woord van de
Eeuwige duurt altijd. Mijn opdracht is, de mensenkinderen te onderrichten en te genezen en
hij, die uit God geboren is, houdt zijn zaad in zich.« (Hoofdst. 9, 2-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De zin van de woorden: »houdt zijn zaad in zich«
is: mensen in God zullen hun kracht niet verkwisten aan genot en prikkeling. Wie in God
leeft, houdt van de innerlijke waarden van de mens, de innerlijke schoonheid en deugd. Wie
het innerlijk van de mens liefheeft, is met alle mensen en wezens verbonden. Hij zal nooit
alleen en eenzaam zijn, omdat hij het goede van zijn naaste in zich bewaart. Alleen op
deze wijze vervult zich het gebod »Het is niet goed, dat de mens alleen zij«.
God is eenheid - en wie in God leeft, leeft in verbondenheid met al het
Zijn. En al het Zijn, het reine, is met hem en werkt door hem.
Eenzaam is alleen die mens, die zijn medemensen afwijst en afkeurt.
6. En de duivel leidde Hem naar de heilige stad en
plaatste Hem op de tinne van de tempel. En hij sprak tot Hem: »Als Je Gods bent, stort Je
dan naar beneden, want er staat geschreven: Hij zal Zijn engelen bevelen, dat zij Je
behoeden en op hun handen dragen, opdat Je Je voet niet zult stoten aan een steen.«
7. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Er staat ook geschreven: je
zult de Heer, je God, niet verzoeken.«
8. Toen leidde de duivel Hem op een zeer hoge berg, temidden van een
grote vlakte en om hem heen lagen twaalf steden met hun bewoners. Van daaruit toonde hij
Hem alle rijken van de wereld in één ogenblik. En de duivel sprak tot Hem: »Deze macht
wil ik Je helemaal geven en haar heerlijkheid; want zij is aan mij gegeven. En ik geef
haar aan wie ik wil; want er staat geschreven: Je zult heersen van zee tot zee, Je zult Je
volk regeren in rechtschapenheid en de armen met barmhartigheid en een eind maken aan alle
onderdrukking. Als Je mij nu wilt aanbidden, zal dit alles van Jou zijn.«
9. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Ga weg van Mij, satan; want
er staat geschreven: je zult God aanbidden en Hem alleen dienen. Zonder de macht Gods kan
er geen eind komen aan het kwaad.«
10. En toen de duivel aan het einde was met alle verzoekingen week hij
voor enige tijd van Hem. En zie, er kwamen engelen Gods en dienden Hem. (Hoofdst. 9, 6-10)
HOOFDSTUK 10
Jozef en Maria bereiden Jezus een
feest -Andreas en Petrus vinden Jezus
Aan de mensen van de Nieuwe Tijd:
de verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van
Jezus van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)
1. Toen Jezus teruggekomen was uit de woestijn
bereidden zijn ouders op dezelfde dag een feest voor Hem. Zij boden Hem de gaven aan, die
de wijzen Hem in zijn kindertijd hadden gebracht. En Maria sprak: »Deze gaven hebben wij
tot de dag van vandaag voor Jou bewaard.« En zij gaven Hem het goud, de wierook en de
mirre. En Hij nam van de wierook, het goud echter schonk Hij aan Zijn ouders en aan de
armen en van de mirre gaf Hij wat aan Maria, Magdalena genaamd.
2. Deze Maria nu was uit de stad Magdala in Galilea. En zij was een
grote zondares en had velen door haar schoonheid en bekoorlijkheid verleid. En zij kwam
s nachts tot Jezus en bekende Hem haar zonden en Jezus strekte Zijn hand uit en
genas haar. En zeven demonen dreef Hij uit haar en Hij sprak tot haar: »Ga heen in vrede;
want je zonden zijn je vergeven!« En zij stond op en verliet alles en volgde Hem na en
diende Hem met haar bezittingen, zolang Hij in Israël werkte. (Hoofdst. 10, 1-2)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Tot beter begrip, opdat de eeuwige wet wordt
herkend: het was Maria, genaamd Magdalena, die over de zeven demonen sprak, die haar
zouden hebben verlaten. Zij was in de veronderstelling, dat dit gebeurd was. De verlichte
spreekt daar niet over. Hij helpt en geneest, voorzover het goed is voor de ziel.
Deze verklaring is vooral voor de mensen van de tegenwoordige tijd
(1989) en de beginnende Nieuwe Tijd gegeven, die de wetten van God kennen. Het boek »Dit
is Mijn woord« is vooral voor de mensen van de Nieuwe Tijd van betekenis. Want zij
beleven Christus als de heerser der wereld en niet langer als de Verlosser. Daarom zal
voor hen dit boek een historisch werk zijn.
De mensen van de Nieuwe Tijd mogen het fundament, waarop het vredesrijk
van Jezus Christus werd opgebouwd, de verlossing, niet vergeten. Het denken, leven, werken
en lijden van de zoon Gods in Jezus van Nazareth, die nu de heerser van de aarde en
bestuurder van het rijk Gods op aarde is, zou in herinnering moeten blijven bij de mensen
van de Nieuwe Tijd.
3. De volgende dag ziet Johannes Jezus naar zich
toekomen en spreekt: »Zie het Lam Gods, dat door de gerechtigheid de zonden van de wereld
wegneemt. Deze is het, waarvan ik heb gezegd: Hij was eerder dan ik. En ik kende Hem niet,
maar opdat Hij bekend zou worden in Israël, ben ik gekomen om met water te dopen.«
4. En Johannes legde getuigenis af en sprak: »Ik zag de Geest
neerdalen van de hemel als een duif en boven Hem blijven. En ik kende Hem niet; maar die
mij zond, om met water te dopen, sprak tot mij: over wie je de Geest ziet neerdalen en op
Hem ziet blijven die is het, die met water en met vuur en met de Geest zal dopen. En ik
zag het en getuig, dat dit de zoon Gods was.«
5. De volgende dag stond Johannes aan de Jordaan met twee van zijn
discipelen. En toen hij Jezus zag lopen sprak hij: »Ziet de Christus, het Lam Gods!« En
de beide discipelen hoorden Hem spreken en volgden Jezus na.
6. Jezus draaide zich om, zag hen volgen en sprak tot hen: »Wat zoeken
jullie?« Zij spraken echter tot Hem: »Rabbi (dat betekent: Meester), in welke herberg
verblijf Je?« Hij sprak tot hen: »Komt mee en ziet.« Zij kwamen mee en zagen, waar Hij
verbleef en zij bleven die dag bij Hem, het was echter in het tiende uur.
7. Eén van de twee, die van Johannes hoorden en Jezus navolgden, was
Andreas, de broer van Simon Petrus. Hij vindt zijn broeder Simon en zegt tot hem: »Wij
hebben de Messias gevonden (wat betekent: de Christus).« En hij bracht hem bij Jezus. En
toen Jezus hem zag, sprak Hij: »Jij bent Simon Bar Jona, je zult Kephas heten (dat
betekent: een rots).«
8. De volgende dag gaat Jezus naar Galilea en vindt Phillippus en
spreekt tot hem: »Volg mij na!« Philippus was uit Bethsaida, de stad van Andreas en
Petrus. Phillippus vindt Nathanael, genaamd Bar Tholmai, en zegt tot hem: »Wij hebben Hem
gevonden, waarover Mozes in de wet en de profeten geschreven hebben, Jezus van Nazareth,
de zoon van Jozef en Maria.« En Nathanael zegt tot hem: »Kan uit Nazareth dan iets goeds
komen?« Philippus zei tot hem: »Kom en zie!«
9. Jezus ziet Nathanael tot zich komen en spreekt over hem: »Zie, een
echte Israëliet, waar geen kwaad in is!« Nathanael zegt tot Hem: »Waarvan ken Je mij?«
Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Voordat Philippus je riep, toen je onder de vijgeboom
zat, zag Ik je.« Nathanael antwoordde en sprak tot Hem: »Rabbi, Jij bent Gods zoon, Jij
bent de koning van Israël. Ja, onder de vijgeboom vond ik Jou.«
10. Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Nathanael Bar Tholmai, je
gelooft, omdat Ik je heb gezegd, dat Ik je onder de vijgeboom heb gezien; jij zult nog
grotere dingen zien dan dit.« En Hij spreekt tot hem: »Waarlijk, waarlijk, Ik zeg
jullie, van nu af aan zullen jullie de hemelen open zien en de engelen Gods naar boven
zien gaan en neer zien dalen op de Mensenzoon.« (Hoofdst. 10, 3-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Hetgeen in dit boek al lang geleden neergeschreven
is komt inhoudelijk in veel uitspraken overeen met het werkelijke gebeuren. Daarom moet
elke uitspraak niet woordelijk, maar inhoudelijk worden begrepen.
Er heerste grote onenigheid onder degenen, die in Mij geloofden en Mij
navolgden - of zij met name zijn genoemd of niet. Vaak waren het geloofsvragen of
levenssituaties, die de gemoederen verhitten: de één geloofde direct aan Mijn zending,
de ander twijfelde eraan, omdat hij veel uit Mijn rede tot hem en zijn naasten niet kon
begrijpen. De één wilde Mij navolgen, de ander had nog wereldse interessen, die
belangrijker voor hem waren. Weer anderen wilden al hun bezittingen meenemen op de
trektocht, om deze op geëigende plaatsen te vermeerderen. De voorstellingen en interesses
waren veelvuldig en het denken zo verschillend als de mensen zelf. Bij velen was er veel
heen en weer, veel hoe en wat. De besluiteloosheid was voor velen fataal. Zij bleven enige
tijd - dan namen zij weer afscheid van Mij. Het was een klein, bont volk van gelovigen,
twijfelaars, geïnteresseerden en mensen, die via Mij, via Mijn denken en leven als Jezus
van Nazareth, goede zaken wilden doen.
Degenen, die van harte een keuze maakten en Mijn lessen hebben
verwezenlijkt, stonden aan Mijn rechterzijde en bleven aan Mijn rechterzijde. Ook nu staan
zij in de geest aan Mijn rechterzijde. De rechtvaardigen schouwden de engelen, die de
Mensenzoon dienden. Velen van hen werken in de geest voor het grote geheel. Enigen kwamen
en komen - naar gelang hun geestelijke opdracht - steeds weer in het aardse lichaam, om in
het grote geheel van het evolutie-gebeuren Mijn komst voor te bereiden.
Ieder mens heeft een voor- en een achternaam, die hem bij zijn aardse
geboorte wordt gegeven. Deze voor- en achternaam komt overeen met de trilling van de ziel
op het tijdstip van de incarnatie. Hebben mensen in de loop van de aardse jaren een
ontwikkelingsfase van de ziel volbracht, dan verandert ook de straling van hun ziel. In
het kosmische evolutie-gebeuren verandert dan ook de stralingsnaam van de ziel.
Is bijvoorbeeld tussen mensen het één en ander in het reine gebracht
- zoals ook tussen ouders en kind - dan veranderen ook de stralingsnamen van de zielen.
Dat gebeurt zowel in het evolutieproces van de mens, alsook in de ziel in de
reinigingsgebieden en in de voorbereidingsgebieden zo lang, tot het geestwezen weer zijn
oernaam uit God draagt, omdat het weer rein geworden is.
De stralingsnamen van de mens veranderen dus naar gelang de
ontwikkeling van de ziel. In de reinigingsgebieden wordt dit de ziel van evolutiefase tot
evolutiefase bewust.
Op aarde gelden in veel gevallen starre normen. Zo behoudt de mens zijn
voor - en familienaam - als het ware als legitimatiebewijs - gedurende zijn hele aardse
bestaan. Volgens de aardse wet blijft de starre vorm van de naamgeving ook bij het
huwelijk. Bij sommige volkeren draagt de vrouw dan de achternaam van de man, die voor haar
leven een positieve of tegenstrijdige betekenis kan hebben. Bij weer andere volkeren
veranderen de mensen hun namen op grond van door hen zelf vastgestelde gezichtspunten en
rituelen.
Aan de geboortenaam kan veel menselijkheid kleven - zoals oude
tradities of gebeurtenissen, die allang voorbij zijn, die de naam echter nog als
herinnering begeleiden. Daarom gaf Ik enkele van de mensen, die Mij wilden navolgen, de
naam, die overeenkwam met hun toenmalige zielenstraling en ook met hun nieuwe werkkring.
Zou de aardse wet rekening houden met de evolutieweg van ziel en mens,
dan zou menige aardse naam, overeenkomstig de graad van rijpheid van de ziel kunnen worden
veranderd. Het gevaar zou dan niet meer zo groot zijn, dat uit herinneringen aan datgene
wat is afgelegd, weer nieuwe overeenkomsten ontstaan.
HOOFDSTUK 11
Zalving van Jezus door Maria
Magdalena
Oordeel naar aardse maatstaf (6) De verlichte mens schouwt (10)
1. En één der farizeeën verzocht Hem, met hem te
eten. En Hij ging naar het huis van de farizeeër en zette zich aan tafel.
2. En zie, een vrouw uit Magdala, die bekend stond als zondares, was in
de stad. Toen zij vernam, dat Jezus in het huis van de farizeeër aan tafel zat, bracht
zij een albasten kruik met zalf mee en ging achter Hem staan. Schreiend bevochtigde zij
Zijn voeten met tranen, droogde ze af met haar hoofdhaar, kuste Zijn voeten en zalfde ze
met zalf.
3. Toen echter de farizeeër, die Hem had uitgenodigd dit zag, dacht
hij bij zichzelf: »Als dit een profeet zou zijn, zou Hij weten, wie en wat voor een vrouw
het is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.«
4. Jezus sprak tot hem: »Simon, Ik heb je wat te zeggen.« Hij zei:
»Meester, spreek.«
5. »Een schuldeiser had twee schuldenaren. De één was hem
vijfhonderd penningen schuldig, de andere vijftig. En omdat zij niet konden betalen,
schold hij beiden hun schuld kwijt. Zeg Mij nu, wie van beiden zal hem het meeste
liefhebben?«
6. Simon antwoordde: »Ik denk, degene die hij het meeste heeft
geschonken.« Hij echter sprak tot hem: »Je hebt juist geoordeeld.« (Hoofdst. 11, 1-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Je hebt juist geoordeeld« wil zeggen: je hebt
naar aardse maatstaven geoordeeld.
Erkent: ieder oordeel is een veroordeling en getuigt van geestelijke
onwetendheid. Ook al heeft de schuldenaar, die de grotere schuld werd kwijtgescholden, de
schuldeiser meer lief, dan is het toch niet God, die deze maatstaven hanteert. Hij heeft
allen evenveel lief. Diegene heeft God meer lief, die Hem meer nabij is.
7. En Hij sprak tot Simon: »Zie je deze vrouw? Ik
Ben in jouw huis gekomen en jij hebt Mij geen water gegeven voor Mijn voeten; deze vrouw
echter heeft Mijn voeten met tranen bevochtigd en met haar hoofdharen afgedroogd. Jij hebt
Mij geen kus gegeven, maar deze vrouw heeft, sinds Ik binnengekomen ben, niet opgehouden
Mijn voeten te kussen. Jij hebt Mijn hoofd niet met olie gezalfd; zij echter heeft Mijn
voeten met zalf gezalfd.
8. Daarom zeg Ik je: haar zijn veel zonden vergeven; want zij heeft
veel liefgehad, niet alleen mensen, maar ook de dieren en de vogels in de lucht, ja, zelfs
de vissen in het meer. Wie echter weinig vergeven wordt, die bemint weinig.«
9. En Hij sprak tot haar: »Je zonden zijn je vergeven.« En zij, die
met Hem aan tafel zaten, begonnen in zichzelf te spreken: »Wie is Hij, dat Hij zelfs
zonden vergeeft?
10. Want Hij heeft niet gezegd, Ik vergeef je, maar, je zonden zijn je
vergeven; omdat Hij in haar hart werkelijk geloof en berouw herkende.« Jezus had het niet
nodig, dat iemand voor een ander getuigde, want Hij wist zelf, wat in de mens is.
(Hoofdst. 11, 7-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De verlichte schouwt de ziel en de mens. Hij schouwt
de eerlijkheid en de oprechtheid en ziet ook de zonde en de boete. Hij ziet de
oneerlijkheid en de huichelarij. Deze spreekt hij, voor zover het goed is voor ziel en
mens, ook onpersoonlijk aan. Als een mens van harte berouwt en niet meer in dezelfde zonde
vervalt, dan is deze ook door de eeuwige Vader vergeven - als de naaste, waartegen
gezondigd werd, eveneens vergeven heeft. Wie God de grootste schuld kwijtscheldt, die
heeft haar in God afgelost en zo is deze hem vergeven.
HOOFDSTUK 12
De bruiloft van Kana - De genezing
in Kapharnaüm
De geïncarneerde geestwezens en hun opdracht in het verlossingswerk
(9).
God is liefde, Hij verdoemt niet - Van God verwijderde mensen scheppen wraakgoden -
Afgodendienst is ook verering van aardse machten en machthebbers - »Eeuwige verdoemenis«
is bespotting van God (11). Hemel en hel zijn in de mens zelf - De atmosferische kroniek
(12). Leven in de waarheid - de drie stappen naar de waarheid (16)
1. En de volgende dag was er een bruiloft te Kana in
Galilea en de moeder van Jezus was erbij. En Jezus en Maria Magdalena waren daar en Zijn
discipelen kwamen ook naar de bruiloft.
2. En omdat er gebrek was aan wijn, zei Zijn moeder tot Jezus: »Zij
hebben geen wijn.« Jezus spreekt tot haar: »Vrouw, wat gaat het jou en Mij aan? Mijn uur
is nog niet gekomen.« En Zijn moeder zegt tot de dienaren: »Wat Hij ook tegen jullie
zegt, doet het.«
3. Nu waren er zes stenen waterkruiken geplaatst volgens het gebruik
van de Joodse reiniging, die voor iedereen twee tot drie maten bevatten. En Jezus sprak
tot hen: »Vult de waterkruiken met water.« En zij vulden ze tot aan de rand. En Hij
sprak tot hen: »Schept nu en brengt het naar de keukenmeester.« En zij brachten het hem.
4. Toen echter de keukenmeester van dit water proefde, was het wijn
geworden. Hij wist niet, waar het vandaan kwam en riep de bruidegom en zei tot hem:
»Iedereen geeft in het begin goede wijn en als de gasten rijkelijk hebben gedronken,
vervolgens de minder goede. Jij hebt echter de goede wijn tot het laatst bewaard.«
5. Dit begin van de wonderdaden volbracht Jezus te Kana in Galilea en
openbaarde Zijn heerlijkheid. En veel van Zijn discipelen geloofden in Hem.
6. Daarna trok Hij naar Kapharnaüm. Hijzelf, Zijn moeder en Maria
Magdalena, Zijn broeders en Zijn discipelen en zij bleven daar vele dagen.
7. En daar rees onder enkele discipelen van Johannes en de Joden een
vraag op over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes en spraken tot hem: »Meester,
degene die bij je was aan de overkant van de Jordaan, van wie je getuigenis aflegde, zie,
Hij doopt en iedereen komt tot Hem.«
8. Johannes antwoordde: »Een mens kan niets ontvangen, ware het hem
niet door de hemel gegeven. Jullie zelf hebben mijn getuigenis, dat ik gezegd heb: ik ben
niet de Christus, maar ik ben Hem vooruitgezonden.
9. Wie de bruid heeft, die is de bruidegom. Maar de vriend van de
bruidegom staat bij hem en hoort hem en verheugt zich zeer over de stem van de bruidegom.
Deze vreugde van mij is dus vervuld. Hij moet groeien, maar ik moet minder worden. Wie van
de aarde is, is aards en spreekt over aardse dingen. Die echter uit de Hemel komt, die is
boven alles.« (Hoofdst. 12, 1-9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Er kwamen veel geestwezens uit de hemelen. Zij
werden en worden in het geslacht David geboren en in andere geslachten. Maar de wezens,
die naar het lichaam uit het geslacht David zijn, dragen de verantwoordelijkheid voor het
ontstaan van het vredesrijk van Jezus Christus, omdat zij in de opdracht, in het werk van
de verlossing staan. Deze en andere boden van God kwamen daarvoor uit de hemelen naar de
aarde.
Degenen die voor Mij geïncarneerd zijn, zijn niet van deze aarde. Zij
brengen de krachten van de hemelen. Zij brengen in hun zielen datgene van de hemel mee,
wat de aarde geschonken is door God, de Eeuwige. Hen is geboden, aan de mensen de weg naar
het hart van God te brengen, het vredesrijk van Jezus Christus te stichten en op te bouwen
en de aarde steeds meer in het licht van God te verheffen. Totdat hun substantie
fijnstoffelijk is geworden en zij het leven in kunnen gaan, dat eeuwig duurt - van
eeuwigheid tot eeuwigheid - werken de boden van God. Mijn rijk op aarde zal ook hun rijk
zijn. Want wie uit de hemel komt, staat boven al het menselijke en bezit de krachten van
de Al-Ene, die hij inzet voor de hemel op aarde. Dat zijn de onbaatzuchtigen rond het jaar
tweeduizend en ook alle mensen in het vredesrijk.
Mijn verlosserswerk kwam op deze aarde om zielen en mensen te redden.
En allen, die verlost zijn, zullen met Mij de aarde verheffen en in hogere straling
brengen, zodat de oude wereld vergaat en een nieuwe wereld ontstaat - die van Christus. En
wie de wet van de liefde in acht neemt, die Ik hem door de goddelijke wijsheid openbaarde
en openbaar, die zal de zoon en de dochter van God zijn, die Mij voorgaan, om Mij de weg
te bereiden.
10. En enkele van de farizeeën kwamen naderbij en
vroegen aan Jezus »Hoe zei Je, dat God de wereld zal verdoemen?« En Jezus antwoordde en
sprak: »Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren zoon heeft gegeven
en in de wereld heeft gezonden, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar
het eeuwige leven hebben. Want God heeft Zijn zoon niet in de wereld gezonden, om de
wereld te verdoemen, maar opdat de wereld door Hem gered zou worden.
11. Degenen die in Hem geloven worden niet verdoemd, die echter niet
geloven, zijn reeds verdoemd, want zij hebben niet geloofd in de naam van de eniggeboren
zoon Gods. En dat is de verdoemenis, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen
hadden de duisternis meer lief dan het licht; want hun werken waren slecht. (Hoofdst. 12,
10-11)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
God is liefde!
God verdoemt niet! De mens echter, die tegen de goddelijke wet denkt,
spreekt en handelt, begeeft zich in zijn eigen gerecht en noemt dit verdoemenis.
De woorden »verdoemen« en »verdoemenis« ontstonden uit vrees voor
God en het geloof in wraakgoden. Wraakgoden zijn niets anders dan menselijke
voorstellingen, dus afgoden, die de mens zelf schiep, omdat hij door zijn van God
verwijderde gedachten en handelingen energie-arm werd en zich daardoor van de ware, Ene,
Eeuwige, verwijderde. De negatieve gedachten gaven hem gewetensbezwaren, want diep in zijn
innerlijk zag hij in, dat het tegenstrijdige, het van God verwijderde, niet zijn ware
leven is. Omdat zijn geestelijke erfdeel, de goddelijke wet, ten gevolge van zijn zonden
niet langer door hem kon werken, kreeg hij angst, omdat hij de elementen niet meer
beheerste, maar de elementen hem beheersten. Daaruit concludeerde hij, dat de heersers
over de elementen goden waren, die hij offers moest brengen, om hen mild te stemmen.
In de tijd die volgde, verhieven de mensen zichzelf tot goden,
verwierven rijkdom en aanzien en bouwden macht op, om daarmee hele volkeren te beheersen.
Tenslotte werden dan rijkdom, aanzien en macht zelf tot afgoden van veel mensen. Afgoden
van deze wereld, die het volk in deze tijd (1989) nog steeds vereert, zijn ook de
wereldlijke macht en de kerkelijke overheid. Hun ambtsdragers beschikken over grote
vermogens en over aanzien en invloed en oefenen daarmee macht uit over het volk. Wie hen
vereert, maakt zich van hen afhankelijk en verheft hen tot afgoden. Want binding aan
mensen, aan menselijke neigingen en voorstellingen is afgodendienst.
Als dan de gevolgen op de mens afkomen, terwijl hij toch de oorzaken
met zijn van God verwijderde denken en handelen zelf heeft geschapen, wordt hij angstig en
klaagt God aan en bestempelt Hem als een God van wraak, die verdoemt en kastijdt.
Je hoeft echter je hemelse Vader niet te vrezen, want Hij heeft je
lief! Vrees eerder je menselijke gedachten, je woorden en je tegenstrijdige handelen; want
zij kunnen je in een langdurige »verdoemenis« leiden. God is liefde! Vrees God dus niet,
maar wees jegens God eerbiedig en geef Hém in alles de eer, in je denken, spreken en
handelen - maar niet een mens. De mensen, je naasten, moet je achten, maar niet eren, want
alleen God, de Eeuwige, Al-Ene, komt de eer toe.
God is het licht der liefde, en alles is in Zijn licht - ook degenen,
die zich door hun zonden tegen de wet des levens zelf »verdoemen«. Alle afgodendiensten
- ook vereringen van het menselijke ik - zullen vergaan, want niets houdt stand, wat niet
uit God is. Ook de vele religies en godsdiensten, die nog steeds aan het idee van een God
van wraak vasthouden en daaruit de eeuwige verdoemenis afleiden, zullen vergaan.
Alleen de mens, die zich aan de wetten van God houdt, ervaart de ene,
eeuwige God in zichzelf. Hij ervaart de God, die nooit straft en kastijdt, de God, die uit
liefde ieder mens de vrije beslisssing laat - vóór of tegen Hem. Hij ervaart de God van
liefde, die geen van Zijn schepselen verdoemt. Voor hem is »eeuwige verdoemenis« een
bespotting van God. Hij ervaart de God, die tot de mensen spreekt over de wet van zaad en
oogst volgens welke de mens oogst, wat hij zelf gezaaid heeft. Want de mens zelf is de
zaaier voor zijn goede, minder goede en slechte werken. Hij oogst, wat hij zaait. Elk zaad
draagt de vrucht al in zich en diegene zal de vrucht oogsten, die het zaad in de akker van
het leven heeft gezaaid.
De tijd is nabij, waarin het zondige leven vergaat en de mensen goed
zaad in de akker des levens zaaien. De vrucht is dan de wet des levens, die zij vervullen
en die hen vervult. Dan blijft alleen de liefde Gods onder de mensen, omdat zij de
onbaatzuchtige liefde tot Hem en tot hun naasten in hun leven omzetten. Daaruit ontstaat
het vredesrijk van Jezus Christus, wiens heerser Ik Ben.
12. Allen, die kwaad doen, haten het licht en komen
ook niet in het licht, opdat hun daden niet veroordeeld worden. Maar zij, die het goede
doen, komen in het licht opdat hun werken openbaar worden; want zij zijn in God gedaan.«
(Hoofdst. 12, 12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Allen, die bewust tegen de wet handelen, zijn tegen
het licht van de Vader en willen ook niet in het licht komen, omdat zij denken, dat zij
dan niet veroordeeld zullen worden. In werkelijkheid dragen zij hun eigen gerecht in zich,
want hemel en hel zijn in de mens zelf. Alle mensen echter, die de wet vervullen, staan in
het licht en hun werken zijn openbaar, want zij zijn in God gedaan.
Verlost* is die mens, die berouwt, om vergeving gevraagd heeft,
vergeven heeft en boete heeft gedaan en het veroorzaakte niet meer doet; dan is alles
afgelost. Want Ik, Christus, Ben gekomen om los te maken - en niet, om te binden.
*Verlost betekent: de volmaaktheid verregaand bereikt hebben. Verlossing
is het verlosserslicht van de ziel, dat de ziel naar volmaaktheid leidt.
In de geweldige tijdsomwenteling, die in de huidige
tijd (1989) openbaar wordt, wordt ook geleidelijk de atmosferische kroniek gereinigd.
Alles, wat daar nog aan zonde is opgeslagen, gaat geleidelijk over op de veroorzakers,
zowel op de zielen in de reinigingsgebieden, als op de mensen. Al het onwetmatige - en
zelfs de onwetmatige bedoelingen van de enkeling, dat, wat mensen nog van plan zijn met de
aarde en door hun gedachten al in de atmosferische kroniek hebben ingebracht - wordt ofwel
gewist óf het komt op zijn veroorzaker terug, al naargelang hoe de ziel van de mens in
het verdere verloop beslist: vóór of tegen God. Ook al het weten - boeken- en
bijbelkennis - verdwijnt uit de atmosferische kroniek; alleen de geleefde waarheid blijft
voor zielen en mensen openbaar.
13. En er was daar een edelman, wiens zoon ziek lag
in Kapharnaüm. Toen hij hoorde, dat Jezus naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem en
vroeg Hem, met hem mee te gaan om zijn zoon te genezen; want hij lag op sterven.
14. En Jezus sprak tot hem: »Als jullie geen tekens en wonderen zien,
geloven jullie niet.« De edelman sprak tot Hem: »Heer, kom mee, voordat mijn kind
sterft.«
15. Jezus sprak tot hem: »Ga heen, je zoon leeft.« En de man geloofde
de woorden, die Jezus tot hem gesproken had en ging zijns weegs. En toen hij onderweg was,
ontmoette hij zijn knechten en zij zeiden: »Je zoon leeft.«
16. Toen vroeg hij naar het uur, waarop het beter met hem was gegaan en
zij zeiden tegen hem: »Gisteren rond het zevende uur ging de koorts van hem.« Toen wist
de vader, dat het omstreeks hetzelfde uur geweest was, waarop Jezus tegen hem gezegd had:
»Je zoon leeft.« En hij geloofde nu en zijn hele huis met hem. (Hoofdst. 12, 13-16)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het geloof verzet bergen en maakt mensen gezond,
wanneer het goed is voor hun ziel.
Als mensen de eeuwige waarheid leven, de wet des levens, dan halen zij
de hemel op deze aarde. Wie in de waarheid leeft, is de stem van de waarheid, de
goddelijke wet. Hij is vrij van alle kwaad. Want zij die in de waarheid leven, staan in
het licht der waarheid en hun werken zijn Gods werken.
Het komende rijk Gods op aarde, het vredesrijk, dat zich van tijdperk
tot tijdperk steeds meer verfijnt, dus lichter wordt, is in het licht van Christus en is
het licht van Christus. Zij die in de waarheid leven, zullen bewust zonen en dochters van
God heten. Wie in de waarheid leeft, zal de dood niet voelen, noch smaken. Hij zal al
diegenen tot leven wekken, die in het leven geloven en werken van onbaatzuchtige liefde
doen.
Vanaf het begin klampen veel mensen zich uitsluitend vast aan het woord
»geloof«. Zij zijn van mening, dat dat voldoende zou zijn. Wie zich echter uitsluitend
aan het woord »geloof« vastklampt, blijft blind in zijn hart, omdat hij geen verdere
stap boven het geloof uit doet.
De eerste stap naar de waarheid is het geloof. Het houdt de mens nog
blind. De tweede stap is het vertrouwen in God, dat de mens waakzaam laat worden tegenover
zijn wetmatige of onwetmatige denken, spreken en handelen. Verbinden zich geloof en
vertrouwen, dan volgt de derde stap: de verwezenlijking van de goddelijke wetten. Daardoor
wordt de mens een schouwende. Wie de waarheid in zijn geestelijke lichaam vermag te
schouwen, is de reine: voor hem is alles openbaar.
HOOFDSTUK 13
De eerste prediking in de synagoge
Het evangelie van de liefde, de weg naar de
innerlijke vrijheid (2).
Geloof, vertrouwen en verwezenlijking als basis voor hulp en genezing uit de Geest (4)
1. En Jezus kwam naar Nazareth, waar Hij was
opgegroeid en ging zoals gewoonlijk op de Sabbatdag naar de synagoge en stond op om te
lezen. Toen werd Hem de rol van de profeet Jesaja aangereikt.
2. Toen Hij de rol opende, vond Hij de passage, waar geschreven staat:
»De Geest des Heren is bij mij omdat Hij mij gezalfd heeft, om het evangelie te
verkondigen aan de armen; Hij heeft mij gezonden, om de gebroken harten te genezen, voor
de gevangenen te prediken, dat zij vrij zullen zijn, de blinden het gezicht terug te geven
en hen die gebonden zijn, vrij te maken; te verkondigen het genadejaar van de Heer.«
(Hoofdst. 13, 1-2)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wat Jesaja had gesproken en ten uitvoer had
gebracht, dat verdiepte Ik als Jezus van Nazareth.
In de huidige tijd, in deze grote tijdsomwenteling (1989) waarin zich
het blad van de oude, zondige wereld naar de nieuwe wereld, naar de lichttijd, wendt,
ontstaat steeds meer het vredesrijk in de harten der getrouwen, die zich aan de wetten van
God houden; het wordt ook in de wereld zichtbaar. Ondanks het toenemende genadelicht zijn
er steeds meer zieken en noodlijdenden. Want in deze tijd van ommekeer van het oude,
zondige naar het nieuwe, reine leven, komt in een korter tijdsbestek alles op de mensen
af, wat nog niet uitgeboet is.
Maar wie gelooft en vertrouwt, zal de weg naar het innerlijk gaan en
het vrije leven in Christus herkennen, dat waarlijk rijk maakt. Wie in Mij leeft, zal niet
langer naar het vergankelijke lichaam kijken, omdat hij het rijk van het innerlijk, zijn
ware erfdeel, heeft gevonden. Als de ziel doordrongen is van het licht van de Christus,
dan is ook het lichaam gezond.
Daarom geldt, tot Ik de heerschappij over deze aarde overneem: berouw,
vergeef, vraag om vergeving en zondig niet meer! Dan zul je in jezelf erkennen en ervaren,
dat Ik je door jouw levende geloof in Mij, heb gediend. Want Ik, de Verlosser en Heiland
van alle mensen, verkondigde als Jezus van Nazareth het evangelie van de liefde, dat vrij
maakt. Ik verkondig het weer als Christus door hen, die Gods wil vervullen. Op de weg naar
het innerlijk, die Ik de Mijnen gebracht heb en breng, kan iedereen Mij vinden.
De zin van de uitspraak »... het evangelie aan de armen te
verkondigen« betekent: Ik bracht en breng het evangelie aan de armen van geest en de
armen van het land, want alle mensen zullen rijk worden in hun hart, opdat zij ook op
aarde datgene bezitten, wat zij nodig hebben, om als kinderen van God te leven.
»... de gebroken harten te genezen« wil zeggen: alle mensen troost en
hulp te brengen en de geest der waarheid, opdat hun geloof en vertrouwen in God moge
groeien en zij vredevol worden.
»... voor de gevangenen te prediken« wil zeggen: alle mensen met de
goddelijke wet van de vrijheid vertrouwd te maken, opdat zij zich geleidelijk losmaken van
hun meningen en voorstellingen, die hen tot gevangenen maken van hun eigen ik, zodat zij
in de goddelijke waarheid ontwaken, die hen vrij maakt.
»... de blinden het gezicht teruggeven« wil zeggen: ziel en mens het
gezicht, het ware zien, het schouwen, terug te geven, dat zij verkrijgen door het navolgen
van de wetten des levens, de onbaatzuchtige liefde.
3. En Hij sloot de rol, gaf haar aan de dienaar
terug en nam plaats. En de ogen van allen, die in de synagoge waren, waren op Hem gericht.
En Hij begon tot hen te spreken. »Heden is dit geschrift voor jullie oren vervuld.« En
zij beaamden dit en verwonderden zich over de liefelijke woorden, die uit Zijn mond
kwamen. Zij zeiden: »Is dat niet de zoon van Jozef?«
4. En enkelen brachten een blinde tot Hem, om Zijn kracht op de proef
te stellen en zeiden tot Hem: »Meester, hier is een zoon van Abraham, die vanaf de
geboorte blind is: genees hem, zoals Je de heidenen in Egypte hebt genezen.« En toen Hij
hem aankeek, bemerkte Hij zijn ongeloof en dat van de anderen, die hem bij Hem gebracht
hadden en hun wens, Hem in de val te lokken. En Hij kon in deze plaats geen machtige daad
volbrengen, vanwege hun ongeloof. (Hoofdst. 13, 3-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Heden is dit geschrift voor jullie oren vervuld«
wil zeggen: Jesaja, een profeet, door God gezonden, verkondigde Mijn komst: de Verlosser
en Messias, die de mensen zal bevrijden van hun knechtschap. Het woord van Jesaja is
vervuld: op het woord volgden de daden van de Christus. Ik vervulde en vervul, wat de
Eeuwige door Jesaja heeft geopenbaard.
Wie twijfelt en zijn naaste slechts op de proef wil stellen, kan van de
Geest niets ontvangen, want hij gelooft niet, maar onderzoekt alleen. Zijn twijfels, die
voor hem uitgaan, zijn de hindernis voor de genezing en hulp.
Wie Mij op de proef wil stellen, ontvangt niet! Zo kon Ik ook als Jezus
van Nazareth, daar, waar ongeloof heerste, geen daden volbrengen. Waar de basis van het
geloof en het vertrouwen ontbreekt, waar twijfel en egocentrisme de mens bepalen, daar
vallen geen woorden der waarheid in het hart, noch kan de mens hulp en genezing ontvangen
vanuit de geest. Daarom zijn er eerst lessen uit de waarheid nodig. Heeft de mens de
lessen uit de eeuwige waarheid opgenomen en verwezenlijkt, dan heeft hij de ware basis van
geloof en vertrouwen geschapen - en hij kan door de kracht van de geest naar lichaam en
ziel genezen.
Of de mens zijn naaste een heiden noemt of gelovig, daar let de ware
wijze niet op. Wie niet in het hart van de naaste vermag te schouwen, die kijkt alleen
naar het uiterlijke en hoort alleen het woord. Hij schouwt niet dieper. Wie echter dieper
schouwt in het hart van zijn naaste, die ziet, hoe deze waarlijk is. Hij spreekt dan niet
meer van een heiden, omdat deze mogelijk nog heidense gebruiken heeft; hij geeft aan
degene, die zijn hart voor God openhoudt - of hij door de mens nog heiden of al gelovig
wordt genoemd. Zo deed Ik het als Jezus en zo handhaaf Ik het ook als Christus.
5. En zij zeiden tot Hem: »Wat wij hebben gehoord
over Je daden in Egypte, doe dat ook in Je eigen land.« En Hij sprak: »Voorwaar, Ik zeg
jullie, geen profeet wordt thuis of in zijn eigen land geëerd, net zo min als een arts
diegenen kan genezen, die hem kennen.« (Hoofdst. 13, 5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De betekenis is niet: »over Je daden in Egypte«
maar: »over de daden onder de Egyptenaren.« Waarlijk, een profeet wordt niet aangenomen
- niet in zijn aardse familie, noch in zijn eigen land. Want de mensen zien alleen de
mens, die eens met hen geleefd heeft en leeft - en die toch in zijn hart niet dacht zoals
zij, wanneer het om menselijke dingen ging.
6. »Maar Ik vertel jullie een waar verhaal: er
waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, omdat de hemel drie jaren en zes
maanden gesloten bleef en een grote hongersnood heerste in het hele land. Maar alleen naar
Sarepta, een stad in Sidon, werd Elias gezonden, naar een vrouw die weduwe was.
7. En er waren veel melaatsen in Israël in de tijd, dat Elisa, de
profeet, daar leefde en niemand werd gereinigd behalve Naäman, de Syriër.«
8. En toen zij dit hoorden, werden allen in de synagoge van toorn
vervuld. Zij stonden op en joegen Hem de stad uit en brachten Hem naar een steile wand van
de berg, waarop hun stad was gebouwd, om Hem eraf te duwen. Maar Hij ging midden tussen
hen door Zijns weegs en ontkwam hen. (Hoofdst. 13, 6-8)
HOOFDSTUK 14
De roeping van Andreas en Petrus
-De hondendresseur - De rijken
Weg in de navolging van Christus
eerst na het ordenen van alle menselijke betrekkingen en situaties (1-3). Voorwaarden voor
genezing (4). Zonde tegen de schepping door het minachten en doden van medeschepselen en
de gevolgen daarvan - In de omwentelingstijd komen de oorzaken sneller tot uitwerking - De
mogelijkheid tot incarneren neemt af met de verfijning van de aarde - Omwentelingstijd is
catastrofentijd - Christus beschermt de Zijnen - Leven op de gereinigde aarde
(6-7).Uiterlijke en innerlijke rijkdom (11-12)
1. Herodes, de tetrarch echter voegde bij alle
andere misdaden, die hij reeds had begaan, deze nog toe: hij liet Johannes de Doper in de
gevangenis werpen, nadat deze hem wegens Herodia, de vrouw van zijn broer Filippus, tot de
orde had geroepen.
2. Jezus begon te prediken en sprak: »Doet boete, want het hemelrijk
is nabij.« En toen Hij aan het meer van Galilea wandelde, zag Hij Simon, genaamd Petrus
en Andreas, zijn broeder, hoe zij een net in het meer wierpen; want zij waren vissers. En
Hij sprak tot hen: »Volgt Mij en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.« En zij
lieten hun netten achter en volgden Hem.
3. Toen Hij verder ging, ontmoette Hij twee andere broeders, Jakobus,
de zoon van Zebedeüs en Johannes, diens broeder en in een schip Zebedeüs, hun vader, die
netten repareerden. En Hij riep naar hen. En zij verlieten terstond hun netten en het
schip en hun vader en volgden Hem na. (Hoofdst. 14, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
In alles moet de zin van de uitspraak worden
herkend, zo ook in de passage: »en zij verlieten terstond hun netten en het schip en hun
vader en volgden Hem.« Naar de zin betekent het: zij hielden op met vissen, regelden hun
familie-aangelegenheden en volgden Hem.
Tot zij tot Mijn gevolg behoorden, waren er heel wat aanwijzingen en
uitleg nodig, ook voor hun gezinnen en familieleden, die hen niet zomaar lieten
vertrekken. Veel zaken moesten er eerst in huis en hof, op het veld en op het werk
geregeld, geordend en uitgelegd worden, zodat de achterblijvenden door de verandering van
gezindheid van hen, die Mijn roep volgden, geen nood of ontberingen op zich hoefden te
nemen.
De wet luidt: de weg naar de eeuwige waarheid kan alleen vrijwillig
worden gegaan. Wie dus vrijwillig ter wille van de waarheid de weg der waarheid gaat, zal
alles geordend en goed verzorgd achterlaten. Want in de navolging van de Christus Gods mag
de mens geen twist, noch vijandschap, noch wanorde meenemen. Wanneer de mens zich in twist
en vijandschap van zijn naasten afwendt, zullen hem ook twist en vijandschap begeleiden.
Wat voor de wetten van God niet in het reine is gebracht, neemt de mens mee - ongeacht
naar welke plaats, in welk land hij reist en met welke mensen hij omgaat. Het onopgeloste
blijft en het blijft aan hem kleven.
4. En Jezus trok door heel Galilea en onderwees in
de synagogen en predikte het evangelie van het rijk Gods en genas allerlei besmettelijke
ziekten en veel andere kwalen onder het volk. En het gerucht van Zijn wonderdaden drong
door in heel Syrië en men bracht veel mensen bij Hem met allerlei ziektes, gebreken en
kwalen. En er waren ook maanzieken en jichtlijders bij en Hij maakte hen allen gezond.
(Hoofdst. 14, 4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Niet allen kon Ik helpen en niet iedereen kon Ik
genezen. De wet van de Eeuwige luidt: geloof, want naar je geloof wordt je gegeven! Vraag
om vergeving en vergeef en maak goed, wat je veroorzaakt hebt - ga dan heen en zondig niet
meer! Gezond werden slechts diegenen, die vervuld waren van het geloof in het leven en in
wiens levensstraling te lezen was, dat zij voortaan hun best zouden doen, om niet meer te
zondigen.
5. En een grote mensenmassa volgde Hem, uit Galilea,
uit de tien steden en uit Jeruzalem, uit Judea en uit het land van de Jordaan.
6. Toen Jezus daar met enige discipelen liep, ontmoette Hij een man,
die honden africhtte voor de jacht op andere dieren; en Hij sprak tot de man: »Waarom doe
je dat?« En de man antwoordde: »Omdat ik daarvan leef. Wat hebben deze dieren dan voor
nut? Deze dieren zijn zwak, de honden echter zijn sterk.« En Jezus sprak tot hem: »Het
ontbreekt jou aan wijsheid en liefde. Zie, ieder schepsel, dat God heeft geschapen, heeft
zijn zin en doel. En wie kan zeggen, wat voor goeds in hem is en tot welk nut voor jou of
de mensheid?
7. En voor je levensonderhoud: zie de velden, hoe zij groeien en
vruchtbaar zijn en de vruchtdragende bomen en kruiden! Wat wil je nog meer dan dat, wat
het eerlijke werk van je handen je schenkt? Wee de sterken, die hun kracht misbruiken! Wee
de sluwe, die de schepselen van God verwondt! Wee de jagers! Want zij zullen zelf gejaagd
worden.« (Hoofdst. 14, 5-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik Ben de waarheid! Wie tegen het leven handelt, is
ook tegen zichzelf, omdat ook hij het leven is. Want in hem werken alle krachten des
levens - ook het leven der dieren en planten. Want alles is leven, dat uit de ene Oerbron
stroomt, uit God.
De mens lijdt zolang als hij zijn naaste leed aandoet, onverschillig of
het mensen, dieren of planten zijn. In de voorbije tweeduizend jaar zijn Mijn woorden aan
de mensen over de wet van oorzaak en gevolg in vervulling gegaan en zij zullen zich
blijven vervullen - zolang, tot de wet van oorzaak en gevolg is getransformeerd, omdat
alle mensen elkaar onbaatzuchtig liefhebben.
Het rijk Gods komt op aarde! In de loop van verdere tijdperken zullen
zich grote gebieden op de hele aarde verfijnen. Daar zullen lichte mensen leven. Zij
zullen met de dieren zijn en de dieren met hen. Het lam zal bij de leeuw liggen en beiden
zullen elkaar verdragen, omdat de mensen verregaand vrij zijn van zonden.
Veel dieren nemen de trillingen op van de mensen en gedragen zich zoals
de mensen. Verandert de mens zichzelf en leeft hij volgens de goddelijke wet, dan worden
ook de dieren weer tam en zullen de vrienden van de mensen zijn.
Totdat de zondige wereld zich veranderd heeft in Gods wereld, zullen
nog veel mensen, dieren en planten te lijden hebben onder de onbuigzaamheid van de
heersersnatuur - mens, die zich tegen Gods schepping opstelt.
Doch alle macht en heerlijkheid is de Christus Gods door de Vader
gegeven en nooit aan de mens, die Gods wetten minacht. Wee de jagers en wee degenen, die
naar vleesvoeding verlangen! Zowel de jagers als degenen, die als kannibalen het vlees van
dieren gulzig opeten, zullen met de pijn, het leed en de smart van de dieren gepijnigd en
gejaagd worden. Hetzelfde geldt voor degenen, die de planten- en mineraalrijken schenden.
Ook zij zullen door hun wandaden lijden. Wat de mens zaait, zal hij oogsten - in het
aardse leven of als ziel in de reinigingsgebieden. Let daarom op jullie gedachten, woorden
en handelingen, want zij kunnen jullie noodlottig worden.
Mijn rijk op aarde zal een rijk van eenheid en vrede zijn, zoals het
geopenbaard is: mens en dier zullen in vrede met elkaar leven, omdat de zielen der mensen
verregaand rein zijn.
Nu, in deze tijd van geweldige omwenteling, waarin ook de gevolgen van
de bestaande oorzaken sneller optreden, werk ook Ik, de Christus Gods, alomvattender in
deze wereld en door degenen, die moeite doen, Gods wil te vervullen, opdat nog veel mensen
zichzelf herkennen, daarna hun zonden berouwen en ze niet meer doen.
Erkent: de zielen van veel mensen, die ondanks beter weten toch weer
het tegengestelde doen, dringen steeds weer naar de aarde. Na hun lichamelijke dood
blijven hun onuitgeboete oorzaken nog in de atmosferische kroniek. Deze zielen roepen bij
een volgende incarnatie het daar opgeslagene af en leven verder met dezelfde neigingen en
wensen in het aardse lichaam.
Maar nu, tijdens de tijdsomwenteling, wordt de atmosferische kroniek
van alle menselijke voorstellingen, neigingen, meningen, wensen en al het onvervulde
gereinigd. Daarom zal, volgens de wet van oorzaak en gevolg het veroorzaakte, het niet
uitgeboete dus, dat in de atmosferische kroniek trilt, sneller op mens en ziel terugkomen.
Daaraan zullen zowel mensen als zielen zwaar te dragen hebben. Dat kan voor zo menige ziel
de zogenaamde hel zijn.
