Dit is
Mijn woord
A en W

 

Het evangelie van Jezus

De Christusopenbaring,
die de wereld niet kent

 

Deel 1

 

Christus,
de zoon Gods,
de mederegent der hemelen,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser
van het rijk Gods op aarde,
openbaart zich
over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth

 

Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,

 

Het leven in God
is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind,
onze zuster Gabriële,
uit de eeuwige bron toestroomt,
wordt het telkens aan ons doorgegeven.

Christus,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk,
schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin
ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven,
dat het God welgevallig is.


Uitgever: Universelles Leben e.V.
Haugerring 7, D-97070 Würzburg
Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:
Das ist Mein Wort
A und W
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche die Welt nicht kennt

Eerste druk 1991
In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse
originele uitgave doorslaggevend.
1e Nederlandse uitgave: januari 1999


 

Inhoud

 

De titels van de hoofdstukken van het »Evangelie van Jezus« zijn vet en cursief gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels hebben betrekking op de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van het »Evangelie van Jezus«, momenteel door Christus gegeven (1989). De tussen haakjes geplaatste getallen duiden telkens de verzen aan van het »Evangelie van Jezus« waarop de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.

Voorwoord 

Ik Ben 

Proloog 

1) De verkondiging van de geboorte van Johannes de Doper - Johannes de Doper; zijn afkomst en opdracht in het verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid van Zacharias (8) 

2) De reine verwekking van Jezus Christus - Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5). De verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25) 

3) De geboorte en naamgeving van Johannes de Doper - De ware profeten (5

4) De geboorte van Jezus Christus - Het volk Israël heeft gefaald - Christus’ heerschappij in het vredesrijk wordt voorbereid met de geïncarneerde zonen en dochters van God uit de stam van David (5). De »verschijningen van de engelen« aan de herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning van aardse wetten, voor zover deze niet in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten (12) 

5) De aanbidding van de wijzen en Herodes - De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5). Verkondigingen van God en Zijn engelen, zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13) 

6) Kindschap en jeugd van Jezus - De tempel van het innerlijk (4). Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond van trouw voor God - Ervaring van het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en kruisdood waren niet nodig geweest (10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der Egyptenaren (11). Kort bericht over het leven van Jezus voor het begin van Zijn leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de almacht en liefde van God en vervulde het gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond, gesloten met de Oergemeente Nieuw Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het reinigingsproces van de aarde (17) 

7) Boeteprediking van Johannes - De betekenis van symbolen en ceremonies (4). Het gerecht: de wet van zaad en oogst - Loutering van de ziel (10).

8) Het doopsel van Jezus, de Christus - God en Christus openbaren thans de volledige waarheid door de serafijn van de goddelijke wijsheid - de stam David bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)  

9) De vier bekoringen - De duisternis mag zich meten aan het licht (1). Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)  

10) Jozef en Maria bereiden Jezus een feest - Andreas en Petrus vinden Jezus - Aan de mensen van de Nieuwe Tijd: de verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van Jezus van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)

11) Zalving van Jezus door Maria Magdalena - Oordeel naar aardse maatstaf (6). De verlichte mens schouwt (10) 

12) De bruiloft van Kana - De genezing in Kapharnaüm - De geïncarneerde geestwezens en hun opdracht in het verlossingswerk (9). God is liefde, Hij verdoemt niet - Van God verwijderde mensen scheppen wraakgoden - Afgodendienst is ook verering van aardse machten en machthebbers - »Eeuwige verdoemenis« is bespotting van God (11). Hemel en hel zijn in de mens zelf - De atmosferische kroniek (12). Leven in de waarheid - de drie stappen naar de waarheid (16)  

13) De eerste prediking in de synagoge - Het evangelie van de liefde, de weg naar de innerlijke vrijheid (2). Geloof, vertrouwen en verwezenlijking als basis voor hulp en genezing uit de Geest (4)  

14) De roeping van Andreas en Petrus - De honden-dresseur - De rijken - Weg in de navolging van Christus eerst na het ordenen van alle menselijke betrekkingen en situaties (1-3). Voorwaarden voor genezing (4). Zonde tegen de schepping door het minachten en doden van medeschepselen en de gevolgen daarvan - In de omwentelingstijd komen de oorzaken sneller tot uitwerking - De mogelijkheid tot incarneren neemt af met de verfijning van de aarde - Omwentelingstijd is catastrofentijd - Christus beschermt de Zijnen - Leven op de gereinigde aarde (6-7). Uiterlijke en innerlijke rijkdom (11-12) 

15) De genezing van een melaatse, een lamme en een dove - De mensen in de geest van de Heer 

16) De roeping van Mattheus - Nieuwe wijn in oude zakken - De mogelijkheid tot reïncarneren en afdragen is beperkt 

17) Jezus zendt de twaalf uit - De vooruitgang van het verlosserswerk is afhankelijk van de trouw en evolutie van degenen die de opdracht hebben ontvangen (3). Doopsel met de geest der waarheid (6). Genezing der zieken en opwekking van doden - Groepsschuld - Uitdrijven van duivels - Gaven der liefde niet opdringen (7). De hel is geen plaats, maar een toestand van de ziel (10). Voor God is niets verborgen - Slechts wie in het licht der waarheid leeft, kent het woord der waarheid (13). Wie tegen Christus is, is tegen zijn naaste (14) 

18) De uitzending van de tweeënzeventig - Over het doorgeven van de waarheid (3). Gedrag als gast (6). Maatstaven voor de samenleving der mensen; het doel: de onbaatzuchtige liefde (10-12) 

19) Jezus leert bidden - Het juiste en het verkeerde bidden (2-4). De essentie van al het Zijn is in het binnenste van iedere ziel - Gods almacht dient hem, die bewust leeft in verbinding met God, door alle levensvormen (6). Terechtwijzing uit de liefde en de ernst (8). Achting voor het leven van planten en dieren (9). De verantwoordelijkheid van een genezene (10)  

20) Terugkeer van de tweeënzeventig - Succes of mislukking van de door Christus uitgezondenen - Verfijning van de materie - Aardvlekken, resten van negatieve energieën: de basis voor de laatste opstand van de demonen aan het einde van het vredesrijk - De ontbinding van de aardziel - Over »geesten« (3). De »wijzen« van de wereld herkennen de krachten van het heelal niet; zij worden beïnvloed en strijden tegen het licht (4). Christus openbaart Zijn eigen positie en Zijn verhouding tot God, het valgebeuren en Zijn Verlossersdaad (5). Christus in het aardse lichaam en Zijn boden konden en kunnen alleen door diegenen worden herkend, die het innerlijke schouwen en horen hebben ontwikkeld - Wie Christus’ geboden hoort en verwezenlijkt, aan die openbaart zich de goddelijke wet en hij leeft in Hem (6). Machtige instraling van de eeuwige waarheid door de wijsheid in de tijd van de omwenteling (7)  

21) Jezus berispt de wreedheid tegen een paard - De zelfzuchtige, egoïstische mens heerst over de dieren en kwelt hen - Wie in God leeft, is één met alle schepselen (2-4). De mens schendt en vernietigt het leven op aarde - Het uitsterven van vele diersoorten - Betekenis van veel dieren voor het ecologische evenwicht - De wet van zaad en oogst geldt ook in de omgang met de schepping (5). Onbaatzuchtige liefde, de sleutel tot begrip van en hulp voor de naaste en tot inzicht in de causaliteitswet en het overwinnen daarvan - Honger en dorst van de ziel naar de innerlijke bron (7). Het doden van dieren, ook als offer, is een gruwel voor God - Ieder mens zou vrijwillig zijn ik moeten offeren - Verkeerd Godsbeeld - »Oog om oog, tand om tand« (8) en »zo wil Ik jullie verstoten« juist begrepen - Overlevering en inter-pretatie van bijbelse woorden (10). Aardse rijkdommen en innerlijke rijkdom (11). Uiterlijke rijkdom is slechts geleend, om hem voor velen in te zetten (12-13). De wet Gods is absoluut en zal vervuld worden - Het doopsel met water, een symbool - Het »volbracht« - Christus leert nu de gehele waarheid (14). De planning en voorbereiding van de verlossersopdracht en van het verlosserswerk - Vele geestwezens staan in de op-dracht, totdat alle valwezens zijn teruggekeerd (16) 

22) De opwekking van de dochter van Jaïrus - Voor-waarden voor genezing van het lichaam - De Christus is in jou (2-5). De opwekking van »doden« (6-12) 

23) Jezus en de Samaritaanse - Het water des levens, de waarheid, een eeuwig stromende kracht (3-7). Wie ernstig zoekt, vindt de waarheid - Test degenen, die over de waarheid spreken - Over de waarde van uiterlijke vormen van aanbidding - Wie is thans het volk Israël? - Het nieuwe Jeruzalem - Het laatste Verbond (16) 

24) Jezus veroordeelt wreedheid - Hij geneest zieken en drijft duivels uit - Alle overtredingen tegen de wet des levens vallen op de mens terug; natuur en schepsels op aarde zijn geschenken van God, tot welzijn van de mensen (1). Verklaring van de »verdorde arm« (3). Heil en genezing voor het lichaam, wanneer het goed is voor de ziel (7). Farizeeën toen en nu - Strijd tegen het groeiende licht op aarde en in de reinigingsgebieden, nog in de tijd van het vredesrijk - In de tijds-omwenteling wordt het fundament van het vredesrijk gelegd en neemt vorm aan - Vermaning aan de mensen in het vredesrijk: vergeet de pioniers niet en de geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid, Mijn profetes en verkondigster - De strijd achter de nevel-wand gaat door (8). Verklaring van de »wonderbare broodvermenigvuldiging« (12-13) 

25) De Bergrede (1e deel) - De Bergrede, de Innerlijke Weg naar de volmaaktheid - De zaligen - De »armen« - Draag je leed op de juiste manier - De zachtmoedig-heid, eigenschap van hen, die onbaatzuchtig liefhebben - De Tien Geboden en de Bergrede als weg naar waarheid en gerechtigheid - De barmhartigheid, de poort naar het eeuwige Zijn - De reine zielen in de Absolute Wet Gods - De vredestichters hebben de vrede in zich - Strijd van de pioniers op verschillende fronten - Kerkleiders, farizeeën, wolven in schaapskleren - Slachtveld achter de nevelwand - Bidt voor de onver-lichte zielen (2-4). Aardse rijkdom als verplichting en opdracht - Verkeerd gebruik van rijkdom heeft ernstige gevolgen - Waarschuwing aan de spotters - rijken, machthebbers, valse profeten, mooipraters, schijnchris-tenen: werktuigen van de satan (5). De rechtvaardigen zijn het zout der aarde, die het onrecht aan het licht brengen (6). Benoeming en opdracht van de profetes en verkondigster van God - Het werk van de pioniers onder directe scholing en leiding - Het Nieuwe Jeruzalem (7). Vrij worden van de wet van zaad en oogst door Christus, binding in de valwet door kerkgenootschappen en dogma’s - Christus leidt thans naar de gehele waarheid (8). Valse en ware leraren (9). Alleen redding door geloof en verwezenlijking (10). Christus trans-formeert vrijwillig aan Hem gegeven zonden (11). In het reine brengen, voordat een zwaar karma ontstaat - De schijnbare vijand, je spiegel (12-13). Eenieder ontvangt, wat hij zelf heeft gezaaid - Geeft onbaatzuchtige liefde (14). Persoonlijke wensen leiden tot binding aan mensen en dingen - Leven in een "poel van verderf" (16). Rondvliegend zaad in de zielenakker van je naaste - De reinigingsweg van de pioniers tot aan het vredesrijk (18) 

26) De Bergrede (2e deel) - De eerste stappen op de Innerlijke Weg, een evolutieproces naar onbaatzuch-tigheid (2). Gebed als zelfpresentatie of bezield gebed (4). Ware wijzen rusten in zichzelf en discussiëren niet (5). Over het onzevader (6). Vergeven en om vergeving vragen; gerechtigheid en genade Gods (7-9). De aardse dood - Het bewustzijn van de ziel daarna - De rouwenden - Herhaalde incarnatie - Bindingen tussen mensen en zielen - Juiste instelling (10-11). Schatten verzamelen - Einde der incarnaties in de Nieuwe Tijd (12-14). Bezorgd zijn om jezelf, plannen maken in vertrouwen op God - Het juiste bidden en werken - Al het Zijn staat onder Gods hoede (15-18) 

27) De Bergrede (3e deel) - Je negatieve gedachten, woorden en daden zijn je eigen rechters (1). Splinter en balk - Noodzaak van zelfkennis (2). Missioneren is willen overtuigen - Leef de waarheid en wees een voorbeeld (3). Vragen, zoeken, aankloppen; de innerlijke poort opent zich niet voor het verstand (4). Wat je van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart; verwachtingshouding leidt tot binding (6). De strijd op de smalle weg naar het leven (7). Onderscheid maken tussen goede en slechte vruchten (8-9). Neem het woord des levens met je hart op - »Dit is Mijn woord«: een werk van leven en liefde (13) 

Nawoord 
Tot beter begrip van dit werk:

De profetie van God 

Wat is Universeel Leven? 

Voorwoord

van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid.

    Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat Christus, de zoon van God, op een nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen daarop opbouwt, maar het ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook aanvult.
    De reden daarvoor is de volgende:
    christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel bijbeldeskundigen, hebben »hun bijbel«, die zij voor de volledige en zuivere waarheid houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging, dat het woord Gods in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en daarmee afgesloten. Daardoor was het Christus, de Verlosser van alle zielen en mensen, niet mogelijk, binnen de nog bestaande christelijke kerken en de aan zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun bijbel, te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
    Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de waarheid buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan allen is de vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
    Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en zielen, is de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het vredesrijk van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium (1980) enkele broeders - die allen, op één na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te schrijven.
    Christus’ wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken als Jezus van Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht voor diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en door Hem een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
    In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de volgende strekking:
    neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en laat jullie geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin voor de waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die de waarheid bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van betekenis is, want Ik zal het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie verklaren en verdiepen. Het zijn de woorden van God, die grote profeten en verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw voor de tegenwoordige en voor de komende tijd ontvingen.
    Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de grotendeels volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen nalezen en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht - en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het vredesrijk alleen nog vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
    In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat zij de wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid moeten komen. Ook de vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd (1989) nog steunen, zullen dan onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft verworven, heeft zijn geestelijke bewustzijn ontsloten en zijn reine geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid volledig werkt, is voor hem dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan. Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen goeddunken inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun confessionele denken noodzakelijk leek. 
    Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is als een groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde, omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk aangenomen; het nam als zijn aandeel van de opdracht één of meerdere »mozaïeksteentjes« in zijn geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te kunnen vervullen, wat het als opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet worden vervuld.
    Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende mogelijkheden op. Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie is gegaan, niet werd vervuld, dan moet het »debet«, wat daardoor in zijn geestlichaam is opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere incarnatie of in de reinigingsgebieden.
    Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïeksteentje van de opdracht op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een verleiding door de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje, dat nu door andere geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is dan in het opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het betreffende geestwezen echter, dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit elders goedmaken.
    Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven, gaat Hij andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek »Dit is Mijn woord« gebeurde.
    Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert Hij bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst van deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te verleiden - ook diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en de vrede in de wereld te brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de beslissing genomen, in het aardse gewaad de werken Gods te vervullen en Christus en hun naasten te dienen in de wereld, die het territorium is van de duisternis. Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong - voor de keuze: vóór of tegen God.
    De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een werk te schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het menselijke. Zij konden datgene, dat zij in hun geestlichaam hadden ingegeven, niet volgens plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere mogelijkheid geopend: de weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Want het schrijven van het boek »Dit is Mijn woord« is een essentiële bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel Leven, omdat het zijn betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben. Het omvat alle belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk, als Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en door de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
    Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan. Zalige, dus nagenoeg volmaakte mensen zullen haar dan bewonen en haar meer en meer bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds Zijn »volbracht« aan het kruis bindt het satanische zichzelf steeds meer. Wanneer eenmaal het vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden. Alleen door de verlossersdaad is dit mogelijk geworden!
    Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen, om te bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd (1989) en in het bijzonder voor de Nieuwe Tijd - van betekenis is. 
    Het boek »Dit is Mijn woord« maakte niet de direct deel uit van de opdracht van onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid aan, die geboden werd, om het boek »Het evangelie van Jezus«* tot basis van het openbaringswerk »Dit is Mijn woord« te maken. Christus kwam haar met dit boek tegemoet, omdat de opdracht, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst te ontvangen, niet direct in haar opdracht stond.
*Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna ook kortweg »Evangelie van Jezus« genoemd.

    Christus sprak onder andere tot onze zuster, met woorden van de volgende strekking: 
  
Aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij echter voor de geestelijke taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik jou - voor zover dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw directe taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat de tijd hiervoor kostbaar is, zal ik op het boek »Het evangelie van Jezus« voortbouwen door te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
    Het boek, dat door de mensen »Het evangelie van Jezus« wordt genoemd, bevat, ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd (1989) een andere betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth voltrok.
    Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een geheel nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou beletten, de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen. 
    Daarom bouwt Christus voort op de in het Boek »Het evangelie van Jezus« voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult daarmee door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk ligt: een historisch werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het werk »Dit is Mijn woord«.*
*Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus bij de afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt. 

    Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die zij vervult, groeide uit het boek »Het evangelie van Jezus« het werk »Dit is Mijn woord«.
    Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle betekenis krijgen. 
   Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van het vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de mederegent der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van eeuwigheid tot eeuwigheid.
    Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God, onderricht, noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de geest Gods ben ik de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk van Jezus Christus.
    In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is er niet langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
    Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.

    Vrede!

Ik Ben

 

    Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het gefemel van de farizeeën en schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om waardering, lof en loon te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en niet mis te verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.

    Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden volharden, zeiden tegen Mij als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« De eeuwige wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens een beslissing en consequentie verlangt - vóór of tegen God. Wie echter niet wil beslissen, omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen, dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf daaruit profijt te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
    Ik Ben de wet, de Absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn medemensen, echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het ware, niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt. 
    Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de vroegere schriftgeleerden en farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige farizeeër en schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil aannemen, omdat hij niet voor de waarheid wil kiezen.
    Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een beslising vóór of tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die late het. Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God. 
    Jij bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je daaraan!

In de naam van de Allerheiligste.
Amen

    Hier begint het evangelie van Jezus, de Christus, de nakomeling van David, - lichamelijk door Jozef en Maria - en de zoon Gods door goddelijke liefde en wijsheid naar de Geest.

 

Proloog

 

Van eeuwigheid tot eeuwigheid
is de eeuwige gedachte,
en de eeuwige gedachte is het woord,

het woord Gods is eeuwige oergewaarwording,*
is licht en kracht -
*Met de tekst, die in recht schrift is gedrukt, verklaart, verbetert en verdiept Christus de overeenkomstige passages uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus)

en het woord is de daad,
en deze drie zijn één in de eeuwige wet;
en de wet is bij God,
en de wet gaat van God uit.

God is de eeuwige wet.
Hij straalt vanuit de Oercentraalzon
door alle gebieden van de oneindigheid
en door alle reine wezens,
door al het reine Zijn.

Alles is geschapen door de wet
en zonder haar is niets geschapen,
van wat voorhanden is.

In het woord is leven en substantie,
het vuur en het licht.

Het woord Gods is leven en substantie,
is vuur en licht.

De liefde en de wijsheid
zijn één tot verlossing van allen.

Uit de liefde kwam daarom de wijsheid
en woont onder de mensen,
opdat deze ontvangen,
wat God, de liefde en wijsheid,
hen te zeggen heeft -
heden (1989) in de grote tijd
van de bevrijding der geslachten
van een leven in benauwing en droefenis.

En het licht schijnt in de duisternis,
en de duisternis verbergt het niet.

Het licht is de sterkte,
de kracht en de macht.

Het woord is het ene levenschenkende vuur,
en doordat het deze wereld verlicht,
wordt het tot vuur en licht in iedere ziel,
die de wereld betreedt.
Ik Ben in de wereld *
en de wereld is in Mij;
en de wereld weet het niet.
*De wijziging van de kleingeschreven persoonlijke voornaamwoorden die betrekking hebben op Jezus, de Christus, op God (bijvoorbeeld Ik, Mijn, Mij) in het schrijven met een hoofdletter, alsook de hoofdletterspelling van "Ik Ben", gebeurde met de vriendelijke toestemming van de uitgever »DAS WORT«.

Ik Ben in de wereld,
en Ik doorstraal de wereld -
doch de wereld weet het niet.

Ik kom naar Mijn eigen huis,
en mijn vrienden nemen Mij niet op.
Doch allen, die opnemen en gehoorzamen,
is de macht gegeven,
zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen, die in de heilige naam geloven,
die niet uit de wil van vlees en bloed,
maar uit God geboren zijn.

Ik kom naar Mijn eigen huis,
naar alle zielen en mensen,
en Mijn vrienden nemen mij niet op.
Doch allen, die Mij opnemen
en Mij gehoorzamen,
is de macht gegeven,
bewust zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen,
die in de heilige naam geloven
en ernaar leven,
die niet aan de wil van het vlees en
het bloed onderworpen zijn,
maar Gods wil vervullen.
Zij zijn bewust geborenen uit God.

En het woord is vlees geworden en woont onder ons
en wij zagen Zijn heerlijkheid vol van genade.
Ziet de goedheid en de waarheid
en de schoonheid van GOD!

 

HOOFDSTUK 1

De verkondiging van de geboorte van Johannes
de Doper

 

Johannes de Doper;
zijn afkomst en opdracht in het verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid van Zacharias (8)

 

    1. In de tijd van Herodes, de koning van Judea, leefde er een priester van de stam Abias, Zacharias genaamd, en zijn vrouw, van de dochters van Aaroni, heette Elisabeth.
    2. Zij waren beiden vroom voor God en leefden onberispelijk in alle geboden en wetten van de Heer. En zij hadden geen kind; want Elisabeth was onvruchtbaar en beiden waren hoogbejaard.
    3. En het gebeurde, dat hij volgens de orde van zijn dienst het priesterambt moest waarnemen. Volgens de gebruiken van het priesterambt trof hem het lot te moeten wieroken, als hij de tempel van Jehova betrad. En de gehele mensenmenigte was buiten en bad op het uur van het wierookoffer.
    4. En hem verscheen een engel des Heren en stond boven het wierookaltaar. En toen Zacharias hem zag, schrok hij, en angst beving hem. Maar de engel sprak tot hem: »Vrees niet, Zacharias; want je gebed is verhoord, en je vrouw Elisabeth zal je een zoon baren; en je zult hem de naam Johannes geven.
    5. En je zult vol blijdschap en geluk zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. Want hij zal groot zijn in de ogen van de Heer en zal geen vlees eten, noch sterke drank drinken en reeds in het moederlichaam vervuld worden van de Heilige Geest.
    6. En hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot God, hun Heer. En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elias om de harten van de vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de rechtvaardigen, om een volk voor te bereiden, opdat het gereed is voor de Heer.« (Hoofdst. 1, 1-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woorden van deze strekking hoorde Zacharias ongeveer zo in zijn hart. Want God en Zijn engelen hebben niet de taal van de mensen.
    In Johannes was niet de cherubijn van de goddelijke wil, op aarde Elia genaamd, geïncarneerd, maar de geest van Elia overstraalde Johannes.
    Het wezen, dat in Johannes was geïncarneerd, is in de geest een directe nakomeling van de cherubijn van de goddelijke wil.
    Ook Johannes had reeds de opdracht van God, de kinderen van Israël te roepen en te onderwijzen. Zij moesten zich bekeren en één volk worden, opdat zij Mij aan- en opnamen, wanneer Ik als Christus in Jezus geboren zou worden. Want met hen wilde Ik de verlossersopdracht vervullen. Ik vervulde het werk van de verlossing - echter niet met het volk Israël, maar eenzaam in God.
    Omdat de kinderen Israëls niet luisterden, werd het plan Gods vertraagd. Het gaat toch in vervulling, want God kent geen tijd. Hij roept zo lang, tot de kinderen Gods tot één volk worden en Gods wil vervullen. Dan zullen Israël en Jeruzalem daar zijn, waar mensen de wil van God doen.

   7. En Zacharias sprak tot de engel: »Waaraan zal ik dat herkennen? Want ik ben oud en mijn vrouw is bejaard.« De engel antwoordde en sprak tot hem: »Ik ben Gabriël, die voor God staat en ben gezonden, om met jou te spreken en je deze blijde boodschap te brengen.
    8. En zie, je zult stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag, waarop dit zal geschieden; dan zal je tong losgemaakt worden, opdat je mijn woorden kunt geloven, die op hun tijd vervuld zullen worden.« (Hoofdst. 1, 7-8)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel Gabriël is de cherubijn van de goddelijke barmhartigheid. Niet de engel des Heren ontnam Zacharias de spraak, maar het schrikken voor het machtige licht van de engel en de twijfel aan dat, wat hij zag en hoorde, verlamden de stembanden van Zacharias. De wet Gods bindt niet. Zij legt zielen en mensen straffen, noch gebreken op. Dit zijn gevolgen van oorzaken, die door de mens zelf geschapen werden.

    9. En het volk wachtte op Zacharias en verwonderde zich, dat hij zo lang in de tempel bleef. En toen hij naar buiten kwam, kon hij niet met hen praten en zij zagen in, dat hij in de tempel een visioen had gehad; want hij maakte tekens en bleef stom.
    10. En het gebeurde, dat hij terugkeerde naar zijn huis, toen de tijd van zijn dienst beëindigd was. En na die dagen werd zijn vrouw Elisabeth zwanger en verborg zich vijf maanden en sprak: »Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen, toen Hij mij heeft aangezien, dat Hij mijn schande onder de mensen van mij weg zou nemen.« (Hoofdst. 1, 9-10)

HOOFDSTUK 2

De reine verwekking van Jezus Christus

 

Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5).
De verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25)

 

    1. En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth genaamd, naar een maagd, die verloofd was met een man met de naam Jozef, uit het huis David, en de maagd heette Maria.
    2. Nu was Jozef een rechtschapen en verstandig man en hij was vaardig in het bewerken van alle soorten hout en steen. En Maria was een meelevende en helder ziende ziel en weefde sluiers voor de tempel. En beiden waren zij rein voor God. En van hen beiden was Jezus-Maria, die de Christus wordt genoemd.
    3. En de engel trad bij haar binnen en sprak: »Wees gegroet, Maria, je hebt genade gevonden; want Gods moederschap is met jou, je bent gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.«
    4. En toen zij hem zag, was zij verward over zijn woorden en overwoog in haar geest, wat deze groet te betekenen had. En de engel sprak tot haar: »Vrees niet Maria, je hebt genade gevonden bij God. Zie, je zult zwanger worden en een zoon baren, die zal groot zijn en een zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
    5. En God, de Heer, zal Hem de troon geven van Zijn vader David en Hij zal voor altijd regeren over het huis Jakob en Zijn koninkrijk zal geen einde hebben.«
    6. Toen sprak Maria tot de engel: »Hoe kan dat geschieden, daar ik geen man beken?« ... (Hoofdst. 2, 1-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    David is de biologische stamvader voor alle wezens van het licht, die in de opdracht van de verlossing staan. Zij zullen met Mij het vredesrijk van Jezus Christus stichten en in een lang tijdsbestek opbouwen. Daarbij wordt de verdichte materie geleidelijk verfijnd, tot zij - in de laatste fase van het vredesrijk van Jezus Christus - fijnere, lichtstoffelijke materie is. Daarom wordt gezegd: en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn stamvader op aarde, David, geven.
    De woorden: »Hoe moet dat geschieden, daar ik geen man beken?« betekenen: hoe moet dat geschieden, daar ik alleen maar verloofd ben met een man?

    ... En de engel antwoordde en sprak tot haar: »De Heilige Geest zal over Jozef, je verloofde, komen, en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen, o Maria; daarom zal ook het Heilige, dat uit jou geboren wordt, Christus, Gods zoon worden genoemd en Zijn naam op aarde zal zijn Jezus-Maria; want Hij zal de mensen van hun zonden verlossen, telkens wanneer zij berouw tonen en Zijn wet gehoorzamen. (Hoofdst. 2, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    En het geschiedde. Ik heb het volbracht!
    Mijn verlosserslicht brandt in alle zielen tot aan het vierde reinigingsgebied - of zij nu op aarde zijn óf als ziel in het zielenrijk.
    Eenieder - ziel of mens - zal slechts dan bevrijding van zonde en schuld ontvangen, als hij berouw heeft en de eeuwige wetten vervult.
    De zonde van mens en ziel heeft haar uitwerking in ziel en mens. De schuld is gelijk aan de zonde. Zij bindt vaak verschillende mensen aan elkaar, die samen hetzelfde of iets soortgelijks hebben veroorzaakt, opdat zij elkaar vergeven en met elkaar in het reine brengen, wat hen samengebracht heeft.

    7. Daarom zul je ook geen vlees eten, noch sterke drank drinken; want het kind zal van de schoot van Zijn moeder af, aan God gewijd zijn en geen vlees, noch sterke drank zal Het tot zich nemen, noch zal ooit een scheermes Zijn hoofd aanraken.
    8. En zie, Elisabeth, je nicht, is in haar ouderdom ook zwanger van een zoon en is nu in de zesde maand, zij, die onvruchtbaar genoemd werd. Want bij God is niets onmogelijk.« En Maria sprak: »Zie, ik ben de maagd des Heren, mij geschiede naar jouw woord.« En de engel nam afscheid van haar. (Hoofdst. 2, 7-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel des Heren sprak tot Maria in de taal der hemelen, in de lichttaal, die de reine ziel binnenstroomt. Hij duidde slechts aan, wat zich in Elisabeth voltrok, sprak echter niet over de maand en de onvruchtbaarheid.

    9. En op dezelfde dag verscheen de engel Gabriël aan Jozef in een droom en sprak tot hem: »Wees gegroet, Jozef, je bent uitverkoren; want het vaderschap Gods is met jou. Gezegend ben jij onder de mannen en gezegend de vrucht van je lendenen.«
    10. En toen Jozef over de woorden nadacht, werd hij verward. En de engel des Heren sprak tot hem: »Vrees niet Jozef, zoon van David; want je hebt genade gevonden voor God en zie, je zult een kind verwekken en je zult Hem de naam Jezus-Maria geven; want Hij zal Zijn volk verlossen van zijn zonde.«
    11. Dit is echter geschied, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door de profeet heeft gezegd, die spreekt: »Zie, een maagd zal ontvangen en zwanger worden en een zoon baren en hem de naam Emmanuel* geven, wat betekent: God in ons.«
*In het werk van de Heer is geopenbaard »Immanuel« is God en »Emanuel« is Zijn dienaar. Met Emmanuel wordt Immanuel bedoeld.

    12. Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakte, deed hij, wat de engel hem bevolen had en ging naar Maria, zijn verloofde en zij ontving in haar schoot de Heer. (Hoofdst. 2, 9-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    En zo waren zij als man en vrouw voor God verbonden. Hun verbintenis werd door God gezegend.

    13. Maria echter stond op in die dagen en ging ijlings naar het bergland, naar een stad in Judea en kwam in het huis van Zacharias en groette Elisabeth.
    14. En het geschiedde, toen Elisabeth de groet van Maria vernam, dat het kind opsprong in haar schoot. En Elisabeth werd vervuld van de kracht van de Heilige Geest en sprak met heldere stem: »Gezegend ben je onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.
15. En vanwaar komt het, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen ik je stem hoorde om mij te begroeten, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En gezegend is degene, die geloofde. Want het zal volbracht worden, wat haar is gezegd door de heilige Ene.«
    16. En Maria sprak: »Mijn ziel verheerlijkt Jou, de Eeuwige, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Heiland. Want Hij heeft de nederigheid van Zijn maagd gezien; want zie, van nu af aan zullen alle geslachten mij zalig prijzen.
    17. Want Jij, die machtig bent, hebt grote dingen aan mij gedaan en heilig is Jouw naam. En Jouw barmhartigheid is voortdurend bij hen, die Jou vrezen. (Hoofdst. 2, 13-17)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Maria doelde met de zaligheid vooral op haar innerlijk, op haar ontwaakte ziel - niet op haar menszijn. Zij is en blijft het reine, onbaatzuchtige wezen in God, Zijn dienares en die der mensen. Zalig, zo bedoelde zij, is de ziel van de mens, die Gods wil vervult.
    Het oude Verbond bevindt zich in de overgang van het geloof in verscheidene goden, - het geloof aan een godenwereld - naar het geloof aan de ware Ene, die is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarom klinkt steeds weer de straffende en tuchtigende God door, die de mens moet vrezen. Ik echter zeg jullie: de mens moet vol eerbied zijn voor God, doordat hij gewetensvol Gods geboden vervult. De ware, eeuwige Ene is liefde. Hij straft en tuchtigt niet. De straf en de tuchtiging legt de mens zichzelf op, die tegen de geboden van God handelt en dan ontvangt, wat hij gezaaid heeft - tenzij hij tijdig berouwt en in het reine brengt, wat hij veroorzaakt heeft. Ik, Christus in Jezus, openbaarde en prentte de mens de ene God en Vader van liefde in, die de waarheid en het leven is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

    18. Jij hebt geweld uitgeoefend met Je arm, Jij hebt verstrooid hen, die hoovaardig zijn in de verbeelding van hun hart.
    19. Jij hebt de machtigen van hun stoelen gestoten en de deemoedigen en zachtmoedigen verheven. Jij vervult de hongerigen met het goede en de rijken stuur Je met lege handen weg.
    20. Jij helpt Je dienaar Israël in de gedachtenis aan Jouw barmhartigheid, zoals Je gesproken hebt tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nakomelingen voor alle tijden.« En Maria bleef drie maanden bij haar; daarna keerde zij weer naar huis terug.
    21. En dit zijn de woorden die Jozef sprak: »Gezegend ben Jij, God van onze vaders en moeders in Israël; want op de juiste tijd heb Jij mij verhoord en op de dag van de verlossing heb Jij mij geholpen.
    22. Want Jij sprak: Ik wil je beschermen en met jou een bond met het volk sluiten, om het aanschijn van de aarde te vernieuwen en de troosteloze oorden te bevrijden uit de handen van de verwoesters.
    23. Dat Jij tot de gevangenen kunt zeggen: gaat heen en weest vrij en tot degenen, die in de duisternis wandelen: toon je in het licht. En zij zullen grazen op de paden van vreugde en zij zullen nooit meer jagen, noch doden de schepselen, die Ik heb geschapen, om zich voor Mij te verblijden.
    24. Zij zullen geen honger en dorst meer lijden, noch zal de hitte hen te gronde richten, noch de kou hen vernietigen. En Ik wil op al Mijn bergen een weg maken voor de wandelaars en Mijn hoogten zullen worden geprezen.
    25. Zingt, o hemelen en juich, o aarde, woestijnen, schalt van gezang! Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die onrecht hebben geleden.« (Hoofdst. 2, 18-25)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het volk Israël bleef doof. Het nam de genadegaven van de Christus Gods niet aan.
    Nu is een nieuwe tijd aangebroken; liefde en wijsheid werken in het plan van de verlossing. God, de rechtvaardige Al-Ene, verbrak (1988) het verbond met het oude Israël en sloot een nieuw verbond met hen, die in Mijn werk van de verlossing op aarde dienen. En het zal dan het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem op aarde zijn. Uit dit volk ontstaat, in de loop van zijn evolutie, het vredesrijk van Jezus Christus en het zal zijn, zoals het geschreven staat: »Gaat heen en weest vrij!«
    En zij, die tot nu toe in de duisternis met woorden van deze strekking hebben gewandeld, zullen de weg naar het licht gaan en getuigen van het licht. En zij zullen grazen op de paden van blijdschap en zij zullen nooit meer jagen of de schepselen doden, die de Eeuwige geschapen heeft. Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten, noch lijden, noch zal de hitte hen verdelgen of de kou hen vernietigen. Want in het rijk van de vrede zal een andere zon schijnen en de elementen zullen niet meer in tegenstelling staan tot de stromende liefde. Zingt, o hemelen en juich, o aarde - want alles zal vruchtbaar zijn met inbegrip van de woestijnen. Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die ten onrechte hebben geleden, met de gaven van het innerlijke leven.

HOOFDSTUK 3

De geboorte en naamgeving van Johannes de Doper

 

De ware profeten (5)

 

    1. Toen de tijd voor Elisabeth gekomen was, dat zij zou baren, baarde zij een zoon. En haar buren en verwanten hoorden, hoe de Heer grote barmhartigheid aan haar gedaan had en zij verheugden zich met haar.
    2. En het geschiedde, dat zij op de achtste dag kwamen, om het kindje te besnijden en zij noemden de knaap naar zijn vader Zacharias. Maar zijn moeder antwoordde en sprak: »Zo niet, want hij zal Johannes heten.« En zij zeiden tegen haar: »Er is toch niemand in je familie, die zo heet.«
    3. En zij wenkten zijn vader, en vroegen hoe hij hem wilde noemen. En hij vroeg om een lei en schreef en sprak tegelijk: hij heet Johannes. En zij waren allen verbaasd, omdat zijn mond zich plotseling opende en zijn tong was losgemaakt en hij sprak en prees God. (Hoofdst. 3, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het aannemen van datgene, wat Zacharias verkondigd werd door de engel en de blijdschap over het kind, dat Zacharias trouw Johannes noemde, loste in Zacharias op, wat hij veroorzaakt had.

    4. En een grote eerbied kwam over allen, die in de nabijheid waren en deze gebeurtenis werd bekend gemaakt in het gehele bergland van Judea. En allen die het hoorden, namen het ter harte en spraken: »Wat zal dat voor een kindje zijn? En de hand van Jehova was met hem.«
    5. En zijn vader Zacharias werd vervuld van de Heilige Geest, voorspelde en sprak: »Geprezen ben Jij, o God van Israël; want Jij hebt Je volk aangenomen en verlost. En hebt voor ons een hoorn van heil opgericht in het huis van Je dienaar David. Zoals Je door de mond van Jouw heilige profeten hebt gesproken, die er geweest zijn, sinds de wereld begon. (Hoofdst. 3, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woorden hebben vaak velerlei betekenissen. Het komt erop aan, welk gevoel de mens in het woord legt. Zo waren ook met de woorden »Jouw heilige profeten«, niet alleen de in de boeken van het zogenaamde Oude Testament genoemde profeten bedoeld.
    Slechts Eén is er heilig: God, de Eeuwige.
    Zalig waren en zijn de door God gezonden profeten, die Zijn wil vervulden en vanuit het eigen vervulde leven Gods woord schonken en de mensen vermaanden, dit aan te nemen en te verwezenlijken. Dat zijn de ware profeten.

    6. Dat wij gered zouden worden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten. Dat Jij de barmhartigheid toont, die Je onze vaders hebt beloofd en Je herinnert aan Je heilige verbond,
    7. aan de eed, die Je onze vader Abraham hebt gezworen, dat Je ons toestaat, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Jou kunnen dienen zonder angst, in heiligheid en gerechtigheid, alle dagen van ons leven.
    8. En dit kind zal de profeet van de Allerhoogste heten; want het zal voor Jouw aangezicht, o God, uitgaan, om Jouw wegen te bereiden en Jouw volk het inzicht van het heil te brengen door de vergeving van hun zonden.
    9. Door de liefdevolle barmhartigheid van onze God, waardoor ons de zonsopgang uit de hoogte heeft bezocht, opdat Hij licht geve aan hen, die daar zitten in de duisternis en in de schaduw van de dood en onze voeten leide op de weg naar de vrede.«
    10. En het kindje groeide op en werd sterk in de geest en zijn zending bleef verborgen, tot aan de dag van zijn optreden voor het volk Israël. (Hoofdst. 3, 6-10)

HOOFDSTUK 4

De geboorte van Jezus Christus

 

Het volk Israël heeft gefaald -
Christus’ heerschappij in het vredesrijk wordt voorbereid met de geïncarneerde zonen en dochters van God uit de stam van David (5). De »verschijningen van de engelen« aan de herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning van aardse wetten, voor zover deze niet in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten (12)

 

    1. De geboorte van Jezus, de Christus, geschiedde op deze wijze: het gebeurde in die tijd, dat een bevel van keizer Augustus uitging, dat het hele volk geteld zou worden. En iedereen in Syrië ging naar zijn geboorteplaats, om zich te laten tellen, het was midden in de winter.
    2. En ook Jozef met Maria gingen weg uit Galilea, uit de stad Nazareth, naar het land Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij van het huis en het geslacht David was, opdat hij geteld werd met Maria, zijn gehuwde vrouw, die zwanger was van het kind.
    3. Toen zij daar waren, kwam de tijd, dat zij zou baren. En zij baarde haar eerste zoon in een grot in een rots en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, die in de grot was, want zij hadden anders geen plaats daarvoor in de herberg. En zie, de grot werd vervuld van licht en straalde als de zon in al haar pracht.
    4. En in de grot waren een os, een paard, een ezel en een schaap en naast de kribbe lag een kat met haar jongen; en er waren ook duiven en ieder dier had zijn metgezel, een mannetje of vrouwtje.
    5. Zulks geschiedde, dat Hij geboren zou worden temidden van dieren. Want Hij kwam, om ook hen van hun lijden te bevrijden. Hij was gekomen, om de mensen vrij te maken van hun onwetendheid en zelfzucht en hen te openbaren, dat zij zonen en dochters van God zijn. (Hoofdst. 4, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik heb als Jezus het rijk Gods geopenbaard en heb Zijn wetten geleerd en geleefd. Met de zonen en dochters van Israël uit de stam David en met alle zonen en dochters van God, die de wil van de Eeuwige vervullen, wilde Ik in Israël het rijk Gods stichten en opbouwen - en na Mijn terugkeer in de heerlijkheid van Mijn Vader wederkomen in de geest en het met het volk Israël verder uitbouwen en het vredesrijk, dat in de fijne materie zijn hoogtepunt bereikt, regeren. Maar de zonen en dochters van God en van Israël waren verblind door de zonde.
    Na Mijn verlossersdaad riep God, de Eeuwige, in alle daaropvolgende eeuwen steeds weer de zonen en dochters uit het geslacht David en uit andere geslachten, die Zijn wil vervullen, opdat zij inzien, wat hun opdracht is.
    Nu (1989) is er een nieuwe tijd aangebroken: de tijd van de wending van de oude naar de nieuwe wereld, de wereld van Christus. Ik bereid Mijn geestelijke komst voor - weer door de zonen en dochters uit de stam David en de andere zonen en dochters van de Eeuwige uit andere geslachten, die Gods wil vervullen. Door de geïncarneerde goddelijke wijsheid onderwijs Ik hen en allen, die Mij navolgen, opdat zij bewuste zonen en dochters van God worden, die Gods wil vervullen.
    Dan voltrekt zich wat geopenbaard is: Ik kom in de Geest. Dan zullen alle mensen in vrede leven en ook de dieren zullen van hun knechtschap en hun lijden bevrijd zijn door Mij, de Christus Gods. Want wie zijn leven in het zoon- en dochterschap van God plaatst, zal niet doden - noch mensen, noch dieren.

    6. En er waren herders in diezelfde streek op het veld, die ’s nachts hun kudden hoedden. En zie, de engel Gods verscheen hen en de glans van de Allerhoogste omstraalde hen en zij waren zeer bevreesd.
    7. En de engel sprak tot hen: »Vreest niet, zie, ik verkondig jullie een grote blijdschap, die heel het volk zal wedervaren; want vandaag is in de stad van David de Verlosser geboren, die de Christus is, de heilige Ene Gods. En dit zal het teken voor jullie zijn: jullie zullen het kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.«
    8. En plotseling was bij de engel een menigte van hemelse heerscharen, die God loofden en spraken: »Ere aan God in de hoge en vrede op aarde aan allen, die van goede wil zijn.«
    9. En toen de engelen weer ten hemel gingen, spraken de herders onder elkaar: »Laat ons nu naar Bethlehem gaan en kijken, wat daar is gebeurd, wat onze God ons heeft verkondigd.« (Hoofdst. 4, 6-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel sprak tot de herders. Zij zagen hem echter niet met de menselijke ogen en hoorden hem niet met de menselijke oren.
    Zij zagen en hoorden ook niet met menselijke ogen en oren de heerscharen, die God loofden en prezen. Enkele herders schouwden in hun innerlijk het licht en weer anderen hoorden in hun hart de lofprijs Gods. Want wat niet in het lichaam is, heeft niet de menselijke woorden en niet de klank van het woord. Het woord Gods en dat van de wezens van God wordt in het innerlijk van de mens vernomen.
    De engel des Heren stond niet als een mens voor hen. Zij stonden aan het vuur en verwarmden zich. Zij zagen hoe de vuurzuil omhoogkringelde. En in het vuur meenden zij de gestalte te zien van een engel, die enkelen van hen in hun hart vernamen. De herders waren het oneens over datgene, wat zij zagen en hoorden. Degenen echter, die de zin van de boodschap in hun hart ontvingen, gingen op weg naar Bethlehem.
    Zoals toen verkondigen ook nu de engelen Gods: bereidt de Heer de wegen! Christus, de Verlosser, komt in de Geest - en Hij zal de herder van een kudde zijn, die het volk Gods op aarde is. Hij zal het in Zijn rijk op aarde regeren, en zij zullen met Hem zijn in de geest, omdat zij de wetten van God in acht nemen.

    10. En zij kwamen ijlings en vonden Maria en Jozef in de grot en het kind, liggend in de kribbe. En toen zij dit gezien hadden, verspreidden zij de woorden, die hen over dit kind gezegd waren.
    11. En allen, die hen hoorden, verwonderden zich over dat, wat de herders hen hadden gezegd. Maria echter onthield dit alles en bewaarde het in haar hart. En de herders gingen weer terug en prezen en loofden God voor alles, wat zij hadden gehoord en gezien.
    12. En toen er acht dagen voorbij waren en het kind besneden werd, werd Hem zijn naam gegeven: Jezus-Maria; die genoemd was door de engel, voordat het kind in de moederschoot werd ontvangen. En toen de dagen van haar reiniging naar de wet van Mozes voorbij waren, brachten zij het kind naar Jeruzalem, om het aan God aan te bieden. (Zoals staat geschreven in de wet van Mozes: al het mannelijke, dat de moederschoot opent, moet voor de Heer geheiligd worden). (Hoofdst. 4, 10-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter,
en verdiep het woord:

    De besnijdenis is de wet van de Joden. Aangezien deze aardse wet niet in strijd is met de eeuwige wet, wordt zij door God - uitsluitend voor de mens - getolereerd. Wanneer een wezen uit God door zijn incarnatie mens wordt, dan is deze mens onderhevig aan de natuurwetten en dient hij de wetten van de wereld in acht te nemen, voor zover deze niet in strijd zijn met de goddelijke wetten.

    13. En zie, een mens met de naam Simeon was in Jeruzalem, en hij was rechtvaardig en godvruchtig en wachtte op de troost van Israël en de Heilige Geest kwam over hem. En hem was beloofd, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Christus Gods aanschouwd had.
    14. En hij kwam door ingeving van de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten, om het voorschrift van de wet te vervullen, verscheen het kind hem, als ware het een lichtzuil. Toen nam hij het op zijn arm, prees God en sprak:
    15. »Nu laat Jij Je dienaar gaan in vrede, zoals Je gezegd hebt. Want mijn ogen hebben Je Heiland gezien, die Jij bereid hebt, om in het aangezicht van alle volkeren een licht te zijn, om de heidenen te verlichten en tot roem van Jouw volk Israël.« En zijn ouders verwonderden zich over alles, wat over Hem gezegd werd.
    16. En Simeon zegende hen en sprak tot Maria, Zijn moeder: »Zie, dit kind werd bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat tegengesproken wordt (en waarlijk, een zwaard zal ook jouw ziel doordringen), opdat van vele harten de gedachten openbaar worden.«
    17. En daar was Anna, een profetes, de dochter van Fanuel, van de stam Aser, en zij was hoogbejaard en verliet de tempel nooit, maar diende God met vasten en bidden, dag en nacht.
    18. Ook zij kwam bij hen in dit uur en prees de Heer en sprak over Hem tot allen, die daar in Jeruzalem wachtten op de verlossing. En toen zij alles hadden beëindigd naar de wet van de Heer, keerden zij weer naar Galilea terug, naar hun woonplaats Nazareth. (Hoofdst. 4, 13-18).

HOOFDSTUK 5

De aanbidding van de wijzen en Herodes

 

De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5). Verkondigingen van God en Zijn engelen zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13)

 

    1. Toen Jezus te Bethlehem in het land Judea geboren was, in de tijd van koning Herodes, zie, daar kwamen enkele wijze mannen uit het Oosten naar Jeruzalem. Zij hadden zich gereinigd en geen vlees, noch sterke drank tot zich genomen, opdat zij de Christus zouden kunnen vinden, die zij zochten. En zij spraken: »Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij in het Oosten hebben Zijn ster gezien en zijn gekomen, om Hem te aanbidden.«
    2. Toen koning Herodes dit hoorde, schrok hij en met hem heel Jeruzalem. En hij liet alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen roepen en verlangde van hen te horen, waar de Christus geboren zou worden.
    3. En zij zeiden hem: »Te Bethlehem in het land Judea, want zo staat het geschreven bij de profeet: en jij, Bethlehem in het land Juda, bent niet de geringste onder de vorsten van Judea, want uit jou zal de heerser komen, die Mijn volk Israël zal regeren.«
    4. Toen riep Herodes de wijzen in het geheim bij zich en ondervroeg hen precies, wanneer de ster was verschenen. En hij zond hen naar Bethlehem en sprak: »Gaat heen en zoekt zorgvuldig naar het kindje en als jullie Het gevonden hebben, laat het mij dan weten, zodat ook ik kan komen en Het aanbidden.«
    5. En toen zij de koning hadden gehoord, gingen zij heen; en zie, de ster, die de wijzen uit het Oosten zagen en de engel van de ster gingen hen voor, tot hij kwam en boven de plaats stond, waar het kindje was. En de ster schitterde met zes stralen. (Hoofdst. 5, 1-5)

 

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wat betekent het symbool van de zes stralen? Gods zoon brengt de wet Gods, de zeven basisstralen van de hemelen, op deze aarde. Zes stralen stralen in de geest op Hem neer - de zevende straal, de barmhartigheid, woont onder de mensen: de zoon van de Allerhoogste in het aardse gewaad, de Christus Gods in Jezus. Ook Maria droeg een deelstraal van de straal der barmhartigheid in zich, want zij is in de geest van de Heer met de cherubijn van de goddelijke barmhartigheid verbonden.