In lange perioden zinkt de materialistische wereld geleidelijk weg. In
evolutie-cycli ontstaat tegelijkertijd het rijk Gods op deze aarde. Dit betekent voor
zwaarbelaste zielen, dat zij, wanneer de aarde lichter wordt, niet meer op de aarde kunnen
terugkeren. De planeten-banen naar de aarde worden voor zwaarbelaste zielen steeds meer
beperkt en tenslotte afgesloten door de geestelijke laag, de universele atmosfeer, de
Christus-laag, die het rijk Gods op aarde omstraalt. In het vredesrijk van Jezus Christus
zullen eens alleen verregaand reine zielen incarneren, want de nieuwe, gereinigde aarde
zal ook een gereinigde atmosfeer hebben.
In deze geweldige omwentelingstijd zullen over de hele aarde
epidemieën, ziektes en aard-catastrofen plaatsvinden. Maar dat is nog niet het einde van
dit menselijke tijdperk. Zolang de mens de aarde wil beheersen, zal zij beven en zich
openen.
In deze tijdsomwenteling straalt de eeuwige Geest versterkt in alle
materiële zonnen en gesternten en uit het heelal straalt versterkt het licht, dat op een
vuur lijkt. Het brengt de zeeën in sterkere beweging, zodat zij uit hun bekkens treden en
laagliggende gebieden overstromen en toedekken. En het gesternte zal het onreine in
reinheid veranderen.
Tengevolge van deze inwerkingen van het licht Gods en van de
hemellichamen op de zeeën en de aarde, zal de planeet aarde dan weer vruchtbaar worden.
Dit alles zal nog gebeuren, voordat het blad zich volledig heeft
gekeerd. Wie ondanks deze uitwerkingen, die op de mensheid toekomen, God trouw blijft, Hem
looft en prijst, wordt gered en zal de nieuwe aarde bebouwen en bezielen met het zaaigoed
en het zaad van de liefde.
In deze tijd van omwenteling van de oude, zondige wereld naar de wereld
van de geest, weet Ik Mijn getrouwen te beschermen. Ook hun voorzieningen voor het
vredesrijk van Jezus Christus zal Ik behoeden. De Geest Gods zal die mensen, die in het
licht der waarheid staan, die dus de wet Gods vervullen, omsluiten en al het
tegenstrijdige verre van hen houden. Hen is door Mij de kracht gegeven, het gezuiverde
land te bebouwen, gemeenten in Mijn Geest te stichten en zich zo het aardse rijk in liefde
onderdanig te maken. Dan dient de aarde hen en alles, wat de aarde draagt: de stenen, de
planten, de dieren. En niet in de laatste plaats leven en werken de engelen uit de hemel
met de lichte mensenzusters en -broeders voor het rijk Gods op aarde.
De man in Mijn Geest zal goed zaad dragen en de schoot van de
geestelijke vrouw zal liefdevol ontvangen en degenen die zich in God verenigen, man en
vrouw, zullen de bond met God nakomen en hun kinderen, die de kinderen zijn van de
Vader-Moeder-God, zullen het licht van de Godheid dragen. In hun zielen is de verlossing
al volbracht, omdat zij uit hogere lichtsferen komen. Overeenkomstig de lichte ziel van de
man - die het aardse lichaam verwekt - en de lichte ziel van de vrouw - die het kind onder
het hart draagt en baart - worden deze zielen aangetrokken. Want de kosmische wet luidt:
het gelijke trekt het gelijke aan.
8. En de man was zeer verwonderd en hield op met het
africhten van honden voor de jacht en leerde hen, leven te redden en niet, het te
vernietigen. En hij nam de leer van Jezus aan en werd Zijn volgeling.
9. En zie, daar kwamen twee rijken tot Hem en de ene sprak tot Hem:
»Goede Meester!« Hij echter sprak tot hem: »Noem Mij niet goed, want alleen Eén is de
algoede en dat is God.«
10. En de ander sprak tot Hem: »Meester, welk goed werk moet ik doen,
opdat ik moge leven?« Jezus echter sprak: »Gehoorzaam de wet en de profeten.« Hij
antwoordde: »Ik heb hen gehoorzaamd.« Jezus antwoordde en sprak: »Ga heen en verkoop
alles, wat je hebt, deel het met de armen en volg Mij na.« Maar deze woorden bevielen hem
niet.
11. En de Heer sprak tot hem: »Waarom zei je, dat je de wet en de
profeten hebt gehoorzaamd? Zie, vele van je medebroeders zijn gekleed in vuile lompen, zij
sterven van de honger en jouw huis is gevuld met veel goederen en zij krijgen er niets
van.«
12. En Hij sprak tot Simon: »Het is moeilijk voor de rijken, het
hemelrijk binnen te gaan, want de rijken zorgen voor zichzelf en verachten de anderen, die
niets hebben.« (Hoofdst. 14, 8-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik Ben de waarheid en het leven. De uiterlijke
rijkdom verhardt de ziel en maakt haar arm. Het leven in materiële rijkdom is niet het
leven in Mij - het is slechts uiterlijke schijn; het betreft het omhulsel der ziel en niet
het ware zijn. Mensen, wier rijkdom slechts have en goed van deze wereld, het uiterlijke,
is, scheiden zich af van de eenheid met hun naasten. Daardoor scheiden zij zich tevens af
van God en verarmen in hun zielen. Slechts diegene is waarlijk rijk, die in staat is zijn
naaste rijk te maken door werken van onbaatzuchtige liefde. Hij blijft in eenheid met zijn
naaste en is daardoor ook in eenheid met God; want God is in iedereen en eenieder is een
deel van God. Wie zich van zijn naaste afscheidt, die scheidt zich van God af, omdat in de
naaste Gods liefde werkt.
HOOFDSTUK 15
De genezing van een melaatse, een
lamme en een dove
De mensen in de Geest van de Heer
1. En het geschiedde, toen Jezus in een stad was,
dat een melaatse zich voor Hem neerwierp en tot Hem sprak: »Heer, zo Je wilt, kun Je mij
reinigen!« En Jezus strekte Zijn hand uit, raakte hem aan en sprak: »Gezegend ben jij,
die gelooft; Ik wil het, wees gereinigd!« En terstond verliet hem de melaatsheid.
2. En Jezus drukte hem op het hart: »Zeg het tegen geen mens, maar ga
heen en toon je aan de priester en breng een offer voor je genezing, zoals Mozes het
bevolen heeft, als bewijs voor hem.« Doch Zijn roep verbreidde zich steeds meer en grote
menigten kwamen tot Hem, om Hem te horen en om genezen te worden van hun kwalen. Hij trok
Zich terug in de woestijn en bad.
3. Het geschiedde op zekere dag, toen Hij onderwees, dat de farizeeën
en schriftgeleerden erbij zaten, om Hem te zien. Zij waren uit iedere stad gekomen, uit
Galilea en Judea en uit Jeruzalem en de kracht Gods was aanwezig en genas hen.
4. En zie, zij brachten een man op een bed, die verlamd was en zij
trachtten hem naar binnen te brengen en voor Hem neer te leggen. En omdat zij door de
grote volkstoeloop niet tot Hem door konden dringen, klommen zij op het huis. Zij lieten
hem met het bed door het dak neer tot voor Jezus. En omdat Hij hun geloof zag, sprak Hij
tot hem: »Man, je zonden zijn je vergeven.«
5. En de schriftgeleerden en farizeeën begonnen te overleggen en
zeiden: »Wie is dat, die zulke godslasteringen uitspreekt? Wie kan zonden vergeven dan
alleen God?« Toen Jezus echter hun gedachten waarnam, antwoordde Hij en sprak tot hen:
»Wat denken jullie in je hart? Kan zelfs God ooit zonden vergeven, als de mens ze niet
berouwt? Wie zei: »Ik vergeef je je zonden? Zei Ik niet veeleer: je zonden zijn je
vergeven?
6. Wat is gemakkelijker te zeggen: je zonden zijn je vergeven, of om te
zeggen: sta op en ga? Opdat jullie echter weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde te
beoordelen en vergeving van zonden uit te spreken« - sprak Hij tot de lamme: »Ik zeg je,
sta op, neem je bed en ga naar huis.«
7. En meteen stond hij voor hun ogen op, nam het bed op, waarop hij had
gelegen, ging naar huis en prees God. En zij waren allen verbaasd en prezen God en werden
vervuld van eerbied en spraken: »Wij hebben vandaag verbazingwekkende dingen gezien.«
8. Toen Jezus in een dorp kwam, ontmoette Hij een man, die doof was
vanaf zijn geboorte. En deze man geloofde niet in het ruisen van de wind of de donder of
in de dierengeluiden, of de stemmen van de vogels, die klaagden van honger of omdat zij
gewond waren, en hij geloofde niet, dat anderen dit wel hoorden.
9. En Jezus blies in zijn oren en zij werden geopend en hij hoorde. En
hij genoot met oneindige vreugde van de geluiden, die hij vroeger geloochend had. En hij
zei: »Nu hoor ik alles!«
10. Doch Jezus sprak tot hem: »Waarom zeg je, dat je alles hoort? Kun
je soms het zuchten horen van de gevangenen of de taal der vogels of dieren, als zij met
elkaar praten, of de stemmen der engelen en geesten? Denk eraan, hoeveel je niet kunt
horen en wees deemoedig in je gebrek aan weten.« (Hoofdst. 15, 1-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Zij die in de waarheid leven, vervullen de wil van
God. Zij zijn de reinen, die al in de huidige tijd de engelen des hemels vernemen en het
leven in zijn veelvuldigheid schouwen. Zij lezen de gedachten der mensen en vernemen hun
zuchten en zien hun lijden. In Mijn naam en uit Mijn geest helpen en dienen zij hun
naasten.
Mensen in de geest van de Heer verstaan ook de taal van de dieren. Zij
herkennen in het ruisen van de wind, in de bliksem en de donder, de allesbesturende wet,
God. Wie in dit hoge, goddelijke bewustzijn leeft, is waarachtig een zoon en een dochter
Gods. Het zijn Mijn getrouwen.
In deze geweldige tijdsomwenteling (1989) beginnen de eerste stappen op
de weg naar het geleidelijk wordende vredesrijk van Jezus Christus: de Oerkracht leidt
steeds meer mensen op de weg naar binnen, naar het rijk Gods, dat in het binnenste van
ieder mens is. Mensen, die op de weg van de evolutie het Christusbewustzijn naderbij
komen, komen terug tot de oertaal der liefde. Voor hen ontsluit zich weer de taal van het
heelal.
HOOFDSTUK 16
De roeping van Mattheus -Nieuwe
wijn in oude zakken
De mogelijkheid tot reïncarneren en afdragen is beperkt
1. En daarna ging Hij verder en zag een tollenaar,
genaamd Levi, aan de tol zitten. En Hij sprak tot hem: »Volg Mij na!« En hij verliet
alles, stond op en volgde Hem. (Hoofdst. 16, 1)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ook Levi, zo genoemd, volgde Mij, Jezus, pas na,
nadat hij in zijn gezin en op zijn werk alles in het reine had gebracht en voor zijn
naasten had gezorgd, die hij slechts uiterlijk verliet, om de waarheid te dienen.
2. En Levi bereidde voor Hem een groot feestmaal in
zijn huis. Het was een groot gezelschap van tollenaars en anderen, die met Hem aan tafel
zaten. Maar de schriftgeleerden en farizeeën morden en zeiden tot Zijn discipelen:
»Waarom eten en drinken jullie met de tollenaars en zondaars?«
3. En Jezus antwoordde en sprak tot hen: »De gezonden hebben geen arts
nodig, maar de zieken. Ik Ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar om de zondaars tot
boetvaardigheid te roepen.«
4. En zij zeiden tot Hem: »Waarom vasten de discipelen van Johannes zo
vaak en bidden zij zoveel en ook de discipelen van de farizeeën? Maar Jouw discipelen
eten en drinken ?«
5. Hij echter sprak tot hen: »Waarmee moet Ik de mensen van dit
geslacht vergelijken en met wie stemmen zij overeen? Zijn zij niet gelijk kinderen, die op
de markt zitten, elkaar toeroepen en zeggen: wij hebben voor jullie gefloten en jullie
hebben niet gedanst, wij hebben voor jullie gerouwd en jullie hebben niet geklaagd ?
6. Want Johannes de Doper kwam, en hij at en dronk niet, en jullie
zeiden: hij is van de duivel bezeten! De mensenzoon komt, en Hij eet en drinkt de vruchten
van de aarde en de melk van de kudden en de vrucht van de wijnstok en jullie zeggen: ziet,
wat een smulpaap en wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars !
7. Kunnen jullie de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom
bij hen is? De tijd zal echter komen, waarop de bruidegom van hen wordt weggenomen. Dan
zullen zij vasten op die dagen.« (Hoofdst. 16, 2-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De bruidegom is de Christus Gods in Jezus. En de
bruidegom zal hen verlaten. Wie Hem niet in het hart draagt, zal ook niet de werken van
liefde vervullen. Hij zal op de dag der verschrikking, die over de mensheid komt, moeten
vasten; want de aarde, die zich zuivert van de menselijke intriges, zal aan diegenen geen
brood meer geven, die mede ertoe hebben bijgedragen, dat de atmosferische lagen zich
oplossen en de aarde en haar wateren verontreinigd zijn.
8. En Hij sprak tot hen deze gelijkenis: »Niemand
verstelt een stuk van een nieuw doek op een oud kleed. Want het nieuwe past niet bij het
oude, en het kleed is daardoor slechter geworden.
9. En niemand vult nieuwe wijn in oude zakken; want de nieuwe wijn
scheurt de zakken stuk en de wijn loopt eruit en de zakken worden onbruikbaar. De nieuwe
wijn moet men echter in nieuwe zakken doen, dan blijven beide behouden.
10. En er is niemand die van de oude wijn heeft gedronken en daarna
meteen nieuwe wenst. Want hij zegt, dat de oude beter is. Maar de tijd komt, dat de nieuwe
oud geworden zal zijn en dan wordt de nieuwe wijn verlangd. Want evenals men oude kleren
verwisselt tegen nieuwe, verwisselt men ook het dode lichaam tegen het levende lichaam, en
wat vergaan is tegen dat, wat komt.« (Hoofdst. 16, 8-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Zolang de zondige wereld bestaat en er zielen in het
rad van wedergeboorte leven, zullen reïncarnaties van zielen, die wereldgebonden zijn,
nog mogelijk zijn. Zij leggen hun oude kleren, hun oude lichaam, af en glippen weer in
nieuwe kleren, in nieuw geboren lichamen. Zij brengen echter in hun nieuwe kleed steeds
weer het zondige mee, dat zij zowel in de voorafgaande incarnaties alsook in de
reinigingsgebieden niet hebben afgedragen. Een ziel kan zo lang geen hogere en lichtere
gebieden binnengaan, tot zij door boete, vergeving, vragen om vergeving en in het reine
brengen datgene heeft afgelost, wat zij zichzelf heeft opgelegd.
Wanneer in de loop van de tijdsomwenteling - die zich over een langer
tijdsbestek uitstrekt - een ziel niet in het aardse lichaam in het reine brengt, wat zij
zichzelf heeft opgelegd, zal zij daarna niet meer ter incarnatie kunnen gaan. Als ziel
moet zij dan in de zielenrijken dat verduren, wat zij in het aardse lichaam mogelijk in
enkele jaren in het reine had kunnen brengen. Want er is haar geen nieuw lichaam meer
beschoren, omdat dan het licht op aarde woont en de schaduwen daar voorlopig geen toegang
meer hebben.
HOOFDSTUK 17
Jezus zendt de twaalf uit
De vooruitgang van het verlosserswerk
is afhankelijk van de trouw en evolutie van degenen die de opdracht hebben ontvangen (3).
Doopsel met de geest der waarheid (6). Genezing der zieken en opwekking van doden -
Groepsschuld - Uitdrijven van duivels - Gaven der liefde niet opdringen (7). De hel is
geen plaats, maar een toestand van de ziel (10). Voor God is niets verborgen - Slechts wie
in het licht der waarheid leeft, kent het woord der waarheid (13). Wie tegen Christus is,
is tegen zijn naaste (14)
1. En Jezus ging op een berg, om te bidden. En nadat
Hij Zijn twaalf discipelen bij zich had geroepen, gaf Hij hen de volmacht, onzuivere
geesten uit te drijven en alle soorten ziekten en epidemieën te genezen. En de namen van
de twaalf apostelen, die voor de twaalf stammen van Israël stonden, waren:
2. Petrus, genaamd Kephas, voor de stam Ruben; Jakob, voor de stam
Naphtali; Thomas, genaamd Dydimus, voor de stam Sebulon;* Mattheus, genaamd Levi, voor de
stam Gad; Johannes, voor de stam Ephraïm; Simon, voor de stam Isaschar.
*De herhaalde vermelding van deze zelfde stam, is vermoedelijk te wijten
aan een fout in de overgeleverde tekst uit »Das Evangelium Jesu«.
3. Andreas, voor de stam Jozef; Nathanaël, voor de
stam Simeon; Thaddeus, voor de stam Sebulon;* Jakobus, voor de stam Benjamin; Judas, voor
de stam Dan; Philippus, voor de stam Asser. En Judas Ischariot, een Leviet, die Hem
verried, was ook onder hen (maar hij was geen van hen), en Mattheus en Barsabas waren er
ook bij. (Hoofdst. 17, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Met de woorden "onzuivere geesten" worden
de onreine zielen bedoeld, die vaak als trossen aan mensen hangen.
Als Jezus van Nazareth wees Ik al op hetgeen komen zou, door aan de
twaalf discipelen twaalf gemeenten over te dragen, om deze op te bouwen. Aangezien ook zij
- evenals de mensen in latere generaties - de diepte van het innerlijke leven nauwelijks
konden bevatten, die luidt: vervul de wetten en handel daarna, konden zij veel niet
vervullen, van hetgeen Ik hen had opgedragen. Ik heb het hen opgedragen, omdat zij veel
goddelijke wijsheid hadden ervaren en het moment juist zou zijn geweest, om dit in de
materie gestalte te geven. Ondanks alles volgden er van het ene tijdperk naar het andere
steeds meer stappen in de evolutie van het vredesrijk van Jezus Christus.
Ook in de huidige tijd (1989), waarin op aarde de eerste fundamenten
van het vredesrijk van Jezus Christus zichtbaar worden, werken vele van Mijn getrouwen uit
de stam David en uit andere geslachten in Mijn verlossingswerk.
De getrouwen zijn met Mij, en Ik werk door hen. Zoals toen zijn er ook
nu enkelen onder hen, die niet verzamelen, maar verstrooien. Zij vormen steeds weer
invalspoorten voor de duisternis. Daarom hebben de getrouwen het zeer zwaar.
En toch: Ik Ben met hen de overwinnaar over de aarde en over de
reinigingsgebieden. Zoals Ik toen de apostelen de wereld in zond, zo zal Ik geleidelijk de
Mijnen, die de wet des levens vervullen, als geestelijke leraren de wereld in zenden. Ik
zal door de Mijnen nieuwe oergemeenten stichten in Mij, Christus, de Universele Geest,
zodat vele mensen via deze oergemeenten het centrale licht vinden: het Nieuwe Jeruzalem op
deze aarde met zijn twaalf poorten.
4. En Hij benoemde nog twaalf anderen op dezelfde
manier, om profeten te zijn, met de apostelen mannen van het licht te zijn, en Hij toonde
hen de geheimen van God. En hun namen waren: Hermes, Aristobulus, Selenius, Nereus,
Apollos en Barsabas; Andronicus, Lucius, Apelles, Zacheus, Urbanus en Clementos. En dan
koos Hij nog eens twaalf mannen tot evangelisten en twaalf tot herders. Vier maal twaalf
benoemde Hij en zond hen uit naar de twaalf stammen van Israël, naar elke stam vier.
5. En zij stonden rond de Meester, gekleed in witte linnen gewaden,
daartoe geroepen, om een heilige priesterschare Gods te zijn in dienst van de twaalf
stammen, waarheen zij zouden worden gezonden. (Hoofdst. 17, 4-5)
Ik, Christus,verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Op dezelfde wijze, zoals Ik de profeten en
geestelijke leraren en alle zonen en dochters Gods uit het geslacht David en uit andere
geslachten door het profetische woord - door de geïncarneerde deelstraal der goddelijke
wijsheid - onderrichtte en onderricht (1989) en overeenkomstig hun verwezenlijking in de
wereld zend, deed Ik het in het aardse gewaad als Jezus van Nazareth.
Ik onderrichtte de getrouwen en onderwees hen in de verwezenlijking van
de goddelijke wetten. Sommigen onder hen begonnen profetisch te spreken. Weer anderen, in
dit boek evangelisten en herders genoemd, waren de geestelijke leraren en oudsten, die de
opdracht hadden de gemeenten mee op te richten en onder hun hoede te nemen.
Het woord "priesterschap" heeft de volgende betekenis: het
zijn mensen, die ernaar streven, alleen Gods wil te vervullen, zonder ceremoniën en
erediensten.
6. Deze viermaal twaalf zond Jezus uit en plaatste
hen in de opdracht en Hij sprak tot hen: »Ik wil, dat jullie Mijn twaalf apostelen zijn
met jullie metgezellen, tot getuigenis voor Israël. Gaat heen naar de steden van Israël
en naar de verloren schapen van Israël. En als jullie daarheen gaan, predikt dan en zegt:
het hemelrijk is nabij. Zoals Ik jullie met
water heb gedoopt, doopt zo allen, die
geloven. (Hoofdst. 17, 6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Er staat in het boek geschreven: »Zoals Ik jullie
met water heb gedoopt ...« Dat betekent inhoudelijk: zoals jullie met water werden
gedoopt, zo zal Ik als de Christus Gods allen, die jullie hebben geleerd volgens de wetten
des levens en die deze verwezenlijkt hebben, dopen met de geest der waarheid, en zij
zullen voortaan spreken uit de geest der waarheid.
7. Zalft en geneest de zieken, reinigt de melaatsen,
wekt de doden op, drijft de duivels uit. Om niet hebben jullie het ontvangen, geeft het om
niet door. Voorziet jullie niet van goud of zilver of kopergeld in jullie buidels, ook van
geen tas voor jullie reis, noch van twee kledingstukken, noch van schoenen of zelfs van
geen stok. Want een arbeider is zijn kost waard. En eet, wat jullie wordt voorgezet; maar
roer niet aan, wat leven heeft gekost; want dat is niet wetmatig voor jullie. (Hoofdst.
17, 7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Zalft en geneest de zieken« betekent: reinigt en
geneest zieken en melaatsen en zalft hen met de Geest, door hen te onderwijzen in de
wetten des levens en hen bij te staan, deze te herkennen en te verwezenlijken - dat wil
zeggen, in het reine te brengen en het zondige niet meer te doen.
»... wekt de doden op, drijft de duivels uit« sprak Ik uit de
"Hogere Wet", de Absolute Wet, die boven al het menselijke staat. Doden opwekken
is slechts mogelijk, als de ziel niet belast is met zware oorzaken en groepsschuld. Deze
opdracht gaf Ik weliswaar aan Mijn apostelen en discipelen. Maar tegelijkertijd sprak Ik
ook, dat dit slechts diegene mogelijk is, die in de Absolute Wet leeft en uit de Absolute
Wet werkzaam is.
De opwekking van de doden was in Mijn tijd als Jezus van Nazareth
mogelijk, want toen hadden de armen zelden een groepsschuld af te dragen. In de huidige
tijd (1989) dragen de meeste mensen een deel van een groepsschuld, zodat de opwekking van
de doden in deze zondige wereld nauwelijks mogelijk is.
Een groepsschuld ontstaat, wanneer mensen samen mensen of dieren doden,
de planten- en mineraalrijken schenden.
De ziel van een zogenaamde dode kan slechts dan in het lichaam worden
teruggeroepen, als zij geestelijk ontwaakt is en in vrijheid beslist over haar terugkeer.
Anders zou de opwekking van een dode tegen de wet van de vrije wil van de ziel zijn, want
als haar geestelijke ogen door de zonde zijn vertroebeld, kan zij geen vrije beslissing
nemen. En de ziel kan ook alleen terug, zolang zij nog met het lichaam door de
informatieband is verbonden.
»Duivels uitdrijven« betekent, aardgebonden, in duisternis gehulde
zielen uit de tempel, de mens, te drijven. Dat is slechts diegene mogelijk, die de
goddelijke wetten vervult, die met volmacht spreekt - en dat ook slechts dan, als de mens,
die de aardgebonden ziel heeft aangetrokken, deze niet langer vasthoudt door zijn
gedachten, woorden en handelingen, die hen hebben aangetrokken.
De uitspraak »voorziet jullie niet van goud of zilver of kopergeld in
jullie buidels, ook van geen tas voor jullie reis, noch van twee kledingstukken, noch van
schoenen of zelfs van geen stok« betekent: omgeef je niet met de ballast van deze wereld
en draag niet moeizaam mee, wat overbodig is, want de wegen zijn vol stenen en jullie gaan
te voet. Al het overbodige is ballast en houdt je alleen maar op tijdens de reis.
8. En in welke stad jullie ook komen, vraagt na of
er iemand is, die het verdient. En daar blijft, tot jullie heengaan. Waar jullie echter
een huis binnengaan, begroet het. En als het huis het waard is, laat jullie vrede er dan
op rusten; is het dat echter niet waard, laat jullie vrede dan weer naar jullie
terugkeren. (Hoofdst. 17,8)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»... is het dat echter niet waard, laat jullie
vrede dan weer naar jullie terugkeren« betekent: brengt de liefde en de vrede in ieder
huis. Wie de hemelse gaven niet wenst, die dringt ze niet op. En als jullie niet worden
opgenomen, weest dan niet verstoord. Dan zal de vrede, die jullie over het huis en zijn
bewoners hebben uitgesproken, weer met jullie zijn.
9. Weest verstandig als de slangen en zonder
valsheid zoals de duiven. Weest onschuldig en rein. De mensenzoon is niet gekomen om te
vernietigen, maar om te redden, niet, om het leven te nemen, maar om het leven te geven,
zowel het lichaam als de ziel.
10. En weest niet bevreesd voor degenen, die het lichaam doden, maar de
ziel niet kunnen doden. Weest veeleer bevreesd voor degene, die lichaam en ziel te gronde
kan richten in de hel. (Hoofdst. 17, 9-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Slechts de mens zelf richt zijn ziel en lichaam te
gronde door zijn menselijke denken, spreken en handelen, waardoor hij de verbinding met de
duisterling tot stand brengt. Wat tegen de goddelijke wet is, brengt de mens de ondergang.
Weest daarom slechts bevreesd voor jullie eigen tegenstrijdige handelingen, want wat de
mens zaait, zal hij oogsten. En erkent: de hel is geen plaats, maar de toestand van een
ziel, die zich aan het tegenstrijdige, aan de »vorst der duisternis« heeft overgegeven.
11. Koopt men niet twee mussen voor een penning?
Toch valt niet één van hen op de aarde zonder de wil van de Allerhoogste. Waarlijk,
zelfs de haren op jullie hoofd zijn allen geteld. Vreest daarom niet. Als God voor de
mussen zorgt, zou Hij dan ook niet voor jullie zorgen?
12. Voor discipelen is het voldoende, als zij zijn zoals hun meester en
de knechten zoals hun heer. Hebben zij de huisvader Beëlzebub genoemd, hoeveel te meer
zullen zij zijn huisgenoten ook zo noemen! Weest dus niet bevreesd voor hen. Er is niets
verborgen, dat niet openbaar worde, en er is geen geheim, dat men niet weten zal.
13. Wat Ik jullie in het geheim zeg, spreek daar openlijk over, wanneer
de tijd daarvoor komt. En wat jullie horen in het oor, predikt dat van de daken. Daarom,
wie ook ooit voor de mensen de waarheid bekent, die wil Ik ook bekennen voor Mijn Vader,
die in de hemel is. Wie echter voor de mensen de waarheid verloochent, zal ook Ik
verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemel is. (Hoofdst. 17, 11-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
God is alomtegenwoordig. En alles, wat is, kent Hij.
Want Hij is het leven en de kracht in alles. In ieder dier is Zijn kracht, en zo is het
dier leven uit Hem. In ieder haar is Gods kracht, Zijn leven. Hij is. En omdat Hij is en
in alles is, kent Hij ook alles en weet daaromtrent. Hoeveel te beter kent de eeuwige
Vader niet Zijn kind, dat Hij naar Zijn evenbeeld geschapen heeft! Voor Hem, de Eeuwige,
is niets verborgen. Ook als de mens voor anderen geheimen heeft, dan zijn voor Hem deze
schijnbaar geheime dingen niet verborgen. Als de tijd daar is, zal alles openbaar worden,
het goede en het minder goede.
Daarom dient de mens slechts zijn eigen menselijke eigenschappen te
vrezen, want dat is zijn zaad. Wanneer dit begint te ontspruiten en te groeien, zal zij
openbaar en zichtbaar worden voor de mens zelf, die heeft gezaaid, en ook voor degene, die
er bij betrokken is of die daardoor onschuldig geminacht werd.
Weest daarom waakzaam, dat jullie alleen goed zaad zaaien, zodat jullie
oogst de innerlijke rijpheid is. De waarheid moet uitgesproken worden. Zij is het licht
van de ziel. En wie in het licht van de waarheid leeft, kent het woord van de waarheid.
Hij zal oordelen noch rechtspreken, maar zijn naaste in zijn hart aan- en opnemen en zo
met Mij, de Christus, zijn.
Wees je er steeds opnieuw van bewust, dat menselijke woorden
verschillende betekenissen kunnen hebben. Wie in de geest der waarheid leeft, verloochent
zijn naaste niet. Wie hem verloochent, heeft hem uit zijn hart verbannen. Daarom betekenen
de woorden »... die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemel is«: wie
niet de wet, de waarheid, leeft, kan Ik niet naar Mijn Vader leiden, en Hij kan hem niet
in de hemel opnemen - want de hemel is de waarheid, en de waarheid is de wet.
Erkent: wie de waarheid verwerpt, omdat hij haar niet uit de geboden
wil aannemen en verwezenlijken, die kent zichzelf niet als lichtwezen. Wie zichzelf niet
kent, kan ook de hemel niet binnengaan, die zijn ware vaderland is. Pas na de reiniging
van de ziel zal hij zichzelf kennen en de hemel binnengaan.
De reine is uit de waarheid en spreekt uit de waarheid. Wie de waarheid
niet leeft, verloochent de waarheid, die God is, aan wie alles openbaar is. Omdat God de
openbare waarheid is, blijft er niets verborgen en ook niets geheim.
14. Waarlijk, Ik Ben gekomen, om de vrede op aarde
te brengen. Doch zie, wanneer Ik spreek, volgt een zwaard. Ik Ben gekomen, om te
verenigen; doch zie, een zoon zal tegen zijn vader zijn en een dochter tegen haar moeder
en een schoondochter tegen haar schoonmoeder. En des mensen vijanden zullen zijn eigen
huisgenoten zijn. Want de onrechtvaardigen kunnen niet met de rechtvaardigen samen zijn.
(Hoofdst. 17, 14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Doch zie, wanneer Ik spreek, volgt een zwaard«
betekent: wie het woord der waarheid hoort en het niet in acht neemt en er alleen over
spreekt, handelt tegen de waarheid en aldus tegen de Heilige Geest. Hij schept het zwaard
voor zichzelf, dat ook oorzaak wordt genoemd. En zo zijn Mijn woorden, welke de waarheid
zijn, het zwaard voor degenen, die niet verwezenlijken.
»Ik Ben gekomen, om te verenigen« betekent: alle mensen en volkeren
tot é é n volk Gods te verenigen.
Wie tegen de wet van het leven, de eenheid handelt, is ook tegen God,
die de eenheid is, en tegen Zijn zoon, Christus, die Ik Ben. Wie tegen God en Mijn werk op
deze aarde denkt, spreekt en handelt, verstrooit en verenigt niet. Hij vervult niet de
wetten des levens.
Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij. Wie tegen Mij, het leven, is, is
ook tegen zijn naaste. Zo komt uit, wat geschreven staat: »... een zoon zal tegen zijn
vader zijn en een dochter tegen haar moeder en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.
En des mensen vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn. Want de onrechtvaardigen kunnen
niet met de rechtvaardigen samen zijn.« De wet Gods luidt: het gelijke trekt het gelijke
aan; onrechtvaardigen worden tot onrechtvaardigen aangetrokken, rechtvaardigen tot
rechtvaardigen.
15. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt,
is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest
om Mijnentwil, zal het vinden.« (Hoofdst. 17, 15)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie
zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.« De zin van deze woorden is: wie zijn
aardse leven als zijn ware leven ziet, zal het verliezen en zichzelf als ziel niet kennen
en zijn vaderland niet vinden. Wie zijn aardse leven eerbiedigt, maar zijn geestelijke
leven boven alles plaatst, zal het ook in zichzelf vinden. En hij zal zijn vaderland ook
kennen, want hij is bewust een zoon of een dochter Gods in het rijk des levens.
HOOFDSTUK 18
De uitzending van de tweeënzeventig
Over het doorgeven van de waarheid (3).
Gedrag als gast (6). Maatstaven voor de samenleving der mensen; het doel: de
onbaatzuchtige liefde (10-12)
1. Vervolgens riep de Heer nog tweeënzeventig
discipelen tot zich en zond telkens twee en twee vooruit in al die steden en plaatsen van
de stammen, waar Hij zelf heen wilde gaan.
2. Daarom sprak Hij tot hen: »De oogst is waarlijk groot, maar er zijn
weinig arbeiders. Vraagt daarom aan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders voor Zijn
oogst stuurt.
3. Gaat op weg, ziet, Ik zend jullie heen als schapen onder de wolven.
Draagt buidel, tas noch schoenen en groet niemand onderweg. (Hoofdst. 18, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
In de tijd, toen Ik, Christus, als Jezus over deze
aarde trok, gingen de eenvoudige mensen te voet; ze gingen niet te paard en ook niet met
wagens. De voeten droegen het lichaam van oord tot oord. Wie veel lasten meenam, kwam maar
langzaam vooruit. De woorden: »Draagt buidel, tas noch schoenen en groet niemand
onderweg« betekenen:
neemt slechts zoveel mee op jullie tocht, dat jullie vooruitkomen op de
weg, en dat jullie bij diegenen terechtkomen, die al geestelijke vruchten dragen, en ook
bij degenen, waarvan de zielenakker nog bewerkt moet worden. Dan zien ook de dieven, dat
er bij jullie niets te halen is en achtervolgen jullie niet.
»... en groet niemand onderweg« betekent: voert geen nutteloze
gesprekken, maar brengt de mensen het heil des levens, de waarheid. Gaat doelbewust
verder, want de tijd is van korte duur, dat Ik onder de mensen vertoef.
4. En altijd wanneer jullie een huis binnengaan,
zegt dan eerst: vrede zij in dit huis! En als daar een geest van vrede zal zijn, zal
jullie vrede op hem rusten; als dat niet het geval is, zal de vrede weer tot jullie
terugkomen. (Hoofdst. 18, 4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Gaat slechts dan een huis binnen, als jullie zelf de
vrede hebben. Draagt jullie vrede dus van huis tot huis. Waar zij niet aangenomen wordt,
gaat zij weer met jullie mee. Daar, waar de vrede, de waarheid des levens, niet wordt
aangenomen, moet ook niet langer over vrede en waarheid gesproken worden. Ieder heeft de
vrije wil, de vrede uit God, de waarheid, aan te nemen of af te wijzen. Daarom
discussieert niet over de waarheid. Brengt haar! Wordt de vrede, de waarheid, niet
aangenomen, draagt dan de gaven des heils in een ander huis. Dan bewaren jullie de vrede
in jezelf.
5. En in welke stad jullie ook zullen komen, en zij
nemen jullie op, eet hetgeen je wordt voorgezet, behalve van het levende. En geneest de
zieken die er zijn, en spreekt tot hen: het rijk Gods is naderbij gekomen.
6. En in dat huis blijft en eet en drinkt, wat men jullie voorzet,
zonder bloedvergieten; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis
naar het andere. (Hoofdst. 18, 5-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»... eet dat, wat jullie wordt voorgezet, behalve
van het levende«, »... eet en drinkt wat men jullie voorzet zonder bloedvergieten« - in
beide uitspraken ligt de volgende betekenis: als zij voor jullie het bloed van een dier
vergieten, wijst dat dan tijdig af, voordat het voor jullie naar de slachtbank wordt
geleid, want er mag geen dier worden geofferd - niet voor God, noch voor de mens. Mensen-
en dierenoffers zijn voor God een gruwel. God, de Ene, sprak Zich uit tegen de dieren- en
mensenoffers, zowel in het Oude Verbond alsook in het Nieuwe Verbond.
Wanneer jullie echter een gerecht wordt aangeboden, dat vlees en vis
bevat, en als de gaven al vóór jullie komst werden bereid, eet er dan van en biedt die
enkele happen dan in gebed aan de Vader-Moeder-God aan. Zijn kracht verandert dan het
lagere om in het hogere. Denkt eraan: wat de mond uitgaat, kan tot zonde worden, niet, wat
de mond ingaat en in het bewustzijn van het leven uit God, het lichaam wordt toegediend.
7. En waar jullie echter in een stad niet opgenomen
worden, vervolgt dan jullie weg door de straten en zegt: »Zelfs het stof van jullie stad,
dat zich aan ons gehecht heeft, schudden wij op jullie af; maar toch kunnen jullie er
zeker van zijn, dat het rijk Gods jullie naderbij is gekomen. (Hoofdst. 18, 7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Woorden zijn symbolen. Daarom wil Ik ook de woorden,
die in het boek, genaamd: "Das Evangelium Jesu" (Het evangelie van Jezus) zijn
geschreven, telkens in die mate verbeteren, als zij in de huidige tijd (1989) begrepen
dienen te worden, want woorden hebben van generatie tot generatie verschillende
betekenissen.
Wie in de stad niet graag wordt gezien, moet het stof van zijn voeten
schudden. Dat betekent: hij moet verdergaan en toch Gods zegen achterlaten. Want de
positieve krachten van positieve mensen werken door in de mensen, plaatsen en steden, aan
wie zij gebracht werden. En menigeen, die geestelijk rijp is, zal de vrucht, de waarheid,
opnemen. Zij stroomt als het ware naar degenen, die uit de waarheid zijn. Want de eeuwige
waarheid is het rijk Gods, dat tot diegenen komt, die naar het rijk Gods hunkeren en die
de wetten des levens vervullen.
8. Wee jij, Choracin! Wee jij, Bathsaida! Waren er
zulke machtige daden in Tyrus en Sidon geschied als zij bij jullie zijn geschied, dan
hadden zij tijden geleden in zak en as boete gedaan. Maar hen zal het beter vergaan op de
dag van het gerecht dan jullie.
9. En jij Kapharnaüm, jij die verheven bent tot aan de hemel, jij zult
tot in de hel omlaag gestoten worden. Zij, die jullie horen, horen ook Mij. En die jullie
verachten, verachten ook Mij en Hem, die Mij heeft gezonden. Doch laat allen in hun eigen
geest tot inzicht komen.«
10. En nogmaals sprak Jezus tot hen: »Weest barmhartig, dan zullen
jullie barmhartigheid ontvangen. Vergeeft de anderen, en ook jullie zal vergeven worden.
Met welke maat jullie meten, daarmee zullen ook jullie weer worden gemeten.
11. En hoe jullie de anderen doen, zo zal er ook aan jullie worden
gedaan. En zoals jullie geven, zo zal ook aan jullie worden gegeven. En zoals jullie
oordelen, zo zullen ook jullie geoordeeld worden. En zoals jullie anderen dienen, zo
zullen ook jullie gediend worden.
12. Want God is rechtvaardig en beloont ieder naar zijn werken. Wat
jullie zaaien, zullen jullie oogsten.« (Hoofdst. 18, 8-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Let erop, dat jullie niet in de verleiding komen!
Bewaart Mij in jullie harten, dan geven jullie uit de eeuwige waarheid. Want Ik Ben
gekomen, om de mensen de waarheid te leren en hen voor te bereiden, opdat zij de wet Gods,
die alleen het leven, de waarheid, is, verwezenlijken. De waarheid is het leven. God is de
waarheid, het leven. Zijn wet, de waarheid, het leven, is de onbaatzuchtige liefde. Let
daarop, dan zullen jullie niet in verleiding komen.
Het volgende nu wat betreft de woorden, die in het boek, genaamd
"Das Evangelium Jesu" (Het evangelie van Jezus), luiden:
»Degenen, die jullie horen, horen ook Mij. En die jullie verachten,
verachten ook Mij en Hem, die Mij heeft gezonden. Doch laat allen in hun eigen geest tot
inzicht komen.« »Weest barmhartig, dan zullen jullie barmhartigheid ontvangen. Vergeeft
de anderen, en ook jullie zal vergeven worden. Met welke maat jullie meten, zo zullen ook
jullie weer worden gemeten. En zoals jullie anderen doen, zo zal er ook aan jullie worden
gedaan. En zoals jullie geven, zo zal ook jullie gegeven worden. En zoals jullie oordelen,
zo zullen ook jullie geoordeeld worden. En zoals jullie anderen dienen, zo zullen ook
jullie worden gediend. Want God is rechtvaardig en beloont ieder naar zijn werken. Wat
jullie zaaien, zullen jullie oogsten«:
Deze aanwijzingen en vermaningen hebben geldigheid voor alle mensen,
van generatie tot generatie, tot dat mensengeslacht ontstaan is, dat de wet van de
onbaatzuchtige liefde leeft. Dan zijn deze aanwijzingen en vermaningen niet langer nodig.
Tot echter dit geslacht van het innerlijke leven de duisternis
ontgroeid is en in het licht van de waarheid staat, gelden deze aanwijzingen en
vermaningen nog. Zij leiden naar de wet van de onbaatzuchtige liefde, naar de waarheid,
naar het licht, dat in en door de mensen in het vredesrijk van Jezus Christus straalt. Het
is het licht der waarheid, het Ik Ben: Christus.
HOOFDSTUK 19
Jezus leert bidden
Het juiste en het verkeerde bidden (2-4)
De essentie van al het Zijn is in het binnenste van iedere ziel - Gods almacht dient hem,
die bewust leeft in verbinding met God, door alle levensvormen (6). Terechtwijzing uit de
liefde en de ernst (8). Achting voor het leven van planten en dieren (9). De
verantwoordelijkheid van een genezene (10)
1. Toen Jezus op een berg was om te bidden, kwamen
enkele van Zijn discipelen naar Hem toe, en één van hen zei: »Heer, leer ons, hoe wij
moeten bidden.« En Jezus sprak tot hem: »Als je bidt, ga dan in je hartekamer. En als je
de deur gesloten hebt, bid dan tot je Vader, die boven en in je is. En je Vader, die ook
het uiterste ziet, zal je open antwoorden.
2. Maar als jullie bij elkaar zijn en samen bidt, gebruikt dan geen
lege herhalingen; want jullie hemelse Vader weet, wat jullie nodig hebben, nog voordat
jullie Hem erom hebben gevraagd. Daarom moeten jullie zo bidden:
3. Onze Vader, die boven en in ons is, geheiligd zij Jouw naam.
Jouw rijk kome tot allen in wijsheid, liefde en gerechtigheid. Jouw wil geschiede, zoals
in de hemel, zo op aarde. Laat ons elke dag deelhebben aan Jouw heilig brood en geef ons
de vrucht van de levende wijnstok. En zoals Jij ons onze schulden vergeeft, mogen wij ook
allen zo vergeven, die tegen ons schuldig worden. Stort Jouw goedheid over ons uit, opdat
wij dat ook aan anderen doen. In het uur van de verzoeking. verlos ons van het kwade.
4. Want Jou behoort het rijk, de kracht en de heerlijkheid: van
eeuwigheid tot eeuwigheid. Nu en in alle eeuwigheid. Amen.- (Hoofdst. 19, 1-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Woord voor woord vastgelegde gebeden, die slechts
worden nagesproken, hebben weinig kracht, want zij komen uit het verstand en niet uit het
hart. Alleen maar opgezegde woorden zijn onbezield. Zij bereiken God niet in het innerlijk
van de mens, omdat de mens ze niet bezield heeft met het leven uit God. Verstandelijk
bidden kan diegene nog verder op een dwaalspoor brengen, die door zijn verkeerde denk- en
levenswijze al verdwaald is. Wie bidt, zich echter anders gedraagt, dan hij in het gebed
spreekt, belast zich verder.
Daarom moeten jullie met het hart bidden. En als jullie de gebeden
hardop uitspreken, moeten zij door het innerlijke leven, het Ik Ben, bezield zijn. Daarom
is het alleen van betekenis, van harte te bidden, en niet alleen maar woorden te spreken.
Jullie moeten dus voorgeschreven gebeden niet woordelijk herhalen. Ook het gebed, dat hier
opgeschreven is, moet niet woordelijk begrepen en nagebeden worden. Ieder gebed zou
inhoudelijk moeten worden verstaan, omdat de taal van het hart de taal van de
zielegevoelens is. Worden de gevoelens van het hart in woorden gevat, door anderen echter
woordelijk overgenomen, dan verliezen zij aan betekenis.
De Mijnen, die Mij trouw navolgen, zullen steeds meer in de
vervolmaking van het leven komen. Hun gebeden zullen dan het leven in Mij zijn, dat wil
zeggen, de vervulling van de eeuwige wet. Wie in zichzelf het rijk Gods, het leven,
ontsloten heeft, tot diegene is ook het rijk Gods gekomen, en hij leeft voortaan het leven
uit God.
»Laat ons elke dag deelhebben aan Jouw heilig brood en geef ons de
vrucht van de levende wijnstok. »Met deze woorden wordt het innerlijke leven bedoeld, de
geest, die ook in de materiële substantie het materiële lichaam in stand houdt.
De zin van de uitspraak: »In het uur van de verzoeking, verlos ons van
het kwade« is de volgende: Heer, in de verzoeking leidt Jij ons, opdat wij de weg vinden
uit het labyrint van het menselijke ik, om dan de verleider, het kwaad, niet langer horig
te zijn.
5. En waar ook zeven in Mijn Naam zijn verzameld,
Ben Ik in hun midden; ja, zelfs als er maar drie of twee zijn. En zelfs, als er maar één
in stilte bidt, Ben Ik met deze ene.
6. Tilt de steen op, en jullie zullen Mij vinden. Splijt het hout, en
Ik Ben daar. Want in het vuur en in het water, evenals in iedere levensvorm is God
openbaar als haar leven en haar substantie.« (Hoofdst. 19, 5-6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Acht, waardeert en eert de schepperskracht in al het
Zijn! Ziet: alles, wat er aan kracht en licht is, draagt ieder mens in het binnenste van
zijn ziel. Het geestelijke lichaam in de mens is de substantie van al het Zijn, omdat God,
de eeuwige Vader, elk van Zijn kinderen alles heeft gegeven als essentie, als erfdeel. In
alle levensvormen is de eeuwige Geest aanwezig, en Hij stroomt ook uit alle levensvormen.
Wanneer de mens bewust tot kind Gods is geworden, dient Gods almacht
hem door alle levensvormen, door steen, hout, vuur en water, door bloemen, grassen,
planten en dieren. Het hele gesternte dient hem, die in Mij, de Geest der waarheid, leeft.
Als de schepperskracht het schepsel vermag te doordringen, omdat zijn ziel vol licht en
kracht is, dan is het weer bewust het kind geworden, de zoon of de dochter van de
oneindigheid, en heeft het erfdeel, de alkracht, weer aanvaard.
Elke dag op aarde is een geschenk aan de mens, opdat hij zich daarin
moge erkennen en vinden. De natuurijken bieden zich aan de mens aan. Vuur en water dient
hem en ook het gesternte, bij dag en bij nacht. Erkent, hoe rijk de dag voor ieder
persoonlijk is! Ieder mens is rijk, die de innerlijke rijkdom ontsluit. Rijk is waarlijk
diegene, die in verbinding staat met de Almachtige en zo weer tot almacht wordt. God is
almachtig, omdat Hij alomtegenwoordig is, en het reine wezen is de almacht uit Hem. Het is
goddelijk.
7. En de Heer sprak: »Als je broeder zeven maal per
dag met woorden heeft gezondigd en zeven maal per dag berouw heeft, neem hem op.« Toen
vroeg Simon Hem: »Zeven keer per dag?«
8. De Heer antwoordde en sprak tot hem: »En Ik zeg je, ook zeven maal
zeven; want zelfs bij de profeten, nadat zij door de Heilige Geest waren gezalfd, vond men
nog uitingen van zonden. (Hoofdst. 19, 7-8)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Iedere emotie of uiting, die de mens op zijn
beperkingen moet wijzen, die echter niet uit het vuur van de Heilige Geest voortvloeit,
die dus niet uit Gods liefde, ernst en kracht komt, is niet in en uit de Geest, maar uit
de mens en is zonde.