    6. Zij gingen hun weegs met hun kamelen en ezels, die beladen waren met hun gaven. En zij keken op zoek naar het kind zo aandachtig naar de ster aan de hemel, dat zij hun vermoeide dieren, die de last en de hitte van de dag droegen en dorstig en uitgeput waren, voor een poosje vergaten. En de ster verdween uit hun ogen.
    7. Vergeefs stonden zij daar en staarden en keken elkaar ontsteld aan. Toen herinnerden zij zich hun kamelen en ezels en haastten zich, hun lasten af te laden, zodat zij konden rusten.
    8. Nu was daar in de buurt van Bethlehem een bron langs de weg. En toen zij zich voorover bogen, om water op te halen voor hun dieren, zie, daar weerspiegelde de ster, die zij hadden verloren zich op de stille watervlakte.
    9. En toen zij dit zagen, werden zij vervuld van grote blijdschap.
    10. En zij prezen God, die hen barmhartigheid toonde, op het moment, dat zij zich over hun dorstige dieren hadden ontfermd.
    11. En toen zij het huis waren binnengegaan, vonden zij het kindje met Maria, Zijn moeder en zij vielen neer en aanbaden het. Zij openden hun schatten en legden hun gaven voor Hem neer: goud, wierook en mirre.
    12. En omdat zij door God in een droom gewaarschuwd waren, niet terug te gaan naar Herodes, gingen zij langs een andere weg terug naar hun vaderland. En naar hun gebruik ontstaken zij een vuur en aanbaden God in de vlam.
    13. Toen zij echter vertrokken waren, zie, daar verscheen de engel des Heren aan Jozef in een droom en sprak: »Sta op en neem het kindje met zijn moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar, tot ik je meer zeg; want Herodes tracht Het te doden.« (Hoofdst. 5, 6-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Er staat geschreven: »...want Herodes tracht Het te doden.« De woorden van de engel en de inspiratie uit de geest luidden inhoudelijk: »Vlucht nu met het kindje en Zijn moeder naar Egypte en blijf daar tot nader order.« De tijding, dat Herodes het kindje wilde doden, kwam uit andere bronnen tot Jozef en werd met de uitspraak van de engel verbonden.
    Aangezien de mensen van de Nieuwe Tijd - door verwezenlijking en vervulling van de eeuwige wetten - de vrijheid in de wet van het leven kennen, zullen zij twijfelen aan deze of vergelijkbare uitspraken: »Herodes tracht Het te doden«. Want zij weten: zulke of gelijksoortige directe uitspraken doen God en Zijn engelen niet. Daardoor zouden zij bevestigen, wat nog in de lucht hangt.
    Daarom verklaar, verbeter en verdiep Ik, Christus, deze en andere uitspraken, zodat dit boek voor velen een werk van inzicht is.
    God laat de mensen via andere bronnen, dus indirect, boodschappen overbrengen - dan, als het voornemen van een mens door hem reeds uitgesproken werd en door tweeden of derden, die het hebben gehoord, doorgegeven kan worden. Als het van betekenis is, zal het de betrokken persoon dan indirect bereiken. Op deze wijze leidt God - volgens de wet van oorzaak en gevolg - indirect.

    14. Hij stond op en nam ‘s nachts het kindje en Zijn moeder en vluchtte naar Egypte en bleef daar ongeveer zeven jaren, tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door de profeten gezegd heeft, waar Hij spreekt: »Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.«
    15. En ook Elisabeth nam, toen zij dit hoorde, haar zoontje en ging met hem het gebergte in en verborg hem daar. En Herodes zond zijn mannen naar Zacharias in de tempel en liet hem vragen: »Waar is je kind?« En hij antwoordde: »Ik ben een dienaar Gods en ben altijd in de tempel. Ik weet niet waar het is.«
    16. En hij zond hen nogmaals tot hem en liet hem vragen: »Zeg mij eerlijk, waar is je zoon, weet je dan niet, dat je leven in mijn hand ligt?« Zacharias antwoordde en sprak: »God is getuige, als je mijn bloed vergiet, zal God mijn ziel opnemen, want je vergiet het bloed van een onschuldige.«
    17. En zij sloegen Zacharias in de tempel dood, tussen het Allerheiligste en het altaar; het volk kreeg het te horen door een stem, die riep: »Zacharias werd gedood en zijn bloed mag niet eerder afgewassen worden, voordat de wreker gekomen is.« En na enige tijd wierpen de priesters het lot en het lot viel op Simeon, die zijn plaats innam.
    18. Toen nu Herodes zag, dat hij door de wijzen was misleid, werd hij uiterst vertoornd en zond zijn mensen uit en liet alle kinderen te Bethlehem en in de omgeving doden, die twee jaar of jonger waren, overeenkomstig de tijd, die hij van de wijzen had vernomen.
    19. Zo werd vervuld, wat door de profeet Jeremia is gezegd: »In Rama hoort men een stem, wenen, klagen en groot verdriet. Rachel weent om haar kinderen en wil zich niet laten troosten; want zij zijn niet meer.«
    20. Doch toen Herodes was gestorven, zie, daar verscheen de engel des Heren aan Jozef in een droom in Egypte en sprak: »Sta op en neem het kind en Zijn moeder en keer terug naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.«
    21. En hij stond op, nam het kind en Zijn moeder en kwam terug in het land Israël. En zij woonden in een stad, genaamd Nazareth. En Hij werd de Nazarener genoemd. (Hoofdst. 5, 14-21)

HOOFDSTUK 6

Kindschap en jeugd van Jezus

 

De tempel van het innerlijk (4).
Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond van trouw voor God - Ervaring van het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en kruisdood waren niet nodig geweest (10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der Egyptenaren (11). Kort bericht over het leven van Jezus voor het begin van Zijn leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de almacht en liefde van God en vervulde het gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond, gesloten met de Oergemeente Nieuw Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het reinigingsproces van de aarde (17)

 

    1. Nu gingen Zijn ouders, Jozef en Maria, ieder jaar naar Jeruzalem voor het Paschafeest; zij vierden het feest naar het gebruik van hun broeders, die bloedvergieten, het eten van vlees en het drinken van sterke drank nalieten. Toen Jezus twaalf jaar oud was, ging Hij met hen naar Jeruzalem, zoals het voor het feest gebruikelijk was. (Hoofdst. 6, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Hiermee is duidelijk, dat God, de Heer, niet ingrijpt in de wetten van de mensen, voor zover het gebruiken zijn, die niet indruisen tegen de hemelse wet. Ook de mens Jezus hield zich aan het gebruik en de Heer begeleidde Hem met Zijn Geest.

    2. En toen de dagen ten einde waren en zij terugkeerden, bleef het kind Jezus in Jeruzalem achter en Zijn ouders wisten het niet. Zij dachten, dat Hij bij het gezelschap was en gingen een dagreis ver. Toen zochten zij Hem onder vrienden en bekenden. En omdat zij Hem niet vonden, gingen zij terug naar Jeruzalem en zochten Hem daar.
    3. Het geschiedde, dat zij Hem na drie dagen in de tempel vonden, temidden van de geleerden. Hij zat, luisterde naar hen en stelde hen vragen. En allen, die Hem hoorden verwonderden zich over Zijn begrip en Zijn antwoorden.
    4. Toen Zijn ouders Hem zagen, waren zij ontsteld. En Zijn moeder sprak tot Hem: »Mijn zoon, waarom heb Je ons dit aangedaan? Zie, Je vader en ik hebben Je vol zorg gezocht.« En Hij sprak tot hen: »Waarom hebben jullie Mij gezocht? Weten jullie niet, dat Ik in het huis van Mijn Vader moet zijn?« ... (Hoofdst. 6, 2-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met de woorden »...dat Ik in het huis van Mijn Vader moet zijn« bedoelde de knaap niet het huis, de tempel van steen, maar het huis van vlees en bloed - de mens, waarin de Geest Gods woont, die door de knaap Jezus sprak. Jezus bedoelde: Ik moet in Mijzelf rusten, in de tempel van het innerlijk, om aan de mensen te geven - en degenen te antwoorden, die Mij daarom hebben gevraagd.
    Ieder mens is een tempel Gods. Wie deze tempel rein houdt, die voelt, denkt, spreekt en handelt ook zuiver en leeft daardoor in het bewustzijn van God. Jezus onderwees uit deze »tempel van het innerlijk« in de tempel van Jeruzalem degenen, die Hem in de tempel van steen wilden horen.

    ... En zij begrepen de woorden niet, die Hij tot hen sprak. Maar Zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.

    5. En een profeet, die Hem zag, zei tot Hem: »Zie, de liefde en de wijsheid van God zijn in Jou verenigd, daarom zul Jij in het komende tijdperk Jezus genoemd worden, want door de Christus zal God de mensheid verlossen, die in deze tijd waarlijk is als de bittere zee; maar deze bitterheid zal veranderd worden in liefelijkheid, maar aan dit geslacht zal de bruid nog niet verschijnen en ook niet in het tijdperk, dat komen zal.« (Hoofdst. 6, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De profeet heeft uit de Geest geprofeteerd. Intussen zijn enkele tijdperken voorbij gegaan. Maar Ik, de bruidegom, - de Geest van Christus, die Ik Ben - heb Mij nu op weg begeven, om de mensen, die in Mij geloven en de wil van de Vader vervullen, te roepen, om hen in het land van de vrede te leiden. Zoals een getooide bruid, gesierd met het sieraad en de deugd van innerlijk leven, komen veel zielen en mensen Mij tegemoet - en het worden er steeds meer, die zich van bitterheid in liefelijkheid veranderen en die zullen zitten aan Mijn rechterzijde.

    6. En Hij daalde met hen af en kwam naar Nazareth en was hen gehoorzaam. En Hij maakte wielen en jukken en ook tafels met grote vaardigheid. En Jezus nam toe in grootte en ook in genade bij God en de mensen.
    7. En op een dag kwam de knaap Jezus op een plaats, waar een val opgezet was voor vogels en er stonden enkele jongens bij. En Jezus sprak tot hen: »Wie heeft deze strik hier gezet voor de onschuldige schepsels van God? Zie, zij zullen op dezelfde manier in een strik worden gevangen.« En Hij zag twaalf mussen, die zo goed als dood waren.
    8. En Hij bewoog zijn handen boven hen en sprak tot hen: »Vliegt weg en zolang jullie leven, denkt aan Mij.« En zij verhieven zich en vlogen weg met gekrijs. De joden, die dit zagen, waren zeer verbaasd en vertelden het aan de priesters.
    9. En het kind deed nog meer wonderen en men zag, hoe bloemen onder Zijn voeten ontsproten, daar, waar tot dan onvruchtbare bodem was geweest. En Zijn metgezellen kregen eerbied voor Hem.
    10. Toen Jezus achttien jaar oud was, werd Hij uitgehuwelijkt aan Mirjam, een maagd uit de stam Juda en Hij leefde zeven jaar met haar; en zij stierf; want God nam haar tot Zich, opdat Hij verder zou kunnen voortschrijden naar de hogere opdrachten, die Hij te volbrengen had en te lijden voor alle zonen en dochters van de mensen. (Hoofdst. 6, 6-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik was nooit gehuwd. In deze generatie (1989) heeft het woord »gehuwd« een andere betekenis. Voor de mensen van deze tijd betekent het een huwelijk voor de burgerlijke stand en eventueel een ceremonie in een aardse kerk voor en met een priester.
    Ook het woord »huwelijk« heeft in de geest een andere betekenis dan »echtverbintenis«. Huwen in de Geest Gods betekent: twee mensen sluiten de bond met God en streven ernaar, in God één te worden. Met elkaar trouwen is een besluit volgens de wetten van deze wereld. Huwen daarentegen is een bond van trouw met de naaste voor God, waarin twee mensen besluiten, de goddelijke wetten te verwezenlijken en met elkaar een rein, van God vervuld leven te leiden.
    In dit boek heeft het woord »gehuwd« de betekenis: verbonden door Gods liefde.
    Jezus was in de geest met alle mensen en wezens, met al het Zijn verbonden - zoals Ik het als Christus Ben.
    Als Jezus, dat wil zeggen, als de mensenzoon, moest Ik ook deze verbinding met het vrouwelijke geslacht ervaren, om het te begrijpen en te kunnen helpen.
    Als Jezus van Nazareth had Ik een diepe, reine verbinding met deze vrouw, (Mirjam uit de stam Juda) die Mijn wezen zeer nabij was. De wet luidt: het gelijke trekt het gelijke aan. Deze vrouw had enige gelijktrillende wezensaspecten als Mijn ziel. Hierdoor stonden wij in diepe communicatie met elkaar. Ik ervaarde Mij in haar en zij zich in Mij. Daarnaast beleefde Ik de gevoelswereld van het vrouwelijke principe in het aardse lichaam en begreep daardoor ook de vele vrouwen, die in de jaren van Mijn leraarschap bij Mij waren.
    Kort vóór Mijn jaren als leraar was de aardse tijd voor deze vrouw verstreken. God, onze eeuwige Vader, haalde haar, zoals later veel mannen en vrouwen onder Mijn volgelingen, tot Zich terug. Want in deze wereld is het komen en gaan van de ziel een wetmatigheid, die niet onderworpen is aan willekeur, maar aan het verloop van de wet van zaad en oogst, of de lichtwet van God.
    Mijn opdracht als Jezus van Nazareth, de Christus Gods, was, de verlossersvonk in de zielen der mensen te plaatsen. Mijn lijden en de fysieke dood waren het teken voor de onbuigzaamheid der mensen. Hadden de zonen en dochters van God uit het geslacht David zich door Johannes en door Mij laten roepen en waren zij de Christus in Jezus trouw gevolgd, dan waren er meer zonen en dochters van God uit andere geslachten bijgekomen, om Mij trouw na te volgen. Daaruit zou een volk zijn ontstaan, dat bewust het volk David voor het vredesrijk van Jezus Christus had kunnen zijn. Omdat het geslacht David, dat in opdracht van het verlosserswerk staat, in zonde verbleef, omhulde Ik Mij met een deel van zijn schuld, alsmede gedeelten van de schuld van enkelen uit andere geslachten. Daardoor kon Ik gevangen worden genomen. En zo begon het lijden.
    Was het geslacht David niet in de zonde gebleven, dan had Ik wél de verlossersvonk aan alle zielen en mensen gebracht; het lijden en de fysieke dood aan het kruis had Ik dan echter niet hoeven te ondergaan. Zo leed Ik voor de zonen en dochters van de mensen, omdat zij niet bewust zonen en dochters van God werden, door Gods wil te vervullen.
    Had het geslacht David aan Mijn kant gestaan, dan had het hele gebeuren een ander verloop gehad. En had het gehele Joodse volk - met inbegrip van zijn schriftgeleerden en farizeeën - de zoon Gods aan- en opgenomen, door de wet Gods te vervullen, dan was de deelkracht in de oerkracht gebleven. Want wie de eeuwige wet vervult, heeft geen steun nodig.

    11. En toen Jezus de studie van de wet had afgesloten, ging Hij opnieuw naar Egypte, opdat Hij de wijsheid van de Egyptenaren zou leren, zoals Mozes het had gedaan. ... (Hoofdst. 6, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Omdat veel teksten in dit boek niet naar hun betekenis worden begrepen, maar naar het woord, moet steeds weer het een en ander verklaard en verbeterd worden.
    Ik heb reeds geopenbaard, dat veel woorden bij het ontstaan van dit boek een andere betekenis hadden dan nu (1989). Ook had de mens, die toen het woord ontving en neerschreef, een bepaalde woordenschat; alleen deze kon worden gebruikt. Ook de vertalers hadden weer hun eigen woordenschat voor de vertaling. Daarom dient alles, wat uit het Goddelijke in woorden wordt gegeven, naar de zin te worden begrepen. Waar het beslist verklaard, verbeterd of verdiept moet worden, zal Ik steeds weer door Mijn instrument van deze tijd (1989) werken en het verklaren, verbeteren of verdiepen.
    Ook in deze tekst verbeter Ik de woorden: »...ging weer naar Egypte, opdat Hij de wijsheid der Egyptenaren zou leren, zoals Mozes had gedaan.« Naar de zin moet het zijn: Hij ontmoette steeds weer Egyptenaren, om met hen over de wijsheid van God te spreken. Ik ging echter niet naar Egypte, om de wijsheid Gods van de Egyptenaren te leren. Als kind was Ik met Mijn pleegouders in Egypte, maar ook toen was dit niet, om de goddelijke wijsheid te leren.
    In de woestijn ontmoette Ik bovendien steeds mannen en vrouwen, om te bidden en met hen over de eeuwige waarheid te spreken. Onder hen waren steeds weer Egyptenaren. Reeds als knaap Jezus was de wijsheid Gods in Mij openbaar; zij sprak ook door Mij. Daarom sprak Ik als knaap Jezus al uit de wijsheid Gods tot de zogenaamde geleerden in de tempel. De wijsheid Gods was dus in Mij werkzaam. Waartoe deze dan nog leren!

    ... En Hij ging de woestijn in, mediteerde, vastte en bad en Hij ontving de volmacht van de heilige naam, waardoor Hij veel wonderen verrichtte.

    12. En gedurende zeven jaren sprak Hij met God van aangezicht tot aangezicht en Hij leerde de taal van de vogels en de dieren en de geneeskracht van bomen, kruiden en bloemen en de verborgen krachten van edelstenen en leerde ook de bewegingen van zon, maan en sterren en de macht der schrifttekens, de mysteriën van de hoekmaat en de cirkel en de verandering van dingen en vormen, van de getallen en tekens. Vandaar keerde Hij terug naar Nazareth, om Zijn ouders te bezoeken en Hij onderwees daar en in Jeruzalem als een gewaardeerde rabbi, zelfs in de tempel en niemand hinderde Hem. (Hoofdst. 6, 11-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Alles wat God heeft geschapen en in stand houdt, is in de ziel van de mens. Wie in God leeft, ontvangt van God en wordt - ook als mens - onderwezen door God. Als Jezus van Nazareth leefde Ik in God en ontving van God, Mijn Vader, met wie Ik in voortdurende communicatie stond.
    Uit het innerlijk van Jezus stroomde de goddelijke wijsheid en Hij sprak met de dieren in het water, in de lucht en in en op de aarde. En Jezus, waarin Ik leefde, ervaarde in Zichzelf het leven van de planten en de stenen.
    Vanuit het innerlijk beleefde Ik als Jezus de beweging van de hemellichamen, waarover Ik zeer veel met de Egyptenaren sprak, onder wie ware wijzen waren.
    Omdat Ik als Jezus in de tempel onderwees, noemden veel mensen Mij rabbi. Doch Ik was profeet en Gods zoon - in het aardse lichaam de mensenzoon, die de wetten van God onderwees en leefde en Zich wegschonk, opdat de verlossing in de zielen der mensen en in de zielen, die in de valgebieden leefden, plaats kon vinden.

    13. Na enige tijd ging Hij naar Assyrië en India en naar Perzië en naar het land van de Chaldeeën. En Hij bezocht hun tempels en sprak met hun priesters en hun wijzen, vele jaren lang en Hij deed veel wonderbaarlijke dingen en genas de zieken, terwijl Hij door de landen trok.
    14. En de dieren van het veld voelden eerbied voor Hem en de vogels waren niet bevreesd voor Hem; want Hij liet hen niet schrikken, ja, zelfs de wilde dieren in de woestijn voelden de macht van God in Hem en dienden Hem vrijwillig en droegen Hem van de ene plaats naar de andere. (Hoofdst. 6, 13-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Als Jezus ontmoette Ik veel mensen van verschillende standen en talen en sprak met Assyriërs, Indiërs, Perzen, Chaldeeën, Israëlieten en met andere mannen en vrouwen uit de verschillende stammen. Maar Ik ging niet naar hun land of naar andere landen, om Gods wijsheid te leren. Ik kwam in veel landen en aan veel landsgrenzen. Vaak was de taal een hindernis, maar als wij over de wetten van de liefde spraken, wist iedereen, wat de ander wilde zeggen. De taal van het hart kent geen grenzen - ook nu niet, in de tijd dicht bij het jaar tweeduizend.
    Uit liefde tot de mensen brak ook de geneeskracht door - om mensen te helpen en om getuigenis te geven van dat, wat in Mij, Jezus, woonde: de almacht Gods.
    De thans (1989) nog bestaande techniek maakt het mogelijk, Mijn woord sneller te vertalen en over te brengen, zodat de harten van de mensen ontwaken en zij de taal van de liefde leren; zij wordt door alle hartedenkers begrepen.
    Veel mensen zijn van mening, dat Ik vele jaren onderweg ben geweest, om wijsheid te verzamelen en werken van liefde te doen. Als Jezus van Nazareth was Ik wel veel onderweg, om te onderwijzen en werken van liefde en barmhartigheid te doen. Ik verzuimde echter niet, het gebod »bid en werk« te vervullen.
    Zoals Jozef en Mijn lijfelijke broers verwezenlijkte Ik als timmerman, wat God de mens heeft geboden: »bid en werk«.
    De zin van de uitspraak »en droegen Hem van de ene plaats naar de andere« wil zeggen: veel dieren gingen een groot stuk van de weg met Mij mee, sommige van plaats tot plaats. Wie God liefheeft, heeft ook de natuurrijken lief. En de natuurrijken dienen hem, die God liefheeft. Want al het Zijn is leven uit God - en wie God liefheeft, die wordt door al het Zijn gediend.

    15. Want de geest van goddelijke menselijkheid vervulde Hem en vervulde zo alle dingen om Hem heen en maakte alles onderdanig aan Hem; en zo vervulden zich de woorden van de profeet: »De leeuw zal bij het kalf liggen en het luipaard bij het geitje en de wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de duif. En een kind zal hen leiden.
    16. En niemand zal verwonden of doden op Mijn heilige berg; want de aarde zal vervuld worden van het inzicht van de Heilige, zoals de wateren de zeebodem bedekken. En in deze dagen wil Ik nogmaals een verbond sluiten met de dieren der aarde en met de vogels in de lucht, met de vissen van de zee en met alle schepselen der aarde. En Ik wil de boog breken en ook het zwaard en alle oorlogswerktuigen wil Ik verbannen van de aarde en zij moeten veilig opgeborgen worden, opdat allen zonder angst leven.
    17. En Ik wil Mij voor altijd door een gelofte aan jou wijden in rechtschapenheid en vrede en in de goedheid des harten en je zult je God erkennen en de aarde zal koren en wijn en olie voortbrengen en Ik wil tot degenen zeggen, die niet Mijn volk zijn: jij bent Mijn volk en zij zullen tot Mij spreken: Jij bent onze God.« (Hoofdst. 6, 15-17)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Dit is gebeurd!
    Omdat de Israëlieten Mij, Christus, niet als hun Verlosser aan- en opgenomen hebben, verzamelen de Eeuwige en Ik, Christus, de zonen en dochters van God op een ander continent. Daar is nu »Israël« en daar is ook het nieuwe »Jeruzalem«* Want God bindt Zich niet aan een plaats en aan beloften van mensen, die hun belofte niet houden, die niet vervullen, wat Hij hen geboden heeft. 
*Vergelijk: Der Bund mit Gott für das Friedensreich Jesu Christi. Christus ruft alle geistigen Gruppen, Konfessionen und Religionen. (Würzburg 1989, 2de vernieuwde oplage. Niet in het Nederlands verkrijgbaar.) 

    Een ander volk staat in het verbond. Het is Mijn volk en Ik zal hun herder zijn. Van daaruit zullen nu de eerste krachten van het vredesrijk opstijgen.
    God verbrak het verbond met het volk Israël en sloot een nieuw verbond - het laatste verbond - met dit andere volk, met mensen, die ernaar streven, Gods wil te vervullen. Zij zijn uit het grote geslacht David en uit andere geslachten, die de geboden van het leven in acht nemen.
    De Eeuwige en Ik, Christus, riepen en roepen in deze wereld door profetenmond en verzamelen alle gewillige zonen en dochters van God: het reeds bestaande volkje zal uitgroeien tot een machtig volk van God.
    Het laatste verbond is gesloten en heeft geldigheid. Het brengt degenen, die zich eraan houden, veel hulp uit de wet Gods. Ik, Christus, sta aan het hoofd van het volk Gods en heb geen mens als plaatsvervanger. De Oergemeente Nieuw Jeruzalem, die tot Bondgemeente werd, is dit volk Gods. Het is het centrale licht in Universeel Leven.
    Het volk Gods zal nog veel hindernissen te nemen hebben, maar de geest der waarheid en des levens is met hen en allen, die met een eerlijk hart in het verbond staan, zullen de stichters en bouwers zijn van het rijk Gods op aarde. In deze tijd - dicht bij het jaar tweeduizend - kondigt zich aan, wat geschreven staat: Ik, jullie Heer en God, zal met een ander volk de bond sluiten.
    De duisternis heeft verloren; de bond is gesloten; de aarde reinigt zich - zoals het geprofeteerd werd.
    De aarde zal beven en zich openen en veel mensen verslinden. Voordat echter al dit geschiedt, zullen ziekten, ellende, noodlottige gebeurtenissen en vele andere rampen over de mensen komen. De engel des doods gaat om en neemt steeds meer mensen weg. Het onzuivere zal vergaan. De zeeën zullen over hun oevers treden en al het tegenstrijdige toedekken en de sterren zullen met hun stralen de aarde reinigen. Dan is het zwaard gebroken en al het oorlogstuig. Dan zal op de hele aarde het vredesrijk ontstaan en op de aarde zullen mensen leven, die Gods wil vervullen. En er zal vrede zijn. Dan is vervuld, wat geschreven staat:
    »De leeuw zal liggen bij het kalf en het luipaard bij het geitje en de wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de duif. En een kind zal hen leiden.« Dit alles zal geschieden!

    18. En op een dag liep Hij op een bergpad langs de rand van de woestijn; daar trof Hij een leeuw, die door een massa mensen met stenen en speren werd vervolgd en zij wilden hem doden.
    19. Maar Jezus berispte hen, zeggende: »Waarom jagen jullie op de schepselen van God, die edeler zijn dan jullie? Door de wreedheid van vele generaties werden zij tot vijanden van de mensen gemaakt, die eigenlijk hun vrienden zouden moeten zijn.
    20. Zoals in hen de macht Gods zichtbaar wordt, zo toont zich ook Zijn geduld en Zijn medelijden. Houdt op, dit schepsel te vervolgen! Het wil jullie geen leed aandoen, zien jullie niet, hoe het vlucht voor jullie en geschrokken is van jullie gewelddadigheid?« (Hoofdst. 6, 18-20)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het woord »medelijden« betekent Gods hulp. Ik heb de verlossing voor alle mensen en zielen gebracht. In de verlossing is ook de bevrijding van de dieren. Want door de verlossing wordt in het evolutieproces alles tot eenheid verheven, in het licht Gods, dat eenheid, leven, substantie en kracht is.

    21. En de leeuw kwam naderbij en legde zich voor Jezus’ voeten en betoonde Hem zijn liefde. En het volk verwonderde zich zeer en sprak: »Ziet, deze mens heeft alle schepselen lief en Hij heeft zelfs macht over de dieren van de woestijn en zij gehoorzamen Hem.« (Hoofdst. 6, 21)

HOOFDSTUK 7

Boeteprediking van Johannes

 

De betekenis van symbolenen ceremonies (4).
Het gerecht: de wet van zaad en oogst - Loutering van de ziel (10)

 

    1. In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, terwijl Pontius Pilatus stadhouder van Judea was en Herodes viervorst van Galilea (Caïphas hogepriester en Annas hoofd van het Sanhedrin), kwam het woord Gods tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
    2. En Johannes kwam in de landstreken aan de Jordaan en predikte over de boetedoop ter vergeving der zonden. Zoals geschreven staat bij de profeten: »Zie, Ik zend Mijn bode voor Jou uit, die de weg voor Je bereidt. Het is de stem van een roepende in de woestijn: bereidt de weg van de Heilige en effent de paden voor de Gezalfde.
    3. Alle dalen zullen worden opgevuld en alle bergen en heuvels zullen worden geslecht en wat krom is, zal recht worden. En de ruwe wegen zullen geëffend worden. En alle mensen zullen de verlossing van God zien.«
    4. Johannes echter had een gewaad van kameelhaar en eenzelfde gordel om de lendenen en zijn voeding bestond uit de vruchten van de erwtenboom en wilde honing. En tot hem kwam Jeruzalem en heel Judea en allen uit het land langs de Jordaan en zij werden door hem gedoopt in de Jordaan en bekenden hun zonden. (Hoofdst. 7, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ook in dit bericht erkent de mens, dat God zeden en gebruiken toelaat, die niet tegen de eeuwige, heilige wet zijn: hier is het de doop met water.
    Of de mens het water als symbool van reiniging nog wil handhaven, tot hij gedoopt is met de geest des levens, dat laat God over aan Zijn mensenkinderen.
    Wie echter de liefde tot God en tot zijn naasten ontwikkeld heeft, is door de Geest Gods verheven, dat wil zeggen, hij is van de geest der waarheid doordrongen.
    Wie geestelijk gerijpt is, heeft steeds minder symbolen en ceremonies nodig. Hij leeft in het innerlijk, zoals het in de hemel is: rein! De reine is vervuld van de geest der waarheid en van de geest des levens doordrongen: hij is dus door de Geest Gods gedoopt.

    5. Toen sprak hij tot het volk, dat tot hem kwam om gedoopt te worden: »O, jij ongehoorzaam geslacht! Wie heeft jullie gewaarschuwd te vluchten voor de toorn, die komen zal? Brengt daarom rechtschapen vruchten van boete en begint niet tegen jezelf te zeggen: »Wij hebben Abraham als vader.«
    6. Want ik zeg jullie: God kan voor Abraham uit deze stenen kinderen verwekken. En reeds is de bijl gelegd aan de wortels van de bomen en iedere boom, die geen goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.«
    7. En de rijken vroegen hem en zeiden: »Wat moeten wij dan doen?« Hij antwoordde en sprak tot hen: »Wie twee kledingstukken heeft, geve er één aan degene, die er geen heeft en wie voedsel heeft, handele evenzo.«
    8. Er kwamen echter ook enkele tollenaars, om te worden gedoopt en zeiden tot hem: »Meester, wat moeten wij doen?« En hij sprak tot hen: »Eist niet meer, dan jullie is voorgeschreven en weest inschikkelijk bij jullie beoordeling.«
    9. Evenzo vroegen de krijgslieden hem: »Wat moeten wij doen?« En hij sprak tot hen: »Doet niemand geweld aan, noch onrecht en weest tevreden met jullie soldij.«
    10. En hij sprak tot allen en zei tot hen: »Houdt jullie verre van het bloed van gewurgden en van de dode lichamen van vogels en dieren en hoedt jullie voor alle wreedheid en onrecht. Denken jullie soms, dat het bloed van dieren en vogels zonde kan afwassen? Ik zeg jullie: neen. Spreekt de waarheid! Weest rechtvaardig, weest barmhartig jegens jullie naasten en alle schepselen die leven en wandelt deemoedig met jullie God.« (Hoofdst. 7, 5-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met het woord »toorn« is het gerecht bedoeld, dat over die mens komt, die niet tijdig omkeert: wie de goddelijke wet veronachtzaamt, zal onder hetgeen hij gezaaid heeft, lijden. Geen mens kan voor zijn eigen gerecht, voor de gevolgen van zijn eigen oorzaken, vluchten. Slechts het berouw en de vraag om vergeving en de vergeving en ook het weer goed maken - als dit nog mogelijk is - wassen de ziel rein van zonde. Dat, wat de mens in zijn ziel heeft ingegeven, licht en schaduw, dat draagt hij met zich mee, tot het goedgemaakt is. Ongeacht op welke tijd, ongeacht op welke plaats hij zich bevindt - hij draagt datgene aan schaduwen in zich, wat hij zelf in zijn ziel heeft ingegeven - zo lang, tot het is goedgemaakt.
    De woorden: »En reeds is de bijl aan de wortels van de bomen gelegd en iedere boom, die geen goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen« willen zeggen: iedere onuitgeboete oorzaak komt tot uitwerking. De bijl is de wet van zaad en oogst. De boom is de mens, die zijn zonden niet berouwt en niet weer goedmaakt, wat hij veroorzaakt heeft. Het vuur betekent de loutering van de ziel; het is het actieve gevolg van de niet uitgeboete daad, de oorzaak.
    Wie in dat, wat geschreven staat, de zin vermag te begrijpen, die erkent, dat ziel en mens alleen dan rein worden, als zij hun fouten en zonden inzien, berouwen, vergeven, om vergeving vragen en boete doen - dat wil zeggen, weer goedmaken en hetzelfde of iets dergelijks niet meer doen.
    Erkent: de hele natuur, dieren, planten en stenen, zijn de tuin van God, Zijn scheppingswerk. Wie het veronachtzaamt, zondigt - en hij zal steeds weer opnieuw voor zijn zonden staan, tot hij erkent, berouwt en boete doet. En als hij niet meer zondigt en de geboden in acht neemt, zal hij in Mij leven en Ik bewust door hem.
    Wie zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, zal ook geen dieren meer doden of eten. Zo een mens wordt rein in zijn ziel en de vruchten, die hij voortbrengt, zullen het leven in Mij zijn.

    11. Het volk echter was in afwachting en allen vroegen zich af in hun hart, of Johannes de Christus was of niet. Johannes antwoordde en sprak tot allen: »Ik doop jullie met water; er komt echter een sterkere na mij, wiens schoenriemen ik niet waard ben los te maken.
    12. Hij zal jullie dopen met water en met vuur. In Zijn hand is de schepel en Hij zal Zijn dorsvloer vegen en zal het koren in Zijn schuur verzamelen en het kaf zal Hij met onblusbaar vuur verbranden.« En nog veel meer sprak hij tot het volk in zijn boetepreek. (Hoofdst. 7, 11-12)

HOOFDSTUK 8

Het doopsel van Jezus, de Christus

 

God en Christus openbaren
thans de volledige waarheiddoor de serafijn van de goddelijke wijsheid - de stam David bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)

 

    1. En het was midden in de zomer in de tiende maand. Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes weerde Hem af en sprak: »Ik heb het nodig, door Jou gedoopt te worden en Jij komt tot mij«? Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Neem het nu zo aan, want het komt ons toe, alle gerechtigheid te vervullen.« Toen liet hij het Hem toe.
    2. En toen Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water; en zie, de hemelen openden zich boven Hem en een lichtende wolk stond boven Hem en achter de wolk twaalf lichtstralen en daaruit daalde gelijk een duif de Geest Gods op Hem neer en omstraalde Hem. En zie, een stem uit de hemel sprak: »Dit is Mijn geliefde zoon, waarin Ik welbehagen heb. En op deze dag heb Ik Hem verwekt.« (Hoofdst. 8, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Water symboliseert de reiniging van ziel en lichaam. Water is stromend - geest is stromend.
    Het gebeuren na het doopsel van Jezus, waarvan hier wordt bericht, voltrok zich in de geest. Johannes zag het in zijn innerlijk in deze symbolen. Het woord »verwekt« moet »geroepen« zijn. Door de roeping door de Eeuwige volbracht Ik, de Christus, wat in Jezus steeds meer openbaar werd.

    3. En Johannes gaf getuigenis van Hem en sprak: »Deze was het, van wie ik gezegd heb, Hij zal na mij komen en is vóór mij geplaatst; want Hij was eerder dan ik. En uit Zijn overvloed hebben wij allen ontvangen, genade op genade. Want de wet is slechts ten dele door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus in overvloed. (Hoofdst. 8, 3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De eeuwige waarheid straalt nu in ontelbare facetten in deze wereld. In veel generaties schonk de Eeuwige uit de eeuwige waarheid, die Hij is, steeds die facetten van de waarheid, die naar God toestrevende mensen konden begrijpen en waarnaar zij konden leven. Zo gaf Hij door Mozes de overeenkomstige facetten der waarheid voor de toenmalige generaties. Ik, Christus in Jezus, schonk uit de waarheid de overvloed. Weinigen echter konden Mij begrijpen.
    Nu (1989) is de tijd aangebroken, waarin Ik alle facetten der waarheid openbaar. Wie het vatten kan, die vatte het!
    Erkent: de eeuwige waarheid zal zich nu in de hele wereld verbreiden en al het onware zal een prooi van het vuur worden, zodat de overvloed, de gehele waarheid, openbaar wordt. De goddelijke wijsheid heb Ik vanuit de geest als stammoeder van het vredesrijk van Jezus Christus uitverkoren. De vrouwelijke straal, de serafijn uit Gods wijsheid, is thans geïncarneerd en werkt voor de Eeuwige en voor Mij als profetes en verkondigster van God. Door haar riepen en roepen de Eeuwige en Ik, Christus, in deze wereld en brengen alle bereidwillige mensen - voor zover het met woorden mogelijk is - de volledige waarheid.
    Naar de wil van God is David, uit wie het geslacht David voortkwam, de biologische stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus. Want hij bracht het zaad en daaruit de genen in deze wereld, die het geslacht David vormen.
    De wezens uit God incarneren in die mensen, waarin de genen van David actief zijn. Zij staan met andere zonen en dochters uit andere geslachten in de opdracht van de verlossing in mijn werk, in Universeel Leven.
    David is derhalve de stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus als mens en de straal van de goddelijke wijsheid, de stammoeder uit de geest. David bracht aldus het zaad en de genen voor het volk Gods vanuit de mens; de goddelijke wijsheid brengt de gehele waarheid in het aardse woord door haar geïncarneerde deelstraal, de serafijn van de goddelijke wijsheid.
    De zielen op aarde zijn geroepen.
    Door de profetes en verkondigster van God ontvangen zielen en mensen door Mij, de Christus, in het geopenbaarde woord de volledige waarheid. De geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid leert de eeuwige wetten ook in details en toont alle bereidwilligen, hoe deze in de wereld vervuld kunnen worden.
    De tijd is gekomen. De wereld nadert het jaar tweeduizend. Ik bereid Mijn komst als Christus voor, door het uitverkoren volk Gods, waarmee de Eeuwige en Ik, Christus, in de Alkracht, God, het laatste verbond hebben gesloten. Alleen die zielen en mensen zullen aan Mijn rechterzijde staan, die de gehele waarheid kennen en haar ook vervullen.

    4. Niemand heeft God ooit gezien. Slechts in de alleen Geborene, die uit de schoot van de Eeuwige komt, is God geopenbaard.« En dit is de uitspraak van Johannes, toen de joden van Jeruzalem priesters en levieten zonden, om hem te vragen: »Wie ben je?« En hij loochende niet, maar bekende: »Ik ben niet Christus.«
    5. En zij vroegen hem: »Wie dan? Ben je Elia?« Hij sprak: »Ik ben het niet.« »Ben je de profeet, over wie Mozes sprak?« En hij antwoordde: »Neen.« Toen spraken zij tot hem: »Wie ben je dan? Zodat wij antwoord kunnen geven aan hen die ons gezonden hebben. Wat zeg je over jezelf?« En hij sprak »Ik ben de stem van een roepende in de woestijn. Bereidt de weg van de Heilige, zoals de profeet Jesaja heeft gezegd.«
    6. En zij, die gezonden waren, kwamen van de farizeeën en vroegen hem: »Waarom doop je dan, als je Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet, waarvan Mozes sprak?«
    7. Johannes antwoordde en sprak: »Ik doop met water; maar daar staat de Ene onder jullie, die jullie niet kennen. Hij zal met water en met vuur dopen. Hij is het, die na mij komen zal en mij toch voor zal gaan; ik ben het niet waard Zijn schoenriemen los te maken.«
    8. Dit geschiedde in Bethabara, aan de andere kant van de Jordaan, waar Johannes doopte. En Jezus was in die tijd dertig jaar oud geworden, in menselijke gedaante werkelijk de zoon van Jozef en Maria, maar naar de geest Christus, de zoon van God, de eeuwige Vader, zoals door de Geest van Heiligheid met macht verkondigd was.
    9. En Jozef was de zoon van Jakob en Elischeba en Maria was de dochter van Eli (Joachim genoemd) en van Anna, die de kinderen waren van David en Bathscheba, van Juda en Schela, van Jakob en Lea, van Isaak en Rebecca, van Abraham en Sara, van Seth en Maat, van Adam en Eva, die de kinderen waren van God. (Hoofdst. 8, 4-9)

HOOFDSTUK 9

De vier bekoringen

 

De duisternis mag zich meten aan het licht (1).
Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)

 

    1. Jezus werd door de geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord. En de wilde dieren van de woestijn waren om Hem heen en dienden Hem. En toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij honger. (Hoofdst. 9, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De satan mocht Jezus op de proef stellen. De Geest van Mijn eeuwige Vader liet de beproeving toe. Ook de satan moest zich daaraan kunnen herkennen en meten, om te ervaren, dat degenen, die in God leven, sterker zijn dan de macht van de duisternis.
    Het is een wetmatigheid uit Gods liefde en genade, dat wanneer mensen kennis en wijsheid uit God hebben verkregen, de duisternis zich aan hen mag meten. Daardoor ontvangt ook de diepst gevallen ziel de mogelijkheid tot zelfkennis: - door haar nederlaag mag zij aan zichzelf ervaren, dat diegene die in God leeft, sterker is dan de satan; hem dient het reine. Wie Gods Geest in zijn innerlijk nog niet tot ontplooiing heeft gebracht, moet het afleggen tegen de satan, want hij dient deze in veel aspecten van zijn aardse leven.
    Het woord »vasten« betekent: weinig voedsel tot zich nemen.

    2. En de verleider kwam naar Hem toe en sprak: »Ben Je Gods zoon, zeg dan, dat deze stenen brood worden; want er staat geschreven: Ik wil Je voeden met de fijnste tarwe en met honing en uit de rots wil Ik je verzadigen.«
    3. Maar Hij antwoordde en sprak tot hem: »Er staat geschreven: de mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat komt uit de mond van God.«
    4. Toen plaatste de duivel een vrouw voor Hem van buitengewone schoonheid en liefelijkheid en fijne geest en levendig verstand en sprak tot Hem: »Neem haar, als Je wilt, want haar wens gaat naar Jou uit en Je zult liefde en geluk genieten Je hele leven lang, en Je kleinkinderen zien. Want staat er niet geschreven, het is niet goed, dat de mens alleen zij?«
    5. En Jezus sprak: »Ga weg van Mij! Want er staat geschreven: laat je niet door de schoonheid van een vrouw verleiden; want al het vlees is als gras en als de bloemen op het veld; het gras verdort en de bloemen verwelken, maar het woord van de Eeuwige duurt altijd. Mijn opdracht is, de mensenkinderen te onderrichten en te genezen en hij, die uit God geboren is, houdt zijn zaad in zich.« (Hoofdst. 9, 2-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De zin van de woorden: »houdt zijn zaad in zich« is: mensen in God zullen hun kracht niet verkwisten aan genot en prikkeling. Wie in God leeft, houdt van de innerlijke waarden van de mens, de innerlijke schoonheid en deugd. Wie het innerlijk van de mens liefheeft, is met alle mensen en wezens verbonden. Hij zal nooit alleen en eenzaam zijn, omdat hij het goede van zijn naaste in zich bewaart. Alleen op deze wijze vervult zich het gebod »Het is niet goed, dat de mens alleen zij«.
    God is eenheid - en wie in God leeft, leeft in verbondenheid met al het Zijn. En al het Zijn, het reine, is met hem en werkt door hem.
    Eenzaam is alleen die mens, die zijn medemensen afwijst en afkeurt.

    6. En de duivel leidde Hem naar de heilige stad en plaatste Hem op de tinne van de tempel. En hij sprak tot Hem: »Als Je Gods bent, stort Je dan naar beneden, want er staat geschreven: Hij zal Zijn engelen bevelen, dat zij Je behoeden en op hun handen dragen, opdat Je Je voet niet zult stoten aan een steen.«
    7. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Er staat ook geschreven: je zult de Heer, je God, niet verzoeken.«
    8. Toen leidde de duivel Hem op een zeer hoge berg, temidden van een grote vlakte en om hem heen lagen twaalf steden met hun bewoners. Van daaruit toonde hij Hem alle rijken van de wereld in één ogenblik. En de duivel sprak tot Hem: »Deze macht wil ik Je helemaal geven en haar heerlijkheid; want zij is aan mij gegeven. En ik geef haar aan wie ik wil; want er staat geschreven: Je zult heersen van zee tot zee, Je zult Je volk regeren in rechtschapenheid en de armen met barmhartigheid en een eind maken aan alle onderdrukking. Als Je mij nu wilt aanbidden, zal dit alles van Jou zijn.«
    9. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Ga weg van Mij, satan; want er staat geschreven: je zult God aanbidden en Hem alleen dienen. Zonder de macht Gods kan er geen eind komen aan het kwaad.«
    10. En toen de duivel aan het einde was met alle verzoekingen week hij voor enige tijd van Hem. En zie, er kwamen engelen Gods en dienden Hem. (Hoofdst. 9, 6-10)

HOOFDSTUK 10

Jozef en Maria bereiden Jezus een feest -Andreas en Petrus vinden Jezus

 

Aan de mensen van de Nieuwe Tijd:
de verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van Jezus van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)

 

    1. Toen Jezus teruggekomen was uit de woestijn bereidden zijn ouders op dezelfde dag een feest voor Hem. Zij boden Hem de gaven aan, die de wijzen Hem in zijn kindertijd hadden gebracht. En Maria sprak: »Deze gaven hebben wij tot de dag van vandaag voor Jou bewaard.« En zij gaven Hem het goud, de wierook en de mirre. En Hij nam van de wierook, het goud echter schonk Hij aan Zijn ouders en aan de armen en van de mirre gaf Hij wat aan Maria, Magdalena genaamd.
    2. Deze Maria nu was uit de stad Magdala in Galilea. En zij was een grote zondares en had velen door haar schoonheid en bekoorlijkheid verleid. En zij kwam ’s nachts tot Jezus en bekende Hem haar zonden en Jezus strekte Zijn hand uit en genas haar. En zeven demonen dreef Hij uit haar en Hij sprak tot haar: »Ga heen in vrede; want je zonden zijn je vergeven!« En zij stond op en verliet alles en volgde Hem na en diende Hem met haar bezittingen, zolang Hij in Israël werkte. (Hoofdst. 10, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Tot beter begrip, opdat de eeuwige wet wordt herkend: het was Maria, genaamd Magdalena, die over de zeven demonen sprak, die haar zouden hebben verlaten. Zij was in de veronderstelling, dat dit gebeurd was. De verlichte spreekt daar niet over. Hij helpt en geneest, voorzover het goed is voor de ziel.
    Deze verklaring is vooral voor de mensen van de tegenwoordige tijd (1989) en de beginnende Nieuwe Tijd gegeven, die de wetten van God kennen. Het boek »Dit is Mijn woord« is vooral voor de mensen van de Nieuwe Tijd van betekenis. Want zij beleven Christus als de heerser der wereld en niet langer als de Verlosser. Daarom zal voor hen dit boek een historisch werk zijn.
    De mensen van de Nieuwe Tijd mogen het fundament, waarop het vredesrijk van Jezus Christus werd opgebouwd, de verlossing, niet vergeten. Het denken, leven, werken en lijden van de zoon Gods in Jezus van Nazareth, die nu de heerser van de aarde en bestuurder van het rijk Gods op aarde is, zou in herinnering moeten blijven bij de mensen van de Nieuwe Tijd.

    3. De volgende dag ziet Johannes Jezus naar zich toekomen en spreekt: »Zie het Lam Gods, dat door de gerechtigheid de zonden van de wereld wegneemt. Deze is het, waarvan ik heb gezegd: Hij was eerder dan ik. En ik kende Hem niet, maar opdat Hij bekend zou worden in Israël, ben ik gekomen om met water te dopen.«
    4. En Johannes legde getuigenis af en sprak: »Ik zag de Geest neerdalen van de hemel als een duif en boven Hem blijven. En ik kende Hem niet; maar die mij zond, om met water te dopen, sprak tot mij: over wie je de Geest ziet neerdalen en op Hem ziet blijven die is het, die met water en met vuur en met de Geest zal dopen. En ik zag het en getuig, dat dit de zoon Gods was.«
    5. De volgende dag stond Johannes aan de Jordaan met twee van zijn discipelen. En toen hij Jezus zag lopen sprak hij: »Ziet de Christus, het Lam Gods!« En de beide discipelen hoorden Hem spreken en volgden Jezus na.
    6. Jezus draaide zich om, zag hen volgen en sprak tot hen: »Wat zoeken jullie?« Zij spraken echter tot Hem: »Rabbi (dat betekent: Meester), in welke herberg verblijf Je?« Hij sprak tot hen: »Komt mee en ziet.« Zij kwamen mee en zagen, waar Hij verbleef en zij bleven die dag bij Hem, het was echter in het tiende uur.
    7. Eén van de twee, die van Johannes hoorden en Jezus navolgden, was Andreas, de broer van Simon Petrus. Hij vindt zijn broeder Simon en zegt tot hem: »Wij hebben de Messias gevonden (wat betekent: de Christus).« En hij bracht hem bij Jezus. En toen Jezus hem zag, sprak Hij: »Jij bent Simon Bar Jona, je zult Kephas heten (dat betekent: een rots).«
    8. De volgende dag gaat Jezus naar Galilea en vindt Phillippus en spreekt tot hem: »Volg mij na!« Philippus was uit Bethsaida, de stad van Andreas en Petrus. Phillippus vindt Nathanael, genaamd Bar Tholmai, en zegt tot hem: »Wij hebben Hem gevonden, waarover Mozes in de wet en de profeten geschreven hebben, Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef en Maria.« En Nathanael zegt tot hem: »Kan uit Nazareth dan iets goeds komen?« Philippus zei tot hem: »Kom en zie!«
    9. Jezus ziet Nathanael tot zich komen en spreekt over hem: »Zie, een echte Israëliet, waar geen kwaad in is!« Nathanael zegt tot Hem: »Waarvan ken Je mij?« Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Voordat Philippus je riep, toen je onder de vijgeboom zat, zag Ik je.« Nathanael antwoordde en sprak tot Hem: »Rabbi, Jij bent Gods zoon, Jij bent de koning van Israël. Ja, onder de vijgeboom vond ik Jou.«
    10. Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Nathanael Bar Tholmai, je gelooft, omdat Ik je heb gezegd, dat Ik je onder de vijgeboom heb gezien; jij zult nog grotere dingen zien dan dit.« En Hij spreekt tot hem: »Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie, van nu af aan zullen jullie de hemelen open zien en de engelen Gods naar boven zien gaan en neer zien dalen op de Mensenzoon.« (Hoofdst. 10, 3-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Hetgeen in dit boek al lang geleden neergeschreven is komt inhoudelijk in veel uitspraken overeen met het werkelijke gebeuren. Daarom moet elke uitspraak niet woordelijk, maar inhoudelijk worden begrepen.
    Er heerste grote onenigheid onder degenen, die in Mij geloofden en Mij navolgden - of zij met name zijn genoemd of niet. Vaak waren het geloofsvragen of levenssituaties, die de gemoederen verhitten: de één geloofde direct aan Mijn zending, de ander twijfelde eraan, omdat hij veel uit Mijn rede tot hem en zijn naasten niet kon begrijpen. De één wilde Mij navolgen, de ander had nog wereldse interessen, die belangrijker voor hem waren. Weer anderen wilden al hun bezittingen meenemen op de trektocht, om deze op geëigende plaatsen te vermeerderen. De voorstellingen en interesses waren veelvuldig en het denken zo verschillend als de mensen zelf. Bij velen was er veel heen en weer, veel hoe en wat. De besluiteloosheid was voor velen fataal. Zij bleven enige tijd - dan namen zij weer afscheid van Mij. Het was een klein, bont volk van gelovigen, twijfelaars, geïnteresseerden en mensen, die via Mij, via Mijn denken en leven als Jezus van Nazareth, goede zaken wilden doen.
    Degenen, die van harte een keuze maakten en Mijn lessen hebben verwezenlijkt, stonden aan Mijn rechterzijde en bleven aan Mijn rechterzijde. Ook nu staan zij in de geest aan Mijn rechterzijde. De rechtvaardigen schouwden de engelen, die de Mensenzoon dienden. Velen van hen werken in de geest voor het grote geheel. Enigen kwamen en komen - naar gelang hun geestelijke opdracht - steeds weer in het aardse lichaam, om in het grote geheel van het evolutie-gebeuren Mijn komst voor te bereiden.
    Ieder mens heeft een voor- en een achternaam, die hem bij zijn aardse geboorte wordt gegeven. Deze voor- en achternaam komt overeen met de trilling van de ziel op het tijdstip van de incarnatie. Hebben mensen in de loop van de aardse jaren een ontwikkelingsfase van de ziel volbracht, dan verandert ook de straling van hun ziel. In het kosmische evolutie-gebeuren verandert dan ook de stralingsnaam van de ziel.
    Is bijvoorbeeld tussen mensen het één en ander in het reine gebracht - zoals ook tussen ouders en kind - dan veranderen ook de stralingsnamen van de zielen. Dat gebeurt zowel in het evolutieproces van de mens, alsook in de ziel in de reinigingsgebieden en in de voorbereidingsgebieden zo lang, tot het geestwezen weer zijn oernaam uit God draagt, omdat het weer rein geworden is.
    De stralingsnamen van de mens veranderen dus naar gelang de ontwikkeling van de ziel. In de reinigingsgebieden wordt dit de ziel van evolutiefase tot evolutiefase bewust.
    Op aarde gelden in veel gevallen starre normen. Zo behoudt de mens zijn voor - en familienaam - als het ware als legitimatiebewijs - gedurende zijn hele aardse bestaan. Volgens de aardse wet blijft de starre vorm van de naamgeving ook bij het huwelijk. Bij sommige volkeren draagt de vrouw dan de achternaam van de man, die voor haar leven een positieve of tegenstrijdige betekenis kan hebben. Bij weer andere volkeren veranderen de mensen hun namen op grond van door hen zelf vastgestelde gezichtspunten en rituelen.
    Aan de geboortenaam kan veel menselijkheid kleven - zoals oude tradities of gebeurtenissen, die allang voorbij zijn, die de naam echter nog als herinnering begeleiden. Daarom gaf Ik enkele van de mensen, die Mij wilden navolgen, de naam, die overeenkwam met hun toenmalige zielenstraling en ook met hun nieuwe werkkring.
    Zou de aardse wet rekening houden met de evolutieweg van ziel en mens, dan zou menige aardse naam, overeenkomstig de graad van rijpheid van de ziel kunnen worden veranderd. Het gevaar zou dan niet meer zo groot zijn, dat uit herinneringen aan datgene wat is afgelegd, weer nieuwe overeenkomsten ontstaan.

 

HOOFDSTUK 11

Zalving van Jezus door Maria Magdalena

 

Oordeel naar aardse maatstaf (6) De verlichte mens schouwt (10)

 

    1. En één der farizeeën verzocht Hem, met hem te eten. En Hij ging naar het huis van de farizeeër en zette zich aan tafel.
    2. En zie, een vrouw uit Magdala, die bekend stond als zondares, was in de stad. Toen zij vernam, dat Jezus in het huis van de farizeeër aan tafel zat, bracht zij een albasten kruik met zalf mee en ging achter Hem staan. Schreiend bevochtigde zij Zijn voeten met tranen, droogde ze af met haar hoofdhaar, kuste Zijn voeten en zalfde ze met zalf.
    3. Toen echter de farizeeër, die Hem had uitgenodigd dit zag, dacht hij bij zichzelf: »Als dit een profeet zou zijn, zou Hij weten, wie en wat voor een vrouw het is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.«
    4. Jezus sprak tot hem: »Simon, Ik heb je wat te zeggen.« Hij zei: »Meester, spreek.«
    5. »Een schuldeiser had twee schuldenaren. De één was hem vijfhonderd penningen schuldig, de andere vijftig. En omdat zij niet konden betalen, schold hij beiden hun schuld kwijt. Zeg Mij nu, wie van beiden zal hem het meeste liefhebben?«
    6. Simon antwoordde: »Ik denk, degene die hij het meeste heeft geschonken.« Hij echter sprak tot hem: »Je hebt juist geoordeeld.« (Hoofdst. 11, 1-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Je hebt juist geoordeeld« wil zeggen: je hebt naar aardse maatstaven geoordeeld.
    Erkent: ieder oordeel is een veroordeling en getuigt van geestelijke onwetendheid. Ook al heeft de schuldenaar, die de grotere schuld werd kwijtgescholden, de schuldeiser meer lief, dan is het toch niet God, die deze maatstaven hanteert. Hij heeft allen evenveel lief. Diegene heeft God meer lief, die Hem meer nabij is.

    7. En Hij sprak tot Simon: »Zie je deze vrouw? Ik Ben in jouw huis gekomen en jij hebt Mij geen water gegeven voor Mijn voeten; deze vrouw echter heeft Mijn voeten met tranen bevochtigd en met haar hoofdharen afgedroogd. Jij hebt Mij geen kus gegeven, maar deze vrouw heeft, sinds Ik binnengekomen ben, niet opgehouden Mijn voeten te kussen. Jij hebt Mijn hoofd niet met olie gezalfd; zij echter heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
    8. Daarom zeg Ik je: haar zijn veel zonden vergeven; want zij heeft veel liefgehad, niet alleen mensen, maar ook de dieren en de vogels in de lucht, ja, zelfs de vissen in het meer. Wie echter weinig vergeven wordt, die bemint weinig.«
    9. En Hij sprak tot haar: »Je zonden zijn je vergeven.« En zij, die met Hem aan tafel zaten, begonnen in zichzelf te spreken: »Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?
    10. Want Hij heeft niet gezegd, Ik vergeef je, maar, je zonden zijn je vergeven; omdat Hij in haar hart werkelijk geloof en berouw herkende.« Jezus had het niet nodig, dat iemand voor een ander getuigde, want Hij wist zelf, wat in de mens is. (Hoofdst. 11, 7-10)

    Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De verlichte schouwt de ziel en de mens. Hij schouwt de eerlijkheid en de oprechtheid en ziet ook de zonde en de boete. Hij ziet de oneerlijkheid en de huichelarij. Deze spreekt hij, voor zover het goed is voor ziel en mens, ook onpersoonlijk aan. Als een mens van harte berouwt en niet meer in dezelfde zonde vervalt, dan is deze ook door de eeuwige Vader vergeven - als de naaste, waartegen gezondigd werd, eveneens vergeven heeft. Wie God de grootste schuld kwijtscheldt, die heeft haar in God afgelost en zo is deze hem vergeven.

HOOFDSTUK 12

De bruiloft van Kana - De genezing in Kapharnaüm

 

De geïncarneerde geestwezens en hun opdracht in het verlossingswerk (9).
God is liefde, Hij verdoemt niet - Van God verwijderde mensen scheppen wraakgoden - Afgodendienst is ook verering van aardse machten en machthebbers - »Eeuwige verdoemenis« is bespotting van God (11). Hemel en hel zijn in de mens zelf - De atmosferische kroniek
(12). Leven in de waarheid - de drie stappen naar de waarheid (16)

 

    1. En de volgende dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was erbij. En Jezus en Maria Magdalena waren daar en Zijn discipelen kwamen ook naar de bruiloft.
    2. En omdat er gebrek was aan wijn, zei Zijn moeder tot Jezus: »Zij hebben geen wijn.« Jezus spreekt tot haar: »Vrouw, wat gaat het jou en Mij aan? Mijn uur is nog niet gekomen.« En Zijn moeder zegt tot de dienaren: »Wat Hij ook tegen jullie zegt, doet het.«
    3. Nu waren er zes stenen waterkruiken geplaatst volgens het gebruik van de Joodse reiniging, die voor iedereen twee tot drie maten bevatten. En Jezus sprak tot hen: »Vult de waterkruiken met water.« En zij vulden ze tot aan de rand. En Hij sprak tot hen: »Schept nu en brengt het naar de keukenmeester.« En zij brachten het hem.
    4. Toen echter de keukenmeester van dit water proefde, was het wijn geworden. Hij wist niet, waar het vandaan kwam en riep de bruidegom en zei tot hem: »Iedereen geeft in het begin goede wijn en als de gasten rijkelijk hebben gedronken, vervolgens de minder goede. Jij hebt echter de goede wijn tot het laatst bewaard.«
    5. Dit begin van de wonderdaden volbracht Jezus te Kana in Galilea en openbaarde Zijn heerlijkheid. En veel van Zijn discipelen geloofden in Hem.
    6. Daarna trok Hij naar Kapharnaüm. Hijzelf, Zijn moeder en Maria Magdalena, Zijn broeders en Zijn discipelen en zij bleven daar vele dagen.
    7. En daar rees onder enkele discipelen van Johannes en de Joden een vraag op over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes en spraken tot hem: »Meester, degene die bij je was aan de overkant van de Jordaan, van wie je getuigenis aflegde, zie, Hij doopt en iedereen komt tot Hem.«
    8. Johannes antwoordde: »Een mens kan niets ontvangen, ware het hem niet door de hemel gegeven. Jullie zelf hebben mijn getuigenis, dat ik gezegd heb: ik ben niet de Christus, maar ik ben Hem vooruitgezonden.
    9. Wie de bruid heeft, die is de bruidegom. Maar de vriend van de bruidegom staat bij hem en hoort hem en verheugt zich zeer over de stem van de bruidegom. Deze vreugde van mij is dus vervuld. Hij moet groeien, maar ik moet minder worden. Wie van de aarde is, is aards en spreekt over aardse dingen. Die echter uit de Hemel komt, die is boven alles.« (Hoofdst. 12, 1-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Er kwamen veel geestwezens uit de hemelen. Zij werden en worden in het geslacht David geboren en in andere geslachten. Maar de wezens, die naar het lichaam uit het geslacht David zijn, dragen de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van het vredesrijk van Jezus Christus, omdat zij in de opdracht, in het werk van de verlossing staan. Deze en andere boden van God kwamen daarvoor uit de hemelen naar de aarde.
    Degenen die voor Mij geïncarneerd zijn, zijn niet van deze aarde. Zij brengen de krachten van de hemelen. Zij brengen in hun zielen datgene van de hemel mee, wat de aarde geschonken is door God, de Eeuwige. Hen is geboden, aan de mensen de weg naar het hart van God te brengen, het vredesrijk van Jezus Christus te stichten en op te bouwen en de aarde steeds meer in het licht van God te verheffen. Totdat hun substantie fijnstoffelijk is geworden en zij het leven in kunnen gaan, dat eeuwig duurt - van eeuwigheid tot eeuwigheid - werken de boden van God. Mijn rijk op aarde zal ook hun rijk zijn. Want wie uit de hemel komt, staat boven al het menselijke en bezit de krachten van de Al-Ene, die hij inzet voor de hemel op aarde. Dat zijn de onbaatzuchtigen rond het jaar tweeduizend en ook alle mensen in het vredesrijk.
    Mijn verlosserswerk kwam op deze aarde om zielen en mensen te redden. En allen, die verlost zijn, zullen met Mij de aarde verheffen en in hogere straling brengen, zodat de oude wereld vergaat en een nieuwe wereld ontstaat - die van Christus. En wie de wet van de liefde in acht neemt, die Ik hem door de goddelijke wijsheid openbaarde en openbaar, die zal de zoon en de dochter van God zijn, die Mij voorgaan, om Mij de weg te bereiden.

    10. En enkele van de farizeeën kwamen naderbij en vroegen aan Jezus »Hoe zei Je, dat God de wereld zal verdoemen?« En Jezus antwoordde en sprak: »Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren zoon heeft gegeven en in de wereld heeft gezonden, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben. Want God heeft Zijn zoon niet in de wereld gezonden, om de wereld te verdoemen, maar opdat de wereld door Hem gered zou worden.
    11. Degenen die in Hem geloven worden niet verdoemd, die echter niet geloven, zijn reeds verdoemd, want zij hebben niet geloofd in de naam van de eniggeboren zoon Gods. En dat is de verdoemenis, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen hadden de duisternis meer lief dan het licht; want hun werken waren slecht. (Hoofdst. 12, 10-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    God is liefde!
    God verdoemt niet! De mens echter, die tegen de goddelijke wet denkt, spreekt en handelt, begeeft zich in zijn eigen gerecht en noemt dit verdoemenis.
    De woorden »verdoemen« en »verdoemenis« ontstonden uit vrees voor God en het geloof in wraakgoden. Wraakgoden zijn niets anders dan menselijke voorstellingen, dus afgoden, die de mens zelf schiep, omdat hij door zijn van God verwijderde gedachten en handelingen energie-arm werd en zich daardoor van de ware, Ene, Eeuwige, verwijderde. De negatieve gedachten gaven hem gewetensbezwaren, want diep in zijn innerlijk zag hij in, dat het tegenstrijdige, het van God verwijderde, niet zijn ware leven is. Omdat zijn geestelijke erfdeel, de goddelijke wet, ten gevolge van zijn zonden niet langer door hem kon werken, kreeg hij angst, omdat hij de elementen niet meer beheerste, maar de elementen hem beheersten. Daaruit concludeerde hij, dat de heersers over de elementen goden waren, die hij offers moest brengen, om hen mild te stemmen.
    In de tijd die volgde, verhieven de mensen zichzelf tot goden, verwierven rijkdom en aanzien en bouwden macht op, om daarmee hele volkeren te beheersen. Tenslotte werden dan rijkdom, aanzien en macht zelf tot afgoden van veel mensen. Afgoden van deze wereld, die het volk in deze tijd (1989) nog steeds vereert, zijn ook de wereldlijke macht en de kerkelijke overheid. Hun ambtsdragers beschikken over grote vermogens en over aanzien en invloed en oefenen daarmee macht uit over het volk. Wie hen vereert, maakt zich van hen afhankelijk en verheft hen tot afgoden. Want binding aan mensen, aan menselijke neigingen en voorstellingen is afgodendienst.
    Als dan de gevolgen op de mens afkomen, terwijl hij toch de oorzaken met zijn van God verwijderde denken en handelen zelf heeft geschapen, wordt hij angstig en klaagt God aan en bestempelt Hem als een God van wraak, die verdoemt en kastijdt.
    Je hoeft echter je hemelse Vader niet te vrezen, want Hij heeft je lief! Vrees eerder je menselijke gedachten, je woorden en je tegenstrijdige handelen; want zij kunnen je in een langdurige »verdoemenis« leiden. God is liefde! Vrees God dus niet, maar wees jegens God eerbiedig en geef Hém in alles de eer, in je denken, spreken en handelen - maar niet een mens. De mensen, je naasten, moet je achten, maar niet eren, want alleen God, de Eeuwige, Al-Ene, komt de eer toe.
    God is het licht der liefde, en alles is in Zijn licht - ook degenen, die zich door hun zonden tegen de wet des levens zelf »verdoemen«. Alle afgodendiensten - ook vereringen van het menselijke ik - zullen vergaan, want niets houdt stand, wat niet uit God is. Ook de vele religies en godsdiensten, die nog steeds aan het idee van een God van wraak vasthouden en daaruit de eeuwige verdoemenis afleiden, zullen vergaan.
    Alleen de mens, die zich aan de wetten van God houdt, ervaart de ene, eeuwige God in zichzelf. Hij ervaart de God, die nooit straft en kastijdt, de God, die uit liefde ieder mens de vrije beslisssing laat - vóór of tegen Hem. Hij ervaart de God van liefde, die geen van Zijn schepselen verdoemt. Voor hem is »eeuwige verdoemenis« een bespotting van God. Hij ervaart de God, die tot de mensen spreekt over de wet van zaad en oogst volgens welke de mens oogst, wat hij zelf gezaaid heeft. Want de mens zelf is de zaaier voor zijn goede, minder goede en slechte werken. Hij oogst, wat hij zaait. Elk zaad draagt de vrucht al in zich en diegene zal de vrucht oogsten, die het zaad in de akker van het leven heeft gezaaid.
    De tijd is nabij, waarin het zondige leven vergaat en de mensen goed zaad in de akker des levens zaaien. De vrucht is dan de wet des levens, die zij vervullen en die hen vervult. Dan blijft alleen de liefde Gods onder de mensen, omdat zij de onbaatzuchtige liefde tot Hem en tot hun naasten in hun leven omzetten. Daaruit ontstaat het vredesrijk van Jezus Christus, wiens heerser Ik Ben.

    12. Allen, die kwaad doen, haten het licht en komen ook niet in het licht, opdat hun daden niet veroordeeld worden. Maar zij, die het goede doen, komen in het licht opdat hun werken openbaar worden; want zij zijn in God gedaan.« (Hoofdst. 12, 12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Allen, die bewust tegen de wet handelen, zijn tegen het licht van de Vader en willen ook niet in het licht komen, omdat zij denken, dat zij dan niet veroordeeld zullen worden. In werkelijkheid dragen zij hun eigen gerecht in zich, want hemel en hel zijn in de mens zelf. Alle mensen echter, die de wet vervullen, staan in het licht en hun werken zijn openbaar, want zij zijn in God gedaan.
    Verlost* is die mens, die berouwt, om vergeving gevraagd heeft, vergeven heeft en boete heeft gedaan en het veroorzaakte niet meer doet; dan is alles afgelost. Want Ik, Christus, Ben gekomen om los te maken - en niet, om te binden.
*Verlost betekent: de volmaaktheid verregaand bereikt hebben. Verlossing is het verlosserslicht van de ziel, dat de ziel naar volmaaktheid leidt.

    In de geweldige tijdsomwenteling, die in de huidige tijd (1989) openbaar wordt, wordt ook geleidelijk de atmosferische kroniek gereinigd. Alles, wat daar nog aan zonde is opgeslagen, gaat geleidelijk over op de veroorzakers, zowel op de zielen in de reinigingsgebieden, als op de mensen. Al het onwetmatige - en zelfs de onwetmatige bedoelingen van de enkeling, dat, wat mensen nog van plan zijn met de aarde en door hun gedachten al in de atmosferische kroniek hebben ingebracht - wordt ofwel gewist óf het komt op zijn veroorzaker terug, al naargelang hoe de ziel van de mens in het verdere verloop beslist: vóór of tegen God. Ook al het weten - boeken- en bijbelkennis - verdwijnt uit de atmosferische kroniek; alleen de geleefde waarheid blijft voor zielen en mensen openbaar.

    13. En er was daar een edelman, wiens zoon ziek lag in Kapharnaüm. Toen hij hoorde, dat Jezus naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem en vroeg Hem, met hem mee te gaan om zijn zoon te genezen; want hij lag op sterven.
    14. En Jezus sprak tot hem: »Als jullie geen tekens en wonderen zien, geloven jullie niet.« De edelman sprak tot Hem: »Heer, kom mee, voordat mijn kind sterft.«
    15. Jezus sprak tot hem: »Ga heen, je zoon leeft.« En de man geloofde de woorden, die Jezus tot hem gesproken had en ging zijns weegs. En toen hij onderweg was, ontmoette hij zijn knechten en zij zeiden: »Je zoon leeft.«
    16. Toen vroeg hij naar het uur, waarop het beter met hem was gegaan en zij zeiden tegen hem: »Gisteren rond het zevende uur ging de koorts van hem.« Toen wist de vader, dat het omstreeks hetzelfde uur geweest was, waarop Jezus tegen hem gezegd had: »Je zoon leeft.« En hij geloofde nu en zijn hele huis met hem. (Hoofdst. 12, 13-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het geloof verzet bergen en maakt mensen gezond, wanneer het goed is voor hun ziel.
    Als mensen de eeuwige waarheid leven, de wet des levens, dan halen zij de hemel op deze aarde. Wie in de waarheid leeft, is de stem van de waarheid, de goddelijke wet. Hij is vrij van alle kwaad. Want zij die in de waarheid leven, staan in het licht der waarheid en hun werken zijn Gods werken.
    Het komende rijk Gods op aarde, het vredesrijk, dat zich van tijdperk tot tijdperk steeds meer verfijnt, dus lichter wordt, is in het licht van Christus en is het licht van Christus. Zij die in de waarheid leven, zullen bewust zonen en dochters van God heten. Wie in de waarheid leeft, zal de dood niet voelen, noch smaken. Hij zal al diegenen tot leven wekken, die in het leven geloven en werken van onbaatzuchtige liefde doen.
    Vanaf het begin klampen veel mensen zich uitsluitend vast aan het woord »geloof«. Zij zijn van mening, dat dat voldoende zou zijn. Wie zich echter uitsluitend aan het woord »geloof« vastklampt, blijft blind in zijn hart, omdat hij geen verdere stap boven het geloof uit doet.
    De eerste stap naar de waarheid is het geloof. Het houdt de mens nog blind. De tweede stap is het vertrouwen in God, dat de mens waakzaam laat worden tegenover zijn wetmatige of onwetmatige denken, spreken en handelen. Verbinden zich geloof en vertrouwen, dan volgt de derde stap: de verwezenlijking van de goddelijke wetten. Daardoor wordt de mens een schouwende. Wie de waarheid in zijn geestelijke lichaam vermag te schouwen, is de reine: voor hem is alles openbaar.

HOOFDSTUK 13

De eerste prediking in de synagoge

 

Het evangelie van de liefde, de weg naar de innerlijke vrijheid (2).
Geloof, vertrouwen en verwezenlijking als basis voor hulp en genezing uit de Geest (4)

 

    1. En Jezus kwam naar Nazareth, waar Hij was opgegroeid en ging zoals gewoonlijk op de Sabbatdag naar de synagoge en stond op om te lezen. Toen werd Hem de rol van de profeet Jesaja aangereikt.
    2. Toen Hij de rol opende, vond Hij de passage, waar geschreven staat: »De Geest des Heren is bij mij omdat Hij mij gezalfd heeft, om het evangelie te verkondigen aan de armen; Hij heeft mij gezonden, om de gebroken harten te genezen, voor de gevangenen te prediken, dat zij vrij zullen zijn, de blinden het gezicht terug te geven en hen die gebonden zijn, vrij te maken; te verkondigen het genadejaar van de Heer.« (Hoofdst. 13, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wat Jesaja had gesproken en ten uitvoer had gebracht, dat verdiepte Ik als Jezus van Nazareth.
    In de huidige tijd, in deze grote tijdsomwenteling (1989) waarin zich het blad van de oude, zondige wereld naar de nieuwe wereld, naar de lichttijd, wendt, ontstaat steeds meer het vredesrijk in de harten der getrouwen, die zich aan de wetten van God houden; het wordt ook in de wereld zichtbaar. Ondanks het toenemende genadelicht zijn er steeds meer zieken en noodlijdenden. Want in deze tijd van ommekeer van het oude, zondige naar het nieuwe, reine leven, komt in een korter tijdsbestek alles op de mensen af, wat nog niet uitgeboet is.
    Maar wie gelooft en vertrouwt, zal de weg naar het innerlijk gaan en het vrije leven in Christus herkennen, dat waarlijk rijk maakt. Wie in Mij leeft, zal niet langer naar het vergankelijke lichaam kijken, omdat hij het rijk van het innerlijk, zijn ware erfdeel, heeft gevonden. Als de ziel doordrongen is van het licht van de Christus, dan is ook het lichaam gezond.
    Daarom geldt, tot Ik de heerschappij over deze aarde overneem: berouw, vergeef, vraag om vergeving en zondig niet meer! Dan zul je in jezelf erkennen en ervaren, dat Ik je door jouw levende geloof in Mij, heb gediend. Want Ik, de Verlosser en Heiland van alle mensen, verkondigde als Jezus van Nazareth het evangelie van de liefde, dat vrij maakt. Ik verkondig het weer als Christus door hen, die Gods wil vervullen. Op de weg naar het innerlijk, die Ik de Mijnen gebracht heb en breng, kan iedereen Mij vinden.
    De zin van de uitspraak »... het evangelie aan de armen te verkondigen« betekent: Ik bracht en breng het evangelie aan de armen van geest en de armen van het land, want alle mensen zullen rijk worden in hun hart, opdat zij ook op aarde datgene bezitten, wat zij nodig hebben, om als kinderen van God te leven.
    »... de gebroken harten te genezen« wil zeggen: alle mensen troost en hulp te brengen en de geest der waarheid, opdat hun geloof en vertrouwen in God moge groeien en zij vredevol worden.
    »... voor de gevangenen te prediken« wil zeggen: alle mensen met de goddelijke wet van de vrijheid vertrouwd te maken, opdat zij zich geleidelijk losmaken van hun meningen en voorstellingen, die hen tot gevangenen maken van hun eigen ik, zodat zij in de goddelijke waarheid ontwaken, die hen vrij maakt.
    »... de blinden het gezicht teruggeven« wil zeggen: ziel en mens het gezicht, het ware zien, het schouwen, terug te geven, dat zij verkrijgen door het navolgen van de wetten des levens, de onbaatzuchtige liefde.

    3. En Hij sloot de rol, gaf haar aan de dienaar terug en nam plaats. En de ogen van allen, die in de synagoge waren, waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te spreken. »Heden is dit geschrift voor jullie oren vervuld.« En zij beaamden dit en verwonderden zich over de liefelijke woorden, die uit Zijn mond kwamen. Zij zeiden: »Is dat niet de zoon van Jozef?«
    4. En enkelen brachten een blinde tot Hem, om Zijn kracht op de proef te stellen en zeiden tot Hem: »Meester, hier is een zoon van Abraham, die vanaf de geboorte blind is: genees hem, zoals Je de heidenen in Egypte hebt genezen.« En toen Hij hem aankeek, bemerkte Hij zijn ongeloof en dat van de anderen, die hem bij Hem gebracht hadden en hun wens, Hem in de val te lokken. En Hij kon in deze plaats geen machtige daad volbrengen, vanwege hun ongeloof. (Hoofdst. 13, 3-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Heden is dit geschrift voor jullie oren vervuld« wil zeggen: Jesaja, een profeet, door God gezonden, verkondigde Mijn komst: de Verlosser en Messias, die de mensen zal bevrijden van hun knechtschap. Het woord van Jesaja is vervuld: op het woord volgden de daden van de Christus. Ik vervulde en vervul, wat de Eeuwige door Jesaja heeft geopenbaard.
    Wie twijfelt en zijn naaste slechts op de proef wil stellen, kan van de Geest niets ontvangen, want hij gelooft niet, maar onderzoekt alleen. Zijn twijfels, die voor hem uitgaan, zijn de hindernis voor de genezing en hulp.
    Wie Mij op de proef wil stellen, ontvangt niet! Zo kon Ik ook als Jezus van Nazareth, daar, waar ongeloof heerste, geen daden volbrengen. Waar de basis van het geloof en het vertrouwen ontbreekt, waar twijfel en egocentrisme de mens bepalen, daar vallen geen woorden der waarheid in het hart, noch kan de mens hulp en genezing ontvangen vanuit de geest. Daarom zijn er eerst lessen uit de waarheid nodig. Heeft de mens de lessen uit de eeuwige waarheid opgenomen en verwezenlijkt, dan heeft hij de ware basis van geloof en vertrouwen geschapen - en hij kan door de kracht van de geest naar lichaam en ziel genezen.
    Of de mens zijn naaste een heiden noemt of gelovig, daar let de ware wijze niet op. Wie niet in het hart van de naaste vermag te schouwen, die kijkt alleen naar het uiterlijke en hoort alleen het woord. Hij schouwt niet dieper. Wie echter dieper schouwt in het hart van zijn naaste, die ziet, hoe deze waarlijk is. Hij spreekt dan niet meer van een heiden, omdat deze mogelijk nog heidense gebruiken heeft; hij geeft aan degene, die zijn hart voor God openhoudt - of hij door de mens nog heiden of al gelovig wordt genoemd. Zo deed Ik het als Jezus en zo handhaaf Ik het ook als Christus.

    5. En zij zeiden tot Hem: »Wat wij hebben gehoord over Je daden in Egypte, doe dat ook in Je eigen land.« En Hij sprak: »Voorwaar, Ik zeg jullie, geen profeet wordt thuis of in zijn eigen land geëerd, net zo min als een arts diegenen kan genezen, die hem kennen.« (Hoofdst. 13, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De betekenis is niet: »over Je daden in Egypte« maar: »over de daden onder de Egyptenaren.« Waarlijk, een profeet wordt niet aangenomen - niet in zijn aardse familie, noch in zijn eigen land. Want de mensen zien alleen de mens, die eens met hen geleefd heeft en leeft - en die toch in zijn hart niet dacht zoals zij, wanneer het om menselijke dingen ging.

    6. »Maar Ik vertel jullie een waar verhaal: er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, omdat de hemel drie jaren en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood heerste in het hele land. Maar alleen naar Sarepta, een stad in Sidon, werd Elias gezonden, naar een vrouw die weduwe was.
    7. En er waren veel melaatsen in Israël in de tijd, dat Elisa, de profeet, daar leefde en niemand werd gereinigd behalve Naäman, de Syriër.«
    8. En toen zij dit hoorden, werden allen in de synagoge van toorn vervuld. Zij stonden op en joegen Hem de stad uit en brachten Hem naar een steile wand van de berg, waarop hun stad was gebouwd, om Hem eraf te duwen. Maar Hij ging midden tussen hen door Zijns weegs en ontkwam hen. (Hoofdst. 13, 6-8)

HOOFDSTUK 14

De roeping van Andreas en Petrus -De hondendresseur - De rijken

 

Weg in de navolging van Christus
eerst na het ordenen van alle menselijke betrekkingen en situaties (1-3). Voorwaarden voor genezing (4). Zonde tegen de schepping door het minachten en doden van medeschepselen en de gevolgen daarvan - In de omwentelingstijd komen de oorzaken sneller tot uitwerking - De mogelijkheid tot incarneren neemt af met de verfijning van de aarde - Omwentelingstijd is catastrofentijd - Christus beschermt de Zijnen - Leven op de gereinigde aarde (6-7).Uiterlijke en innerlijke rijkdom (11-12)

 

    1. Herodes, de tetrarch echter voegde bij alle andere misdaden, die hij reeds had begaan, deze nog toe: hij liet Johannes de Doper in de gevangenis werpen, nadat deze hem wegens Herodia, de vrouw van zijn broer Filippus, tot de orde had geroepen.
    2. Jezus begon te prediken en sprak: »Doet boete, want het hemelrijk is nabij.« En toen Hij aan het meer van Galilea wandelde, zag Hij Simon, genaamd Petrus en Andreas, zijn broeder, hoe zij een net in het meer wierpen; want zij waren vissers. En Hij sprak tot hen: »Volgt Mij en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.« En zij lieten hun netten achter en volgden Hem.
    3. Toen Hij verder ging, ontmoette Hij twee andere broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Johannes, diens broeder en in een schip Zebedeüs, hun vader, die netten repareerden. En Hij riep naar hen. En zij verlieten terstond hun netten en het schip en hun vader en volgden Hem na. (Hoofdst. 14, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    In alles moet de zin van de uitspraak worden herkend, zo ook in de passage: »en zij verlieten terstond hun netten en het schip en hun vader en volgden Hem.« Naar de zin betekent het: zij hielden op met vissen, regelden hun familie-aangelegenheden en volgden Hem.
    Tot zij tot Mijn gevolg behoorden, waren er heel wat aanwijzingen en uitleg nodig, ook voor hun gezinnen en familieleden, die hen niet zomaar lieten vertrekken. Veel zaken moesten er eerst in huis en hof, op het veld en op het werk geregeld, geordend en uitgelegd worden, zodat de achterblijvenden door de verandering van gezindheid van hen, die Mijn roep volgden, geen nood of ontberingen op zich hoefden te nemen.
    De wet luidt: de weg naar de eeuwige waarheid kan alleen vrijwillig worden gegaan. Wie dus vrijwillig ter wille van de waarheid de weg der waarheid gaat, zal alles geordend en goed verzorgd achterlaten. Want in de navolging van de Christus Gods mag de mens geen twist, noch vijandschap, noch wanorde meenemen. Wanneer de mens zich in twist en vijandschap van zijn naasten afwendt, zullen hem ook twist en vijandschap begeleiden. Wat voor de wetten van God niet in het reine is gebracht, neemt de mens mee - ongeacht naar welke plaats, in welk land hij reist en met welke mensen hij omgaat. Het onopgeloste blijft en het blijft aan hem kleven.

    4. En Jezus trok door heel Galilea en onderwees in de synagogen en predikte het evangelie van het rijk Gods en genas allerlei besmettelijke ziekten en veel andere kwalen onder het volk. En het gerucht van Zijn wonderdaden drong door in heel Syrië en men bracht veel mensen bij Hem met allerlei ziektes, gebreken en kwalen. En er waren ook maanzieken en jichtlijders bij en Hij maakte hen allen gezond. (Hoofdst. 14, 4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Niet allen kon Ik helpen en niet iedereen kon Ik genezen. De wet van de Eeuwige luidt: geloof, want naar je geloof wordt je gegeven! Vraag om vergeving en vergeef en maak goed, wat je veroorzaakt hebt - ga dan heen en zondig niet meer! Gezond werden slechts diegenen, die vervuld waren van het geloof in het leven en in wiens levensstraling te lezen was, dat zij voortaan hun best zouden doen, om niet meer te zondigen.

    5. En een grote mensenmassa volgde Hem, uit Galilea, uit de tien steden en uit Jeruzalem, uit Judea en uit het land van de Jordaan.
    6. Toen Jezus daar met enige discipelen liep, ontmoette Hij een man, die honden africhtte voor de jacht op andere dieren; en Hij sprak tot de man: »Waarom doe je dat?« En de man antwoordde: »Omdat ik daarvan leef. Wat hebben deze dieren dan voor nut? Deze dieren zijn zwak, de honden echter zijn sterk.« En Jezus sprak tot hem: »Het ontbreekt jou aan wijsheid en liefde. Zie, ieder schepsel, dat God heeft geschapen, heeft zijn zin en doel. En wie kan zeggen, wat voor goeds in hem is en tot welk nut voor jou of de mensheid?
    7. En voor je levensonderhoud: zie de velden, hoe zij groeien en vruchtbaar zijn en de vruchtdragende bomen en kruiden! Wat wil je nog meer dan dat, wat het eerlijke werk van je handen je schenkt? Wee de sterken, die hun kracht misbruiken! Wee de sluwe, die de schepselen van God verwondt! Wee de jagers! Want zij zullen zelf gejaagd worden.« (Hoofdst. 14, 5-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik Ben de waarheid! Wie tegen het leven handelt, is ook tegen zichzelf, omdat ook hij het leven is. Want in hem werken alle krachten des levens - ook het leven der dieren en planten. Want alles is leven, dat uit de ene Oerbron stroomt, uit God.
    De mens lijdt zolang als hij zijn naaste leed aandoet, onverschillig of het mensen, dieren of planten zijn. In de voorbije tweeduizend jaar zijn Mijn woorden aan de mensen over de wet van oorzaak en gevolg in vervulling gegaan en zij zullen zich blijven vervullen - zolang, tot de wet van oorzaak en gevolg is getransformeerd, omdat alle mensen elkaar onbaatzuchtig liefhebben.
    Het rijk Gods komt op aarde! In de loop van verdere tijdperken zullen zich grote gebieden op de hele aarde verfijnen. Daar zullen lichte mensen leven. Zij zullen met de dieren zijn en de dieren met hen. Het lam zal bij de leeuw liggen en beiden zullen elkaar verdragen, omdat de mensen verregaand vrij zijn van zonden.
    Veel dieren nemen de trillingen op van de mensen en gedragen zich zoals de mensen. Verandert de mens zichzelf en leeft hij volgens de goddelijke wet, dan worden ook de dieren weer tam en zullen de vrienden van de mensen zijn.
    Totdat de zondige wereld zich veranderd heeft in Gods wereld, zullen nog veel mensen, dieren en planten te lijden hebben onder de onbuigzaamheid van de heersersnatuur - mens, die zich tegen Gods schepping opstelt.
    Doch alle macht en heerlijkheid is de Christus Gods door de Vader gegeven en nooit aan de mens, die Gods wetten minacht. Wee de jagers en wee degenen, die naar vleesvoeding verlangen! Zowel de jagers als degenen, die als kannibalen het vlees van dieren gulzig opeten, zullen met de pijn, het leed en de smart van de dieren gepijnigd en gejaagd worden. Hetzelfde geldt voor degenen, die de planten- en mineraalrijken schenden. Ook zij zullen door hun wandaden lijden. Wat de mens zaait, zal hij oogsten - in het aardse leven of als ziel in de reinigingsgebieden. Let daarom op jullie gedachten, woorden en handelingen, want zij kunnen jullie noodlottig worden.
    Mijn rijk op aarde zal een rijk van eenheid en vrede zijn, zoals het geopenbaard is: mens en dier zullen in vrede met elkaar leven, omdat de zielen der mensen verregaand rein zijn.
    Nu, in deze tijd van geweldige omwenteling, waarin ook de gevolgen van de bestaande oorzaken sneller optreden, werk ook Ik, de Christus Gods, alomvattender in deze wereld en door degenen, die moeite doen, Gods wil te vervullen, opdat nog veel mensen zichzelf herkennen, daarna hun zonden berouwen en ze niet meer doen.
    Erkent: de zielen van veel mensen, die ondanks beter weten toch weer het tegengestelde doen, dringen steeds weer naar de aarde. Na hun lichamelijke dood blijven hun onuitgeboete oorzaken nog in de atmosferische kroniek. Deze zielen roepen bij een volgende incarnatie het daar opgeslagene af en leven verder met dezelfde neigingen en wensen in het aardse lichaam.
    Maar nu, tijdens de tijdsomwenteling, wordt de atmosferische kroniek van alle menselijke voorstellingen, neigingen, meningen, wensen en al het onvervulde gereinigd. Daarom zal, volgens de wet van oorzaak en gevolg het veroorzaakte, het niet uitgeboete dus, dat in de atmosferische kroniek trilt, sneller op mens en ziel terugkomen. Daaraan zullen zowel mensen als zielen zwaar te dragen hebben. Dat kan voor zo menige ziel de zogenaamde hel zijn.
    In lange perioden zinkt de materialistische wereld geleidelijk weg. In evolutie-cycli ontstaat tegelijkertijd het rijk Gods op deze aarde. Dit betekent voor zwaarbelaste zielen, dat zij, wanneer de aarde lichter wordt, niet meer op de aarde kunnen terugkeren. De planeten-banen naar de aarde worden voor zwaarbelaste zielen steeds meer beperkt en tenslotte afgesloten door de geestelijke laag, de universele atmosfeer, de Christus-laag, die het rijk Gods op aarde omstraalt. In het vredesrijk van Jezus Christus zullen eens alleen verregaand reine zielen incarneren, want de nieuwe, gereinigde aarde zal ook een gereinigde atmosfeer hebben.
    In deze geweldige omwentelingstijd zullen over de hele aarde epidemieën, ziektes en aard-catastrofen plaatsvinden. Maar dat is nog niet het einde van dit menselijke tijdperk. Zolang de mens de aarde wil beheersen, zal zij beven en zich openen.
    In deze tijdsomwenteling straalt de eeuwige Geest versterkt in alle materiële zonnen en gesternten en uit het heelal straalt versterkt het licht, dat op een vuur lijkt. Het brengt de zeeën in sterkere beweging, zodat zij uit hun bekkens treden en laagliggende gebieden overstromen en toedekken. En het gesternte zal het onreine in reinheid veranderen.
    Tengevolge van deze inwerkingen van het licht Gods en van de hemellichamen op de zeeën en de aarde, zal de planeet aarde dan weer vruchtbaar worden.
    Dit alles zal nog gebeuren, voordat het blad zich volledig heeft gekeerd. Wie ondanks deze uitwerkingen, die op de mensheid toekomen, God trouw blijft, Hem looft en prijst, wordt gered en zal de nieuwe aarde bebouwen en bezielen met het zaaigoed en het zaad van de liefde.
    In deze tijd van omwenteling van de oude, zondige wereld naar de wereld van de geest, weet Ik Mijn getrouwen te beschermen. Ook hun voorzieningen voor het vredesrijk van Jezus Christus zal Ik behoeden. De Geest Gods zal die mensen, die in het licht der waarheid staan, die dus de wet Gods vervullen, omsluiten en al het tegenstrijdige verre van hen houden. Hen is door Mij de kracht gegeven, het gezuiverde land te bebouwen, gemeenten in Mijn Geest te stichten en zich zo het aardse rijk in liefde onderdanig te maken. Dan dient de aarde hen en alles, wat de aarde draagt: de stenen, de planten, de dieren. En niet in de laatste plaats leven en werken de engelen uit de hemel met de lichte mensenzusters en -broeders voor het rijk Gods op aarde.
    De man in Mijn Geest zal goed zaad dragen en de schoot van de geestelijke vrouw zal liefdevol ontvangen en degenen die zich in God verenigen, man en vrouw, zullen de bond met God nakomen en hun kinderen, die de kinderen zijn van de Vader-Moeder-God, zullen het licht van de Godheid dragen. In hun zielen is de verlossing al volbracht, omdat zij uit hogere lichtsferen komen. Overeenkomstig de lichte ziel van de man - die het aardse lichaam verwekt - en de lichte ziel van de vrouw - die het kind onder het hart draagt en baart - worden deze zielen aangetrokken. Want de kosmische wet luidt: het gelijke trekt het gelijke aan.

    8. En de man was zeer verwonderd en hield op met het africhten van honden voor de jacht en leerde hen, leven te redden en niet, het te vernietigen. En hij nam de leer van Jezus aan en werd Zijn volgeling.
    9. En zie, daar kwamen twee rijken tot Hem en de ene sprak tot Hem: »Goede Meester!« Hij echter sprak tot hem: »Noem Mij niet goed, want alleen Eén is de algoede en dat is God.«
    10. En de ander sprak tot Hem: »Meester, welk goed werk moet ik doen, opdat ik moge leven?« Jezus echter sprak: »Gehoorzaam de wet en de profeten.« Hij antwoordde: »Ik heb hen gehoorzaamd.« Jezus antwoordde en sprak: »Ga heen en verkoop alles, wat je hebt, deel het met de armen en volg Mij na.« Maar deze woorden bevielen hem niet.
    11. En de Heer sprak tot hem: »Waarom zei je, dat je de wet en de profeten hebt gehoorzaamd? Zie, vele van je medebroeders zijn gekleed in vuile lompen, zij sterven van de honger en jouw huis is gevuld met veel goederen en zij krijgen er niets van.«
    12. En Hij sprak tot Simon: »Het is moeilijk voor de rijken, het hemelrijk binnen te gaan, want de rijken zorgen voor zichzelf en verachten de anderen, die niets hebben.« (Hoofdst. 14, 8-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik Ben de waarheid en het leven. De uiterlijke rijkdom verhardt de ziel en maakt haar arm. Het leven in materiële rijkdom is niet het leven in Mij - het is slechts uiterlijke schijn; het betreft het omhulsel der ziel en niet het ware zijn. Mensen, wier rijkdom slechts have en goed van deze wereld, het uiterlijke, is, scheiden zich af van de eenheid met hun naasten. Daardoor scheiden zij zich tevens af van God en verarmen in hun zielen. Slechts diegene is waarlijk rijk, die in staat is zijn naaste rijk te maken door werken van onbaatzuchtige liefde. Hij blijft in eenheid met zijn naaste en is daardoor ook in eenheid met God; want God is in iedereen en eenieder is een deel van God. Wie zich van zijn naaste afscheidt, die scheidt zich van God af, omdat in de naaste Gods liefde werkt.

HOOFDSTUK 15

De genezing van een melaatse, een lamme en een dove

 

De mensen in de Geest van de Heer

 

    1. En het geschiedde, toen Jezus in een stad was, dat een melaatse zich voor Hem neerwierp en tot Hem sprak: »Heer, zo Je wilt, kun Je mij reinigen!« En Jezus strekte Zijn hand uit, raakte hem aan en sprak: »Gezegend ben jij, die gelooft; Ik wil het, wees gereinigd!« En terstond verliet hem de melaatsheid.
    2. En Jezus drukte hem op het hart: »Zeg het tegen geen mens, maar ga heen en toon je aan de priester en breng een offer voor je genezing, zoals Mozes het bevolen heeft, als bewijs voor hem.« Doch Zijn roep verbreidde zich steeds meer en grote menigten kwamen tot Hem, om Hem te horen en om genezen te worden van hun kwalen. Hij trok Zich terug in de woestijn en bad.
    3. Het geschiedde op zekere dag, toen Hij onderwees, dat de farizeeën en schriftgeleerden erbij zaten, om Hem te zien. Zij waren uit iedere stad gekomen, uit Galilea en Judea en uit Jeruzalem en de kracht Gods was aanwezig en genas hen.
    4. En zie, zij brachten een man op een bed, die verlamd was en zij trachtten hem naar binnen te brengen en voor Hem neer te leggen. En omdat zij door de grote volkstoeloop niet tot Hem door konden dringen, klommen zij op het huis. Zij lieten hem met het bed door het dak neer tot voor Jezus. En omdat Hij hun geloof zag, sprak Hij tot hem: »Man, je zonden zijn je vergeven.«
    5. En de schriftgeleerden en farizeeën begonnen te overleggen en zeiden: »Wie is dat, die zulke godslasteringen uitspreekt? Wie kan zonden vergeven dan alleen God?« Toen Jezus echter hun gedachten waarnam, antwoordde Hij en sprak tot hen: »Wat denken jullie in je hart? Kan zelfs God ooit zonden vergeven, als de mens ze niet berouwt? Wie zei: »Ik vergeef je je zonden? Zei Ik niet veeleer: je zonden zijn je vergeven?
    6. Wat is gemakkelijker te zeggen: je zonden zijn je vergeven, of om te zeggen: sta op en ga? Opdat jullie echter weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde te beoordelen en vergeving van zonden uit te spreken« - sprak Hij tot de lamme: »Ik zeg je, sta op, neem je bed en ga naar huis.«
    7. En meteen stond hij voor hun ogen op, nam het bed op, waarop hij had gelegen, ging naar huis en prees God. En zij waren allen verbaasd en prezen God en werden vervuld van eerbied en spraken: »Wij hebben vandaag verbazingwekkende dingen gezien.«
    8. Toen Jezus in een dorp kwam, ontmoette Hij een man, die doof was vanaf zijn geboorte. En deze man geloofde niet in het ruisen van de wind of de donder of in de dierengeluiden, of de stemmen van de vogels, die klaagden van honger of omdat zij gewond waren, en hij geloofde niet, dat anderen dit wel hoorden.
    9. En Jezus blies in zijn oren en zij werden geopend en hij hoorde. En hij genoot met oneindige vreugde van de geluiden, die hij vroeger geloochend had. En hij zei: »Nu hoor ik alles!«
    10. Doch Jezus sprak tot hem: »Waarom zeg je, dat je alles hoort? Kun je soms het zuchten horen van de gevangenen of de taal der vogels of dieren, als zij met elkaar praten, of de stemmen der engelen en geesten? Denk eraan, hoeveel je niet kunt horen en wees deemoedig in je gebrek aan weten.« (Hoofdst. 15, 1-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Zij die in de waarheid leven, vervullen de wil van God. Zij zijn de reinen, die al in de huidige tijd de engelen des hemels vernemen en het leven in zijn veelvuldigheid schouwen. Zij lezen de gedachten der mensen en vernemen hun zuchten en zien hun lijden. In Mijn naam en uit Mijn geest helpen en dienen zij hun naasten.
    Mensen in de geest van de Heer verstaan ook de taal van de dieren. Zij herkennen in het ruisen van de wind, in de bliksem en de donder, de allesbesturende wet, God. Wie in dit hoge, goddelijke bewustzijn leeft, is waarachtig een zoon en een dochter Gods. Het zijn Mijn getrouwen.
    In deze geweldige tijdsomwenteling (1989) beginnen de eerste stappen op de weg naar het geleidelijk wordende vredesrijk van Jezus Christus: de Oerkracht leidt steeds meer mensen op de weg naar binnen, naar het rijk Gods, dat in het binnenste van ieder mens is. Mensen, die op de weg van de evolutie het Christusbewustzijn naderbij komen, komen terug tot de oertaal der liefde. Voor hen ontsluit zich weer de taal van het heelal.