Geeft dus acht, dat hetgeen jullie zeggen, uit het vuur van de Heilige
Geest voortvloeit. En al is het nog zo ernstig, wat jullie zeggen, en de mens wakker
schudt, dan moet het toch vanuit de onbaatzuchtige liefde en de goddelijke ernst zijn
gesproken. Al het andere is tegen de Heilige Geest. Dat geldt voor alle mensen, of ze naar
God toestreven of niet of zelfs geroepenen zijn zoals bijvoorbeeld profeten.
Het volgende zij jullie nog gezegd: als een ware
profeet, die door God geroepen is en zich aan Zijn wil onderworpen heeft, door medemensen
zo lang wordt gepijnigd en in handelingen wordt verwikkeld, tot het aan de substantie van
zijn innerlijke kracht gaat, dan ontvangt hij extra energie van God. Als hij zich in deze
situatie opwindt over het niet verwezenlijken of niet vervullen of over tegenstrijdige
handelingen van zijn naasten, die tegen beter weten in gebeurden, dan ontvangt hij deze
extra energie, die in hem ongedaan maakt, wat uit opwinding gebeurde. Want het kwam niet
uit zijn overeenstemming, doch er werd hem kracht ontnomen.
9. Weest dus voorkomend, weest goed, meevoelend en
vriendelijk, niet alleen voor mensen, die zo zijn als jullie, maar voor alle schepselen,
die onder jullie hoede zijn; want jullie zijn voor hen als goden, waar zij naar opkijken
in hun nood. Hoed je voor drift, want velen zondigen in woede en hebben spijt als de drift
over is.« (Hoofdst. 19, 9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het kind Gods is een evenbeeld van God-Vader en is
daarom - in zichzelf - eeuwig scheppende kracht, want het draagt alle substanties van de
eeuwige kracht in zich. Zij zijn allen in hem volmaakt ontwikkeld. Daarom kijken alle
dieren, planten en stenen op naar het evenbeeld van God en wensen de eenheid met de
gerijpte wezens uit God, waartoe het steeds meer vormgeworden leven zich geestelijk verder
ontwikkelt.
Voelt daarom de verbinding met ieder schepsel en met alle stenen en
planten, en beschermt het leven, dat jullie is toevertrouwd! Bloemen en grassen zijn
offergaven uit Gods hand. Neemt ze daarom alleen maar voor eigen gebruik, wanneer haar
uiterlijke leven aan het uitbloeien is. En tracht de wortels in de grond te laten. Neemt
hetgeen uit de wortel groeit, echter alleen dan, als voor deze levensvorm de tijd gekomen
is. En als jullie ze met de wortels nemen, laat deze dan op een schaduwrijke plek liggen,
zodat het leven zich geleidelijk terug kan trekken, om in de oersubstantie terug te keren,
waarin alle krachten zijn verenigd. Doet alles in ware liefde en met begrip, want alles
leeft.
Slacht nooit een dier voor jullie persoonlijk gebruik. Ziet, de natuur,
het leven van de schepping, zorgt voor jullie. De vruchten van het veld, uit de tuinen en
de bossen, moeten voor jullie toereikend zijn. En vertrapt nooit moedwillig leven, noch
van dieren, noch van planten. Wie moedwillig leven vertrapt, schept oorzaken. Hij trapt
als het ware op zijn eigen leven en zal daaronder lijden.
10. Een man, wiens hand verdord was, kwam naar Jezus
en zei: »Heer, ik was een metselaar en verdiende mijn levensonderhoud met mijn handen. Ik
smeek Je, geef mij mijn gezondheid terug, zodat ik niet smadelijk om mijn brood moet
bedelen.« En Jezus genas hem en sprak: »Er is een huis, dat niet met handen gebouwd is,
zie toe, dat ook jij daarin wone.« (Hoofdst. 19, 10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De mens, wiens hand overeenkomstig de wet van
oorzaak en gevolg ziek was, kreeg het leven in zijn hand terug, om weer in zijn
levensonderhoud te kunnen voorzien. Doch Ik gaf hem deze les mee op zijn levensweg: treed
binnen in het huis, dat niet door mensenhand is gebouwd - in je innerlijk, want het is de
tempel Gods. Voltrekt de mens dit, dan werkt de door Mij ontvangen kracht in hem door.
Doet hij dit niet, dan is hem slechts tijdelijk gegeven, wat Ik hem schonk: het leven in
zijn hand. Wie ondanks deze levensgave verder zondigt, haalt weer terug, wat Ik heb
opgeheven; want dan was het alleen uitgesteld.
God geeft! Wat de mens daar dan van maakt, ligt alleen in de
beoordeling van de ziel en de mens. De mens kreeg de aanwijzing uit de eeuwige wet, niet
langer te zondigen en de tempel van zijn innerlijk binnen te gaan. Zodoende is hij niet
meer onwetend. De wetende draagt dan de verantwoording voor datgene, wat hij weet.
HOOFDSTUK 20
De terugkeer van de tweeënzeventig
Succes of mislukking van de door Christus uitgezondenen -
Verfijning van de materie - Aardvlekken, resten van negatieve energieën: de basis voor de
laatste opstand van de demonen aan het einde van het vredesrijk - De ontbinding van de
aardziel - Over »geesten« (3). De »wijzen« van de wereld herkennen de krachten van het
heelal niet; zij worden beïnvloed en strijden tegen het licht (4). Christus openbaart
Zijn eigen positie en Zijn verhouding tot God, het valgebeuren en Zijn verlossersdaad (5).
Christus in het aardse lichaam en Zijn boden konden en kunnen alleen door diegenen worden
herkend, die het innerlijke schouwen en horen hebben ontwikkeld - Wie Christus
geboden hoort en verwezenlijkt, aan die openbaart zich de goddelijke wet en hij leeft in
Hem (6). Machtige instraling van de eeuwige waarheid door de wijsheid in de tijd van de
omwenteling (7)
1. Na enige tijd keerden de tweeënzeventig weer vol
vreugde terug en zeiden: »Heer, zelfs de duivels zijn ons onderdanig in Jouw Naam.«
2. En Hij sprak tot hen: »Ik zag de satan als een bliksem uit de lucht
vallen.
3. Ziet, Ik heb jullie de macht gegeven, slangen en schorpioenen te
vertrappen en over alle geweld van de vijand; en niets zal jullie schaden. Maar verheugen
jullie je er niet over, dat de geesten jullie onderdanig zijn. Verheugen jullie je veel
meer, dat jullie namen in de hemel geschreven zijn.« (Hoofdst. 20, 1-3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Niet alle mannen en vrouwen, die Ik in die zin als
discipelen aangeduid heb, bleven de goddelijke wetten trouw. Sommigen waren niet
opgewassen tegen de verlokkingen van de wereld. Zij keerden met lege handen terug. Houdt
jullie ook niet vast aan het getal . Ziet dit getal als een begrip, dat zegt: het waren er
veel. Allen, die Ik uitzond en die weer terugkwamen, waren eens in Mijn gevolg. Allen, die
in de geest der waarheid bleven, werkten uit de Geest van de Vader en overwonnen in veel
mensen de satan der zinnen en leidden hen zo tot het hogere leven. Met de woorden »zelfs
de duivels zijn ons onderdanig in Jouw naam« bedoelden zij de satan van de zinnen, omdat
velen, die zij de leer des levens brachten, deze aannamen en ook opvolgden.
Zo was het, toen Ik in het aardse lichaam op aarde wandelde: degenen
die Ik uitgezonden had en die in Mij, het leven, leefden, maakten een einde aan het
tegenstrijdige. Hun zogenaamde vijanden hadden geen macht over hen, want zij waren
beschermd door de wetten van het leven, omdat zij deze naleefden. Zo is het ook in de
huidige tijd (1989): al degenen, die het satanische weerstaan, zullen bewust Gods kinderen
zijn, die de aarde bezitten. Hun namen staan reeds nu in de hemelen geschreven. Door Mijn
kracht zullen zij dat bereiken, wat voor veel mensen nog onvoorstelbaar is: de
transformatie van het menselijke ik en de transformatie van deze wereld van het satanische
naar het Goddelijke. Alles zal hen dienen - de aarde en alles, wat op de aarde is. Want
zij zijn het, die in Mijn Naam het aardrijk bezitten.
Na verloop van enige tijdperken van het vredesrijk zullen in het rijk
Gods de mensen één geest zijn, omdat zij het satanische in hun zielen hebben overwonnen
en bewust in Mij, de Christus, leven. Door hen zal Ik op aarde de verdere werken van
liefde volbrengen.
Hoewel de aardmantel en de atmosfeer van de aarde door de gesternten en
de zeeën verregaand gereinigd zullen worden, blijven er toch nog gebieden op aarde
bestaan, de zogenaamde aardvlekken, die van grovere materie zijn. Het zijn concentraties
van negatieve energieën. Deze nog aanwezige negatieve energieën zijn overblijfselen uit
vroegere tijden, waarin de duisternis op aarde werkzaam was en restanten uit de
atoomopwerking, restanten van chemische stoffen en al het andere tegenstrijdige, dat de
mens de aarde heeft aangedaan. Deze energieën blijven gedurende lange tijd inactief,
omdat zij met lava bedekt zullen zijn.
Ook in de nieuwe atmosfeer blijven er gebieden bestaan, waarin nog
aspecten van het lijden van mensen en dieren zijn opgeslagen. Deze gebieden blijven even
lang inactief als de aardvlekken op aarde.
Aan het einde van het vredesrijk met zijn fijnere materie - voordat de
transformatie van de aarde zich voltrekt - zal de satan zich met behulp van deze
overblijfselen van negatieve energieën - de demonische krachten dus - nog eenmaal aan de
mensen en de aarde mogen meten. Nog eenmaal zal de Eeuwige in Mij, Christus, de
tegenstander de mogelijkheid geven, zichzelf te herkennen - voordat hij zich in de
geestelijke evolutievelden zelf aan de ketting legt. De demonische wezens strijden tot het
laatst, om hun territorium te redden. God-Vader in Mij, de Christus, geeft ook deze van
Zijn kinderen daarmee nog eenmaal de kans tot zelfinzicht en ommekeer. Die zielen, die
deze laatste mogelijkheid niet benutten, zullen zichzelf in de geestelijke evolutievelden
weer op moeten bouwen, omdat de partikelstructuur van hun geestelijke lichaam schade heeft
opgelopen. Zon gedeformeerd zielelichaam behoeft dus de regeneratie door middel van
de geestelijke bewustzijnskrachten, van dieren, planten of zelfs van mineralen.
Ook de aardziel zal zich - echter pas na vele energetische lichtjaren -
van de aarde losmaken. Dit geschiedt op dezelfde wijze, als de ziel van de mens zich
losmaakt van het materiële lichaam en in fijnstoffelijke gebieden gaat. De mens noemt
deze gebeurtenis de dood van het lichaam.
Wanneer de aardziel zich bevrijdt van de aardmantel, zal deze uiteen
barsten; dat is dan de ontbinding van de aarde. Tot dit oergeweldige omzettingsproces
echter, zal de aarde nog veel te dragen hebben. Zowel de mens alsook de aarde zullen nog
veel beleven.
In de uitspraak: »Maar verheugen jullie je er niet
over, dat de geesten jullie onderdanig zijn« wil Ik het woord "geesten"
rechtzetten:
tweeduizend jaar geleden en ook in latere eeuwen noemde men belaste
zielen "geesten". Als "geesten" werden ook natuurwezens en
onverklaarbare fenomenen aangeduid. Het zijn echter geestelijk vormgeworden energieën,
die voor de mens onzichtbaar zijn.
De werkelijkheid is de eeuwige Geest, het allesdoorstromende leven,
waaruit de substanties, de vormgeworden wezens voortkomen, zoals: geestwezens,
natuurwezens, dieren, planten, mineralen. De Geest is het eeuwige, reine,
allesdoorstromende leven, die geestwezens, mensen, dieren, planten, mineralen, ja alles
onderhoudt.
4. Op dit uur verheugde Jezus zich in de geest en
sprak: »Ik dank Je, heilige Vader des hemels en der aarde, dat Je zulks verborgen hebt
aan de wijzen en verstandigen maar het geopenbaard hebt aan de onmondigen. Ja, Al-Heilige,
want zo schijnt het goed te zijn in Jouw ogen. (Hoofdst. 20, 4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Met het woord "wijzen" worden hier die
mensen bedoeld, die zich enkel op grond van hun intellect, dat wil zeggen van hun
verstandelijke kennis, verstandig wanen. Waarlijk wijs is slechts die mens, die de
goddelijke wetten vervult.
Velen, die zichzelf wegens hun intellect "wijs" en verstandig
achten, hebben van de aarde een braakland gemaakt. Nog erkennen zij de krachten niet van
de Vader en Zijn zoon, Christus, de Ik Ben - krachten, die steeds meer werkzaam worden
door zonen en dochters van Gods in hun aardse gewaad en die de wereld veranderen. Die
krachten van het heelal zijn nog verborgen voor degenen, die hun hart voor de zin van het
leven gesloten houden. Zij menen nog steeds, dat zij dat moeten volbrengen, dat met hun
verstand overeenstemt en dat zij daarom voor juist en belangrijk houden. Zij denken dat
zij daarin hun wijsheid en verstand tot uitdrukking moeten brengen.
O, mensen in het wordende en groeiende vredesrijk van Jezus Christus,
die in de volgende generaties het aardrijk steeds meer zullen bezitten, erkent: tot de
volledige ontplooiing van het vredesrijk zullen zich de wereldlijk georiënteerde mensen
steeds weer vol ijver bij elkaar aansluiten om tegen de werken van de Heer te strijden.
Velen van hen beseffen niet, dat zij door het licht van de waarheid al bestraald, verblind
zijn. Onbewust en door slaafse ijver gegrepen, reageren zij, zoals het hen door de demonen
ingegeven wordt - en strijden tegen het licht.
Tot de Mijnen van de huidige tijd (1989), die de weg naar de ware
wijsheid Gods nastreven spreek Ik: blijft waarachtig! Want de tijd is aangebroken, waarin
Ik, Christus, de mensen, die van goede wil zijn, steeds meer met goddelijke liefde en
wijsheid doorstroom en hen tot echte werktuigen Gods maak.
De weg tot het hart van God, die Ik in de Bergrede uitgelegd en in vele
openbaringen toegelicht, aangevuld en verdiept heb, is de weg tot de liefde en wijsheid
van God, tot het echte mensdom. Beseft dit in de huidige tijd (1989)!
Dit moeten ook de mensen in alle ontwikkelingsfasen in het vredesrijk,
het rijk Gods op aarde, weten, opdat zij beseffen, dat Ik reeds in de huidige tijd (1989)
versterkt met de Mijnen was, dat Ik hen geschoold en geleid heb.
5. Aan Mij is alles overgedragen door Mijn Vader. En
niemand kent de zoon, dan alleen de Vader; noch wie de Vader is, dan alleen de zoon, en
aan wie de zoon het wil openbaren.« (Hoofdst. 20, 5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Aan Mij is alles overgedragen door Mijn Vader.«
Ik Ben des Vaders eerstgeschouwde en eerstgeboren zoon, de mederegent van de hemel. Ik Ben
in de vier scheppingskrachten, de vier wezenheden Gods - Orde, Wil, Wijsheid en Ernst -,
alomtegenwoordig. In deze vier wezenheidsstromen vloeit Mijn geestelijke erfdeel. Het is
in de vier scheppingskrachten de alomtegenwoordige straling in het oerprincipe God.
Daardoor Ben Ik God in de scheppersgeest van de Vader in de vier
wezenheden - Orde, Wil, Wijsheid en Ernst. De drie eigenschappen van God - Geduld, Liefde
en Barmhartigheid - zijn de kindschapseigenschappen. Daarin Ben Ik de zoon onder alle
zonen en dochters van God. God betekent: hoogste, alomtegenwoordige energie, die alles
voortbracht en voortbrengt en die is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Uit deze alomtegenwoordige energie, het eeuwigstromende oerpotentieel,
de Geest, loste Ik een groot deel van Mijn geestelijke erfdeel in en plantte het als
vonken in de zielen, die zich door minachting van de wet in de drie eigenschappen en in de
vier wezenheden van God - die als geheel beschouwd de zeven basiskrachten van de schepping
zijn - belast hebben, wier levensenergie dus tot de onderste vier valgebieden naar beneden
is getransformeerd. Deze vier onderste valgebieden werden na Mijn "volbracht"
tot reinigingsgebieden. Sinds het "volbracht" is de verlossersvonk steun en
houvast voor de gevallen zielen, opdat hun geestelijke substantie zich niet oplost in de
eeuwig stromende Geest.
Want in de eerste valgedachte lag de wens tot oplossing van alle
geestelijke vormen. Daarmee wilden de tegenstrijdige wezens het opnieuw beginnen van de
schepping bewerkstelligen. De eeuwige Vader, wiens zoon Ik Ben, gaf Mij de kracht, datgene
te volbrengen, wat in Zijn wil, de eeuwige wet, staat: al het Zijn als geheel te bewaren.
Door de verlossersdaad ontving elke zwaar belaste ziel de verlossersvonk. Daarmee wordt de
ziel gesteund, en zo wordt de mogelijkheid uitgesloten, dat zij zich in de
alomtegenwoordige Geest, de goddelijke stroom, oplost en daarin als stromende energie
overgaat. Door de verlossing wordt de ziel weer tot geestwezen en blijft in de geestelijke
vorm het kind Gods. Had Ik Mijn erfdeel niet ingelost en als steun en ontwikkelingskracht
aan de gevallen kinderen gegeven, dan zouden vele geestlichamen zich hebben opgelost
tengevolge van de steeds sterker wordende belastingen. Daardoor zou het evenwicht van de
schepping aan het wankelen zijn gegaan, en de oplossing van alle geestelijke vormen zou
onontkoombaar het gevolg zijn geweest.
Het is Mij dus door de Vader gegeven, als Verlosser te werken voor alle
diepgevallen zielen en mensen en dezen, Zijn kinderen, weer terug te leiden tot Zijn hart.
Voor iedere ziel Ben Ik daarom zo lang de Verlosser, tot zij de vier reinigingsgebieden
heeft overwonnen. Heeft de ziel deze vier goddelijke bewustzijnsstralen geactiveerd, dan
wordt zij aangetrokken door de drie eigenschapsgebieden, de voorbereidingsgebieden - ook
ontwikkelingsgebieden tot de Absoluutheid genoemd, die de kindschapskrachten van het
Vader-Moeder-Principe zijn. In deze drie eigenschapsgebieden activeert het wordende
geestwezen weer de volledige stralingswet, de eeuwige oerwet. Is de volledige oerwet weer
actief in het geestlichaam, dan treedt het reine wezen weer de Absoluutheid, het eeuwige
Zijn binnen.
Als de ziel op weg naar de volmaaktheid, het vierde reinigingsgebied,
het bewustzijn van de goddelijke Ernst, heeft ontwikkeld, dan is in haar de verlossing
voltrokken. Dat deel van Mijn erfdeel, dat als verlossersvonk de ziel gesteund, in stand
gehouden en geleid heeft, gaat dan weer terug in de oerkracht, in de Alkracht. Op de weg
door de drie voorbereidingsgebieden naar de Absoluutheid neemt het wordende geestwezen dan
weer bewust het kindschap Gods aan. Als Jezus van Nazareth kon Ik van de verlossersdaad,
van het uitstromen van Mijn erfdeel, nog niet in alle bijzonderheden onderrichten, omdat
Ik het verlosserswerk nog niet had volbracht. Mijn erfdeel bevond zich nog in de oerwet.
Bij Mijn doopsel door Johannes in de Jordaan, toen de Geest in het symbool van de duif
over Mij kwam, werd Mijn erfdeel in de oerwet versterkt actief. Op Golgotha stroomde het
bij Mijn woord "volbracht" en verdeelde zich in geestelijke vonken. Iedere
diepgevallen ziel ontving daarvan de steun, de verlossersvonk.
De betekenis van de uitspraak »... niemand kent de zoon, dan alleen de
Vader« is het volgende: de mens, die slechts menselijk denkt en de materie als het enige
ware beschouwt en erkent, voelt niet de Geest van de eeuwige Vader in zich. Slechts wie
zichzelf als kind van de Vader weet, omdat hij de wetten van de liefde vervult, voelt ook
de Vader, het leven, in zichzelf. De Vader kan daarom slechts door diegenen worden
gevoeld, die de wet van de liefde verwezenlijken, die Ik als Jezus van Nazareth geleerd
heb en als Christus Gods aan diegenen openbaar en leer die God meer liefhebben dan deze
wereld.
6. En Hij wendde zich tot Zijn discipelen en zei hen
in vertrouwen: »Zalig zijn de ogen, die zien, wat jullie zien. Want Ik zeg jullie: vele
profeten en koningen wilden zien, wat jullie zien, en hebben het niet gezien, en wilden
horen, wat jullie horen, en hebben het niet gehoord. (Hoofdst. 20, 6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik Ben in God, jullie en Mijn Vader, de zoon Gods en
God in de eeuwige vier scheppingskrachten.
De woorden: »Zalig zijn de ogen, die zien, wat jullie zien«
betekenen: Ik, de zoon Gods, de mederegent van de hemelen, was in het aardse lichaam
midden onder de mensen. Zalig was de ziel in het aardse lichaam, die Mij, de zoon van God
in het aardse lichaam, heeft herkend. De mens zag Mij slechts, zoals Ik als mens onder
mensen was. De zielen van de zaligen herkenden in Mij het evenbeeld van de eeuwige Vader.
Velen, die na Mijn lichamelijke dood op deze aarde kwamen, vernamen Mij door profetenmond.
Maar Ik sprak niet meer rechtstreeks tot hen; want wie geen aards lichaam meer draagt,
heeft ook niet langer de stem van de mensen. Dan is de overdracht van het woord Gods door
profeten nodig.
Ook het innerlijke schouwen is slechts indirect en niet direct; het is,
zoals de mensen in de driedimensionele wereld het zien. Ik gaf en geef door profetenmond
het woord des levens zowel na Mijn lichamelijke dood alsook in de huidige tijd (1989),
opdat de Mijnen tot Mij vinden en de zaligheid verkrijgen en na het heengaan van hun
aardse lichaam de eeuwige Vader van aangezicht tot aangezicht mogen schouwen.
Wie dus de woorden des levens vervult, zal na de lichamelijke dood de
Vader schouwen en Hem kennen. Hij zal bewust in Hem zijn - zoals Ik Hem ken en in Hem Ben.
Wie Mijn woorden slechts hoort of leest en deze niet in zijn leven betrekt, zal de Vader
niet in zich voelen, noch Hem na de dood van het lichaam schouwen en Hem ook niet kennen.
Want de Eeuwige is de wet van het leven. Wie er zich niet aan houdt, is geestelijk dood.
Slechts die ziel en die mens is bewust in de Vader, die Mijn woorden aanneemt en ernaar
leeft. Zij worden weer tot Zijn evenbeeld.
Zoals het was in de tijd van Mijn leven op aarde, ongeveer zo is het
ook in de huidige tijd (1989). Ik, Christus in Jezus, stond tijdens mijn wandeling over de
aarde in levende lijve voor Mijn apostelen en discipelen als het evenbeeld van de Vader.
Maar de meesten, die Mij navolgden en Mij zagen, herkenden Mij niet. Slechts enkelen onder
de apostelen en discipelen schouwden Mij, de Christus in Jezus. Zoals het toen was, zo is
het ook in dit tijdperk: de Christus is slechts voor diegenen te schouwen, die hun
geestelijke ogen geopend hebben door een leven volgens de eeuwige wet der liefde.
Vele mensen bracht Ik de boodschap van de hemelen en sprak tot hen over
Mijn komst als Christus. Maar weinigen verstonden echter de heilsboodschap. Zo wilden zij
bijvoorbeeld geen Messias in de persoon van een bescheiden man, de Jezus van Nazareth, die
een zoon was van de timmerman Jozef. Want zij wilden een aardse koning, die hen hun lasten
afneemt, zonder dat zij er iets voor doen. Vele mensen hebben Mij, de Nazarener, horen
spreken - en hoorden Mij toch niet, omdat zij slechts de Nazarener zagen en alleen maar de
woorden van de Nazarener hoorden. Zij begrepen het woord Gods niet, dat door Mij, de
Nazarener, sprak, omdat zij alleen de Jezus, de Nazarener, hoorden - en niet God door Zijn
zoon in een aards lichaam.
Ook in dit tijdperk stroomt Mijn woord in overvloed door de
geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid - een mensenkind onder de mensen, dat
de goddelijke nabijheid in zich draagt. De eenheid met de eeuwige Vader in haar wordt net
zo min herkend, zoals eens ook Ik, de mensenzoon onder de mensen, niet werd herkend.
Het is een oud denkbeeld van de mensen, dat ieder van zijn medemensen
zo zou moeten zijn, zoals hij zelf is. Zo onderscheiden veel mensen wel tussen rijkdom en
uiterlijke armoede, echter niet tussen innerlijke rijkdom en armoede van de ziel. Zij
kunnen de innerlijke ontwikkelingsgang niet herkennen en onderscheiden. Daarom zien zij
ieder mens vanuit het perspectief van hun menselijke ik. Hun medemensen hebben voor hen
slechts de betekenis, die hun "ik" hen toekent. Daarom worden de boden van God
in het aardse lichaam niet herkend, en de woorden des levens, die door hen stromen, worden
slechts door weinigen als het woord Gods, de wet des levens, aangenomen.
Zo is het woord van de Eeuwige door de boden van God in het aardse
lichaam, voor vele mensen maar een woord van mensen - en toch is en blijft het het woord
Gods door Zijn tot de mensen gezonden boden.
7. Gezegend zijn jullie in de binnenste kring, die
Mijn woord horen en aan wie de geheimen onthuld worden, die geen onschuldig schepsel
gevangen nemen of doden, maar die het goede zoeken in alles; want aan hen behoort eeuwig
leven. (Hoofdst. 20, 7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik verklaar de uitspraak: »Gezegend zijn jullie in
de binnenste kring, die Mijn woord horen en aan wie de geheimen onthuld worden.« Wie het
woord van de Vader, door Mij, Zijn zoon in een aards lichaam, Jezus, vermocht te verstaan,
leefde er ook naar. Hij was waarlijk gezegend en maakte zijn intrede in de binnenste kring
van Mijn schare en was bewust in Mij en Ik in hem als het licht van de wereld. Waarlijk,
de zegen stroomde rijkelijk door Mij, Jezus, tot vele mensen en tot Mijn apostelen en
discipelen.
Zo stroomt ook de zegen, het woord van het Ik Ben, in deze tijd (1989)
door de deelstraal van de geïncarneerde goddelijke wijsheid. Het is gegeven aan alle
mensen en stroomt ook nu weer in de binnenste kring tot degenen, die zich rond Mijn heilig
woord scharen. Ik geef het door de mens, in wie het lichtwezen is geïncarneerd, dat Ik in
de huidige tijd, aan het begin van de machtige tijdsomwenteling, tot de mensen heb
gezonden, opdat zij Mijn woord door hem horen en ernaar leven. En als zij Mijn heilig
woord verwezenlijken, dat Ik hen wederom leer, en Mijn gebod in acht nemen, elkander
onbaatzuchtig lief te hebben - zoals Ik hen als Christus liefheb -, zullen zij weer Mijn
ware discipelen zijn, de zonen en dochters van God, die bewust Mijn komst voorbereiden.
Als Jezus van Nazareth leerde Ik Mijn apostelen en discipelen de
eeuwige wetten. Aan eenieder van hen, die Mijn leer verwezenlijkte, werden de zogenaamde
"geheimen" onthuld, omdat de sluiers van het menselijke ik van hem af vielen en
hij daardoor in de waarheid leefde. Op dezelfde manier leer Ik nu weer als Christus door
de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid de wet van de liefde. Wie deze
verwezenlijkt, onthult de eeuwige wet. De sluiers van egoïsme verdwijnen, en ziel en mens
staan dan in het licht van de waarheid.
Aan mensen in de geest is alles openbaar, omdat zij de wet des levens
vervullen. Thans (1989) onderricht Ik in alle details de weg tot de onbaatzuchtige liefde
en leidt alle goedwillenden, die bereid zijn hun menselijk ik op te geven, om goddelijk te
worden, naar het rijk Gods, dat binnen in ieder mens is.
Slechts die ziel en die mens, die vervuld zijn van Mijn Geest,
vervullen, wat Ik hen geboden heb. Mensen van de geest zullen geen onschuldige schepselen
gevangen nemen, gevangen houden of zelfs doden. Wie in de waarheid leeft, weet, dat in
ieder schepsel de oneindige liefde heerst en werkt. Mensen in de geest der waarheid leven
met de natuur en met al haar schepselen.
Op de weg naar het hart van Mijn Vader leer Ik (1989) de mensen,
zichzelf te erkennen en zichzelf als wezen uit God aan te nemen en in alle mensen en in
alles, wat op hen toekomt, het goede te vinden. Wie zijn ware Zijn erkent, onderhoudt het
gebod der geboden: »Hebt elkander onbaatzuchtig lief, zoals Ik jullie als Jezus heb
liefgehad en als Christus liefheb.« Mijn leer is de wet des levens. Wie deze
verwezenlijkt, is vervuld van de Geest van de Vader en leeft in Mij, de Christus. Allen,
die het gebod der geboden onderhouden, leven in Mij, en Ik werk door hen. Want door hen
vervul Ik, wat geopenbaard is: het rijk Gods op deze aarde.
De mensheid staat in een grote tijdsomwenteling. Ik, Christus, bereid
Mijn komst voor en geef Mijn boodschap via zonen en dochters van God door, die in de
opdracht van Mijn verlossing staan, zodat velen Mij vinden en één worden onder de wijde
mantel van het Universele Leven - want God is universeel leven, universeel Zijn.
8. Gezegend zullen degenen zijn, die zich onthouden
van alles, wat door bloedvergieten en doden werd verkregen; en die recht en
rechtvaardigheid beoefenen. Gezegend zijn jullie; want jullie zullen zaligheid
verkrijgen.« (Hoofdst. 20, 8)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
In de wending van de oude tijd, - de tijd onder de
causaalwet -, tot de Nieuwe Tijd, de lichttijd, openbaar Ik Mij uit alle zeven
basisstralen van God door de deelstraal van de goddelijke wijsheid. Een machtige
stralenband van de eeuwige waarheid stroomt door de goddelijke wijsheid tot de mensen. Nog
eenmaal wordt hen Mijn denken en leven als Jezus van Nazareth naderbij gebracht. Ook leer
Ik allen, die op Mij, de Christus, bouwen, weer de wetten van het leven en hun wetmatige
toepassing. Wie deze verwezenlijkt, begint toe te treden tot het vervulde leven, en bouwt
mee aan het vredesrijk van Jezus Christus, waarover in de voorbije tijdperken profeten en
verlichte mensen hebben verkondigd.
Waarlijk, waarlijk, zalig zijn zij, die zich aan Mij, de Christus,
houden, doordat zij het gebod der geboden vervullen. Zij zullen binden noch doden. Zij
zullen recht en rechtvaardigheid beoefenen, opdat er vrede kome onder de mensen. Want de
tijd is gekomen (1989), waarin Ik uit alle vier de windstreken degenen verzamel, die
ernaar streven te onderhouden, wat Ik hen geboden heb.
Weet: ondanks Mijn aanwijzingen en leringen zullen nog vele mensen door
hun oorzaken, die zij tegen beter weten in steeds weer scheppen, zichzelf vernietigen. Hun
zielen blijven echter behouden door Mij, de Verlosser. Al diegenen, die tegen beter weten
in de geboden des levens veronachtzamen, zullen zo lang aan Mijn linkerzijde staan, tot
zij Mij, de Verlosser, hebben aan- en opgenomen en de vrede en de liefde in zichzelf
vinden en bewaren - en zo tot de wet van liefde worden. Dan wisselen zij van links naar
rechts en zij zullen met Mij zijn, tot alle zielen aan Mijn rechterzijde staan, die Ik dan
als evenbeelden van God weer naar de Vader leid.
HOOFDSTUK 21
Jezus berispt de wreedheid tegen
een paard
De zelfzuchtige, egoïstische mens heerst
over de dieren en kwelt hen - Wie in God leeft, is één met alle schepselen (2-4). De
mens schendt en vernietigt het leven op aarde - Het uitsterven van vele diersoorten -
Betekenis van veel dieren voor het ecologische evenwicht - De wet van zaad en oogst geldt
ook in de omgang met de schepping (5). Onbaatzuchtige liefde, de sleutel tot begrip van en
hulp voor de naaste en tot inzicht in de causaliteitswet en het overwinnen daarvan -
Honger en dorst van de ziel naar de innerlijke bron (7). Het doden van dieren, ook als
offer, is een gruwel voor God - Ieder mens zou vrijwillig zijn ik moeten offeren -
Verkeerd Godsbeeld - »Oog om oog, tand om tand« (8) en »zo wil Ik jullie verstoten«
juist begrepen - Overlevering en interpretatie van bijbelse woorden (10). Aardse
rijkdommen en innerlijke rijkdom (11). Uiterlijke rijkdom is slechts geleend, om hem voor
velen in te zetten (12-13). De wet Gods is absoluut en zal vervuld worden - Het doopsel
met water, een symbool - Het »volbracht« - Christus leert nu de gehele waarheid (14). De
planning en voorbereiding van de verlossersopdracht en van het verlosserswerk - Vele
geestwezens staan in de opdracht,totdat alle valwezens zijn teruggekeerd (16)
1. Het geschiedde, dat de Heer de stad uit trok en
met Zijn discipelen over het gebergte ging. En toen kwamen zij aan een berg met zeer
steile wegen. Daar ontmoetten zij een man met een lastdier.
2. Het paard was echter ineengestort, want het was overbelast. De man
sloeg het, tot er bloed vloeide. En Jezus ging naar hem toe en sprak: »Jij zoon van
wreedheid, waarom sla je je dier? Zie je dan niet, dat het veel te zwak is voor zijn last
en weet je niet, dat het lijdt?«
3. De man echter antwoordde: »Wat heb Jij daarmee te maken? Ik kan
mijn dier slaan, zoveel het mij bevalt, want het is van mij en ik kocht het voor een mooie
som gelds. Vraag hen, die bij je zijn, zij zijn uit mijn buurt en weten het.«
4. En enkele van de discipelen antwoordden en zeiden: »Ja, Heer, het
is zoals hij zegt, wij waren erbij, toen hij het paard kocht.« En de Heer antwoordde:
»Zien jullie dan niet, hoe het bloedt en horen jullie niet, hoe het kreunt en jammert?«
Zij echter antwoordden en zeiden: »Nee, Heer, wij horen niet, dat het kreunt en
jammert.« (Hoofdst. 21, 1-4)
Ik, Christus, verklaar,verbeter
en verdiep het woord:
Zelfs als de mens een dier verworven heeft, is het
toch niet zijn eigendom. Zoals het geestelijke lichaam, de ziel in de mens, tot het
eeuwige Zijn behoort, omdat de Eeuwige het geestelijke lichaam heeft geschapen en het
geestwezen door de Eeuwige in het eeuwige Zijn leeft, zo werd ook het dier door de eeuwige
Scheppergeest geschapen en behoort tot dat leven, dat ís en eeuwig zal zijn - tot God.
De hele oneindigheid is dienende liefde, dienend leven: ook de mens is
door Mij, Christus, geroepen, zijn naaste op onbaatzuchtige wijze te dienen. Daartoe
behoort ook de overnaaste, het dier. Want ook het dier is met de gaven van onbaatzuchtig
dienen uitgerust en dient graag en bereidwillig de mens, die het liefheeft.
Als de mens zijn naasten, zijn medemensen dus, niet onbaatzuchtig
liefheeft, zal hij hen ook niet onbaatzuchtig dienen. Zijn zelfzuchtigheid brengt hij dan
eveneens over op de dieren- planten- en mineralenwereld.
Het dier kan niet spreken. Stil lijdt en duldt het en kan zijn pijn en
leed nauwelijks mededelen. Slechts diegene kan waarnemen, wat het dier aan leed en pijn
duldt, die mensen, dieren, planten en stenen onbaatzuchtig liefheeft.
De egoïstische mens, die wil heersen, verwacht, dat zijn medemensen
hem dienen. Hij verlangt ook van het dier, dat het hem dient boven zijn mogelijkheden en
krachten. Hij zelf bepaalt - en dient niet. Daarom berokkent hij mensen en dieren
onnoemelijk veel leed. Als de mens zijn medemensen afhankelijk van hem maakt - als het
ware tot slaven - dan zal hij ook de dieren onderdrukken. Wie niet meer naar zijn geweten
luistert, wordt hardvochtig tegenover mens en dier. Hij kijkt alleen nog naar zijn eigen
interesses, zijn eigenbelang. Hij vindt zichzelf heel belangrijk en vergeet daarbij, dat
zijn naasten en overnaasten, de dieren, onder zijn egoïstische heerschappij te lijden
hebben. Hij merkt dan ook niet meer, wat zijn naaste en het dier nodig hebben. Als de
zintuigen van de mens zijn afgestompt, is de hele mens gevoelsarm. Des te gevoeliger
reageert hij echter, als zijn eigen ik wordt aangesproken en zijn handelen in twijfel
wordt getrokken.
Erkent: wie alleen met deze wereld is, kijkt ook alleen maar naar zijn
kleine beperkte wereld van het ik. Daardoor wordt hij afgestompt ten opzichte van de wet
van het leven en wordt zo een geestelijk dode. Geestelijk doden zijn stom en doof voor het
ware leven. Zij zullen zo lang, als het volgens de wetten van de incarnatie nog mogelijk
is, weer in de materie geboren worden, om in hun steeds veranderende lot te ervaren en te
beleven, dat hun naaste, die naast hen staat en ook het dier, voelt en lijdt - temeer
omdat allen het leven uit God hebben.
Gelukkig degenen, die inzien, dat hun verdere bestaan kwelling of
vrijheid kan betekenen, omdat de mens oogst, wat hij zaait.
De tijd is nabij, waarin de zwaarbelaste zielen het tijdelijke leven
niet langer kunnen opzoeken, omdat dan het licht op de aarde woont. De schaduwen van het
menselijke ik kunnen dan de wereld niet langer beheersen, omdat Gods wil geleefd en
zichtbaar wordt.
Wie zijn leven aan God heeft gewijd, is onbaatzuchtig geworden. Zijn
leven staat dan in de onbaatzuchtige dienst van de naaste. De mens in de Geest van de Heer
spreekt niet meer van mijn en dijn. Hij leeft in Gods overvloed van eeuwigheid tot
eeuwigheid - in dat, wat God hem heeft nagelaten: al het Zijn, de eeuwigheid.
Wie dus waarachtig leeft, die schouwt wat geestelijk doden niet zien -
hij hoort, wat geestelijk doden niet kunnen horen: het leven, dat stroomt, uit mens, dier,
plant en steen, uit de hele oneindigheid. Want wie in Mij leeft, is één met alle mensen,
wezens, dieren, planten, stenen en met de hele oneindigheid. Hij verstaat de taal van de
liefde.
5. En de Heer werd verdrietig en sprak: »Wee
jullie, door de afgestomptheid van jullie hart horen jullie niet, hoe het klaagt en roept
tot zijn hemelse Schepper om erbarmen, en driemaal wee over hen, tegen wie het roept en
kreunt in zijn pijn!« (Hoofdst. 21, 5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wee degenen, die tegen mens, dier, plant, steen en
tegen alles zondigen, wat God hen tot het leven in Hem heeft gegeven! Het gemoed van veel
mensen is afgestompt. Hun menselijke ik denkt alleen aan eigen voordeel. Daarbij benadeelt
de egoïstische mens zijn medemensen en buit ook de natuurrijken uit. De mens van deze
tijd (1989) legde en legt de hand aan de grote aardmens, de aarde. Hij verontreinigt de
aarde, schendt het leven op haar en beïnvloedt door zijn omgang met de atoomkracht de
atmosfeer, evenzo met chemicaliën en andere stoffen. Hij schendt dus de aarde en alles,
wat daarop leeft en vernietigt haar atmosferische mantel, die haar en al het aardse leven
bescherming biedt.
Juist in deze tijdsomwenteling, de wending van de oude, zondige tijd
naar de lichttijd, roepen dier- en plantensoorten met hun gevoelskrachten, met de taal van
hun bewustzijn, tot hun Schepper om hulp en redding. Onvoorstelbaar lijden de dieren en
planten onder de uitwassen van het menselijke ik, het menselijke egoïsme. Het geknechte
leven roept om erbarmen en verlossing.
God, Mijn Vader, de schepper van alle levensvormen, heeft het geknechte
schepsel verhoord. Veel diersoorten sterven uit door de tegenstrijdige handelwijze der
mensen. Hun geestelijke krachten gaan ofwel terug in de aardziel, of naar de zuivere
gebieden van het eeuwige Zijn. Dat is voor velen een verlossing. Velen van hen komen
echter dan terug, als het licht op de aarde woont, omdat mensen in de eenheid met God
leven.
Weet: elke onuitgeboete misdaad en elke verkeerde handeling - zij het
aan mensen, dieren, planten, zelfs aan stenen, aan de hele aarde dus en aan de atmosfeer -
komt op de veroorzaker terug. Erkent: veel dieren zijn aan de mensen gegeven, opdat zij
hen dienen. Vele zijn gegeven, om het ecologische evenwicht te bewaren. Maar het juiste
wederkerige dienen kan er slechts zijn, als de mens de kindschapsliefde uit de
Vader-Moeder-God en de schepperliefde, die in het dier, in de planten en stenen werkzaam
is, heeft ontwikkeld. Dan kan hij ook met al het Zijn communiceren.
Waar zuivere communicatie bestaat, daar stroomt ook eeuwige, kosmische
energie. Waar de krachten der liefde echter gebonden zijn, daar heerst hardvochtigheid,
egoïsme en slavernij. Daar bestaat noch begrip, noch tolerantie, daar is slechts nemen en
geen stromen uit geven en ontvangen.
Het is de wet: wat de mens de geringste van Mijn broeders aandoet, zijn
medemens, dat heeft hij Mij, de Christus, aangedaan - en uiteindelijk ook zichzelf; want
wat de mens zaait, zal hij oogsten. De oogst komt steeds overeen met het zaad. Als de mens
tegen de eeuwige wet van onbaatzuchtige liefde zondigt, wendt hij zich af van de eeuwige
energieën, die hij nodig heeft voor een gezond leven, voor het welzijn van zijn ziel en
ook van zijn lichaam. Wie zich dus op de wereld en haar schaduwen richt, die wendt zich af
van Mij, het licht. En wie zich van Mij afwendt, treedt de schaduwen van het menselijke ik
binnen. Wie in de schaduw staat, lijdt en verkommert en wordt de slaaf van zijn ik en
maakt ook zijn naaste weer tot slaaf.
Erkent: slechts diegene laat zich tot slaaf maken van de heersersmens,
die zelf in de schaduw staat en daardoor reeds een slaaf is. Hij verkoopt zich dan aan de
heersersmens voor een paar zilverlingen en verraadt zodoende zijn ware Heer. Dat gebeurt
ten opzichte van mensen, dieren, planten, de aarde en de atmosfeer.
6. En Hij ging verder en raakte het paard aan en het
dier stond op en zijn wonden waren genezen. Tot de man echter sprak Hij: »Ga nu heen en
sla het voortaan niet meer, als ook jij hoopt erbarmen te vinden.«
7. En omdat Hij het volk naderbij zag komen, sprak Jezus tot zijn
discipelen: »Omwille van de zieken Ben Ik ziek, omwille van de hongerigen lijd Ik honger,
omwille van de dorstigen lijd Ik dorst.« (Hoofdst. 21, 6-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Omwille van de zieken Ben Ik ziek«, betekent: wie
onbaatzuchtig liefheeft, is open voor zijn naaste en kan ook in zijn hart de pijn, het
leed en de ziekte in zijn medemensen ervaren en voelen. Mensen, die onbaatzuchtig
klaarstaan voor hun naasten, ontvangen uit Mij de kracht, om de zieke troost en hulp te
geven. Mensen in Mijn geest dienen hun naasten onbaatzuchtig, als deze het wensen.
Erkent: ieder mens heeft de vrije wil en niemand mag zich aan zijn
naaste opdringen. Daarom moet de mens alleen dan hulp geven, als deze gewenst wordt.
De geest van de liefde stroomt door onbaatzuchtig dienende mensen naar
velen van Zijn mensenkinderen en laat hen hulp deelachtig worden. God staat Zijn
mensenkinderen in iedere situatie bij - ook door mensen, wier hart onbaatzuchtig slaat
voor hun medemensen. Wie onbaatzuchtig liefheeft, dient ook onbaatzuchtig. Daardoor komt
het goede in deze wereld: God.
Wie zijn eigen oorzaken erkent, kent ook de ketens van oorzaken, die in
deze wereld gebeuren, wier gevolgen leidden en leiden tot velerlei ziekten, kwalen en
pijn. Wie inzicht heeft in de wet van oorzaak en gevolg, kent ook de weg uit de
verwardheid en verstrikkingen van het menselijke ik. En wie de weg gaat uit leed, pijn,
ziekte en ellende, zal steeds minder oorzaken scheppen. Daardoor vermindert het slechte
zaad in de akker van het leven. In hem komt dan het goede zaad op, het leven in Mij, de
Christus.
»... Omwille van de hongerigen lijd Ik honger, omwille van de
dorstigen lijd Ik dorst« betekent: Ik ondervond als Jezus van Nazareth en weet als
Christus, waarom veel van Mijn mensenkinderen gebrek hebben aan voedsel en waarom zij
dorst lijden. Ik schouwde als Jezus het tekort en weet het als Christus. Het tekort is het
gebrekkige licht in de ziel. De ontwaakte ziel hongert en dorst naar Mij, de Christus. Een
in Mij ontwaakte ziel zal niet eerder rusten, dan dat de mens inziet, waarom hij honger en
dorst heeft. Heeft de mens de nood van de ziel ingezien en brengt hij met Mijn kracht het
erkende, dat geleid heeft tot lichtarmoede van de ziel, in het reine, dan ademt de ziel op
en de mens wordt weer gezond.
Erkent: de ziel leeft alleen van het licht van God. Heeft zij te weinig
daarvan, dan wordt het lichaam ziek - of de mens moet honger en dorst lijden; al naar
gelang, welk zaad hij in de akker, in zijn ziel, heeft gelegd.
Iedere dorstige verlangt naar de bron, naar water. Stroomt de bron van
innerlijk leven in de mens slechts mondjesmaat, omdat hij zich heeft afgewend van de bron,
dan lijden ziel en mens. Wie in God leeft, voelt het leed van zijn naaste en zal niet
eerder rusten, tot alle zielen en mensen bij de bron van het leven zijn aangekomen en de
zielen zich met de oorsprong van de bron verenigen, om dan weer zelf de bron te zijn.
Totdat alle mensen en zielen in dit geestelijke bewustzijn leven, zal
Ik als Verlosser met de mensen en zielen zijn en hun ziekten, hun honger en dorst mee
ervaren, de honger stillen en de dorst lessen - tot al het menselijke is opgelost en de
ziel weer de bron uit God zelf is, het geestwezen van de hemel, het evenbeeld Gods.
8. En Hij zei ook: »Ik Ben gekomen, om de offers en
de bloedfeesten af te schaffen. Als jullie niet ophouden, vlees en bloed van dieren te
offeren en te eten, zal de toorn van God niet aflaten over jullie te komen; zoals hij over
jullie voorvaderen in de woestijn is gekomen, die het vleesgenot botvierden, vol verderf
waren en wegteerden door plagen. (Hoofdst. 21, 8)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Ik Ben gekomen, om de offers en de bloedfeesten af
te schaffen« betekent: Ik Ben gekomen om jullie het evangelie, de wet van de liefde te
leren en het jullie voor te leven, opdat jullie inzien, dat alleen die mens in zijn
innerlijk rijk is aan geestelijke kracht, die de wetten van God in acht neemt. Mensen, die
innerlijke waarden bezitten, zal het aan niets ontbreken. Want wie in zijn hart rijk is,
is met zijn naaste en niet tegen hem - en daardoor voor God, het leven, dat overvloed is.
Mensen met innerlijke waarden zijn ook met de dieren- en plantenwereld en niet tegen de
schepping van God. Wie tegen zijn naaste is, zal tegen hem strijden en hem doden. En wie
tegen zijn naaste is, is ook niet voor ander leven - noch dat van de dieren, noch dat van
planten en stenen.
Wie tegen het leven in Mij, de Christus, is, hongert en dorst naar
succes, rijkdom, macht en aanzien. Voor zijn feesten en eetpartijen doodt hij dieren en
eet hun vlees. Daarmee laat hij zien, dat hij ver van God is.
Voor God, de Eeuwige, zijn ook dierenoffers een gruwel. Hij wil niet,
dat Hem dieren geofferd of toegewijd worden. God heeft alle vormen van het Zijn, het leven
gegeven, dus ook de dieren. Waartoe moeten zij Hem geofferd worden, terwijl toch Hij, het
leven, zelf in hen woont?
Als de mens echter zijn menselijke ik, zijn hartstochten en begeerten
Mij, de Christus, zou opofferen en een leven naar Gods wil, een godvruchtig, dus een aan
God gewijd leven zou nastreven en leiden, zou dit tot eenheid van alle levensvormen
bijdragen. God is de Geest van de liefde en de vrijheid! Daarom zou ieder mens vrijwillig
zijn ik moeten offeren. Dan pas wordt hij zachtmoedig en van harte deemoedig en komt tot
de grote eenheid: God. Deze ontwikkeling van de mens tot Hem, heeft God in Zijn kinderen
lief.
En wie zich aan de eeuwige Vader-Moeder-God overgeeft, door zijn
menselijke ik om te vormen tot het Goddelijke, zal geen dieren slachten, noch hun vlees
eten en ook geen dier moedwillig doden. Zulke mensen zullen ook de plantenwereld met
onbaatzuchtige liefde tegemoettreden, omdat ook zij een scheppingsgeschenk van God aan
Zijn mensenkinderen is. De planten en de vruchten van het veld en het bos, schenken
zichzelf bereidwillig aan de mens en willen hem tot voedsel dienen en tot geneesmiddel
voor zijn zieke lichaam.
De "toorn Gods" komt uit de
voorstellingswereld van de heidenen, die in het oude verbond nog zeer levendig was: men
meende, dat de "goden" wraak wilden nemen op de mensen. Het zou goed zijn, als
de zondige mens zou inzien, dat hij de zogenaamde "toorn Gods" zelf heeft
geschapen. De "toornige God" is het menselijke ik, dat wraak uitoefent op
datgene, wat hij zelf heeft veroorzaakt, want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
Ook de woorden "oog om oog, tand om tand", werden en worden
verkeerd begrepen. De mens moet zich niet op zijn naaste wreken en kwaad met kwaad
vergelden. Hem is geboden zijn naaste te vergeven, hem om vergeving te vragen en hetzelfde
of iets dergelijks niet meer te doen. Wie dit gebod niet navolgt, begeeft zichzelf in de
wet van oorzaak en gevolg. Die luidt: "oog om oog, tand om tand". Dan zal hij
oogsten - "oog om oog, tand om tand", wat hij gezaaid heeft.
Erkent: vroeg of laat zal het kwade, overheersende ik, de ik-god van de
mens, ineenstorten - op zijn laatst, wanneer de oorzaken uit de ziel vloeien: hetgeen de
mens gezaaid heeft.
Erkent voorts: het leed der dieren en het vlees der moedwillig gedode
dieren, dat gegeten werd, ondermijnt weer het lichaam van de mens. De gevolgen zijn
ziekten en plagen. Het zijn de gevolgen op deze of gelijksoortige oorzaken.
9. En Ik zeg jullie, zelfs als jullie in Mijn schoot
verzameld zijn, Mijn geboden echter niet in acht nemen, zal Ik jullie verstoten. Want, als
jullie niet de verborgen kennis in het kleinste willen vervullen, hoe zal Ik jullie dan
het grotere geven?
10. Wie getrouw is in het kleinste, zal ook getrouw zijn in het grote;
en wie onrechtvaardig is in het kleinste, zal ook onrechtvaardig zijn in het grote.
(Hoofdst. 21, 9-10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»En Ik zeg jullie, zelfs als jullie in Mijn schoot
verzameld zijn, Mijn geboden echter niet in acht nemen, zal Ik jullie verstoten«,
betekent: ook als de mens: »Heer, Heer« roept en veel over Mij spreekt en over het
evangelie van de liefde, echter in zijn leven niet verwezenlijkt en datgene niet navolgt,
waarover hij spreekt, dan zal hij zichzelf - door zijn menselijke ik - verstoten. Daardoor
treedt hij buiten de wet van liefde en schept oorzaken, wier gevolgen over hem zullen
komen, als hij deze niet tijdig erkent, berouwt en zoiets niet meer doet. Niet het Ik Ben,
God, verstoot de ziel en de mens. De mens wendt zich zelf af van de wet van de liefde en
het leven; hij schept daardoor zijn eigen wet, waaronder hij dan lijdt. Want de mens zal
datgene ontvangen, wat hij gezaaid heeft. Streeft er daarom naar, in Mijn schoot te
blijven, door een leven in Mij, de Christus, door onbaatzuchtige liefde en onzelfzuchtige
werken.
De uitspraak »dan zal Ik jullie verstoten« komt nooit uit de Geest
Gods, die Ik Ben. De zin van deze uitspraak is: door jullie eigen kleine ik werpen jullie
je ziel in het dal der oorzaken, waaronder jullie dan zullen lijden. Want alleen het ik
van de mens bouwt in de ziel en in het fysieke lichaam de wet van oorzaak en gevolg op.
In veel oude teksten, die in vroegere tijden werden gegeven en steeds
weer herschreven en vertaald werden, slopen zegswijzen uit de tijd van vóór en na het
oude verbond binnen. Wanneer degenen, die deze teksten herschreven en vertaald hebben, nog
in deze voorstellingswereld gevangen waren, dan gebruikten zij ook deze begrippen en namen
zij in de nieuwe tekstversies over, in de mening, dat zij de betreffende tekst juist
hadden begrepen en daarom ook juist hadden herschreven en vertaald.
Ook in jullie zogenaamde bijbels werden steeds weer zulke oude
begrippen overgenomen. Dat gebeurt ook nu nog (1989). Ook daarom kunnen veel
bijbelkundigen en theologen Mijn geopenbaarde woord voor de huidige tijd en voor de Nieuwe
Tijd, de lichttijd, niet begrijpen. Door de starre toepassing van zulke begrippen kwam
veel mensenwerk in de bijbels terecht. Niet altijd werd de tekst bewust verkeerd
geïnterpreteerd - het sloop er vaak onbewust, uit menselijke overtuigingen in. De oude
spreekvormen en de oude begrippen, waarmee de goddelijke waarheid in menselijke woorden
werd weergegeven, hebben echter in de huidige tijd (1989) vaak een andere inhoud en
betekenis.
Had de mensheid geluisterd naar de door God gezonden profeten - ook
binnen de institutionele kerken - en had zij vervuld, wat God door Zijn instrumenten
leerde; had de mensheid ook geluisterd naar datgene, wat Ik als Jezus van Nazareth geleerd
en voorgeleefd heb, dan zou dit tijdperk vol zijn van licht, dus van waarheid - en er
waren geen profeten meer nodig geweest.
Erkent: wie het kleinste gebod, begrip en tolerantie tegenover zijn
medemensen op te brengen en hun vrije wil te achten, niet vervult, kan ook het grootste
gebod, het gebod van de liefde, niet vervullen. Wie de wet van oorzaak en gevolg niet
aanvaardt en daarom zijn naaste als schuldige veroordeelt, hoe kan hij het grotere
ontvangen, de wet van liefde, het waarachtige leven?
Kennis is geen wijsheid. De goddelijke wijsheid blijft verborgen voor
degene, die slechts kennis verzamelt.
Wie in de kleinste dingen trouw, oprecht en eerlijk is tegenover
zichzelf, is het ook jegens zijn naaste. Zulke mensen zullen dan ook grote dingen
volbrengen, die duurzaam zijn, omdat zij in Mijn wil leven. Wie echter in het kleinste
hebzuchtig, afgunstig, jaloers en begerig is, zal ook dan, als het om grotere zaken en
aangelegenheden gaat, overeenkomstig denken, spreken en handelen.
Weet: uit afgunst, jaloezie, hebzucht en strijd ontstonden oorlogen,
moord, vernietiging en tweespalt onder de volkeren.
Gesproken voor de mensen in het lichte vredesrijk: zo was het ook nog
in de tijd, waarin Ik dit werk door de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid
heb geopenbaard, in het begin van de machtige tijdsomwenteling.
11. En als jullie niet trouw zijn geweest in de
zondige, aardse goederen, wie zal jullie dan de ware rijkdommen toevertrouwen? En als
jullie niet trouw zijn geweest in datgene, wat van een ander is, wie zal jullie dan dat
geven, wat van jullie is? (Hoofdst. 21, 11)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Als jullie je aardse goederen als jullie eigendom
beschouwen, en er alleen op bedacht zijn, het voor jullie eigen doeleinden te
vermeerderen, dan zijn jullie innerlijk verarmd, want jullie beheren het bezit niet op
wetmatige wijze - tot welzijn van velen. God zal jullie dan niet de ware rijkdommen
toevertrouwen: de wet van het leven in deze wereld te brengen. Want wie de wet van de
liefde en het leven niet vervult, is geestelijk verarmd. En als jullie je naasten hebben
bedrogen, de wetten van het leven en de liefde dus niet trouw zijn gebleven - hoe kunnen
jullie dan het hemelrijk, het onbaatzuchtige leven, bereiken?
Wie de hemel wil binnengaan, moet innerlijk rijk zijn - rijk aan
innerlijke waarden en goddelijkheid. Wie voor zichzelf op aarde rijkdommen verworven heeft
en deze als zijn eigendom beschouwt, is in de geest van het leven arm. Want wat hem aan
uiterlijke rijkdom gegeven is, werd hem slechts toevertrouwd, om daarmee het
gemeenschappelijk welzijn op aarde te bevorderen, dat wil zeggen: één voor allen - en
allen voor één.
Wie de aardse rijkdommen als zijn eigendom beschouwt en als zijn
verdienste, is niet beter dan degene, die zijn naaste om zijn have en goed benijdt en het
hem tracht weg te nemen of zich ermee wil verrijken.
Wie echter eerst naar het hemelrijk streeft, heeft in zichzelf het
eeuwige leven erkend en het bewust aan- en opgenomen.
Wie de innerlijke rijkdom ontwikkelt, zal ook als mens aan niets gebrek
hebben. Want God, de Vader-Moeder-God, zorgt voor Zijn aardse kinderen, opdat zij geen
gebrek hoeven te lijden. Als mensen echter gebrek hebben en honger lijden, hebben zij in
vorige levens hun medebroeders- en zusters het brood geweigerd en de hulp ontzegd, of als
mensen met kennis hen vaak niet wetmatig geleid volgens het gebod »bid en werk«.
God heeft aan vele mensen een uiterlijk vermogen toevertrouwd, opdat
zij het inzetten voor het gemeenschappelijk welzijn en op de juiste manier vermeerderen,
tot welzijn van allen. Wie lijdt en gebrek heeft, moet troost en hulp ontvangen van hen,
die God de gaven daartoe gegeven heeft, zodat zij deze op de juiste wijze onder Zijn
noodlijdende en hongerende kinderen verdelen. Het moet echter wetmatig worden verdeeld
volgens het gebod »bid en werk«.
12. Niemand kan twee heren dienen. Want hij moet
ofwel de ene haten en de andere liefhebben; of hij moet vóór de ene zijn en de andere
minachten. Jullie kunnen niet God en de mammon tegelijk dienen.« En de farizeeën, die
hebzuchtig waren, hoorden al deze woorden en bespotten Hem.
13. En Hij sprak tot hen: »Jullie zijn het, die zich voor mensen
rechtvaardigen; maar God kent jullie harten: want wat onder de mensen hoog wordt
ingeschat, is een gruwel in het aangezicht Gods. (Hoofdst. 21, 12-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Niemand kan twee heren dienen. Wie zich echter aan
de ene Heer, de Vader-Moeder-God, toevertrouwt, door Gods wil te vervullen, zal God ook in
zijn naaste dienen en zal zichzelf niet hoger schatten dan zijn naaste. Wie echter de
uiterlijke rijkdom zijn eigendom noemt, zal op zijn naaste neerkijken en hem
geringschatten. Zulke mensen zijn vaak zelfzuchtig, angstig en kleinzielig en jegens hun
naaste wantrouwend en argwanend, want zij zijn van mening, dat hun naaste hen zou kunnen
bedriegen en hun rijkdom ontvreemden, die zij volgens de wetten van het leven helemaal
niet bezitten - die hun slechts geleend is, opdat zij het op de juiste wijze inzetten voor
velen. Zulke mensen houden alleen van zichzelf en hun schijnbare rijkdom en stellen zich
op tegen allen, waarvan zij denken, dat zij hen willen beroven.
Te allen tijde waren en zijn er farizeeën, die mooie praatjes hebben
en veel argumenten en uitvluchten, om datgene te behouden, wat zij zich als hun schijnbaar
eigendom hebben toegeëigend.
Erkent: eenieder, die zich verdedigt en rechtvaardigt, klaagt zichzelf
aan en getuigt van wie hij is. God kent al Zijn kinderen! Hij kijkt niet naar het gepraat
van de mensen, maar in hun hart. Voor de Eeuwige is niets verborgen. Als de tijd rijp is,
laat Hij alles openbaar worden, opdat elke zondaar zichzelf erkent, opdat hij berouwt, om
vergeving vraagt, vergeeft, weer goedmaakt en zoiets niet meer doet, zodat hij zich weer
vindt in God.
Daartoe leer Ik, Christus, in deze tijd (1989), weer de Innerlijke Weg,
opdat alle mensen, die van goede wil zijn, zichzelf herkennen, God weer vinden en tot
eenheid komen met Hem en met hun naasten, door de zoon, die Ik Ben.
14. De wet en de profeten golden tot Johannes. En
vanaf deze tijd wordt het rijk Gods gepredikt en eenieder gaat er binnen. Het is echter
gemakkelijker, dat hemel en aarde vergaan, dan dat een puntje van de wet niet vervuld zou
worden.« (Hoofdst. 21, 14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»De wet en de profeten golden tot Johannes«
betekent: de wet, die de profeten hebben geleerd, werd tot het verschijnen van Johannes
openbaar. Wat de profeten uit de wet Gods bovendien nog hebben geleerd, dat heb Ik als
Jezus verdiept en leefde het de mensen voor. Daarop bouwde Ik als Jezus en begon het rijk
Gods en zijn wetten te verkondigen, dat de profeten vóór Johannes reeds hadden
aangekondigd. Iedere ziel gaat het rijk Gods binnen, die de wetten des levens
verwezenlijkt en in acht neemt.
De wet Gods is absoluut. Daarvan kan geen jota afgenomen worden. De wet
van de Eeuwige zal zich ook op en in de aarde en in de reinigingsgebieden, in alle
facetten van het leven vervullen. Ik Ben als Jezus van Nazareth gekomen, om de wet Gods te
vervullen; en wie in Mijn voetsporen treedt, zal doen zoals Ik het geleerd, voorgeleefd en
daarmee geboden heb.
In dit tijdperk (1989) leer Ik, Christus, door Mijn profetes en
verkondigster, opnieuw de eeuwige wet en leid de Mijnen het rijk van het innerlijk binnen.
Ik leer hen ook opnieuw de eeuwige wetten voor het rijk Gods op deze aarde. Wie in Mijn
voetsporen, in die van de Nazarener, treedt, is de medestichter en medebouwer van het
vredesrijk van Jezus Christus op aarde.
Ik, Christus, kwam dus in Jezus in deze wereld, om het rijk Gods op
aarde te verkondigen en de wetten van het rijk Gods te onderwijzen.
Met de woorden »onderwijst en dan doopt« bedoelde Ik het doopsel door
de Heilige Geest. Want, wie de lessen uit de geest heeft ontvangen en vervuld, is de
geestelijk gedoopte; hij heeft het doopsel met water niet meer nodig. Het doopsel met
water kan slechts nog als symbool gelden. Want ieder mens, die de wetten van God
verwezenlijkt, is door de Geest des levens gedoopt en kan de hemel binnengaan, omdat hij
de wet des levens, God in Mij, de Christus, vervult.
Ik, Jezus, ontving door Johannes het doopsel met water als symbool en
van toen af begon Ik te prediken en te onderwijzen en de mensen het rijk Gods naderbij te
brengen. Tegelijkertijd kwam ook de deelkracht uit de Oerkracht, het lichtpotentieel voor
alle gevallen en belaste zielen, in de Oercentraalzon steeds meer in actie. En zoals Ik,
als Jezus van Nazareth, het rijk Gods predikte en de weg er naartoe, de wet van liefde
onderwees en voorleefde, zo deden het alle latere profeten, die Ik na Mijn
"volbracht" zond, en zo zal Ik het ook in het vervolg doen, tot veel mensen in
de vervulling van de eeuwige wetten leven.
Erkent: door het "volbracht" is elke ziel de evolutieweg naar
de eeuwige hemelen gegeven. Geen ziel zal achterblijven, want in allen, ja zelfs in de
demon, is het verlosserslicht - het licht van de ziel - dat haar voor de oplossing
behoedt.
Alleen degene, die weer tot de absolute wet van de liefde is geworden,
tot geestwezen, zal in de woningen terugkeren, die de eeuwige Vader voor hem heeft
klaarstaan. Want iedere weer rein geworden ziel moet de wet Gods helemaal vervullen; er
mag geen puntje van de wet onvervuld zijn.
Ik, Christus, openbaar Mij opnieuw in deze tijdsomwenteling (1989), die
leidt naar het nieuwe tijdperk, het vredesrijk van Jezus Christus. Door de goddelijke
wijsheid komt de allesomvattende wet Gods weer op deze aarde, in alle details. Allen, die
van goede wil zijn, vinden niet alleen de weg uit de wet van oorzaak en gevolg; zij
ontvangen tevens de lessen en aanwijzingen, hoe zij de eeuwige wet des levens op deze
aarde alomvattend kunnen toepassen.
Ik, Christus, onderwijs in deze tijd dus de gehele waarheid. Wie uit de
waarheid is, begrijpt de zin van het door Mij in woord en schrift geopenbaarde. Want
mensen, die de Eeuwige naderbij komen, zijn niet meer gebonden aan het woord en ook niet
meer aan de letter. Woorden en letters zijn slechts tekens.
Mensen, die de Innerlijke Weg van de liefde bewust stap voor stap gaan,
zullen niet meer vragen, wat achter de zogenaamde geheimen van God staat. Voor hen wordt
alles openbaar, omdat de mens, die dichter bij het innerlijke leven komt, zijn geestelijke
bewustzijn ontsluit, dus nederdaalt in de eeuwige wet, God, die alleen voor hen gesloten
is, die het niet verwezenlijken en in acht nemen.
Nu reeds zijn die mensen rijk in de geest des levens, die de weg der
liefde bewandelen en in de gemeenschap met hun naasten leven. Zij kunnen zeker zijn, dat
zij nu al aan Mijn rechterzijde staan.
Ik, herhaal: deze tekst uit het boek: »Het evangelie van Jezus«,
verklaar en verbeter Ik, Christus, voorzover de toenmalige begrippen en woorden met die
van deze tijd niet meer overeenkomen, omdat hen een andere zinsinhoud toegekend wordt. Ook
belangrijke onwetmatige interpretaties, die - mede door vertalingen - erin zijn geslopen,
verbeter Ik. Ik verdiep ook de uiteenzettingen en voeg verdere wetmatigheden toe. Daardoor
zullen al degenen, die in het vredesrijk van Jezus Christus zullen leven, niet alleen
inzicht krijgen in datgene, wat zich in Mijn tijd als Jezus van Nazareth heeft afgespeeld,
maar ook in dat, wat tot aan het ontwakende vredesrijk van Jezus Christus is geschied.
15. En er kwamen meerdere vrouwen tot Hem en
brachten hun kinderen, die zij aan de borst hadden, tot Hem, opdat Hij hen zou zegenen.
Enkelen echter zeiden: »Waarom vallen jullie de Meester lastig?«
16. Maar Jezus berispte hen en sprak: »Van dezen zullen degenen komen,
die Mij aan de mensen zullen verkondigen.« En Hij nam hen in Zijn armen en zegende hen.
(Hoofdst. 21, 15-16)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Met de woorden »Van dezen zullen degenen komen, die
Mij aan de mensen zullen verkondigen,« duidde Ik de komst aan van hen, die met Mij in de
opdracht van de Vader-Moeder-God staan, om alle gevallen en belaste zielen en mensen aan
het hart van de liefde terug te brengen.
In het eeuwige Zijn, in de eeuwige stad Jeruzalem, werd in
tegenwoordigheid van de eeuwige Vader de verlossersopdracht in alle details gepland en
voorbereid. Ieder wezen, dat voor deze opdracht koos, bracht een of meer bouwstenen uit
het grote mozaïek van het verlossersplan in, als zijn liefde- en hulppotentieel voor de
gevallen en belaste zielen, in de Oercentraalzon en in de prismazonnen, dat wil zeggen, in
de wezenheids- en eigenschapszonnen. Uitgaande van de Oercentraalzon en de wezenheids- en
eigenschapszonnen, die de basiskrachten van de oneindigheid zijn, straalde de opdracht
voor de verlossing in alle valwerelden en in de atmosfeer van deze aarde binnen.
Gedurende dit machtige gebeuren namen de zonen en dochters van God hun
aandeel aan het werk van de verlossing ook in hun geestelijk lichaam op.
Vele zonen en dochters van God namen het besluit, het verlosserswerk
met Mij, Christus, uit te voeren, tot de laatste ziel weer in het eeuwige Zijn is. Maar
niet ieder geestwezen, dat onder de verlossersopdracht staat, zal tot het laatste met Mij,
Christus, werken, dat wil zeggen, tot alle wezens weer de reinheid hebben bereikt. Deze
geweldige hulpaktie - tot de laatste ziel weer thuisgekomen is,- is de taak van die
wezens, die zich hiertoe verplicht hebben en die hoofdzakelijk uit het centrum van al het
Zijn, uit het heiligdom komen, waar de val zijn aanvang heeft genomen. Het zijn degenen,
die via het geslacht David in deze wereld kwamen en zo lang steeds weer op de aarde komen,
tot het vredesrijk van Jezus Christus zijn hoogtepunt heeft bereikt. Zij staan tot het
laatst met Mij in de verlossersopdracht en zijn met Mij, Christus, de
hoofdverantwoordelijken in Mijn verlosserswerk.
Ieder geestwezen, dat de verantwoordelijkheid voor het verlosserswerk
mede op zich nam, bracht uit de aanleg van zijn geestelijke mentaliteit het passende
geestpotentieel in. Dit ingebrachte geestelijke potentieel der zonen en dochters Gods
bereidde Mij, Christus, en henzelf, de weg via de valrijken, die na het
"volbracht" tot reinigingsgebieden werden. Hun ingebrachte geestelijke
potentieel bestaat uit de verschillende geestelijke mentaliteiten, waarmee zij in het
menselijke gewaad de overeenkomstige bekwaamheden voor het vredesrijk van Jezus Christus
ontwikkelen.
Zo hebben dus talrijke zonen en dochters Gods, die in de opdracht van
de verlossing staan, een deel van hun geestelijke potentieel voor het naar huis brengen
van alle kinderen Gods, in de opdracht ingebracht en werken thans in het werk van de
verlossing. De ontwaakte zielen, die in het aardse gewaad voor Mij hebben gekozen, nemen
hun plaats, overeenkomstig hun opdracht, in het grote geheel in en dienen in het werk van
de verlossing, dat ook hun werk is. Zij dragen in zich de stralende opdracht, om alle
zielen en wezens naar huis te brengen, naar het grote, eeuwige Oerlicht, God.
Het geslacht David en zonen en dochters van God uit de andere
geslachten, vormen één groot, machtig volk, het volk Gods op deze aarde. Velen van hen
hebben zich in incarnaties belast en kunnen nog niet door Mij, de Christus, worden
aangesproken, omdat hun hart nog ver van Mij is. Andere zonen en dochters Gods, die in de
opdracht staan, bevinden zich nog op de weg, om dat deel van de opdracht te vervullen, dat
hen is opgedragen. Sommigen onder hen gingen weer terug naar de "wereld", omdat
zij nog te zeer aan de wereld gehecht waren. Hun zielen hebben echter Mijn roep vernomen
en zullen, wanneer de tijd daar is, weer terugkeren tot hun opdracht, in het werk der
verlossing. Hun terugkeer hoeft niet in deze incarnatie, in dit aardse bestaan (1989) te
zijn. Het kan ook nog in latere incarnaties gebeuren, want Mijn vredesrijk op deze aarde
is pas in opbouw.
Weer andere zonen en dochters Gods groeien geleidelijk naar hun taak
toe en nemen hun opdracht bewust aan.
Nog anderen staan al volledig in de opdracht en vervullen, wat zij
daarvoor aan geestelijk potentieel in de Oercentraalzon, in de zeven basiskrachten der
schepping, in de valwerelden en in de atmosfeer hebben ingegeven.
Veel zonen en dochters Gods, die in de opdracht staan en andere
kinderen der liefde, die in de geest des levens zijn ontwaakt, zullen de zoon Gods als
Verlosser van alle zielen en mensen verkondigen, tot alle zielen de verlossing bewust
hebben aangenomen en zich begeven op de weg naar de voleinding.
De zonen en dochters Gods, die via het geslacht David in de wereld
kwamen en komen, blijven in de opdracht van de verlossing, tot alles voltooid is. Dat
duidde Ik als Jezus van Nazareth reeds aan, toen Mij enige vrouwen hun kinderen brachten,
opdat Ik hen zou zegenen. Aan de straling van de kinderen herkende Ik, welke ziel tot de
opdracht van de verlossing behoorde. Ieder wezen, dat in de verlossersopdracht staat,
heeft in zijn geestelijke lichaam een stralingszegel. Dit straalt ook uit door het aardse
lichaam, door het Christuscentrum, dat in de nabijheid van het hart werkzaam is.
HOOFDSTUK 22
De opwekking van de dochter van
Jaïrus
Voorwaarden voor genezing van het lichaam -
De Christus is in jou (2-5). De opwekking van »doden« (6-12)
1. En zie, daar kwam één van de oversten van de
synagoge, met name Jaïrus. En toen hij Hem zag, wierp hij zich aan Zijn voeten en smeekte
Hem en zei: »Mijn dochtertje ligt op sterven. Ik smeek Je, kom en leg Je handen op haar,
opdat zij weer gezond wordt en leeft.« En Jezus ging met hem mee, en veel mensen sloten
zich bij Hem aan en drongen om Hem heen.
2. En er was een vrouw, die sinds twaalf jaar aan bloedverlies leed en
zij had bij veel artsen al veel doorstaan en had alles, wat zij bezat, daaraan uitgegeven;
en het was niets beter geworden, maar zelfs verergerd.
3. Omdat zij van Jezus gehoord had, drong zij zich achter Hem en raakte
Zijn gewaad aan. Want zij zei bij zichzelf: »Als ik alleen maar Zijn gewaad aanraak, zal
ik gezond worden.« En meteen hield het bloeden op. En zij voelde het in haar lichaam, dat
zij van haar plaag genezen was.
4. En Jezus merkte zelf meteen, dat er een kracht van Hem uitgegaan
was, en wendde zich tot het volk, dat om Hem heen drong, en sprak: »Wie heeft Mijn gewaad
aangeraakt?« En Zijn discipelen zeiden tot Hem: »Je ziet, dat de menigte opdringt, en
Jij spreekt: "Wie heeft Mij aangeraakt?"
5. En Hij keek om naar degene, die het had gedaan. De vrouw echter was
vol vrees en beefde (want zij wist, wat er met haar was gebeurd), kwam en viel voor Hem
neer en zei Hem de hele waarheid. Hij echter sprak tot haar: »Mijn dochter, je geloof
heeft je gezond gemaakt. Ga in vrede, en wees genezen van je ziekte.« (Hoofdst. 22, 1-5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wat toen gebeurde, kan ook nu gebeuren. Want ziet,
jullie die Mijn woorden lezen, de Christus gaat niet meer in Jezus over deze aarde - de
Christus, o mensenkind, is in jou! En waar je ook bent, waar je ook gaat: Ik Ben in jou de
kracht van de verlossing, die ook de genezing van je lichaam tot stand brengt, als dat
goed is voor je ziel. Jij, o mens, hoeft Mij niet te zoeken - je vindt Mij in jezelf! Je
hoeft niet hier- of daarheen te gaan - Ik Ben in jou! En overal waar jij bent, Ben Ik.
Trek je terug in een stille kamer en treed het hartekamertje binnen, om van harte te
bidden. Breng Mij, die in jou zijn woning heeft genomen, in gebed je hartewensen, en
geloof, dat Ik alles vermag.
En als je in je geloof geen twijfel aan Mij toelaat, zal datgene
gebeuren, dat goed voor je is en het heil van je ziel dient. Zoals toen geldt ook nu de
wet: je geloof heeft je geholpen. En als je niet meer zondigt - door je in te spannen, de
geboden van het leven te onderhouden -, is de bede in je ziel al verhoord. In je ziel en
aan je lichaam zal de genezing zich dan uitwerken, als het tot verdere ontwikkeling van je
ziel dient.
6. Terwijl Hij nog sprak, kwamen er enkele bedienden
van de overste van de synagoge en zeiden: »Je dochter is gestorven. Wat val je de Meester
verder lastig?«
7. Maar zodra Jezus de woorden hoorde, die daar werden gezegd, sprak
Hij tot de overste van de synagoge: »Vrees niet, geloof slechts !« En Hij stond niemand
toe, Hem te volgen, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus.
8. En Hij kwam in het huis van de overste van de synagoge en zag de
toeloop en de tempelzangers, en allen weenden en klaagden luid.
9. En toen Hij binnengekomen was, sprak Hij tot hen: »Waarom
lamenteren en wenen jullie zo? Het meisje is niet gestorven, ze slaapt slechts.« En zij
lachten Hem uit; want zij dachten, dat zij dood was, en geloofden Hem niet. Maar nadat Hij
hen allemaal naar buiten had gejaagd, nam Hij twee van Zijn discipelen met zich mee naar
de plaats, waar het meisje lag.
10. En Hij greep het meisje bij de hand en sprak tot haar: »Talitha
Kumi!« Dat betekent zoveel als: »Meisje, Ik zeg je, sta op!«
11. En meteen verhief het meisje zich en liep rond. Zij was twaalf
jaar. En zij verbaasden zich bovenmatig.
12. En Hij beval hen streng, dat niemand het bekend zou maken, en
gebood, haar iets te eten te geven. (Hoofdst. 22, 6-12)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Erkent in de diepte van jullie harten Mijn werken -
niet alleen als Jezus van Nazareth, maar ook als Christus Gods! Want Ik Ben weer tot
jullie gekomen in de geest van de liefde, om jullie te helpen en te dienen.
Zolang het zilveren koord - ook informatieband genoemd - dat ziel en
lichaam verbindt, nog niet van het lichaam gescheiden is, bestaat de geestelijke kringloop
nog en stromen de levensenergieën nog uit de onbelastbare wezenskern, God, in de ziel -
van de ziel in het lichaam en van het lichaam weer terug naar de ziel en naar de
wezenskern, God. Dat zag Ik bij het meisje en sprak eerst stil met de kracht van Mijn
Vader in Mij, het in Mij wonende Ik Ben. Daarna bracht Ik een geestelijke verbinding met
de ziel van het kind tot stand en liet via haar meer kosmische krachten vloeien naar het
zilveren koord. Via de wezenskern van de ziel stroomde dan deze versterkte levensenergie
de ziel binnen en via de ziel in de hersencellen en in het organisme van het kind. Zo
wekte Ik de mens op uit de zogenaamde dood.
Op deze wijze haalde Ik allen terug in het lichaam, van wie de tijd op
aarde nog niet afgelopen was. Zij zouden slechts van de aarde zijn gegaan vanwege
uiterlijke omstandigheden, die de ziel het houvast hadden ontnomen, en die haar daardoor
vroeger dan volgens de kosmische wetten voor haar was bepaald, uit het lichaam zouden
hebben gedreven.
In de wet des levens staat geschreven, dat voor iedere ziel in het
aardse lichaam een bepaalde aardse levenscyclus is vastgelegd. Deze houdt de mogelijkheid
in van een vroegere en van een latere dood van het aardse lichaam. De aardse dood kan ook
binnen dit tijdsbestek plaatshebben. In deze periode kon Ik als Jezus van Nazareth met de
kracht van de Geest de zielen weer in het aardse bestaan terugroepen.
Deze werken van liefde volbracht Ik, als het goed was voor ziel en
mens. Ik herkende aan de bewustzijnsstraling van de ziel, of ziel en mens zich in een
later aards bestaan opnieuw zouden belasten of het geloof aan de Eeuwige zouden versterken
door vergeven, vragen om vergeving en weer goed maken.
Het gebod voor alle mensen luidt: is jullie geloof zo groot als een
mosterdzaadje, dan kan er in en aan jullie veel gebeuren uit de werken van goddelijke
liefde.
HOOFDSTUK 23
Jezus en de Samaritaanse
Het water des levens, de waarheid,
een eeuwig stromende kracht (3-7). Wie ernstig zoekt, vindt de waarheid - Test degenen,
die over de waarheid spreken - Over de waarde van uiterlijke vormen van aanbidding - Wie
is thans het volk Israël? - Het Nieuwe Jeruzalem - Het laatste Verbond (16)
1. Jezus kwam in een stad van Samaria, Sichar
genaamd, in de nabijheid van het veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
2. Het was aldaar echter de bron van Jakob. Aangezien nu Jezus moe was
van de reis, zette Hij zich op de rand van de bron. Het was omstreeks het zesde uur.
3. En daar komt een vrouw uit Samaria, om water te putten. Jezus
spreekt tot haar: »Geef Mij te drinken.« (Want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan
om voedsel te kopen.)
4. Dan zegt de Samaritaanse vrouw tegen Hem: »Hoe komt het, dat Jij,
een jood, mij, een vrouw uit Samaria, om drinken vraagt?« (Want de joden gaan niet om met
de Samaritanen.)
5. Jezus antwoordde en sprak tot haar: »Als je het geschenk van God
besefte, en Wie het is, die tot je zegt: Geef Mij te drinken, dan zou je God
bidden, die je levend water zou geven.«
6. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Heer, Jij hebt toch niets, waarmee Je
kunt putten, en de bron is diep; waar heb Je dan het levende water vandaan? Ben Jij dan
groter dan onze vader Jakob, die ons deze bron heeft gegeven en eruit dronk, hij en zijn
kinderen, zijn kamelen en ossen en schapen?«
7. Jezus antwoordde en sprak tot haar: »Wie van dit water drinkt, zal
weer dorst krijgen. Maar wie het water zal drinken, dat Ik hem zal geven, zal nooit meer
dorst lijden, maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem als een waterbron
ontspringen tot in het eeuwige leven.« (Hoofdst. 23, 1-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het water des levens stroomt sterker in deze wereld
sinds Mijn werken als Jezus van Nazareth - en nog sterker sinds Mijn
"volbracht".
Wie van het water des levens drinkt, put uit de bron van de eeuwige
waarheid, omdat hij in de oerbron van al het Zijn is teruggekeerd. Hij zal nooit meer
dorst lijden, noch zal het hem ooit aan iets ontbreken. Hij bezit, wat hij nodig heeft, en
meer dan dat.
Mensen in de geest van de waarheid zijn zelf de geestelijke bron van de
waarheid. Zij geven en geven - en drogen nooit uit, omdat de Geest Gods, die door hen
werkt, eeuwig stromende kracht is, de oorsprong van de bron en de bron zelf, de waarheid.
Erkent: Ik Ben het water des levens. Wie Mijn leven als Jezus van
Nazareth tot zijn leven maakt, door datgene, wat Ik hem geboden heb in acht te nemen, zal
in Mij, het levende water, leven en een bron van het levende heil zijn, uit wie het water
des levens onophoudelijk stroomt. Dan pas kan hij veel mensen de ware frisse dronk van het
levende water aanreiken. Deze zullen voortaan niet meer naar de waarheid zoeken, omdat zij
de waarheid, het Ik Ben, hebben gevonden. Zij dorsten niet meer, want zij drinken uit de
eeuwige bron der waarheid.
Wie van het water des levens ontvangt, blijft geen eenling; hij zwemt
ook niet mee met de stroom van de oude, zondige tijd. Hij roeit er tegenin, doordat hij
het menselijke niet meer bevordert, doch door de kracht van de liefde opheft. Zo vindt hij
in zichzelf de eeuwigheid, het leven, de waarheid, de oerbron, God.
Op deze wijze ontstaat geleidelijk de lichttijd en een nieuw
mensengeslacht in Mij, de Christus: de mensen die het rijk van de vrede zullen opbouwen en
in stand houden, omdat zij zelf vredevol zijn.
8. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Heer, geef mij dit
water, opdat ik geen dorst heb en niet meer terug hoef te komen om te putten.« Jezus
spreekt tot haar: »Ga heen, roep je man en kom terug.« De vrouw antwoordde: »Ik heb
geen man.«
9. Jezus kijkt haar aan en spreekt tot haar: »Je hebt het goed gezegd:
ik heb geen man. Je hebt vijf mannen gehad, en degene, die je nu hebt, is je man niet. Je
hebt waar gesproken.«
10. Toen zei de vrouw tot Hem: »Heer, ik erken, dat Jij een profeet
bent. Onze vaderen hebben op deze berg gebeden, en jullie zeggen, dat in Jeruzalem de
plaats is, waar men dient te aanbidden.«
11. Jezus spreekt tot haar: »Vrouw, geloof Mij, er komt een tijd, dat
jullie niet op deze berg noch in Jeruzalem God zullen aanbidden. Jullie weten niet, wat
jullie aanbidden; wij echter weten, wat wij aanbidden. Want het heil komt van Israël.
12. Maar de tijd komt, en zij is al daar, dat de waarachtige aanbidders
de Al-Vader in de geest en in de waarheid aanbidden. Want zulke aanbidders wil de
Al-Heilige hebben. God is Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en in de
waarheid aanbidden.«
13. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Ik weet, dat de Messias komt, die
Christus heet.« Wanneer deze komen zal, zal Hij ons alles verkondigen.» Jezus spreekt
tot haar: »Ik Ben het, die tot je spreekt.«
14. En intussen kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij
met de vrouw sprak. Toch vroeg niemand: »Wat zoek je?« Of: »Waarom onderhoud Je Je met
haar?«
15. Toen liet de vrouw haar kruik staan, ging op weg naar de stad en
zei tegen de mensen: »Komt en ziet een man, die mij alles gezegd heeft, wat ik ooit heb
gedaan. Is dit niet de Christus?«
16. Toen gingen zij en kwamen tot Hem, en vele Samaritanen geloofden in
Hem en vroegen Hem, bij hen te blijven. En Hij bleef daar twee dagen. (Hoofdst. 23, 8-16)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie uit de waarheid spreekt, diens woorden zijn
eeuwig leven. Zij zijn doordrongen van het leven en de kracht, die Ik Ben in de
Vader-Moeder-God. Wie ernstig naar het water des levens, de waarheid, zoekt, vindt de
mens, die hem de weg kan wijzen naar de oorsprong van de bron, en vindt het leven, de
waarheid, in zijn innerlijk.
Woorden des levens zijn woorden der waarheid. Wie leeft volgens de zin
van het levende woord, vervult de wet des levens en woont in de geest van de waarheid.
Toetst daarom de mensen, die spreken over de bron van het levende heil, of zij het water
des levens, de waarheid, brengen of dat zij pas aan de bron van de waarheid staan.
Erkent: waar het licht is, verzamelen zich degenen, die naar het licht
streven. Maar onder hen zijn ook velen, die slechts spreken over de waarheid en niet veel
goeds in de zin hebben. Meet daarom met de maatstaf van jullie eerlijkheid, om hun werken
te herkennen. Kijkt en luistert niet naar degenen, die onzuivere taal spreken - ook dan
niet, als zij zich "Rabbi" noemen. Onderzoekt de zin van hun woorden en hun
gedrag tegenover hun naasten - en zij zullen een open boek voor jullie zijn. Mensen van de
geest zijn bescheiden, deemoedig en zachtmoedig, maar hun wezen is doorstraald en
overstraald door Hem, de Ik Ben: Christus, het levende water.
Wie in de waarheid leeft, leeft uit de waarheid - en schouwt de
waarheid en ziet ook het onware. Met de ogen der waarheid zag Ik als Jezus van Nazareth de
vrouw aan de bron. Ik zag haar voorbije en tegenwoordige leven. Daaruit sprak Ik aan, wat
haar deze dag tot inzicht moest dienen.
Te allen tijde en ook nog in de huidige tijd (1989) schiepen en
scheppen mensen uiterlijke tekens en gedenktekenen om God te aanbidden. Deze uiterlijke
beelden, gedenktekenen en tekens ter aanbidding zoals bijvoorbeeld standbeelden,
synagogen, kerken, plaatsen, heuvels, bergen of ook rituelen en ceremoniën verschaft de
mens zich zo lang, tot hij God, de Geest der waarheid, in zichzelf aanvaardt en zich aan
de "tempelorde" houdt, de geboden des levens.
Ieder mens is een tempel Gods. Er is dus geen plaats nodig, om God te
aanbidden. Aanbid God in het allerheiligste van je innerlijk, en houd je tempel rein door
edele gedachten, van Godvervulde woorden en handelingen; dan houd je je aan de
"tempelorde" - en God zal je antwoord geven op je gebeden, omdat je met Hem in
communicatie staat.
Ook in de huidige tijd (1989) weten veel mensen nog niet, wie of wat
zij aanbidden. Zij zijn naäpers van hen, die de erediensten in het leven hebben geroepen
en in stand houden, omdat zij in hun harten nog verarmd zijn. Omdat de ware, almachtige
God, de God van het innerlijk hen vreemd is, hebben zij een uiterlijke god nodig. Deze is
echter nooit de God der waarheid, maar een afgod.
Ik verklaar de woorden »want het heil komt van
Israël«. Israël is daar, waar mensen Gods wil vervullen.
Het huidige Israël is niet langer het Israël, waarin Ik als Jezus van
Nazareth heb geleefd. Het is enkel de naam, die dit land nog draagt: een groot deel der
Israëlieten heeft het verbond met God niet gehouden en Mij niet als hun Verlosser
aangenomen. Daarom heeft God, de Eeuwige, het verbond met een deel van die mensen
vernieuwd, die ooit in het oude Israël geïncarneerd waren en in de tegenwoordige tijd in
een ander land zijn geïncarneerd en nog steeds in de opdracht staan.
God, de Eeuwige, heeft thans (1989) het verbond ook met diegenen
gesloten, die tijdens Mijn leven op aarde niet in Israël waren geïncarneerd, die echter
tijdens de voorbije eeuwen, steeds weer terugkeerden in het aardse gewaad en het werk van
de thuishaling hebben voorbereid. Ook zij staan in opdracht van de verlossing. Hij sloot
eveneens het verbond met die mensen, die in het verlossingswerk het heil voor hun naasten
vervullen en zodoende ook aan de opdracht van de thuishaling deelhebben.
Dus is Israël daar, waar die mensen geïncarneerd zijn, die in de
opdracht van de verlossing staan en die bereid zijn, Gods wil te vervullen.
Uit het grote opdrachtspotentieel voor de verlossing waren in de tijd
van Mozes vele geestwezens geïncarneerd en ook in de tijd van Mijn aardse bestaan in het
oude Israël. De zonde heeft vele mensen, die in de opdracht van het verlossingswerk
staan, in alle vier windstreken verstrooid. Doch thans verzamel Ik hen opnieuw in een
ander land. Daar zal het Nieuwe Israël zijn.
Reeds nu (1989) verzamelen zich veel broeders en zusters in het land,
waar de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid onderricht en werkt: in het
Nieuwe Jeruzalem. Met de broeders en zusters in het Nieuwe Jeruzalem, in het Israël in
wording, heeft de Eeuwige nu het laatste verbond gesloten.
Het volk Gods op deze aarde zal een machtig volk worden. Daardoor komen
er steeds meer mensen, om met God het eeuwige verbond te sluiten. Want Ik, Christus, roep
hen - en zij komen. Zij verzamelen zich, om voor de Nieuwe Tijd, de lichttijd, te werken.
Zij aanbidden de Eeuwige niet meer voor gedenktekens en beelden. Zij hebben geen
uiterlijke kerken. Zij gaan de bergen niet op, om daar de Eeuwige te zoeken, menende, Hem
daar te vinden. Zij hebben geen ceremoniën en rituelen. Zij aanbidden de Eeuwige in hun
tempel, in hun innerlijk; want daar woont de Ene Eeuwige, de God van Abraham, Isaäk en
Jakob, de Geest van de eeuwige Vader, wiens kinderen alle geestwezens, mensen en zielen
zijn. Zij ontmoeten elkaar weliswaar op bepaalde plaatsen, echter niet, om daar God te
zoeken, maar om met elkaar de eenheid te leven en samen tot Hem te bidden, die het leven
is: God, de Geest der waarheid, die in ieder geestwezen, in elke ziel en ieder mens woont.
God is ook de Scheppergeest, die al het Zijn geschapen heeft, die in
elke plant, in elke steen, in ieder dier, in elk atoom - in al het Zijn - leeft. God is
Geest, en zij die Hem waarachtig aanbidden, aanbidden Hem in de geest en in de waarheid,
en zij nemen de wetten in acht.
Waarlijk, Ik zeg jullie: als Jezus ging Ik van jullie heen; als
Christus, de verrezene, kwam Ik tot jullie, opdat jullie in Mij, de Verlosser, opstaan, om
in God, de Oerstroom, opnieuw in te gaan.
Weet: als Jezus bleef Ik geruime tijd bij de mensen - als Christus Gods
woon Ik in jullie. En Ik blijf eeuwig in jullie; want Ik Ben in de eeuwige Vader, en de
Vader is in Mij, en Wij zijn de ene Geest der waarheid, die in alle mensen woont.
HOOFDSTUK 24
Jezus veroordeelt wreedheid Hij geneest zieken en
drijft duivels uit
Alle overtredingen tegen de wet des levens
vallen op de mens terug; natuur en schepsels op aarde zijn geschenken van God, tot welzijn
van de mensen (1). Verklaring van de »verdorde arm« (3). Heil en genezing voor het
lichaam, wanneer het goed is voor de ziel (7). Farizeeën toen en nu - Strijd tegen het
groeiende licht op aarde en in de reinigingsgebieden, nog in de tijd van het vredesrijk -
In de tijdsomwenteling wordt het fundament van het vredesrijk gelegd en neemt vorm aan -
Vermaning aan de mensen in het vredesrijk: vergeet de pioniers niet en de geïncarneerde
serafijn van de goddelijke wijsheid, Mijn profetes en verkondigster - De strijd achter de
nevelwand gaat door (8). Verklaring van de »wonderbare broodvermenigvuldiging« (12-13)
1. Toen Jezus door een dorp ging, zag Hij een groep
dagdieven. Deze kwelden een kat, die zij gevonden hadden en mishandelden haar op
schandelijke wijze. En Jezus beval hen, dit te laten en begon hen te berispen; maar zij
sloegen geen acht op Zijn woorden en scholden Hem uit. (Hoofdst. 24, 1)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie mensen en dieren kwelt en mishandelt, zal eens
kwellingen en mishandelingen aan het eigen lichaam ervaren. Hetzelfde geldt voor het
vergrijp tegen het planten- en mineraalrijk. Want wat als levensvorm in de materie
openbaar is, is ook als geestelijke substantie in de ziel. Wie dus handelt tegen het
leven, veroordeelt zichzelf, omdat hij een deel van zijn geestelijke erfdeel belast. Want
alles, wat uit God is, bevindt zich ook als essentie in de ziel van de mens.
Erkent: de aarde brengt het voedsel voort voor de mensen. Mensen hebben
ook onderdak en kleding nodig. Zij kunnen hun voedsel, hun onderdak en hun kleding niet
scheppen zoals de engelen in de hemel. De aarde is de draagster van het leven voor alles.
Zij mag niet geschonden, noch uitgebuit worden. De aarde en alles, wat daarop leeft,
dieren, planten en stenen, wil de mens dienen. Voorwaarde is, dat de mens zijn aarde aan-
en opneemt, haar dus verzorgt, want de aarde is een groot levend organisme.
God, de Eeuwige, gaf de mensen dieren en planten en schonk hen van de
aarde fruit, groenten en granen. Hij gaf het aan de mensen en sprak tot hen:
"Onderwerpt de aarde aan jullie," wat in de juiste betekenis wil zeggen: acht en
verzorgt het leven van alle levensvormen en zij zullen julie dienen.
Erkent: de reine levensvormen van de dieren zijn door God geschapen en
elke plant behoort tot het grote scheppingspotentieel God, dat zich in de evolutiecyclus
verder ontwikkelt. Aldus is iedere levensvorm een deel uit het grote geheel.
God heeft de mens geboden, het leven te achten en lief te hebben en het
gebod "bid en werk" in acht te nemen. Daarom is het leven der zogenaamde
dagdieven een verkwisting van de krachten van de dag. Het zijn mensen, die Gods energie
stelen. Wie de dag niet benut, maar hem slechts gebruikt, om zijn medemensen uit te buiten
of om dieren en planten te schenden, handelt tegen de wet van het leven.