HOOFDSTUK 16

De roeping van Mattheus -Nieuwe wijn in oude zakken

 

De mogelijkheid tot reïncarneren en afdragen is beperkt

 

    1. En daarna ging Hij verder en zag een tollenaar, genaamd Levi, aan de tol zitten. En Hij sprak tot hem: »Volg Mij na!« En hij verliet alles, stond op en volgde Hem. (Hoofdst. 16, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ook Levi, zo genoemd, volgde Mij, Jezus, pas na, nadat hij in zijn gezin en op zijn werk alles in het reine had gebracht en voor zijn naasten had gezorgd, die hij slechts uiterlijk verliet, om de waarheid te dienen.

    2. En Levi bereidde voor Hem een groot feestmaal in zijn huis. Het was een groot gezelschap van tollenaars en anderen, die met Hem aan tafel zaten. Maar de schriftgeleerden en farizeeën morden en zeiden tot Zijn discipelen: »Waarom eten en drinken jullie met de tollenaars en zondaars?«
    3. En Jezus antwoordde en sprak tot hen: »De gezonden hebben geen arts nodig, maar de zieken. Ik Ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar om de zondaars tot boetvaardigheid te roepen.«
    4. En zij zeiden tot Hem: »Waarom vasten de discipelen van Johannes zo vaak en bidden zij zoveel en ook de discipelen van de farizeeën? Maar Jouw discipelen eten en drinken ?«
    5. Hij echter sprak tot hen: »Waarmee moet Ik de mensen van dit geslacht vergelijken en met wie stemmen zij overeen? Zijn zij niet gelijk kinderen, die op de markt zitten, elkaar toeroepen en zeggen: wij hebben voor jullie gefloten en jullie hebben niet gedanst, wij hebben voor jullie gerouwd en jullie hebben niet geklaagd ?
    6. Want Johannes de Doper kwam, en hij at en dronk niet, en jullie zeiden: hij is van de duivel bezeten! De mensenzoon komt, en Hij eet en drinkt de vruchten van de aarde en de melk van de kudden en de vrucht van de wijnstok en jullie zeggen: ziet, wat een smulpaap en wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars !
    7. Kunnen jullie de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is? De tijd zal echter komen, waarop de bruidegom van hen wordt weggenomen. Dan zullen zij vasten op die dagen.« (Hoofdst. 16, 2-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De bruidegom is de Christus Gods in Jezus. En de bruidegom zal hen verlaten. Wie Hem niet in het hart draagt, zal ook niet de werken van liefde vervullen. Hij zal op de dag der verschrikking, die over de mensheid komt, moeten vasten; want de aarde, die zich zuivert van de menselijke intriges, zal aan diegenen geen brood meer geven, die mede ertoe hebben bijgedragen, dat de atmosferische lagen zich oplossen en de aarde en haar wateren verontreinigd zijn.

    8. En Hij sprak tot hen deze gelijkenis: »Niemand verstelt een stuk van een nieuw doek op een oud kleed. Want het nieuwe past niet bij het oude, en het kleed is daardoor slechter geworden.
    9. En niemand vult nieuwe wijn in oude zakken; want de nieuwe wijn scheurt de zakken stuk en de wijn loopt eruit en de zakken worden onbruikbaar. De nieuwe wijn moet men echter in nieuwe zakken doen, dan blijven beide behouden.
    10. En er is niemand die van de oude wijn heeft gedronken en daarna meteen nieuwe wenst. Want hij zegt, dat de oude beter is. Maar de tijd komt, dat de nieuwe oud geworden zal zijn en dan wordt de nieuwe wijn verlangd. Want evenals men oude kleren verwisselt tegen nieuwe, verwisselt men ook het dode lichaam tegen het levende lichaam, en wat vergaan is tegen dat, wat komt.« (Hoofdst. 16, 8-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Zolang de zondige wereld bestaat en er zielen in het rad van wedergeboorte leven, zullen reïncarnaties van zielen, die wereldgebonden zijn, nog mogelijk zijn. Zij leggen hun oude kleren, hun oude lichaam, af en glippen weer in nieuwe kleren, in nieuw geboren lichamen. Zij brengen echter in hun nieuwe kleed steeds weer het zondige mee, dat zij zowel in de voorafgaande incarnaties alsook in de reinigingsgebieden niet hebben afgedragen. Een ziel kan zo lang geen hogere en lichtere gebieden binnengaan, tot zij door boete, vergeving, vragen om vergeving en in het reine brengen datgene heeft afgelost, wat zij zichzelf heeft opgelegd.
    Wanneer in de loop van de tijdsomwenteling - die zich over een langer tijdsbestek uitstrekt - een ziel niet in het aardse lichaam in het reine brengt, wat zij zichzelf heeft opgelegd, zal zij daarna niet meer ter incarnatie kunnen gaan. Als ziel moet zij dan in de zielenrijken dat verduren, wat zij in het aardse lichaam mogelijk in enkele jaren in het reine had kunnen brengen. Want er is haar geen nieuw lichaam meer beschoren, omdat dan het licht op aarde woont en de schaduwen daar voorlopig geen toegang meer hebben.

HOOFDSTUK 17

Jezus zendt de twaalf uit

 

De vooruitgang van het verlosserswerk
is afhankelijk van de trouw en evolutie van degenen die de opdracht hebben ontvangen (3). Doopsel met de geest der waarheid (6). Genezing der zieken en opwekking van doden - Groepsschuld - Uitdrijven van duivels - Gaven der liefde niet opdringen (7). De hel is geen plaats, maar een toestand van de ziel (10). Voor God is niets verborgen - Slechts wie in het licht der waarheid leeft, kent het woord der waarheid (13). Wie tegen Christus is, is tegen zijn naaste (14)

 

    1. En Jezus ging op een berg, om te bidden. En nadat Hij Zijn twaalf discipelen bij zich had geroepen, gaf Hij hen de volmacht, onzuivere geesten uit te drijven en alle soorten ziekten en epidemieën te genezen. En de namen van de twaalf apostelen, die voor de twaalf stammen van Israël stonden, waren:
    2. Petrus, genaamd Kephas, voor de stam Ruben; Jakob, voor de stam Naphtali; Thomas, genaamd Dydimus, voor de stam Sebulon;* Mattheus, genaamd Levi, voor de stam Gad; Johannes, voor de stam Ephraïm; Simon, voor de stam Isaschar.
*De herhaalde vermelding van deze zelfde stam, is vermoedelijk te wijten aan een fout in de overgeleverde tekst uit »Das Evangelium Jesu«.

    3. Andreas, voor de stam Jozef; Nathanaël, voor de stam Simeon; Thaddeus, voor de stam Sebulon;* Jakobus, voor de stam Benjamin; Judas, voor de stam Dan; Philippus, voor de stam Asser. En Judas Ischariot, een Leviet, die Hem verried, was ook onder hen (maar hij was geen van hen), en Mattheus en Barsabas waren er ook bij. (Hoofdst. 17, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met de woorden "onzuivere geesten" worden de onreine zielen bedoeld, die vaak als trossen aan mensen hangen.
    Als Jezus van Nazareth wees Ik al op hetgeen komen zou, door aan de twaalf discipelen twaalf gemeenten over te dragen, om deze op te bouwen. Aangezien ook zij - evenals de mensen in latere generaties - de diepte van het innerlijke leven nauwelijks konden bevatten, die luidt: vervul de wetten en handel daarna, konden zij veel niet vervullen, van hetgeen Ik hen had opgedragen. Ik heb het hen opgedragen, omdat zij veel goddelijke wijsheid hadden ervaren en het moment juist zou zijn geweest, om dit in de materie gestalte te geven. Ondanks alles volgden er van het ene tijdperk naar het andere steeds meer stappen in de evolutie van het vredesrijk van Jezus Christus.
    Ook in de huidige tijd (1989), waarin op aarde de eerste fundamenten van het vredesrijk van Jezus Christus zichtbaar worden, werken vele van Mijn getrouwen uit de stam David en uit andere geslachten in Mijn verlossingswerk.
    De getrouwen zijn met Mij, en Ik werk door hen. Zoals toen zijn er ook nu enkelen onder hen, die niet verzamelen, maar verstrooien. Zij vormen steeds weer invalspoorten voor de duisternis. Daarom hebben de getrouwen het zeer zwaar.
    En toch: Ik Ben met hen de overwinnaar over de aarde en over de reinigingsgebieden. Zoals Ik toen de apostelen de wereld in zond, zo zal Ik geleidelijk de Mijnen, die de wet des levens vervullen, als geestelijke leraren de wereld in zenden. Ik zal door de Mijnen nieuwe oergemeenten stichten in Mij, Christus, de Universele Geest, zodat vele mensen via deze oergemeenten het centrale licht vinden: het Nieuwe Jeruzalem op deze aarde met zijn twaalf poorten.

    4. En Hij benoemde nog twaalf anderen op dezelfde manier, om profeten te zijn, met de apostelen mannen van het licht te zijn, en Hij toonde hen de geheimen van God. En hun namen waren: Hermes, Aristobulus, Selenius, Nereus, Apollos en Barsabas; Andronicus, Lucius, Apelles, Zacheus, Urbanus en Clementos. En dan koos Hij nog eens twaalf mannen tot evangelisten en twaalf tot herders. Vier maal twaalf benoemde Hij en zond hen uit naar de twaalf stammen van Israël, naar elke stam vier.
    5. En zij stonden rond de Meester, gekleed in witte linnen gewaden, daartoe geroepen, om een heilige priesterschare Gods te zijn in dienst van de twaalf stammen, waarheen zij zouden worden gezonden. (Hoofdst. 17, 4-5)

Ik, Christus,verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Op dezelfde wijze, zoals Ik de profeten en geestelijke leraren en alle zonen en dochters Gods uit het geslacht David en uit andere geslachten door het profetische woord - door de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid - onderrichtte en onderricht (1989) en overeenkomstig hun verwezenlijking in de wereld zend, deed Ik het in het aardse gewaad als Jezus van Nazareth.
    Ik onderrichtte de getrouwen en onderwees hen in de verwezenlijking van de goddelijke wetten. Sommigen onder hen begonnen profetisch te spreken. Weer anderen, in dit boek evangelisten en herders genoemd, waren de geestelijke leraren en oudsten, die de opdracht hadden de gemeenten mee op te richten en onder hun hoede te nemen.
    Het woord "priesterschap" heeft de volgende betekenis: het zijn mensen, die ernaar streven, alleen Gods wil te vervullen, zonder ceremoniën en erediensten.

    6. Deze viermaal twaalf zond Jezus uit en plaatste hen in de opdracht en Hij sprak tot hen: »Ik wil, dat jullie Mijn twaalf apostelen zijn met jullie metgezellen, tot getuigenis voor Israël. Gaat heen naar de steden van Israël en naar de verloren schapen van Israël. En als jullie daarheen gaan, predikt dan en zegt: het hemelrijk is nabij. Zoals Ik jullie met water heb gedoopt, doopt zo allen, die geloven. (Hoofdst. 17, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
    en verdiep het woord:

    Er staat in het boek geschreven: »Zoals Ik jullie met water heb gedoopt ...« Dat betekent inhoudelijk: zoals jullie met water werden gedoopt, zo zal Ik als de Christus Gods allen, die jullie hebben geleerd volgens de wetten des levens en die deze verwezenlijkt hebben, dopen met de geest der waarheid, en zij zullen voortaan spreken uit de geest der waarheid.

    7. Zalft en geneest de zieken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, drijft de duivels uit. Om niet hebben jullie het ontvangen, geeft het om niet door. Voorziet jullie niet van goud of zilver of kopergeld in jullie buidels, ook van geen tas voor jullie reis, noch van twee kledingstukken, noch van schoenen of zelfs van geen stok. Want een arbeider is zijn kost waard. En eet, wat jullie wordt voorgezet; maar roer niet aan, wat leven heeft gekost; want dat is niet wetmatig voor jullie. (Hoofdst. 17, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Zalft en geneest de zieken« betekent: reinigt en geneest zieken en melaatsen en zalft hen met de Geest, door hen te onderwijzen in de wetten des levens en hen bij te staan, deze te herkennen en te verwezenlijken - dat wil zeggen, in het reine te brengen en het zondige niet meer te doen.
    »... wekt de doden op, drijft de duivels uit« sprak Ik uit de "Hogere Wet", de Absolute Wet, die boven al het menselijke staat. Doden opwekken is slechts mogelijk, als de ziel niet belast is met zware oorzaken en groepsschuld. Deze opdracht gaf Ik weliswaar aan Mijn apostelen en discipelen. Maar tegelijkertijd sprak Ik ook, dat dit slechts diegene mogelijk is, die in de Absolute Wet leeft en uit de Absolute Wet werkzaam is.
    De opwekking van de doden was in Mijn tijd als Jezus van Nazareth mogelijk, want toen hadden de armen zelden een groepsschuld af te dragen. In de huidige tijd (1989) dragen de meeste mensen een deel van een groepsschuld, zodat de opwekking van de doden in deze zondige wereld nauwelijks mogelijk is.
    Een groepsschuld ontstaat, wanneer mensen samen mensen of dieren doden, de planten- en mineraalrijken schenden.
    De ziel van een zogenaamde dode kan slechts dan in het lichaam worden teruggeroepen, als zij geestelijk ontwaakt is en in vrijheid beslist over haar terugkeer. Anders zou de opwekking van een dode tegen de wet van de vrije wil van de ziel zijn, want als haar geestelijke ogen door de zonde zijn vertroebeld, kan zij geen vrije beslissing nemen. En de ziel kan ook alleen terug, zolang zij nog met het lichaam door de informatieband is verbonden.
    »Duivels uitdrijven« betekent, aardgebonden, in duisternis gehulde zielen uit de tempel, de mens, te drijven. Dat is slechts diegene mogelijk, die de goddelijke wetten vervult, die met volmacht spreekt - en dat ook slechts dan, als de mens, die de aardgebonden ziel heeft aangetrokken, deze niet langer vasthoudt door zijn gedachten, woorden en handelingen, die hen hebben aangetrokken.
    De uitspraak »voorziet jullie niet van goud of zilver of kopergeld in jullie buidels, ook van geen tas voor jullie reis, noch van twee kledingstukken, noch van schoenen of zelfs van geen stok« betekent: omgeef je niet met de ballast van deze wereld en draag niet moeizaam mee, wat overbodig is, want de wegen zijn vol stenen en jullie gaan te voet. Al het overbodige is ballast en houdt je alleen maar op tijdens de reis.

    8. En in welke stad jullie ook komen, vraagt na of er iemand is, die het verdient. En daar blijft, tot jullie heengaan. Waar jullie echter een huis binnengaan, begroet het. En als het huis het waard is, laat jullie vrede er dan op rusten; is het dat echter niet waard, laat jullie vrede dan weer naar jullie terugkeren. (Hoofdst. 17,8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »... is het dat echter niet waard, laat jullie vrede dan weer naar jullie terugkeren« betekent: brengt de liefde en de vrede in ieder huis. Wie de hemelse gaven niet wenst, die dringt ze niet op. En als jullie niet worden opgenomen, weest dan niet verstoord. Dan zal de vrede, die jullie over het huis en zijn bewoners hebben uitgesproken, weer met jullie zijn.

    9. Weest verstandig als de slangen en zonder valsheid zoals de duiven. Weest onschuldig en rein. De mensenzoon is niet gekomen om te vernietigen, maar om te redden, niet, om het leven te nemen, maar om het leven te geven, zowel het lichaam als de ziel.
    10. En weest niet bevreesd voor degenen, die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden. Weest veeleer bevreesd voor degene, die lichaam en ziel te gronde kan richten in de hel. (Hoofdst. 17, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Slechts de mens zelf richt zijn ziel en lichaam te gronde door zijn menselijke denken, spreken en handelen, waardoor hij de verbinding met de duisterling tot stand brengt. Wat tegen de goddelijke wet is, brengt de mens de ondergang. Weest daarom slechts bevreesd voor jullie eigen tegenstrijdige handelingen, want wat de mens zaait, zal hij oogsten. En erkent: de hel is geen plaats, maar de toestand van een ziel, die zich aan het tegenstrijdige, aan de »vorst der duisternis« heeft overgegeven.

    11. Koopt men niet twee mussen voor een penning? Toch valt niet één van hen op de aarde zonder de wil van de Allerhoogste. Waarlijk, zelfs de haren op jullie hoofd zijn allen geteld. Vreest daarom niet. Als God voor de mussen zorgt, zou Hij dan ook niet voor jullie zorgen?
    12. Voor discipelen is het voldoende, als zij zijn zoals hun meester en de knechten zoals hun heer. Hebben zij de huisvader Beëlzebub genoemd, hoeveel te meer zullen zij zijn huisgenoten ook zo noemen! Weest dus niet bevreesd voor hen. Er is niets verborgen, dat niet openbaar worde, en er is geen geheim, dat men niet weten zal.
    13. Wat Ik jullie in het geheim zeg, spreek daar openlijk over, wanneer de tijd daarvoor komt. En wat jullie horen in het oor, predikt dat van de daken. Daarom, wie ook ooit voor de mensen de waarheid bekent, die wil Ik ook bekennen voor Mijn Vader, die in de hemel is. Wie echter voor de mensen de waarheid verloochent, zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemel is. (Hoofdst. 17, 11-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    God is alomtegenwoordig. En alles, wat is, kent Hij. Want Hij is het leven en de kracht in alles. In ieder dier is Zijn kracht, en zo is het dier leven uit Hem. In ieder haar is Gods kracht, Zijn leven. Hij is. En omdat Hij is en in alles is, kent Hij ook alles en weet daaromtrent. Hoeveel te beter kent de eeuwige Vader niet Zijn kind, dat Hij naar Zijn evenbeeld geschapen heeft! Voor Hem, de Eeuwige, is niets verborgen. Ook als de mens voor anderen geheimen heeft, dan zijn voor Hem deze schijnbaar geheime dingen niet verborgen. Als de tijd daar is, zal alles openbaar worden, het goede en het minder goede.
    Daarom dient de mens slechts zijn eigen menselijke eigenschappen te vrezen, want dat is zijn zaad. Wanneer dit begint te ontspruiten en te groeien, zal zij openbaar en zichtbaar worden voor de mens zelf, die heeft gezaaid, en ook voor degene, die er bij betrokken is of die daardoor onschuldig geminacht werd.
    Weest daarom waakzaam, dat jullie alleen goed zaad zaaien, zodat jullie oogst de innerlijke rijpheid is. De waarheid moet uitgesproken worden. Zij is het licht van de ziel. En wie in het licht van de waarheid leeft, kent het woord van de waarheid. Hij zal oordelen noch rechtspreken, maar zijn naaste in zijn hart aan- en opnemen en zo met Mij, de Christus, zijn.
    Wees je er steeds opnieuw van bewust, dat menselijke woorden verschillende betekenissen kunnen hebben. Wie in de geest der waarheid leeft, verloochent zijn naaste niet. Wie hem verloochent, heeft hem uit zijn hart verbannen. Daarom betekenen de woorden »... die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemel is«: wie niet de wet, de waarheid, leeft, kan Ik niet naar Mijn Vader leiden, en Hij kan hem niet in de hemel opnemen - want de hemel is de waarheid, en de waarheid is de wet.
    Erkent: wie de waarheid verwerpt, omdat hij haar niet uit de geboden wil aannemen en verwezenlijken, die kent zichzelf niet als lichtwezen. Wie zichzelf niet kent, kan ook de hemel niet binnengaan, die zijn ware vaderland is. Pas na de reiniging van de ziel zal hij zichzelf kennen en de hemel binnengaan.
    De reine is uit de waarheid en spreekt uit de waarheid. Wie de waarheid niet leeft, verloochent de waarheid, die God is, aan wie alles openbaar is. Omdat God de openbare waarheid is, blijft er niets verborgen en ook niets geheim.

    14. Waarlijk, Ik Ben gekomen, om de vrede op aarde te brengen. Doch zie, wanneer Ik spreek, volgt een zwaard. Ik Ben gekomen, om te verenigen; doch zie, een zoon zal tegen zijn vader zijn en een dochter tegen haar moeder en een schoondochter tegen haar schoonmoeder. En des mensen vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn. Want de onrechtvaardigen kunnen niet met de rechtvaardigen samen zijn. (Hoofdst. 17, 14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Doch zie, wanneer Ik spreek, volgt een zwaard« betekent: wie het woord der waarheid hoort en het niet in acht neemt en er alleen over spreekt, handelt tegen de waarheid en aldus tegen de Heilige Geest. Hij schept het zwaard voor zichzelf, dat ook oorzaak wordt genoemd. En zo zijn Mijn woorden, welke de waarheid zijn, het zwaard voor degenen, die niet verwezenlijken.
    »Ik Ben gekomen, om te verenigen« betekent: alle mensen en volkeren tot é é n volk Gods te verenigen.
    Wie tegen de wet van het leven, de eenheid handelt, is ook tegen God, die de eenheid is, en tegen Zijn zoon, Christus, die Ik Ben. Wie tegen God en Mijn werk op deze aarde denkt, spreekt en handelt, verstrooit en verenigt niet. Hij vervult niet de wetten des levens.
    Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij. Wie tegen Mij, het leven, is, is ook tegen zijn naaste. Zo komt uit, wat geschreven staat: »... een zoon zal tegen zijn vader zijn en een dochter tegen haar moeder en een schoondochter tegen haar schoonmoeder. En des mensen vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn. Want de onrechtvaardigen kunnen niet met de rechtvaardigen samen zijn.« De wet Gods luidt: het gelijke trekt het gelijke aan; onrechtvaardigen worden tot onrechtvaardigen aangetrokken, rechtvaardigen tot rechtvaardigen.

    15. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.« (Hoofdst. 17, 15)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.« De zin van deze woorden is: wie zijn aardse leven als zijn ware leven ziet, zal het verliezen en zichzelf als ziel niet kennen en zijn vaderland niet vinden. Wie zijn aardse leven eerbiedigt, maar zijn geestelijke leven boven alles plaatst, zal het ook in zichzelf vinden. En hij zal zijn vaderland ook kennen, want hij is bewust een zoon of een dochter Gods in het rijk des levens.

HOOFDSTUK 18

De uitzending van de tweeënzeventig

 

Over het doorgeven van de waarheid (3).
Gedrag als gast (6). Maatstaven voor de samenleving der mensen; het doel: de onbaatzuchtige liefde (10-12)

 

    1. Vervolgens riep de Heer nog tweeënzeventig discipelen tot zich en zond telkens twee en twee vooruit in al die steden en plaatsen van de stammen, waar Hij zelf heen wilde gaan.
    2. Daarom sprak Hij tot hen: »De oogst is waarlijk groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraagt daarom aan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders voor Zijn oogst stuurt.
    3. Gaat op weg, ziet, Ik zend jullie heen als schapen onder de wolven. Draagt buidel, tas noch schoenen en groet niemand onderweg. (Hoofdst. 18, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    In de tijd, toen Ik, Christus, als Jezus over deze aarde trok, gingen de eenvoudige mensen te voet; ze gingen niet te paard en ook niet met wagens. De voeten droegen het lichaam van oord tot oord. Wie veel lasten meenam, kwam maar langzaam vooruit. De woorden: »Draagt buidel, tas noch schoenen en groet niemand onderweg« betekenen:
    neemt slechts zoveel mee op jullie tocht, dat jullie vooruitkomen op de weg, en dat jullie bij diegenen terechtkomen, die al geestelijke vruchten dragen, en ook bij degenen, waarvan de zielenakker nog bewerkt moet worden. Dan zien ook de dieven, dat er bij jullie niets te halen is en achtervolgen jullie niet.
    »... en groet niemand onderweg« betekent: voert geen nutteloze gesprekken, maar brengt de mensen het heil des levens, de waarheid. Gaat doelbewust verder, want de tijd is van korte duur, dat Ik onder de mensen vertoef.

    4. En altijd wanneer jullie een huis binnengaan, zegt dan eerst: vrede zij in dit huis! En als daar een geest van vrede zal zijn, zal jullie vrede op hem rusten; als dat niet het geval is, zal de vrede weer tot jullie terugkomen. (Hoofdst. 18, 4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Gaat slechts dan een huis binnen, als jullie zelf de vrede hebben. Draagt jullie vrede dus van huis tot huis. Waar zij niet aangenomen wordt, gaat zij weer met jullie mee. Daar, waar de vrede, de waarheid des levens, niet wordt aangenomen, moet ook niet langer over vrede en waarheid gesproken worden. Ieder heeft de vrije wil, de vrede uit God, de waarheid, aan te nemen of af te wijzen. Daarom discussieert niet over de waarheid. Brengt haar! Wordt de vrede, de waarheid, niet aangenomen, draagt dan de gaven des heils in een ander huis. Dan bewaren jullie de vrede in jezelf.

    5. En in welke stad jullie ook zullen komen, en zij nemen jullie op, eet hetgeen je wordt voorgezet, behalve van het levende. En geneest de zieken die er zijn, en spreekt tot hen: het rijk Gods is naderbij gekomen.
    6. En in dat huis blijft en eet en drinkt, wat men jullie voorzet, zonder bloedvergieten; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. (Hoofdst. 18, 5-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »... eet dat, wat jullie wordt voorgezet, behalve van het levende«, »... eet en drinkt wat men jullie voorzet zonder bloedvergieten« - in beide uitspraken ligt de volgende betekenis: als zij voor jullie het bloed van een dier vergieten, wijst dat dan tijdig af, voordat het voor jullie naar de slachtbank wordt geleid, want er mag geen dier worden geofferd - niet voor God, noch voor de mens. Mensen- en dierenoffers zijn voor God een gruwel. God, de Ene, sprak Zich uit tegen de dieren- en mensenoffers, zowel in het Oude Verbond alsook in het Nieuwe Verbond.
    Wanneer jullie echter een gerecht wordt aangeboden, dat vlees en vis bevat, en als de gaven al vóór jullie komst werden bereid, eet er dan van en biedt die enkele happen dan in gebed aan de Vader-Moeder-God aan. Zijn kracht verandert dan het lagere om in het hogere. Denkt eraan: wat de mond uitgaat, kan tot zonde worden, niet, wat de mond ingaat en in het bewustzijn van het leven uit God, het lichaam wordt toegediend.

    7. En waar jullie echter in een stad niet opgenomen worden, vervolgt dan jullie weg door de straten en zegt: »Zelfs het stof van jullie stad, dat zich aan ons gehecht heeft, schudden wij op jullie af; maar toch kunnen jullie er zeker van zijn, dat het rijk Gods jullie naderbij is gekomen. (Hoofdst. 18, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woorden zijn symbolen. Daarom wil Ik ook de woorden, die in het boek, genaamd: "Das Evangelium Jesu" (Het evangelie van Jezus) zijn geschreven, telkens in die mate verbeteren, als zij in de huidige tijd (1989) begrepen dienen te worden, want woorden hebben van generatie tot generatie verschillende betekenissen.
    Wie in de stad niet graag wordt gezien, moet het stof van zijn voeten schudden. Dat betekent: hij moet verdergaan en toch Gods zegen achterlaten. Want de positieve krachten van positieve mensen werken door in de mensen, plaatsen en steden, aan wie zij gebracht werden. En menigeen, die geestelijk rijp is, zal de vrucht, de waarheid, opnemen. Zij stroomt als het ware naar degenen, die uit de waarheid zijn. Want de eeuwige waarheid is het rijk Gods, dat tot diegenen komt, die naar het rijk Gods hunkeren en die de wetten des levens vervullen.

    8. Wee jij, Choracin! Wee jij, Bathsaida! Waren er zulke machtige daden in Tyrus en Sidon geschied als zij bij jullie zijn geschied, dan hadden zij tijden geleden in zak en as boete gedaan. Maar hen zal het beter vergaan op de dag van het gerecht dan jullie.
    9. En jij Kapharnaüm, jij die verheven bent tot aan de hemel, jij zult tot in de hel omlaag gestoten worden. Zij, die jullie horen, horen ook Mij. En die jullie verachten, verachten ook Mij en Hem, die Mij heeft gezonden. Doch laat allen in hun eigen geest tot inzicht komen.«
    10. En nogmaals sprak Jezus tot hen: »Weest barmhartig, dan zullen jullie barmhartigheid ontvangen. Vergeeft de anderen, en ook jullie zal vergeven worden. Met welke maat jullie meten, daarmee zullen ook jullie weer worden gemeten.
    11. En hoe jullie de anderen doen, zo zal er ook aan jullie worden gedaan. En zoals jullie geven, zo zal ook aan jullie worden gegeven. En zoals jullie oordelen, zo zullen ook jullie geoordeeld worden. En zoals jullie anderen dienen, zo zullen ook jullie gediend worden.
    12. Want God is rechtvaardig en beloont ieder naar zijn werken. Wat jullie zaaien, zullen jullie oogsten.« (Hoofdst. 18, 8-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Let erop, dat jullie niet in de verleiding komen! Bewaart Mij in jullie harten, dan geven jullie uit de eeuwige waarheid. Want Ik Ben gekomen, om de mensen de waarheid te leren en hen voor te bereiden, opdat zij de wet Gods, die alleen het leven, de waarheid, is, verwezenlijken. De waarheid is het leven. God is de waarheid, het leven. Zijn wet, de waarheid, het leven, is de onbaatzuchtige liefde. Let daarop, dan zullen jullie niet in verleiding komen.
    Het volgende nu wat betreft de woorden, die in het boek, genaamd "Das Evangelium Jesu" (Het evangelie van Jezus), luiden:
    »Degenen, die jullie horen, horen ook Mij. En die jullie verachten, verachten ook Mij en Hem, die Mij heeft gezonden. Doch laat allen in hun eigen geest tot inzicht komen.« »Weest barmhartig, dan zullen jullie barmhartigheid ontvangen. Vergeeft de anderen, en ook jullie zal vergeven worden. Met welke maat jullie meten, zo zullen ook jullie weer worden gemeten. En zoals jullie anderen doen, zo zal er ook aan jullie worden gedaan. En zoals jullie geven, zo zal ook jullie gegeven worden. En zoals jullie oordelen, zo zullen ook jullie geoordeeld worden. En zoals jullie anderen dienen, zo zullen ook jullie worden gediend. Want God is rechtvaardig en beloont ieder naar zijn werken. Wat jullie zaaien, zullen jullie oogsten«:
    Deze aanwijzingen en vermaningen hebben geldigheid voor alle mensen, van generatie tot generatie, tot dat mensengeslacht ontstaan is, dat de wet van de onbaatzuchtige liefde leeft. Dan zijn deze aanwijzingen en vermaningen niet langer nodig.
    Tot echter dit geslacht van het innerlijke leven de duisternis ontgroeid is en in het licht van de waarheid staat, gelden deze aanwijzingen en vermaningen nog. Zij leiden naar de wet van de onbaatzuchtige liefde, naar de waarheid, naar het licht, dat in en door de mensen in het vredesrijk van Jezus Christus straalt. Het is het licht der waarheid, het Ik Ben: Christus.

 

HOOFDSTUK 19

Jezus leert bidden

 

Het juiste en het verkeerde bidden (2-4)
De essentie van al het Zijn is in het binnenste van iedere ziel - Gods almacht dient hem, die bewust leeft in verbinding met God, door alle levensvormen (6). Terechtwijzing uit de liefde en de ernst (8). Achting voor het leven van planten en dieren (9). De verantwoordelijkheid van een genezene (10)

 

    1. Toen Jezus op een berg was om te bidden, kwamen enkele van Zijn discipelen naar Hem toe, en één van hen zei: »Heer, leer ons, hoe wij moeten bidden.« En Jezus sprak tot hem: »Als je bidt, ga dan in je hartekamer. En als je de deur gesloten hebt, bid dan tot je Vader, die boven en in je is. En je Vader, die ook het uiterste ziet, zal je open antwoorden.
    2. Maar als jullie bij elkaar zijn en samen bidt, gebruikt dan geen lege herhalingen; want jullie hemelse Vader weet, wat jullie nodig hebben, nog voordat jullie Hem erom hebben gevraagd. Daarom moeten jullie zo bidden:
    3. ’Onze Vader, die boven en in ons is, geheiligd zij Jouw naam. Jouw rijk kome tot allen in wijsheid, liefde en gerechtigheid. Jouw wil geschiede, zoals in de hemel, zo op aarde. Laat ons elke dag deelhebben aan Jouw heilig brood en geef ons de vrucht van de levende wijnstok. En zoals Jij ons onze schulden vergeeft, mogen wij ook allen zo vergeven, die tegen ons schuldig worden. Stort Jouw goedheid over ons uit, opdat wij dat ook aan anderen doen. In het uur van de verzoeking. verlos ons van het kwade.
    4. Want Jou behoort het rijk, de kracht en de heerlijkheid: van eeuwigheid tot eeuwigheid. Nu en in alle eeuwigheid. Amen.’- (Hoofdst. 19, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woord voor woord vastgelegde gebeden, die slechts worden nagesproken, hebben weinig kracht, want zij komen uit het verstand en niet uit het hart. Alleen maar opgezegde woorden zijn onbezield. Zij bereiken God niet in het innerlijk van de mens, omdat de mens ze niet bezield heeft met het leven uit God. Verstandelijk bidden kan diegene nog verder op een dwaalspoor brengen, die door zijn verkeerde denk- en levenswijze al verdwaald is. Wie bidt, zich echter anders gedraagt, dan hij in het gebed spreekt, belast zich verder.
    Daarom moeten jullie met het hart bidden. En als jullie de gebeden hardop uitspreken, moeten zij door het innerlijke leven, het Ik Ben, bezield zijn. Daarom is het alleen van betekenis, van harte te bidden, en niet alleen maar woorden te spreken. Jullie moeten dus voorgeschreven gebeden niet woordelijk herhalen. Ook het gebed, dat hier opgeschreven is, moet niet woordelijk begrepen en nagebeden worden. Ieder gebed zou inhoudelijk moeten worden verstaan, omdat de taal van het hart de taal van de zielegevoelens is. Worden de gevoelens van het hart in woorden gevat, door anderen echter woordelijk overgenomen, dan verliezen zij aan betekenis.
    De Mijnen, die Mij trouw navolgen, zullen steeds meer in de vervolmaking van het leven komen. Hun gebeden zullen dan het leven in Mij zijn, dat wil zeggen, de vervulling van de eeuwige wet. Wie in zichzelf het rijk Gods, het leven, ontsloten heeft, tot diegene is ook het rijk Gods gekomen, en hij leeft voortaan het leven uit God.
    »Laat ons elke dag deelhebben aan Jouw heilig brood en geef ons de vrucht van de levende wijnstok. »Met deze woorden wordt het innerlijke leven bedoeld, de geest, die ook in de materiële substantie het materiële lichaam in stand houdt.
    De zin van de uitspraak: »In het uur van de verzoeking, verlos ons van het kwade« is de volgende: Heer, in de verzoeking leidt Jij ons, opdat wij de weg vinden uit het labyrint van het menselijke ik, om dan de verleider, het kwaad, niet langer horig te zijn.

    5. En waar ook zeven in Mijn Naam zijn verzameld, Ben Ik in hun midden; ja, zelfs als er maar drie of twee zijn. En zelfs, als er maar één in stilte bidt, Ben Ik met deze ene.
    6. Tilt de steen op, en jullie zullen Mij vinden. Splijt het hout, en Ik Ben daar. Want in het vuur en in het water, evenals in iedere levensvorm is God openbaar als haar leven en haar substantie.« (Hoofdst. 19, 5-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Acht, waardeert en eert de schepperskracht in al het Zijn! Ziet: alles, wat er aan kracht en licht is, draagt ieder mens in het binnenste van zijn ziel. Het geestelijke lichaam in de mens is de substantie van al het Zijn, omdat God, de eeuwige Vader, elk van Zijn kinderen alles heeft gegeven als essentie, als erfdeel. In alle levensvormen is de eeuwige Geest aanwezig, en Hij stroomt ook uit alle levensvormen.
    Wanneer de mens bewust tot kind Gods is geworden, dient Gods almacht hem door alle levensvormen, door steen, hout, vuur en water, door bloemen, grassen, planten en dieren. Het hele gesternte dient hem, die in Mij, de Geest der waarheid, leeft. Als de schepperskracht het schepsel vermag te doordringen, omdat zijn ziel vol licht en kracht is, dan is het weer bewust het kind geworden, de zoon of de dochter van de oneindigheid, en heeft het erfdeel, de alkracht, weer aanvaard.
    Elke dag op aarde is een geschenk aan de mens, opdat hij zich daarin moge erkennen en vinden. De natuurijken bieden zich aan de mens aan. Vuur en water dient hem en ook het gesternte, bij dag en bij nacht. Erkent, hoe rijk de dag voor ieder persoonlijk is! Ieder mens is rijk, die de innerlijke rijkdom ontsluit. Rijk is waarlijk diegene, die in verbinding staat met de Almachtige en zo weer tot almacht wordt. God is almachtig, omdat Hij alomtegenwoordig is, en het reine wezen is de almacht uit Hem. Het is goddelijk.

    7. En de Heer sprak: »Als je broeder zeven maal per dag met woorden heeft gezondigd en zeven maal per dag berouw heeft, neem hem op.« Toen vroeg Simon Hem: »Zeven keer per dag?«
    8. De Heer antwoordde en sprak tot hem: »En Ik zeg je, ook zeven maal zeven; want zelfs bij de profeten, nadat zij door de Heilige Geest waren gezalfd, vond men nog uitingen van zonden. (Hoofdst. 19, 7-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Iedere emotie of uiting, die de mens op zijn beperkingen moet wijzen, die echter niet uit het vuur van de Heilige Geest voortvloeit, die dus niet uit Gods liefde, ernst en kracht komt, is niet in en uit de Geest, maar uit de mens en is zonde.
    Geeft dus acht, dat hetgeen jullie zeggen, uit het vuur van de Heilige Geest voortvloeit. En al is het nog zo ernstig, wat jullie zeggen, en de mens wakker schudt, dan moet het toch vanuit de onbaatzuchtige liefde en de goddelijke ernst zijn gesproken. Al het andere is tegen de Heilige Geest. Dat geldt voor alle mensen, of ze naar God toestreven of niet of zelfs geroepenen zijn zoals bijvoorbeeld profeten.

    Het volgende zij jullie nog gezegd: als een ware profeet, die door God geroepen is en zich aan Zijn wil onderworpen heeft, door medemensen zo lang wordt gepijnigd en in handelingen wordt verwikkeld, tot het aan de substantie van zijn innerlijke kracht gaat, dan ontvangt hij extra energie van God. Als hij zich in deze situatie opwindt over het niet verwezenlijken of niet vervullen of over tegenstrijdige handelingen van zijn naasten, die tegen beter weten in gebeurden, dan ontvangt hij deze extra energie, die in hem ongedaan maakt, wat uit opwinding gebeurde. Want het kwam niet uit zijn overeenstemming, doch er werd hem kracht ontnomen.

    9. Weest dus voorkomend, weest goed, meevoelend en vriendelijk, niet alleen voor mensen, die zo zijn als jullie, maar voor alle schepselen, die onder jullie hoede zijn; want jullie zijn voor hen als goden, waar zij naar opkijken in hun nood. Hoed je voor drift, want velen zondigen in woede en hebben spijt als de drift over is.« (Hoofdst. 19, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het kind Gods is een evenbeeld van God-Vader en is daarom - in zichzelf - eeuwig scheppende kracht, want het draagt alle substanties van de eeuwige kracht in zich. Zij zijn allen in hem volmaakt ontwikkeld. Daarom kijken alle dieren, planten en stenen op naar het evenbeeld van God en wensen de eenheid met de gerijpte wezens uit God, waartoe het steeds meer vormgeworden leven zich geestelijk verder ontwikkelt.
    Voelt daarom de verbinding met ieder schepsel en met alle stenen en planten, en beschermt het leven, dat jullie is toevertrouwd! Bloemen en grassen zijn offergaven uit Gods hand. Neemt ze daarom alleen maar voor eigen gebruik, wanneer haar uiterlijke leven aan het uitbloeien is. En tracht de wortels in de grond te laten. Neemt hetgeen uit de wortel groeit, echter alleen dan, als voor deze levensvorm de tijd gekomen is. En als jullie ze met de wortels nemen, laat deze dan op een schaduwrijke plek liggen, zodat het leven zich geleidelijk terug kan trekken, om in de oersubstantie terug te keren, waarin alle krachten zijn verenigd. Doet alles in ware liefde en met begrip, want alles leeft.
    Slacht nooit een dier voor jullie persoonlijk gebruik. Ziet, de natuur, het leven van de schepping, zorgt voor jullie. De vruchten van het veld, uit de tuinen en de bossen, moeten voor jullie toereikend zijn. En vertrapt nooit moedwillig leven, noch van dieren, noch van planten. Wie moedwillig leven vertrapt, schept oorzaken. Hij trapt als het ware op zijn eigen leven en zal daaronder lijden.

    10. Een man, wiens hand verdord was, kwam naar Jezus en zei: »Heer, ik was een metselaar en verdiende mijn levensonderhoud met mijn handen. Ik smeek Je, geef mij mijn gezondheid terug, zodat ik niet smadelijk om mijn brood moet bedelen.« En Jezus genas hem en sprak: »Er is een huis, dat niet met handen gebouwd is, zie toe, dat ook jij daarin wone.« (Hoofdst. 19, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De mens, wiens hand overeenkomstig de wet van oorzaak en gevolg ziek was, kreeg het leven in zijn hand terug, om weer in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Doch Ik gaf hem deze les mee op zijn levensweg: treed binnen in het huis, dat niet door mensenhand is gebouwd - in je innerlijk, want het is de tempel Gods. Voltrekt de mens dit, dan werkt de door Mij ontvangen kracht in hem door. Doet hij dit niet, dan is hem slechts tijdelijk gegeven, wat Ik hem schonk: het leven in zijn hand. Wie ondanks deze levensgave verder zondigt, haalt weer terug, wat Ik heb opgeheven; want dan was het alleen uitgesteld.
    God geeft! Wat de mens daar dan van maakt, ligt alleen in de beoordeling van de ziel en de mens. De mens kreeg de aanwijzing uit de eeuwige wet, niet langer te zondigen en de tempel van zijn innerlijk binnen te gaan. Zodoende is hij niet meer onwetend. De wetende draagt dan de verantwoording voor datgene, wat hij weet.

 

HOOFDSTUK 20

De terugkeer van de tweeënzeventig

 

Succes of mislukking van de door Christus uitgezondenen -
Verfijning van de materie - Aardvlekken, resten van negatieve energieën: de basis voor de laatste opstand van de demonen aan het einde van het vredesrijk - De ontbinding van de aardziel - Over »geesten« (3). De »wijzen« van de wereld herkennen de krachten van het heelal niet; zij worden beïnvloed en strijden tegen het licht (4). Christus openbaart Zijn eigen positie en Zijn verhouding tot God, het valgebeuren en Zijn verlossersdaad (5). Christus in het aardse lichaam en Zijn boden konden en kunnen alleen door diegenen worden herkend, die het innerlijke schouwen en horen hebben ontwikkeld - Wie Christus’ geboden hoort en verwezenlijkt, aan die openbaart zich de goddelijke wet en hij leeft in Hem (6). Machtige instraling van de eeuwige waarheid door de wijsheid in de tijd van de omwenteling (7)

 

    1. Na enige tijd keerden de tweeënzeventig weer vol vreugde terug en zeiden: »Heer, zelfs de duivels zijn ons onderdanig in Jouw Naam.«
    2. En Hij sprak tot hen: »Ik zag de satan als een bliksem uit de lucht vallen.
    3. Ziet, Ik heb jullie de macht gegeven, slangen en schorpioenen te vertrappen en over alle geweld van de vijand; en niets zal jullie schaden. Maar verheugen jullie je er niet over, dat de geesten jullie onderdanig zijn. Verheugen jullie je veel meer, dat jullie namen in de hemel geschreven zijn.« (Hoofdst. 20, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Niet alle mannen en vrouwen, die Ik in die zin als discipelen aangeduid heb, bleven de goddelijke wetten trouw. Sommigen waren niet opgewassen tegen de verlokkingen van de wereld. Zij keerden met lege handen terug. Houdt jullie ook niet vast aan het getal . Ziet dit getal als een begrip, dat zegt: het waren er veel. Allen, die Ik uitzond en die weer terugkwamen, waren eens in Mijn gevolg. Allen, die in de geest der waarheid bleven, werkten uit de Geest van de Vader en overwonnen in veel mensen de satan der zinnen en leidden hen zo tot het hogere leven. Met de woorden »zelfs de duivels zijn ons onderdanig in Jouw naam« bedoelden zij de satan van de zinnen, omdat velen, die zij de leer des levens brachten, deze aannamen en ook opvolgden.
    Zo was het, toen Ik in het aardse lichaam op aarde wandelde: degenen die Ik uitgezonden had en die in Mij, het leven, leefden, maakten een einde aan het tegenstrijdige. Hun zogenaamde vijanden hadden geen macht over hen, want zij waren beschermd door de wetten van het leven, omdat zij deze naleefden. Zo is het ook in de huidige tijd (1989): al degenen, die het satanische weerstaan, zullen bewust Gods kinderen zijn, die de aarde bezitten. Hun namen staan reeds nu in de hemelen geschreven. Door Mijn kracht zullen zij dat bereiken, wat voor veel mensen nog onvoorstelbaar is: de transformatie van het menselijke ik en de transformatie van deze wereld van het satanische naar het Goddelijke. Alles zal hen dienen - de aarde en alles, wat op de aarde is. Want zij zijn het, die in Mijn Naam het aardrijk bezitten.
    Na verloop van enige tijdperken van het vredesrijk zullen in het rijk Gods de mensen één geest zijn, omdat zij het satanische in hun zielen hebben overwonnen en bewust in Mij, de Christus, leven. Door hen zal Ik op aarde de verdere werken van liefde volbrengen.
    Hoewel de aardmantel en de atmosfeer van de aarde door de gesternten en de zeeën verregaand gereinigd zullen worden, blijven er toch nog gebieden op aarde bestaan, de zogenaamde aardvlekken, die van grovere materie zijn. Het zijn concentraties van negatieve energieën. Deze nog aanwezige negatieve energieën zijn overblijfselen uit vroegere tijden, waarin de duisternis op aarde werkzaam was en restanten uit de atoomopwerking, restanten van chemische stoffen en al het andere tegenstrijdige, dat de mens de aarde heeft aangedaan. Deze energieën blijven gedurende lange tijd inactief, omdat zij met lava bedekt zullen zijn.
    Ook in de nieuwe atmosfeer blijven er gebieden bestaan, waarin nog aspecten van het lijden van mensen en dieren zijn opgeslagen. Deze gebieden blijven even lang inactief als de aardvlekken op aarde.
    Aan het einde van het vredesrijk met zijn fijnere materie - voordat de transformatie van de aarde zich voltrekt - zal de satan zich met behulp van deze overblijfselen van negatieve energieën - de demonische krachten dus - nog eenmaal aan de mensen en de aarde mogen meten. Nog eenmaal zal de Eeuwige in Mij, Christus, de tegenstander de mogelijkheid geven, zichzelf te herkennen - voordat hij zich in de geestelijke evolutievelden zelf aan de ketting legt. De demonische wezens strijden tot het laatst, om hun territorium te redden. God-Vader in Mij, de Christus, geeft ook deze van Zijn kinderen daarmee nog eenmaal de kans tot zelfinzicht en ommekeer. Die zielen, die deze laatste mogelijkheid niet benutten, zullen zichzelf in de geestelijke evolutievelden weer op moeten bouwen, omdat de partikelstructuur van hun geestelijke lichaam schade heeft opgelopen. Zo’n gedeformeerd zielelichaam behoeft dus de regeneratie door middel van de geestelijke bewustzijnskrachten, van dieren, planten of zelfs van mineralen.
    Ook de aardziel zal zich - echter pas na vele energetische lichtjaren - van de aarde losmaken. Dit geschiedt op dezelfde wijze, als de ziel van de mens zich losmaakt van het materiële lichaam en in fijnstoffelijke gebieden gaat. De mens noemt deze gebeurtenis de dood van het lichaam.
    Wanneer de aardziel zich bevrijdt van de aardmantel, zal deze uiteen barsten; dat is dan de ontbinding van de aarde. Tot dit oergeweldige omzettingsproces echter, zal de aarde nog veel te dragen hebben. Zowel de mens alsook de aarde zullen nog veel beleven.