Mensen, die alleen aan hun eigen welzijn denken, zullen de dieren
kwellen en de aarde uitbuiten en het leven erop vergiftigen, omdat hun gedachten
vergiftigd zijn door hebzucht en afgunst. Want de mensen, die zichzelf niet kennen,
kwellen mensen en dieren en zijn tegen de natuur. Zij doen slechts, waartoe hun
egoïstische denken hen dringt. Zij zijn zelf gedrevenen en willen daarom alles, wat om
hen heen is, verdrijven, omdat alles hen stoort, wat niet bij hun voorstellingen past. Hun
menselijke ik maakt zulke mensen als het ware ontoerekeningsvatbaar.
Zij kennen het gebod niet van om vergeving vragen, van vergeven en weer
goedmaken. Zij rekenen met hun naaste af: oog om oog, tand om tand. Daarbij belasten zij
echter hun eigen ziel met datgene, wat zij hun naaste aandoen! Want wat de mens zijn
naaste aandoet - ook het dier, de plant, ja, het gehele organisme van de aarde - dat doet
hij zichzelf aan. Zo was het en zo is het nog in de tegenwoordige, zondige tijd (1989).
Maar een nieuw geslacht groeit op en treedt in het nieuwe tijdperk, in een leven met
elkaar en met God.
2. Toen maakte Hij een zweep uit geknoopte touwen en
joeg hen weg en sprak: »Deze aarde, die Mijn Vader voor geluk en blijdschap heeft
geschapen, hebben jullie tot de diepste hel gemaakt door jullie daden van geweld en
wreedheid.« En zij vluchtten voor Zijn aangezicht. (Hoofdst. 24, 2)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De zweep symbolisiert de wet van oorzaak en gevolg.
Wie zijn naasten en ook zijn overnaasten, de dieren, minacht en kwelt, wie mens en dier,
planten en mineralen en al het andere leven in en op de aarde geweld en wreedheid aandoet,
zal de gevolgen van zijn oorzaken ervaren - tenzij hij tijdig boete doet.
De wet van oorzaak en gevolg zal als met een zweep allen slaan, die het
leven mishandeld hebben en mishandelen - in welke vorm en in welke bewustzijnsgraad het
zich ook uit. De aarde is de mensen gegeven, opdat zij zich er weer van bewust worden, dat
zij kinderen van God zijn, dat hun leven - zoals alle leven - uit God is, opdat zij het
leven leren waarderen en liefhebben. In welke vorm en in welke bewustzijnsgraad het leven
de mens ook tegemoettreedt en zich openbaart: in alles is God - het leven.
Al het reine wil onbaatzuchtig dienen, zo ook de aarde met haar
natuurrijken. Wie inziet dat zijn leven uit God is en dienovereenkomstig leeft, bewaart de
vrede met alle schepselen, met alles, wat uit Gods schoot tot vreugde en welzijn van de
mensen werd geschonken. God wenst vreedzame en blije kinderen. Wie echter God niet wil
erkennen en Zijn daden niet aan wil nemen, is tegen Hem en tegen alles, wat uit Zijn
handen aan de mensen is gegeven. Daardoor wordt hij mismoedig, ongelukkig, zorgelijk en
ziek.
3. Maar één van hen, nog erger dan de anderen,
kwam terug en bedreigde Hem. En Jezus strekte Zijn hand uit en de arm van de jonge man
verdorde. En grote vrees kwam over hen allen. En één van hen zei: »Hij is een
tovenaar.« (Hoofdst. 24, 3)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»En Jezus strekte Zijn hand uit en de arm van de
jonge man verdorde.« Dit gebeuren werd verkeerd begrepen en daarom op deze wijze
weergegeven. Nooit grijpt een mens, die volgens de wet Gods leeft, in de wet van oorzaak
en gevolg in, om iets wat een boosdoener voor zichzelf heeft veroorzaakt en bestemd, te
bespoedigen en te doen plaatsvinden.
Wie geweld gebruikt, zal hetzelfde of iets dergelijks oogsten. Als Ik
de arm, zoals staat geschreven, had laten verdorren, dan had Ik in de wet van oorzaak en
gevolg ingegrepen. Het voorval liep af volgens de wet van oorzaak en gevolg: bij de
mishandeling van een dier had de boosdoener met zijn arm tegen een ruw, hard voorwerp
geslagen. Het bloed stolde, de arm werd blauw en hing toen slap naar beneden. Ik strekte
Mijn hand uit en wees op het gevolg, om hem de oorzaak te verklaren. Omdat de mensen in de
toenmalige tijd de wet van oorzaak en gevolg slechts kenden in de vorm van de woorden:
"oog om oog, tand om tand" en bovendien deze ook nog verkeerd uitlegden, meenden
zij, dat Ik dit teweeg had gebracht en dat Ik een tovenaar was.
Op deze wijze toonde Ik de mensen steeds weer, dat zij zullen oogsten,
wat zij zaaien: wie slecht zaad in de akker van het leven zaait, zal ook een slechte oogst
hebben, want de vrucht ligt reeds in het zaad.
Doch wie tijdig zijn fouten inziet, berouwt en deze niet meer doet, die
neemt de wet Gods aan en hij leert geleidelijk alle levensvormen lief te hebben. Dan
ontvangt hij uit de genadehanden van de Eeuwige en zijn ziel en lichaam zullen licht, heil
en genezing ontvangen.
Erken: niet altijd brengt het zaad onmiddellijk de oogst voort. Wat de
mens in dit aardse leven zaait, dus veroorzaakt - ook aan het dieren- en plantenrijk - dat
zal hij oogsten; zo niet in dit aardse bestaan, dan in een volgend aards leven of als ziel
in de reinigingsgebieden.
Leeft daarom elke dag bewust! Want iedere dag toont elke mens, wat goed
en minder goed aan hem is en wat hij vandaag, op deze dag, kan goedmaken.
4. De volgende dag kwam de moeder van de jongeman
naar Jezus en vroeg Hem, zijn arm weer te genezen. En Jezus sprak tot hen over de wet van
liefde en eenheid voor alle leven, in de ene familie Gods. En Hij sprak vervolgens:
»Zoals jullie in dit leven aan jullie medeschepselen doen, zo zal het jullie vergaan in
een volgend leven.«
5. En de jongeman geloofde en bekende zijn zonden. En Jezus strekte
Zijn hand uit en de verdorde arm werd zo gezond als de andere. En het volk prees God, dat
Hij zulk een macht aan een mens had gegeven.
6. Toen Jezus vertrok, zie, toen volgden Hem twee blinden. Zij riepen
en zeiden: »Heer, Jij zoon Davids, erbarm Je over ons.« En toen Hij het huis was
binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem en Jezus sprak tot hen: »Geloven jullie, dat Ik
daartoe in staat ben?«
7. En zij zeiden tot Hem: »Ja Heer.« En Jezus raakte hun ogen aan en
sprak: »Jullie geschiede naar jullie geloof.« En terstond werden hun ogen weer geopend.
Maar Jezus gebood hen streng: »Zorgt, dat jullie het aan niemand vertellen.« Zij echter,
nadat zij naar buiten waren gegaan, verspreidden Zijn roem door het hele land. (Hoofdst.
24, 4-7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie gelooft, die wordt gegeven!
Genezingen vanuit de geest des levens zijn geen wonderen, maar
wetmatigheden.
Gods liefde en genade staan Zijn mensenkinderen bij. Het juiste geloof
komt uit het hart. Mensen met een diep geloof blijven standvastig, wat ook op hen afkomt
en zij ontvangen heil voor hun ziel - want de genade en de hulp van God vloeien allereerst
in de ziel. Van daaruit komen heil en genezing voor het lichaam, wanneer het goed is voor
de ziel, als de mens dus voortaan niet meer dezelfde zonden begaat, die geleid hebben tot
het leed of de ziekte van het lichaam.
»Terstond« betekent: de genezing geschiedde niet onmiddellijk, maar
naar het gebod van het geloof; want op de eerste plaats gedenk Ik de ziel. In haar is de
levenswet, de wet, God. Als de mens het zover nakomt, als het hem bewust is, ontvangt hij
heil en genezing, ook in en aan het lichaam.
Niet altijd hebben de genadegaven hun uitwerking voor de ziel in dit
aardse bestaan in en aan dit lichaam. Zij kunnen ook in het zielenrijk - als de ziel het
lichaam heeft verlaten, tot uitwerking komen of pas in een latere incarnatie. Daarbij zet
zich het tegenstrijdige in de ziel geleidelijk om in positieve kracht, die het lichaam dan
toestroomt. Dit betekent, dat de ziel daarvan is bevrijd en ook het lichaam niet meer
datgene te dragen heeft, wat de mens eens heeft veroorzaakt.
8. Toen zij dan waren weggegaan, zie, toen brachten
zij een mens naar Hem toe, die stom was en bezeten door een demon. En toen de demon
uitgedreven was, sprak de stomme. En het volk was verwonderd en sprak: »Zoiets werd nog
nooit gezien in Israel.« De farizeeën zeiden echter: »Hij drijft de duivels uit door de
overste van de duivels.« (Hoofdst. 24, 8)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Als Jezus van Nazareth werkte Ik daar, waar Mijn
Vader Mij plaatste. Veel mensen vermocht Ik door de macht van de Vader verzachting en
genezing te brengen en hen ook door het levende woord tot inzicht te brengen.
Niet iedere mens, die tot Mij kwam, kon Ik helpen en dienen. Velen
legde Ik de hand op en zij werden niet gezond. Ook niet iedere donkere kracht, die Ik in
de mens aansprak, week uit hem. Immers, de wet van het leven luidt: naar je geloof wordt
je gegeven! En: zondig voortaan niet meer! Voorts zegt de wet van het leven: geloof ook,
wanneer je aan het lichaam nog niet voelt, wat zich in de ziel reeds heeft voltrokken. In
en aan het lichaam zal alleen dat werkzaam worden, wat de mens aan fouten en zonden
inziet, berouwt, waarvoor hij vergeving vraagt en vergeeft - en wat hij niet meer doet.
Erkent: ieder mens, die anders spreekt dan hij denkt, is een
farizeeër.
Ook nu nog (1989), gebruiken de farizeeërs dezelfde lasterlijke taal
als toen Ik als Jezus van Nazareth over de aarde ging en storten zij dezelfde spot en hoon
uit, om het volk op te stoken. Wie echter in het hart van de mens vermag te kijken,
beseft, dat iedere farizeeër eigenlijk een angstig mens is, die er voortdurend op bedacht
is, dat zijn leugenbouwsel niet gaat wankelen. Juist de farizeeërs en ook de
schriftgeleerden hebben al veel onwaarheid in de wereld gebracht en onder de mensen
verspreid.
De verblinde farizeeërs, de leiders van de volkeren en veel
kerkleiders, zeggen onbewust en gedeeltelijk ook bewust, veel onwaarheid. Bewust zeggen
zij dingen, die onjuist zijn, uit angst, dat zij hun aanzien zouden kunnen verliezen.
Onbewust zeggen zij onwaarheden, omdat zij hun gevoelens en gedachten niet controleren en
zonder zelfkennis de aardse dagen verspillen. Zij brengen hun wangedrag niet in het reine
en laten hun agressies, die door hun angsten worden aangewakkerd, de vrije loop.
De farizeeërs, veel schriftgeleerden en kerkleiders, betichten hun
medemensen van onwaarheid en veroordelen degenen, die uit de eeuwige waarheid spreken. Wie
valse getuigenis aflegt tegen zijn naaste, vreest de eeuwige waarheid, die God is.
Veel farizeeërs, die een kerkelijk gewaad dragen, zijn ervan
overtuigd, in geloofskwesties deskundig te zijn. Zij betichten hun naasten ervan,
satanisch of "des duivels" te zijn, omdat zij deze zelf met hun leven en denken
min of meer dienen. Hoedt jullie daarom voor hen, die hun naasten verwerpen en kwaad over
hen spreken, want zij staan zelf in verbinding met de boze.
Voor de mensen, die dan in het vredesrijk van Jezus
Christus zullen leven, is het belangrijk te weten, dat de strijd van de duisternis tegen
het licht, zoals deze in de tijd van Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth plaatsvond,
voortduurde in de daaropvolgende tijd en zich thans (1989) nog eens intensiveert.
Alles, wat Ik als Jezus van Nazareth beleefd had, beleefden veel
getrouwe mannen en vrouwen in de daarop volgende eeuwen. Ook zij werden gehoond, bespot en
belasterd, omwille van de waarheid. En toch kwamen hun zielen na hun lichamelijke dood
steeds weer in het aardse gewaad, om het rijk Gods op aarde voor te bereiden - en nu
(1989) te stichten en op te bouwen.
De eerste stappen in de lichttijd werden - voor de
wereldmensen eerst onzichtbaar - door werken van naastenliefde voltrokken. In de loop der
tijden werden vervolgens de werken Gods op aarde steeds meer zichtbaar. Mensen met een
hoger bewustzijn leidden hun medemensen, hun medebroeders en zusters, op de weg naar
binnen tot Mij, de Christus Gods. Zij verwierven eigen grond en stichtten christelijke
instellingen, waarin mensen de Bergrede, de wet Gods voor deze aarde, begonnen te
verwezenlijken. Steeds weer werden deze instellingen door de tegenkrachten vernietigd.
Wat in deze tijd van strijd gebeurde, een tijd, waarin op de aarde
licht en duisternis elkaar ontmoetten, voltrekt zich nu - terwijl jullie in de lichttijd
op aarde leven - nog steeds op de voor jullie onzichtbare fasen in de reinigingsgebieden.
Daar werken nog steeds veel vroegere schriftgeleerden, farizeeërs en kerkleiders, die
zich toen (1989) in het aardse lichaam bevonden. Zij beïnvloeden nog steeds de zielen van
de eens aan hen onderhorige mensen, om ook in de reinigingsgebieden onvrede te stichten.
Jullie, die in de lichttijd in het rijk Gods op aarde leven, moeten
datgene weten, wat eens op aarde gebeurde en zich nog steeds in de onderste zielenrijken,
de gebieden van de orde, voltrekt. Als jullie na de lichamelijke dood deze zijde verlaten
en door de nevelwand gaan, waar het fysieke oog niet doorheen vermag te kijken, moeten
jullie hiervan op de hoogte zijn. Want wie als ziel, in de wetenschap van de nog werkzame
oorzaken, door de nevelwand gaat, zal dan niet angstig zijn en moedeloos worden, maar
onmiddellijk beginnen te leren en de zielen te onderwijzen, die tot hen worden geleid,
zodat deze van het licht der waarheid ervaren, dat reeds op aarde woont: de Christus Gods,
die Ik Ben.
Allen, die in de bijna tweeduizend jaren na Mijn leven als Jezus van
Nazareth, voor het rijk Gods gewerkt en gestreden hebben en werden vervolgd, zijn voor
jullie, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven, de pioniers van de Nieuwe Tijd.
Zij volbrachten grootse dingen. In de verschillende tijdperken na Mijn aardse leven,
kwamen zij steeds weer in het aardse gewaad op aarde en schiepen en vergrootten telkens
het geestelijk potentieel voor het rijk Gods op aarde. In het begin was het een
onzichtbaar geestelijk potentieel, dat zich dan heel geleidelijk op de aarde, vooral in de
atmosfeer, manifesteerde. Af en toe werden daarvan stukjes omgezet, dus zichtbaar: daar
waar mensen begonnen naar de Bergrede te leven en te werken.
Dan brak de tijdsomwenteling aan, het tijdperk (1989), dat het
vredesrijk van Jezus Christus in alle details onthulde. Opnieuw kwamen pioniers op deze
aarde. Zij zijn de geïncarneerde geestwezens, die in de opdracht van de verlossing staan,
uit het geslacht David en uit andere geslachten. Nu (1989) lieten zij datgene zichtbaar
worden, wat zij in de achter hen liggende generaties hadden voorbereid.
Hier en daar werd de grote familie Gods op aarde zichtbaar. Velen
leefden in christelijke oergemeenten. Het centrale Oerlicht onder hen was de bondgemeente
"Nieuw Jeruzalem", die toen al voor alle ontstaande oergemeenten en voor het
rijk Gods op aarde in wording, de verantwoordelijkheid droeg. In het lichtstoffelijke
vredesrijk vormt zij nu als stad Jeruzalem het centrum, van waaruit alle oergemeenten
worden geleid.
De oergemeenten in Universeel Leven, die zich nog temidden van de
zondige wereld hebben gevormd, bestonden vooral uit mensen van de geest, die steeds meer
in Mij, Christus, en daardoor in de wetten van God leefden. Zij stichtten de
gemeenschapsinstellingen, die zij als mensen nodig hadden om te leven. Zij verwierven en
bouwden huizen, waarin zij als woongemeenschappen leefden. Zij stichtten
ambachtsbedrijven, waarin zij de wet "bid en werk" verwezenlijkten; samen
stichtten en bouwden zij klinieken, bejaardentehuizen, kleuterscholen, scholen en
vader-moeder-huizen, restaurants en alles, wat verder nog nodig is voor de mensen om te
leven op deze aarde.
Onder hen waren geen superieuren noch ondergeschikten. Allen voelden
zij zich bewust als kinderen van God; zij aanvaardden het zoon- en dochterschap in onze
eeuwige Vader. Overeenkomstig hun capaciteiten werkten zij voor het grote geheel, voor het
gemeenschappelijk welzijn.
Onder deze pioniers voor de Nieuwe Tijd in Mij, Christus, leefde, zoals
reeds geopenbaard, een vrouw, de geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid. Zij
werkte voor Mij als profetes en verkondigster en ging als een lichtend voorbeeld allen
voor, in de vervulling van de eeuwige wetten. Door haar, de geïncarneerde deelstraal van
de goddelijke wijsheid, en haar geestelijke duaal, het positief van de goddelijke wijsheid
heb Ik de Nieuwe Tijd ingeluid en ingeleid. Want de liefde en de wijsheid werken in het
verlosserswerk en met hen alle wezens, alle zonen en dochters van God, die zich als
opdracht hebben gesteld, datgene in te brengen, wat hen door God gegeven is: de kracht,
liefde en wijsheid, de orde, de wil, de ernst, het geduld en de barmhartigheid - voor de
Nieuwe Tijd.
Alle geïncarneerde lichtwezens werkten overeenkomstig hun geestelijke
afkomst, hun geestelijke mentaliteit, die hun aardse capaciteiten voor het rijk Gods op
aarde hebben gekenmerkt. Deze pioniers voor de lichttijd duldden eveneens smaad, hoon en
spot. Ook over hen werd veel kwaad gesproken. Maar zij deden hun best, in Mij te leven en
Ik was met hen.
Ik herhaal en zeg jullie, die nu in de Nieuwe Tijd
leven, opdat jullie het in jullie hart bewaren: steeds weer streden de farizeeërs,
talrijke schriftgeleerden en kerkleiders van de toenmalige tijd (1989) tegen de pioniers.
Door kwaadsprekerij hitsten zij het volk tegen hen op. Maar, zoals het reeds in Mijn
aardse tijd was, zo was het ook in deze tijd (1989). De waarheid overwon. Onverstoorbaar,
wat de lasteraars hen ook hebben toegedicht, werkten zij verder, om Mij, de Christus, de
weg naar de lichttijd te bereiden. Zij lieten meer en meer datgene zichtbaar worden, wat
de Nieuwe Tijd dient.
Verheugt jullie, die nu in vrede leeft - en vervult
dankbaar de wetten der liefde! Gedenkt jullie broeders en zusters, die als pioniers de weg
naar de Nieuwe Tijd voor Mij hebben bereid en datgene voor jullie verwierven, stichtten en
opbouwden, wat zich in straling steeds weer veranderd heeft voor de lichttijd - wat jullie
nu bezitten in Mijn naam.
Maar vergeet niet: achter de nevelwand is nog niet het leven in Mij!
Daar is nog strijd tussen licht en duisternis. De atmosfeer van de aarde beschermt jullie
echter tegen deze krachten, opdat jullie in vrede kunnen leven.
Door deze woorden van Mij moeten jullie ervaren en
beseffen, dat de verlossing nog niet in alle gebieden is afgesloten. Velen van jullie
zullen achter de nevelwand, in de lagere zielerijken, hetzelfde aantreffen, wat zich eens
op aarde heeft afgespeeld - zoals Ik het hier voor jullie heb geopenbaard en zoals het in
dit boek "Dit is Mijn woord" als historie is opgetekend. Het zal voor velen van
jullie weer aanwezig zijn, wanneer jullie het aardse gewaad hebben afgelegd en met het
geestelijke lichaam achter de nevelwand treden. Want na de lichamelijke dood zullen jullie
goed toegerust deze rijken binnenkomen en meehelpen, opdat alles, wat nog niet
overeenstemt met de goddelijke orde, geordend wordt en alles, wat nog gebonden is, wordt
ontbonden.
9. En Jezus ging rond in alle steden en dorpen,
onderwees in de synagogen, predikte het evangelie van het rijk Gods en genas alle
pestilenties en ziekten onder het volk. (Hoofdst. 24, 9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik genas veel pestilenties en ziekten - echter niet
"alle pestilenties en ziekten" kon Ik opheffen. Want veel mensen dachten alleen
aan hun lichaam. Zij waren niet bereid, eerst aan hun ziel te denken. Veel zieken waren er
alleen maar op bedacht, hun aardse lichaam te redden. Wie zo dacht, kon niet ontvangen.
Hij ontving hulp noch genezing - niet voor zijn ziel, noch voor zijn lichaam. Velen gingen
daarom teleurgesteld weg, omdat in en aan hen niets gebeurde. Zij spraken daarna tégen
Mij en spraken tevens de farizeeën en schriftgeleerden naar de mond. Ook door zulke
woorden van teleurgestelden werden de farizeeën en veel schriftgeleerden aangemoedigd om
tegen Mij, de Christus in Jezus, te beramen.
10. Toen Hij echter de menigte zag, overviel Hem
medelijden; want zij waren traag en verstrooid als schapen, die geen herder hebben.
(Hoofdst. 24, 10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
"Medelijden" betekent meelijden: Ik zag
hun leed en nood en leed met hen mee. Het leed uit barmhartigheid te schouwen betekent,
erbarmen te hebben en te helpen, waar hulp nodig is.
11. Toen sprak Hij tot Zijn discipelen: »De oogst
is waarlijk overvloedig, maar er zijn weinig arbeiders. Bidt daarom de Heer van de oogst,
dat Hij arbeiders zendt naar Zijn oogst.«
12. En Zijn discipelen brachten Hem twee kleine korven vol brood en
vruchten en een kruik vol water. En Jezus zette het brood en de vruchten voor hen neer en
ook het water. En zij aten en dronken allen en werden verzadigd.
13. En zij verwonderden zich; want ieder van hen had voldoende en hield
nog wat over en toch waren zij met vierduizend. En zij gingen heen en prezen God voor
alles, wat zij gehoord en gezien hadden. (Hoofdst. 24, 11-13)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Er waren veel mensen, bijna vierduizend. Zij allen
hoorden de woorden van de Almachtige door Mij, Jezus. Het woord Gods is substantie en
kracht. Velen van hen namen het woord Gods als voedsel uit de hemelen. Zij besloten, van
dit brood en deze vruchten dagelijks meer te eten - dat wil zeggen, hun leven aan God, de
wet des levens, te wijden. Daardoor kwam er positieve energie vrij.
Een deel van deze positieve energie - die door de wens en de wil van
vele aanwezigen ontstond, om in zichzelf het geestelijke brood en de geestelijke vruchten
dagelijks meer en meer te verwezenlijken - nam Ik en verdichtte de geestelijke energie,
die dan voor de hongerige menigte brood, vruchten, water en ook vissen waren, het
hoofdvoedsel van deze mensen. De verdichting van de geestelijke energie was een
lichtmanifestatie uit de Geest Gods. Zij bevatte alleen het geestelijke leven, zowel in
het brood als in de vrucht, in het water en de vissen. Wat uit de Geest wordt
gemanifesteerd, is geen zuiver materiële substantie. Het draagt niet het aardse leven in
zich en daarom ook niet de aardse groei. Gemanifesteerde geestelijke substantie kan niet
worden gedood.
De aanwezige mensen waren in een verheven trilling. Zij zagen de volle
korven, de gevulde watervaten, zagen het brood, de vruchten, het water, vóór zich en
namen de gaven des levens uit de korven en de vaten - en toch gebeurde alles in en uit
hen. Zij putten deze gaven uit zichzelf, omdat zij de hogere energie hiervoor hadden
ontwikkeld - door hun goede wil, hun leven aan God, de wet, te wijden en de krachten van
God in zichzelf te vermeerderen. Zij waren verzadigd en hun dorst was gelest.
Omdat de menigte zich dus in een verheven bewustzijn bevond, kon Ik,
Christus in Jezus, de lichtmanifestatie doen plaatsvinden.
HOOFDSTUK 25
De Bergrede
(Deel 1)
De Bergrede, de Innerlijke Weg naar de volmaaktheid -
De zaligen - De »armen« - Draag je leed op de juiste manier - De zachtmoedigheid,
eigenschap van hen, die onbaatzuchtig liefhebben - De Tien Geboden en de Bergrede als weg
naar waarheid en gerechtigheid - De barmhartigheid, de poort naar het eeuwige Zijn - De
reine zielen in de Absolute Wet Gods - De vredestichters hebben de vrede in zich - Strijd
van de pioniers op verschillende fronten - Kerkleiders, farizeeën, wolven in
schaapskleren - Slachtveld achter de nevelwand - Bidt voor de onverlichte zielen (2-4).
Aardse rijkdom als verplichting en opdracht - Verkeerd gebruik van rijkdom heeft ernstige
gevolgen - Waarschuwing aan de spotters - rijken, machthebbers, valse profeten,
mooipraters, schijnchristenen: werktuigen van de satan (5). De rechtvaardigen zijn het
zout der aarde, die het onrecht aan het licht brengen (6). Benoeming en opdracht van de
profetes en verkondigster van God - Het werk van de pioniers onder directe scholing en
leiding - Het Nieuwe Jeruzalem (7). Vrij worden van de wet van zaad en oogst door
Christus, binding in de valwet door kerkgenootschappen en dogmas - Christus leidt
thans naar de gehele waarheid (8). Valse en ware leraren (9). Alleen redding door geloof
en verwezenlijking (10). Christus transformeert vrijwillig aan Hem gegeven zonden (11). In
het reine brengen, voordat een zwaar karma ontstaat - De schijnbare vijand, je spiegel
(12-13). Eenieder ontvangt, wat hij zelf heeft gezaaid - Geeft onbaatzuchtige liefde (14).
Persoonlijke wensen leiden tot binding aan mensen en dingen - Leven in een "poel van
verderf" (16). Rondvliegend zaad in de zielenakker van je naaste De
reinigingsweg van de pioniers tot aan het vredesrijk (17-18)
1. Toen Jezus de grote volksmenigte zag, ging Hij op
een berg. En toen Hij was gaan zitten, kwamen de twaalf bij Hem. Hij richtte Zijn blik op
Zijn discipelen en sprak:
2. »Zalig in de geest zijn de armen, want hen behoort het hemelrijk.
Zalig zijn zij, die lijden, want zij zullen getroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen,
want zij zullen het aardrijk bezitten. Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
3. Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid
ontvangen. Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen God schouwen. Zalig zijn de
vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. Zalig zij, die vervolging
lijden omwille van de gerechtigheid, want hen behoort het rijk Gods.
4. Ja, zalig zijn jullie, wanneer de mensen jullie haten en jullie
zullen uitstoten uit hun gemeenschap en allerlei kwaad over jullie spreken en jullie goede
naam schenden omwille van de mensenzoon. Weest blij op die dag en juicht van vreugde, want
ziet, jullie loon is groot in de hemel. Want hetzelfde deden hun vaders de profeten aan.
(Hoofdst. 25, 1-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De Bergrede is de Innerlijke Weg naar het hart van
God, die naar de voleinding leidt.
De zaligen zullen de Christus schouwen en met Mij, de Christus, in alle
zachtmoedigheid en deemoed het aardrijk bezitten. Gelukkig degene, die de heerlijkheid van
de Vader- Moeder-God in alles schouwt! Hij is het levende voorbeeld voor velen geworden.
Ik leid de Mijnen tot de erkenning van de waarheid.
Wie uit de waarheid is, hoort Mijn stem, omdat hij de waarheid is en
daardoor ook de waarheid hoort en schouwt.
De zaligen zijn zonder angst en vol blijdschap, want zij zien en horen,
wat diegenen niet zien en horen, die zich nog achter hun menselijke ik verbergen en dit
met uiterste inspanning vasthouden, om niet te worden herkend.
Maar de zaligen schouwen in de kerker van het menselijk ik en herkennen
de meest verborgen gedachten van hun medemensen. Zij stralen met de kracht van hun heldere
bewustzijn naar binnen en roepen hun medemensen toe:
»Zalig in de geest zijn de armen, want hen behoort
het hemelrijk!«
Met de woorden "de armen" is niet materiële armoede
bedoeld. Niet deze brengt de zaligheid in de geest, maar de ootmoedigheid voor God,
waaruit de mens vervult, wat Gods wil is. Zij is innerlijke rijkdom.
Met de woorden "de armen" worden al diegenen bedoeld, die
niet naar eigen bezit streven en geen goederen verzamelen. Hun denken en streven is
gericht op het gemeenschapsleven, waarin zij de goederen, die God aan allen heeft
geschonken, op wetmatige wijze beheren. Zij hunkeren en streven niet naar het wereldse.
Zij dienen het algemeen welzijn en strekken hun armen uit naar God en gaan bewust de weg
naar het innerlijke leven. Hun doel is het rijk Gods in hun innerlijk, dat zij aan alle
mensen willen verkondigen en brengen, die van goede wil zijn. Hun innerlijke rijkdom is
het leven in God, voor God en voor hun naasten. Zij leven het gebod "bid en
werk"
Zij streven naar de Geest Gods en ontvangen voor hun aardse leven van
God, wat zij nodig hebben en meer dan dat. Dat zijn de zaligen in de Geest Gods.
»Zalig zij, die lijden, want zij zullen getroost
worden.«
Het leed van de mens is niet van God, maar de lijdende
heeft het, óf zelf veroorzaakt, of zijn ziel heeft in het zielenrijk een deel van de
schuld van een broeder- of zusterziel overgenomen, om voor haar in het aardse bestaan af
te dragen, zodat de broeder- of zusterziel hogere sferen van innerlijk leven vermag binnen
te gaan.
Wie zijn leed draagt, zonder zijn naaste te beschuldigen en in het leed
zijn eigen fouten en zwakheden inziet, deze berouwt, om vergeving vraagt en vergeeft, die
zal Gods barmhartigheid deelachtig worden. Want God, de Eeuwige, wil Zijn kinderen
troosten en datgene van hen wegnemen, wat niet goed en heilzaam is voor hun ziel. Want als
het leed de ziel verlaat, wanneer dus de oorzaken, die in de ziel werkzaam werden, zijn
afgelost, komt de mens nader tot God.
»Draag je leed« wil zeggen: klaag er niet over; klaag God niet aan en
ook je naasten niet. Zoek in je leed je eigen zondige gedrag, dat tot dit leed heeft
geleid.
Heb berouw, vergeef en vraag om vergeving en doe datgene niet meer, wat
je als zonde hebt ingezien. Dan kan de zielenschuld door God worden weggenomen en je
ontvangt dan uit Hem versterkt kracht, liefde en wijsheid.
Als je een mens ontmoet, die lijdt en beproefd wordt en hij vraagt je
om hulp, sta hem dan bij en help hem, voor zover het je mogelijk is en het goed is voor
zijn ziel. En wanneer je ziet, dat je naaste de hulp dankbaar aanneemt en er sterker door
wordt, geef hem dan méér, als het je mogelijk is.
Doch jij, die hulp geeft, doe het onbaatzuchtig. Als je het alleen doet
uit uiterlijke verplichting, zul je er geen geestelijk loon voor ontvangen - en je zult
ook de ziel van de lijdende en beproefde mens geen dienst bewijzen, maar alleen het
lichaam, het voertuig van de ziel.
»Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het
aardrijk bezitten.«
Zachtmoedigheid, deemoed, liefde en goedheid gaan hand in hand. Wie
tot onbaatzuchtige liefde is geworden, is ook zachtmoedig, deemoedig en goed. Hij is
vervuld van wijsheid en kracht.
Mensen in Mijn Geest, die onbaatzuchtig liefhebben zullen het aardrijk
bezitten. O ziet, de weg naar het hart van God is de weg naar het hart van de
onbaatzuchtige liefde. Uit de onbaatzuchtige liefde stroomt de vrede Gods.
De mensen, die op weg zijn naar het hart van God en de mensen, die
reeds in God leven, werken voor de Nieuwe Tijd, doordat zij alle bereidwillige mensen de
weg naar God leren. Zo nemen zij het aardrijk steeds meer in Mijn Geest in bezit.
Degenen, die onbaatzuchtig liefhebben zijn het, die in het rijk Gods op
aarde, in het vredesrijk, zullen leven. Verheugt jullie, dat jullie nu reeds (1989) de weg
naar het hart van God bewandelen! Jullie zijn in Mij de wegbereiders en pioniers voor de
Nieuwe Tijd. Velen van jullie zullen in de Nieuwe Tijd, in het lichtrijk, geboren worden
en de vervulling in God meebrengen, omdat jullie reeds nu de weg daarheen gaan. Verheugt
jullie en weest dankbaar voor de loutering en reiniging van jullie ziel, want jullie
zullen Mij dan schouwen en bewust in en met Mij leven en zijn.
»Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.«
Wie naar de gerechtigheid Gods hongert en dorst, is een
waarheidszoeker, die hunkert naar het leven in en met God. Hij zal verzadigd worden.
Mijn broeder, mijn zuster, jij, die hunkert naar de gerechtigheid, naar
het leven in en met God, wees gerust en verhef je boven het zondige, menselijke ik!
Verheug je, want de tijd is aangebroken, waarin het rijk Gods dichter bij die mensen komt,
die zich inspannen, om de geboden van het leven te onderhouden.
Zie, Ik, je Verlosser, Ben de waarheid in jezelf. In jouzelf ben Ik
aldus de weg, de waarheid en het leven.
De waarheid is de wet van de liefde en van het leven. In de Tien
Geboden, die uittreksels zijn uit de alomvattende wet van God, vind je de grondslagen voor
de weg naar de waarheid. Neem de Tien Geboden in acht en je komt steeds meer op de weg van
de Bergrede, waarin de weg naar de waarheid fundamenteel is uiteengezet.
De weg naar de waarheid is de weg naar het hart Gods, naar het eeuwige
leven, dat onbaatzuchtige liefde is. De Bergrede is de weg naar het rijk Gods, naar de
wetten voor het vredesrijk van Jezus Christus. Als je je daarin verdiept en deze vervult,
verkrijg je toegang tot de goddelijke wijsheid.
Je hebt reeds gelezen, dat zich de deelstraal van de goddelijke
wijsheid in het aardse gewaad bevindt (1989), om Gods woord te brengen en de wetten van
God uit te leggen. Door dit, Mijn instrument, openbaar Ik nu de Bergrede in alle details
en leid en begeleid de bereidwillige mensen op de Innerlijke Weg door leringen en lessen,
die - voor zover zij worden verwezenlijkt - leiden naar de Vader, het eeuwige licht.
Bovendien onderwijs Ik door Mijn instrument de Absolute Wet, de wet van de eeuwigheid.
Erken: niemand hoeft te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid.
Zet de eerste stap naar het rijk van de liefde, door allereerst tegenover jezelf
rechtvaardig te zijn. Oefen jezelf in het positieve leven en denken en je zult heel
geleidelijk een rechtvaardig mens worden. Dan breng je de gerechtigheid Gods in deze
wereld; en je komt ook voor haar op, omdat je de wil van God, de Heer, vervult, uit Zijn
liefde en wijsheid.
Erken: de tijd is nabij, waarin geschiedt, wat geopenbaard is. De leeuw
zal bij het lam liggen, omdat de mensen de overwinning over zichzelf hebben verworven -
door Mij, hun Verlosser. Zij zullen een grote familie in God vormen en met alle dieren en
de hele natuur in eenheid leven.
Verheug je, het rijk Gods is nabij gekomen - en met het rijk Gods ook
Ik, jullie Verlosser en vredestichter, de heerser van het vredesrijk, het wereldrijk van
Jezus Christus.
»Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen
barmhartigheid ontvangen.«
De barmhartigheid van God komt overeen met de zachtmoedigheid en
goedheid van God en is voor alle zielen de poort tot de voleinding van het leven. De
mensen, die door Mij, de Christus, die leeft in de Vader-Moeder-God, alle zeven
basiskrachten van het leven - de wet van de orde tot aan de barmhartigheid - in hun zielen
hebben ontplooid, zullen weer als reine geestwezens door de poort van de barmhartigheid in
de onbaatzuchtige liefde, in het rijk Gods, in de hemelen ingaan en in vrede leven. De
poort tot het eeuwige Zijn is de zevende basiskracht, de barmhartigheid - in de geest Gods
goedheid en zachtmoedigheid genoemd. Alle mensen, die zich oefenen in de barmhartigheid,
zullen ook barmhartigheid ontvangen en diegenen bijstaan, die zich op de weg naar de
barmhartigheid bevinden.
Erkent: de weg naar het hart van God is de weg van de enkeling in de
gemeenschap met gelijkgezinden. Want God is eenheid en eenheid in God is gemeenschap in en
met God en met de naasten.
Wie de eerste stappen op de weg naar de voleinding heeft gezet, zal het
gebod van de eenheid vervullen: Eén voor allen, Christus - en allen voor Eén, Christus.
De Bergrede is, zoals geopenbaard, de evolutieweg naar het innerlijke
leven. Al diegenen, die op deze ontwikkelingsweg naar het hart van God zijn voorgegaan,
helpen weer diegenen, die pas aan het begin van de weg staan. In en boven allen straalt de
Christus, die Ik Ben.
»Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen
God schouwen.«
Het reine hart is de reine ziel, die zich weer tot absoluut
geestwezen heeft verheven door Mij, de Christus in de Vader-Moeder-God.
De reine zielen, die weer wezens van de hemelen zijn geworden, zijn dan
weer het evenbeeld van de eeuwige Vader en schouwen de Eeuwige weer van aangezicht tot
aangezicht. Zij schouwen, leven en vernemen tegelijk de wet van de eeuwige Vader, omdat
zij weer geest uit Zijn Geest zijn geworden - de eeuwige wet zelf.
Zolang mensen en zielen de Geest Gods nog in zichzelf moeten leren
horen, zijn zij nog niet geest uit Zijn Geest, nog niet de wet van de liefde en het leven
zelf.
Wie echter opnieuw tot de wet van liefde en leven is geworden, schouwt
de eeuwige Vader van aangezicht tot aangezicht en staat voortdurend bewust met Hem in
verbinding. Hij schouwt ook de wet Gods, het leven uit God, als geheel, omdat hijzelf het
leven en de liefde is en zich daarin beweegt. Wie zich in de Absolute Wet Gods beweegt,
heeft haar ook helemaal ontsloten - van de orde tot en met de barmhartigheid. Hem staan
alle zeven basiskrachten van de oneindigheid ten dienste, omdat hij in absolute eenheid en
harmonie is met al het Zijn.
»Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen
kinderen Gods worden genoemd.«
Deze woorden betekenen inhoudelijk: zalig zijn zij, die de vrede
bewaren. Zij zullen ook de ware vrede op deze aarde brengen, omdat zij in zichzelf
vredelievend zijn geworden. Zij zijn bewust de kinderen Gods.
Velen der zonen en dochters van God, die de vrede in zich dragen en in
de wereld brengen, zijn de geïncarneerde wezens, die in de opdracht van God staan en voor
de Nieuwe Tijd strijden, opdat het geestelijke mensdom ontstaat, dat in het vredesrijk van
Jezus Christus leeft, in de lichttijd.
Woorden van de heerser van het vredesrijk op aarde
tot de mensen van de Nieuwe Tijd:
Gij mensen in de Nieuwe Tijd, in het steeds lichter wordende vredesrijk
van Jezus Christus, die dit boek "Dit is Mijn woord" leest, erkent, dat de
pioniers van Christus aan meerdere fronten tegelijk moesten strijden tegen het satanische,
om het aangekondigde rijk Gods op aarde tot doorbraak te helpen komen.
Jullie leven dus in vrede, in Mij, de Christus, jullie goddelijke
broeder, de heerser van het vredesrijk. Doch achter de nevelwand leven en werken de
zielen, die de Bergrede, de wet naar het innerlijke leven, niet wilden toepassen, die nog
steeds leven in de kerker van hun menselijke ik. Als mensen wilden zij de roep van de
pelgrims naar het hart van God niet horen. Zij hielden hun oren en harten gesloten voor de
waarheid en verborgen zich achter hun menselijke ik, achter hun voorstellingen, meningen
en theologische inzichten. Ook in de voorbereidingstijd van de oude naar de Nieuwe Tijd,
de lichttijd, bleven zij farizeeërs, huichelaars, vervolgers en lasteraars.
Weet, dat in alle zielen tot aan het vierde
reinigingsgebied het licht van de verlossing straalt. Zo zijn ook zij niet verloren.
Achter de nevelwand werken in naam van de Heer veel reine geestwezens - waaronder ook veel
zonen en dochters van God, die Mij, de Christus, op aarde in verschillende incarnaties, in
verschillende tijdperken, de weg naar het steeds lichter wordende vredesrijk hebben
bereid. Daar in de zielenrijken werken zij verder in onbaatzuchtige dienst voor hun
naasten. De rechtvaardige mannen en vrouwen, die de wet van de liefde en het leven in deze
wereld hebben gebracht, hadden het in de toenmalige tijd (1989) erg zwaar.
Erkent, broeders en zusters, die nu in het rijk Gods
op aarde leeft: de pioniers van Christus voor de Nieuwe Tijd stelden zich in deze grote
tijdsomwenteling, van de oude, materialistisch ingestelde tijd naar de Nieuwe Tijd, de
lichttijd, ook op tegen het satanische en demonische.
»Zalig zij, die omwille van de rechtvaardigheid,
worden vervolgd, want hen behoort het rijk Gods.«
Wat gebeurde er verder in de toenmalige voorbereidingstijd? De
pioniers van Christus voor de Nieuwe Tijd leden vervolging omwille van het rijk Gods op
aarde. Door de farizeeërs en schriftgeleerden, door kerkleiders en door al degenen, die
hen horig waren, werden zij veracht en belasterd. De waarheid werd bewust in een verkeerd
licht geplaatst en vertekend. Degenen, die trouw gestreden hebben voor de waarheid, werden
wegens de waarheid belachelijk gemaakt. Mensen, die Mij, Christus, slechts op de lippen,
echter niet in het hart droegen, predikten in hun kerken en ook buiten de kerkmuren tegen
hen, belasterden en discrimineerden hen. Zij werden beschimpt en beschuldigd van valsheid
in de leer.
De ware navolgers van Christus werd door de schijnchristenen ontzegd,
christenen te zijn, omdat zij zelf niet leefden, wat Ik hen als Jezus van Nazareth geboden
had. Zoals in Mijn tijd als Jezus, predikten zij weliswaar uit hun bijbels en veinsden zij
de mensen hun vrome geloof aan Mij voor en waren toch de wolven in schaapskleren. Want zij
deden niet, wat Ik de mensen geboden heb: elkaar onbaatzuchtig lief te hebben, zoals Ik
hen liefheb; daarom zijn het farizeeërs en huichelaars. En wie het gebod "heb je
vijand lief" miskent, die miskent ook de Christus, die Ik Ben.
Wie dit later leest, moge de Christuspioniers
gedenken, die het aardrijk en de atmosfeer van de aarde voor de Nieuwe Tijd hebben
voorbereid. Zij brachten een deel van de eeuwige stralingswet op de aarde en in haar
atmosfeer. Gedenkt hen in liefde, want velen van hen ïncarneren niet meer, om in het
vredesrijk op aarde te leven en te werken,. Zij strijden in de reinigingsgebieden verder.
Zij strijden om de zielen, opdat ook deze vrij worden van hun zonden en kunnen ingaan in
de heerlijkheid, die Ik Ben in de Vader.
Erkent: wat de zielen op aarde niet in het reine hebben gebracht, nemen
zij met zich mee achter de nevelwand. Daar moeten zij erkennen en afdragen, wat zij in het
aardse gewaad hebben veroorzaakt. Wie als mens niet tot zelferkenning gekomen is en daarom
ook geen boete heeft gedaan, vegeteert als ziel achter de nevelwand verder als tevoren in
het aardse gewaad - wat hij leven noemde. Velen, die eens huichelaars en farizeeërs op
aarde waren, lasteren hun medebroeders en zusters ook weer in het zielenrijk, maken hen
ook daar belachelijk, ontzeggen hen christenen te zijn en willen zichzelf daarmee in een
goed daglicht plaatsen. Dat gebeurt zolang, totdat zij - wellicht zelfs onder zwaar leed
en pijn - inzien, wat zij hebben veroorzaakt en in wiens hart Christus waarlijk is
opgestaan.
Volgens de kosmische wet van de aantrekking zal de ziel aan haar
zielenlichaam datgene ervaren, wat zij in het aardse gewaad veroorzaakt heeft aan haar
medemensen en niet in het reine heeft gebracht. De ziel ziet haar zonden in beelden en
ervaart tegelijkertijd in haar zielelichaam zelf het leed en de kwalen van haar naasten,
die zij hen als mens heeft aangedaan. De zonden die nu in haar actief zijn geworden,
werken zolang op haar in tot de ziel van harte berouwt, om vergeving vraagt en bereid is,
haar naasten te vergeven. Dan pas verandert de zondige energie in goddelijke kracht en de
ziel wordt lichter en reiner.
Bidt voor hen, die zich achter de nevelwand net zo gedragen als eens op
aarde in het aardse gewaad! Bidt, dat zij zichzelf mogen herkennen en boete doen. Velen
van de lasteraars zullen in hun zielen de nood en het leed van de pioniers herkennen,
opnieuw moeten beleven en eventueel moeten dulden, totdat zij tot de zekerheid zijn
gekomen, dat Ik, Christus, met de pioniers, met Mijn broeders en zusters, was en nu met
hen Ben als hun goddelijke broeder.
Bidt, dat zij tijdig inzien en voelen, dat zij in de tegenstrijdige,
machtswellustige wereld, horig waren aan de duistere machten! De duisternis misbruikte
zelfs Mijn naam, om mensen te verleiden en de pioniers, de zonen en dochters van God op
aarde, het werk in de wijngaard van de Heer, te bemoeilijken.
Erkent: wie Mij navolgde, werd door de wereldse mensen niet geacht,
omdat ook Ik als Jezus door hen werd veracht. Te allen tijde moesten mensen, die in de
ware navolging van de Nazarener traden, veel verdragen en lijden.
Vele van de pioniers voor de Nieuwe Tijd gingen echter onverstoorbaar
door en bleven in Mijn voetsporen. Gedenkt deze dappere mannen en vrouwen, die
onverstoorbaar in het geloof aan Mij een rechtvaardige strijd gestreden hebben voor de
Nieuwe Tijd.
Verheugt jullie, die in de Nieuwe Tijd leven, in het vredesrijk, dat
steeds meer lichtstoffelijk wordt. Jullie zijn met hen verbonden. Velen onder jullie waren
in de grote tijdsomwenteling als pioniers in het aardse gewaad om de doorbraak voor het
rijk Gods te bereiken. De strijd en de overwinning voor Mij, Christus, bleef in jullie
zielen als herinnering achter. Intuïtief voelt menigeen onder jullie, dat hij in die tijd
als pionier heeft meegewerkt. Zij voelen ook, dat in die tijd de oorzaken steeds sneller
werkzaam werden en het positieve, de lichttijd, met macht opsteeg, de tijd van de
Christus, waarin jullie nu weer - in het kleed van een fijnere materie - leven.
5. Wee jullie, die rijk zijt! Want jullie hebben in
dit leven jullie troost ontvangen. Wee jullie, die verzadigd zijt, want jullie zullen
honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en wenen. Wee wanneer
alle mensen goed over jullie spreken, want zo deden ook hun vaders met de valse profeten.
(Hoofdst. 25, 5)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Wee jullie die rijk zijt! Want jullie hebben in
dit leven jullie troost ontvangen.«
Mensen, die hun rijkdom als hun eigendom beschouwen, zijn
geestelijk arm. Velen, die rijk zijn aan aardse goederen, kregen voor hun aardse leven de
geestelijke opdracht in de wieg gelegd, een voorbeeld te zijn voor die rijken, die zich
met verstokt, onbuigzaam hart binden aan hun rijkdom en wier enig denken en streven er
uitsluitend op gericht is, deze voor zichzelf te vermeerderen. Een mens, die rijk is aan
aardse goederen en die heeft ingezien, dat zijn rijkdom een gave is, die hij slechts van
God heeft ontvangen, om haar in het grote geheel voor het welzijn van allen in te brengen
en haar aldaar rechtmatig voor allen te beheren - deze mens verwezenlijkt de wet van de
gelijkheid, de vrijheid, de eenheid en de broederlijkheid. Hij draagt als onbaatzuchtig
gever er mede toe bij, dat de armen niet in ontbering en de rijken niet in luxe leven.
Zo wordt geleidelijk een evenwicht, een gegoede middenstand tot stand
gebracht voor allen, die bereid zijn, de wet "bid en werk" onbaatzuchtig te
vervullen. Zo ontstaat heel geleidelijk het ware mensdom van een gemeenschap, wier leden
geen persoonlijke aardse rijkdom vergaren, maar alles als gemeenschappelijk bezit
beschouwen, dat hen door God is geschonken.
Als de rijke geld en goed als zijn eigendom beschouwt en in de wereld
vanwege zijn rijkdom aanzien heeft, zal hij - als gevolg van zijn oorzaken - in het
volgende aardse leven in arme landen leven en daar om het brood bedelen, dat hij eens als
rijkaard de armen heeft onthouden. Dit blijft zolang voortduren, als dergelijke
incarnaties nog mogelijk zijn.
De ziel van zon rijke zal ook in de reinigingsgebieden geen rust
vinden. De lichtarme zielen, die door zijn toedoen op aarde leed en honger moesten
verduren, zullen hem herkennen als degene, die hen ontzegd heeft wat hen had kunnen
helpen, uit de verstrikkingen van het menselijke ik te komen. Velen zullen hem aanklagen
en dan zal zijn ziel zelf ervaren, hoe zij hebben moeten lijden en honger hebben geleden.
Op deze wijze kan een ziel, die op aarde als mens rijkdom en aanzien genoot, grote nood
lijden; deze nood is veel groter, dan wanneer zij op aarde om brood had moeten bedelen.
Erkent: naar de wetten van de Eeuwige komt eenieder, die zich
onbaatzuchtig aan het gebod "bid en werk" houdt, hetzelfde toe; want God geeft
iedereen wat hij nodig heeft en meer dan dat. Zolang echter nog niet alle mensen zich aan
dit gebod houden, zijn er op aarde de zogenaamde rijken. Hun opdracht is, hun vergaarde
rijkdom uit te delen en hetzelfde te leven als zij, die onbaatzuchtig het gebod "bid
en werk" vervullen. Als zij op deze wijze niet aan hun eigen welzijn denken, maar aan
het welzijn van allen, dan keert de innerlijke rijkdom zich geleidelijk naar buiten en
geen mens zal meer honger of gebrek lijden.
Wee jullie die rijk zijt, die jullie geld en goed je eigendom noemt en
jullie naasten ervoor laat werken, opdat jullie vermogen zich vermeerdert! Ik zeg jullie:
jullie zullen Gods troon niet schouwen, doch dáár verder leven, waar Gods voeten zijn -
op aarde, steeds weer in het aardse lichaam, zolang dit nog mogelijk is. Ook wanneer
jullie sociale instellingen helpen, zelf echter veel rijker zijn dan degenen, die daaruit
worden ondersteund - zijn jullie toch horig aan de satan der zinnen, die het verschil wil
tussen arm en rijk.
Door deze verschillen ontstaan macht en onderworpenheid, haat en nijd.
Daaruit volgt strijd en oorlog. Daarom dienen zij, die hun rijkdom vasthouden, ook wanneer
zij af en toe sociaal denken, de satan der zinnen en handelen tegen de wet des levens:
tegen gelijkheid, vrijheid, eenheid en broederschap.
Wie geld en goed als zijn eigendom beschouwt en voor zichzelf houdt,
inplaats van deze materiële energie te laten stromen, is volgens de wetten des levens een
dief, daar hij zijn naaste een deel van zijn geestelijke erfdeel onthoudt. Want alles is
energie. Wie haar bindt door "van mij en voor mij" handelt tegen de wet, die
stromende energie is.
»Wee jullie, die verzadigd zijt, want jullie zullen
honger lijden.«
De rijke, verzadigde mens, die alleen "zijn" schuren
vult, is in zijn hart leeg. Hij kent slechts het mijn en dijn. Zijn streven en denken
draait rond "mijn" eigendom, "mijn" bezit, "mijn" brood,
"mijn" voedsel. "Dat is allemaal van mij" - dat is zijn wereld. Zo een
mens zal eens honger en gebrek lijden, tot hij begrijpt: alles is het Zijn; alles behoort
God toe en alle mensen, die ernaar streven, Gods werken te doen: de onbaatzuchtige liefde
en de wet des levens voor de aarde "bid en werk" te vervullen.
Mensen, die alleen van "mijn en dijn" spreken, zijn lichtarme
mensen, die reeds in deze incarnatie een volgende aardse weg voorbereiden, of een lange
reis van hun ziel in het zielenrijk, steeds in het kleed van de bedelaar.
De door het materiële verblinde ziel hongert onbewust naar het licht,
omdat zij lichtarm is. Dwangmatig tracht zij dit met uiterlijke dingen te compenseren,
zoals met aardse rijkdom, hebzucht, geschrans, drankzucht of andere begeerten en
genietingen. Zij is onverzadigbaar.
»Wee jullie, die nu lacht, want jullie zullen
treuren en wenen.«
Wie om zijn naaste lacht en hem bespot, zal eens zeer verdrietig
zijn en over zichzelf wenen - omdat hij diegenen heeft miskend, die hij heeft uitgelachen
en bespot. Hij zal moeten inzien, dat hij tenslotte zichzelf heeft uitgelachen, gehoond en
bespot. Want wie zijn naaste berecht en beoordeelt, hem uitlacht, hoont en bespot, die
berecht, beoordeelt Mij en lacht Mij uit, hoont en bespot ook Mij, de Christus.
Erkent: wie zich aan de geringste Mijner broeders verzondigt,
verzondigt zich aan de wet des levens en zal daaronder te lijden hebben. Tegelijkertijd
heeft hij zich gebonden aan degenen, die hij heeft veracht. Weest daarom op jullie hoede
en beoefent zelfcontrole. Niet wat de mond ingaat, verontreinigt jullie zielen, maar wat
de mond uitgaat, dat belast ziel en mens.
»Wee jullie, wanneer alle mensen goed over jullie
spreken, want zo deden het ook hun vaders met de valse profeten.«
Als julie je medemensen naar de mond praat, opdat zij jullie loven
en jullie aanzien bij hen hebben, dan zijn jullie net zoals de valsemunters, die omwille
van hun voordeel met valse munt betalen.
Zo was en is het ook met de valse profeten. Zij hadden en hebben
aanzien bij het volk, omdat zij het naar de mond praatten en omdat mannen van aanzien
onder het volk hun zijde kozen, omdat zij er persoonlijk voordeel en nut van verwachtten.
Mensen in het vredesrijk, erkent: in de zondige
wereld werden veel rechtvaardige profeten en ook verlichte mannen en vrouwen door de
aardse rijken en de machthebbers van deze wereld, door kerkleiders en hun aanhangers
belasterd en vervolgd en werden velen van hen gefolterd en gedood. Het satanische heeft te
allen tijde diegenen als werktuig gebruikt, die hun aardse rijkdom voor zichzelf wilden
houden en vermeerderen, die naar macht streefden en ook degenen, die horig waren aan de
rijken en machthebbers.
Dat moeten jullie weten, om te begrijpen, waarom de oude, zondige
wereld op gruwelijke wijze onderging.
Valse profeten waren onder andere ook diegenen, die het evangelie van
de liefde weliswaar predikten, echter daar zelf niet naar leefden. En het waren ook al
diegenen, die zich "christen" noemden en zich in hun leven onchristelijk
gedroegen. Zij werden vaak geroemd om hun welbespraaktheid en geëerd en geprezen wegens
hun rijkdom en aanzien.
O, ziet, nochtans droegen alle ware profeten en verlichten in de loop
der tijden ertoe bij, dat de kristal van innerlijk leven met zijn vele facetten van de
eeuwige waarheid steeds meer schitterde en straalde. Op deze wijze ontstond heel
geleidelijk het rijk Gods op aarde.
Aan jullie, lieve broeders en zusters in het vredesrijk, is het nu dit
thans volmaakte, fonkelende en schitterende kristal, het innerlijke leven, als een
kostbare bloem te koesteren en te verzorgen, te beschermen en te bewaren: het is de wet
van de liefde en wijsheid Gods, Zijn orde, Zijn wil, Zijn wijsheid, Zijn ernst, Zijn
goedheid, Zijn oneindige liefdestraling, en Zijn zachtmoedigheid.
6. Jullie zijn het zout der aarde, want ieder offer
dient met zout gezouten te worden, maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee
zal men dan zouten? Het heeft voortaan geen nut meer, dan dat het weggegooid en met de
voeten vertrapt wordt. (Hoofdst. 25, 6)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De rechtvaardigen zijn het zout der aarde.
Zij zullen steeds weer wijzen op wantoestanden in deze wereld en de
vinger op de wonde van de zonde leggen. Want veel onheil geschiedde en geschiedt in deze
nog zondige wereld en veel mensen werden slachtoffers omwille van het evangelie.
De rechtvaardigen, die slachtoffers werden, moeten door rechtvaardige
mannen en vrouwen gerehabiliteerd worden, want alles moet openbaar worden door het zout
der aarde. Nu, in de tijd van de omwenteling van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe
Tijd, de lichttijd, zullen de rechtvaardigen het onrecht aan het licht brengen en openbaar
laten worden, opdat degenen, die onrecht hebben gedaan, zichzelf erkennen en boete doen.
Hoedt jullie echter, jullie rechtvaardigen, die het zout der aarde
zijn, dat het zijn smaak niet verliest, dat jullie dus in de gerechtigheid blijven en
jullie niet laat verleiden. Want wie zal de gerechtigheid in deze wereld brengen en wie
zal wijzen op de wantoestanden en zonden, die mensen hebben geschapen? Toch slechts
diegenen, die Mijn naam kennen en die in het boek van het Lam staan.
Wie niet meer het zout der aarde is, die gaat tot hen behoren, die Mijn
naam hebben misbruikt en misbruiken voor hun eigen doeleinden en de rechtvaardigen
vervolgd, belasterd en gedood hebben.
Als het zout der aarde aan smaak verliest en de mens zijn naaste
veracht, dan zal hij onder zijn eigen oorzaken bezwijken: figuurlijk gezegd: hij zal
zichzelf vertrappen. Zijn onuitgeboete oorzaken roepen dan ziekte, verval en leed op. De
lichtarme ziel zal gebrek lijden en datgene aan haar eigen zielelichaam ervaren, wat zij
aan haar naaste heeft veroorzaakt.
7. Jullie zijn het licht der wereld. De stad, die op
een heuvel is gebouwd, kan niet verborgen zijn. Men steekt ook geen licht aan en plaatst
het onder de korenmaat, maar op een kandelaar en zo geeft het licht aan allen, die in het
huis zijn. Laat aldus jullie licht schijnen voor de mensen, dat zij jullie goede werken
mogen zien en jullie Vader in de hemel prijzen. (Hoofdst. 25, 7)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Ik Ben het licht der wereld.
Door Mijn getrouwen, door mannen en vrouwen, die de wil van de Eeuwige
vervullen, straalt het nu versterkt in de wereld.
Mijn licht heb Ik op de kandelaar van de goddelijke wijsheid en
gerechtigheid geplaatst, opdat het voor allen moge schijnen, die van goede wil zijn.
Mijn broeders en zusters in het vredesrijk van Jezus Christus, het is
belangrijk voor jullie, het volgende te weten: in de geïncarneerde deelstraal der
goddelijke wijsheid heb Ik heel geleidelijk Mijn licht tot stralen gebracht. Ik riep het
mensenkind, waarin het vrouwelijke principe van de cherubijn van de goddelijke wijsheid
geïncarneerd was en deelde het zijn geestelijke opdracht mede, die vervolgens in zijn
ziel steeds meer openbaar werd.
Weet, wanneer de geestelijke opdracht in de geïncarneerde ziel begint
te pulseren, wil de wet, dat de mens daarop opmerkzaam wordt gemaakt en gevraagd wordt, of
hij datgene aanneemt, wat in zijn ziel actief is.
Het mensenkind bevestigde met woorden van de volgende strekking:
Eeuwige, ik ben Jouw maagd, mij geschiede naar Jouw wil.
Daarop begon voor haar de grote, alomvattende, geestelijke opdracht,
Mijn profetes en verkondigster voor de hele aarde te zijn. Steeds helderder en krachtiger
werd Mijn licht in haar ziel, tot het de mens geheel doorstraalde. Toen ook de mens sterk
genoeg was, om Mijn heilige, eeuwige woord te schenken, zond Ik haar deze wereld in: door
Mijn Geest geleid, bezocht zij landen en steden op verschillende continenten. Ik gaf door
haar Mijn heilige woord in talloze openbaringen.
In vele facetten van de eeuwige waarheid straalde Mijn licht in deze
wereld, op deze aarde. Het is de wijsheid uit God.
Aan Mijn licht ontstoken zich in de geweldige tijdsomwenteling steeds
meer harten. De mensen herkenden de eeuwige waarheid in Mijn woorden. Steeds meer mensen
gingen de Innerlijke Weg en namen het geschenk des levens aan, de leringen en lessen uit
de eeuwige waarheid, om God, het eeuwige Zijn, naderbij te komen.
Veel mannen en vrouwen werden Mijn getrouwen, want zij vervulden Gods
wil. Zij verbroederden zich in Mijn Geest en werden de pioniers voor de Nieuwe Tijd, die
het fundament stichtten voor het rijk Gods op aarde en daarop begonnen op te bouwen.
Steeds meer mensen werden lichtzoekers. Op weg naar het innerlijke
leven ontwikkelden zij steeds meer hun innerlijke vlam aan Mijn licht en verenigden zich
met de pioniers, om mee te werken voor de Nieuwe Tijd.
Erkent verder: door het diepgaande onderricht, dat Ik via de
geïncarneerde goddelijke wijsheid gaf, erkenden zij de eeuwige wetten en bleven steeds
meer in de gerechtigheid Gods.
De pioniers hadden te allen tijde ook enkele nederlagen te overwinnen.
Maar zij herkenden in elke nederlaag hun eigen zwakte en overwonnen haar dan met Mij,
Christus. Zij berouwden hun tegenstrijdige gedrag, loofden en prezen God voor Zijn nooit
aflatende leiding - ook weg uit hun nederlagen. Op deze wijze werden de mannen en vrouwen
sterker in Mij, de Christus.
De overwinningen in Mij, de Christus, beschouwden zij niet als hun
eigen verdienste. Zij dankten, loofden en prezen de eeuwige naam en verheugden zich, dat
de Eeuwige door Mij en Ik door hen en met hen datgene kon volbrengen, wat nodig was voor
de lichttijd, waarin jullie thans leven.
Door de verwezenlijking van de eeuwige wetten kwamen de trouwe mannen
en vrouwen steeds dichter bij Mij en werden zich bewust van Mijn leiding. Via de
geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid spraken de Eeuwige, God, ons aller
Vader, en Ik, Christus, met hen. Wij vermaanden de pioniers steeds weer, hun nog aanwezige
fouten af te leggen. Tegelijkertijd leidden Mijn Vader en Ik, Christus, hen tot
zelfkennis, door hen - overeenkomstig de wet van de vrije wil - er opmerkzaam op te maken,
zo gauw zij tegen de eeuwige wet hadden verstoten. Wij legden hen uit, hoe zij hun fouten
weer goed konden maken. In alle wezenlijke vragen en situaties openbaarden zich de Eeuwige
en Ik, Christus en leidden hen naar een antwoord en een oplossing, die wetmatig was. Zij
brachten onmiddellijk dat in het reine, wat in het reine gebracht moest worden, zodat
datgene opgeheven kon worden, wat niet overeenkwam met de eeuwige wet.
De pionierstijd was een grote tijd, want de pioniers spraken met God,
die zich door het grote licht der goddelijke wijsheid aan hen openbaarde. Door deze diepe
verbondenheid met de Vader-Moeder-God en met Mij, hun Verlosser en goddelijke broeder,
werden zij innerlijk sterker. Zij werden steeds meer vervuld van liefde en wijsheid.
Wat Ik hier in dit boek "Dit is Mijn woord" openbaar, voltrok
zich in een evolutieproces over vele generaties. De eerste pioniers voor de Nieuwe Tijd
herkenden het grote licht, dat onder hen leefde, nog niet, omdat de geïncarneerde
deelstraal der goddelijke wijsheid zich als zuster onder broeders en zusters inzette,
zonder zich op de voorgrond te plaatsen. Deze eenvoudige zusterlijkheid, die ontsprong uit
een grote deemoed en eerbied voor God, had dan ook onder enige pioniers echte
broederlijkheid tot gevolg. Voor hen was de hoge lichtdraagster een zuster, die hen in
iedere levensomstandigheid en situatie raad kon geven, omdat haar geestelijke lichaam
één was met God, het leven.
Jullie, die in de Nieuwe Tijd leven, erkent: dit alles - en nog veel
meer, dat niet werd opgeschreven - moest gebeuren, opdat mijn licht steeds sterker kon
stralen in deze wereld. Het straalde machtig in de tijdsomwenteling en bereidde door Mijn
getrouwen de Nieuwe Tijd voor.
De pioniers in Mij waren de geestelijke strijdtroep, die streed volgens
de wet van het leven, de liefde en de vrije wil.
Na het sluiten van het verbond met God, de Eeuwige, leefden en werkten
zij vanuit het centrale Oerlicht der Bondgemeente Nieuw Jeruzalem in het Nieuwe Israël in
wording. Uit de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem ontstond in de daaropvolgende generaties de
machtige stad Jeruzalem op de steeds fijner wordende materie der aarde.
De stad Nieuw Jeruzalem, die op de heuvelen is gebouwd, kan niet
verborgen zijn. Zij schittert en straalt als het centrale Oerlicht voor de hele aarde.
Vanuit de stad, die op de heuvelen is gebouwd, het Nieuwe Jeruzalem,
worden de impulsen gegeven voor het gehele wereldrijk van Jezus Christus. De stad Nieuw
Jeruzalem is de centrale schakel voor het vredesrijk van Jezus Christus. Zo werd het
geopenbaard - en zo is het.
8. Jullie mogen niet denken, dat Ik gekomen Ben, om
de wet of de profeten te ontbinden; Ik Ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te
vervullen. Want waarlijk, Ik zeg jullie: tot hemel en aarde vergaan, zal niet de kleinste
letter, noch een jota van de wet en de profeten vergaan, tot dat alles is vervuld. Doch
zie, een grotere dan Mozes is hier en deze zal jullie de hogere wet geven, de volmaakte
wet zelfs, en deze wet zullen jullie gehoorzamen. (Hoofdst. 25, 8)
Ik Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Als Jezus van Nazareth leerde Ik de mannen en
vrouwen die Mij navolgden en allen, die naar Mij luisterden, gedeelten uit de volmaakte
wet, de Absolute Wet. Ik verklaarde hen ook, dat de Absolute Wet der liefde in de wet van
oorzaak en gevolg binnenstraalt, omdat de Geest alomtegenwoordig is en ook in de wet van
oorzaak en gevolg, de valwet, werkt.
Door Mij als Jezus van Nazareth, de geïncarneerde Christus en door
alle andere ware Godsprofeten, onderwees en vermaande de Eeuwige Zijn kinderen in de
onvolmaakte gebieden, dat de valwet, de wet van oorzaak en gevolg, voortdurend werkzaam
is. Wie zich niet tijdig bezint en omkeert, zal zijn oorzaken als gevolgen moeten
verduren. De Eeuwige had en heeft de wens, om ook in de huidige tijd (1989) Zijn
mensenkinderen en alle zielen naar Zijn hart te leiden, naar de wet van de eeuwige liefde,
voordat de oogst - de gevolgen op de door hen gestelde oorzaken - op hen afkomt. De
Eeuwige leidde en leidt hen door Mij, Christus, tot zelferkenning. Hij gaf en geeft hen de
kracht, datgene in het reine te brengen, wat zij als zonden en fouten hebben erkend en
erkennen.
De Christus, die Ik Ben, kwam in Jezus van Nazareth op deze aarde, in
deze wereld, om de mensen als mensenzoon de eeuwige wet te leren en haar voor te leven,
opdat zij de weg naar de Eeuwige Vader erkennen en Zijn wet vervullen - zodat zij weer de
eeuwige woningen kunnen binnengaan, die Hij voor al Zijn kinderen gereed houdt.
De mensen, die Mij in Mijn aardse tijd navolgden en die de eeuwige
wetten verwezenlijkten, waren Mijn ware navolgers.
In de daaropvolgende generaties kwam vervolgens christendom en
schijnchristendom: de ware navolgers, die Mij, de Christus, vrijwillig navolgden, door
zich te houden aan de wetten van de Bergrede - en de schijnchristenen, die slechts over
Mij, de Christus, spraken en toch tegen de wetten handelden. Bovendien was er nog de
zogenaamde gedwongen navolging: deze ontstond uit de gedwongen kerstening van de massa
door de kerken.
Erkent: in de eeuwige wet bestaat geen dwang. God, de Eeuwige, heeft al
Zijn kinderen de vrije wil gegeven. Wie vrij beslist, heeft met de vrije keuze de kracht
voor dat, wat het ware christendom kenmerkt: gelijkheid, vrijheid, eenheid,
broederlijkheid en gerechtigheid. Elke dwang komt uit de wet van oorzaak en gevolg, die
ook valwet wordt genoemd. De mens is geboden, zijn geestelijke weg vrij te kiezen. Ik,
Christus, bood en biedt de weg aan naar het hart van God, maar Ik dwing geen mens, die ook
te gaan. Wie zijn naaste dwingt, leeft zelf onder de dwang van de valwet en belichaamt zo
de valgedachte.
Sommige zogenaamde christelijke godsdiensten dwingen hun gelovigen tot
het doopsel met water. Reeds kleine kinderen, wier vrije wil nog niet ontwikkeld is en die
daarom ook nog niet zelf kunnen beslissen, worden door het doopsel met water tot
lidmaatschap van een kerk gedwongen en daarmee tot deelname aan haar overige rituelen
genoodzaakt.
Dit is een ingreep in de vrije wil van het individu, als het ware een
gedwongen christianisering. Zo werkt de valwet.
Mensen, die Mij, Christus, niet vrijwillig, uit hun diepste innerlijke
overtuiging, aan - en opnemen, hebben het vaak zeer moeilijk, de Tien Geboden, de
uittreksels uit de eeuwige wet, op de juiste wijze te begrijpen en aan te nemen omdat deze
door talrijke veruiterlijkingen, dogmatische vormen, riten, gebruiken en erediensten op de
achtergrond werden gedrongen. In de kerken werden deze veruiterlijkingen de hoofdzaak; zij
hebben echter met het innerlijke christendom, de innerlijke religie, niets gemeen, maar
stammen gedeeltelijk rechtstreeks uit de tijd van het veelgodendom en de afgodendienst en
aldus uit de valgebieden.
Pas wanneer mensen zich vrijwillig losmaken van de hen opgedrongen
dogmas en starre vormen, van rituelen en erediensten, alsmede van hun eigen
Godsvoorstellingen, kunnen zij geleidelijk naar hun innerlijk, hun ware wezen, worden
gevoerd. Daar, in hun innerlijke zijn, vinden zij dan zichzelf als waarachtig wezen in God
en als bewoner van het rijk Gods, dat binnen in ieder mens is. Dit innerlijke leven is de
ware religie, de innerlijke religie.
Erkent: de eeuwige, alomvattende, universele wet, de wet van de
hemelen, is onomstotelijk. Het is de wet van al het reine Zijn. Door de val ontstond de
wet van oorzaak en gevolg en deze kan slechts worden opgelost door de verwezenlijking der
eeuwige wetten. Ze kan echter niet worden ontlopen. De wet van oorzaak en gevolg werkt
zolang in elke ziel, tot de zonden werden erkend, in het reine gebracht, uitgeboet en aan
Mij, de Christus Gods, werden overgegeven. Dan is de valwet in de ziel opgeheven. De ziel
is dan verregaand bevrijd van haar onreinheid. Zij wordt weer het reine wezen in God, dat
de Absolute Wet leeft, omdat het opnieuw streeft naar de alomheersende wet van de liefde
en het leven.
De wet van zaad en oogst heeft zolang geldigheid, tot al het
tegenstrijdige goedgemaakt is en in positieve energie is omgezet en elk wezen weer in God
leeft, uit wie het voortkwam. In de mate, waarin alle wezens uit God weer in het hart van
God zijn ingegaan, in de Absolute Wet, zullen alle reinigingsgebieden - alle gedeeltelijk
materiële en materiële gebieden, met inbegrip van de aarde zich in kosmische energie
omzetten en opnieuw in de Absolute Wet trillen. Dan is de valwet opgeheven en Gods liefde
is bewust en alomheersend in al het Zijn, in ieder wezen.
Er wordt geen "jota" van de eeuwige wet
weggenomen, die de ware profeten voor en na Mij hebben gebracht, die Ik als Jezus van
Nazareth voorleefde.
Als er staat: »niet de kleinste letter«: dan is daarmee het
afzonderlijke aspect van de eeuwige waarheid bedoeld, niet de letter en het woord der
mensen als zodanig. Menselijke woorden zijn vaak slechts symbolen, die het innerlijke
verbergen. Pas wanneer de mens zich in de symbooltaal vermag in te voelen, herkent hij de
waarheid en de zin van het leven, die diep in de menselijke woorden verborgen ligt.
"De hogere wet" is de stap in de volmaakte wet. Deze wordt de
verregaand reine wezens, die van de aarde en de zielenrijken komen, in de
voorbereidingsgebieden geleerd, die zich voor de hemelpoort bevinden. De hogere wet is de
laatste leerfase voor de hemelpoort. Zij toont de verregaand reine wezens, op welke wijze
de wetmatige straling in het geestlichaam weer wordt geactiveerd, zodat zij in de
oneindigheid kan worden aangewend.
Als Jezus van Nazareth heb Ik gedeelten uit de volmaakte wet, de
Absolute Wet, geleerd. De gehele waarheid moest voor de toen levende mensen nog verborgen
blijven, omdat zij nog te zeer hingen aan het veelgodendom en op de verschillende
geloofsrichtingen van de toenmalige tijd waren georiënteerd. Daarom sprak Ik inhoudelijk:
als de tijd gekomen is, zal Ik, de geest der waarheid, jullie in de gehele waarheid
leiden.
Op de berg Golgotha - dat betekent: schedelplaats - werd Ik door de
Romeinen gekruisigd, omdat het Joodse volk Mij niet als de Messias had aan- en opgenomen.
Ofschoon Ik in het dal van de Jordaan in het hele land predikte, onderwees, genas en vele
tekenen van Mijn Godheid gaf, bleef het halsstarrige Joodse volk horig aan de tempel en
werd zo medeschuldig aan de dood van Jezus van Nazareth.
Met de inhoudelijke woorden "Het is volbracht" vond in alle
belaste en gevallen zielen de verlossersvonk ingang. Daardoor werd en Ben Ik de Verlosser
van alle mensen en zielen.
Als Christus Gods werkte en werk Ik verder. In alle generaties tot aan
de tegenwoordige tijd (1989) openbaarde en openbaar Ik Mij door ware instrumenten van God,
door mensen met verregaand gereinigde zielen.
In deze machtige tijdsomwenteling, waarin de lichttijd de mensen steeds
naderbij komt, leer Ik de eeuwige wet in al zijn facetten en steeds meer mensen bewandelen
het pad naar het innerlijk, tot de liefde Gods.
Nu is de tijd gekomen, die Ik als Jezus van Nazareth aankondigde:
»Vandaag kunnen jullie het nog niet dragen, dus begrijpen, maar als de geest der waarheid
komt, zal Hij jullie in alle waarheid leiden.« Nu Ben Ik in de geest onder de Mijnen, de
trouwe reizigers naar het eeuwige Zijn, naar het bewustzijn van Mijn Vader en leer hen de
Absolute, eeuwige Wet, opdat ook diegenen, die in het vredesrijk zullen leven, haar
vervullen en daardoor in Mij leven en Ik door hen.
Mijn woorden zijn leven, zijn de eeuwige wet, zij blijven in de
reizigers naar het eeuwige leven behouden en ook in vele schriftelijke aantekeningen - zo
ook met dit boek voor het vredesrijk van Jezus Christus.
Erkent: alleen de eeuwige wet van liefde maakt de mens vrij - niet de
wet van zaad en oogst. Dit brengt hem slechts leed, ziekte, nood en ellende.
9. Wie slechts één van deze geboden, die Hij zal geven, breekt en de
mensen leert ook zo te handelen, zal de geringste heten in het hemelrijk. Wie deze echter
naleeft en leert, die zal groot genoemd worden in het hemelrijk. (Hoofdst. 25, 9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De Tien Geboden, die God door Mozes aan Zijn
mensenkinderen gaf, zijn uittreksels uit de eeuwige wet van het leven en de liefde. Wie
deze geboden overtreedt, ze slechts voorhoudt aan zijn medemensen, zonder zich er echter
zelf aan te houden, is een valse leraar. Hij zondigt tegen de Heilige Geest. Dat is de
grootste zonde. Deze valsemunter gebruikt Gods liefde, de wet van het leven, voor eigen
doeleinden. Zodoende misbruikt hij de eeuwige wet. Ieder misbruik is roof; en iedere rover
is een gejaagde en een achtervolgde, die door zijn eigen daden, door zijn eigen oorzaken,
vroeg of laat wordt ingehaald en veroordeeld. Want God is een rechtvaardige God; door Hem
wordt alles openbaar, zowel het goede, alsook het minder goede en het slechte.
Wie echter de wet van de liefde en het leven in acht neemt, dat wil
zeggen in het dagelijkse leven vervult en de mensen dat leert, wat hijzelf verwezenlijkt
heeft, is een ware geestelijke leraar. Hij reikt de mensen het brood van de hemelen aan en
zal daarmee velen verzadigen. Wie uit de eigen vervulling geeft, is vervuld van goddelijke
wijsheid en kracht en zal, als de tijd gekomen is, stralen als een ster aan de hemel. Want
de van God vervulde mens put uit de stroom van het heil en geeft onbaatzuchtig aan hen,
die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Erkent: door zulke rechtvaardige mannen en vrouwen komt de eeuwige wet
van liefde en leven in deze wereld. Wie zich dus aan de eeuwige wet houdt en deze
onderwijst, zal groot worden genoemd in het hemelrijk; dat betekent: hij zal in de hemel
rijk worden beloond.
10. Waarlijk, zij, die geloven en gehoorzamen,
zullen hun zielen redden en zij, die niet gehoorzamen, zullen hen verliezen. Want Ik zeg
jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die der schriftgeleerden en
farizeeën, zullen jullie niet in het hemelrijk komen. (Hoofdst. 25, 10)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De uitspraak: »... zij die geloven en gehoorzamen,
zullen hun zielen redden en zij die niet gehoorzamen, zullen hen verliezen«, betekent:
wie gelooft en de wetten van God navolgt, zal zijn ziel redden van het rad van
wedergeboorte, dat hem zo lang in het vlees terugtrekt, tot hij alles heeft uitgeboet, wat
hem steeds weer in de incarnaties heeft getrokken.
Erkent: alleen het geloof in de wet des levens is niet voldoende.
Alleen het geloof aan het leven en de verwezenlijking van de wetten des levens leiden mens
en ziel uit het rad van wedergeboorte.
Wie de wetten van God niet in acht neemt, verraadt God en verkoopt zijn
ziel aan de duisternis. Daardoor dekt hij het licht van zijn ziel, zijn ware leven toe.
Deze mens leeft dan in zonde en de ziel in de slaap van deze wereld. De incarnatiewet, het
rad van wedergeboorte, dat de ziel ter incarnatie trekt, zal nog geruime tijd werkzaam
zijn, opdat de geïncarneerde ziel inziet, dat zij niet van deze wereld is, maar in het
aardse gewaad, om datgene af te leggen, wat menselijk is - en te onthullen, wat goddelijk
is: haar ware, eeuwige leven.
Niet allen, die de lettertekens kennen, interpreteren deze alleen naar
de letter - maar zij zien ook de betekenis. Daarom de betekenis: als jullie gerechtigheid
niet groter is dan die van vele schriftgeleerden - die voorwenden, rechtvaardig te zijn en
Mijn wet te leren, deze echter zelf niet in acht nemen - dan zullen jullie niet het
hemelrijk binnengaan.
Bindt jullie daarom niet aan meningen en zienswijzen van mensen.
Verwezenlijkt, wat jullie uit de wetten des levens hebben erkend; dan zien jullie de
volgende stappen naar hogere wetmatigheden.
Erkent: de gerechtigheid Gods is Gods liefde en wijsheid. Wie deze niet
in zichzelf tot ontplooiing brengt, straalt haar ook niet uit, schouwt ook niet in de
diepte van het eeuwige Zijn en doorgrondt ook niet zijn ware leven. Zijn aardse leven is
een vegeteren. Hij vegeteert aan het ware leven voorbij. Zowel aan deze alsook aan gene
zijde is hij een geestelijk dode. Hij heeft noch in dit aardse bestaan, noch in het leven
aan gene zijde de juiste oriëntatie, omdat hij niet naar de wetten van het leven heeft
geleefd. Hij is niet wijs, maar geeft alleen zijn opgeslagen kennis door. Daardoor wordt
hij de aanhanger van de zonde en tenslotte zelf een zondaar. Hij handelt in strijd met de
eeuwige wet en valt daardoor steeds dieper in de wet van zaad en oogst.
11. Daarom, wanneer je je gave op het altaar offert
en indachtig wordt, dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan je gave vóór het altaar
en ga eerst naar hem toe, verzoen je met je broeder en kom dan terug en offer je gave.
(Hoofdst. 25, 11)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»... wanneer je je gave op het altaar offert en
indachtig wordt, dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan je gave vóór het altaar en
ga eerst naar hem toe, verzoen je met je broeder en kom dan terug en offer je gave«
betekent: wanneer je aan Mij, Christus, je leven wilt wijden en je zonden en fouten aan
Mij wilt geven en je ziet in, dat je je nog niet verzoend hebt met je naaste, laat dan de
zonde vooralsnog voor het innerlijke altaar liggen. Ga naar je naaste toe en verzoen je
met hem - en dan, als je hetzelfde of iets dergelijks, als hetgeen tot de zonde geleid
heeft, niet meer wilt doen, leg dan je zonde op het altaar. Het altaar bevindt zich in het
binnenste van je tempel van vlees en bloed. De geest van liefde en leven verandert dan de
zonde in kracht en leven. Want van datgene, dat je vrijwillig, zonder dwang, bereidwillig
aan Mij overgeeft en dus datzelfde of iets dergelijks niet meer doet, zul je bevrijd
worden. Je ziel ontvangt dan versterkt het licht uit Mij.
Let op de volgende wetmatigheid: als je slechts in gedachten tegen je
naaste gezondigd hebt door liefdeloze, afgunstige, wraakzuchtige, jaloerse of hatelijke
gedachten, ga dan niet naar hem toe, om er met hem over te spreken. Weet, dat je naaste je
gedachtenwereld niet kent. Wanneer je je gedachten in woorden openbaar laat worden, gaat
hij erover nadenken. Kom alleen tot Mij, Christus, die in je innerlijk is, heb berouw over
je gedachten en zend tegelijkertijd positieve, onbaatzuchtige gedachten naar de ziel van
je naaste, gedachten met de vraag om vergeving en gedachten van innerlijke verbondenheid.
Dan los Ik op, wat in gedachten werd veroorzaakt. En als je dan hetzelfde of iets
dergelijks niet meer denkt, is het je al vergeven.
Erken: als je met je naaste spreekt over je menselijke gedachten, kun
je eventueel iets menselijks in hem aanraken, dat zich juist in een veranderingsproces
bevindt. Het zou dan in je naaste weer kunnen openbreken. Hij begint dan weer negatief te
denken en te spreken en belast zich opnieuw.
De wet luidt: niet alleen diegene belast zich, die door jouw verkeerde
gedrag weer tot nadenken werd aangezet, maar ook jij, die je gedachten hebt uitgesproken
en daardoor in je naaste iets menselijks hebt geactiveerd, dat zich in een
veranderingsproces bevond.
Gaat echter van je mond iets onwetmatigs uit, doordat je je naaste
beschuldigt, beschimpt en kwaad over hem spreekt - ook wanneer hij het via een ander of
derden hoort -, ga dan naar hem toe en vraag hem om vergeving. Heeft hij je vergeven, dan
heeft ook de eeuwige hemelse Vader in Mij, Christus, jou vergeven. Heeft hij je echter
niet vergeven, dan zal ook je hemelse Vader in Mij, Christus, jou niet kunnen vergeven. De
liefde van de Vader-Moeder-God zal echter het nog starre hart steeds meer beroeren, opdat
de mens zich sneller bezint en je vergeeft, zodat ook God in Mij, Christus, je kan
vergeven en dan alles afgelost en getransformeerd is, wat eens onwetmatig was.
Hoed je voor je eigen tong! Want dat, wat aan onwetmatigheden van je
mond uitgaat, kan je naaste en jezelf veel meer schade berokkenen dan je gedachten, die je
tijdig, voordat zij tot uitwerking komen, hebt erkend en aan Mij, Christus in jou, hebt
overgegeven.
Erken nog een andere wetmatigheid: gedachten zie en hoor je niet - en
toch zijn zij er! Zij vibreren in de atmosfeer en kunnen degene beïnvloeden, die
hetzelfde of iets soortgelijks denkt. Als je ze tijdig aan Mij overdraagt, zijn ze
opgeheven - tenzij de ziel van je naaste ze reeds in zich heeft geregistreerd. Dan word je
zo geleid, dat je voor deze mens, waarover je negatief hebt gedacht, iets goeds kunt doen.
En als je onbaatzuchtig het goede doet, zonder je vroegere gedachten uit te spreken, dan
wordt in de ziel van diegene, waarover je tegenstrijdig hebt gedacht, datgene uitgewist,
wat hij al in zijn ziel had opgenomen. Dan is ook in jou uitgewist, wat je ziel heeft
uitgestraald.
12. Word het zo snel mogelijk eens met je
tegenstander, zolang je nog met hem op weg bent, opdat je tegenstander je niet op een dag
aan de rechter overlevert en de rechter levert je over aan de gevangenisbewaarder en je
zult er niet uitkomen, voordat je de laatste cent hebt betaald.
13. Jullie hebben gehoord, dat gezegd is: je zult je naaste liefhebben
en je vijand haten. Doch Ik zeg jullie, die Mij horen: hebt jullie vijanden lief en doet
goed aan degenen, die jullie haten. (Hoofdst. 25, 12-13)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»Word het zo snel mogelijk eens met je
tegenstander, zolang je nog met hem op weg bent« betekent: laat de zonde, die je aan je
naaste hebt begaan, niet onbereinigd! Breng deze zo spoedig mogelijk in het reine, want
nog is hij met jou op de levensweg in het aardse bestaan. Is zijn ziel eenmaal van de
aarde heengegaan, dan moet je mogelijk wachten, totdat er weer een ontmoeting kan
plaatsvinden en je hem om vergeving kunt vragen.
Erken: de rechter, dat is de wet van oorzaak en gevolg. Wanneer deze
werkzaam wordt, zal de mens er zo lang niet vanaf komen, totdat hij "de laatste
cent" heeft betaald - tot dus alles is uitgeboet, wat hij heeft veroorzaakt en niet
tijdig heeft berouwd.
Benut daarom de kans, je naaste om vergeving te vragen en hem te
vergeven, zolang je nog met hem over de aarde gaat en de zonde zich nog niet in de ziel
heeft ingegraven en tot oorzaak is geworden. Wie niet vergeeft en niet om vergeving
vraagt, heeft de uitwerking te dragen, tot hij "de laatste cent" heeft betaald.
Word het dus zo snel mogelijk eens met je naaste. Hebben de oorzaken -
bijvoorbeeld twist, afgunst of nijd - reeds wortel geschoten in je ziel en is dit ook in
je naaste, tegen wie je gekant bent, het geval, dan is het mogelijk, dat je naaste je niet
zo snel vergeeft - ook dan niet, als je je zonden hebt ingezien en berouwd. Want het
schuldcomplex kan zich in zijn ziel hebben vastgezet door dezelfde of een soortgelijke
denkwijze, als die jij in hem hebt teweeggebracht. Door jouw zondige gedrag, dat je
gedurende enige tijd hebt gevoed, heeft ook hij de wrok tegen jou in zijn ziel gevoed - en
zo, net als jij, een omvangrijk tegenstrijdig energieveld geschapen, een schuldcomplex,
dat nu door jullie beiden moet worden aangepakt. Het in het reine brengen kan nog in dit
aardse bestaan op je afkomen of pas in de zielenrijken of in volgende incarnaties.
Erken: voordat een noodlot een mens overkomt, wordt
hij door de geest van het leven, die ook het leven van de ziel is, en ook door de
beschermengel of door mensen vermaand. De vermaningen uit de Geest zijn zeer fijne
gewaarwordingen, die uit de ziel stromen of die de beschermengel in de gevoels- of
gedachtenwereld van de mens laat binnenstromen. Zij vermanen de mens, anders te gaan
denken of in het reine te brengen, wat hij heeft veroorzaakt. De eeuwige Geest van het
leven en de beschermengel kunnen soms ook mensen aanzetten, naar diegene toe te gaan, die
kort voor een zware beproeving staat. Zij komen dan op de betreffende persoon toe en
beginnen een gesprek, dat als vanzelf op de zaak in kwestie slaat. Op grond van dit
gesprek zou dan de oorzaak voor het op hem toekomende noodlot kunnen worden ingezien en in
het reine gebracht kunnen worden.
Je ziet dus, dat het eeuwige licht op veelvuldige wijze vermaningen en
aanwijzingen geeft - zowel aan de naaste, waarmee je oorzaken hebt geschapen, alsook aan
jezelf.
Ook door impulsen via gebeurtenissen gedurende de dag wordt de mens
tijdig vermaand, voordat het door hem veroorzaakte hem als noodlot overkomt.
Wie zulke aanwijzingen serieus neemt en datgene, dat hij als zonde
heeft ingezien, door berouw, vergeven, vragen om vergeving en het-weer-goed-maken in het
reine brengt, hoeft het door hem veroorzaakte niet te dragen. Is de zonde groot, dan is
het mogelijk, dat hij een gedeelte daarvan te dragen krijgt, echter niet de gehele schuld,
die uit de ziel wilde losbreken. Wie echter alle vermaningen negeert en niet wil horen,
omdat hij zich met menselijke dingen verdooft, zal zijn zelfgeschapen oorzaken te dragen
hebben, totdat "de laatste cent" is betaald.
Het gebod van het leven luidt: »Hebt jullie
vijanden lief, doet wel aan degenen, die jullie haten.«
Ieder mens zou in iedere medemens zijn naaste, zijn broeder en zijn
zuster, moeten zien. Tracht ook in de schijnbare vijanden je naasten te herkennen en hen
onbaatzuchtig lief te hebben.
De schijnbare vijand kan voor jou zelfs een goede spiegel tot
zelfkennis zijn, wanneer je je over de vijandigheid - die vele gezichten kan hebben -
opwindt; wanneer namelijk iets aan je naaste je opwindt, ligt hetzelfde of iets
soortgelijks in jezelf.
Kun je echter je naaste, die je heeft beschuldigd en aangeklaagd,
zonder grote opwinding vergeven, dan is er bij jou geen sprake van een overeenkomst; je
hebt dus niet hetzelfde of iets soortgelijks in je en daarom is er hiervoor geen weerklank
in je ziel. Het is mogelijk, dat je datgene, waarvan je werd beschuldigd, reeds in een
vorig leven in het reine hebt gebracht of hebt uitgeboet - of wel nog nooit in je ziel
hebt opgebouwd. Het lag dan alleen in de ziel van degene, die tegen jou gedacht of
gesproken en die je beschuldigd heeft. Wanneer dus in jou geen opwinding merkbaar wordt,
geen echo uit je ziel komt, dan was jij voor hem de spiegel. Of hij in deze spiegel voor
zijn menselijke ik kijkt of niet - laat dat aan God over en aan hemzelf, Zijn kind.
Erken: alleen al door jouw aanblik begon zijn geweten te spreken en
spiegelde hem toe, dat hij bijvoorbeeld ooit tegenstrijdig over jou heeft gedacht en
gesproken. Nu heeft hij de mogelijkheid, dit in het reine te brengen. Doet hij dit,
doordat hij het berouwt en voortaan hetzelfde of iets soortgelijks niet meer denkt of
doet, dan is het in zijn ziel opgeheven, dus getransformeerd. Dan pas zal hij jou met de
ogen van het innerlijke licht zien.
Een teken, dat in een ziel het tegenstrijdige in het positieve is
veranderd, is welwillendheid en begrip ten opzichte van de naaste.
14. Zegen hen, die je vervloeken en bid voor
degenen, die je uit kwaadaardigheid misbruiken. Opdat je een kind mag zijn van je Vader,
die in de hemel is en die de zon laat opgaan over de slechten en over de goeden en regen
zendt over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. (Hoofdst. 25, 14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie deze geboden onderhoudt, is rechtvaardig ten
opzichte van zijn medemensen en zal door zijn leven in God veel mensen tot het leven in
God leiden. God straft en tuchtigt Zijn kinderen niet. Dat blijkt al uit de woorden:
»...Die de zon laat opgaan over de slechten en over de goeden en regen zendt over de
rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.«
God is de gever van het leven, omdat Hij zelf het leven is. Uit de
eeuwige wetten van het leven gaf God de mens de vrije wil om vrijelijk vóór of tegen Hem
te beslissen. Wie vóór Hem is, vervult de eeuwige wetten van de liefde en het leven en
zal ook de gaven van liefde en leven van de eeuwige wet ontvangen. Wie tegen de eeuwige
wet voelt, denkt en handelt, ontvangt datgene, wat hij gezaaid, dus gevoeld, gedacht,
gesproken en gedaan heeft.
Iedereen ontvangt dus, wat hij zelf heeft gezaaid. Wie goed zaad zaait,
dus de wetten van God vervult, zal ook goede vruchten oogsten. Wie menselijk zaad zaait,
dat hij als menselijke gevoelens, gedachten, woorden en daden in de akker van zijn ziel
brengt, zal ook overeenkomstige vruchten oogsten.
Daaraan erkennen jullie, dat God niet ingrijpt in de wil van de mens.
Hij is gever, helper, vermaner, leider en beschermer van degenen, die zich inspannen, Zijn
wil te doen, omdat zij zich naar Hem toewenden. Wie zich van Hem afwendt, door zijn eigen
menselijke wet te scheppen, zal ook door zijn eigen menselijke "ego-wet"
bestuurd worden.
God grijpt dus niet in in de wet van oorzaak en gevolg. God komt Zijn
kinderen op veelvuldige wijze tegemoet en degenen, die Hem van harte vragen en vervullen,
wat Ik, Christus in God, Mijn Vader, hen heb geboden - elkaar onbaatzuchtig lief te hebben
-, zij zijn in God en God werkt door hen.
15. Want als jullie diegenen liefhebben, die júllie
liefhebben, wat voor loon zullen jullie dan krijgen? Want ook de zondaars hebben diegenen
lief, die hen liefhebben. En als jullie hen goed behandelen, die ook jullie goed
behandelen, wat voor loon zullen jullie krijgen? Immers ook de zondaars doen hetzelfde. En
als jullie alleen jullie broeders groeten, wat doen jullie dan meer dan de anderen? Doen
de tollenaars dat niet ook? (Hoofdst. 25, 15)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Neem dus je naaste in je hart aan en op, ook wanneer
hij jou niet liefheeft, ook dan, als hij jou niet bijstaat, je minacht en weigert je te
groeten. Heb jij hem lief! Sta jij hem onbaatzuchtig bij en groet jij hem - al was het
alleen maar in gedachten, als hij niet met woorden gegroet wil worden. Ook een groet uit
het hart, die in gedachten wordt gegeven, gaat in zijn ziel en brengt op de juiste tijd
goede vruchten.
Zie er dus op toe, dat je je gedraagt als de zon, die geeft - of de
mens haar nu wil zien of niet, of hij zich nu regen of storm wenst, of hij nu naar kou of
naar warmte verlangt.
Geef onbaatzuchtige liefde, zoals de zon aan de aarde geeft en heb
achting voor alle mensen, al het Zijn. Dan zul je je loon in de hemel ontvangen.
Praat de mensen niet naar de mond. Maak geen onderscheid, zoals de
mensen, die alleen met diegenen omgaan en vóór diegenen zijn, die hun denken en doen
delen en die hen, die anders denken en anders handelen, veroordelen.