    In de uitspraak: »Maar verheugen jullie je er niet over, dat de geesten jullie onderdanig zijn« wil Ik het woord "geesten" rechtzetten:
    tweeduizend jaar geleden en ook in latere eeuwen noemde men belaste zielen "geesten". Als "geesten" werden ook natuurwezens en onverklaarbare fenomenen aangeduid. Het zijn echter geestelijk vormgeworden energieën, die voor de mens onzichtbaar zijn.
    De werkelijkheid is de eeuwige Geest, het allesdoorstromende leven, waaruit de substanties, de vormgeworden wezens voortkomen, zoals: geestwezens, natuurwezens, dieren, planten, mineralen. De Geest is het eeuwige, reine, allesdoorstromende leven, die geestwezens, mensen, dieren, planten, mineralen, ja alles onderhoudt.

    4. Op dit uur verheugde Jezus zich in de geest en sprak: »Ik dank Je, heilige Vader des hemels en der aarde, dat Je zulks verborgen hebt aan de wijzen en verstandigen maar het geopenbaard hebt aan de onmondigen. Ja, Al-Heilige, want zo schijnt het goed te zijn in Jouw ogen. (Hoofdst. 20, 4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met het woord "wijzen" worden hier die mensen bedoeld, die zich enkel op grond van hun intellect, dat wil zeggen van hun verstandelijke kennis, verstandig wanen. Waarlijk wijs is slechts die mens, die de goddelijke wetten vervult.
    Velen, die zichzelf wegens hun intellect "wijs" en verstandig achten, hebben van de aarde een braakland gemaakt. Nog erkennen zij de krachten niet van de Vader en Zijn zoon, Christus, de Ik Ben - krachten, die steeds meer werkzaam worden door zonen en dochters van Gods in hun aardse gewaad en die de wereld veranderen. Die krachten van het heelal zijn nog verborgen voor degenen, die hun hart voor de zin van het leven gesloten houden. Zij menen nog steeds, dat zij dat moeten volbrengen, dat met hun verstand overeenstemt en dat zij daarom voor juist en belangrijk houden. Zij denken dat zij daarin hun wijsheid en verstand tot uitdrukking moeten brengen.
    O, mensen in het wordende en groeiende vredesrijk van Jezus Christus, die in de volgende generaties het aardrijk steeds meer zullen bezitten, erkent: tot de volledige ontplooiing van het vredesrijk zullen zich de wereldlijk georiënteerde mensen steeds weer vol ijver bij elkaar aansluiten om tegen de werken van de Heer te strijden. Velen van hen beseffen niet, dat zij door het licht van de waarheid al bestraald, verblind zijn. Onbewust en door slaafse ijver gegrepen, reageren zij, zoals het hen door de demonen ingegeven wordt - en strijden tegen het licht.
    Tot de Mijnen van de huidige tijd (1989), die de weg naar de ware wijsheid Gods nastreven spreek Ik: blijft waarachtig! Want de tijd is aangebroken, waarin Ik, Christus, de mensen, die van goede wil zijn, steeds meer met goddelijke liefde en wijsheid doorstroom en hen tot echte werktuigen Gods maak.
    De weg tot het hart van God, die Ik in de Bergrede uitgelegd en in vele openbaringen toegelicht, aangevuld en verdiept heb, is de weg tot de liefde en wijsheid van God, tot het echte mensdom. Beseft dit in de huidige tijd (1989)!
    Dit moeten ook de mensen in alle ontwikkelingsfasen in het vredesrijk, het rijk Gods op aarde, weten, opdat zij beseffen, dat Ik reeds in de huidige tijd (1989) versterkt met de Mijnen was, dat Ik hen geschoold en geleid heb.

    5. Aan Mij is alles overgedragen door Mijn Vader. En niemand kent de zoon, dan alleen de Vader; noch wie de Vader is, dan alleen de zoon, en aan wie de zoon het wil openbaren.« (Hoofdst. 20, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Aan Mij is alles overgedragen door Mijn Vader.« Ik Ben des Vaders eerstgeschouwde en eerstgeboren zoon, de mederegent van de hemel. Ik Ben in de vier scheppingskrachten, de vier wezenheden Gods - Orde, Wil, Wijsheid en Ernst -, alomtegenwoordig. In deze vier wezenheidsstromen vloeit Mijn geestelijke erfdeel. Het is in de vier scheppingskrachten de alomtegenwoordige straling in het oerprincipe God.
    Daardoor Ben Ik God in de scheppersgeest van de Vader in de vier wezenheden - Orde, Wil, Wijsheid en Ernst. De drie eigenschappen van God - Geduld, Liefde en Barmhartigheid - zijn de kindschapseigenschappen. Daarin Ben Ik de zoon onder alle zonen en dochters van God. God betekent: hoogste, alomtegenwoordige energie, die alles voortbracht en voortbrengt en die is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
    Uit deze alomtegenwoordige energie, het eeuwigstromende oerpotentieel, de Geest, loste Ik een groot deel van Mijn geestelijke erfdeel in en plantte het als vonken in de zielen, die zich door minachting van de wet in de drie eigenschappen en in de vier wezenheden van God - die als geheel beschouwd de zeven basiskrachten van de schepping zijn - belast hebben, wier levensenergie dus tot de onderste vier valgebieden naar beneden is getransformeerd. Deze vier onderste valgebieden werden na Mijn "volbracht" tot reinigingsgebieden. Sinds het "volbracht" is de verlossersvonk steun en houvast voor de gevallen zielen, opdat hun geestelijke substantie zich niet oplost in de eeuwig stromende Geest.
    Want in de eerste valgedachte lag de wens tot oplossing van alle geestelijke vormen. Daarmee wilden de tegenstrijdige wezens het opnieuw beginnen van de schepping bewerkstelligen. De eeuwige Vader, wiens zoon Ik Ben, gaf Mij de kracht, datgene te volbrengen, wat in Zijn wil, de eeuwige wet, staat: al het Zijn als geheel te bewaren. Door de verlossersdaad ontving elke zwaar belaste ziel de verlossersvonk. Daarmee wordt de ziel gesteund, en zo wordt de mogelijkheid uitgesloten, dat zij zich in de alomtegenwoordige Geest, de goddelijke stroom, oplost en daarin als stromende energie overgaat. Door de verlossing wordt de ziel weer tot geestwezen en blijft in de geestelijke vorm het kind Gods. Had Ik Mijn erfdeel niet ingelost en als steun en ontwikkelingskracht aan de gevallen kinderen gegeven, dan zouden vele geestlichamen zich hebben opgelost tengevolge van de steeds sterker wordende belastingen. Daardoor zou het evenwicht van de schepping aan het wankelen zijn gegaan, en de oplossing van alle geestelijke vormen zou onontkoombaar het gevolg zijn geweest.
    Het is Mij dus door de Vader gegeven, als Verlosser te werken voor alle diepgevallen zielen en mensen en dezen, Zijn kinderen, weer terug te leiden tot Zijn hart. Voor iedere ziel Ben Ik daarom zo lang de Verlosser, tot zij de vier reinigingsgebieden heeft overwonnen. Heeft de ziel deze vier goddelijke bewustzijnsstralen geactiveerd, dan wordt zij aangetrokken door de drie eigenschapsgebieden, de voorbereidingsgebieden - ook ontwikkelingsgebieden tot de Absoluutheid genoemd, die de kindschapskrachten van het Vader-Moeder-Principe zijn. In deze drie eigenschapsgebieden activeert het wordende geestwezen weer de volledige stralingswet, de eeuwige oerwet. Is de volledige oerwet weer actief in het geestlichaam, dan treedt het reine wezen weer de Absoluutheid, het eeuwige Zijn binnen.
    Als de ziel op weg naar de volmaaktheid, het vierde reinigingsgebied, het bewustzijn van de goddelijke Ernst, heeft ontwikkeld, dan is in haar de verlossing voltrokken. Dat deel van Mijn erfdeel, dat als verlossersvonk de ziel gesteund, in stand gehouden en geleid heeft, gaat dan weer terug in de oerkracht, in de Alkracht. Op de weg door de drie voorbereidingsgebieden naar de Absoluutheid neemt het wordende geestwezen dan weer bewust het kindschap Gods aan. Als Jezus van Nazareth kon Ik van de verlossersdaad, van het uitstromen van Mijn erfdeel, nog niet in alle bijzonderheden onderrichten, omdat Ik het verlosserswerk nog niet had volbracht. Mijn erfdeel bevond zich nog in de oerwet. Bij Mijn doopsel door Johannes in de Jordaan, toen de Geest in het symbool van de duif over Mij kwam, werd Mijn erfdeel in de oerwet versterkt actief. Op Golgotha stroomde het bij Mijn woord "volbracht" en verdeelde zich in geestelijke vonken. Iedere diepgevallen ziel ontving daarvan de steun, de verlossersvonk.
    De betekenis van de uitspraak »... niemand kent de zoon, dan alleen de Vader« is het volgende: de mens, die slechts menselijk denkt en de materie als het enige ware beschouwt en erkent, voelt niet de Geest van de eeuwige Vader in zich. Slechts wie zichzelf als kind van de Vader weet, omdat hij de wetten van de liefde vervult, voelt ook de Vader, het leven, in zichzelf. De Vader kan daarom slechts door diegenen worden gevoeld, die de wet van de liefde verwezenlijken, die Ik als Jezus van Nazareth geleerd heb en als Christus Gods aan diegenen openbaar en leer die God meer liefhebben dan deze wereld.

    6. En Hij wendde zich tot Zijn discipelen en zei hen in vertrouwen: »Zalig zijn de ogen, die zien, wat jullie zien. Want Ik zeg jullie: vele profeten en koningen wilden zien, wat jullie zien, en hebben het niet gezien, en wilden horen, wat jullie horen, en hebben het niet gehoord. (Hoofdst. 20, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik Ben in God, jullie en Mijn Vader, de zoon Gods en God in de eeuwige vier scheppingskrachten.
    De woorden: »Zalig zijn de ogen, die zien, wat jullie zien« betekenen: Ik, de zoon Gods, de mederegent van de hemelen, was in het aardse lichaam midden onder de mensen. Zalig was de ziel in het aardse lichaam, die Mij, de zoon van God in het aardse lichaam, heeft herkend. De mens zag Mij slechts, zoals Ik als mens onder mensen was. De zielen van de zaligen herkenden in Mij het evenbeeld van de eeuwige Vader. Velen, die na Mijn lichamelijke dood op deze aarde kwamen, vernamen Mij door profetenmond. Maar Ik sprak niet meer rechtstreeks tot hen; want wie geen aards lichaam meer draagt, heeft ook niet langer de stem van de mensen. Dan is de overdracht van het woord Gods door profeten nodig.
    Ook het innerlijke schouwen is slechts indirect en niet direct; het is, zoals de mensen in de driedimensionele wereld het zien. Ik gaf en geef door profetenmond het woord des levens zowel na Mijn lichamelijke dood alsook in de huidige tijd (1989), opdat de Mijnen tot Mij vinden en de zaligheid verkrijgen en na het heengaan van hun aardse lichaam de eeuwige Vader van aangezicht tot aangezicht mogen schouwen.
    Wie dus de woorden des levens vervult, zal na de lichamelijke dood de Vader schouwen en Hem kennen. Hij zal bewust in Hem zijn - zoals Ik Hem ken en in Hem Ben. Wie Mijn woorden slechts hoort of leest en deze niet in zijn leven betrekt, zal de Vader niet in zich voelen, noch Hem na de dood van het lichaam schouwen en Hem ook niet kennen. Want de Eeuwige is de wet van het leven. Wie er zich niet aan houdt, is geestelijk dood. Slechts die ziel en die mens is bewust in de Vader, die Mijn woorden aanneemt en ernaar leeft. Zij worden weer tot Zijn evenbeeld.
    Zoals het was in de tijd van Mijn leven op aarde, ongeveer zo is het ook in de huidige tijd (1989). Ik, Christus in Jezus, stond tijdens mijn wandeling over de aarde in levende lijve voor Mijn apostelen en discipelen als het evenbeeld van de Vader. Maar de meesten, die Mij navolgden en Mij zagen, herkenden Mij niet. Slechts enkelen onder de apostelen en discipelen schouwden Mij, de Christus in Jezus. Zoals het toen was, zo is het ook in dit tijdperk: de Christus is slechts voor diegenen te schouwen, die hun geestelijke ogen geopend hebben door een leven volgens de eeuwige wet der liefde.
    Vele mensen bracht Ik de boodschap van de hemelen en sprak tot hen over Mijn komst als Christus. Maar weinigen verstonden echter de heilsboodschap. Zo wilden zij bijvoorbeeld geen Messias in de persoon van een bescheiden man, de Jezus van Nazareth, die een zoon was van de timmerman Jozef. Want zij wilden een aardse koning, die hen hun lasten afneemt, zonder dat zij er iets voor doen. Vele mensen hebben Mij, de Nazarener, horen spreken - en hoorden Mij toch niet, omdat zij slechts de Nazarener zagen en alleen maar de woorden van de Nazarener hoorden. Zij begrepen het woord Gods niet, dat door Mij, de Nazarener, sprak, omdat zij alleen de Jezus, de Nazarener, hoorden - en niet God door Zijn zoon in een aards lichaam.
    Ook in dit tijdperk stroomt Mijn woord in overvloed door de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid - een mensenkind onder de mensen, dat de goddelijke nabijheid in zich draagt. De eenheid met de eeuwige Vader in haar wordt net zo min herkend, zoals eens ook Ik, de mensenzoon onder de mensen, niet werd herkend.
    Het is een oud denkbeeld van de mensen, dat ieder van zijn medemensen zo zou moeten zijn, zoals hij zelf is. Zo onderscheiden veel mensen wel tussen rijkdom en uiterlijke armoede, echter niet tussen innerlijke rijkdom en armoede van de ziel. Zij kunnen de innerlijke ontwikkelingsgang niet herkennen en onderscheiden. Daarom zien zij ieder mens vanuit het perspectief van hun menselijke ik. Hun medemensen hebben voor hen slechts de betekenis, die hun "ik" hen toekent. Daarom worden de boden van God in het aardse lichaam niet herkend, en de woorden des levens, die door hen stromen, worden slechts door weinigen als het woord Gods, de wet des levens, aangenomen.
    Zo is het woord van de Eeuwige door de boden van God in het aardse lichaam, voor vele mensen maar een woord van mensen - en toch is en blijft het het woord Gods door Zijn tot de mensen gezonden boden.

    7. Gezegend zijn jullie in de binnenste kring, die Mijn woord horen en aan wie de geheimen onthuld worden, die geen onschuldig schepsel gevangen nemen of doden, maar die het goede zoeken in alles; want aan hen behoort eeuwig leven. (Hoofdst. 20, 7)
   

Ik, Christus, verklaar, verbeter
    en verdiep het woord:

    Ik verklaar de uitspraak: »Gezegend zijn jullie in de binnenste kring, die Mijn woord horen en aan wie de geheimen onthuld worden.« Wie het woord van de Vader, door Mij, Zijn zoon in een aards lichaam, Jezus, vermocht te verstaan, leefde er ook naar. Hij was waarlijk gezegend en maakte zijn intrede in de binnenste kring van Mijn schare en was bewust in Mij en Ik in hem als het licht van de wereld. Waarlijk, de zegen stroomde rijkelijk door Mij, Jezus, tot vele mensen en tot Mijn apostelen en discipelen.
    Zo stroomt ook de zegen, het woord van het Ik Ben, in deze tijd (1989) door de deelstraal van de geïncarneerde goddelijke wijsheid. Het is gegeven aan alle mensen en stroomt ook nu weer in de binnenste kring tot degenen, die zich rond Mijn heilig woord scharen. Ik geef het door de mens, in wie het lichtwezen is geïncarneerd, dat Ik in de huidige tijd, aan het begin van de machtige tijdsomwenteling, tot de mensen heb gezonden, opdat zij Mijn woord door hem horen en ernaar leven. En als zij Mijn heilig woord verwezenlijken, dat Ik hen wederom leer, en Mijn gebod in acht nemen, elkander onbaatzuchtig lief te hebben - zoals Ik hen als Christus liefheb -, zullen zij weer Mijn ware discipelen zijn, de zonen en dochters van God, die bewust Mijn komst voorbereiden.
    Als Jezus van Nazareth leerde Ik Mijn apostelen en discipelen de eeuwige wetten. Aan eenieder van hen, die Mijn leer verwezenlijkte, werden de zogenaamde "geheimen" onthuld, omdat de sluiers van het menselijke ik van hem af vielen en hij daardoor in de waarheid leefde. Op dezelfde manier leer Ik nu weer als Christus door de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid de wet van de liefde. Wie deze verwezenlijkt, onthult de eeuwige wet. De sluiers van egoïsme verdwijnen, en ziel en mens staan dan in het licht van de waarheid.
    Aan mensen in de geest is alles openbaar, omdat zij de wet des levens vervullen. Thans (1989) onderricht Ik in alle details de weg tot de onbaatzuchtige liefde en leidt alle goedwillenden, die bereid zijn hun menselijk ik op te geven, om goddelijk te worden, naar het rijk Gods, dat binnen in ieder mens is.
    Slechts die ziel en die mens, die vervuld zijn van Mijn Geest, vervullen, wat Ik hen geboden heb. Mensen van de geest zullen geen onschuldige schepselen gevangen nemen, gevangen houden of zelfs doden. Wie in de waarheid leeft, weet, dat in ieder schepsel de oneindige liefde heerst en werkt. Mensen in de geest der waarheid leven met de natuur en met al haar schepselen.
    Op de weg naar het hart van Mijn Vader leer Ik (1989) de mensen, zichzelf te erkennen en zichzelf als wezen uit God aan te nemen en in alle mensen en in alles, wat op hen toekomt, het goede te vinden. Wie zijn ware Zijn erkent, onderhoudt het gebod der geboden: »Hebt elkander onbaatzuchtig lief, zoals Ik jullie als Jezus heb liefgehad en als Christus liefheb.« Mijn leer is de wet des levens. Wie deze verwezenlijkt, is vervuld van de Geest van de Vader en leeft in Mij, de Christus. Allen, die het gebod der geboden onderhouden, leven in Mij, en Ik werk door hen. Want door hen vervul Ik, wat geopenbaard is: het rijk Gods op deze aarde.
    De mensheid staat in een grote tijdsomwenteling. Ik, Christus, bereid Mijn komst voor en geef Mijn boodschap via zonen en dochters van God door, die in de opdracht van Mijn verlossing staan, zodat velen Mij vinden en één worden onder de wijde mantel van het Universele Leven - want God is universeel leven, universeel Zijn.

    8. Gezegend zullen degenen zijn, die zich onthouden van alles, wat door bloedvergieten en doden werd verkregen; en die recht en rechtvaardigheid beoefenen. Gezegend zijn jullie; want jullie zullen zaligheid verkrijgen.« (Hoofdst. 20, 8)

 

Ik, Christus, verklaar, verbeter
    en verdiep het woord:

    In de wending van de oude tijd, - de tijd onder de causaalwet -, tot de Nieuwe Tijd, de lichttijd, openbaar Ik Mij uit alle zeven basisstralen van God door de deelstraal van de goddelijke wijsheid. Een machtige stralenband van de eeuwige waarheid stroomt door de goddelijke wijsheid tot de mensen. Nog eenmaal wordt hen Mijn denken en leven als Jezus van Nazareth naderbij gebracht. Ook leer Ik allen, die op Mij, de Christus, bouwen, weer de wetten van het leven en hun wetmatige toepassing. Wie deze verwezenlijkt, begint toe te treden tot het vervulde leven, en bouwt mee aan het vredesrijk van Jezus Christus, waarover in de voorbije tijdperken profeten en verlichte mensen hebben verkondigd.
    Waarlijk, waarlijk, zalig zijn zij, die zich aan Mij, de Christus, houden, doordat zij het gebod der geboden vervullen. Zij zullen binden noch doden. Zij zullen recht en rechtvaardigheid beoefenen, opdat er vrede kome onder de mensen. Want de tijd is gekomen (1989), waarin Ik uit alle vier de windstreken degenen verzamel, die ernaar streven te onderhouden, wat Ik hen geboden heb.
    Weet: ondanks Mijn aanwijzingen en leringen zullen nog vele mensen door hun oorzaken, die zij tegen beter weten in steeds weer scheppen, zichzelf vernietigen. Hun zielen blijven echter behouden door Mij, de Verlosser. Al diegenen, die tegen beter weten in de geboden des levens veronachtzamen, zullen zo lang aan Mijn linkerzijde staan, tot zij Mij, de Verlosser, hebben aan- en opgenomen en de vrede en de liefde in zichzelf vinden en bewaren - en zo tot de wet van liefde worden. Dan wisselen zij van links naar rechts en zij zullen met Mij zijn, tot alle zielen aan Mijn rechterzijde staan, die Ik dan als evenbeelden van God weer naar de Vader leid.

HOOFDSTUK 21

Jezus berispt de wreedheid tegen een paard

 

De zelfzuchtige, egoïstische mens heerst
over de dieren en kwelt hen - Wie in God leeft, is één met alle schepselen (2-4). De mens schendt en vernietigt het leven op aarde - Het uitsterven van vele diersoorten - Betekenis van veel dieren voor het ecologische evenwicht - De wet van zaad en oogst geldt ook in de omgang met de schepping (5). Onbaatzuchtige liefde, de sleutel tot begrip van en hulp voor de naaste en tot inzicht in de causaliteitswet en het overwinnen daarvan - Honger en dorst van de ziel naar de innerlijke bron (7). Het doden van dieren, ook als offer, is een gruwel voor God - Ieder mens zou vrijwillig zijn ik moeten offeren - Verkeerd Godsbeeld - »Oog om oog, tand om tand« (8) en »zo wil Ik jullie verstoten« juist begrepen - Overlevering en interpretatie van bijbelse woorden (10). Aardse rijkdommen en innerlijke rijkdom (11). Uiterlijke rijkdom is slechts geleend, om hem voor velen in te zetten (12-13). De wet Gods is absoluut en zal vervuld worden - Het doopsel met water, een symbool - Het »volbracht« - Christus leert nu de gehele waarheid (14). De planning en voorbereiding van de verlossersopdracht en van het verlosserswerk - Vele geestwezens staan in de opdracht,totdat alle valwezens zijn teruggekeerd (16)

 

    1. Het geschiedde, dat de Heer de stad uit trok en met Zijn discipelen over het gebergte ging. En toen kwamen zij aan een berg met zeer steile wegen. Daar ontmoetten zij een man met een lastdier.
    2. Het paard was echter ineengestort, want het was overbelast. De man sloeg het, tot er bloed vloeide. En Jezus ging naar hem toe en sprak: »Jij zoon van wreedheid, waarom sla je je dier? Zie je dan niet, dat het veel te zwak is voor zijn last en weet je niet, dat het lijdt?«
    3. De man echter antwoordde: »Wat heb Jij daarmee te maken? Ik kan mijn dier slaan, zoveel het mij bevalt, want het is van mij en ik kocht het voor een mooie som gelds. Vraag hen, die bij je zijn, zij zijn uit mijn buurt en weten het.«
    4. En enkele van de discipelen antwoordden en zeiden: »Ja, Heer, het is zoals hij zegt, wij waren erbij, toen hij het paard kocht.« En de Heer antwoordde: »Zien jullie dan niet, hoe het bloedt en horen jullie niet, hoe het kreunt en jammert?« Zij echter antwoordden en zeiden: »Nee, Heer, wij horen niet, dat het kreunt en jammert.« (Hoofdst. 21, 1-4)

Ik, Christus, verklaar,verbeter
en verdiep het woord:

    Zelfs als de mens een dier verworven heeft, is het toch niet zijn eigendom. Zoals het geestelijke lichaam, de ziel in de mens, tot het eeuwige Zijn behoort, omdat de Eeuwige het geestelijke lichaam heeft geschapen en het geestwezen door de Eeuwige in het eeuwige Zijn leeft, zo werd ook het dier door de eeuwige Scheppergeest geschapen en behoort tot dat leven, dat ís en eeuwig zal zijn - tot God.
    De hele oneindigheid is dienende liefde, dienend leven: ook de mens is door Mij, Christus, geroepen, zijn naaste op onbaatzuchtige wijze te dienen. Daartoe behoort ook de overnaaste, het dier. Want ook het dier is met de gaven van onbaatzuchtig dienen uitgerust en dient graag en bereidwillig de mens, die het liefheeft.
    Als de mens zijn naasten, zijn medemensen dus, niet onbaatzuchtig liefheeft, zal hij hen ook niet onbaatzuchtig dienen. Zijn zelfzuchtigheid brengt hij dan eveneens over op de dieren- planten- en mineralenwereld.
    Het dier kan niet spreken. Stil lijdt en duldt het en kan zijn pijn en leed nauwelijks mededelen. Slechts diegene kan waarnemen, wat het dier aan leed en pijn duldt, die mensen, dieren, planten en stenen onbaatzuchtig liefheeft.
    De egoïstische mens, die wil heersen, verwacht, dat zijn medemensen hem dienen. Hij verlangt ook van het dier, dat het hem dient boven zijn mogelijkheden en krachten. Hij zelf bepaalt - en dient niet. Daarom berokkent hij mensen en dieren onnoemelijk veel leed. Als de mens zijn medemensen afhankelijk van hem maakt - als het ware tot slaven - dan zal hij ook de dieren onderdrukken. Wie niet meer naar zijn geweten luistert, wordt hardvochtig tegenover mens en dier. Hij kijkt alleen nog naar zijn eigen interesses, zijn eigenbelang. Hij vindt zichzelf heel belangrijk en vergeet daarbij, dat zijn naasten en overnaasten, de dieren, onder zijn egoïstische heerschappij te lijden hebben. Hij merkt dan ook niet meer, wat zijn naaste en het dier nodig hebben. Als de zintuigen van de mens zijn afgestompt, is de hele mens gevoelsarm. Des te gevoeliger reageert hij echter, als zijn eigen ik wordt aangesproken en zijn handelen in twijfel wordt getrokken.
    Erkent: wie alleen met deze wereld is, kijkt ook alleen maar naar zijn kleine beperkte wereld van het ik. Daardoor wordt hij afgestompt ten opzichte van de wet van het leven en wordt zo een geestelijk dode. Geestelijk doden zijn stom en doof voor het ware leven. Zij zullen zo lang, als het volgens de wetten van de incarnatie nog mogelijk is, weer in de materie geboren worden, om in hun steeds veranderende lot te ervaren en te beleven, dat hun naaste, die naast hen staat en ook het dier, voelt en lijdt - temeer omdat allen het leven uit God hebben.
    Gelukkig degenen, die inzien, dat hun verdere bestaan kwelling of vrijheid kan betekenen, omdat de mens oogst, wat hij zaait.
    De tijd is nabij, waarin de zwaarbelaste zielen het tijdelijke leven niet langer kunnen opzoeken, omdat dan het licht op de aarde woont. De schaduwen van het menselijke ik kunnen dan de wereld niet langer beheersen, omdat Gods wil geleefd en zichtbaar wordt.
    Wie zijn leven aan God heeft gewijd, is onbaatzuchtig geworden. Zijn leven staat dan in de onbaatzuchtige dienst van de naaste. De mens in de Geest van de Heer spreekt niet meer van mijn en dijn. Hij leeft in Gods overvloed van eeuwigheid tot eeuwigheid - in dat, wat God hem heeft nagelaten: al het Zijn, de eeuwigheid.
    Wie dus waarachtig leeft, die schouwt wat geestelijk doden niet zien - hij hoort, wat geestelijk doden niet kunnen horen: het leven, dat stroomt, uit mens, dier, plant en steen, uit de hele oneindigheid. Want wie in Mij leeft, is één met alle mensen, wezens, dieren, planten, stenen en met de hele oneindigheid. Hij verstaat de taal van de liefde.

    5. En de Heer werd verdrietig en sprak: »Wee jullie, door de afgestomptheid van jullie hart horen jullie niet, hoe het klaagt en roept tot zijn hemelse Schepper om erbarmen, en driemaal wee over hen, tegen wie het roept en kreunt in zijn pijn!« (Hoofdst. 21, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wee degenen, die tegen mens, dier, plant, steen en tegen alles zondigen, wat God hen tot het leven in Hem heeft gegeven! Het gemoed van veel mensen is afgestompt. Hun menselijke ik denkt alleen aan eigen voordeel. Daarbij benadeelt de egoïstische mens zijn medemensen en buit ook de natuurrijken uit. De mens van deze tijd (1989) legde en legt de hand aan de grote aardmens, de aarde. Hij verontreinigt de aarde, schendt het leven op haar en beïnvloedt door zijn omgang met de atoomkracht de atmosfeer, evenzo met chemicaliën en andere stoffen. Hij schendt dus de aarde en alles, wat daarop leeft en vernietigt haar atmosferische mantel, die haar en al het aardse leven bescherming biedt.
    Juist in deze tijdsomwenteling, de wending van de oude, zondige tijd naar de lichttijd, roepen dier- en plantensoorten met hun gevoelskrachten, met de taal van hun bewustzijn, tot hun Schepper om hulp en redding. Onvoorstelbaar lijden de dieren en planten onder de uitwassen van het menselijke ik, het menselijke egoïsme. Het geknechte leven roept om erbarmen en verlossing.
    God, Mijn Vader, de schepper van alle levensvormen, heeft het geknechte schepsel verhoord. Veel diersoorten sterven uit door de tegenstrijdige handelwijze der mensen. Hun geestelijke krachten gaan ofwel terug in de aardziel, of naar de zuivere gebieden van het eeuwige Zijn. Dat is voor velen een verlossing. Velen van hen komen echter dan terug, als het licht op de aarde woont, omdat mensen in de eenheid met God leven.
    Weet: elke onuitgeboete misdaad en elke verkeerde handeling - zij het aan mensen, dieren, planten, zelfs aan stenen, aan de hele aarde dus en aan de atmosfeer - komt op de veroorzaker terug. Erkent: veel dieren zijn aan de mensen gegeven, opdat zij hen dienen. Vele zijn gegeven, om het ecologische evenwicht te bewaren. Maar het juiste wederkerige dienen kan er slechts zijn, als de mens de kindschapsliefde uit de Vader-Moeder-God en de schepperliefde, die in het dier, in de planten en stenen werkzaam is, heeft ontwikkeld. Dan kan hij ook met al het Zijn communiceren.
    Waar zuivere communicatie bestaat, daar stroomt ook eeuwige, kosmische energie. Waar de krachten der liefde echter gebonden zijn, daar heerst hardvochtigheid, egoïsme en slavernij. Daar bestaat noch begrip, noch tolerantie, daar is slechts nemen en geen stromen uit geven en ontvangen.
    Het is de wet: wat de mens de geringste van Mijn broeders aandoet, zijn medemens, dat heeft hij Mij, de Christus, aangedaan - en uiteindelijk ook zichzelf; want wat de mens zaait, zal hij oogsten. De oogst komt steeds overeen met het zaad. Als de mens tegen de eeuwige wet van onbaatzuchtige liefde zondigt, wendt hij zich af van de eeuwige energieën, die hij nodig heeft voor een gezond leven, voor het welzijn van zijn ziel en ook van zijn lichaam. Wie zich dus op de wereld en haar schaduwen richt, die wendt zich af van Mij, het licht. En wie zich van Mij afwendt, treedt de schaduwen van het menselijke ik binnen. Wie in de schaduw staat, lijdt en verkommert en wordt de slaaf van zijn ik en maakt ook zijn naaste weer tot slaaf.
    Erkent: slechts diegene laat zich tot slaaf maken van de heersersmens, die zelf in de schaduw staat en daardoor reeds een slaaf is. Hij verkoopt zich dan aan de heersersmens voor een paar zilverlingen en verraadt zodoende zijn ware Heer. Dat gebeurt ten opzichte van mensen, dieren, planten, de aarde en de atmosfeer.

    6. En Hij ging verder en raakte het paard aan en het dier stond op en zijn wonden waren genezen. Tot de man echter sprak Hij: »Ga nu heen en sla het voortaan niet meer, als ook jij hoopt erbarmen te vinden.«
    7. En omdat Hij het volk naderbij zag komen, sprak Jezus tot zijn discipelen: »Omwille van de zieken Ben Ik ziek, omwille van de hongerigen lijd Ik honger, omwille van de dorstigen lijd Ik dorst.« (Hoofdst. 21, 6-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Omwille van de zieken Ben Ik ziek«, betekent: wie onbaatzuchtig liefheeft, is open voor zijn naaste en kan ook in zijn hart de pijn, het leed en de ziekte in zijn medemensen ervaren en voelen. Mensen, die onbaatzuchtig klaarstaan voor hun naasten, ontvangen uit Mij de kracht, om de zieke troost en hulp te geven. Mensen in Mijn geest dienen hun naasten onbaatzuchtig, als deze het wensen.
    Erkent: ieder mens heeft de vrije wil en niemand mag zich aan zijn naaste opdringen. Daarom moet de mens alleen dan hulp geven, als deze gewenst wordt.
    De geest van de liefde stroomt door onbaatzuchtig dienende mensen naar velen van Zijn mensenkinderen en laat hen hulp deelachtig worden. God staat Zijn mensenkinderen in iedere situatie bij - ook door mensen, wier hart onbaatzuchtig slaat voor hun medemensen. Wie onbaatzuchtig liefheeft, dient ook onbaatzuchtig. Daardoor komt het goede in deze wereld: God.
    Wie zijn eigen oorzaken erkent, kent ook de ketens van oorzaken, die in deze wereld gebeuren, wier gevolgen leidden en leiden tot velerlei ziekten, kwalen en pijn. Wie inzicht heeft in de wet van oorzaak en gevolg, kent ook de weg uit de verwardheid en verstrikkingen van het menselijke ik. En wie de weg gaat uit leed, pijn, ziekte en ellende, zal steeds minder oorzaken scheppen. Daardoor vermindert het slechte zaad in de akker van het leven. In hem komt dan het goede zaad op, het leven in Mij, de Christus.
    »... Omwille van de hongerigen lijd Ik honger, omwille van de dorstigen lijd Ik dorst« betekent: Ik ondervond als Jezus van Nazareth en weet als Christus, waarom veel van Mijn mensenkinderen gebrek hebben aan voedsel en waarom zij dorst lijden. Ik schouwde als Jezus het tekort en weet het als Christus. Het tekort is het gebrekkige licht in de ziel. De ontwaakte ziel hongert en dorst naar Mij, de Christus. Een in Mij ontwaakte ziel zal niet eerder rusten, dan dat de mens inziet, waarom hij honger en dorst heeft. Heeft de mens de nood van de ziel ingezien en brengt hij met Mijn kracht het erkende, dat geleid heeft tot lichtarmoede van de ziel, in het reine, dan ademt de ziel op en de mens wordt weer gezond.
    Erkent: de ziel leeft alleen van het licht van God. Heeft zij te weinig daarvan, dan wordt het lichaam ziek - of de mens moet honger en dorst lijden; al naar gelang, welk zaad hij in de akker, in zijn ziel, heeft gelegd.
    Iedere dorstige verlangt naar de bron, naar water. Stroomt de bron van innerlijk leven in de mens slechts mondjesmaat, omdat hij zich heeft afgewend van de bron, dan lijden ziel en mens. Wie in God leeft, voelt het leed van zijn naaste en zal niet eerder rusten, tot alle zielen en mensen bij de bron van het leven zijn aangekomen en de zielen zich met de oorsprong van de bron verenigen, om dan weer zelf de bron te zijn.
    Totdat alle mensen en zielen in dit geestelijke bewustzijn leven, zal Ik als Verlosser met de mensen en zielen zijn en hun ziekten, hun honger en dorst mee ervaren, de honger stillen en de dorst lessen - tot al het menselijke is opgelost en de ziel weer de bron uit God zelf is, het geestwezen van de hemel, het evenbeeld Gods.

    8. En Hij zei ook: »Ik Ben gekomen, om de offers en de bloedfeesten af te schaffen. Als jullie niet ophouden, vlees en bloed van dieren te offeren en te eten, zal de toorn van God niet aflaten over jullie te komen; zoals hij over jullie voorvaderen in de woestijn is gekomen, die het vleesgenot botvierden, vol verderf waren en wegteerden door plagen. (Hoofdst. 21, 8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Ik Ben gekomen, om de offers en de bloedfeesten af te schaffen« betekent: Ik Ben gekomen om jullie het evangelie, de wet van de liefde te leren en het jullie voor te leven, opdat jullie inzien, dat alleen die mens in zijn innerlijk rijk is aan geestelijke kracht, die de wetten van God in acht neemt. Mensen, die innerlijke waarden bezitten, zal het aan niets ontbreken. Want wie in zijn hart rijk is, is met zijn naaste en niet tegen hem - en daardoor voor God, het leven, dat overvloed is. Mensen met innerlijke waarden zijn ook met de dieren- en plantenwereld en niet tegen de schepping van God. Wie tegen zijn naaste is, zal tegen hem strijden en hem doden. En wie tegen zijn naaste is, is ook niet voor ander leven - noch dat van de dieren, noch dat van planten en stenen.
    Wie tegen het leven in Mij, de Christus, is, hongert en dorst naar succes, rijkdom, macht en aanzien. Voor zijn feesten en eetpartijen doodt hij dieren en eet hun vlees. Daarmee laat hij zien, dat hij ver van God is.
    Voor God, de Eeuwige, zijn ook dierenoffers een gruwel. Hij wil niet, dat Hem dieren geofferd of toegewijd worden. God heeft alle vormen van het Zijn, het leven gegeven, dus ook de dieren. Waartoe moeten zij Hem geofferd worden, terwijl toch Hij, het leven, zelf in hen woont?
    Als de mens echter zijn menselijke ik, zijn hartstochten en begeerten Mij, de Christus, zou opofferen en een leven naar Gods wil, een godvruchtig, dus een aan God gewijd leven zou nastreven en leiden, zou dit tot eenheid van alle levensvormen bijdragen. God is de Geest van de liefde en de vrijheid! Daarom zou ieder mens vrijwillig zijn ik moeten offeren. Dan pas wordt hij zachtmoedig en van harte deemoedig en komt tot de grote eenheid: God. Deze ontwikkeling van de mens tot Hem, heeft God in Zijn kinderen lief.
    En wie zich aan de eeuwige Vader-Moeder-God overgeeft, door zijn menselijke ik om te vormen tot het Goddelijke, zal geen dieren slachten, noch hun vlees eten en ook geen dier moedwillig doden. Zulke mensen zullen ook de plantenwereld met onbaatzuchtige liefde tegemoettreden, omdat ook zij een scheppingsgeschenk van God aan Zijn mensenkinderen is. De planten en de vruchten van het veld en het bos, schenken zichzelf bereidwillig aan de mens en willen hem tot voedsel dienen en tot geneesmiddel voor zijn zieke lichaam.

    De "toorn Gods" komt uit de voorstellingswereld van de heidenen, die in het oude verbond nog zeer levendig was: men meende, dat de "goden" wraak wilden nemen op de mensen. Het zou goed zijn, als de zondige mens zou inzien, dat hij de zogenaamde "toorn Gods" zelf heeft geschapen. De "toornige God" is het menselijke ik, dat wraak uitoefent op datgene, wat hij zelf heeft veroorzaakt, want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
    Ook de woorden "oog om oog, tand om tand", werden en worden verkeerd begrepen. De mens moet zich niet op zijn naaste wreken en kwaad met kwaad vergelden. Hem is geboden zijn naaste te vergeven, hem om vergeving te vragen en hetzelfde of iets dergelijks niet meer te doen. Wie dit gebod niet navolgt, begeeft zichzelf in de wet van oorzaak en gevolg. Die luidt: "oog om oog, tand om tand". Dan zal hij oogsten - "oog om oog, tand om tand", wat hij gezaaid heeft.
    Erkent: vroeg of laat zal het kwade, overheersende ik, de ik-god van de mens, ineenstorten - op zijn laatst, wanneer de oorzaken uit de ziel vloeien: hetgeen de mens gezaaid heeft.
    Erkent voorts: het leed der dieren en het vlees der moedwillig gedode dieren, dat gegeten werd, ondermijnt weer het lichaam van de mens. De gevolgen zijn ziekten en plagen. Het zijn de gevolgen op deze of gelijksoortige oorzaken.

    9. En Ik zeg jullie, zelfs als jullie in Mijn schoot verzameld zijn, Mijn geboden echter niet in acht nemen, zal Ik jullie verstoten. Want, als jullie niet de verborgen kennis in het kleinste willen vervullen, hoe zal Ik jullie dan het grotere geven?
    10. Wie getrouw is in het kleinste, zal ook getrouw zijn in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, zal ook onrechtvaardig zijn in het grote. (Hoofdst. 21, 9-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »En Ik zeg jullie, zelfs als jullie in Mijn schoot verzameld zijn, Mijn geboden echter niet in acht nemen, zal Ik jullie verstoten«, betekent: ook als de mens: »Heer, Heer« roept en veel over Mij spreekt en over het evangelie van de liefde, echter in zijn leven niet verwezenlijkt en datgene niet navolgt, waarover hij spreekt, dan zal hij zichzelf - door zijn menselijke ik - verstoten. Daardoor treedt hij buiten de wet van liefde en schept oorzaken, wier gevolgen over hem zullen komen, als hij deze niet tijdig erkent, berouwt en zoiets niet meer doet. Niet het Ik Ben, God, verstoot de ziel en de mens. De mens wendt zich zelf af van de wet van de liefde en het leven; hij schept daardoor zijn eigen wet, waaronder hij dan lijdt. Want de mens zal datgene ontvangen, wat hij gezaaid heeft. Streeft er daarom naar, in Mijn schoot te blijven, door een leven in Mij, de Christus, door onbaatzuchtige liefde en onzelfzuchtige werken.
    De uitspraak »dan zal Ik jullie verstoten« komt nooit uit de Geest Gods, die Ik Ben. De zin van deze uitspraak is: door jullie eigen kleine ik werpen jullie je ziel in het dal der oorzaken, waaronder jullie dan zullen lijden. Want alleen het ik van de mens bouwt in de ziel en in het fysieke lichaam de wet van oorzaak en gevolg op.
    In veel oude teksten, die in vroegere tijden werden gegeven en steeds weer herschreven en vertaald werden, slopen zegswijzen uit de tijd van vóór en na het oude verbond binnen. Wanneer degenen, die deze teksten herschreven en vertaald hebben, nog in deze voorstellingswereld gevangen waren, dan gebruikten zij ook deze begrippen en namen zij in de nieuwe tekstversies over, in de mening, dat zij de betreffende tekst juist hadden begrepen en daarom ook juist hadden herschreven en vertaald.
    Ook in jullie zogenaamde bijbels werden steeds weer zulke oude begrippen overgenomen. Dat gebeurt ook nu nog (1989). Ook daarom kunnen veel bijbelkundigen en theologen Mijn geopenbaarde woord voor de huidige tijd en voor de Nieuwe Tijd, de lichttijd, niet begrijpen. Door de starre toepassing van zulke begrippen kwam veel mensenwerk in de bijbels terecht. Niet altijd werd de tekst bewust verkeerd geïnterpreteerd - het sloop er vaak onbewust, uit menselijke overtuigingen in. De oude spreekvormen en de oude begrippen, waarmee de goddelijke waarheid in menselijke woorden werd weergegeven, hebben echter in de huidige tijd (1989) vaak een andere inhoud en betekenis.
    Had de mensheid geluisterd naar de door God gezonden profeten - ook binnen de institutionele kerken - en had zij vervuld, wat God door Zijn instrumenten leerde; had de mensheid ook geluisterd naar datgene, wat Ik als Jezus van Nazareth geleerd en voorgeleefd heb, dan zou dit tijdperk vol zijn van licht, dus van waarheid - en er waren geen profeten meer nodig geweest.
    Erkent: wie het kleinste gebod, begrip en tolerantie tegenover zijn medemensen op te brengen en hun vrije wil te achten, niet vervult, kan ook het grootste gebod, het gebod van de liefde, niet vervullen. Wie de wet van oorzaak en gevolg niet aanvaardt en daarom zijn naaste als schuldige veroordeelt, hoe kan hij het grotere ontvangen, de wet van liefde, het waarachtige leven?
    Kennis is geen wijsheid. De goddelijke wijsheid blijft verborgen voor degene, die slechts kennis verzamelt.
    Wie in de kleinste dingen trouw, oprecht en eerlijk is tegenover zichzelf, is het ook jegens zijn naaste. Zulke mensen zullen dan ook grote dingen volbrengen, die duurzaam zijn, omdat zij in Mijn wil leven. Wie echter in het kleinste hebzuchtig, afgunstig, jaloers en begerig is, zal ook dan, als het om grotere zaken en aangelegenheden gaat, overeenkomstig denken, spreken en handelen.
    Weet: uit afgunst, jaloezie, hebzucht en strijd ontstonden oorlogen, moord, vernietiging en tweespalt onder de volkeren.
    Gesproken voor de mensen in het lichte vredesrijk: zo was het ook nog in de tijd, waarin Ik dit werk door de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid heb geopenbaard, in het begin van de machtige tijdsomwenteling.

    11. En als jullie niet trouw zijn geweest in de zondige, aardse goederen, wie zal jullie dan de ware rijkdommen toevertrouwen? En als jullie niet trouw zijn geweest in datgene, wat van een ander is, wie zal jullie dan dat geven, wat van jullie is? (Hoofdst. 21, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Als jullie je aardse goederen als jullie eigendom beschouwen, en er alleen op bedacht zijn, het voor jullie eigen doeleinden te vermeerderen, dan zijn jullie innerlijk verarmd, want jullie beheren het bezit niet op wetmatige wijze - tot welzijn van velen. God zal jullie dan niet de ware rijkdommen toevertrouwen: de wet van het leven in deze wereld te brengen. Want wie de wet van de liefde en het leven niet vervult, is geestelijk verarmd. En als jullie je naasten hebben bedrogen, de wetten van het leven en de liefde dus niet trouw zijn gebleven - hoe kunnen jullie dan het hemelrijk, het onbaatzuchtige leven, bereiken?
    Wie de hemel wil binnengaan, moet innerlijk rijk zijn - rijk aan innerlijke waarden en goddelijkheid. Wie voor zichzelf op aarde rijkdommen verworven heeft en deze als zijn eigendom beschouwt, is in de geest van het leven arm. Want wat hem aan uiterlijke rijkdom gegeven is, werd hem slechts toevertrouwd, om daarmee het gemeenschappelijk welzijn op aarde te bevorderen, dat wil zeggen: één voor allen - en allen voor één.
    Wie de aardse rijkdommen als zijn eigendom beschouwt en als zijn verdienste, is niet beter dan degene, die zijn naaste om zijn have en goed benijdt en het hem tracht weg te nemen of zich ermee wil verrijken.
    Wie echter eerst naar het hemelrijk streeft, heeft in zichzelf het eeuwige leven erkend en het bewust aan- en opgenomen.
    Wie de innerlijke rijkdom ontwikkelt, zal ook als mens aan niets gebrek hebben. Want God, de Vader-Moeder-God, zorgt voor Zijn aardse kinderen, opdat zij geen gebrek hoeven te lijden. Als mensen echter gebrek hebben en honger lijden, hebben zij in vorige levens hun medebroeders- en zusters het brood geweigerd en de hulp ontzegd, of als mensen met kennis hen vaak niet wetmatig geleid volgens het gebod »bid en werk«.
    God heeft aan vele mensen een uiterlijk vermogen toevertrouwd, opdat zij het inzetten voor het gemeenschappelijk welzijn en op de juiste manier vermeerderen, tot welzijn van allen. Wie lijdt en gebrek heeft, moet troost en hulp ontvangen van hen, die God de gaven daartoe gegeven heeft, zodat zij deze op de juiste wijze onder Zijn noodlijdende en hongerende kinderen verdelen. Het moet echter wetmatig worden verdeeld volgens het gebod »bid en werk«.

    12. Niemand kan twee heren dienen. Want hij moet ofwel de ene haten en de andere liefhebben; of hij moet vóór de ene zijn en de andere minachten. Jullie kunnen niet God en de mammon tegelijk dienen.« En de farizeeën, die hebzuchtig waren, hoorden al deze woorden en bespotten Hem.
    13. En Hij sprak tot hen: »Jullie zijn het, die zich voor mensen rechtvaardigen; maar God kent jullie harten: want wat onder de mensen hoog wordt ingeschat, is een gruwel in het aangezicht Gods. (Hoofdst. 21, 12-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Niemand kan twee heren dienen. Wie zich echter aan de ene Heer, de Vader-Moeder-God, toevertrouwt, door Gods wil te vervullen, zal God ook in zijn naaste dienen en zal zichzelf niet hoger schatten dan zijn naaste. Wie echter de uiterlijke rijkdom zijn eigendom noemt, zal op zijn naaste neerkijken en hem geringschatten. Zulke mensen zijn vaak zelfzuchtig, angstig en kleinzielig en jegens hun naaste wantrouwend en argwanend, want zij zijn van mening, dat hun naaste hen zou kunnen bedriegen en hun rijkdom ontvreemden, die zij volgens de wetten van het leven helemaal niet bezitten - die hun slechts geleend is, opdat zij het op de juiste wijze inzetten voor velen. Zulke mensen houden alleen van zichzelf en hun schijnbare rijkdom en stellen zich op tegen allen, waarvan zij denken, dat zij hen willen beroven.
    Te allen tijde waren en zijn er farizeeën, die mooie praatjes hebben en veel argumenten en uitvluchten, om datgene te behouden, wat zij zich als hun schijnbaar eigendom hebben toegeëigend.
    Erkent: eenieder, die zich verdedigt en rechtvaardigt, klaagt zichzelf aan en getuigt van wie hij is. God kent al Zijn kinderen! Hij kijkt niet naar het gepraat van de mensen, maar in hun hart. Voor de Eeuwige is niets verborgen. Als de tijd rijp is, laat Hij alles openbaar worden, opdat elke zondaar zichzelf erkent, opdat hij berouwt, om vergeving vraagt, vergeeft, weer goedmaakt en zoiets niet meer doet, zodat hij zich weer vindt in God.
    Daartoe leer Ik, Christus, in deze tijd (1989), weer de Innerlijke Weg, opdat alle mensen, die van goede wil zijn, zichzelf herkennen, God weer vinden en tot eenheid komen met Hem en met hun naasten, door de zoon, die Ik Ben.

    14. De wet en de profeten golden tot Johannes. En vanaf deze tijd wordt het rijk Gods gepredikt en eenieder gaat er binnen. Het is echter gemakkelijker, dat hemel en aarde vergaan, dan dat een puntje van de wet niet vervuld zou worden.« (Hoofdst. 21, 14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »De wet en de profeten golden tot Johannes« betekent: de wet, die de profeten hebben geleerd, werd tot het verschijnen van Johannes openbaar. Wat de profeten uit de wet Gods bovendien nog hebben geleerd, dat heb Ik als Jezus verdiept en leefde het de mensen voor. Daarop bouwde Ik als Jezus en begon het rijk Gods en zijn wetten te verkondigen, dat de profeten vóór Johannes reeds hadden aangekondigd. Iedere ziel gaat het rijk Gods binnen, die de wetten des levens verwezenlijkt en in acht neemt.
    De wet Gods is absoluut. Daarvan kan geen jota afgenomen worden. De wet van de Eeuwige zal zich ook op en in de aarde en in de reinigingsgebieden, in alle facetten van het leven vervullen. Ik Ben als Jezus van Nazareth gekomen, om de wet Gods te vervullen; en wie in Mijn voetsporen treedt, zal doen zoals Ik het geleerd, voorgeleefd en daarmee geboden heb.
    In dit tijdperk (1989) leer Ik, Christus, door Mijn profetes en verkondigster, opnieuw de eeuwige wet en leid de Mijnen het rijk van het innerlijk binnen. Ik leer hen ook opnieuw de eeuwige wetten voor het rijk Gods op deze aarde. Wie in Mijn voetsporen, in die van de Nazarener, treedt, is de medestichter en medebouwer van het vredesrijk van Jezus Christus op aarde.
    Ik, Christus, kwam dus in Jezus in deze wereld, om het rijk Gods op aarde te verkondigen en de wetten van het rijk Gods te onderwijzen.
    Met de woorden »onderwijst en dan doopt« bedoelde Ik het doopsel door de Heilige Geest. Want, wie de lessen uit de geest heeft ontvangen en vervuld, is de geestelijk gedoopte; hij heeft het doopsel met water niet meer nodig. Het doopsel met water kan slechts nog als symbool gelden. Want ieder mens, die de wetten van God verwezenlijkt, is door de Geest des levens gedoopt en kan de hemel binnengaan, omdat hij de wet des levens, God in Mij, de Christus, vervult.
    Ik, Jezus, ontving door Johannes het doopsel met water als symbool en van toen af begon Ik te prediken en te onderwijzen en de mensen het rijk Gods naderbij te brengen. Tegelijkertijd kwam ook de deelkracht uit de Oerkracht, het lichtpotentieel voor alle gevallen en belaste zielen, in de Oercentraalzon steeds meer in actie. En zoals Ik, als Jezus van Nazareth, het rijk Gods predikte en de weg er naartoe, de wet van liefde onderwees en voorleefde, zo deden het alle latere profeten, die Ik na Mijn "volbracht" zond, en zo zal Ik het ook in het vervolg doen, tot veel mensen in de vervulling van de eeuwige wetten leven.
    Erkent: door het "volbracht" is elke ziel de evolutieweg naar de eeuwige hemelen gegeven. Geen ziel zal achterblijven, want in allen, ja zelfs in de demon, is het verlosserslicht - het licht van de ziel - dat haar voor de oplossing behoedt.
    Alleen degene, die weer tot de absolute wet van de liefde is geworden, tot geestwezen, zal in de woningen terugkeren, die de eeuwige Vader voor hem heeft klaarstaan. Want iedere weer rein geworden ziel moet de wet Gods helemaal vervullen; er mag geen puntje van de wet onvervuld zijn.
    Ik, Christus, openbaar Mij opnieuw in deze tijdsomwenteling (1989), die leidt naar het nieuwe tijdperk, het vredesrijk van Jezus Christus. Door de goddelijke wijsheid komt de allesomvattende wet Gods weer op deze aarde, in alle details. Allen, die van goede wil zijn, vinden niet alleen de weg uit de wet van oorzaak en gevolg; zij ontvangen tevens de lessen en aanwijzingen, hoe zij de eeuwige wet des levens op deze aarde alomvattend kunnen toepassen.
    Ik, Christus, onderwijs in deze tijd dus de gehele waarheid. Wie uit de waarheid is, begrijpt de zin van het door Mij in woord en schrift geopenbaarde. Want mensen, die de Eeuwige naderbij komen, zijn niet meer gebonden aan het woord en ook niet meer aan de letter. Woorden en letters zijn slechts tekens.
    Mensen, die de Innerlijke Weg van de liefde bewust stap voor stap gaan, zullen niet meer vragen, wat achter de zogenaamde geheimen van God staat. Voor hen wordt alles openbaar, omdat de mens, die dichter bij het innerlijke leven komt, zijn geestelijke bewustzijn ontsluit, dus nederdaalt in de eeuwige wet, God, die alleen voor hen gesloten is, die het niet verwezenlijken en in acht nemen.
    Nu reeds zijn die mensen rijk in de geest des levens, die de weg der liefde bewandelen en in de gemeenschap met hun naasten leven. Zij kunnen zeker zijn, dat zij nu al aan Mijn rechterzijde staan.
    Ik, herhaal: deze tekst uit het boek: »Het evangelie van Jezus«, verklaar en verbeter Ik, Christus, voorzover de toenmalige begrippen en woorden met die van deze tijd niet meer overeenkomen, omdat hen een andere zinsinhoud toegekend wordt. Ook belangrijke onwetmatige interpretaties, die - mede door vertalingen - erin zijn geslopen, verbeter Ik. Ik verdiep ook de uiteenzettingen en voeg verdere wetmatigheden toe. Daardoor zullen al degenen, die in het vredesrijk van Jezus Christus zullen leven, niet alleen inzicht krijgen in datgene, wat zich in Mijn tijd als Jezus van Nazareth heeft afgespeeld, maar ook in dat, wat tot aan het ontwakende vredesrijk van Jezus Christus is geschied.

    15. En er kwamen meerdere vrouwen tot Hem en brachten hun kinderen, die zij aan de borst hadden, tot Hem, opdat Hij hen zou zegenen. Enkelen echter zeiden: »Waarom vallen jullie de Meester lastig?«
    16. Maar Jezus berispte hen en sprak: »Van dezen zullen degenen komen, die Mij aan de mensen zullen verkondigen.« En Hij nam hen in Zijn armen en zegende hen. (Hoofdst. 21, 15-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met de woorden »Van dezen zullen degenen komen, die Mij aan de mensen zullen verkondigen,« duidde Ik de komst aan van hen, die met Mij in de opdracht van de Vader-Moeder-God staan, om alle gevallen en belaste zielen en mensen aan het hart van de liefde terug te brengen.
    In het eeuwige Zijn, in de eeuwige stad Jeruzalem, werd in tegenwoordigheid van de eeuwige Vader de verlossersopdracht in alle details gepland en voorbereid. Ieder wezen, dat voor deze opdracht koos, bracht een of meer bouwstenen uit het grote mozaïek van het verlossersplan in, als zijn liefde- en hulppotentieel voor de gevallen en belaste zielen, in de Oercentraalzon en in de prismazonnen, dat wil zeggen, in de wezenheids- en eigenschapszonnen. Uitgaande van de Oercentraalzon en de wezenheids- en eigenschapszonnen, die de basiskrachten van de oneindigheid zijn, straalde de opdracht voor de verlossing in alle valwerelden en in de atmosfeer van deze aarde binnen.
    Gedurende dit machtige gebeuren namen de zonen en dochters van God hun aandeel aan het werk van de verlossing ook in hun geestelijk lichaam op.
    Vele zonen en dochters van God namen het besluit, het verlosserswerk met Mij, Christus, uit te voeren, tot de laatste ziel weer in het eeuwige Zijn is. Maar niet ieder geestwezen, dat onder de verlossersopdracht staat, zal tot het laatste met Mij, Christus, werken, dat wil zeggen, tot alle wezens weer de reinheid hebben bereikt. Deze geweldige hulpaktie - tot de laatste ziel weer thuisgekomen is,- is de taak van die wezens, die zich hiertoe verplicht hebben en die hoofdzakelijk uit het centrum van al het Zijn, uit het heiligdom komen, waar de val zijn aanvang heeft genomen. Het zijn degenen, die via het geslacht David in deze wereld kwamen en zo lang steeds weer op de aarde komen, tot het vredesrijk van Jezus Christus zijn hoogtepunt heeft bereikt. Zij staan tot het laatst met Mij in de verlossersopdracht en zijn met Mij, Christus, de hoofdverantwoordelijken in Mijn verlosserswerk.
    Ieder geestwezen, dat de verantwoordelijkheid voor het verlosserswerk mede op zich nam, bracht uit de aanleg van zijn geestelijke mentaliteit het passende geestpotentieel in. Dit ingebrachte geestelijke potentieel der zonen en dochters Gods bereidde Mij, Christus, en henzelf, de weg via de valrijken, die na het "volbracht" tot reinigingsgebieden werden. Hun ingebrachte geestelijke potentieel bestaat uit de verschillende geestelijke mentaliteiten, waarmee zij in het menselijke gewaad de overeenkomstige bekwaamheden voor het vredesrijk van Jezus Christus ontwikkelen.
    Zo hebben dus talrijke zonen en dochters Gods, die in de opdracht van de verlossing staan, een deel van hun geestelijke potentieel voor het naar huis brengen van alle kinderen Gods, in de opdracht ingebracht en werken thans in het werk van de verlossing. De ontwaakte zielen, die in het aardse gewaad voor Mij hebben gekozen, nemen hun plaats, overeenkomstig hun opdracht, in het grote geheel in en dienen in het werk van de verlossing, dat ook hun werk is. Zij dragen in zich de stralende opdracht, om alle zielen en wezens naar huis te brengen, naar het grote, eeuwige Oerlicht, God.
    Het geslacht David en zonen en dochters van God uit de andere geslachten, vormen één groot, machtig volk, het volk Gods op deze aarde. Velen van hen hebben zich in incarnaties belast en kunnen nog niet door Mij, de Christus, worden aangesproken, omdat hun hart nog ver van Mij is. Andere zonen en dochters Gods, die in de opdracht staan, bevinden zich nog op de weg, om dat deel van de opdracht te vervullen, dat hen is opgedragen. Sommigen onder hen gingen weer terug naar de "wereld", omdat zij nog te zeer aan de wereld gehecht waren. Hun zielen hebben echter Mijn roep vernomen en zullen, wanneer de tijd daar is, weer terugkeren tot hun opdracht, in het werk der verlossing. Hun terugkeer hoeft niet in deze incarnatie, in dit aardse bestaan (1989) te zijn. Het kan ook nog in latere incarnaties gebeuren, want Mijn vredesrijk op deze aarde is pas in opbouw.
    Weer andere zonen en dochters Gods groeien geleidelijk naar hun taak toe en nemen hun opdracht bewust aan.
    Nog anderen staan al volledig in de opdracht en vervullen, wat zij daarvoor aan geestelijk potentieel in de Oercentraalzon, in de zeven basiskrachten der schepping, in de valwerelden en in de atmosfeer hebben ingegeven.
    Veel zonen en dochters Gods, die in de opdracht staan en andere kinderen der liefde, die in de geest des levens zijn ontwaakt, zullen de zoon Gods als Verlosser van alle zielen en mensen verkondigen, tot alle zielen de verlossing bewust hebben aangenomen en zich begeven op de weg naar de voleinding.
    De zonen en dochters Gods, die via het geslacht David in de wereld kwamen en komen, blijven in de opdracht van de verlossing, tot alles voltooid is. Dat duidde Ik als Jezus van Nazareth reeds aan, toen Mij enige vrouwen hun kinderen brachten, opdat Ik hen zou zegenen. Aan de straling van de kinderen herkende Ik, welke ziel tot de opdracht van de verlossing behoorde. Ieder wezen, dat in de verlossersopdracht staat, heeft in zijn geestelijke lichaam een stralingszegel. Dit straalt ook uit door het aardse lichaam, door het Christuscentrum, dat in de nabijheid van het hart werkzaam is.

 

HOOFDSTUK 22

De opwekking van de dochter van Jaïrus

 Voorwaarden voor genezing van het lichaam -
De Christus is in jou (2-5). De opwekking van »doden« (6-12)

 

    1. En zie, daar kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus. En toen hij Hem zag, wierp hij zich aan Zijn voeten en smeekte Hem en zei: »Mijn dochtertje ligt op sterven. Ik smeek Je, kom en leg Je handen op haar, opdat zij weer gezond wordt en leeft.« En Jezus ging met hem mee, en veel mensen sloten zich bij Hem aan en drongen om Hem heen.
    2. En er was een vrouw, die sinds twaalf jaar aan bloedverlies leed en zij had bij veel artsen al veel doorstaan en had alles, wat zij bezat, daaraan uitgegeven; en het was niets beter geworden, maar zelfs verergerd.
    3. Omdat zij van Jezus gehoord had, drong zij zich achter Hem en raakte Zijn gewaad aan. Want zij zei bij zichzelf: »Als ik alleen maar Zijn gewaad aanraak, zal ik gezond worden.« En meteen hield het bloeden op. En zij voelde het in haar lichaam, dat zij van haar plaag genezen was.
    4. En Jezus merkte zelf meteen, dat er een kracht van Hem uitgegaan was, en wendde zich tot het volk, dat om Hem heen drong, en sprak: »Wie heeft Mijn gewaad aangeraakt?« En Zijn discipelen zeiden tot Hem: »Je ziet, dat de menigte opdringt, en Jij spreekt: "Wie heeft Mij aangeraakt?"
    5. En Hij keek om naar degene, die het had gedaan. De vrouw echter was vol vrees en beefde (want zij wist, wat er met haar was gebeurd), kwam en viel voor Hem neer en zei Hem de hele waarheid. Hij echter sprak tot haar: »Mijn dochter, je geloof heeft je gezond gemaakt. Ga in vrede, en wees genezen van je ziekte.« (Hoofdst. 22, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wat toen gebeurde, kan ook nu gebeuren. Want ziet, jullie die Mijn woorden lezen, de Christus gaat niet meer in Jezus over deze aarde - de Christus, o mensenkind, is in jou! En waar je ook bent, waar je ook gaat: Ik Ben in jou de kracht van de verlossing, die ook de genezing van je lichaam tot stand brengt, als dat goed is voor je ziel. Jij, o mens, hoeft Mij niet te zoeken - je vindt Mij in jezelf! Je hoeft niet hier- of daarheen te gaan - Ik Ben in jou! En overal waar jij bent, Ben Ik. Trek je terug in een stille kamer en treed het hartekamertje binnen, om van harte te bidden. Breng Mij, die in jou zijn woning heeft genomen, in gebed je hartewensen, en geloof, dat Ik alles vermag.
    En als je in je geloof geen twijfel aan Mij toelaat, zal datgene gebeuren, dat goed voor je is en het heil van je ziel dient. Zoals toen geldt ook nu de wet: je geloof heeft je geholpen. En als je niet meer zondigt - door je in te spannen, de geboden van het leven te onderhouden -, is de bede in je ziel al verhoord. In je ziel en aan je lichaam zal de genezing zich dan uitwerken, als het tot verdere ontwikkeling van je ziel dient.

    6. Terwijl Hij nog sprak, kwamen er enkele bedienden van de overste van de synagoge en zeiden: »Je dochter is gestorven. Wat val je de Meester verder lastig?«
    7. Maar zodra Jezus de woorden hoorde, die daar werden gezegd, sprak Hij tot de overste van de synagoge: »Vrees niet, geloof slechts !« En Hij stond niemand toe, Hem te volgen, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus.
    8. En Hij kwam in het huis van de overste van de synagoge en zag de toeloop en de tempelzangers, en allen weenden en klaagden luid.
    9. En toen Hij binnengekomen was, sprak Hij tot hen: »Waarom lamenteren en wenen jullie zo? Het meisje is niet gestorven, ze slaapt slechts.« En zij lachten Hem uit; want zij dachten, dat zij dood was, en geloofden Hem niet. Maar nadat Hij hen allemaal naar buiten had gejaagd, nam Hij twee van Zijn discipelen met zich mee naar de plaats, waar het meisje lag.
    10. En Hij greep het meisje bij de hand en sprak tot haar: »Talitha Kumi!« Dat betekent zoveel als: »Meisje, Ik zeg je, sta op!«
    11. En meteen verhief het meisje zich en liep rond. Zij was twaalf jaar. En zij verbaasden zich bovenmatig.
    12. En Hij beval hen streng, dat niemand het bekend zou maken, en gebood, haar iets te eten te geven. (Hoofdst. 22, 6-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Erkent in de diepte van jullie harten Mijn werken - niet alleen als Jezus van Nazareth, maar ook als Christus Gods! Want Ik Ben weer tot jullie gekomen in de geest van de liefde, om jullie te helpen en te dienen.
    Zolang het zilveren koord - ook informatieband genoemd - dat ziel en lichaam verbindt, nog niet van het lichaam gescheiden is, bestaat de geestelijke kringloop nog en stromen de levensenergieën nog uit de onbelastbare wezenskern, God, in de ziel - van de ziel in het lichaam en van het lichaam weer terug naar de ziel en naar de wezenskern, God. Dat zag Ik bij het meisje en sprak eerst stil met de kracht van Mijn Vader in Mij, het in Mij wonende Ik Ben. Daarna bracht Ik een geestelijke verbinding met de ziel van het kind tot stand en liet via haar meer kosmische krachten vloeien naar het zilveren koord. Via de wezenskern van de ziel stroomde dan deze versterkte levensenergie de ziel binnen en via de ziel in de hersencellen en in het organisme van het kind. Zo wekte Ik de mens op uit de zogenaamde dood.
    Op deze wijze haalde Ik allen terug in het lichaam, van wie de tijd op aarde nog niet afgelopen was. Zij zouden slechts van de aarde zijn gegaan vanwege uiterlijke omstandigheden, die de ziel het houvast hadden ontnomen, en die haar daardoor vroeger dan volgens de kosmische wetten voor haar was bepaald, uit het lichaam zouden hebben gedreven.
    In de wet des levens staat geschreven, dat voor iedere ziel in het aardse lichaam een bepaalde aardse levenscyclus is vastgelegd. Deze houdt de mogelijkheid in van een vroegere en van een latere dood van het aardse lichaam. De aardse dood kan ook binnen dit tijdsbestek plaatshebben. In deze periode kon Ik als Jezus van Nazareth met de kracht van de Geest de zielen weer in het aardse bestaan terugroepen.
    Deze werken van liefde volbracht Ik, als het goed was voor ziel en mens. Ik herkende aan de bewustzijnsstraling van de ziel, of ziel en mens zich in een later aards bestaan opnieuw zouden belasten of het geloof aan de Eeuwige zouden versterken door vergeven, vragen om vergeving en weer goed maken.
    Het gebod voor alle mensen luidt: is jullie geloof zo groot als een mosterdzaadje, dan kan er in en aan jullie veel gebeuren uit de werken van goddelijke liefde.

HOOFDSTUK 23
Jezus en de Samaritaanse

 

Het water des levens, de waarheid,
een eeuwig stromende kracht (3-7). Wie ernstig zoekt, vindt de waarheid - Test degenen, die over de waarheid spreken - Over de waarde van uiterlijke vormen van aanbidding - Wie is thans het volk Israël? - Het Nieuwe Jeruzalem - Het laatste Verbond (16)

 

    1. Jezus kwam in een stad van Samaria, Sichar genaamd, in de nabijheid van het veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
    2. Het was aldaar echter de bron van Jakob. Aangezien nu Jezus moe was van de reis, zette Hij zich op de rand van de bron. Het was omstreeks het zesde uur.
    3. En daar komt een vrouw uit Samaria, om water te putten. Jezus spreekt tot haar: »Geef Mij te drinken.« (Want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.)
    4. Dan zegt de Samaritaanse vrouw tegen Hem: »Hoe komt het, dat Jij, een jood, mij, een vrouw uit Samaria, om drinken vraagt?« (Want de joden gaan niet om met de Samaritanen.)
    5. Jezus antwoordde en sprak tot haar: »Als je het geschenk van God besefte, en Wie het is, die tot je zegt: ’Geef Mij te drinken’, dan zou je God bidden, die je levend water zou geven.«
    6. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Heer, Jij hebt toch niets, waarmee Je kunt putten, en de bron is diep; waar heb Je dan het levende water vandaan? Ben Jij dan groter dan onze vader Jakob, die ons deze bron heeft gegeven en eruit dronk, hij en zijn kinderen, zijn kamelen en ossen en schapen?«
    7. Jezus antwoordde en sprak tot haar: »Wie van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen. Maar wie het water zal drinken, dat Ik hem zal geven, zal nooit meer dorst lijden, maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem als een waterbron ontspringen tot in het eeuwige leven.« (Hoofdst. 23, 1-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het water des levens stroomt sterker in deze wereld sinds Mijn werken als Jezus van Nazareth - en nog sterker sinds Mijn "volbracht".
    Wie van het water des levens drinkt, put uit de bron van de eeuwige waarheid, omdat hij in de oerbron van al het Zijn is teruggekeerd. Hij zal nooit meer dorst lijden, noch zal het hem ooit aan iets ontbreken. Hij bezit, wat hij nodig heeft, en meer dan dat.
    Mensen in de geest van de waarheid zijn zelf de geestelijke bron van de waarheid. Zij geven en geven - en drogen nooit uit, omdat de Geest Gods, die door hen werkt, eeuwig stromende kracht is, de oorsprong van de bron en de bron zelf, de waarheid.
    Erkent: Ik Ben het water des levens. Wie Mijn leven als Jezus van Nazareth tot zijn leven maakt, door datgene, wat Ik hem geboden heb in acht te nemen, zal in Mij, het levende water, leven en een bron van het levende heil zijn, uit wie het water des levens onophoudelijk stroomt. Dan pas kan hij veel mensen de ware frisse dronk van het levende water aanreiken. Deze zullen voortaan niet meer naar de waarheid zoeken, omdat zij de waarheid, het Ik Ben, hebben gevonden. Zij dorsten niet meer, want zij drinken uit de eeuwige bron der waarheid.
    Wie van het water des levens ontvangt, blijft geen eenling; hij zwemt ook niet mee met de stroom van de oude, zondige tijd. Hij roeit er tegenin, doordat hij het menselijke niet meer bevordert, doch door de kracht van de liefde opheft. Zo vindt hij in zichzelf de eeuwigheid, het leven, de waarheid, de oerbron, God.
    Op deze wijze ontstaat geleidelijk de lichttijd en een nieuw mensengeslacht in Mij, de Christus: de mensen die het rijk van de vrede zullen opbouwen en in stand houden, omdat zij zelf vredevol zijn.

    8. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet meer terug hoef te komen om te putten.« Jezus spreekt tot haar: »Ga heen, roep je man en kom terug.« De vrouw antwoordde: »Ik heb geen man.«
    9. Jezus kijkt haar aan en spreekt tot haar: »Je hebt het goed gezegd: ik heb geen man. Je hebt vijf mannen gehad, en degene, die je nu hebt, is je man niet. Je hebt waar gesproken.«
    10. Toen zei de vrouw tot Hem: »Heer, ik erken, dat Jij een profeet bent. Onze vaderen hebben op deze berg gebeden, en jullie zeggen, dat in Jeruzalem de plaats is, waar men dient te aanbidden.«
    11. Jezus spreekt tot haar: »Vrouw, geloof Mij, er komt een tijd, dat jullie niet op deze berg noch in Jeruzalem God zullen aanbidden. Jullie weten niet, wat jullie aanbidden; wij echter weten, wat wij aanbidden. Want het heil komt van Israël.
    12. Maar de tijd komt, en zij is al daar, dat de waarachtige aanbidders de Al-Vader in de geest en in de waarheid aanbidden. Want zulke aanbidders wil de Al-Heilige hebben. God is Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en in de waarheid aanbidden.«
    13. Dan zegt de vrouw tot Hem: »Ik weet, dat de Messias komt, die Christus heet.« Wanneer deze komen zal, zal Hij ons alles verkondigen.» Jezus spreekt tot haar: »Ik Ben het, die tot je spreekt.«
    14. En intussen kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met de vrouw sprak. Toch vroeg niemand: »Wat zoek je?« Of: »Waarom onderhoud Je Je met haar?«
    15. Toen liet de vrouw haar kruik staan, ging op weg naar de stad en zei tegen de mensen: »Komt en ziet een man, die mij alles gezegd heeft, wat ik ooit heb gedaan. Is dit niet de Christus?«
    16. Toen gingen zij en kwamen tot Hem, en vele Samaritanen geloofden in Hem en vroegen Hem, bij hen te blijven. En Hij bleef daar twee dagen. (Hoofdst. 23, 8-16)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie uit de waarheid spreekt, diens woorden zijn eeuwig leven. Zij zijn doordrongen van het leven en de kracht, die Ik Ben in de Vader-Moeder-God. Wie ernstig naar het water des levens, de waarheid, zoekt, vindt de mens, die hem de weg kan wijzen naar de oorsprong van de bron, en vindt het leven, de waarheid, in zijn innerlijk.
    Woorden des levens zijn woorden der waarheid. Wie leeft volgens de zin van het levende woord, vervult de wet des levens en woont in de geest van de waarheid. Toetst daarom de mensen, die spreken over de bron van het levende heil, of zij het water des levens, de waarheid, brengen of dat zij pas aan de bron van de waarheid staan.
    Erkent: waar het licht is, verzamelen zich degenen, die naar het licht streven. Maar onder hen zijn ook velen, die slechts spreken over de waarheid en niet veel goeds in de zin hebben. Meet daarom met de maatstaf van jullie eerlijkheid, om hun werken te herkennen. Kijkt en luistert niet naar degenen, die onzuivere taal spreken - ook dan niet, als zij zich "Rabbi" noemen. Onderzoekt de zin van hun woorden en hun gedrag tegenover hun naasten - en zij zullen een open boek voor jullie zijn. Mensen van de geest zijn bescheiden, deemoedig en zachtmoedig, maar hun wezen is doorstraald en overstraald door Hem, de Ik Ben: Christus, het levende water.
    Wie in de waarheid leeft, leeft uit de waarheid - en schouwt de waarheid en ziet ook het onware. Met de ogen der waarheid zag Ik als Jezus van Nazareth de vrouw aan de bron. Ik zag haar voorbije en tegenwoordige leven. Daaruit sprak Ik aan, wat haar deze dag tot inzicht moest dienen.
    Te allen tijde en ook nog in de huidige tijd (1989) schiepen en scheppen mensen uiterlijke tekens en gedenktekenen om God te aanbidden. Deze uiterlijke beelden, gedenktekenen en tekens ter aanbidding zoals bijvoorbeeld standbeelden, synagogen, kerken, plaatsen, heuvels, bergen of ook rituelen en ceremoniën verschaft de mens zich zo lang, tot hij God, de Geest der waarheid, in zichzelf aanvaardt en zich aan de "tempelorde" houdt, de geboden des levens.
    Ieder mens is een tempel Gods. Er is dus geen plaats nodig, om God te aanbidden. Aanbid God in het allerheiligste van je innerlijk, en houd je tempel rein door edele gedachten, van Godvervulde woorden en handelingen; dan houd je je aan de "tempelorde" - en God zal je antwoord geven op je gebeden, omdat je met Hem in communicatie staat.
    Ook in de huidige tijd (1989) weten veel mensen nog niet, wie of wat zij aanbidden. Zij zijn naäpers van hen, die de erediensten in het leven hebben geroepen en in stand houden, omdat zij in hun harten nog verarmd zijn. Omdat de ware, almachtige God, de God van het innerlijk hen vreemd is, hebben zij een uiterlijke god nodig. Deze is echter nooit de God der waarheid, maar een afgod.

    Ik verklaar de woorden »want het heil komt van Israël«. Israël is daar, waar mensen Gods wil vervullen.
    Het huidige Israël is niet langer het Israël, waarin Ik als Jezus van Nazareth heb geleefd. Het is enkel de naam, die dit land nog draagt: een groot deel der Israëlieten heeft het verbond met God niet gehouden en Mij niet als hun Verlosser aangenomen. Daarom heeft God, de Eeuwige, het verbond met een deel van die mensen vernieuwd, die ooit in het oude Israël geïncarneerd waren en in de tegenwoordige tijd in een ander land zijn geïncarneerd en nog steeds in de opdracht staan.
    God, de Eeuwige, heeft thans (1989) het verbond ook met diegenen gesloten, die tijdens Mijn leven op aarde niet in Israël waren geïncarneerd, die echter tijdens de voorbije eeuwen, steeds weer terugkeerden in het aardse gewaad en het werk van de thuishaling hebben voorbereid. Ook zij staan in opdracht van de verlossing. Hij sloot eveneens het verbond met die mensen, die in het verlossingswerk het heil voor hun naasten vervullen en zodoende ook aan de opdracht van de thuishaling deelhebben.
    Dus is Israël daar, waar die mensen geïncarneerd zijn, die in de opdracht van de verlossing staan en die bereid zijn, Gods wil te vervullen.
    Uit het grote opdrachtspotentieel voor de verlossing waren in de tijd van Mozes vele geestwezens geïncarneerd en ook in de tijd van Mijn aardse bestaan in het oude Israël. De zonde heeft vele mensen, die in de opdracht van het verlossingswerk staan, in alle vier windstreken verstrooid. Doch thans verzamel Ik hen opnieuw in een ander land. Daar zal het Nieuwe Israël zijn.
    Reeds nu (1989) verzamelen zich veel broeders en zusters in het land, waar de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid onderricht en werkt: in het Nieuwe Jeruzalem. Met de broeders en zusters in het Nieuwe Jeruzalem, in het Israël in wording, heeft de Eeuwige nu het laatste verbond gesloten.
    Het volk Gods op deze aarde zal een machtig volk worden. Daardoor komen er steeds meer mensen, om met God het eeuwige verbond te sluiten. Want Ik, Christus, roep hen - en zij komen. Zij verzamelen zich, om voor de Nieuwe Tijd, de lichttijd, te werken. Zij aanbidden de Eeuwige niet meer voor gedenktekens en beelden. Zij hebben geen uiterlijke kerken. Zij gaan de bergen niet op, om daar de Eeuwige te zoeken, menende, Hem daar te vinden. Zij hebben geen ceremoniën en rituelen. Zij aanbidden de Eeuwige in hun tempel, in hun innerlijk; want daar woont de Ene Eeuwige, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, de Geest van de eeuwige Vader, wiens kinderen alle geestwezens, mensen en zielen zijn. Zij ontmoeten elkaar weliswaar op bepaalde plaatsen, echter niet, om daar God te zoeken, maar om met elkaar de eenheid te leven en samen tot Hem te bidden, die het leven is: God, de Geest der waarheid, die in ieder geestwezen, in elke ziel en ieder mens woont.
    God is ook de Scheppergeest, die al het Zijn geschapen heeft, die in elke plant, in elke steen, in ieder dier, in elk atoom - in al het Zijn - leeft. God is Geest, en zij die Hem waarachtig aanbidden, aanbidden Hem in de geest en in de waarheid, en zij nemen de wetten in acht.
    Waarlijk, Ik zeg jullie: als Jezus ging Ik van jullie heen; als Christus, de verrezene, kwam Ik tot jullie, opdat jullie in Mij, de Verlosser, opstaan, om in God, de Oerstroom, opnieuw in te gaan.
    Weet: als Jezus bleef Ik geruime tijd bij de mensen - als Christus Gods woon Ik in jullie. En Ik blijf eeuwig in jullie; want Ik Ben in de eeuwige Vader, en de Vader is in Mij, en Wij zijn de ene Geest der waarheid, die in alle mensen woont.

HOOFDSTUK 24

Jezus veroordeelt wreedheid Hij geneest zieken en drijft duivels uit

 

Alle overtredingen tegen de wet des levens
vallen op de mens terug; natuur en schepsels op aarde zijn geschenken van God, tot welzijn van de mensen (1). Verklaring van de »verdorde arm« (3). Heil en genezing voor het lichaam, wanneer het goed is voor de ziel (7). Farizeeën toen en nu - Strijd tegen het groeiende licht op aarde en in de reinigingsgebieden, nog in de tijd van het vredesrijk - In de tijdsomwenteling wordt het fundament van het vredesrijk gelegd en neemt vorm aan - Vermaning aan de mensen in het vredesrijk: vergeet de pioniers niet en de geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid, Mijn profetes en verkondigster - De strijd achter de nevelwand gaat door (8). Verklaring van de »wonderbare broodvermenigvuldiging« (12-13)

 

    1. Toen Jezus door een dorp ging, zag Hij een groep dagdieven. Deze kwelden een kat, die zij gevonden hadden en mishandelden haar op schandelijke wijze. En Jezus beval hen, dit te laten en begon hen te berispen; maar zij sloegen geen acht op Zijn woorden en scholden Hem uit. (Hoofdst. 24, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie mensen en dieren kwelt en mishandelt, zal eens kwellingen en mishandelingen aan het eigen lichaam ervaren. Hetzelfde geldt voor het vergrijp tegen het planten- en mineraalrijk. Want wat als levensvorm in de materie openbaar is, is ook als geestelijke substantie in de ziel. Wie dus handelt tegen het leven, veroordeelt zichzelf, omdat hij een deel van zijn geestelijke erfdeel belast. Want alles, wat uit God is, bevindt zich ook als essentie in de ziel van de mens.
    Erkent: de aarde brengt het voedsel voort voor de mensen. Mensen hebben ook onderdak en kleding nodig. Zij kunnen hun voedsel, hun onderdak en hun kleding niet scheppen zoals de engelen in de hemel. De aarde is de draagster van het leven voor alles. Zij mag niet geschonden, noch uitgebuit worden. De aarde en alles, wat daarop leeft, dieren, planten en stenen, wil de mens dienen. Voorwaarde is, dat de mens zijn aarde aan- en opneemt, haar dus verzorgt, want de aarde is een groot levend organisme.
    God, de Eeuwige, gaf de mensen dieren en planten en schonk hen van de aarde fruit, groenten en granen. Hij gaf het aan de mensen en sprak tot hen: "Onderwerpt de aarde aan jullie," wat in de juiste betekenis wil zeggen: acht en verzorgt het leven van alle levensvormen en zij zullen julie dienen.
    Erkent: de reine levensvormen van de dieren zijn door God geschapen en elke plant behoort tot het grote scheppingspotentieel God, dat zich in de evolutiecyclus verder ontwikkelt. Aldus is iedere levensvorm een deel uit het grote geheel.
    God heeft de mens geboden, het leven te achten en lief te hebben en het gebod "bid en werk" in acht te nemen. Daarom is het leven der zogenaamde dagdieven een verkwisting van de krachten van de dag. Het zijn mensen, die Gods energie stelen. Wie de dag niet benut, maar hem slechts gebruikt, om zijn medemensen uit te buiten of om dieren en planten te schenden, handelt tegen de wet van het leven.
    Mensen, die alleen aan hun eigen welzijn denken, zullen de dieren kwellen en de aarde uitbuiten en het leven erop vergiftigen, omdat hun gedachten vergiftigd zijn door hebzucht en afgunst. Want de mensen, die zichzelf niet kennen, kwellen mensen en dieren en zijn tegen de natuur. Zij doen slechts, waartoe hun egoïstische denken hen dringt. Zij zijn zelf gedrevenen en willen daarom alles, wat om hen heen is, verdrijven, omdat alles hen stoort, wat niet bij hun voorstellingen past. Hun menselijke ik maakt zulke mensen als het ware ontoerekeningsvatbaar.
    Zij kennen het gebod niet van om vergeving vragen, van vergeven en weer goedmaken. Zij rekenen met hun naaste af: oog om oog, tand om tand. Daarbij belasten zij echter hun eigen ziel met datgene, wat zij hun naaste aandoen! Want wat de mens zijn naaste aandoet - ook het dier, de plant, ja, het gehele organisme van de aarde - dat doet hij zichzelf aan. Zo was het en zo is het nog in de tegenwoordige, zondige tijd (1989). Maar een nieuw geslacht groeit op en treedt in het nieuwe tijdperk, in een leven met elkaar en met God.

    2. Toen maakte Hij een zweep uit geknoopte touwen en joeg hen weg en sprak: »Deze aarde, die Mijn Vader voor geluk en blijdschap heeft geschapen, hebben jullie tot de diepste hel gemaakt door jullie daden van geweld en wreedheid.« En zij vluchtten voor Zijn aangezicht. (Hoofdst. 24, 2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De zweep symbolisiert de wet van oorzaak en gevolg. Wie zijn naasten en ook zijn overnaasten, de dieren, minacht en kwelt, wie mens en dier, planten en mineralen en al het andere leven in en op de aarde geweld en wreedheid aandoet, zal de gevolgen van zijn oorzaken ervaren - tenzij hij tijdig boete doet.
    De wet van oorzaak en gevolg zal als met een zweep allen slaan, die het leven mishandeld hebben en mishandelen - in welke vorm en in welke bewustzijnsgraad het zich ook uit. De aarde is de mensen gegeven, opdat zij zich er weer van bewust worden, dat zij kinderen van God zijn, dat hun leven - zoals alle leven - uit God is, opdat zij het leven leren waarderen en liefhebben. In welke vorm en in welke bewustzijnsgraad het leven de mens ook tegemoettreedt en zich openbaart: in alles is God - het leven.
    Al het reine wil onbaatzuchtig dienen, zo ook de aarde met haar natuurrijken. Wie inziet dat zijn leven uit God is en dienovereenkomstig leeft, bewaart de vrede met alle schepselen, met alles, wat uit Gods schoot tot vreugde en welzijn van de mensen werd geschonken. God wenst vreedzame en blije kinderen. Wie echter God niet wil erkennen en Zijn daden niet aan wil nemen, is tegen Hem en tegen alles, wat uit Zijn handen aan de mensen is gegeven. Daardoor wordt hij mismoedig, ongelukkig, zorgelijk en ziek.

    3. Maar één van hen, nog erger dan de anderen, kwam terug en bedreigde Hem. En Jezus strekte Zijn hand uit en de arm van de jonge man verdorde. En grote vrees kwam over hen allen. En één van hen zei: »Hij is een tovenaar.« (Hoofdst. 24, 3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »En Jezus strekte Zijn hand uit en de arm van de jonge man verdorde.« Dit gebeuren werd verkeerd begrepen en daarom op deze wijze weergegeven. Nooit grijpt een mens, die volgens de wet Gods leeft, in de wet van oorzaak en gevolg in, om iets wat een boosdoener voor zichzelf heeft veroorzaakt en bestemd, te bespoedigen en te doen plaatsvinden.
    Wie geweld gebruikt, zal hetzelfde of iets dergelijks oogsten. Als Ik de arm, zoals staat geschreven, had laten verdorren, dan had Ik in de wet van oorzaak en gevolg ingegrepen. Het voorval liep af volgens de wet van oorzaak en gevolg: bij de mishandeling van een dier had de boosdoener met zijn arm tegen een ruw, hard voorwerp geslagen. Het bloed stolde, de arm werd blauw en hing toen slap naar beneden. Ik strekte Mijn hand uit en wees op het gevolg, om hem de oorzaak te verklaren. Omdat de mensen in de toenmalige tijd de wet van oorzaak en gevolg slechts kenden in de vorm van de woorden: "oog om oog, tand om tand" en bovendien deze ook nog verkeerd uitlegden, meenden zij, dat Ik dit teweeg had gebracht en dat Ik een tovenaar was.
    Op deze wijze toonde Ik de mensen steeds weer, dat zij zullen oogsten, wat zij zaaien: wie slecht zaad in de akker van het leven zaait, zal ook een slechte oogst hebben, want de vrucht ligt reeds in het zaad.
    Doch wie tijdig zijn fouten inziet, berouwt en deze niet meer doet, die neemt de wet Gods aan en hij leert geleidelijk alle levensvormen lief te hebben. Dan ontvangt hij uit de genadehanden van de Eeuwige en zijn ziel en lichaam zullen licht, heil en genezing ontvangen.
    Erken: niet altijd brengt het zaad onmiddellijk de oogst voort. Wat de mens in dit aardse leven zaait, dus veroorzaakt - ook aan het dieren- en plantenrijk - dat zal hij oogsten; zo niet in dit aardse bestaan, dan in een volgend aards leven of als ziel in de reinigingsgebieden.
    Leeft daarom elke dag bewust! Want iedere dag toont elke mens, wat goed en minder goed aan hem is en wat hij vandaag, op deze dag, kan goedmaken.

    4. De volgende dag kwam de moeder van de jongeman naar Jezus en vroeg Hem, zijn arm weer te genezen. En Jezus sprak tot hen over de wet van liefde en eenheid voor alle leven, in de ene familie Gods. En Hij sprak vervolgens: »Zoals jullie in dit leven aan jullie medeschepselen doen, zo zal het jullie vergaan in een volgend leven.«
    5. En de jongeman geloofde en bekende zijn zonden. En Jezus strekte Zijn hand uit en de verdorde arm werd zo gezond als de andere. En het volk prees God, dat Hij zulk een macht aan een mens had gegeven.
    6. Toen Jezus vertrok, zie, toen volgden Hem twee blinden. Zij riepen en zeiden: »Heer, Jij zoon Davids, erbarm Je over ons.« En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem en Jezus sprak tot hen: »Geloven jullie, dat Ik daartoe in staat ben?«
    7. En zij zeiden tot Hem: »Ja Heer.« En Jezus raakte hun ogen aan en sprak: »Jullie geschiede naar jullie geloof.« En terstond werden hun ogen weer geopend. Maar Jezus gebood hen streng: »Zorgt, dat jullie het aan niemand vertellen.« Zij echter, nadat zij naar buiten waren gegaan, verspreidden Zijn roem door het hele land. (Hoofdst. 24, 4-7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie gelooft, die wordt gegeven!
    Genezingen vanuit de geest des levens zijn geen wonderen, maar wetmatigheden.
    Gods liefde en genade staan Zijn mensenkinderen bij. Het juiste geloof komt uit het hart. Mensen met een diep geloof blijven standvastig, wat ook op hen afkomt en zij ontvangen heil voor hun ziel - want de genade en de hulp van God vloeien allereerst in de ziel. Van daaruit komen heil en genezing voor het lichaam, wanneer het goed is voor de ziel, als de mens dus voortaan niet meer dezelfde zonden begaat, die geleid hebben tot het leed of de ziekte van het lichaam.
    »Terstond« betekent: de genezing geschiedde niet onmiddellijk, maar naar het gebod van het geloof; want op de eerste plaats gedenk Ik de ziel. In haar is de levenswet, de wet, God. Als de mens het zover nakomt, als het hem bewust is, ontvangt hij heil en genezing, ook in en aan het lichaam.
    Niet altijd hebben de genadegaven hun uitwerking voor de ziel in dit aardse bestaan in en aan dit lichaam. Zij kunnen ook in het zielenrijk - als de ziel het lichaam heeft verlaten, tot uitwerking komen of pas in een latere incarnatie. Daarbij zet zich het tegenstrijdige in de ziel geleidelijk om in positieve kracht, die het lichaam dan toestroomt. Dit betekent, dat de ziel daarvan is bevrijd en ook het lichaam niet meer datgene te dragen heeft, wat de mens eens heeft veroorzaakt.

    8. Toen zij dan waren weggegaan, zie, toen brachten zij een mens naar Hem toe, die stom was en bezeten door een demon. En toen de demon uitgedreven was, sprak de stomme. En het volk was verwonderd en sprak: »Zoiets werd nog nooit gezien in Israel.« De farizeeën zeiden echter: »Hij drijft de duivels uit door de overste van de duivels.« (Hoofdst. 24, 8)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Als Jezus van Nazareth werkte Ik daar, waar Mijn Vader Mij plaatste. Veel mensen vermocht Ik door de macht van de Vader verzachting en genezing te brengen en hen ook door het levende woord tot inzicht te brengen.
    Niet iedere mens, die tot Mij kwam, kon Ik helpen en dienen. Velen legde Ik de hand op en zij werden niet gezond. Ook niet iedere donkere kracht, die Ik in de mens aansprak, week uit hem. Immers, de wet van het leven luidt: naar je geloof wordt je gegeven! En: zondig voortaan niet meer! Voorts zegt de wet van het leven: geloof ook, wanneer je aan het lichaam nog niet voelt, wat zich in de ziel reeds heeft voltrokken. In en aan het lichaam zal alleen dat werkzaam worden, wat de mens aan fouten en zonden inziet, berouwt, waarvoor hij vergeving vraagt en vergeeft - en wat hij niet meer doet.
    Erkent: ieder mens, die anders spreekt dan hij denkt, is een farizeeër.
    Ook nu nog (1989), gebruiken de farizeeërs dezelfde lasterlijke taal als toen Ik als Jezus van Nazareth over de aarde ging en storten zij dezelfde spot en hoon uit, om het volk op te stoken. Wie echter in het hart van de mens vermag te kijken, beseft, dat iedere farizeeër eigenlijk een angstig mens is, die er voortdurend op bedacht is, dat zijn leugenbouwsel niet gaat wankelen. Juist de farizeeërs en ook de schriftgeleerden hebben al veel onwaarheid in de wereld gebracht en onder de mensen verspreid.
    De verblinde farizeeërs, de leiders van de volkeren en veel kerkleiders, zeggen onbewust en gedeeltelijk ook bewust, veel onwaarheid. Bewust zeggen zij dingen, die onjuist zijn, uit angst, dat zij hun aanzien zouden kunnen verliezen. Onbewust zeggen zij onwaarheden, omdat zij hun gevoelens en gedachten niet controleren en zonder zelfkennis de aardse dagen verspillen. Zij brengen hun wangedrag niet in het reine en laten hun agressies, die door hun angsten worden aangewakkerd, de vrije loop.
    De farizeeërs, veel schriftgeleerden en kerkleiders, betichten hun medemensen van onwaarheid en veroordelen degenen, die uit de eeuwige waarheid spreken. Wie valse getuigenis aflegt tegen zijn naaste, vreest de eeuwige waarheid, die God is.
    Veel farizeeërs, die een kerkelijk gewaad dragen, zijn ervan overtuigd, in geloofskwesties deskundig te zijn. Zij betichten hun naasten ervan, satanisch of "des duivels" te zijn, omdat zij deze zelf met hun leven en denken min of meer dienen. Hoedt jullie daarom voor hen, die hun naasten verwerpen en kwaad over hen spreken, want zij staan zelf in verbinding met de boze.

    Voor de mensen, die dan in het vredesrijk van Jezus Christus zullen leven, is het belangrijk te weten, dat de strijd van de duisternis tegen het licht, zoals deze in de tijd van Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth plaatsvond, voortduurde in de daaropvolgende tijd en zich thans (1989) nog eens intensiveert.
    Alles, wat Ik als Jezus van Nazareth beleefd had, beleefden veel getrouwe mannen en vrouwen in de daarop volgende eeuwen. Ook zij werden gehoond, bespot en belasterd, omwille van de waarheid. En toch kwamen hun zielen na hun lichamelijke dood steeds weer in het aardse gewaad, om het rijk Gods op aarde voor te bereiden - en nu (1989) te stichten en op te bouwen.