16. En als je iets intens begeert, maar het leidt je
af van de waarheid, laat het dan varen, want het is beter, het leven binnen te gaan en de
waarheid te bezitten, dan het te verliezen en in de uiterlijke duisternis gestoten te
worden. (Hoofdst. 25, 16)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wat de mens voor zich persoonlijk begeert, heeft
betrekking op zijn mens, op zijn lagere ik. Dit alles is binding. Binding betekent
gebonden zijn aan mensen en dingen. Wie zich aan mensen en dingen bindt, wie dus aan iets
gebonden is, vermindert de stroom van de kosmische energie.
Als je een mens alleen omwille van je eigen voordeel aan je bindt, dan
volg je met je eigenzinnigheid belangen, die je van het leven in Mij, Christus, afbrengen.
Daarmee verlaat je het onpersoonlijke, onbaatzuchtige leven, verstrik je je in
willen-bezitten, willen-zijn en willen-hebben en verarm je in je innerlijk aan geestelijk
leven. Als je niet tijdig afstand doet van het willen-bezitten, -zijn en -hebben, zul je
eens alles verliezen.
Als je niet in de gevolgen - bijvoorbeeld door het verlies van have en
goed of door ziekte, nood en leed - jezelf herkent en dan ook niet berouwt en weer goed
maakt, zul je als ziel en als mens in de duisternis vertoeven, omdat je uitsluitend op
jezelf, op je persoonlijke welzijn, bedacht was.
Herken jezelf daarom elke dag opnieuw en verwezenlijk dagelijks Gods
wetten en zie ervan af, iets voor je persoonlijke ik te begeren. Blijf waarachtig - en
aldus trouw aan de wet van God. Dan zul je het leven, dat je ware zijn is, binnengaan - en
je zult rijk zijn in jezelf, omdat je in jezelf de hemel hebt ontsloten.
In degene, die geen bokaal van de waarheid is, kan ook de waarheid, die
onpersoonlijk is, niet binnenstromen. Zon mens is alleen op zichzelf gericht en
vergaart alleen voor zichzelf. Dit gedrag leidt ertoe, dat hij zich afwendt van Gods
eeuwig stromende kracht en een "moerasleven" leidt. In het moeras stroomt alleen
het tegenstrijdige binnen en er stroomt maar weinig uit. Dat betekent, dat hij datgene aan
het eigen lichaam zal voelen, wat hij in zijn moeras heeft verzameld.
De eeuwige waarheid daarentegen stroomt in en door die mens, die een
bokaal is van de waarheid. Hij ontvangt van God en geeft uit God en wordt daardoor tot
bron van leven voor velen. De kosmische levensenergie, de bron van al het Zijn, stroomt
door alle zijnsvormen en door die mensen en zielen, die zich tot God hebben gewend, die
dus een bokaal van God zijn geworden.
Erken: de eeuwig stromende kracht stroomt alleen door die mensen en
zielen, die niet vergaren voor egoïstische doeleinden, maar onbaatzuchtig geven. Alleen
door de onbaatzuchtig gevende stroomt onophoudelijk de stroom Gods! Kan God ongehinderd
door de mens stromen, dan leeft de mens in de waarheid, in God, in het leven, dat eeuwig
duurt. Alleen zulke mensen geven uit Mij, het leven, omdat zij in Mij, het leven en de
waarheid, staan.
17. En als je iets begeert, dat bij anderen pijn en
verdriet veroorzaakt, ruk het uit je hart. Alleen zo zul je vrede verkrijgen. Want het is
beter, verdriet te hebben, dan diegenen verdriet te doen, die zwakker zijn dan jij.
18. Wees dus volmaakt, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is.
(Hoofdst. 25, 17-18)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Al het ongoddelijke dat van je uitgaat - zoals
tegenstrijdige gedachten, woorden en daden -, kan niet alleen bij je naaste pijn en leed
veroorzaken, maar ook bij jezelf. Want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
De oogst komt overeen met het zaad. Het wordt altijd door diegene
geoogst, die gezaaid heeft - niet door zijn naaste. Je naaste heeft jouw zaad niet gezaaid
en zal ook jouw oogst niet oogsten.
Jouw zaad kan echter rondvliegend zaad zijn - zoals het zaad van
verschillende bloemsoorten, dat na de bloeitijd door de wind wordt weggedragen en dáár
wortel kan schieten, waar het zich kan vasthouden. Zo kunnen ook jouw gedachten, woorden
en daden, als rondvliegend zaad in de ziele-akker van je naaste vallen en ontspruiten, als
zij daar dezelfde of vergelijkbare voorwaarden vinden.
Hetzelfde of iets soortgelijks als bij jou ligt in hem, wanneer hij
zich ergert en opwindt over jouw woorden en handelingen, wanneer je hem daarmee verdriet
doet en hij, gestimuleerd door jouw rondvliegende zaad hetzelfde of iets dergelijks denkt,
spreekt of doet. Maar jij bent degene, die het heeft veroorzaakt en jij kunt in de wet van
oorzaak en gevolg ter verantwoording worden geroepen. Jou is geboden, je naaste
onbaatzuchtig lief te hebben, hem te dienen en te helpen - en niet hem door je gedrag pijn
en verdriet aan te doen.
Als je naaste zich dan door jouw onwetmatige gedrag belast, omdat jij
in zijn ziele-akker bent binnengedrongen en oorzaken tot vibreren hebt gebracht, waaronder
hij later zwaar te lijden en te dragen heeft, dan ben jij aan hem gebonden. En als hij op
jouw gedrag eveneens onwetmatig reageert, is hij weer aan jou gebonden. In deze of in een
andere bestaansvorm zullen jullie dit met elkaar in het reine moeten brengen.
Erken: een klein, nietig rondvliegend zaadje van menselijk ik kan een
grote oorzaak scheppen, die haar gevolg al in zich draagt.
Besef dus: iedere oorzaak moet worden opgeheven!
Een ander voorbeeld: als je je negatieve gedachten, woorden en daden
als rondvliegend zaad uitzendt en je naaste hoort, wat jij over hem zegt, maar hij neemt
er geen notitie van, omdat hij in de akker van zijn ziel daarvoor geen overeenkomsten
heeft, dan zul je slechts jezelf belasten en ben jij aan hem gebonden - niet hij aan jou.
Je naaste kan in de hemel binnengaan, hij heeft immers jouw negatieve zaad niet aan- en
opgenomen, omdat hij niet hetzelfde of iets dergelijks dacht en sprak als jij. Heb je
echter in je naaste door je verkeerde gedrag oorzaken aangestoten, die niet in hem tot
werking hadden hoeven te komen, omdat hij deze later zonder pijn en leed in het reine had
kunnen brengen, dan draag jij de grotere schuld en moet dat deel dragen, dat je aan je
naaste hebt veroorzaakt.
Moet je dus pijn en leed verdragen, geef dan niet je naaste de schuld
van jouw toestand. Jij zelf bent de veroorzaker - en niet je naaste. Jouw pijn en leed
zijn het zaad in je ziel, dat is opgekomen - en dat zich in of aan je lichaam als oogst
laat zien.
Alleen Ik, Christus, je Verlosser, kan je daarvan bevrijden - en alleen
dan, als je berouw hebt en hetzelfde of iets dergelijks niet meer doet. Dan is de last van
je ziel weggenomen en het zal je beter vergaan.
Erken: wie zijn pijn en leed als zijn eigen zaad herkent en zijn leed
aanneemt, toont waarachtige innerlijke grootte. Dit is een teken van geestelijke groei; de
geestelijke groei leidt geleidelijk naar de volmaaktheid.
Het reine wezen is volmaakt; het is het evenbeeld van de
Vader-Moeder-God. Het leeft in God en God leeft door het reine wezen.
Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen
God schouwen - omdat zij weer evenbeelden zijn geworden van de hemelse Vader. Uit een
rein, aan God gewijd hart, stromen zachtmoedigheid en deemoed.
Ik, Christus, de Verlosser van de mensheid, leidt het steeds groter
wordende volk Gods op aarde naar de innerlijke reinheid. Het volk Gods bestaat (1989) uit
mannen en vrouwen, die doelbewust de weg van de liefde naar binnen gaan en zo Mij,
Christus, de enige herder, navolgen. Niet allen van hen zullen in de volgende generaties
weer incarneren, maar velen zullen leven in de geest van de liefde en in de geest werken
voor het grote geheel en voor het vredeswerk van Jezus Christus.
O erkent, jullie, die in het vredesrijk leven: velen
van jullie waren als mensen reeds erbij tijdens de pionierstijd. En menigeen onder jullie
heeft als pionier met de pioniers de eenheid in God bewaard en ging samen met hen de weg
naar binnen. Daarbij hebben jullie veel menselijks afgelegd, waardoor jullie zielen steeds
meer door het licht van de waarheid werden doordrongen. Bij het verlaten van het lichaam
namen dan jullie zielen dit licht der waarheid mee naar de hogere lichtsferen. Van daar
zijn jullie dan teruggekomen met het licht der waarheid, om in het aardse gewaad in het
vredesrijk van Jezus Christus te leven en te werken.
Het licht van de waarheid straalt nu weer door jullie nieuwe aardse
lichamen. Nu vervullen jullie in dit aardse bestaan datgene, wat jullie in vroegere levens
hebben verworven: licht uit Mijn licht en kracht uit Mijn kracht - de wet van het leven.
Vervuld van de Geest Gods werkt thans de ziel door haar nieuwe aardse gewaad in het
vredesrijk van Jezus Christus, waarin Ik de heerser en het leven Ben.
HOOFDSTUK 26
De Bergrede
(Deel 2)
De eerste stappen op de Innerlijke Weg,
een evolutieproces naar onbaatzuchtigheid (2). Gebed als zelfpresentatie of bezield gebed
(4). Ware wijzen rusten in zichzelf en discussiëren niet (5). Over het onzevader (6).
Vergeven en om vergeving vragen; gerechtigheid en genade Gods (7-9). De aardse dood - Het
bewustzijn van de ziel daarna - De rouwenden - Herhaalde incarnatie - Bindingen tussen
mensen en zielen - Juiste instelling (10-11). Schatten verzamelen - Einde der incarnaties
in de Nieuwe Tijd (12-14). Bezorgd zijn om jezelf, plannen maken in vertrouwen op God -
Het juiste bidden en werken Al het Zijn staat onder Gods hoede (15-18)
1. »Zie erop toe, dat je je aalmoezen niet voor het
aangezicht van de mensen geeft, om door hen gezien te worden. Anders heb je geen loon bij
je Vader in de hemel. Als je aalmoezen geeft, bazuin het dan niet uit, zoals de
huichelaars het doen in de synagogen en op de straten, om door de mensen geprezen te
worden. Waarlijk, Ik zeg jullie, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
2. Wanneer je echter aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet
weten, wat je rechterhand doet, zodat je aalmoes in het verborgene blijft; en de Ene, die
in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken. (Hoofdst. 26, 1-2)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
De geleefde Bergrede is de Innerlijke Weg naar het
hart van God. Wat de mens niet onbaatzuchtig doet, doet hij voor zichzelf.
Onbaatzuchtigheid is liefde tot God. Eigenbelang is mensenliefde. Wie aan zijn naaste
alleen dan goed doet, als deze hem daarvoor dankt en zijn goede daden roemt, heeft het
niet voor zijn naaste gedaan, maar voor zichzelf. Dank en lof zijn dan zijn loon. Daarmee
is hij al beloond en zal van God geen loon meer ontvangen. Alleen onbaatzuchtigheid wordt
door God beloond. Onbaatzuchtigheid groeit en rijpt slechts in die mens, die de eerste
stappen naar het koninkrijk van zijn innerlijk heeft gedaan, dus heeft verwezenlijkt.
De eerste stap daarheen is de gedachtencontrole: zet in de plaats van
egoïstische, negatieve, piekerende of hartstochtelijke gedachten, positieve,
hulpvaardige, blije, edele gedachten en gedachten aan het goede in de mens en in alles,
wat je ontmoet. Dan zul je geleidelijk je zintuigen onder controle krijgen. Dan zul je ook
niets meer begeren van je naaste en niets meer van hem verwachten. Je zult in het verdere
verloop van de Innerlijke Weg alleen nog het positieve en het belangrijke spreken.
Hierdoor krijg je je menselijke ik onder controle, omdat je geleerd hebt in jezelf te
rusten. Dan wordt je ziel steeds lichter en lichter en je vindt in alles, dat op je
afkomt, het goede, dat je dan ook op de juiste wijze kunt aan- en uitspreken. Eenmaal dat
geleerd, zul je ook het tegenstrijdige op wetmatige wijze aanspreken. Op deze wijze
ontwaken in jou oprechtheid en eerlijkheid en je blijft God daarbij in alles trouw.
Dit geestelijke evolutieproces om tot onbaatzuchtigheid te komen, is de
Innerlijke Weg naar het hart van God. Alles, wat je uit onbaatzuchtigheid doet, brengt je
talrijke vruchten.
Wanneer dus je gevoelens zonder verwachtingen zijn en je gedachten edel
en goed, dan is in je woorden en daden de kracht uit God. Deze kracht is Mijn
levensenergie. Zij gaat in de ziel van je naaste over en maakt, dat je naaste eveneens
onbaatzuchtig wordt. Want wat van je lichte ziel uitgaat, dat gaat - vroeg of laat, al
naargelang wanneer de naaste zich ervoor opent - ook over in de ziel en in het gemoed van
je naaste.
Wie onbaatzuchtig geeft, vraagt niet, of de naaste ook te weten komt,
wat hij heeft gegeven. De onbaatzuchtige geeft! Hij weet, dat God, de eeuwige Vader, in
het hart schouwt van al Zijn kinderen en dat de Eeuwige, wiens Geest in ieder mens woont,
de onbaatzuchtige dan beloont, wanneer de tijd ervoor gekomen is. Dat alleen is van
belang.
Erken: alle goede, dus onbaatzuchtige werken, worden op het juiste
tijdstip openbaar, opdat diegenen het zien, die het moeten zien, om eveneens onbaatzuchtig
te worden, door eveneens het leven in Mij aan te nemen en na te streven - en datgene te
doen, wat Ik hen heb geboden: elkander onbaatzuchtig lief te hebben, zoals Ik, Christus,
hen liefheb.
3. En als je bidt, doe dan niet zoals de
huichelaars, die graag bidden in de synagogen en op de hoek van de straat, opdat zij door
de mensen gezien worden. Waarlijk, Ik zeg jullie, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
4. Maar als je bidt, ga dan naar je kamer en als je de deur hebt
gesloten, bid dan tot je hemelse Vader, die in het verborgene is; en de verborgen Ene, die
in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken. (Hoofdst. 26, 3-4)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Als je bidt, trek je dan in een stille kamer terug
en verzink in je innerlijk, want binnen in jou woont de geest van de Vader, wiens tempel
je bent.
Als je alleen bidt, om gezien te worden, opdat je naasten je voor vroom
en gelovig houden, dan zeg Ik je: dat is geen vroomheid, maar schijnheiligheid; het is
huichelarij. Zulke veruiterlijkte gebeden zijn zonder kracht. Wie alleen met de lippen
bidt of om gezien te worden, zondigt tegen de Heilige Geest, want hij misbruikt heilige
woorden voor eigenbelang.
Erken: wanneer je in het gebed God aanspreekt en in je leven niet
waarmaakt, waar je om hebt gebeden, wanneer dus je gebeden slechts een voorstelling zijn
van je eigen ik en niet uit de diepte van je ziel komen, noch bezield zijn door de liefde
tot God, dan zondig je tegen de Heilige Geest. Dat is de grootste zonde.
Als je gebeden niet onbaatzuchtig uit het hart stromen, zou het beter
zijn, dat je niet zou bidden en dat je je eerst je gedachten en menselijke wensen bewust
zou maken en zij geleidelijk aan aan Mij zou geven - opdat de onbaatzuchtige liefde, die
in je is, ook in je groeit en je van harte kunt bidden. Dan zullen je gebeden geleidelijk
aan bezield en doordrongen zijn van de liefde tot God en tot je naaste.
»... en de verborgen Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk
erkenning schenken« betekent: je lichtgedachten en krachtige gebeden, die bezield zijn
door de liefde tot God, zullen nog in deze wereld vruchten dragen. Je mag het zaad van je
liefde erkennen en ook jij zult door velen gezien worden als een bron van liefde.
5. En als jullie samen bidden, gebruikt dan geen
nietszeggende herhalingen zoals de heidenen het doen, want dezen menen, dat zij verhoord
worden, als zij veel woorden gebruiken. Doe daarom niet als zij; want jullie Vader in de
hemel weet, wat jullie nodig hebben, nog voordat jullie erom vragen ... (Hoofdst. 26, 5)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Slechts die mens, die uit de wet van de waarheid
weinig heeft verwezenlijkt, gebruikt in het gebed en in het dagelijkse leven veel woorden
en nietszeggende, onbezielde herhalingen.
Wie veel spreekt over de wet van de waarheid en van het leven, wie daar
dus veel woorden aan besteedt, kan hen niet met kracht en leven vervullen, omdat hij zelf
niet vervuld is van Gods wet. Zulke woorden zijn egoïstische en daarom liefdeloze
woorden, ook al zijn zij gekozen, als waren zij door de liefde gedragen. Onbezield praten
bereikt het binnenste van de ziel van je naaste niet en heeft daardoor ook geen echo in de
mens, die Gods liefde in en door zich laat werken. Wie onbezield over de wet van de
waarheid en het leven spreekt, zonder deze echter te verwezenlijken, zet een mens, die dit
hoort en die eveneens nog naar het uiterlijke georiënteerd is, slechts aan tot
discussiëren.
Erken: wie discussiëert over geestelijke wetmatigheden, kent de wetten
van God niet. Ieder, die wil discussiëren, is ervan overtuigd, dat hij het beter weet dan
zijn naaste en wil dit voor zichzelf bevestigen. Wie discussiëert, geeft slechts
getuigenis van zichzelf, namelijk: dat hij niets weet en onzeker is. Daarom discussiëert
hij.
Wie echter de waarheid heeft gevonden, discussiëert niet over de
waarheid, ook niet over wat geloof is. Het woord "geloof" bevat ook
onwetendheid: wat de mens tenslotte niet weet of niet kan bewijzen, dat gelooft hij. Wie
in de waarheid gelooft, heeft de eeuwige waarheid nog niet gevonden. Hij beweegt zich ook
nog niet in de stroom van de eeuwige waarheid. Geloof is dus nog blindheid.
Wie echter de eeuwige waarheid heeft gevonden, hoeft niet meer in de
waarheid te geloven - hij wéét de waarheid, omdat hij zich in de stroom van de waarheid
beweegt. Dat is de ware wijze mens, die in zichzelf de schat, de waarheid, heeft
opgegraven. Ware wijzen rusten in zichzelf. Dat is innerlijke zekerheid en
standvastigheid. Zij discussiëren niet over het geloof, omdat zij van geloof tot
wijsheid, die waarheid is, zijn gekomen.
Wie dus slechts gelooft in God, zonder de diepte van de eeuwige
waarheid, de eeuwige wet, te kennen, gebruikt veel woorden over zijn geloof.
Ook met zijn gebeden zal hij het zo doen: hij gebruikt veel woorden,
omdat hij zijn woorden niet bezielt met onbaatzuchtige liefde. Hij meent, met veel woorden
God te kunnen overtuigen of Hem zelfs te kunnen overreden. Hij meent, dat hij zich voor
God verstaanbaar moet maken, omdat hij aanneemt, dat God zijn gebeden ánders zou kunnen
opvatten, dan hij heeft bedoeld. Zo denken en bidden ook de heidenen.
Erken: hoe dieper de mens in de goddelijke waarheid binnendringt, des
te minder woorden zal hij ook in het gebed gebruiken. Zijn gebeden zijn kort, maar
krachtig, omdat het woord geleefde kracht uitstraalt.
... Daarom zullen jullie, als jullie samen zijn,
aldus bidden:
6. Onze Vader, die in de hemel is, geheiligd zij Jouw naam. Jouw rijk
kome. Jouw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons dag na dag ons dagelijks
brood en de vrucht van de levende wijnstok. En zoals Jij ons onze zonden vergeeft, mogen
wij zo ook de zonden van anderen vergeven. Verlaat ons niet in de bekoring. Verlos ons van
het kwade. Want van Jou is het rijk en de kracht en de heerlijkheid in alle eeuwigheid.
Amen. (Hoofdst. 26, 5-6)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het gemeenschapsgebed, het onzevader, wordt met
verschillende woorden en inhouden gebeden, omdat elke gemeenschap het zo bidt als het
overeenstemt met het liefdepotentieel.
Als Jezus van Nazareth leerde Ik het gemeenschapsgebed, het onzevader,
in Mijn moedertaal, dus met andere woorden en dus ook met een andere inhoud, dan het in
latere tijden en andere talen werd gebeden.
De woorden als zodanig zijn onbelangrijk. Belangrijk is, dat de mens
verwezenlijkt, wat hij bidt! Dan is ieder woord, dat uit zijn mond komt, bezield met
liefde, kracht en wijsheid.
Je moet niet naar de letter bidden of ernaar streven, het onzevader,
dat Ik de Mijnen heb geleerd, letterlijk te bidden. Belangrijk is, dat je de woorden van
je gebeden bezielt met de liefde tot de Eeuwige en tot je naaste en dat de inhoud van je
gebeden overeenkomt met je leven.
Mensen, die vervuld zijn van de eeuwige waarheid, de liefde en wijsheid
van God, zullen weer anders bidden dan zij, die slechts bidden, omdat het hen zo werd
geleerd of omdat zij tot een bepaalde godsdienst behoren, waarin de gebeden overeenkomstig
het bewustzijn van die religie worden gesproken.
Mensen die op weg zijn naar hun goddelijke oorsprong, bidden vrij, dat
wil zeggen, met zelfgekozen woorden, die bezield zijn door liefde en kracht.
Mensen, die in Mijn Geest leven, die doordrongen zijn van Gods liefde
en wijsheid, die dus de wetten van God in hun dagelijkse leven verwezenlijken, zullen
vooral God voor hun leven en voor alles danken, Hem loven en prijzen en hun leven steeds
meer aan Hem wijden - in gevoelens, gedachten, woorden en werken -, omdat zij leven uit
Zijn leven zijn geworden.
Mensen in de Geest van de Heer leven het gebed. Dat wil zeggen, zij
vervullen steeds meer de wetten van de Eeuwige en zijn zelf gebed geworden, dat een
aanbidding is van God.
Wie dus Gods wil vervult, leeft steeds meer in de
aanbidding van God. Zulke mensen houden zich niet alleen aan de wetten van God, maar zijn
grotendeels de wet van liefde en wijsheid geworden.
In het langzaam groeiende vredesrijk van Jezus
Christus, waarin Ik de heerser en het leven Ben, zullen de mensen zich steeds meer aan de
wet van God houden. Velen van hen zijn tot wet geworden - en zo tot Godmensen, die het
leven, God, belichamen in alles, wat zij denken, spreken en doen. Hun gebeden zijn het
leven in Mij, de vervulling van de eeuwige wet. Met hun leven, dat de wet van God is,
danken zij God voor het leven.
De dank aan God is dus het leven in God. Hun leven,
dat één grote dankzegging is, stroomt het vredesrijk binnen.
Zij bidden met gebedswoorden van de volgende strekking, die zij in het
dagelijkse leven vervullen:
Onze Vader, Jouw Geest is in ons,
en wij zijn in Jouw Geest.
Geheiligd is Jouw eeuwige naam in ons
en door ons.
Jij bent de Geest van het leven,
Jij bent onze Vader Oer.
Uit Jou dragen wij onze eeuwige namen.
Jij, Eeuwige, hebt hen ons gegeven
en in onze namen heb Je de gehele overvloed
van de oneindigheid gelegd.
Onze namen, die Jij ons hebt ingeademd,
zijn liefde en wijsheid -
overvloed uit Jou,
de wet in ons en door ons.
Ons eeuwige rijk is de oneindigheid -
de kracht en de heerlijkheid in en uit Jou.
Wij zijn erfgenamen van het eeuwige rijk.
Daarom zijn wij het rijk zelf,
het eeuwige tehuis.
Het is in ons en werkt door ons.
Jouw oneindige, heerlijke wil is in ons
en werkt door ons.
Jouw wilskracht is de sterkte van onze wil.
Zij werkt in ons en door ons,
want wij zijn geest uit Jouw Geest.
De hemel is geen ruimte en tijd -
hemel en aarde zijn één,
omdat wij in Jou verenigd zijn.
De liefde en de kracht in ons en door ons
zijn ons dagelijks brood.
Jij, o eeuwige, heerlijke Vader,
hebt alles in ons voortgebracht,
wat in de oneindigheid vibreert.
Jij schept door ons in de hemel
en op aarde.
Wij zijn in Jou en Jij heerst in ons
en door ons.
Wij zijn vervuld in Jouw Geest,
omdat wij geest zijn uit Jouw Geest.
Wij zijn rijk in Jou,
omdat wij ons erfdeel, de oneindigheid uit Jou, leven.
Ons eeuwige erfdeel, geest uit Jouw Geest,
brengt datgene voor ons voort,
dat wij als mensen in het vredesrijk
nodig hebben.
Wij leven in Jou en uit Jou.
Leven stroomt en schenkt zichzelf.
Wij leven in de overvloed uit God,
omdat wij zelf overvloed zijn.
De aarde is de hemel
en het vredesrijk de rijkdom van de aarde,
waarin wij leven en zijn -
geest uit Jouw Geest.
Wij leven in het innerlijke rijk -
en zijn toch mensen, die in het uiterlijke belichamen,
wat in het innerlijk straalt.
De naam van de Heer zij geprezen,
Hij is leven, in en door ons.
De naam van God is de geleefde wet van liefde
en vrijheid.
De zonde is getransformeerd -
het licht is ingekeerd.
Wij leven uit Zijn licht
en leven in en uit Zijn Geest,
omdat wij geest zijn uit Zijn Geest.
In God is alles weer goedgemaakt.
Zijn naam heeft alles gezuiverd.
Gods heerlijkheid zij geprezen!
Gods wil, liefde en wijsheid
doordringen de aarde en het land.
Wij zelf zijn aarde en land -
wil, liefde en wijsheid.
In ons is Gods goedheid - het goede uit God.
Wij zijn in God en handelen uit God.
De aarde is van de Heer -
zij is het rijk van de liefde.
Het werkt in ons en door ons.
Het leven, de heerlijkheid van de Vader,
werkt in ons en door ons -
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Inhoudelijk is deze lofprijzing het leven van
diegenen, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven. Zij leven in Mij, Christus, en
Ik leef door hen; en samen leven wij in de Vader-Moeder-God en de Vader leeft door ons van
eeuwigheid tot eeuwigheid.
7. Want wanneer je mensen hun schuld vergeeft, zal
je hemelse Vader jou ook vergeven. Als je echter de mensen hun schuld niet vergeeft, zal
ook je Vader in de hemel jouw schuld niet vergeven.
8. Ook wanneer je vast, zie er dan niet terneergeslagen uit zoals de
huichelaars. Want zij vertrekken hun gezicht, om er als mensen uit te zien, die vasten.
Waarlijk, Ik zeg je, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
9. En Ik zeg je, je zult nooit het hemelrijk vinden, tenzij je je hoedt
voor de wereld en haar boze aard. En je zult nooit de Vader in de hemel zien, tenzij je de
Sabbath houdt en afziet van je ijver om rijkdommen te verzamelen. Als je echter vast, zalf
dan je hoofd en was je aangezicht, opdat je niet voor de mensen te koop loopt met je
vasten. En de heilige Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken.
(Hoofdst. 26, 7-9)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het gebod, te vergeven en om vergeving te vragen,
geldt zolang, tot alles uitgeboet en in het reine gebracht is, wat niet overeenstemt met
de eeuwige wetten. Het gebod, te vergeven en om vergeving te vragen, behoort tot de wet
van zaad en oogst. Het is dan opgeheven, als al het menselijke is uitgeboet en iedere ziel
een rein, vlekkeloos geestwezen is geworden.
Tot dan geldt dus het gebod: vergeef en je zult vergeving ontvangen.
Als je om vergeving vraagt en je naaste je vergeeft, dan heeft ook je Vader in de hemel je
vergeven. Maar als je om vergeving vraagt en je naaste vergeeft je nog niet, omdat hij
daartoe nog niet bereid is, dan zal ook je eeuwige Vader jou niet vergeven. Wie zich aan
zijn naaste heeft bezondigd, moet ook van zijn naaste vergeving ontvangen. Pas dan neemt
God de zonde weg.
De eeuwig rechtvaardige heeft al Zijn kinderen lief - ook degenen, die
nog niet de kracht hebben om te vergeven. Zou Hij alleen degene vergeven, die aanleiding
heeft gegeven tot een zonde en diegene niet vergeven, die door de ander tot een zonde werd
verleid en nog niet kan vergeven - waar zou dan de gerechtigheid van God zijn? Beiden
kunnen pas dan de hemel binnengaan, als hun zonden zijn uitgeboet.
Let er daarom op, wat er van je mond uitgaat en let op je daden, of zij
overeenstemmen met de eeuwige wet, dus onbaatzuchtig zijn! Zeer snel is iets
tegenstrijdigs uitgesproken of gedaan - doch lang kan het duren, voor het vergeven is.
Als je om vergeving hebt gevraagd en je naaste nog niet bereid is je te
vergeven, dan zal Gods genade zich in je versterken, je omhullen en dragen - Hij zal
echter niet van je afnemen, wat nog niet in het reine is gebracht. Gods barmhartigheid zal
zich dan ook in je naaste versterken en hem, met inachtneming van zijn vrije wil, zo
leiden, dat hij zijn fouten sneller inziet, berouwt en je vergeeft. Pas als al diegenen je
vergeven hebben, tegen wie je gezondigd hebt - als alles dus weer is goedgemaakt -, dan
pas kun je de hemel binnengaan, omdat God dan al het menselijke in goddelijke kracht heeft
omgezet.
God is alomtegenwoordig. Zo is Hij ook werkzaam in de wet van zaad en
oogst. Ook in al het negatieve is het positieve, God, de eeuwige wet. Wanneer de mens zijn
zonden en fouten inziet en berouw heeft, worden de positieve krachten daarin actief en
moedigen de mens, die tot inzicht van zijn schuld is gekomen, aan, om zijn zonden met de
kracht van Christus in het reine te brengen.
Erken: de wet van God; zij is eeuwig leven van eeuwigheid tot
eeuwigheid - alles in alles: alles is in alles besloten, het kleinste in het grote en het
grote in het kleinste, in de zonde de kracht tot vergeving en in de kracht, die door de
vergeving vrijkomt, de verheffing naar het innerlijke leven, het eeuwige Zijn.
Daarom kan ook in het negatieve het Goddelijke werken - dan, als de
mens van harte om vergeving vraagt, vergeeft en niet meer zondigt. De mens moet echter de
eerste stap zetten naar het innerlijke leven.
Erken: alles wat je doet - of je nu bidt, vast of aalmoezen uitdeelt -,
als je het niet onbaatzuchtig doet, maar om door je medemensen te worden gezien, dan heb
je het loon al van de mensen ontvangen. God zal je dan niet belonen. En als je alleen vast
vanwege je lichaamsomvang, zul je de Geest van je Vader niet in je vermeerderen. Wie
echter de voeding in naam van de Allerhoogste tot zich neemt, matig is en van tijd tot
tijd vast, om zijn lichaam te ontspannen en te ontslakken, opdat Gods kracht alle cellen
en organen op de juiste wijze kan verzorgen, oefent zich ook oprecht, het leven uit God
aan- en op te nemen, om daarin te leven. En hij zal tegelijkertijd zijn leven aan God, de
Eeuwige, in gebed wijden, om zo geleidelijk het geleefde gebed te worden.
10. Evenzo moeten jullie doen, als jullie om de
doden weeklagen en rouwen, want jullie verlies is hun winst. Handelt niet zoals degenen,
die voor het aangezicht van de mensen rouwen en luid weeklagen en hun kleren verscheuren,
opdat de anderen hun rouw zouden zien. Want alle zielen staan in Gods hand en al diegenen,
die goed hebben gedaan, zullen met hun voorvaderen rusten in de schoot van de Eeuwige.
11. Bidt liever voor hun rust en hun verheffing en bedenkt, dat zij in
het land van rust zijn, dat de Eeuwige voor hen heeft bereid en een rechtvaardig loon voor
hun daden zullen ontvangen, en mort niet zoals de hopelozen. (Hoofdst. 26, 10-11)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie de doden betreurt, is nog ver van het eeuwige
leven verwijderd, omdat hij de dood ziet als het einde van het leven. Hij heeft de
opstanding in Mij, Christus, nog niet bereikt. Hij behoort tot de geestelijk doden.
Treurt niet over jullie doden! Want wie het verlies van een mens
betreurt, denkt niet aan de winst van de ziel, die - voor zover zij in Mij, Christus,
heeft geleefd - hogere bewustzijnsgebieden van het leven ingaat. Want als hun leven
tijdens het aardse bestaan in God was, zal het ook in een andere bestaansvorm in God zijn.
Erkent: het tijdelijke, het leven in het lichaam, is niet het leven van
de ziel. De ziel heeft slechts voor korte tijd een lichaam aangenomen, om in het
tijdelijke datgene in het reine te brengen en af te lossen, wat zij zich in verschillende
incarnaties heeft opgelegd. De aarde is slechts te beschouwen als doorgangsstation, waar
de zielen in het aardse lichaam in korte tijd datgene in het reine kunnen brengen, wat zij
aan gene zijde van de bewustzijnssluiers - ook nevelwanden genaamd - niet zo snel kunnen
volbrengen.
Wanneer een ziel haar aardse lichaam verlaat, beweent de mens slechts
het kleed van de ziel en denkt daarbij niet aan de ziel, die het kleed heeft verlaten.
Een lichtende ziel wordt na het afleggen van haar aardse lichaam door
lichtende, voor de mens onzichtbare wezens, naar dat bewustzijnsgebied geleid, dat
overeenstemt met het denken en leven van de mens, waarin de ziel was geïncarneerd.
Erkent: iedere ziel, die het lichaam heeft verlaten, wordt nog enige
tijd naar de mensen getrokken, waarmee zij als mens heeft samengeleefd. Wanneer zij moet
ervaren, dat haar voormalige aardse verwanten om haar omhulsel treuren, dan is dat voor de
ziel zeer pijnlijk. De ziel, die nog dicht bij de aarde is, beseft heel goed, waarom haar
familieleden alleen om haar aardse omhulsel treuren en waarom zij als ziel van de
rouwenden geen aandacht krijgt. Een ziel, die dit moet erkennen, ondervindt daarbij na het
afleggen van het fysieke lichaam de eerste diepe zielepijn; want zij ervaart, waarom de
mens treurt en haar niet in liefde en verbondenheid gedenkt. Zij ziet daarbij menige
egoïstische gedachte van haar vroegere aardse familieleden. Zij kan zich niet aan hen
kenbaar maken, omdat zij niet door hen wordt waargenomen. Wat zij zegt, hoort de mens niet
en wat zij schouwt, ziet hij niet. De ziel neemt echter veel waar.
Ik zet jullie aan tot nadenken: treuren jullie als de slang vervelt,
als zij haar huid achterlaat en verder kruipt?
Zo is het ook met de ziel. Zij verlaat haar vergankelijke lichaam, haar
omhulsel, en gaat verder. Je treurt dus om het verlies van het omhulsel en gedenkt niet de
ziel! Wie de ziel gedenkt, dankt God, Die de ziel terugriep in Zijn schoot, voor zover
deze in het aardse lichaam het leven in God heeft benut en daardoor dichter bij Hem kwam.
Denk eraan, dat voor een stralende ziel het afleggen van het lichaam een winst is.
En: wanneer je slechts voor de mensen rouwt om het verlies van de mens,
is het niets dan huichelarij. In werkelijkheid gedenk je noch de mens, noch de ziel. Je
denkt alleen aan jezelf. De ziel, die dit registreert, ziet, dat zij niet onbaatzuchtig
werd bemind, dat zij er mogelijk alleen was voor het eigenbelang van haar medemensen.
Veel zielen moeten inzien, dat zij in hun aardse gewaad door hun aardse
familieleden en kennissen werden geleefd. Dat wil zeggen, dat zij zich als mens niet
konden ontplooien en hun wezenskenmerken niet konden uitleven, omdat zij de wil moesten
doen van anderen, die datgene van hen verlangden, wat voor henzelf van voordeel was. Veel
van deze zielen zien, wat zij allemaal op aarde hebben verzuimd en keren daarom ook weer
in het aardse bestaan terug. Zij gaan weer door de bewustzijnssluiers naar de aarde en
vertoeven als ziel weer onder diegenen, die door hen hebben geleefd. Weer anderen trachten
op aarde dat te leven, wat zij voordien als mens niet konden ontwikkelen.
Zolang mensen gebonden zijn aan mensen of dingen - zoals bezit, rijkdom
en macht - keren hun zielen weer terug naar de aarde en glippen weer in nieuwe aardse
lichamen. Er bestaan talrijke oorzaken en beweegredenen, waarom zielen weer incarneren.
Wanneer een ziel bijvoorbeeld erkent, dat zij door zonden aan haar familieleden is
geketend, dan berust zij vaak en laat de wens toe, weer een nieuw lichaam aan te nemen.
Bezield door deze wens, leeft zij dan in het bewustzijnsgebied, dat overeenkomt met haar
zielentoestand en wordt daar onderwezen. Haar wordt onder andere het vóór en tegen van
een nieuwe incarnatie duidelijk gemaakt. Zij gaat dan weer ter incarnatie, als de
hemellichamen, waarin haar vóór en tegen is opgeslagen - en daarmee ook haar aardse weg
-, haar de weg naar de materie wijzen en als op aarde een lichaam is verwekt, dat
overeenkomt met haar geestelijke bewustzijnstoestand. In dit menselijke omhulsel glijdt
zij dan bij de geboorte binnen.
De man, die het lichaam verwekte en de vrouw, in wie het embryo
groeide, trokken die ziel aan, waarmee zij samen nog iets in het reine te brengen hadden -
of om samen met haar, in onbaatzuchtige dienst voor hun naasten, de weg van de Heer te
bewandelen.
Laat de mens niet alleen naar zijn lichaam kijken,
maar vooral naar het geïncarneerde wezen in hem en ernaar streven, de wil van God te doen
en zich niet de menselijke wil van derden te laten opdringen.
Erken: ook als je zegt: »Ik doe de wil van mijn naaste om de
uiterlijke vrede te bewaren«, verhinder je je eigen ziel en ook die van je naaste, zich
zo te ontwikkelen en te ontplooien, zoals het voor beiden goed is. Je belet jezelf en je
naaste die taken te vervullen, die jullie zielen hebben meegebracht naar hun aardse
bestaan: zich te reinigen en zich te bevrijden van de last van de zonde, die eventueel nog
uit vorige incarnaties werden meegebracht in deze incarnatie. Wie zich door zijn
medemensen laat ringeloren, wie dus doet, wat anderen zeggen, hoewel hij inziet, dat dit
niet zijn weg is, die wordt geleefd en leeft aan zijn eigenlijke aardse bestaan voorbij.
Hij benut de dagen niet; hij wordt gebruikt door degenen, aan wie hij horig is en kent
daardoor zijn weg als mens over deze aarde niet.
Wie zijn medemensen bindt, doordat hij hen zijn wil oplegt, is te
vergelijken met een vampier, die de energie van zijn medemensen opzuigt. Hij kent zichzelf
niet en bindt zich tevens aan zijn slachtoffers - en omgekeerd bindt zich het slachtoffer,
dat zich laat uitzuigen, ook aan hem. In één van de levens, op aarde, of als zielen in
de gebieden aan gene zijde, worden beiden weer samengeleid - en dat zo vaak en zo lang,
tot de één de ander heeft vergeven.
Als twee mensen zich aan elkaar binden - ongeacht, of men gebonden
heeft of zich liet binden-, dan hebben beiden zich belast en beiden moeten met elkaar in
het reine komen, opdat tussen hen de liefde en de eenheid weer kunnen worden hersteld.
Niemand kan zeggen: »Ik wist niets van de wetten van het leven.« Ik
zeg jullie: Mozes heeft jullie de essentie uit de eeuwige wetten gebracht, de Tien
Geboden. En als jullie je daaraan houden, zullen jullie je niet aan elkaar binden, maar in
vrede met elkaar leven.
Erken: enkel de liefde en de eenheid onder elkaar tonen ziel en mens de
weg tot het hogere leven.
God, de eeuwig goedertierene, reikt iedere ziel en ieder mens Zijn
hand. Wie deze aanneemt, benut zijn aardse leven. Hij waardeert de dagen en vermag deze
ook overeenkomstig de geboden te leven, door datgene in het reine te brengen, wat de dag
hem laat zien. Eens zal hij als ziel in God vertoeven en rusten met al diegenen, die hun
aardse bestaan eveneens hebben benut, doordat zij dagelijks datgene hebben ingezien en met
Mij, Christus, hebben overwonnen, wat de dag hen heeft gebracht en getoond - blijdschap en
verdriet.
En als je niet omwille van jezelf treurt om het sterfelijke omhulsel,
dat je naaste heeft afgelegd, maar je in de geest verheugt, dat de ziel in het aardse
lichaam haar geestelijke leven heeft erkend en zich daarop heeft voorbereid, dan zul je
via Mij, Christus, blij tot de Vader voor je naaste bidden. Je zult de ziel, die nu
dichter bij God is, krachten van liefde zenden, opdat zij verder moge gaan naar hogere
sferen, om zich steeds meer met God te verenigen.
De ziel voelt de blijdschap en het verdriet van haar familieleden. De
zielen, die in Mij, Christus, zijn ontslapen, voelen zich door Mij, Christus, verbonden
met allen, die nog in het aardse gewaad zijn. De blijdschap van de ziel, dat haar
verwanten haar in liefde gedenken, vervult haar met kracht.
Erken: onbaatzuchtige, liefhebbende gebeden schenken de vertrekkende
ziel kracht en sterkte op haar weg naar het Goddelijke. In jouw onbaatzuchtige gebed voelt
zij de verbondenheid en ontvangt meer kracht. Daardoor zal zij de nog aan haar hechtende
menselijkheid sneller afleggen en zo vrij worden voor Degene, die vrijheid en liefde is -
God, het leven. Groot is Gods loon voor elke ziel, die er ernstig naar streeft, Zijn wil
te vervullen.
Erken: slechts diegene is zonder hoop, die alleen spreekt over zijn
geloof en niet leeft, waaraan hij schijnbaar gelooft. Uiteindelijk gelooft de twijfelaar
zelf niet, wat hij beweert te geloven. Daaruit ontwikkelt zich de hopeloosheid.
12. Je zult ook niet voor jezelf op aarde
schatten verzamelen, die de motten en de roest verteren en die dieven opgraven en stelen.
Verzamel echter schatten in de hemel, waar zij noch door motten, noch door roest worden
verteerd en waar de dieven graven noch stelen. Want waar je schat is, daar is ook je hart.
13. De lichten van het lichaam zijn de ogen. Als je dus helder kijkt,
zal je hele lichaam vol licht zijn. Mis je echter je ogen of zijn deze vertroebeld, dan
zal je hele lichaam donker zijn. Als nu het licht, dat in jou is, duisternis is, hoe groot
zal dan de duisternis zijn!
14. Niemand kan twee heren dienen. Of hij zal de één haten en de
ander liefhebben; of hij zal de één trouw blijven en de ander verachten. Je kunt niet
tegelijk God dienen en de mammon. (Hoofdst. 26, 12-14)
Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Slechts die mens verzamelt schatten op aarde, die
niet gelooft in God, in Zijn liefde, wijsheid en goedheid. Veel mensen beweren in God te
geloven; aan hun werken echter zul je hen herkennen! Veel mensen spreken over de liefde en
de werken Gods - slechts aan hun daden zul je hen herkennen.
Veel mensen spreken over het innerlijke rijk en over de innerlijke
rijkdom en toch verzamelen zij voor zichzelf in hun schuren en vergaren voor zichzelf
aardse rijkdommen, om in aanzien te staan bij de mensen.
Wie alleen bedacht is op zijn persoonlijke welzijn, bespeurt de
roofvogel nog niet, die zijn vleugels al heeft gespreid om het nest te vernietigen en de
rijkdom weg te halen, die de rijke, de bouwer van het nest, zijn persoonlijk eigendom
noemt.
Wie echter eerst naar het rijk Gods streeft, verzamelt innerlijke
waarden, innerlijke schatten. Hij zal ook in het tijdelijke alles ontvangen, wat hij nodig
heeft en meer dan dat.
Wie in zijn innerlijk rijk is, zal in het uiterlijke geen gebrek
lijden. Maar wie in het uiterlijke rijk is en rijkdom vergaart, zal eens gebrek lijden.
Wie op aarde schatten verzamelt, zullen ze worden ontnomen, opdat hij zich moge bezinnen
op de schat van het innerlijk, en het leven, de innerlijke rijkdom, vermag binnen te gaan
Het zal de ziel zolang aan goddelijk licht ontbreken, tot zij in de
eerste plaats naar het rijk Gods streeft. En zolang het nog op aarde mogelijk is, zal de
lichtarme ziel weer in een lichtarm lichaam geboren worden en eventueel in armoede onder
de armen leven. Het inzicht zal komen, dat de schat, de rijkdom, enkel in God is.
Wiens hart bij God is, zal rijk zijn aan innerlijke waarden en het rijk
van de vrede binnengaan.
Ik, Christus, geef je een maatstaf, opdat je mag erkennen, waar je
staat - in het licht of in de schaduw: »Want waar je schat is, daar is ook je hart«,
daar zal ooit je ziel zijn.
Bedenk: wie deze woorden leest en in de omwenteling staat van de oude
naar de Nieuwe Tijd, doet er goed aan zich te haasten, opdat hij zijn geestelijke leven
nog vindt! Want als de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus, op de hele aarde openbaar is en
het innerlijke leven wordt geleefd, zijn er geen incarnaties meer voor diegenen, die
streven naar uiterlijke waarden. Evenmin zullen er dan incarnaties zijn voor de aardse
rijken, om als de armste onder de armen dat weer goed te maken, wat zij als rijken hebben
verzuimd.
Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus verdere evolutiestappen heeft
gezet, zal er geen arm en rijk meer bestaan. Alle mensen zijn dan rijk in Mijn Geest,
omdat zij het innerlijke rijk hebben ontsloten. Dienovereenkomstig zullen zij ook op de
nieuwe aarde leven, onder een andere hemel.
Wees daarom bereid, God te dienen en uit liefde tot God ook je
medemensen.
Erken: niemand kan twee heren dienen, God en de mammon. Alleen de
onbaatzuchtige liefde verenigt alle mensen en volkeren. De mens op aarde en de zielen in
de reinigingsgebieden - beiden zullen eens voor de keuze worden gesteld: God of de mammon
te dienen, vóór God of tegen God te zijn. Daartussen is niets: vóór God - of voor het
satanische.
15. »Daarom zeg Ik je: wees niet bezorgd voor je
leven, wat je zult eten en drinken; ook niet voor je lichaam, waarmee je je zult kleden.
Is het leven niet méér dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding? En wat baat het
een mens, als hij de hele wereld zou bezitten, maar zijn leven zou verliezen?
16. Ziet de vogels in de lucht: zij zaaien niet en oogsten niet, noch
verzamelen zij in schuren en jullie hemelse Vader voedt hen toch. Zijn jullie dan niet
veel beter beschermd dan zij? Wie van jullie zou aan zijn lengte ook maar één el kunnen
toevoegen, als hij dat wilde? En waarom hebben jullie zoveel zorgen over jullie kleding?
Ziet de leliën op het veld, hoe zij groeien; zij werken niet en spinnen niet. En toch, Ik
zeg jullie, Salomon in al zijn pracht en heerlijkheid was niet zo getooid als zij.
17. Waarom zou God, die het gras op het veld kleedt, dat toch vandaag
groeit en morgen in de oven wordt verbrand, jullie niet veel beter kleden, kleingelovigen?
18. Weest daarom niet bezorgd en vraagt niet: wat zullen wij eten? Wat
zullen wij drinken? Of: waarmee zullen wij ons kleden? (Zoals de heidenen doen.) Want
jullie hemelse Vader weet, dat jullie dit allemaal nodig hebben. Streef eerst naar het
rijk Gods en naar Zijn gerechtigheid, dan zal dit alles je deel zijn. Daarom, maak je geen
zorgen om de narigheid van morgen. Het is genoeg, dat iedere dag zijn eigen narigheid
heeft.« (Hoofdst. 26, 15-18)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie zich om zijn persoonlijke leven, om zijn
welzijn, zorgen maakt - wat hij bijvoorbeeld morgen zal eten en drinken of waarmee hij
zich zal kleden - is een slechte plannenmaker; immers hij denkt daarbij alleen aan
zichzelf, aan zijn eigen welzijn en bezit. Hij neemt daarmee tegelijkertijd zijn ach en
wee in het plan op.