    De eerste stappen in de lichttijd werden - voor de wereldmensen eerst onzichtbaar - door werken van naastenliefde voltrokken. In de loop der tijden werden vervolgens de werken Gods op aarde steeds meer zichtbaar. Mensen met een hoger bewustzijn leidden hun medemensen, hun medebroeders en zusters, op de weg naar binnen tot Mij, de Christus Gods. Zij verwierven eigen grond en stichtten christelijke instellingen, waarin mensen de Bergrede, de wet Gods voor deze aarde, begonnen te verwezenlijken. Steeds weer werden deze instellingen door de tegenkrachten vernietigd.
    Wat in deze tijd van strijd gebeurde, een tijd, waarin op de aarde licht en duisternis elkaar ontmoetten, voltrekt zich nu - terwijl jullie in de lichttijd op aarde leven - nog steeds op de voor jullie onzichtbare fasen in de reinigingsgebieden. Daar werken nog steeds veel vroegere schriftgeleerden, farizeeërs en kerkleiders, die zich toen (1989) in het aardse lichaam bevonden. Zij beïnvloeden nog steeds de zielen van de eens aan hen onderhorige mensen, om ook in de reinigingsgebieden onvrede te stichten.
    Jullie, die in de lichttijd in het rijk Gods op aarde leven, moeten datgene weten, wat eens op aarde gebeurde en zich nog steeds in de onderste zielenrijken, de gebieden van de orde, voltrekt. Als jullie na de lichamelijke dood deze zijde verlaten en door de nevelwand gaan, waar het fysieke oog niet doorheen vermag te kijken, moeten jullie hiervan op de hoogte zijn. Want wie als ziel, in de wetenschap van de nog werkzame oorzaken, door de nevelwand gaat, zal dan niet angstig zijn en moedeloos worden, maar onmiddellijk beginnen te leren en de zielen te onderwijzen, die tot hen worden geleid, zodat deze van het licht der waarheid ervaren, dat reeds op aarde woont: de Christus Gods, die Ik Ben.
    Allen, die in de bijna tweeduizend jaren na Mijn leven als Jezus van Nazareth, voor het rijk Gods gewerkt en gestreden hebben en werden vervolgd, zijn voor jullie, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven, de pioniers van de Nieuwe Tijd. Zij volbrachten grootse dingen. In de verschillende tijdperken na Mijn aardse leven, kwamen zij steeds weer in het aardse gewaad op aarde en schiepen en vergrootten telkens het geestelijk potentieel voor het rijk Gods op aarde. In het begin was het een onzichtbaar geestelijk potentieel, dat zich dan heel geleidelijk op de aarde, vooral in de atmosfeer, manifesteerde. Af en toe werden daarvan stukjes omgezet, dus zichtbaar: daar waar mensen begonnen naar de Bergrede te leven en te werken.
    Dan brak de tijdsomwenteling aan, het tijdperk (1989), dat het vredesrijk van Jezus Christus in alle details onthulde. Opnieuw kwamen pioniers op deze aarde. Zij zijn de geïncarneerde geestwezens, die in de opdracht van de verlossing staan, uit het geslacht David en uit andere geslachten. Nu (1989) lieten zij datgene zichtbaar worden, wat zij in de achter hen liggende generaties hadden voorbereid.
    Hier en daar werd de grote familie Gods op aarde zichtbaar. Velen leefden in christelijke oergemeenten. Het centrale Oerlicht onder hen was de bondgemeente "Nieuw Jeruzalem", die toen al voor alle ontstaande oergemeenten en voor het rijk Gods op aarde in wording, de verantwoordelijkheid droeg. In het lichtstoffelijke vredesrijk vormt zij nu als stad Jeruzalem het centrum, van waaruit alle oergemeenten worden geleid.
    De oergemeenten in Universeel Leven, die zich nog temidden van de zondige wereld hebben gevormd, bestonden vooral uit mensen van de geest, die steeds meer in Mij, Christus, en daardoor in de wetten van God leefden. Zij stichtten de gemeenschapsinstellingen, die zij als mensen nodig hadden om te leven. Zij verwierven en bouwden huizen, waarin zij als woongemeenschappen leefden. Zij stichtten ambachtsbedrijven, waarin zij de wet "bid en werk" verwezenlijkten; samen stichtten en bouwden zij klinieken, bejaardentehuizen, kleuterscholen, scholen en vader-moeder-huizen, restaurants en alles, wat verder nog nodig is voor de mensen om te leven op deze aarde.
    Onder hen waren geen superieuren noch ondergeschikten. Allen voelden zij zich bewust als kinderen van God; zij aanvaardden het zoon- en dochterschap in onze eeuwige Vader. Overeenkomstig hun capaciteiten werkten zij voor het grote geheel, voor het gemeenschappelijk welzijn.
    Onder deze pioniers voor de Nieuwe Tijd in Mij, Christus, leefde, zoals reeds geopenbaard, een vrouw, de geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid. Zij werkte voor Mij als profetes en verkondigster en ging als een lichtend voorbeeld allen voor, in de vervulling van de eeuwige wetten. Door haar, de geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid, en haar geestelijke duaal, het positief van de goddelijke wijsheid heb Ik de Nieuwe Tijd ingeluid en ingeleid. Want de liefde en de wijsheid werken in het verlosserswerk en met hen alle wezens, alle zonen en dochters van God, die zich als opdracht hebben gesteld, datgene in te brengen, wat hen door God gegeven is: de kracht, liefde en wijsheid, de orde, de wil, de ernst, het geduld en de barmhartigheid - voor de Nieuwe Tijd.
    Alle geïncarneerde lichtwezens werkten overeenkomstig hun geestelijke afkomst, hun geestelijke mentaliteit, die hun aardse capaciteiten voor het rijk Gods op aarde hebben gekenmerkt. Deze pioniers voor de lichttijd duldden eveneens smaad, hoon en spot. Ook over hen werd veel kwaad gesproken. Maar zij deden hun best, in Mij te leven en Ik was met hen.

    Ik herhaal en zeg jullie, die nu in de Nieuwe Tijd leven, opdat jullie het in jullie hart bewaren: steeds weer streden de farizeeërs, talrijke schriftgeleerden en kerkleiders van de toenmalige tijd (1989) tegen de pioniers. Door kwaadsprekerij hitsten zij het volk tegen hen op. Maar, zoals het reeds in Mijn aardse tijd was, zo was het ook in deze tijd (1989). De waarheid overwon. Onverstoorbaar, wat de lasteraars hen ook hebben toegedicht, werkten zij verder, om Mij, de Christus, de weg naar de lichttijd te bereiden. Zij lieten meer en meer datgene zichtbaar worden, wat de Nieuwe Tijd dient.

    Verheugt jullie, die nu in vrede leeft - en vervult dankbaar de wetten der liefde! Gedenkt jullie broeders en zusters, die als pioniers de weg naar de Nieuwe Tijd voor Mij hebben bereid en datgene voor jullie verwierven, stichtten en opbouwden, wat zich in straling steeds weer veranderd heeft voor de lichttijd - wat jullie nu bezitten in Mijn naam.
    Maar vergeet niet: achter de nevelwand is nog niet het leven in Mij! Daar is nog strijd tussen licht en duisternis. De atmosfeer van de aarde beschermt jullie echter tegen deze krachten, opdat jullie in vrede kunnen leven.

    Door deze woorden van Mij moeten jullie ervaren en beseffen, dat de verlossing nog niet in alle gebieden is afgesloten. Velen van jullie zullen achter de nevelwand, in de lagere zielerijken, hetzelfde aantreffen, wat zich eens op aarde heeft afgespeeld - zoals Ik het hier voor jullie heb geopenbaard en zoals het in dit boek "Dit is Mijn woord" als historie is opgetekend. Het zal voor velen van jullie weer aanwezig zijn, wanneer jullie het aardse gewaad hebben afgelegd en met het geestelijke lichaam achter de nevelwand treden. Want na de lichamelijke dood zullen jullie goed toegerust deze rijken binnenkomen en meehelpen, opdat alles, wat nog niet overeenstemt met de goddelijke orde, geordend wordt en alles, wat nog gebonden is, wordt ontbonden.

    9. En Jezus ging rond in alle steden en dorpen, onderwees in de synagogen, predikte het evangelie van het rijk Gods en genas alle pestilenties en ziekten onder het volk. (Hoofdst. 24, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik genas veel pestilenties en ziekten - echter niet "alle pestilenties en ziekten" kon Ik opheffen. Want veel mensen dachten alleen aan hun lichaam. Zij waren niet bereid, eerst aan hun ziel te denken. Veel zieken waren er alleen maar op bedacht, hun aardse lichaam te redden. Wie zo dacht, kon niet ontvangen. Hij ontving hulp noch genezing - niet voor zijn ziel, noch voor zijn lichaam. Velen gingen daarom teleurgesteld weg, omdat in en aan hen niets gebeurde. Zij spraken daarna tégen Mij en spraken tevens de farizeeën en schriftgeleerden naar de mond. Ook door zulke woorden van teleurgestelden werden de farizeeën en veel schriftgeleerden aangemoedigd om tegen Mij, de Christus in Jezus, te beramen.

    10. Toen Hij echter de menigte zag, overviel Hem medelijden; want zij waren traag en verstrooid als schapen, die geen herder hebben. (Hoofdst. 24, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    "Medelijden" betekent meelijden: Ik zag hun leed en nood en leed met hen mee. Het leed uit barmhartigheid te schouwen betekent, erbarmen te hebben en te helpen, waar hulp nodig is.

    11. Toen sprak Hij tot Zijn discipelen: »De oogst is waarlijk overvloedig, maar er zijn weinig arbeiders. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders zendt naar Zijn oogst.«
    12. En Zijn discipelen brachten Hem twee kleine korven vol brood en vruchten en een kruik vol water. En Jezus zette het brood en de vruchten voor hen neer en ook het water. En zij aten en dronken allen en werden verzadigd.
    13. En zij verwonderden zich; want ieder van hen had voldoende en hield nog wat over en toch waren zij met vierduizend. En zij gingen heen en prezen God voor alles, wat zij gehoord en gezien hadden. (Hoofdst. 24, 11-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Er waren veel mensen, bijna vierduizend. Zij allen hoorden de woorden van de Almachtige door Mij, Jezus. Het woord Gods is substantie en kracht. Velen van hen namen het woord Gods als voedsel uit de hemelen. Zij besloten, van dit brood en deze vruchten dagelijks meer te eten - dat wil zeggen, hun leven aan God, de wet des levens, te wijden. Daardoor kwam er positieve energie vrij.
    Een deel van deze positieve energie - die door de wens en de wil van vele aanwezigen ontstond, om in zichzelf het geestelijke brood en de geestelijke vruchten dagelijks meer en meer te verwezenlijken - nam Ik en verdichtte de geestelijke energie, die dan voor de hongerige menigte brood, vruchten, water en ook vissen waren, het hoofdvoedsel van deze mensen. De verdichting van de geestelijke energie was een lichtmanifestatie uit de Geest Gods. Zij bevatte alleen het geestelijke leven, zowel in het brood als in de vrucht, in het water en de vissen. Wat uit de Geest wordt gemanifesteerd, is geen zuiver materiële substantie. Het draagt niet het aardse leven in zich en daarom ook niet de aardse groei. Gemanifesteerde geestelijke substantie kan niet worden gedood.
    De aanwezige mensen waren in een verheven trilling. Zij zagen de volle korven, de gevulde watervaten, zagen het brood, de vruchten, het water, vóór zich en namen de gaven des levens uit de korven en de vaten - en toch gebeurde alles in en uit hen. Zij putten deze gaven uit zichzelf, omdat zij de hogere energie hiervoor hadden ontwikkeld - door hun goede wil, hun leven aan God, de wet, te wijden en de krachten van God in zichzelf te vermeerderen. Zij waren verzadigd en hun dorst was gelest.
    Omdat de menigte zich dus in een verheven bewustzijn bevond, kon Ik, Christus in Jezus, de lichtmanifestatie doen plaatsvinden.

HOOFDSTUK 25

De Bergrede

(Deel 1)

 

De Bergrede, de Innerlijke Weg naar de volmaaktheid -
De zaligen - De »armen« - Draag je leed op de juiste manier - De zachtmoedigheid, eigenschap van hen, die onbaatzuchtig liefhebben - De Tien Geboden en de Bergrede als weg naar waarheid en gerechtigheid - De barmhartigheid, de poort naar het eeuwige Zijn - De reine zielen in de Absolute Wet Gods - De vredestichters hebben de vrede in zich - Strijd van de pioniers op verschillende fronten - Kerkleiders, farizeeën, wolven in schaapskleren - Slachtveld achter de nevelwand - Bidt voor de onverlichte zielen (2-4). Aardse rijkdom als verplichting en opdracht - Verkeerd gebruik van rijkdom heeft ernstige gevolgen - Waarschuwing aan de spotters - rijken, machthebbers, valse profeten, mooipraters, schijnchristenen: werktuigen van de satan (5). De rechtvaardigen zijn het zout der aarde, die het onrecht aan het licht brengen (6). Benoeming en opdracht van de profetes en verkondigster van God - Het werk van de pioniers onder directe scholing en leiding - Het Nieuwe Jeruzalem (7). Vrij worden van de wet van zaad en oogst door Christus, binding in de valwet door kerkgenootschappen en dogma’s - Christus leidt thans naar de gehele waarheid (8). Valse en ware leraren (9). Alleen redding door geloof en verwezenlijking (10). Christus transformeert vrijwillig aan Hem gegeven zonden (11). In het reine brengen, voordat een zwaar karma ontstaat - De schijnbare vijand, je spiegel (12-13). Eenieder ontvangt, wat hij zelf heeft gezaaid - Geeft onbaatzuchtige liefde (14). Persoonlijke wensen leiden tot binding aan mensen en dingen - Leven in een "poel van verderf" (16). Rondvliegend zaad in de zielenakker van je naaste – De reinigingsweg van de pioniers tot aan het vredesrijk (17-18)

 

    1. Toen Jezus de grote volksmenigte zag, ging Hij op een berg. En toen Hij was gaan zitten, kwamen de twaalf bij Hem. Hij richtte Zijn blik op Zijn discipelen en sprak:
    2. »Zalig in de geest zijn de armen, want hen behoort het hemelrijk. Zalig zijn zij, die lijden, want zij zullen getroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk bezitten. Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
    3. Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen. Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen God schouwen. Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. Zalig zij, die vervolging lijden omwille van de gerechtigheid, want hen behoort het rijk Gods.
    4. Ja, zalig zijn jullie, wanneer de mensen jullie haten en jullie zullen uitstoten uit hun gemeenschap en allerlei kwaad over jullie spreken en jullie goede naam schenden omwille van de mensenzoon. Weest blij op die dag en juicht van vreugde, want ziet, jullie loon is groot in de hemel. Want hetzelfde deden hun vaders de profeten aan. (Hoofdst. 25, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De Bergrede is de Innerlijke Weg naar het hart van God, die naar de voleinding leidt.
    De zaligen zullen de Christus schouwen en met Mij, de Christus, in alle zachtmoedigheid en deemoed het aardrijk bezitten. Gelukkig degene, die de heerlijkheid van de Vader- Moeder-God in alles schouwt! Hij is het levende voorbeeld voor velen geworden.
    Ik leid de Mijnen tot de erkenning van de waarheid.
    Wie uit de waarheid is, hoort Mijn stem, omdat hij de waarheid is en daardoor ook de waarheid hoort en schouwt.
    De zaligen zijn zonder angst en vol blijdschap, want zij zien en horen, wat diegenen niet zien en horen, die zich nog achter hun menselijke ik verbergen en dit met uiterste inspanning vasthouden, om niet te worden herkend.
    Maar de zaligen schouwen in de kerker van het menselijk ik en herkennen de meest verborgen gedachten van hun medemensen. Zij stralen met de kracht van hun heldere bewustzijn naar binnen en roepen hun medemensen toe:

    »Zalig in de geest zijn de armen, want hen behoort het hemelrijk!«
    Met de woorden "de armen" is niet materiële armoede bedoeld. Niet deze brengt de zaligheid in de geest, maar de ootmoedigheid voor God, waaruit de mens vervult, wat Gods wil is. Zij is innerlijke rijkdom.
    Met de woorden "de armen" worden al diegenen bedoeld, die niet naar eigen bezit streven en geen goederen verzamelen. Hun denken en streven is gericht op het gemeenschapsleven, waarin zij de goederen, die God aan allen heeft geschonken, op wetmatige wijze beheren. Zij hunkeren en streven niet naar het wereldse. Zij dienen het algemeen welzijn en strekken hun armen uit naar God en gaan bewust de weg naar het innerlijke leven. Hun doel is het rijk Gods in hun innerlijk, dat zij aan alle mensen willen verkondigen en brengen, die van goede wil zijn. Hun innerlijke rijkdom is het leven in God, voor God en voor hun naasten. Zij leven het gebod "bid en werk"
    Zij streven naar de Geest Gods en ontvangen voor hun aardse leven van God, wat zij nodig hebben en meer dan dat. Dat zijn de zaligen in de Geest Gods.

    »Zalig zij, die lijden, want zij zullen getroost worden.«
   Het leed van de mens is niet van God, maar de lijdende heeft het, óf zelf veroorzaakt, of zijn ziel heeft in het zielenrijk een deel van de schuld van een broeder- of zusterziel overgenomen, om voor haar in het aardse bestaan af te dragen, zodat de broeder- of zusterziel hogere sferen van innerlijk leven vermag binnen te gaan.
    Wie zijn leed draagt, zonder zijn naaste te beschuldigen en in het leed zijn eigen fouten en zwakheden inziet, deze berouwt, om vergeving vraagt en vergeeft, die zal Gods barmhartigheid deelachtig worden. Want God, de Eeuwige, wil Zijn kinderen troosten en datgene van hen wegnemen, wat niet goed en heilzaam is voor hun ziel. Want als het leed de ziel verlaat, wanneer dus de oorzaken, die in de ziel werkzaam werden, zijn afgelost, komt de mens nader tot God.
    »Draag je leed« wil zeggen: klaag er niet over; klaag God niet aan en ook je naasten niet. Zoek in je leed je eigen zondige gedrag, dat tot dit leed heeft geleid.
    Heb berouw, vergeef en vraag om vergeving en doe datgene niet meer, wat je als zonde hebt ingezien. Dan kan de zielenschuld door God worden weggenomen en je ontvangt dan uit Hem versterkt kracht, liefde en wijsheid.
    Als je een mens ontmoet, die lijdt en beproefd wordt en hij vraagt je om hulp, sta hem dan bij en help hem, voor zover het je mogelijk is en het goed is voor zijn ziel. En wanneer je ziet, dat je naaste de hulp dankbaar aanneemt en er sterker door wordt, geef hem dan méér, als het je mogelijk is.
    Doch jij, die hulp geeft, doe het onbaatzuchtig. Als je het alleen doet uit uiterlijke verplichting, zul je er geen geestelijk loon voor ontvangen - en je zult ook de ziel van de lijdende en beproefde mens geen dienst bewijzen, maar alleen het lichaam, het voertuig van de ziel.

    »Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk bezitten.«
    Zachtmoedigheid, deemoed, liefde en goedheid gaan hand in hand. Wie tot onbaatzuchtige liefde is geworden, is ook zachtmoedig, deemoedig en goed. Hij is vervuld van wijsheid en kracht.
    Mensen in Mijn Geest, die onbaatzuchtig liefhebben zullen het aardrijk bezitten. O ziet, de weg naar het hart van God is de weg naar het hart van de onbaatzuchtige liefde. Uit de onbaatzuchtige liefde stroomt de vrede Gods.
    De mensen, die op weg zijn naar het hart van God en de mensen, die reeds in God leven, werken voor de Nieuwe Tijd, doordat zij alle bereidwillige mensen de weg naar God leren. Zo nemen zij het aardrijk steeds meer in Mijn Geest in bezit.
    Degenen, die onbaatzuchtig liefhebben zijn het, die in het rijk Gods op aarde, in het vredesrijk, zullen leven. Verheugt jullie, dat jullie nu reeds (1989) de weg naar het hart van God bewandelen! Jullie zijn in Mij de wegbereiders en pioniers voor de Nieuwe Tijd. Velen van jullie zullen in de Nieuwe Tijd, in het lichtrijk, geboren worden en de vervulling in God meebrengen, omdat jullie reeds nu de weg daarheen gaan. Verheugt jullie en weest dankbaar voor de loutering en reiniging van jullie ziel, want jullie zullen Mij dan schouwen en bewust in en met Mij leven en zijn.

    »Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.«
    Wie naar de gerechtigheid Gods hongert en dorst, is een waarheidszoeker, die hunkert naar het leven in en met God. Hij zal verzadigd worden.
    Mijn broeder, mijn zuster, jij, die hunkert naar de gerechtigheid, naar het leven in en met God, wees gerust en verhef je boven het zondige, menselijke ik! Verheug je, want de tijd is aangebroken, waarin het rijk Gods dichter bij die mensen komt, die zich inspannen, om de geboden van het leven te onderhouden.
    Zie, Ik, je Verlosser, Ben de waarheid in jezelf. In jouzelf ben Ik aldus de weg, de waarheid en het leven.
    De waarheid is de wet van de liefde en van het leven. In de Tien Geboden, die uittreksels zijn uit de alomvattende wet van God, vind je de grondslagen voor de weg naar de waarheid. Neem de Tien Geboden in acht en je komt steeds meer op de weg van de Bergrede, waarin de weg naar de waarheid fundamenteel is uiteengezet.
    De weg naar de waarheid is de weg naar het hart Gods, naar het eeuwige leven, dat onbaatzuchtige liefde is. De Bergrede is de weg naar het rijk Gods, naar de wetten voor het vredesrijk van Jezus Christus. Als je je daarin verdiept en deze vervult, verkrijg je toegang tot de goddelijke wijsheid.
    Je hebt reeds gelezen, dat zich de deelstraal van de goddelijke wijsheid in het aardse gewaad bevindt (1989), om Gods woord te brengen en de wetten van God uit te leggen. Door dit, Mijn instrument, openbaar Ik nu de Bergrede in alle details en leid en begeleid de bereidwillige mensen op de Innerlijke Weg door leringen en lessen, die - voor zover zij worden verwezenlijkt - leiden naar de Vader, het eeuwige licht. Bovendien onderwijs Ik door Mijn instrument de Absolute Wet, de wet van de eeuwigheid.
    Erken: niemand hoeft te hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid. Zet de eerste stap naar het rijk van de liefde, door allereerst tegenover jezelf rechtvaardig te zijn. Oefen jezelf in het positieve leven en denken en je zult heel geleidelijk een rechtvaardig mens worden. Dan breng je de gerechtigheid Gods in deze wereld; en je komt ook voor haar op, omdat je de wil van God, de Heer, vervult, uit Zijn liefde en wijsheid.
    Erken: de tijd is nabij, waarin geschiedt, wat geopenbaard is. De leeuw zal bij het lam liggen, omdat de mensen de overwinning over zichzelf hebben verworven - door Mij, hun Verlosser. Zij zullen een grote familie in God vormen en met alle dieren en de hele natuur in eenheid leven.
    Verheug je, het rijk Gods is nabij gekomen - en met het rijk Gods ook Ik, jullie Verlosser en vredestichter, de heerser van het vredesrijk, het wereldrijk van Jezus Christus.

    »Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen.«
    De barmhartigheid van God komt overeen met de zachtmoedigheid en goedheid van God en is voor alle zielen de poort tot de voleinding van het leven. De mensen, die door Mij, de Christus, die leeft in de Vader-Moeder-God, alle zeven basiskrachten van het leven - de wet van de orde tot aan de barmhartigheid - in hun zielen hebben ontplooid, zullen weer als reine geestwezens door de poort van de barmhartigheid in de onbaatzuchtige liefde, in het rijk Gods, in de hemelen ingaan en in vrede leven. De poort tot het eeuwige Zijn is de zevende basiskracht, de barmhartigheid - in de geest Gods goedheid en zachtmoedigheid genoemd. Alle mensen, die zich oefenen in de barmhartigheid, zullen ook barmhartigheid ontvangen en diegenen bijstaan, die zich op de weg naar de barmhartigheid bevinden.
    Erkent: de weg naar het hart van God is de weg van de enkeling in de gemeenschap met gelijkgezinden. Want God is eenheid en eenheid in God is gemeenschap in en met God en met de naasten.
    Wie de eerste stappen op de weg naar de voleinding heeft gezet, zal het gebod van de eenheid vervullen: Eén voor allen, Christus - en allen voor Eén, Christus.
    De Bergrede is, zoals geopenbaard, de evolutieweg naar het innerlijke leven. Al diegenen, die op deze ontwikkelingsweg naar het hart van God zijn voorgegaan, helpen weer diegenen, die pas aan het begin van de weg staan. In en boven allen straalt de Christus, die Ik Ben.

    »Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen God schouwen.«
    Het reine hart is de reine ziel, die zich weer tot absoluut geestwezen heeft verheven door Mij, de Christus in de Vader-Moeder-God.
    De reine zielen, die weer wezens van de hemelen zijn geworden, zijn dan weer het evenbeeld van de eeuwige Vader en schouwen de Eeuwige weer van aangezicht tot aangezicht. Zij schouwen, leven en vernemen tegelijk de wet van de eeuwige Vader, omdat zij weer geest uit Zijn Geest zijn geworden - de eeuwige wet zelf.
    Zolang mensen en zielen de Geest Gods nog in zichzelf moeten leren horen, zijn zij nog niet geest uit Zijn Geest, nog niet de wet van de liefde en het leven zelf.
    Wie echter opnieuw tot de wet van liefde en leven is geworden, schouwt de eeuwige Vader van aangezicht tot aangezicht en staat voortdurend bewust met Hem in verbinding. Hij schouwt ook de wet Gods, het leven uit God, als geheel, omdat hijzelf het leven en de liefde is en zich daarin beweegt. Wie zich in de Absolute Wet Gods beweegt, heeft haar ook helemaal ontsloten - van de orde tot en met de barmhartigheid. Hem staan alle zeven basiskrachten van de oneindigheid ten dienste, omdat hij in absolute eenheid en harmonie is met al het Zijn.

    »Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods worden genoemd.«
    Deze woorden betekenen inhoudelijk: zalig zijn zij, die de vrede bewaren. Zij zullen ook de ware vrede op deze aarde brengen, omdat zij in zichzelf vredelievend zijn geworden. Zij zijn bewust de kinderen Gods.
    Velen der zonen en dochters van God, die de vrede in zich dragen en in de wereld brengen, zijn de geïncarneerde wezens, die in de opdracht van God staan en voor de Nieuwe Tijd strijden, opdat het geestelijke mensdom ontstaat, dat in het vredesrijk van Jezus Christus leeft, in de lichttijd.

    Woorden van de heerser van het vredesrijk op aarde tot de mensen van de Nieuwe Tijd:
    Gij mensen in de Nieuwe Tijd, in het steeds lichter wordende vredesrijk van Jezus Christus, die dit boek "Dit is Mijn woord" leest, erkent, dat de pioniers van Christus aan meerdere fronten tegelijk moesten strijden tegen het satanische, om het aangekondigde rijk Gods op aarde tot doorbraak te helpen komen.
    Jullie leven dus in vrede, in Mij, de Christus, jullie goddelijke broeder, de heerser van het vredesrijk. Doch achter de nevelwand leven en werken de zielen, die de Bergrede, de wet naar het innerlijke leven, niet wilden toepassen, die nog steeds leven in de kerker van hun menselijke ik. Als mensen wilden zij de roep van de pelgrims naar het hart van God niet horen. Zij hielden hun oren en harten gesloten voor de waarheid en verborgen zich achter hun menselijke ik, achter hun voorstellingen, meningen en theologische inzichten. Ook in de voorbereidingstijd van de oude naar de Nieuwe Tijd, de lichttijd, bleven zij farizeeërs, huichelaars, vervolgers en lasteraars.

    Weet, dat in alle zielen tot aan het vierde reinigingsgebied het licht van de verlossing straalt. Zo zijn ook zij niet verloren. Achter de nevelwand werken in naam van de Heer veel reine geestwezens - waaronder ook veel zonen en dochters van God, die Mij, de Christus, op aarde in verschillende incarnaties, in verschillende tijdperken, de weg naar het steeds lichter wordende vredesrijk hebben bereid. Daar in de zielenrijken werken zij verder in onbaatzuchtige dienst voor hun naasten. De rechtvaardige mannen en vrouwen, die de wet van de liefde en het leven in deze wereld hebben gebracht, hadden het in de toenmalige tijd (1989) erg zwaar.

    Erkent, broeders en zusters, die nu in het rijk Gods op aarde leeft: de pioniers van Christus voor de Nieuwe Tijd stelden zich in deze grote tijdsomwenteling, van de oude, materialistisch ingestelde tijd naar de Nieuwe Tijd, de lichttijd, ook op tegen het satanische en demonische.

    »Zalig zij, die omwille van de rechtvaardigheid, worden vervolgd, want hen behoort het rijk Gods.«
    Wat gebeurde er verder in de toenmalige voorbereidingstijd? De pioniers van Christus voor de Nieuwe Tijd leden vervolging omwille van het rijk Gods op aarde. Door de farizeeërs en schriftgeleerden, door kerkleiders en door al degenen, die hen horig waren, werden zij veracht en belasterd. De waarheid werd bewust in een verkeerd licht geplaatst en vertekend. Degenen, die trouw gestreden hebben voor de waarheid, werden wegens de waarheid belachelijk gemaakt. Mensen, die Mij, Christus, slechts op de lippen, echter niet in het hart droegen, predikten in hun kerken en ook buiten de kerkmuren tegen hen, belasterden en discrimineerden hen. Zij werden beschimpt en beschuldigd van valsheid in de leer.
    De ware navolgers van Christus werd door de schijnchristenen ontzegd, christenen te zijn, omdat zij zelf niet leefden, wat Ik hen als Jezus van Nazareth geboden had. Zoals in Mijn tijd als Jezus, predikten zij weliswaar uit hun bijbels en veinsden zij de mensen hun vrome geloof aan Mij voor en waren toch de wolven in schaapskleren. Want zij deden niet, wat Ik de mensen geboden heb: elkaar onbaatzuchtig lief te hebben, zoals Ik hen liefheb; daarom zijn het farizeeërs en huichelaars. En wie het gebod "heb je vijand lief" miskent, die miskent ook de Christus, die Ik Ben.

    Wie dit later leest, moge de Christuspioniers gedenken, die het aardrijk en de atmosfeer van de aarde voor de Nieuwe Tijd hebben voorbereid. Zij brachten een deel van de eeuwige stralingswet op de aarde en in haar atmosfeer. Gedenkt hen in liefde, want velen van hen ïncarneren niet meer, om in het vredesrijk op aarde te leven en te werken,. Zij strijden in de reinigingsgebieden verder. Zij strijden om de zielen, opdat ook deze vrij worden van hun zonden en kunnen ingaan in de heerlijkheid, die Ik Ben in de Vader.
    Erkent: wat de zielen op aarde niet in het reine hebben gebracht, nemen zij met zich mee achter de nevelwand. Daar moeten zij erkennen en afdragen, wat zij in het aardse gewaad hebben veroorzaakt. Wie als mens niet tot zelferkenning gekomen is en daarom ook geen boete heeft gedaan, vegeteert als ziel achter de nevelwand verder als tevoren in het aardse gewaad - wat hij leven noemde. Velen, die eens huichelaars en farizeeërs op aarde waren, lasteren hun medebroeders en zusters ook weer in het zielenrijk, maken hen ook daar belachelijk, ontzeggen hen christenen te zijn en willen zichzelf daarmee in een goed daglicht plaatsen. Dat gebeurt zolang, totdat zij - wellicht zelfs onder zwaar leed en pijn - inzien, wat zij hebben veroorzaakt en in wiens hart Christus waarlijk is opgestaan.
    Volgens de kosmische wet van de aantrekking zal de ziel aan haar zielenlichaam datgene ervaren, wat zij in het aardse gewaad veroorzaakt heeft aan haar medemensen en niet in het reine heeft gebracht. De ziel ziet haar zonden in beelden en ervaart tegelijkertijd in haar zielelichaam zelf het leed en de kwalen van haar naasten, die zij hen als mens heeft aangedaan. De zonden die nu in haar actief zijn geworden, werken zolang op haar in tot de ziel van harte berouwt, om vergeving vraagt en bereid is, haar naasten te vergeven. Dan pas verandert de zondige energie in goddelijke kracht en de ziel wordt lichter en reiner.
    Bidt voor hen, die zich achter de nevelwand net zo gedragen als eens op aarde in het aardse gewaad! Bidt, dat zij zichzelf mogen herkennen en boete doen. Velen van de lasteraars zullen in hun zielen de nood en het leed van de pioniers herkennen, opnieuw moeten beleven en eventueel moeten dulden, totdat zij tot de zekerheid zijn gekomen, dat Ik, Christus, met de pioniers, met Mijn broeders en zusters, was en nu met hen Ben als hun goddelijke broeder.
    Bidt, dat zij tijdig inzien en voelen, dat zij in de tegenstrijdige, machtswellustige wereld, horig waren aan de duistere machten! De duisternis misbruikte zelfs Mijn naam, om mensen te verleiden en de pioniers, de zonen en dochters van God op aarde, het werk in de wijngaard van de Heer, te bemoeilijken.
    Erkent: wie Mij navolgde, werd door de wereldse mensen niet geacht, omdat ook Ik als Jezus door hen werd veracht. Te allen tijde moesten mensen, die in de ware navolging van de Nazarener traden, veel verdragen en lijden.
    Vele van de pioniers voor de Nieuwe Tijd gingen echter onverstoorbaar door en bleven in Mijn voetsporen. Gedenkt deze dappere mannen en vrouwen, die onverstoorbaar in het geloof aan Mij een rechtvaardige strijd gestreden hebben voor de Nieuwe Tijd.
    Verheugt jullie, die in de Nieuwe Tijd leven, in het vredesrijk, dat steeds meer lichtstoffelijk wordt. Jullie zijn met hen verbonden. Velen onder jullie waren in de grote tijdsomwenteling als pioniers in het aardse gewaad om de doorbraak voor het rijk Gods te bereiken. De strijd en de overwinning voor Mij, Christus, bleef in jullie zielen als herinnering achter. Intuïtief voelt menigeen onder jullie, dat hij in die tijd als pionier heeft meegewerkt. Zij voelen ook, dat in die tijd de oorzaken steeds sneller werkzaam werden en het positieve, de lichttijd, met macht opsteeg, de tijd van de Christus, waarin jullie nu weer - in het kleed van een fijnere materie - leven.

    5. Wee jullie, die rijk zijt! Want jullie hebben in dit leven jullie troost ontvangen. Wee jullie, die verzadigd zijt, want jullie zullen honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en wenen. Wee wanneer alle mensen goed over jullie spreken, want zo deden ook hun vaders met de valse profeten. (Hoofdst. 25, 5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Wee jullie die rijk zijt! Want jullie hebben in dit leven jullie troost ontvangen.«
    Mensen, die hun rijkdom als hun eigendom beschouwen, zijn geestelijk arm. Velen, die rijk zijn aan aardse goederen, kregen voor hun aardse leven de geestelijke opdracht in de wieg gelegd, een voorbeeld te zijn voor die rijken, die zich met verstokt, onbuigzaam hart binden aan hun rijkdom en wier enig denken en streven er uitsluitend op gericht is, deze voor zichzelf te vermeerderen. Een mens, die rijk is aan aardse goederen en die heeft ingezien, dat zijn rijkdom een gave is, die hij slechts van God heeft ontvangen, om haar in het grote geheel voor het welzijn van allen in te brengen en haar aldaar rechtmatig voor allen te beheren - deze mens verwezenlijkt de wet van de gelijkheid, de vrijheid, de eenheid en de broederlijkheid. Hij draagt als onbaatzuchtig gever er mede toe bij, dat de armen niet in ontbering en de rijken niet in luxe leven.
    Zo wordt geleidelijk een evenwicht, een gegoede middenstand tot stand gebracht voor allen, die bereid zijn, de wet "bid en werk" onbaatzuchtig te vervullen. Zo ontstaat heel geleidelijk het ware mensdom van een gemeenschap, wier leden geen persoonlijke aardse rijkdom vergaren, maar alles als gemeenschappelijk bezit beschouwen, dat hen door God is geschonken.
    Als de rijke geld en goed als zijn eigendom beschouwt en in de wereld vanwege zijn rijkdom aanzien heeft, zal hij - als gevolg van zijn oorzaken - in het volgende aardse leven in arme landen leven en daar om het brood bedelen, dat hij eens als rijkaard de armen heeft onthouden. Dit blijft zolang voortduren, als dergelijke incarnaties nog mogelijk zijn.
    De ziel van zo’n rijke zal ook in de reinigingsgebieden geen rust vinden. De lichtarme zielen, die door zijn toedoen op aarde leed en honger moesten verduren, zullen hem herkennen als degene, die hen ontzegd heeft wat hen had kunnen helpen, uit de verstrikkingen van het menselijke ik te komen. Velen zullen hem aanklagen en dan zal zijn ziel zelf ervaren, hoe zij hebben moeten lijden en honger hebben geleden. Op deze wijze kan een ziel, die op aarde als mens rijkdom en aanzien genoot, grote nood lijden; deze nood is veel groter, dan wanneer zij op aarde om brood had moeten bedelen.
    Erkent: naar de wetten van de Eeuwige komt eenieder, die zich onbaatzuchtig aan het gebod "bid en werk" houdt, hetzelfde toe; want God geeft iedereen wat hij nodig heeft en meer dan dat. Zolang echter nog niet alle mensen zich aan dit gebod houden, zijn er op aarde de zogenaamde rijken. Hun opdracht is, hun vergaarde rijkdom uit te delen en hetzelfde te leven als zij, die onbaatzuchtig het gebod "bid en werk" vervullen. Als zij op deze wijze niet aan hun eigen welzijn denken, maar aan het welzijn van allen, dan keert de innerlijke rijkdom zich geleidelijk naar buiten en geen mens zal meer honger of gebrek lijden.
    Wee jullie die rijk zijt, die jullie geld en goed je eigendom noemt en jullie naasten ervoor laat werken, opdat jullie vermogen zich vermeerdert! Ik zeg jullie: jullie zullen Gods troon niet schouwen, doch dáár verder leven, waar Gods voeten zijn - op aarde, steeds weer in het aardse lichaam, zolang dit nog mogelijk is. Ook wanneer jullie sociale instellingen helpen, zelf echter veel rijker zijn dan degenen, die daaruit worden ondersteund - zijn jullie toch horig aan de satan der zinnen, die het verschil wil tussen arm en rijk.
    Door deze verschillen ontstaan macht en onderworpenheid, haat en nijd. Daaruit volgt strijd en oorlog. Daarom dienen zij, die hun rijkdom vasthouden, ook wanneer zij af en toe sociaal denken, de satan der zinnen en handelen tegen de wet des levens: tegen gelijkheid, vrijheid, eenheid en broederschap.
    Wie geld en goed als zijn eigendom beschouwt en voor zichzelf houdt, inplaats van deze materiële energie te laten stromen, is volgens de wetten des levens een dief, daar hij zijn naaste een deel van zijn geestelijke erfdeel onthoudt. Want alles is energie. Wie haar bindt door "van mij en voor mij" handelt tegen de wet, die stromende energie is.

    »Wee jullie, die verzadigd zijt, want jullie zullen honger lijden.«
    De rijke, verzadigde mens, die alleen "zijn" schuren vult, is in zijn hart leeg. Hij kent slechts het mijn en dijn. Zijn streven en denken draait rond "mijn" eigendom, "mijn" bezit, "mijn" brood, "mijn" voedsel. "Dat is allemaal van mij" - dat is zijn wereld. Zo een mens zal eens honger en gebrek lijden, tot hij begrijpt: alles is het Zijn; alles behoort God toe en alle mensen, die ernaar streven, Gods werken te doen: de onbaatzuchtige liefde en de wet des levens voor de aarde "bid en werk" te vervullen.
    Mensen, die alleen van "mijn en dijn" spreken, zijn lichtarme mensen, die reeds in deze incarnatie een volgende aardse weg voorbereiden, of een lange reis van hun ziel in het zielenrijk, steeds in het kleed van de bedelaar.
    De door het materiële verblinde ziel hongert onbewust naar het licht, omdat zij lichtarm is. Dwangmatig tracht zij dit met uiterlijke dingen te compenseren, zoals met aardse rijkdom, hebzucht, geschrans, drankzucht of andere begeerten en genietingen. Zij is onverzadigbaar.

    »Wee jullie, die nu lacht, want jullie zullen treuren en wenen.«
    Wie om zijn naaste lacht en hem bespot, zal eens zeer verdrietig zijn en over zichzelf wenen - omdat hij diegenen heeft miskend, die hij heeft uitgelachen en bespot. Hij zal moeten inzien, dat hij tenslotte zichzelf heeft uitgelachen, gehoond en bespot. Want wie zijn naaste berecht en beoordeelt, hem uitlacht, hoont en bespot, die berecht, beoordeelt Mij en lacht Mij uit, hoont en bespot ook Mij, de Christus.
    Erkent: wie zich aan de geringste Mijner broeders verzondigt, verzondigt zich aan de wet des levens en zal daaronder te lijden hebben. Tegelijkertijd heeft hij zich gebonden aan degenen, die hij heeft veracht. Weest daarom op jullie hoede en beoefent zelfcontrole. Niet wat de mond ingaat, verontreinigt jullie zielen, maar wat de mond uitgaat, dat belast ziel en mens.

    »Wee jullie, wanneer alle mensen goed over jullie spreken, want zo deden het ook hun vaders met de valse profeten.«
    Als julie je medemensen naar de mond praat, opdat zij jullie loven en jullie aanzien bij hen hebben, dan zijn jullie net zoals de valsemunters, die omwille van hun voordeel met valse munt betalen.
    Zo was en is het ook met de valse profeten. Zij hadden en hebben aanzien bij het volk, omdat zij het naar de mond praatten en omdat mannen van aanzien onder het volk hun zijde kozen, omdat zij er persoonlijk voordeel en nut van verwachtten.

    Mensen in het vredesrijk, erkent: in de zondige wereld werden veel rechtvaardige profeten en ook verlichte mannen en vrouwen door de aardse rijken en de machthebbers van deze wereld, door kerkleiders en hun aanhangers belasterd en vervolgd en werden velen van hen gefolterd en gedood. Het satanische heeft te allen tijde diegenen als werktuig gebruikt, die hun aardse rijkdom voor zichzelf wilden houden en vermeerderen, die naar macht streefden en ook degenen, die horig waren aan de rijken en machthebbers.
    Dat moeten jullie weten, om te begrijpen, waarom de oude, zondige wereld op gruwelijke wijze onderging.
    Valse profeten waren onder andere ook diegenen, die het evangelie van de liefde weliswaar predikten, echter daar zelf niet naar leefden. En het waren ook al diegenen, die zich "christen" noemden en zich in hun leven onchristelijk gedroegen. Zij werden vaak geroemd om hun welbespraaktheid en geëerd en geprezen wegens hun rijkdom en aanzien.
    O, ziet, nochtans droegen alle ware profeten en verlichten in de loop der tijden ertoe bij, dat de kristal van innerlijk leven met zijn vele facetten van de eeuwige waarheid steeds meer schitterde en straalde. Op deze wijze ontstond heel geleidelijk het rijk Gods op aarde.
    Aan jullie, lieve broeders en zusters in het vredesrijk, is het nu dit thans volmaakte, fonkelende en schitterende kristal, het innerlijke leven, als een kostbare bloem te koesteren en te verzorgen, te beschermen en te bewaren: het is de wet van de liefde en wijsheid Gods, Zijn orde, Zijn wil, Zijn wijsheid, Zijn ernst, Zijn goedheid, Zijn oneindige liefdestraling, en Zijn zachtmoedigheid.

    6. Jullie zijn het zout der aarde, want ieder offer dient met zout gezouten te worden, maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal men dan zouten? Het heeft voortaan geen nut meer, dan dat het weggegooid en met de voeten vertrapt wordt. (Hoofdst. 25, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De rechtvaardigen zijn het zout der aarde.
    Zij zullen steeds weer wijzen op wantoestanden in deze wereld en de vinger op de wonde van de zonde leggen. Want veel onheil geschiedde en geschiedt in deze nog zondige wereld en veel mensen werden slachtoffers omwille van het evangelie.
    De rechtvaardigen, die slachtoffers werden, moeten door rechtvaardige mannen en vrouwen gerehabiliteerd worden, want alles moet openbaar worden door het zout der aarde. Nu, in de tijd van de omwenteling van de oude, zondige wereld naar de Nieuwe Tijd, de lichttijd, zullen de rechtvaardigen het onrecht aan het licht brengen en openbaar laten worden, opdat degenen, die onrecht hebben gedaan, zichzelf erkennen en boete doen.
    Hoedt jullie echter, jullie rechtvaardigen, die het zout der aarde zijn, dat het zijn smaak niet verliest, dat jullie dus in de gerechtigheid blijven en jullie niet laat verleiden. Want wie zal de gerechtigheid in deze wereld brengen en wie zal wijzen op de wantoestanden en zonden, die mensen hebben geschapen? Toch slechts diegenen, die Mijn naam kennen en die in het boek van het Lam staan.
    Wie niet meer het zout der aarde is, die gaat tot hen behoren, die Mijn naam hebben misbruikt en misbruiken voor hun eigen doeleinden en de rechtvaardigen vervolgd, belasterd en gedood hebben.
    Als het zout der aarde aan smaak verliest en de mens zijn naaste veracht, dan zal hij onder zijn eigen oorzaken bezwijken: figuurlijk gezegd: hij zal zichzelf vertrappen. Zijn onuitgeboete oorzaken roepen dan ziekte, verval en leed op. De lichtarme ziel zal gebrek lijden en datgene aan haar eigen zielelichaam ervaren, wat zij aan haar naaste heeft veroorzaakt.

    7. Jullie zijn het licht der wereld. De stad, die op een heuvel is gebouwd, kan niet verborgen zijn. Men steekt ook geen licht aan en plaatst het onder de korenmaat, maar op een kandelaar en zo geeft het licht aan allen, die in het huis zijn. Laat aldus jullie licht schijnen voor de mensen, dat zij jullie goede werken mogen zien en jullie Vader in de hemel prijzen. (Hoofdst. 25, 7)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik Ben het licht der wereld.
    Door Mijn getrouwen, door mannen en vrouwen, die de wil van de Eeuwige vervullen, straalt het nu versterkt in de wereld.
    Mijn licht heb Ik op de kandelaar van de goddelijke wijsheid en gerechtigheid geplaatst, opdat het voor allen moge schijnen, die van goede wil zijn.
    Mijn broeders en zusters in het vredesrijk van Jezus Christus, het is belangrijk voor jullie, het volgende te weten: in de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid heb Ik heel geleidelijk Mijn licht tot stralen gebracht. Ik riep het mensenkind, waarin het vrouwelijke principe van de cherubijn van de goddelijke wijsheid geïncarneerd was en deelde het zijn geestelijke opdracht mede, die vervolgens in zijn ziel steeds meer openbaar werd.
    Weet, wanneer de geestelijke opdracht in de geïncarneerde ziel begint te pulseren, wil de wet, dat de mens daarop opmerkzaam wordt gemaakt en gevraagd wordt, of hij datgene aanneemt, wat in zijn ziel actief is.
    Het mensenkind bevestigde met woorden van de volgende strekking: Eeuwige, ik ben Jouw maagd, mij geschiede naar Jouw wil.
    Daarop begon voor haar de grote, alomvattende, geestelijke opdracht, Mijn profetes en verkondigster voor de hele aarde te zijn. Steeds helderder en krachtiger werd Mijn licht in haar ziel, tot het de mens geheel doorstraalde. Toen ook de mens sterk genoeg was, om Mijn heilige, eeuwige woord te schenken, zond Ik haar deze wereld in: door Mijn Geest geleid, bezocht zij landen en steden op verschillende continenten. Ik gaf door haar Mijn heilige woord in talloze openbaringen.
    In vele facetten van de eeuwige waarheid straalde Mijn licht in deze wereld, op deze aarde. Het is de wijsheid uit God.
    Aan Mijn licht ontstoken zich in de geweldige tijdsomwenteling steeds meer harten. De mensen herkenden de eeuwige waarheid in Mijn woorden. Steeds meer mensen gingen de Innerlijke Weg en namen het geschenk des levens aan, de leringen en lessen uit de eeuwige waarheid, om God, het eeuwige Zijn, naderbij te komen.
    Veel mannen en vrouwen werden Mijn getrouwen, want zij vervulden Gods wil. Zij verbroederden zich in Mijn Geest en werden de pioniers voor de Nieuwe Tijd, die het fundament stichtten voor het rijk Gods op aarde en daarop begonnen op te bouwen.
    Steeds meer mensen werden lichtzoekers. Op weg naar het innerlijke leven ontwikkelden zij steeds meer hun innerlijke vlam aan Mijn licht en verenigden zich met de pioniers, om mee te werken voor de Nieuwe Tijd.
    Erkent verder: door het diepgaande onderricht, dat Ik via de geïncarneerde goddelijke wijsheid gaf, erkenden zij de eeuwige wetten en bleven steeds meer in de gerechtigheid Gods.
    De pioniers hadden te allen tijde ook enkele nederlagen te overwinnen. Maar zij herkenden in elke nederlaag hun eigen zwakte en overwonnen haar dan met Mij, Christus. Zij berouwden hun tegenstrijdige gedrag, loofden en prezen God voor Zijn nooit aflatende leiding - ook weg uit hun nederlagen. Op deze wijze werden de mannen en vrouwen sterker in Mij, de Christus.
    De overwinningen in Mij, de Christus, beschouwden zij niet als hun eigen verdienste. Zij dankten, loofden en prezen de eeuwige naam en verheugden zich, dat de Eeuwige door Mij en Ik door hen en met hen datgene kon volbrengen, wat nodig was voor de lichttijd, waarin jullie thans leven.
    Door de verwezenlijking van de eeuwige wetten kwamen de trouwe mannen en vrouwen steeds dichter bij Mij en werden zich bewust van Mijn leiding. Via de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid spraken de Eeuwige, God, ons aller Vader, en Ik, Christus, met hen. Wij vermaanden de pioniers steeds weer, hun nog aanwezige fouten af te leggen. Tegelijkertijd leidden Mijn Vader en Ik, Christus, hen tot zelfkennis, door hen - overeenkomstig de wet van de vrije wil - er opmerkzaam op te maken, zo gauw zij tegen de eeuwige wet hadden verstoten. Wij legden hen uit, hoe zij hun fouten weer goed konden maken. In alle wezenlijke vragen en situaties openbaarden zich de Eeuwige en Ik, Christus en leidden hen naar een antwoord en een oplossing, die wetmatig was. Zij brachten onmiddellijk dat in het reine, wat in het reine gebracht moest worden, zodat datgene opgeheven kon worden, wat niet overeenkwam met de eeuwige wet.
    De pionierstijd was een grote tijd, want de pioniers spraken met God, die zich door het grote licht der goddelijke wijsheid aan hen openbaarde. Door deze diepe verbondenheid met de Vader-Moeder-God en met Mij, hun Verlosser en goddelijke broeder, werden zij innerlijk sterker. Zij werden steeds meer vervuld van liefde en wijsheid.
    Wat Ik hier in dit boek "Dit is Mijn woord" openbaar, voltrok zich in een evolutieproces over vele generaties. De eerste pioniers voor de Nieuwe Tijd herkenden het grote licht, dat onder hen leefde, nog niet, omdat de geïncarneerde deelstraal der goddelijke wijsheid zich als zuster onder broeders en zusters inzette, zonder zich op de voorgrond te plaatsen. Deze eenvoudige zusterlijkheid, die ontsprong uit een grote deemoed en eerbied voor God, had dan ook onder enige pioniers echte broederlijkheid tot gevolg. Voor hen was de hoge lichtdraagster een zuster, die hen in iedere levensomstandigheid en situatie raad kon geven, omdat haar geestelijke lichaam één was met God, het leven.
    Jullie, die in de Nieuwe Tijd leven, erkent: dit alles - en nog veel meer, dat niet werd opgeschreven - moest gebeuren, opdat mijn licht steeds sterker kon stralen in deze wereld. Het straalde machtig in de tijdsomwenteling en bereidde door Mijn getrouwen de Nieuwe Tijd voor.
    De pioniers in Mij waren de geestelijke strijdtroep, die streed volgens de wet van het leven, de liefde en de vrije wil.
    Na het sluiten van het verbond met God, de Eeuwige, leefden en werkten zij vanuit het centrale Oerlicht der Bondgemeente Nieuw Jeruzalem in het Nieuwe Israël in wording. Uit de Bondgemeente Nieuw Jeruzalem ontstond in de daaropvolgende generaties de machtige stad Jeruzalem op de steeds fijner wordende materie der aarde.
    De stad Nieuw Jeruzalem, die op de heuvelen is gebouwd, kan niet verborgen zijn. Zij schittert en straalt als het centrale Oerlicht voor de hele aarde.
    Vanuit de stad, die op de heuvelen is gebouwd, het Nieuwe Jeruzalem, worden de impulsen gegeven voor het gehele wereldrijk van Jezus Christus. De stad Nieuw Jeruzalem is de centrale schakel voor het vredesrijk van Jezus Christus. Zo werd het geopenbaard - en zo is het.