Wie daarentegen de wil van God vervult, is een goede plannenmaker. Hij
zal zowel de dagen alsook de toekomst plannen. Maar hij weet, dat zijn plan alleen een
voornemen is, die in Gods hand rust.
Hij legt zijn plan in Gods hand, werkt met Gods krachten en laat zich
in het dagelijkse gebeuren door God leiden. Want hij weet: God is de alwetende Geest en de
rijkdom van zijn ziel. Wie zich aan God toevertrouwt, zijn dagelijkse werk in Zijn licht
plaatst en de wet "bid en werk" vervult, zal het rechtvaardige loon ontvangen.
Hij zal alles bezitten wat hij nodig heeft.
Wanneer God, de Eeuwige, de natuur tooit en de lelies van het veld
kleedt, hoeveel beter zal Hij dan niet Zijn kind voeden en kleden, dat Zijn wil vervult!
Heb dus geen zorgen over morgen, maar maak een plan en leg je plan in Gods wil - en God,
die je plan kent, zal dát vervullen, wat goed voor je is.
Ik geef een voorbeeld: een goede architect zal zorgvuldig een plan
maken voor het huis en aan alle details denken. Wanneer hij zijn plan klaar heeft, zal hij
het nogmaals nalopen en het dan aan de opdrachtgever ter goedkeuring voorleggen. Als deze
accoord gaat met zijn plan, zullen de ambachtslieden volgens het plan werken. De architect
en de opdrachtgever zullen toezicht houden op de uitvoering en alleen dan ingrijpen, als
iets niet met het plan overeenstemt.
Zo zou je het ook met je leven moeten doen: maak voor iedere dag een
plan, een goed plan! Houd ook tijd vrij voor bezinning, waarin je tot innerlijke rust komt
en je leven en je plan steeds weer kunt overdenken. Een zorgvuldige dagplanning, die in de
wil van God werd gelegd, zal God ook met Zijn wil doordringen. Wie zijn plan zo uitvoert,
hoeft zich over morgen geen zorgen te maken. Zijn geloof in Gods leiding zijn de positieve
gedachten; daaruit ontstaan positieve woorden en wetmatig handelen. Positieve gedachten,
woorden en handelingen zijn de beste werktuigen, want daarin werkt Gods wil. Dat betekent,
in iedere positieve gedachte, in ieder onbaatzuchtig woord, in ieder onbaatzuchtig gebaar
en iedere daad werkt Gods wil, Zijn Geest. God zal degene, die een goed plan maakt alles
geven, wat hij nodig heeft, en meer dan dat.
Slechts diegene maakt zich zorgen om morgen, die zich niet aan God
toevertrouwt, die de dagen laat verstrijken en ze niet benut. Wie van de ene dag in de
andere leeft en dan zijn naaste de schuld geeft, als hem veel mislukt, als hij ziek is,
als hij honger heeft, als hij het noodzakelijke voor het dagelijkse leven niet kan
verwerven - is geen goede plannenmaker. Hij is een angstig, egoïstisch mens, die dát
aantrekt, wat hij niet wil en waarvoor hij bevreesd is. Wie niet met Gods hulp een plan
maakt voor de uren, dagen en maanden en zijn plan en zichzelf niet in de wil van God
plaatst, kan niet door Hem geleid worden. Alleen degene, die zijn dagwerk aan God
toevertrouwt en gewetensvol het gebod "bid en werk" vervult, kan door God worden
geleid, die is van Hem vervuld - die is vol liefde, wijsheid en kracht. Dat betekent, zijn
bokaal, zijn leven, is vervuld van vertrouwen en geloof in God.
Mensen in de Geest Gods zullen niets te kort komen. Zij maken goede
plannen, zijn sterk in het geloof en werken met de krachten van de geest. Alleen de
angstige mens is op zichzelf, op zijn kleine ik, gericht. Hij maakt zich zorgen om morgen,
omdat hij niet in God verankerd is en niet aan Gods wijsheid en liefde gelooft. Daarmee
opent hij onbewust de schuur voor de dieven, die komen stelen. Wat hij voor zichzelf heeft
veroverd en vergaard, zal hij verliezen.
Uit Gods hand ontvangen de mensen voedsel, onderdak en kleding. Wie
zijn leven, zijn denken en zijn werk in Gods hand legt, hoeft zich geen zorgen te maken om
morgen. Hij zal bezitten, wat hij vandaag, morgen en in de toekomst nodig heeft - en meer
dan dat.
Wie dus in het innerlijke rijk leeft, zal ook uiterlijk niets te kort
komen. Wie echter innerlijk arm is, zal in het uiterlijke gebrek lijden. Als hij nu in het
uiterlijke leeft en wereldse rijkdom voor zichzelf vergaart en voor zich persoonlijk
houdt, is hij innerlijk arm en zal in een ander leven gebrek lijden, dus arm zijn.
Streef daarom eerst naar het rijk Gods en zijn gerechtigheid, dan wordt
je alles door God gegeven, wat je nodig hebt - en meer dan dat. Zie de vogels in de lucht:
zij zaaien en oogsten niet en verzamelen niet in schuren; en toch voedt onze hemelse Vader
hen. »Ziet de lelies op het veld, hoe zij groeien; zij werken niet en spinnen ook niet.«
De natuur in haar veelsoortigheid is mooier gekleed dan de rijkste onder de rijken. Wie
alleen aan zijn eigen welzijn en aan zijn volle schuren denkt, die zal ofwel in dit aardse
bestaan of in een andere incarnatie - zolang dat nog mogelijk is - in het zweet zijns
aanschijns zijn brood verdienen.
Juist bidden en werken betekent, dat men voor zichzelf en voor het
algemeen welzijn werkt. Erken: de lelies op het veld - ja, de hele natuur - is er voor
alle mensen en schenkt zich aan hen op de meest veelvuldige wijze. Wie dit vermag te
begrijpen en te waarderen, zal niet in het zweet zijns aanschijns zijn brood hoeven te
verdienen. Hij zal de wet "bid en werk" vervullen - voor zichzelf en voor zijn
naasten.
En als er staat geschreven »zij werken niet en spinnen ook niet«, dan
betekent dit: de mens moet niet alleen aan zichzelf denken en alleen maar werken, om voor
zichzelf winst te maken, om zich daarmee te tooien en te tonen.
Erken: het hele Zijn staat onder Gods hoede. Dieren, bomen, planten,
grassen en stenen staan onder Gods bescherming. Zij staan in het evolutieleven, dat door
de eeuwige Scheppergod wordt bestuurd. Omdat al het leven uit God is, voelen ook de
dieren, bomen, planten, grassen en stenen. Zij beleven in zichzelf de evolutiekracht van
de Schepper, die hen bezielt en hen in de cyclus van de goddelijke aeonen tot verdere
ontplooiing leidt. De Schepperkracht, het eeuwige Zijn, schenkt de natuurrijken alles, wat
zij nodig hebben. De gaven van het leven stromen naar de levensvormen in die mate, waarin
zij geestelijk ontwikkeld zijn.
De eeuwige Vader gedenkt iedere grasspriet. Hoeveel meer zal de Eeuwige
dan Zijn kinderen gedenken, die de evolutiefasen van de mineralen- planten- en
dierenrijken al in zich hebben ontwikkeld! De kinderen van God dragen de microkosmos uit
de macrokosmos in zich en staan zo met de hele oneindigheid in verbinding.
Hoe arm is toch de mens, die zich zorgen maakt voor morgen! Hij laat
zien, dat hij het gisteren nog niet heeft overwonnen, omdat hij niet in het heden, in het
nu, dus in God, vermag te leven.
Het innerlijk van de mens, het reine Zijn, is het wezen van de
oneindigheid. Wie dit als mens begrijpt, schouwt naar binnen en ontwikkelt de wetten van
het leven, zodat hij al het uiterlijke in het licht van de waarheid vermag te schouwen.
Erken: de mens, die alomvattend - dus onbegrensd - denkt en leeft,
wordt door de oneindigheid gediend. Mensen in de geest van de liefde zijn niet op zichzelf
gericht, maar albewust. Zij staan in voortdurende verbinding met de goddelijke krachten in
al het Zijn. Wat zij doen, doen zij van binnenuit met de kracht van de liefde. Zij maken
plannen en werken volgens het gebod "bid en werk" en verspillen de dag niet. Zij
zijn zich bewust van de kostbaarheid van de dag, de uren en minuten en benutten de tijd.
Wie dus waarachtig leeft, maakt zich geen zorgen om morgen; hij
ontvangt vandaag al, wat hij morgen bezit. Want wie in God leeft, zal vandaag en morgen
geen gebrek lijden. Wie echter angstig blijft en zijn have en goed vasthoudt, zal morgen
arm zijn.
Wie zichzelf echter als kosmisch wezen ziet, dat Gods wil ten volle
vervult, verwerft wijsheid en kracht. Wie vervuld is van liefde en wijsheid, diens leven
is doordrongen van de kracht Gods. Hij zal aan niets gebrek hebben. Wie zich echter zorgen
maakt om morgen en de toekomst donker inziet, trekt het kwaad aan; hij zal elke dag zijn
last moeten dragen.
Denk dus niet angstig aan morgen! Maak een plan met Gods kracht - en
laat de Eeuwige door jou werken. Dan zijn je gedachten positieve magneten, die weer het
positieve en opbouwende aantrekken. Want gedachten, woorden en daden zijn magneten.
Overeenkomstig hun aard trekken zij weer hetzelfde of iets gelijksoortigs aan.
HOOFDSTUK 27
De Bergrede
(Deel 3)
Je negatieve gedachten, woorden en daden zijn je eigen rechters (1).
Splinter en balk - Noodzaak van zelfkennis (2). Missioneren is willen overtuigen - Leef de
waarheid en wees een voorbeeld (3). Vragen, zoeken, aankloppen; de innerlijke poort opent
zich niet voor het verstand (4). Wat je van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je
hart; verwachtingshouding leidt tot binding (6). De strijd op de smalle weg naar het leven
(7). Onderscheid maken tussen goede en slechte vruchten (8-9). Neem het woord des levens
met je hart op - »Dit is Mijn woord. Alfa en omega. Het evangelie van Jezus. De
Christusopenbaring, die de wereld niet kent «: een werk van leven en liefde (13)
1. Oordeel niet, opdat je niet veroordeeld wordt.
Want met hetzelfde recht, waarmee je oordeelt, zul jij beoordeeld worden; en met die maat,
waarmee je meet, zul jij weer gemeten worden. En wat je anderen aandoet, zal ook jou
worden aangedaan. (Hoofdst. 27, 1)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Je hebt gelezen: gedachten, woorden en handelingen
zijn magneten. Wie zijn naaste in gedachten en met woorden be- en veroordeelt, zal zelf
dus hetzelfde of iets gelijksoortigs ervaren.
Erken: je negatieve gedachten, woorden en handelingen zijn je eigen
rechters. »Met dezelfde maat waarmee je meet« - in gedachten of in woorden en
handelingen -, zul je zelf gemeten worden. Zoals je je naaste afwijst, om jezelf op te
waarderen, zul jij worden beoordeeld: je zult je eigen waarde ervaren en ondergaan. En als
je zegt: »De één moet tevreden zijn met wat hij heeft - de ander moet meer krijgen«,
zal eens slechts evenveel of nog minder bezitten dan degene, die hij minder heeft gegund:
zoals je je naaste in denken, spreken en doen bejegent, zo zal het eens jezelf vergaan.
2. Wat zie je de splinter in het oog van je broeder en word de balk in
je eigen oog niet gewaar? Of hoe kun je tegen je broeder zeggen: ik wil de splinter uit je
oog halen? En zie, in jouw oog is een balk. Jij huichelaar, haal eerst de balk uit je
eigen oog, dan pas zie je helder, om de splinter uit het oog van je broeder te kunnen
halen. (Hoofdst. 27, 2)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Slechts die mens spreekt steeds over de splinter in
het oog van zijn naaste, die de balk in zijn eigen oog niet gewaar wordt. Alleen diegene
meent de splinter uit het oog van zijn broeder te moeten halen, die zijn eigen denken en
leven niet kent. Wie zichzelf niet kent en ook de balk niet - de zonden van de ziel, die
zich in zijn eigen ogen weerspiegelen -, heeft geen blik voor de waarheid. Zijn oog is
vertroebeld door de zonde. Hij ziet dan in de naaste alleen datgene, wat hij zelf ook nog
is: een zondaar. Slechts wie aan de balk in zijn eigen oog werkt, schouwt steeds
duidelijker. Dan kan hij steeds beter de splinter in het oog van zijn broeder waarnemen en
hem volgens de wet van de naastenliefde helpen, deze te verwijderen.
Wie dus negatief spreekt over zijn medemensen, hen afkeurt en kwaad
over hen spreekt, kent zijn eigen fouten niet.
Aan de vruchten zul je hen herkennen! Iedereen laat zelf zien, wie hij
is - zijn vrucht dus. Wie zich opwindt over zijn medemensen en hen belachelijk maakt, laat
zien, wie hij in werkelijkheid is.
Wie eerst zijn eigen fouten aflegt, is ook in staat, zijn naaste te
helpen. Daarom is iedereen een huichelaar, die afkeurend over de fouten van zijn broeder
spreekt - en daarbij de balk in het eigen oog niet bemerkt.
3. Geeft datgene, wat heilig is, niet aan de honden
en gooit jullie paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun voeten vertrappen
en zich niet omkeren om jullie te verscheuren. (Hoofdst. 27, 3)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Het stemt niet overeen met de eeuwige wet van de
vrije wil, dat je met de woorden van de waarheid van stad tot stad, van huis tot huis
trekt, je overredings- en overtuigingskunsten aanwendt en iedereen, die je te pakken
krijgt, missioneert. Want dat zou betekenen, dat je de waarheid niet heiligt en zo
handelt, als het figuurlijk beschreven staat: »Geeft datgene, wat heilig is, niet aan de
honden, en gooit jullie paarlen niet voor de zwijnen.« Je moet dus het woord Gods niet
aan je naaste opdringen. Wie meent, dat zijn naaste datgene moet geloven en aannemen,
waarvan hij meent overtuigd te zijn, heeft zelf nog twijfels en stelt zijn eigen geloof in
twijfel.
Missioneren betekent willen overtuigen. Wie overtuigen wil, is in zijn
innerlijk zelf niet overtuigd van datgene, wat hij aanprijst.
Wees echter een goed voorbeeld in je geloof en geen missionerende. Je
kunt je geloofsgoed aanbieden en iedereen vrijlaten, of hij daarin wil geloven of niet, of
hij met je mee wil gaan of niet.
De vrijheid in God is een aspect van de eeuwige wet. Als je naaste uit
vrije wil naar je toekomt en je naar je geloof vraagt, dan zet hij de eerste stap naar
jou; en wie in het geloof staat, zal dan naar zijn naaste toegaan en hem antwoorden.
Wie in een goddelijke verbinding staat met zijn naaste, zal hem niet
aan zijn eigen geloof binden - maar hem slechts zoveel mededelen als hij zelf heeft
ingezien en verwezenlijkt. Slechts diegene wil zijn naaste aan zijn geloof binden, die
weinig onbaatzuchtige liefde heeft ontwikkeld.
Hoed je daarom voor de overijverigen, die je tot hun geloof willen
overhalen. Bied de eeuwige waarheid aan in woord en schrift - en leef er zelf naar; dan
zullen diegenen op je toekomen, die het leven in zichzelf hebben waargenomen.
4. Vraag, en je zult verkrijgen; zoek, en je zult
vinden. Klop aan, en jou zal worden opengedaan; want eenieder, die vraagt, zal ontvangen
en wie zoekt, zal vinden en wie aanklopt, zal worden opengedaan. (Hoofdst. 27, 4)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Slechts die mens vraagt, zoekt en klopt aan de poort
van het innerlijke leven, die nog niet zijn innerlijk, het koninkrijk van de liefde, heeft
betreden. Het rijk Gods is binnenin de ziel van ieder mens.
De eerste stap op het pad naar het innerlijke leven, op de weg naar de
poort van het heil, is de vraag aan God om hulp en bijstand. De volgende stap is het
zoeken naar Gods liefde en gerechtigheid. De zoekende vindt het leven, Gods liefde en
gerechtigheid, in de geboden van het leven, die wegwijzers zijn op de weg naar binnen.
Een volgende stap is het aankloppen aan het eigen hartekamertje, aan de
innerlijke poort. Deze poort naar het hart van God opent zich slechts voor diegene, die
eerlijk gevraagd, gezocht en aangeklopt heeft. Voor de verstandsmens, die alleen naar
uiterlijke waarden en idealen streeft, opent de innerlijke poort zich niet. Ook de
twijfelaars zullen niet ontvangen.
Wie dus vraagt, zoekt en aanklopt, moet dit doen uit liefde tot God en
niet, om Gods liefde op de proef te stellen.
Erken: wie alleen wil controleren, of Gods liefde inderdaad bestaat,
zal zeer snel zelf getoetst worden. Voor wie in God leeft, staat de hartepoort open. Hij
hoeft niet meer te vragen - hij heeft reeds ontvangen; want God kent Zijn kinderen. Wie
ingekeerd is in het hart van God, heeft in zijn ziel reeds ontvangen. Dat wil zeggen: de
rijkdom uit God straalt versterkt in zijn ziel en straalt door hem, de mens. Wie in zijn
innerlijk is ingekeerd, hoeft niet meer te zoeken - hij is thuis in het koninkrijk van het
innerlijk. En wie bewust zijn woning daarin gekozen heeft, hoeft niet meer aan te kloppen;
hij is reeds ingekeerd en leeft in God en God door hem.
Slechts diegenen zullen vragen, zoeken en aankloppen, die nog buiten
staan en nog niet weten, dat zij diep in hun ziel datgene dragen, wat hen waarachtig rijk
maakt: Gods liefde en wijsheid.
5. Wie is er onder jullie, die een kind een steen
geeft, als het om brood vraagt of een slang, als het om een vis vraagt? Als jullie, die
slecht zijn, toch jullie kinderen goede gaven kunnen geven, hoeveel meer zal jullie Vader
in de hemel dan goede gaven geven aan hen, die Hem erom vragen?
6. Wat je ook wilt, dat de mensen voor jou zullen doen, doe zo ook met
hen en wat je niet wilt, dat zij jou aandoen, doe dat ook hen niet aan; want dit is de wet
en de profeten. (Hoofdst. 27, 5-6)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Erken: verlang niet van je medemensen, wat je zelf
niet bereid bent te geven.
Als je van je naaste iets verwacht, dat hij voor je moet doen, stel
jezelf dan de vraag: waarom doe ik het niet zelf? Wie van zijn naaste bijvoorbeeld geld en
goed verwacht, opdat hij zelf in zijn gemakzucht niet zou hoeven te werken, of wie van
zijn naaste trouw verwacht en zelf niet trouw is, of wie door zijn naaste aan- en
opgenomen wil worden, zelf echter zijn medemensen aan- noch opneemt - is egoïstisch en
arm in de geest.
Wat je ook van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart.
Het is onwetmatig om uit een verwachtingshouding zijn medemensen tot
handelingen, uitspraken of gedragingen te dwingen, waartoe zij vanuit zichzelf niet bereid
zouden zijn.
Heb je in je wensen aan je naaste je verwachtingshouding herkend, keer
dan snel om en doe eerst zelf, wat je van je naaste verlangt.
Elke dwang is een druk, die weer dwang en tegendruk opwekt. Door
zon afpersend gedrag tegenover je medemensen bind je je aan hen en maak je zowel
jezelf, alsook degene, die zich liet afpersen, tot slaaf van de lagere natuur. Zulke
dwangmethoden als: »Ik verwacht van jou en jij verwacht van mij - ieder geeft de ander,
wat deze verlangt« leiden tot binding.
Wat gebonden is, heeft geen plaats in de hemel. Beiden, die aan elkaar
gebonden zijn, zullen elkaar eens weer ontmoeten, in het fijnstoffelijke leven of in
latere incarnaties.
Deze vorm van binding geldt niet op het werk. Heb je je in het
beroepsleven vrijwillig in een betrekking gerangschikt en de verantwoordelijke geeft je
opdrachten, die je in het kader van je werk moet uitvoeren, dan heb je hiertegen al met je
intrede in het bedrijf ja gezegd. Je hebt je vrijwillig in het bedrijf en het bedrijfsteam
ingepast, om te doen, wat je wordt opgedragen. Wanneer je dus een bepaalde werkkring
kiest, dan moet je ook uitvoeren, wat je in overeenstemming met je zelfgekozen taak wordt
opgedragen. De uitspraak »Wat je wilt, dat de mensen jou zullen doen, doe zo ook met
hen...« geldt dus niet voor het zelfgekozen beroep of bedrijf.
»Wat jij niet wilt dat de mensen jou aandoen, doe dat ook hen niet
aan« betekent: als je niet wilt, dat men je uitlacht en bespot, dat je belogen en
bestolen wordt, dat men je have en goed afneemt, dat je geringeloord wordt of beroofd
wordt van je vrije wil, dat je geslagen en uitgescholden wordt, doe dat dan ook niet met
je medemensen. Want wat je de geringste van je broeders aandoet, dat doe je Mij aan - en
jezelf. Wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook je naaste niet - want alles, wat
van jou uitgaat, komt weer op jou terug. Controleer daarom je gedachten en houd je tong in
toom!
7. Gaat in door de nauwe poort. Want smal is het pad
en nauw is de poort, die naar het leven leidt en het zijn er slechts weinigen, die haar
vinden. Maar wijd is de poort en breed de weg, die naar het verderf leidt en er zijn
velen, die daarop wandelen. (Hoofdst. 27, 7)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
»... smal is het pad en nauw is de poort, die naar
het leven leidt« betekent: in iedereen, die zich inspant, de smalle weg naar het leven te
bewandelen, meldt zich de duisterling en toont hem - zoals Mij als Jezus van Nazareth - de
schatten en de aangename kanten van deze wereld. Iedere dag opnieuw is het nodig, het
satanische te weerstaan en het af te wijzen. Wie niet waakzaam is, wordt hem horig.
Erken: ieder, die de eerste stappen naar het leven zet, voelt zich
eerst beperkt en beknot, tot hij definitief heeft gekozen. Want wat hij tot nu toe aan
menselijks gedacht en gedaan heeft, moet hij nu laten.
De eerste stappen gaan naar het ongewisse - zij heten geloof en
vertrouwen. Tot de eerste stappen zijn gezet, is het pad naar het leven smal en nauw. De
eerste hindernissen, die op de weg naar het hart van God genomen moeten worden, heten:
verander je denken en laat de oude, menselijke gewoonten los! Berouw, vergeef, vraag om
vergeving en zondig niet meer! Dat betekent voor ieder persoonlijk een inspanning en een
omschakeling van alles, wat bij hem tot dusverre gebruikelijk was.
Wie echter volhoudt met Mijn kracht, zal het smalle pad verlaten en dan
de grote lichtstraat in het rijk van het innerlijk bereiken, waarop hij samen met de
zoekenden naar het licht, streeft naar de poort van het Absolute, het leven in God.
Iedere dag wordt de mens beproefd: vóór of tegen God.
Wie tegen Mij beslist, doordat hij al het menselijk aangename behoudt
en alles, wat hem menselijk maakt, zal op de brede, donkere straat niet in bekoring worden
gebracht, omdat hij zich aan de verleider heeft overgegeven. Velen, zeer velen wandelen op
deze straat naar het verderf. Zij worden niet beproefd zoals zij, die het smalle pad naar
het leven gaan.
Wie zich heeft overgegeven aan de verleider, zegt daarmee ook
onvoorwaardelijk ja tegen datgene, wat hij op grond van zijn zaad heeft te oogsten.
8. Hoed je voor de valse profeten, die in
schaapskleren tot je komen, maar van binnen verscheurende wolven zijn. Aan hun vruchten
zul je hen herkennen. Kan men druiven plukken van doornen of vijgen van distels?
9. Evenzo brengt elke goede boom goede vruchten, een rotte boom echter
brengt slechte vruchten. Elke boom, die geen goede vruchten brengt, is alleen nog maar
goed, om omgehakt en in het vuur geworpen te worden. Daarom, aan hun vruchten zul je het
goede van het slechte onderscheiden. (Hoofdst. 27, 8-9)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Aan het einde van de materialistische dagen, de tijd
van de "schraapzucht en de hebzucht" zullen veel valse profeten optreden. Zij
zullen veel over de liefde van God spreken - en toch zijn hun werken mensenwerk. Niet hij
is een ware profeet en een geestelijk wijze, die over de liefde van God spréékt, maar
alleen hij, wiens werken goed zijn.
De gave dit te toetsen heeft echter slechts diegene, die eerst zijn
eigen gezindheid onderzoekt: of hij zelf waarachtig gelooft in het evangelie van de
onbaatzuchtige liefde en ook de zin van het evangelie vervult - en wat hij zelf reeds uit
onbaatzuchtige liefde aan zijn naaste heeft verwezenlijkt.
Je kunt pas dan je medemensen herkennen en het onderscheid tussen goed,
minder goed en slecht aanvoelen, als je enkele graden van geestelijke rijpheid hebt
bereikt.
Wie zijn naasten nog veroordeelt en negatief over hen denkt en spreekt,
kan zijn medemensen niet toetsen. Het ontbreekt hem aan onderscheidingsvermogen. Hij
oordeelt alleen - en toetst niet.
Als je zelf nog een slechte vrucht bent, hoe kun je dan de goede
vruchten herkennen? Wie Gods wetten niet verwezenlijkt, ontbreekt het dus aan
onderscheidingsvermogen voor wat goed, minder goed en slecht is.
Wie zijn naaste wil toetsen, moet dus eerst zichzelf onderzoeken, of
hij de gave van het onderscheid heeft tussen rechtvaardig en onrechtvaardig.
Zeer snel kan een goede vrucht worden verworpen en een slechte
aangenomen: namelijk dan, als de rotte vrucht met veel gepraat op de voorgrond treedt en
met veel schijnbaar overtuigende woorden en gebaren werkt.
Erken: het gelijke trekt het gelijke aan. Wie zelf nog een rotte vrucht
is, staat dichter bij de rotte vruchten dan bij de goede. Wie echter onbaatzuchtig is, is
een goede vrucht, hij staat ook dicht bij het goede, het onbaatzuchtige.
Wie onbaatzuchtig is, heeft ook het vermogen te onderscheiden tussen
goede, minder goede en slechte vruchten. Wie dus de goede van de slechte vruchten wil
onderscheiden, moet eerst zelf een goede vrucht zijn. Alleen de goede vrucht kan de
slechte herkennen. De slechte vrucht zoekt steeds weer haar gelijkgezinde slechte
vruchten, om iets tegen de goede te ondernemen. De slechte vruchten veroordelen,
verwerpen, oordelen en binden.
De goede, rijpe vruchten hebben begrip, zijn welwillend, tolerant en
goedhartig jegens hun naaste. Wel wijzen zij op de wantoestanden, maar bewaren toch hun
naasten in hun hart. Dat betekent: zij oordelen, veroordelen en vonnissen niet meer.
Ik herhaal: aan hun vruchten zul je hen herkennen.
De goede vrucht kent de slechte vrucht, maar de slechte vrucht herkent
de goede vrucht niet. De goede vrucht kijkt slechts naar het goede, de slechte vrucht
alleen naar het slechte. Overeenkomstig denkt, spreekt en handelt de mens.
10. Niet allen die tot Mij zeggen: Heer! Heer!
zullen in het hemelrijk komen, maar zij, die de wil doen van Mijn Vader, die in de hemel
is. Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in Jouw naam
geprofeteerd? Hebben wij niet in Jouw naam duivels uitgedreven? Hebben wij niet in Jouw
naam veel wonderbaarlijke werken gedaan? Dan zal Ik tot hen zeggen: Ik heb jullie nooit
gekend; gaat allen weg van Mij, die het kwade teweegbrengen. (Hoofdst. 27, 10)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie alleen Mijn naam aanroept en niet de wil van
Mijn Vader vervult, is ondanks zijn schijnbaar geestelijk indrukwekkende spreken en zijn
schijnbaar vriendelijke woorden, arm van geest en zal het hemelrijk niet binnengaan. Wie
echter onbaatzuchtige daden volbrengt, zonder loon en waardering te verwachten, die is
het, die de wil van Mijn Vader doet; want zoals hij handelt, zo denkt en spreekt hij ook.
Onbaatzuchtige daden ontstaan enkel uit godvervulde gevoelens en
gedachten. Zijn de gedachten van de mens onzuiver, dan zijn ook zijn woorden zonder inhoud
en zijn daden ik-gericht.
Erken: wie de schijn wekt uit het Ik Ben te spreken,
dus schijnbaar Mijn woord spreekt en de schijn wekt in Mijn naam te handelen en daarvan
goed leeft, die heeft zijn loon reeds ontvangen. Hij zal in de hemel geen loon meer
ontvangen. Wie onbaatzuchtige werken van liefde doet en voor zijn aardse brood werkt, zal
in de hemel het rechtvaardige loon ontvangen.
Erken: het geestelijke brood is het geestelijke
voedsel voor de ziel. Het brood voor het lichaam moet naar de wet "bid en werk"
verdiend worden.
Het geestelijke brood komt uit de hemelen en wordt diegenen aangereikt,
die de wet van de liefde en het leven in acht nemen en ook het gebod "bid en
werk" vervullen.
God schenkt de mensen het aardse voedsel via de aarde. De vruchten van
de aarde behoeven de toebereiding door het werk van de handen. Zo is de arbeider zijn loon
waard.
Herken het verschil tussen het brood voor de ziel en het brood voor het
aardse lichaam! Weliswaar stromen beide uit één bron, maar het ene is geestelijk en
wordt de ziel aangereikt, het andere is verdichte stof, materie en wordt aan het fysieke
lichaam gegeven. Wat de grote Geest, God, de mensen schenkt voor hun fysieke lichaam,
heeft menselijke arbeid nodig; moet bijvoorbeeld gezaaid, verzorgd, geoogst en verwerkt
worden. Daarvoor behoort de mens ook door mensen betaald te worden.
Slechts diegene wordt in het rijk Gods opgenomen, die alles doet uit
liefde tot God en de mensen.
11. Daarom, wie Mijn woorden hoort en ze navolgt,
vergelijk Ik met een verstandig man, die zijn huis solide op een rots bouwde. En de regen
viel en de vloed kwam en de winden waaiden rond dit huis: en het stortte niet in; want het
was op een rots gegrondvest.
12. En wie Mijn woorden hoort en ze niet navolgt, die vergelijke men
met een dwaze man, die zijn huis op zand bouwde. En de regen viel en de vloed kwam en de
winden waaiden en beukten tegen het huis en het stortte in en groot was zijn val. Maar een
stad, die solide gebouwd is en rondom stevig is ommuurd of op de top van een berg en op
een rots is gegrondvest, kan nooit instorten, noch verborgen zijn.
13. En het geschiedde, toen Jezus deze rede had beëindigd, dat het
volk verbaasd was over Zijn leer. Want Hij sprak hoofd en hart aan als Hij onderwees en
sprak niet als de schriftgeleerden, die slechts ambtshalve onderwezen. (Hoofdst. 27,
11-13)
Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:
Wie Mijn woorden hoort en navolgt, ontwikkelt zijn
geestelijke leven. Hij grondvest zijn leven op Mij, de Rots. Dan zal hij ook bestand zijn
tegen storm en vloed. Na dit aardse leven zal zijn ziel bewust ingaan in het geestelijke
leven en daar geen vreemdeling zijn, omdat de mens reeds op aarde in het rijk van zijn
innerlijk heeft geleefd.
De profetische geest is het vuur in de profeet en in
alle verlichte wezens. God sprak en spreekt door hen niet als degenen, "die slechts
ambtshalve onderwezen". De profeten en verlichten spraken en spreken uit de volmacht
van de Eeuwige, de sprekende God, of de mensen het willen weten of niet.
Er staat geschreven: »Hij sprak hoofd en hart aan«. Wat het
intellect, het hoofd, opneemt, wordt door de "verstandsmensen" besproken en
bediscussiëerd. Desondanks valt zo menig zaadje in hun hart. Wie het woord des levens met
het hart opneemt, beweegt het ook in zijn hart en brengt het goede zaad, het leven, meteen
tot ontkiemen.
Wie echter het woord Gods alleen met het intellect wil begrijpen, zal
later - misschien pas na enkele tegenslagen - moeten inzien, wat hij door zijn twijfels en
zijn arrogantie heeft afgewezen. Hij moet inzien, dat het zaad, het woord Gods, dat uit de
hoorn des overvloeds van het leven door profeten en verlichte mensen werd gegeven, hem
veel zou hebben bespaard.
Het boek "Dit is Mijn woord" werkt door in
de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus. Mijn leven, eens als Jezus van Nazareth en Mijn
woord nu (1989) als Christus, zijn het fundament.
Zoals Ik als Jezus van Nazareth gedacht, geleerd en geleefd heb, zal
voor het leven en denken van de mensen van de Nieuwe Tijd in het vredesrijk van Jezus
Christus de maatstaf zijn. Op deze wijze Ben Ik hen zeer nabij. Zij zullen Mij in de geest
als hun broeder begroeten en Mij als heerser van het rijk Gods op aarde aan- en opnemen.
Dit boek is een werk van liefde en van leven. Daaruit ervaren de mensen
in het vredesrijk tevens, hoe Ik de lichttijd op aarde heb ingeleid en opgebouwd. Zij
ervaren, dat Ik door vele getrouwen heb gewerkt, die met Mij voor de Nieuwe Tijd hebben
gestreden en geleden. Het boek "Dit is Mijn woord" is daarmee een historisch
document. Het zal zowel nu - in de ten einde lopende oude wereld - alsook dan - in de
steeds meer doorbrekende Nieuwe Tijd - worden gelezen.
De mensen herkennen daarin ook de vervulling van de goddelijke
verlossersopdracht, begonnen door Mijn werken als Jezus van Nazareth, daarna als
Verlosser, als Christus Gods - en nu als oprichter van de Nieuwe Tijd, waarin Ik Mijn
komst als heerser van het vredesrijk voorbereid, waarin Ik broeder Ben van degenen, die
met Mij en met de velen, wier harten rein zijn, in de broederschap van Christus leven.
Nawoord
Ik Ben de Christus Gods, de weg, de waarheid en het
leven.
Ik Ben de waarheid en de waarheid, die Ik Ben,
straalt in talloze facetten in deze wereld.
Het zogenaamde »evangelie van Jezus« is een van de
vele facetten van de waarheid. Niet een of ander mens, maar Ik, de Christus Gods, nam het,
verklaarde, verbeterde en verdiepte het en voegde verder licht, dus verdere facetten der
waarheid, toe, opdat de mensen van de tegenwoordige generatie (1998) en de toekomstige
generaties de eeuwige waarheid, Mij, de Christus Gods, uit meerdere facetten van de
waarheid zien stralen.
Ik Ben de waarheid en de waarheid geeft de kinderen
de waarheid - en zo is het de waarheid.
Ik, de Christus, vervloek en verwens
geen mens.* Dat doen die mensen, die Mij, de Christus, de waarheid, voor hun menselijke
doeleinden misbruiken, zichzelf aan.
*Deze woorden hebben betrekking op het slot van het
boek »Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren?« (Het evangelie van Jezus. Wat
gebeurde er 2000 jaar geleden?) (Hoofdst. 96, 26)
Ik Ben het evangelie van de waarheid en de waarheid,
die Ik Ben, geeft de generaties, zoals zij het nu en in de toekomst in het licht der
waarheid kunnen begrijpen.
Tot beter begrip van dit werk:
De profetie van God
Wat is een profeet? -
Zijn roeping en zijn opdracht - Het profetische woord van de Christus Gods in onze tijd
»Dit is Mijn woord. Alpha en Omega. Het evangelie
van Jezus. De Christusopenbaring, die de wereld niet kent« is het boek, wiens inhoud
rechtstreeks uit de oerbron God komt: Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen,
openbaart zich door het profetische woord van de mens Gabriële - door onze zuster, de
profetes en verkondigster Gods in deze machtige tijdsomwenteling.
Ofschoon God te allen tijde door profetenmond sprak en zich aan de
mensen meedeelde, hen inlichtte, vermaande, troostte en leidde - dus mét Zijn kinderen
was - weten in onze tijd veel mensen niets meer van deze nabijheid van de sprekende God;
de profetie had nauwelijks meer een plaats in het op het aardse leven betrokken,
materialistische denken en leven. Daarom zijn deze ophelderende woorden over de profetie
nodig. Doch ook voor de mensen in de komende tijdperken en ook voor hen, die na de
machtige tijdwende op aarde leven, de bewoners van het vredesrijk van Jezus Christus, zijn
deze uiteenzettingen van betekenis. Ze dienen tot herinnering; want in de lichttijd zal er
geen profetisch woord meer zijn. De mensen zijn dan zelf het woord geworden, omdat zij de
wet Gods leven.
God sprak tot de mensen in het Oude Verbond; Hij sprak de mensen in
Zijn »Ik Ben« aan - door profetenmond. Jesaja, Elia, Jeremia, Daniël, Job heetten
enkele van de bekendste profeten. De grootste aller profeten was Jezus van Nazareth, de
geïncarneerde zoon Gods. En ook in de daaropvolgende tweeduizend jaren traden in de
christenheid steeds weer profeten van God op. In hun menselijke lichamen waren lichte
wezens van de hemelen geïncarneerd, die de opdracht in zich droegen, spreekbuizen van God
te zijn.
De profeet is als een bazuin, waarin God, de eeuwige Geest, blaast.
Zijn instrument - de mens, door wie Hij profetisch spreekt - is daarbij in het volle
waakbewustzijn; in hem wordt de lichttaal Gods in zijn moedertaal omgezet, opdat de mensen
de eeuwige waarheid, God, kunnen horen en verstaan. Ware Godsprofeten blijven gedurende
het inspreken van de Godsgeest in het waakbewustzijn. Jezus van Nazareth, de grootste
profeet, is ook, wat dit betreft, het voorbeeld. God, de Eeuwige, sprak door Hem in het
waakbewustzijn - zoals ook door alle ware profeten, zowel in het Oude Verbond, als ook na
Jezus tijd. De mens raakt alleen dan in trance, wanneer hij krachten van gene zijde
opneemt, welke niet de rechtstreekse Godsstraling zijn. Dit is bij de echte Godsprofeet
niet het geval.
De ziel van de profeet wordt op de komende opdracht in het
mensenlichaam lang voorbereid, vaak generaties lang. De mens wordt uiteindelijk op een
bepaald tijdstip door God aan de in de ziel liggende opdracht herinnerd; dit is de
zogenaamde roeping.
De weg van de Godsprofeet is een lijdensweg. Hij staat onder de
absolute plicht tegenover God en heeft datgene uit te spreken, wat God hem ingeeft. De
ernstige en vermanende woorden van God, die tot ommekeer oproepen, zijn de mensen van deze
wereld steeds onaangenaam, waardoor de profeten in de regel hoon, spot, laster, vervolging
en vaak de dood moesten ondergaan.
Er zijn twee categorieën van profeten: de verkondigerprofeten - in het
algemeen profeten genaamd - en de leerprofeten. Door verkondigerprofeten gaf en geeft God
de mensheid het geestelijke weten en de fundamentele geestelijke wetmatigheden, die de
mensen nodig hebben, om hun leven op het Goddelijke af te stemmen en stap voor stap in een
wetmatig leven te komen. Hij vermaande en vermaant de mensen, dat te vervullen, wat Gods
wil is. Verkondigerprofeten roepen de mensen in het bewustzijn, dat zij Gods kinderen
zijn; zij brengen hen Zijn liefde en wijsheid naderbij en wijzen de weg naar huis tot Hem.
Door leerprofeten, die omstreeks de grote tijdwende optreden, verankert
de eeuwige Geest niet alleen het geestelijke goed in het bewustzijn van de mensen, dat
reeds voorheen geopenbaard werd, doch Hij geeft verderleidende en hogere wetmatigheden en
aspecten van de heilige oerwet. De leerprofeet brengt dus gedetailleerd de wetten Gods en
legt deze ook uit. Door hem leert de Geest Gods de mensen de Innerlijke Weg terug naar het
eeuwige vaderland, vanwaar eens elke ziel is uitgegaan. Door de leerprofeet leert God
steeds geestelijk goed, dat boven het tot nu toe bekende uitgaat.
De leerprofeet heeft alles, wat God, de Heer, door hem wil
onderrichten, zichzelf tevoren eigen te maken, te ontwikkelen en te verwezenlijken. Hij
moet de Innerlijke Weg, de weg van zelferkenning en loutering, vóór alle mensen eerst
zelf gaan. Na geruime tijd bereikt deze, uit de Geest Gods direct onderrichte en
geschoolde mens, de hoogste top van mystieke ontwikkeling, het doel van het pad met zeven
fasen tot God, dat de eenwording met het bewustzijn, God, tot gevolg heeft. In één
ogenblik herkent, schouwt en weet zo een mens dan van de dingen en gebeurtenissen, die
diegene verborgen zijn, die nog in de zinnelijke wereld leeft.
Daardoor wordt de leerprofeet de verkondiger Gods, die uit zijn
ontsloten en met het Goddelijke ééngeworden bewustzijn, put. Hij ziet de dingen of de
mensen niet meer, zoals ze schijnen, maar hij schouwt de dingen, gebeurtenissen en mensen,
zoals ze zijn. Hij schouwt alles, was is, tot op de kern.
In het Oude Testament zond God vooral verkondigerprofeten op deze
aarde, door wie Hij de mensheid uit haar gebondenheid aan de materie, op de juiste weg tot
geestelijk hogere ontwikkeling trachtte te brengen.
Daarna werkte Christus, de deelkracht van de oerkracht, de mederegent
van de hemelen, als Verlosser en leerprofeet onder de mensen. Zij hebben Hem als Jezus van
Nazareth - zoals vele van de gerechte profeten - niet herkend, niet aangenomen en Zijn
leven een voortijdig einde bereid. Op Golgotha kon Hij met de woorden »het is volbracht«
de verlossing voltrekken: het inbrengen van een vonk van de verlossende deelkracht van de
oerkracht als ondersteunende en weer tot God leidende kracht in iedere ziel.
Nu heeft God wederom een wezen in deze wereld gezonden. Het incarneerde
in de mens, die Gabriële genoemd wordt. Zij dient de Eeuwige in deze wereld als Zijn
leerprofetes. Haar ontsloten geestelijke bewustzijn, dat in de Almachtige rust en
doordrongen is van de kracht van de Almachtige, kent de eeuwige wetten en weet de weg naar
de eeuwige wet, God. Onze zuster, Gabriële dus, schouwt in haar goddelijke bewustzijn en
ontvangt van de Eeuwige door haar goddelijke bewustzijn de alomvattende weg naar het hart
van God. Met eenvoudige woorden vermag zij de alomvattende Innerlijke Weg te verklaren, de
mens tot zijn oorzaken te leiden, hem te helpen deze op te heffen en, wanneer hij wil, hem
naar Christus te leiden. Zij heeft inzicht in de diepte van de mensen, in hun
zielentoestand. Haar verdere opgave als leerprofetes is, de details van de eeuwige wetten
van God nu voor alle levensgebieden in deze wereld te brengen, de details van de
goddelijke wetten voor het samenleven van de mensen in gezin en beroep, in het zakenleven
en de maatschappij, voor de kinderopvoeding en de sociale diensten, alsook voor de
gezondheid van ziel en lichaam. Tevens onderricht zij stap voor stap de toepassing van de
eeuwige wetten op alle gebieden van het leven.
Leerprofeten dienen dus, - aanvullend aan de opdracht, Gods directe
bazuin te zijn - de opdracht, hun medemensen in alle wetten van het geestelijke leven te
onderrichten en hen in alle vragen van het innerlijke leven terzijde te staan. Daarom
moest onze zuster Gabriële zelf veel beleven, ervaren, doorlijden en overwinnen - in
meerdere aardse levens - opdat zij de mensen kan begrijpen en hen de juiste weg kan
wijzen.
In deze grote tijdwende, waarin wij nu staan, stichtte Christus door
Zijn profetische woord en door de christelijke oergemeente Nieuw Jeruzalem Zijn vredesrijk
op deze aarde.
Ter voorbereiding van de mensheid voor het Godsrijk op aarde, geeft de
Eeuwige nu op alle kernvragen van de mensen in deze tijd, uitleg en onderricht. Zo
openbaarde Christus zich door Zijn profetische woord in 1989 ook over Zijn leven, denken
en werken als Jezus van Nazareth; tevens verklaarde Hij de samenhangen en de betekenis van
Zijn leven op aarde voor deze en de komende tijd. De verklaringen, verbeteringen en
verdiepingen in dit boek »Dit is Mijn woord« zijn het authentieke woord van Christus. De
in het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus) gegeven uiteenzettingen en
het nu door Christus daartoe verklaarde, verbeterde en verdiepte, zijn belangrijke
toelichtingen over Zijn leven, denken en werken als Jezus van Nazareth - tot beter begrip
en als voorbeeld voor de mensen in deze tijd en ook voor de bewoners van het vredesrijk,
het lichtrijk van Christus op aarde.
In deze machtige tijdwende leidt Christus ons bovendien in de gehele
waarheid: Hij openbaart nu - zoals verklaard - de wetten Gods voor alle levensgebieden op
deze aarde en bouwt zo het omvangrijke rijk Gods op deze aarde op.
De oerchristenen
in Universeel Leven
Wat is Universeel Leven?
Universeel Leven is te vergelijken met een machtige boom.
Zijn leven ontstond uit een kleine
zaadkorrel, die in de akker van de wereld werd gelegd: de openbaringen van de Eeuwige, van
de Christus Gods, in het begin voor een kleine kring Christusvrienden.
De zaadkorrel ontkiemde en werd een spruit, waarin reeds openbaar werd,
wat zijn kern inhield: Gods licht, dat liefde en wijsheid is.
Toen het plantje groeide, bracht het meer aan het licht: het
thuisbrengingswerk van Jezus Christus, met de eerste aanwijzingen van de Christus Gods
voor een goddelijk leven van de mensen.
Dit leer- en voorlichtingswerk, dat ongeveer 20 jaar geleden door de
Christus Gods in het leven werd geroepen, groeide snel aan tot een krachtige plant, een
klein boompje, geworteld in Gods liefde en wijsheid. Aan ons mensen werden alle
fundamentele wijsheden van het leven geschonken, om zo onze weg naar het Godsleven te
kunnen vinden, dat vruchten voortbrengt.
Steeds meer mensen dronken uit de bron der goddelijke openbaringen en
het boompje werd de boom des levens. Mensen verzamelden zich, om Gods wil te vervullen. Zo
groeide uit het kleine zaadje, dat het leven, God, in zich droeg, de grote levensboom, die
zich Universeel Leven noemt, wat betekent: leven in de Geest Gods, leven, niet slechts
voor ieder afzonderlijk, maar voor allen, die van goede wil zijn.
De wortel van het werk Gods, Christus in Zijn goddelijke openbaring,
thans sinds 20 jaar, bereikt vele miljoenen mensen. Zo wordt vervuld, hetgeen Jezus aan de
Zijnen had opgedragen: het evangelie van de liefde in de hele wereld te brengen. Hij,
Jezus, sprak 2000 jaar geleden inhoudelijk: »Wanneer de geest der waarheid zal komen, zal
Hij jullie in de gehele waarheid leiden.« Hij is nu in deze omwentelingstijd gekomen en
leidt ons in de gehele waarheid, voor zover wij deze met onze woorden begrijpen en met ons
bewustzijn in staat zijn op te nemen.
In de machtige kroon van de boom Universeel Leven
rijpen thans de vruchten van de daad. Het zijn Gods werken door hen die, aangetrokken door
de grote lichtkracht van Christus, hun weg vonden naar degenen, die samen het werk des
levens opbouwen. Het is een volkje, een groeiend volk in Christus en voor Christus, voor
een nieuwe wereld in het teken van liefde en wijsheid en van vrede; rechtvaardige mannen
en vrouwen, die elke dag meer in Zijn Geest leven. Het zijn zij, die elk moment ja zeiden
en ja zeggen tegen de grote Geest van eenheid, van vrede en van liefde, zodat het werk van
de Heer in enkele jaren wereldomvattend werd. Het zijn zij, die zich geroepen voelen, Gods
liefde en wijsheid in de gemeenschap om te zetten in de daad. Zij zijn werkzaam voor de
hogere waarden van het leven, voor het rijk van vrede, het rijk Gods op deze aarde, dat
reeds door Jesaja werd aangekondigd en waarom alle Christenen in het onzevader bidden.
|