    8. Jullie mogen niet denken, dat Ik gekomen Ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik Ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want waarlijk, Ik zeg jullie: tot hemel en aarde vergaan, zal niet de kleinste letter, noch een jota van de wet en de profeten vergaan, tot dat alles is vervuld. Doch zie, een grotere dan Mozes is hier en deze zal jullie de hogere wet geven, de volmaakte wet zelfs, en deze wet zullen jullie gehoorzamen. (Hoofdst. 25, 8)
   

Ik Christus, verklaar, verbeter
    en verdiep het woord:

    Als Jezus van Nazareth leerde Ik de mannen en vrouwen die Mij navolgden en allen, die naar Mij luisterden, gedeelten uit de volmaakte wet, de Absolute Wet. Ik verklaarde hen ook, dat de Absolute Wet der liefde in de wet van oorzaak en gevolg binnenstraalt, omdat de Geest alomtegenwoordig is en ook in de wet van oorzaak en gevolg, de valwet, werkt.
    Door Mij als Jezus van Nazareth, de geïncarneerde Christus en door alle andere ware Godsprofeten, onderwees en vermaande de Eeuwige Zijn kinderen in de onvolmaakte gebieden, dat de valwet, de wet van oorzaak en gevolg, voortdurend werkzaam is. Wie zich niet tijdig bezint en omkeert, zal zijn oorzaken als gevolgen moeten verduren. De Eeuwige had en heeft de wens, om ook in de huidige tijd (1989) Zijn mensenkinderen en alle zielen naar Zijn hart te leiden, naar de wet van de eeuwige liefde, voordat de oogst - de gevolgen op de door hen gestelde oorzaken - op hen afkomt. De Eeuwige leidde en leidt hen door Mij, Christus, tot zelferkenning. Hij gaf en geeft hen de kracht, datgene in het reine te brengen, wat zij als zonden en fouten hebben erkend en erkennen.
    De Christus, die Ik Ben, kwam in Jezus van Nazareth op deze aarde, in deze wereld, om de mensen als mensenzoon de eeuwige wet te leren en haar voor te leven, opdat zij de weg naar de Eeuwige Vader erkennen en Zijn wet vervullen - zodat zij weer de eeuwige woningen kunnen binnengaan, die Hij voor al Zijn kinderen gereed houdt.
    De mensen, die Mij in Mijn aardse tijd navolgden en die de eeuwige wetten verwezenlijkten, waren Mijn ware navolgers.
    In de daaropvolgende generaties kwam vervolgens christendom en schijnchristendom: de ware navolgers, die Mij, de Christus, vrijwillig navolgden, door zich te houden aan de wetten van de Bergrede - en de schijnchristenen, die slechts over Mij, de Christus, spraken en toch tegen de wetten handelden. Bovendien was er nog de zogenaamde gedwongen navolging: deze ontstond uit de gedwongen kerstening van de massa door de kerken.
    Erkent: in de eeuwige wet bestaat geen dwang. God, de Eeuwige, heeft al Zijn kinderen de vrije wil gegeven. Wie vrij beslist, heeft met de vrije keuze de kracht voor dat, wat het ware christendom kenmerkt: gelijkheid, vrijheid, eenheid, broederlijkheid en gerechtigheid. Elke dwang komt uit de wet van oorzaak en gevolg, die ook valwet wordt genoemd. De mens is geboden, zijn geestelijke weg vrij te kiezen. Ik, Christus, bood en biedt de weg aan naar het hart van God, maar Ik dwing geen mens, die ook te gaan. Wie zijn naaste dwingt, leeft zelf onder de dwang van de valwet en belichaamt zo de valgedachte.
    Sommige zogenaamde christelijke godsdiensten dwingen hun gelovigen tot het doopsel met water. Reeds kleine kinderen, wier vrije wil nog niet ontwikkeld is en die daarom ook nog niet zelf kunnen beslissen, worden door het doopsel met water tot lidmaatschap van een kerk gedwongen en daarmee tot deelname aan haar overige rituelen genoodzaakt.
    Dit is een ingreep in de vrije wil van het individu, als het ware een gedwongen christianisering. Zo werkt de valwet.
    Mensen, die Mij, Christus, niet vrijwillig, uit hun diepste innerlijke overtuiging, aan - en opnemen, hebben het vaak zeer moeilijk, de Tien Geboden, de uittreksels uit de eeuwige wet, op de juiste wijze te begrijpen en aan te nemen omdat deze door talrijke veruiterlijkingen, dogmatische vormen, riten, gebruiken en erediensten op de achtergrond werden gedrongen. In de kerken werden deze veruiterlijkingen de hoofdzaak; zij hebben echter met het innerlijke christendom, de innerlijke religie, niets gemeen, maar stammen gedeeltelijk rechtstreeks uit de tijd van het veelgodendom en de afgodendienst en aldus uit de valgebieden.
    Pas wanneer mensen zich vrijwillig losmaken van de hen opgedrongen dogma’s en starre vormen, van rituelen en erediensten, alsmede van hun eigen Godsvoorstellingen, kunnen zij geleidelijk naar hun innerlijk, hun ware wezen, worden gevoerd. Daar, in hun innerlijke zijn, vinden zij dan zichzelf als waarachtig wezen in God en als bewoner van het rijk Gods, dat binnen in ieder mens is. Dit innerlijke leven is de ware religie, de innerlijke religie.
    Erkent: de eeuwige, alomvattende, universele wet, de wet van de hemelen, is onomstotelijk. Het is de wet van al het reine Zijn. Door de val ontstond de wet van oorzaak en gevolg en deze kan slechts worden opgelost door de verwezenlijking der eeuwige wetten. Ze kan echter niet worden ontlopen. De wet van oorzaak en gevolg werkt zolang in elke ziel, tot de zonden werden erkend, in het reine gebracht, uitgeboet en aan Mij, de Christus Gods, werden overgegeven. Dan is de valwet in de ziel opgeheven. De ziel is dan verregaand bevrijd van haar onreinheid. Zij wordt weer het reine wezen in God, dat de Absolute Wet leeft, omdat het opnieuw streeft naar de alomheersende wet van de liefde en het leven.
    De wet van zaad en oogst heeft zolang geldigheid, tot al het tegenstrijdige goedgemaakt is en in positieve energie is omgezet en elk wezen weer in God leeft, uit wie het voortkwam. In de mate, waarin alle wezens uit God weer in het hart van God zijn ingegaan, in de Absolute Wet, zullen alle reinigingsgebieden - alle gedeeltelijk materiële en materiële gebieden, met inbegrip van de aarde zich in kosmische energie omzetten en opnieuw in de Absolute Wet trillen. Dan is de valwet opgeheven en Gods liefde is bewust en alomheersend in al het Zijn, in ieder wezen.

    Er wordt geen "jota" van de eeuwige wet weggenomen, die de ware profeten voor en na Mij hebben gebracht, die Ik als Jezus van Nazareth voorleefde.
    Als er staat: »niet de kleinste letter«: dan is daarmee het afzonderlijke aspect van de eeuwige waarheid bedoeld, niet de letter en het woord der mensen als zodanig. Menselijke woorden zijn vaak slechts symbolen, die het innerlijke verbergen. Pas wanneer de mens zich in de symbooltaal vermag in te voelen, herkent hij de waarheid en de zin van het leven, die diep in de menselijke woorden verborgen ligt.
    "De hogere wet" is de stap in de volmaakte wet. Deze wordt de verregaand reine wezens, die van de aarde en de zielenrijken komen, in de voorbereidingsgebieden geleerd, die zich voor de hemelpoort bevinden. De hogere wet is de laatste leerfase voor de hemelpoort. Zij toont de verregaand reine wezens, op welke wijze de wetmatige straling in het geestlichaam weer wordt geactiveerd, zodat zij in de oneindigheid kan worden aangewend.
    Als Jezus van Nazareth heb Ik gedeelten uit de volmaakte wet, de Absolute Wet, geleerd. De gehele waarheid moest voor de toen levende mensen nog verborgen blijven, omdat zij nog te zeer hingen aan het veelgodendom en op de verschillende geloofsrichtingen van de toenmalige tijd waren georiënteerd. Daarom sprak Ik inhoudelijk: als de tijd gekomen is, zal Ik, de geest der waarheid, jullie in de gehele waarheid leiden.
    Op de berg Golgotha - dat betekent: schedelplaats - werd Ik door de Romeinen gekruisigd, omdat het Joodse volk Mij niet als de Messias had aan- en opgenomen. Ofschoon Ik in het dal van de Jordaan in het hele land predikte, onderwees, genas en vele tekenen van Mijn Godheid gaf, bleef het halsstarrige Joodse volk horig aan de tempel en werd zo medeschuldig aan de dood van Jezus van Nazareth.
    Met de inhoudelijke woorden "Het is volbracht" vond in alle belaste en gevallen zielen de verlossersvonk ingang. Daardoor werd en Ben Ik de Verlosser van alle mensen en zielen.
    Als Christus Gods werkte en werk Ik verder. In alle generaties tot aan de tegenwoordige tijd (1989) openbaarde en openbaar Ik Mij door ware instrumenten van God, door mensen met verregaand gereinigde zielen.
    In deze machtige tijdsomwenteling, waarin de lichttijd de mensen steeds naderbij komt, leer Ik de eeuwige wet in al zijn facetten en steeds meer mensen bewandelen het pad naar het innerlijk, tot de liefde Gods.
    Nu is de tijd gekomen, die Ik als Jezus van Nazareth aankondigde: »Vandaag kunnen jullie het nog niet dragen, dus begrijpen, maar als de geest der waarheid komt, zal Hij jullie in alle waarheid leiden.« Nu Ben Ik in de geest onder de Mijnen, de trouwe reizigers naar het eeuwige Zijn, naar het bewustzijn van Mijn Vader en leer hen de Absolute, eeuwige Wet, opdat ook diegenen, die in het vredesrijk zullen leven, haar vervullen en daardoor in Mij leven en Ik door hen.
    Mijn woorden zijn leven, zijn de eeuwige wet, zij blijven in de reizigers naar het eeuwige leven behouden en ook in vele schriftelijke aantekeningen - zo ook met dit boek voor het vredesrijk van Jezus Christus.
    Erkent: alleen de eeuwige wet van liefde maakt de mens vrij - niet de wet van zaad en oogst. Dit brengt hem slechts leed, ziekte, nood en ellende.

9. Wie slechts één van deze geboden, die Hij zal geven, breekt en de mensen leert ook zo te handelen, zal de geringste heten in het hemelrijk. Wie deze echter naleeft en leert, die zal groot genoemd worden in het hemelrijk. (Hoofdst. 25, 9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De Tien Geboden, die God door Mozes aan Zijn mensenkinderen gaf, zijn uittreksels uit de eeuwige wet van het leven en de liefde. Wie deze geboden overtreedt, ze slechts voorhoudt aan zijn medemensen, zonder zich er echter zelf aan te houden, is een valse leraar. Hij zondigt tegen de Heilige Geest. Dat is de grootste zonde. Deze valsemunter gebruikt Gods liefde, de wet van het leven, voor eigen doeleinden. Zodoende misbruikt hij de eeuwige wet. Ieder misbruik is roof; en iedere rover is een gejaagde en een achtervolgde, die door zijn eigen daden, door zijn eigen oorzaken, vroeg of laat wordt ingehaald en veroordeeld. Want God is een rechtvaardige God; door Hem wordt alles openbaar, zowel het goede, alsook het minder goede en het slechte.
    Wie echter de wet van de liefde en het leven in acht neemt, dat wil zeggen in het dagelijkse leven vervult en de mensen dat leert, wat hijzelf verwezenlijkt heeft, is een ware geestelijke leraar. Hij reikt de mensen het brood van de hemelen aan en zal daarmee velen verzadigen. Wie uit de eigen vervulling geeft, is vervuld van goddelijke wijsheid en kracht en zal, als de tijd gekomen is, stralen als een ster aan de hemel. Want de van God vervulde mens put uit de stroom van het heil en geeft onbaatzuchtig aan hen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
    Erkent: door zulke rechtvaardige mannen en vrouwen komt de eeuwige wet van liefde en leven in deze wereld. Wie zich dus aan de eeuwige wet houdt en deze onderwijst, zal groot worden genoemd in het hemelrijk; dat betekent: hij zal in de hemel rijk worden beloond.

    10. Waarlijk, zij, die geloven en gehoorzamen, zullen hun zielen redden en zij, die niet gehoorzamen, zullen hen verliezen. Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die der schriftgeleerden en farizeeën, zullen jullie niet in het hemelrijk komen. (Hoofdst. 25, 10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De uitspraak: »... zij die geloven en gehoorzamen, zullen hun zielen redden en zij die niet gehoorzamen, zullen hen verliezen«, betekent: wie gelooft en de wetten van God navolgt, zal zijn ziel redden van het rad van wedergeboorte, dat hem zo lang in het vlees terugtrekt, tot hij alles heeft uitgeboet, wat hem steeds weer in de incarnaties heeft getrokken.
    Erkent: alleen het geloof in de wet des levens is niet voldoende. Alleen het geloof aan het leven en de verwezenlijking van de wetten des levens leiden mens en ziel uit het rad van wedergeboorte.
    Wie de wetten van God niet in acht neemt, verraadt God en verkoopt zijn ziel aan de duisternis. Daardoor dekt hij het licht van zijn ziel, zijn ware leven toe. Deze mens leeft dan in zonde en de ziel in de slaap van deze wereld. De incarnatiewet, het rad van wedergeboorte, dat de ziel ter incarnatie trekt, zal nog geruime tijd werkzaam zijn, opdat de geïncarneerde ziel inziet, dat zij niet van deze wereld is, maar in het aardse gewaad, om datgene af te leggen, wat menselijk is - en te onthullen, wat goddelijk is: haar ware, eeuwige leven.
    Niet allen, die de lettertekens kennen, interpreteren deze alleen naar de letter - maar zij zien ook de betekenis. Daarom de betekenis: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van vele schriftgeleerden - die voorwenden, rechtvaardig te zijn en Mijn wet te leren, deze echter zelf niet in acht nemen - dan zullen jullie niet het hemelrijk binnengaan.
    Bindt jullie daarom niet aan meningen en zienswijzen van mensen. Verwezenlijkt, wat jullie uit de wetten des levens hebben erkend; dan zien jullie de volgende stappen naar hogere wetmatigheden.
    Erkent: de gerechtigheid Gods is Gods liefde en wijsheid. Wie deze niet in zichzelf tot ontplooiing brengt, straalt haar ook niet uit, schouwt ook niet in de diepte van het eeuwige Zijn en doorgrondt ook niet zijn ware leven. Zijn aardse leven is een vegeteren. Hij vegeteert aan het ware leven voorbij. Zowel aan deze alsook aan gene zijde is hij een geestelijk dode. Hij heeft noch in dit aardse bestaan, noch in het leven aan gene zijde de juiste oriëntatie, omdat hij niet naar de wetten van het leven heeft geleefd. Hij is niet wijs, maar geeft alleen zijn opgeslagen kennis door. Daardoor wordt hij de aanhanger van de zonde en tenslotte zelf een zondaar. Hij handelt in strijd met de eeuwige wet en valt daardoor steeds dieper in de wet van zaad en oogst.

    11. Daarom, wanneer je je gave op het altaar offert en indachtig wordt, dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan je gave vóór het altaar en ga eerst naar hem toe, verzoen je met je broeder en kom dan terug en offer je gave. (Hoofdst. 25, 11)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »... wanneer je je gave op het altaar offert en indachtig wordt, dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan je gave vóór het altaar en ga eerst naar hem toe, verzoen je met je broeder en kom dan terug en offer je gave« betekent: wanneer je aan Mij, Christus, je leven wilt wijden en je zonden en fouten aan Mij wilt geven en je ziet in, dat je je nog niet verzoend hebt met je naaste, laat dan de zonde vooralsnog voor het innerlijke altaar liggen. Ga naar je naaste toe en verzoen je met hem - en dan, als je hetzelfde of iets dergelijks, als hetgeen tot de zonde geleid heeft, niet meer wilt doen, leg dan je zonde op het altaar. Het altaar bevindt zich in het binnenste van je tempel van vlees en bloed. De geest van liefde en leven verandert dan de zonde in kracht en leven. Want van datgene, dat je vrijwillig, zonder dwang, bereidwillig aan Mij overgeeft en dus datzelfde of iets dergelijks niet meer doet, zul je bevrijd worden. Je ziel ontvangt dan versterkt het licht uit Mij.
    Let op de volgende wetmatigheid: als je slechts in gedachten tegen je naaste gezondigd hebt door liefdeloze, afgunstige, wraakzuchtige, jaloerse of hatelijke gedachten, ga dan niet naar hem toe, om er met hem over te spreken. Weet, dat je naaste je gedachtenwereld niet kent. Wanneer je je gedachten in woorden openbaar laat worden, gaat hij erover nadenken. Kom alleen tot Mij, Christus, die in je innerlijk is, heb berouw over je gedachten en zend tegelijkertijd positieve, onbaatzuchtige gedachten naar de ziel van je naaste, gedachten met de vraag om vergeving en gedachten van innerlijke verbondenheid. Dan los Ik op, wat in gedachten werd veroorzaakt. En als je dan hetzelfde of iets dergelijks niet meer denkt, is het je al vergeven.
    Erken: als je met je naaste spreekt over je menselijke gedachten, kun je eventueel iets menselijks in hem aanraken, dat zich juist in een veranderingsproces bevindt. Het zou dan in je naaste weer kunnen openbreken. Hij begint dan weer negatief te denken en te spreken en belast zich opnieuw.
    De wet luidt: niet alleen diegene belast zich, die door jouw verkeerde gedrag weer tot nadenken werd aangezet, maar ook jij, die je gedachten hebt uitgesproken en daardoor in je naaste iets menselijks hebt geactiveerd, dat zich in een veranderingsproces bevond.
    Gaat echter van je mond iets onwetmatigs uit, doordat je je naaste beschuldigt, beschimpt en kwaad over hem spreekt - ook wanneer hij het via een ander of derden hoort -, ga dan naar hem toe en vraag hem om vergeving. Heeft hij je vergeven, dan heeft ook de eeuwige hemelse Vader in Mij, Christus, jou vergeven. Heeft hij je echter niet vergeven, dan zal ook je hemelse Vader in Mij, Christus, jou niet kunnen vergeven. De liefde van de Vader-Moeder-God zal echter het nog starre hart steeds meer beroeren, opdat de mens zich sneller bezint en je vergeeft, zodat ook God in Mij, Christus, je kan vergeven en dan alles afgelost en getransformeerd is, wat eens onwetmatig was.
    Hoed je voor je eigen tong! Want dat, wat aan onwetmatigheden van je mond uitgaat, kan je naaste en jezelf veel meer schade berokkenen dan je gedachten, die je tijdig, voordat zij tot uitwerking komen, hebt erkend en aan Mij, Christus in jou, hebt overgegeven.
    Erken nog een andere wetmatigheid: gedachten zie en hoor je niet - en toch zijn zij er! Zij vibreren in de atmosfeer en kunnen degene beïnvloeden, die hetzelfde of iets soortgelijks denkt. Als je ze tijdig aan Mij overdraagt, zijn ze opgeheven - tenzij de ziel van je naaste ze reeds in zich heeft geregistreerd. Dan word je zo geleid, dat je voor deze mens, waarover je negatief hebt gedacht, iets goeds kunt doen. En als je onbaatzuchtig het goede doet, zonder je vroegere gedachten uit te spreken, dan wordt in de ziel van diegene, waarover je tegenstrijdig hebt gedacht, datgene uitgewist, wat hij al in zijn ziel had opgenomen. Dan is ook in jou uitgewist, wat je ziel heeft uitgestraald.

    12. Word het zo snel mogelijk eens met je tegenstander, zolang je nog met hem op weg bent, opdat je tegenstander je niet op een dag aan de rechter overlevert en de rechter levert je over aan de gevangenisbewaarder en je zult er niet uitkomen, voordat je de laatste cent hebt betaald.
    13. Jullie hebben gehoord, dat gezegd is: je zult je naaste liefhebben en je vijand haten. Doch Ik zeg jullie, die Mij horen: hebt jullie vijanden lief en doet goed aan degenen, die jullie haten. (Hoofdst. 25, 12-13)
   

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »Word het zo snel mogelijk eens met je tegenstander, zolang je nog met hem op weg bent« betekent: laat de zonde, die je aan je naaste hebt begaan, niet onbereinigd! Breng deze zo spoedig mogelijk in het reine, want nog is hij met jou op de levensweg in het aardse bestaan. Is zijn ziel eenmaal van de aarde heengegaan, dan moet je mogelijk wachten, totdat er weer een ontmoeting kan plaatsvinden en je hem om vergeving kunt vragen.
    Erken: de rechter, dat is de wet van oorzaak en gevolg. Wanneer deze werkzaam wordt, zal de mens er zo lang niet vanaf komen, totdat hij "de laatste cent" heeft betaald - tot dus alles is uitgeboet, wat hij heeft veroorzaakt en niet tijdig heeft berouwd.
    Benut daarom de kans, je naaste om vergeving te vragen en hem te vergeven, zolang je nog met hem over de aarde gaat en de zonde zich nog niet in de ziel heeft ingegraven en tot oorzaak is geworden. Wie niet vergeeft en niet om vergeving vraagt, heeft de uitwerking te dragen, tot hij "de laatste cent" heeft betaald.
    Word het dus zo snel mogelijk eens met je naaste. Hebben de oorzaken - bijvoorbeeld twist, afgunst of nijd - reeds wortel geschoten in je ziel en is dit ook in je naaste, tegen wie je gekant bent, het geval, dan is het mogelijk, dat je naaste je niet zo snel vergeeft - ook dan niet, als je je zonden hebt ingezien en berouwd. Want het schuldcomplex kan zich in zijn ziel hebben vastgezet door dezelfde of een soortgelijke denkwijze, als die jij in hem hebt teweeggebracht. Door jouw zondige gedrag, dat je gedurende enige tijd hebt gevoed, heeft ook hij de wrok tegen jou in zijn ziel gevoed - en zo, net als jij, een omvangrijk tegenstrijdig energieveld geschapen, een schuldcomplex, dat nu door jullie beiden moet worden aangepakt. Het in het reine brengen kan nog in dit aardse bestaan op je afkomen of pas in de zielenrijken of in volgende incarnaties.

    Erken: voordat een noodlot een mens overkomt, wordt hij door de geest van het leven, die ook het leven van de ziel is, en ook door de beschermengel of door mensen vermaand. De vermaningen uit de Geest zijn zeer fijne gewaarwordingen, die uit de ziel stromen of die de beschermengel in de gevoels- of gedachtenwereld van de mens laat binnenstromen. Zij vermanen de mens, anders te gaan denken of in het reine te brengen, wat hij heeft veroorzaakt. De eeuwige Geest van het leven en de beschermengel kunnen soms ook mensen aanzetten, naar diegene toe te gaan, die kort voor een zware beproeving staat. Zij komen dan op de betreffende persoon toe en beginnen een gesprek, dat als vanzelf op de zaak in kwestie slaat. Op grond van dit gesprek zou dan de oorzaak voor het op hem toekomende noodlot kunnen worden ingezien en in het reine gebracht kunnen worden.
    Je ziet dus, dat het eeuwige licht op veelvuldige wijze vermaningen en aanwijzingen geeft - zowel aan de naaste, waarmee je oorzaken hebt geschapen, alsook aan jezelf.
    Ook door impulsen via gebeurtenissen gedurende de dag wordt de mens tijdig vermaand, voordat het door hem veroorzaakte hem als noodlot overkomt.
    Wie zulke aanwijzingen serieus neemt en datgene, dat hij als zonde heeft ingezien, door berouw, vergeven, vragen om vergeving en het-weer-goed-maken in het reine brengt, hoeft het door hem veroorzaakte niet te dragen. Is de zonde groot, dan is het mogelijk, dat hij een gedeelte daarvan te dragen krijgt, echter niet de gehele schuld, die uit de ziel wilde losbreken. Wie echter alle vermaningen negeert en niet wil horen, omdat hij zich met menselijke dingen verdooft, zal zijn zelfgeschapen oorzaken te dragen hebben, totdat "de laatste cent" is betaald.

    Het gebod van het leven luidt: »Hebt jullie vijanden lief, doet wel aan degenen, die jullie haten.«
    Ieder mens zou in iedere medemens zijn naaste, zijn broeder en zijn zuster, moeten zien. Tracht ook in de schijnbare vijanden je naasten te herkennen en hen onbaatzuchtig lief te hebben.
    De schijnbare vijand kan voor jou zelfs een goede spiegel tot zelfkennis zijn, wanneer je je over de vijandigheid - die vele gezichten kan hebben - opwindt; wanneer namelijk iets aan je naaste je opwindt, ligt hetzelfde of iets soortgelijks in jezelf.
    Kun je echter je naaste, die je heeft beschuldigd en aangeklaagd, zonder grote opwinding vergeven, dan is er bij jou geen sprake van een overeenkomst; je hebt dus niet hetzelfde of iets soortgelijks in je en daarom is er hiervoor geen weerklank in je ziel. Het is mogelijk, dat je datgene, waarvan je werd beschuldigd, reeds in een vorig leven in het reine hebt gebracht of hebt uitgeboet - of wel nog nooit in je ziel hebt opgebouwd. Het lag dan alleen in de ziel van degene, die tegen jou gedacht of gesproken en die je beschuldigd heeft. Wanneer dus in jou geen opwinding merkbaar wordt, geen echo uit je ziel komt, dan was jij voor hem de spiegel. Of hij in deze spiegel voor zijn menselijke ik kijkt of niet - laat dat aan God over en aan hemzelf, Zijn kind.
    Erken: alleen al door jouw aanblik begon zijn geweten te spreken en spiegelde hem toe, dat hij bijvoorbeeld ooit tegenstrijdig over jou heeft gedacht en gesproken. Nu heeft hij de mogelijkheid, dit in het reine te brengen. Doet hij dit, doordat hij het berouwt en voortaan hetzelfde of iets soortgelijks niet meer denkt of doet, dan is het in zijn ziel opgeheven, dus getransformeerd. Dan pas zal hij jou met de ogen van het innerlijke licht zien.
    Een teken, dat in een ziel het tegenstrijdige in het positieve is veranderd, is welwillendheid en begrip ten opzichte van de naaste.

    14. Zegen hen, die je vervloeken en bid voor degenen, die je uit kwaadaardigheid misbruiken. Opdat je een kind mag zijn van je Vader, die in de hemel is en die de zon laat opgaan over de slechten en over de goeden en regen zendt over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. (Hoofdst. 25, 14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie deze geboden onderhoudt, is rechtvaardig ten opzichte van zijn medemensen en zal door zijn leven in God veel mensen tot het leven in God leiden. God straft en tuchtigt Zijn kinderen niet. Dat blijkt al uit de woorden: »...Die de zon laat opgaan over de slechten en over de goeden en regen zendt over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.«
    God is de gever van het leven, omdat Hij zelf het leven is. Uit de eeuwige wetten van het leven gaf God de mens de vrije wil om vrijelijk vóór of tegen Hem te beslissen. Wie vóór Hem is, vervult de eeuwige wetten van de liefde en het leven en zal ook de gaven van liefde en leven van de eeuwige wet ontvangen. Wie tegen de eeuwige wet voelt, denkt en handelt, ontvangt datgene, wat hij gezaaid, dus gevoeld, gedacht, gesproken en gedaan heeft.
    Iedereen ontvangt dus, wat hij zelf heeft gezaaid. Wie goed zaad zaait, dus de wetten van God vervult, zal ook goede vruchten oogsten. Wie menselijk zaad zaait, dat hij als menselijke gevoelens, gedachten, woorden en daden in de akker van zijn ziel brengt, zal ook overeenkomstige vruchten oogsten.
    Daaraan erkennen jullie, dat God niet ingrijpt in de wil van de mens. Hij is gever, helper, vermaner, leider en beschermer van degenen, die zich inspannen, Zijn wil te doen, omdat zij zich naar Hem toewenden. Wie zich van Hem afwendt, door zijn eigen menselijke wet te scheppen, zal ook door zijn eigen menselijke "ego-wet" bestuurd worden.
    God grijpt dus niet in in de wet van oorzaak en gevolg. God komt Zijn kinderen op veelvuldige wijze tegemoet en degenen, die Hem van harte vragen en vervullen, wat Ik, Christus in God, Mijn Vader, hen heb geboden - elkaar onbaatzuchtig lief te hebben -, zij zijn in God en God werkt door hen.

    15. Want als jullie diegenen liefhebben, die júllie liefhebben, wat voor loon zullen jullie dan krijgen? Want ook de zondaars hebben diegenen lief, die hen liefhebben. En als jullie hen goed behandelen, die ook jullie goed behandelen, wat voor loon zullen jullie krijgen? Immers ook de zondaars doen hetzelfde. En als jullie alleen jullie broeders groeten, wat doen jullie dan meer dan de anderen? Doen de tollenaars dat niet ook? (Hoofdst. 25, 15)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Neem dus je naaste in je hart aan en op, ook wanneer hij jou niet liefheeft, ook dan, als hij jou niet bijstaat, je minacht en weigert je te groeten. Heb jij hem lief! Sta jij hem onbaatzuchtig bij en groet jij hem - al was het alleen maar in gedachten, als hij niet met woorden gegroet wil worden. Ook een groet uit het hart, die in gedachten wordt gegeven, gaat in zijn ziel en brengt op de juiste tijd goede vruchten.
    Zie er dus op toe, dat je je gedraagt als de zon, die geeft - of de mens haar nu wil zien of niet, of hij zich nu regen of storm wenst, of hij nu naar kou of naar warmte verlangt.
    Geef onbaatzuchtige liefde, zoals de zon aan de aarde geeft en heb achting voor alle mensen, al het Zijn. Dan zul je je loon in de hemel ontvangen.
    Praat de mensen niet naar de mond. Maak geen onderscheid, zoals de mensen, die alleen met diegenen omgaan en vóór diegenen zijn, die hun denken en doen delen en die hen, die anders denken en anders handelen, veroordelen.

    16. En als je iets intens begeert, maar het leidt je af van de waarheid, laat het dan varen, want het is beter, het leven binnen te gaan en de waarheid te bezitten, dan het te verliezen en in de uiterlijke duisternis gestoten te worden. (Hoofdst. 25, 16)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wat de mens voor zich persoonlijk begeert, heeft betrekking op zijn mens, op zijn lagere ik. Dit alles is binding. Binding betekent gebonden zijn aan mensen en dingen. Wie zich aan mensen en dingen bindt, wie dus aan iets gebonden is, vermindert de stroom van de kosmische energie.
    Als je een mens alleen omwille van je eigen voordeel aan je bindt, dan volg je met je eigenzinnigheid belangen, die je van het leven in Mij, Christus, afbrengen. Daarmee verlaat je het onpersoonlijke, onbaatzuchtige leven, verstrik je je in willen-bezitten, willen-zijn en willen-hebben en verarm je in je innerlijk aan geestelijk leven. Als je niet tijdig afstand doet van het willen-bezitten, -zijn en -hebben, zul je eens alles verliezen.
    Als je niet in de gevolgen - bijvoorbeeld door het verlies van have en goed of door ziekte, nood en leed - jezelf herkent en dan ook niet berouwt en weer goed maakt, zul je als ziel en als mens in de duisternis vertoeven, omdat je uitsluitend op jezelf, op je persoonlijke welzijn, bedacht was.
    Herken jezelf daarom elke dag opnieuw en verwezenlijk dagelijks Gods wetten en zie ervan af, iets voor je persoonlijke ik te begeren. Blijf waarachtig - en aldus trouw aan de wet van God. Dan zul je het leven, dat je ware zijn is, binnengaan - en je zult rijk zijn in jezelf, omdat je in jezelf de hemel hebt ontsloten.
    In degene, die geen bokaal van de waarheid is, kan ook de waarheid, die onpersoonlijk is, niet binnenstromen. Zo’n mens is alleen op zichzelf gericht en vergaart alleen voor zichzelf. Dit gedrag leidt ertoe, dat hij zich afwendt van Gods eeuwig stromende kracht en een "moerasleven" leidt. In het moeras stroomt alleen het tegenstrijdige binnen en er stroomt maar weinig uit. Dat betekent, dat hij datgene aan het eigen lichaam zal voelen, wat hij in zijn moeras heeft verzameld.
    De eeuwige waarheid daarentegen stroomt in en door die mens, die een bokaal is van de waarheid. Hij ontvangt van God en geeft uit God en wordt daardoor tot bron van leven voor velen. De kosmische levensenergie, de bron van al het Zijn, stroomt door alle zijnsvormen en door die mensen en zielen, die zich tot God hebben gewend, die dus een bokaal van God zijn geworden.
    Erken: de eeuwig stromende kracht stroomt alleen door die mensen en zielen, die niet vergaren voor egoïstische doeleinden, maar onbaatzuchtig geven. Alleen door de onbaatzuchtig gevende stroomt onophoudelijk de stroom Gods! Kan God ongehinderd door de mens stromen, dan leeft de mens in de waarheid, in God, in het leven, dat eeuwig duurt. Alleen zulke mensen geven uit Mij, het leven, omdat zij in Mij, het leven en de waarheid, staan.

    17. En als je iets begeert, dat bij anderen pijn en verdriet veroorzaakt, ruk het uit je hart. Alleen zo zul je vrede verkrijgen. Want het is beter, verdriet te hebben, dan diegenen verdriet te doen, die zwakker zijn dan jij.
    18. Wees dus volmaakt, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is. (Hoofdst. 25, 17-18)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Al het ongoddelijke dat van je uitgaat - zoals tegenstrijdige gedachten, woorden en daden -, kan niet alleen bij je naaste pijn en leed veroorzaken, maar ook bij jezelf. Want wat de mens zaait, zal hij oogsten.
    De oogst komt overeen met het zaad. Het wordt altijd door diegene geoogst, die gezaaid heeft - niet door zijn naaste. Je naaste heeft jouw zaad niet gezaaid en zal ook jouw oogst niet oogsten.
    Jouw zaad kan echter rondvliegend zaad zijn - zoals het zaad van verschillende bloemsoorten, dat na de bloeitijd door de wind wordt weggedragen en dáár wortel kan schieten, waar het zich kan vasthouden. Zo kunnen ook jouw gedachten, woorden en daden, als rondvliegend zaad in de ziele-akker van je naaste vallen en ontspruiten, als zij daar dezelfde of vergelijkbare voorwaarden vinden.
    Hetzelfde of iets soortgelijks als bij jou ligt in hem, wanneer hij zich ergert en opwindt over jouw woorden en handelingen, wanneer je hem daarmee verdriet doet en hij, gestimuleerd door jouw rondvliegende zaad hetzelfde of iets dergelijks denkt, spreekt of doet. Maar jij bent degene, die het heeft veroorzaakt en jij kunt in de wet van oorzaak en gevolg ter verantwoording worden geroepen. Jou is geboden, je naaste onbaatzuchtig lief te hebben, hem te dienen en te helpen - en niet hem door je gedrag pijn en verdriet aan te doen.
    Als je naaste zich dan door jouw onwetmatige gedrag belast, omdat jij in zijn ziele-akker bent binnengedrongen en oorzaken tot vibreren hebt gebracht, waaronder hij later zwaar te lijden en te dragen heeft, dan ben jij aan hem gebonden. En als hij op jouw gedrag eveneens onwetmatig reageert, is hij weer aan jou gebonden. In deze of in een andere bestaansvorm zullen jullie dit met elkaar in het reine moeten brengen.
    Erken: een klein, nietig rondvliegend zaadje van menselijk ik kan een grote oorzaak scheppen, die haar gevolg al in zich draagt.
    Besef dus: iedere oorzaak moet worden opgeheven!
    Een ander voorbeeld: als je je negatieve gedachten, woorden en daden als rondvliegend zaad uitzendt en je naaste hoort, wat jij over hem zegt, maar hij neemt er geen notitie van, omdat hij in de akker van zijn ziel daarvoor geen overeenkomsten heeft, dan zul je slechts jezelf belasten en ben jij aan hem gebonden - niet hij aan jou. Je naaste kan in de hemel binnengaan, hij heeft immers jouw negatieve zaad niet aan- en opgenomen, omdat hij niet hetzelfde of iets dergelijks dacht en sprak als jij. Heb je echter in je naaste door je verkeerde gedrag oorzaken aangestoten, die niet in hem tot werking hadden hoeven te komen, omdat hij deze later zonder pijn en leed in het reine had kunnen brengen, dan draag jij de grotere schuld en moet dat deel dragen, dat je aan je naaste hebt veroorzaakt.
    Moet je dus pijn en leed verdragen, geef dan niet je naaste de schuld van jouw toestand. Jij zelf bent de veroorzaker - en niet je naaste. Jouw pijn en leed zijn het zaad in je ziel, dat is opgekomen - en dat zich in of aan je lichaam als oogst laat zien.
    Alleen Ik, Christus, je Verlosser, kan je daarvan bevrijden - en alleen dan, als je berouw hebt en hetzelfde of iets dergelijks niet meer doet. Dan is de last van je ziel weggenomen en het zal je beter vergaan.
    Erken: wie zijn pijn en leed als zijn eigen zaad herkent en zijn leed aanneemt, toont waarachtige innerlijke grootte. Dit is een teken van geestelijke groei; de geestelijke groei leidt geleidelijk naar de volmaaktheid.
    Het reine wezen is volmaakt; het is het evenbeeld van de Vader-Moeder-God. Het leeft in God en God leeft door het reine wezen.

    Zalig zij, die rein zijn van hart, want zij zullen God schouwen - omdat zij weer evenbeelden zijn geworden van de hemelse Vader. Uit een rein, aan God gewijd hart, stromen zachtmoedigheid en deemoed.
    Ik, Christus, de Verlosser van de mensheid, leidt het steeds groter wordende volk Gods op aarde naar de innerlijke reinheid. Het volk Gods bestaat (1989) uit mannen en vrouwen, die doelbewust de weg van de liefde naar binnen gaan en zo Mij, Christus, de enige herder, navolgen. Niet allen van hen zullen in de volgende generaties weer incarneren, maar velen zullen leven in de geest van de liefde en in de geest werken voor het grote geheel en voor het vredeswerk van Jezus Christus.

    O erkent, jullie, die in het vredesrijk leven: velen van jullie waren als mensen reeds erbij tijdens de pionierstijd. En menigeen onder jullie heeft als pionier met de pioniers de eenheid in God bewaard en ging samen met hen de weg naar binnen. Daarbij hebben jullie veel menselijks afgelegd, waardoor jullie zielen steeds meer door het licht van de waarheid werden doordrongen. Bij het verlaten van het lichaam namen dan jullie zielen dit licht der waarheid mee naar de hogere lichtsferen. Van daar zijn jullie dan teruggekomen met het licht der waarheid, om in het aardse gewaad in het vredesrijk van Jezus Christus te leven en te werken.
    Het licht van de waarheid straalt nu weer door jullie nieuwe aardse lichamen. Nu vervullen jullie in dit aardse bestaan datgene, wat jullie in vroegere levens hebben verworven: licht uit Mijn licht en kracht uit Mijn kracht - de wet van het leven. Vervuld van de Geest Gods werkt thans de ziel door haar nieuwe aardse gewaad in het vredesrijk van Jezus Christus, waarin Ik de heerser en het leven Ben.

 

HOOFDSTUK 26

De Bergrede

(Deel 2)

 

De eerste stappen op de Innerlijke Weg,
een evolutieproces naar onbaatzuchtigheid (2). Gebed als zelfpresentatie of bezield gebed (4). Ware wijzen rusten in zichzelf en discussiëren niet (5). Over het onzevader (6). Vergeven en om vergeving vragen; gerechtigheid en genade Gods (7-9). De aardse dood - Het bewustzijn van de ziel daarna - De rouwenden - Herhaalde incarnatie - Bindingen tussen mensen en zielen - Juiste instelling (10-11). Schatten verzamelen - Einde der incarnaties in de Nieuwe Tijd (12-14). Bezorgd zijn om jezelf, plannen maken in vertrouwen op God - Het juiste bidden en werken –Al het Zijn staat onder Gods hoede (15-18)

 

    1. »Zie erop toe, dat je je aalmoezen niet voor het aangezicht van de mensen geeft, om door hen gezien te worden. Anders heb je geen loon bij je Vader in de hemel. Als je aalmoezen geeft, bazuin het dan niet uit, zoals de huichelaars het doen in de synagogen en op de straten, om door de mensen geprezen te worden. Waarlijk, Ik zeg jullie, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
    2. Wanneer je echter aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten, wat je rechterhand doet, zodat je aalmoes in het verborgene blijft; en de Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken. (Hoofdst. 26, 1-2)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De geleefde Bergrede is de Innerlijke Weg naar het hart van God. Wat de mens niet onbaatzuchtig doet, doet hij voor zichzelf. Onbaatzuchtigheid is liefde tot God. Eigenbelang is mensenliefde. Wie aan zijn naaste alleen dan goed doet, als deze hem daarvoor dankt en zijn goede daden roemt, heeft het niet voor zijn naaste gedaan, maar voor zichzelf. Dank en lof zijn dan zijn loon. Daarmee is hij al beloond en zal van God geen loon meer ontvangen. Alleen onbaatzuchtigheid wordt door God beloond. Onbaatzuchtigheid groeit en rijpt slechts in die mens, die de eerste stappen naar het koninkrijk van zijn innerlijk heeft gedaan, dus heeft verwezenlijkt.
    De eerste stap daarheen is de gedachtencontrole: zet in de plaats van egoïstische, negatieve, piekerende of hartstochtelijke gedachten, positieve, hulpvaardige, blije, edele gedachten en gedachten aan het goede in de mens en in alles, wat je ontmoet. Dan zul je geleidelijk je zintuigen onder controle krijgen. Dan zul je ook niets meer begeren van je naaste en niets meer van hem verwachten. Je zult in het verdere verloop van de Innerlijke Weg alleen nog het positieve en het belangrijke spreken. Hierdoor krijg je je menselijke ik onder controle, omdat je geleerd hebt in jezelf te rusten. Dan wordt je ziel steeds lichter en lichter en je vindt in alles, dat op je afkomt, het goede, dat je dan ook op de juiste wijze kunt aan- en uitspreken. Eenmaal dat geleerd, zul je ook het tegenstrijdige op wetmatige wijze aanspreken. Op deze wijze ontwaken in jou oprechtheid en eerlijkheid en je blijft God daarbij in alles trouw.
    Dit geestelijke evolutieproces om tot onbaatzuchtigheid te komen, is de Innerlijke Weg naar het hart van God. Alles, wat je uit onbaatzuchtigheid doet, brengt je talrijke vruchten.
    Wanneer dus je gevoelens zonder verwachtingen zijn en je gedachten edel en goed, dan is in je woorden en daden de kracht uit God. Deze kracht is Mijn levensenergie. Zij gaat in de ziel van je naaste over en maakt, dat je naaste eveneens onbaatzuchtig wordt. Want wat van je lichte ziel uitgaat, dat gaat - vroeg of laat, al naargelang wanneer de naaste zich ervoor opent - ook over in de ziel en in het gemoed van je naaste.
    Wie onbaatzuchtig geeft, vraagt niet, of de naaste ook te weten komt, wat hij heeft gegeven. De onbaatzuchtige geeft! Hij weet, dat God, de eeuwige Vader, in het hart schouwt van al Zijn kinderen en dat de Eeuwige, wiens Geest in ieder mens woont, de onbaatzuchtige dan beloont, wanneer de tijd ervoor gekomen is. Dat alleen is van belang.
    Erken: alle goede, dus onbaatzuchtige werken, worden op het juiste tijdstip openbaar, opdat diegenen het zien, die het moeten zien, om eveneens onbaatzuchtig te worden, door eveneens het leven in Mij aan te nemen en na te streven - en datgene te doen, wat Ik hen heb geboden: elkander onbaatzuchtig lief te hebben, zoals Ik, Christus, hen liefheb.

    3. En als je bidt, doe dan niet zoals de huichelaars, die graag bidden in de synagogen en op de hoek van de straat, opdat zij door de mensen gezien worden. Waarlijk, Ik zeg jullie, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
    4. Maar als je bidt, ga dan naar je kamer en als je de deur hebt gesloten, bid dan tot je hemelse Vader, die in het verborgene is; en de verborgen Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken. (Hoofdst. 26, 3-4)
   

Ik, Christus, verklaar, verbeter
    en verdiep het woord:

    Als je bidt, trek je dan in een stille kamer terug en verzink in je innerlijk, want binnen in jou woont de geest van de Vader, wiens tempel je bent.
    Als je alleen bidt, om gezien te worden, opdat je naasten je voor vroom en gelovig houden, dan zeg Ik je: dat is geen vroomheid, maar schijnheiligheid; het is huichelarij. Zulke veruiterlijkte gebeden zijn zonder kracht. Wie alleen met de lippen bidt of om gezien te worden, zondigt tegen de Heilige Geest, want hij misbruikt heilige woorden voor eigenbelang.
    Erken: wanneer je in het gebed God aanspreekt en in je leven niet waarmaakt, waar je om hebt gebeden, wanneer dus je gebeden slechts een voorstelling zijn van je eigen ik en niet uit de diepte van je ziel komen, noch bezield zijn door de liefde tot God, dan zondig je tegen de Heilige Geest. Dat is de grootste zonde.
    Als je gebeden niet onbaatzuchtig uit het hart stromen, zou het beter zijn, dat je niet zou bidden en dat je je eerst je gedachten en menselijke wensen bewust zou maken en zij geleidelijk aan aan Mij zou geven - opdat de onbaatzuchtige liefde, die in je is, ook in je groeit en je van harte kunt bidden. Dan zullen je gebeden geleidelijk aan bezield en doordrongen zijn van de liefde tot God en tot je naaste.
    »... en de verborgen Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken« betekent: je lichtgedachten en krachtige gebeden, die bezield zijn door de liefde tot God, zullen nog in deze wereld vruchten dragen. Je mag het zaad van je liefde erkennen en ook jij zult door velen gezien worden als een bron van liefde.

    5. En als jullie samen bidden, gebruikt dan geen nietszeggende herhalingen zoals de heidenen het doen, want dezen menen, dat zij verhoord worden, als zij veel woorden gebruiken. Doe daarom niet als zij; want jullie Vader in de hemel weet, wat jullie nodig hebben, nog voordat jullie erom vragen ... (Hoofdst. 26, 5)
   

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Slechts die mens, die uit de wet van de waarheid weinig heeft verwezenlijkt, gebruikt in het gebed en in het dagelijkse leven veel woorden en nietszeggende, onbezielde herhalingen.
    Wie veel spreekt over de wet van de waarheid en van het leven, wie daar dus veel woorden aan besteedt, kan hen niet met kracht en leven vervullen, omdat hij zelf niet vervuld is van Gods wet. Zulke woorden zijn egoïstische en daarom liefdeloze woorden, ook al zijn zij gekozen, als waren zij door de liefde gedragen. Onbezield praten bereikt het binnenste van de ziel van je naaste niet en heeft daardoor ook geen echo in de mens, die Gods liefde in en door zich laat werken. Wie onbezield over de wet van de waarheid en het leven spreekt, zonder deze echter te verwezenlijken, zet een mens, die dit hoort en die eveneens nog naar het uiterlijke georiënteerd is, slechts aan tot discussiëren.
    Erken: wie discussiëert over geestelijke wetmatigheden, kent de wetten van God niet. Ieder, die wil discussiëren, is ervan overtuigd, dat hij het beter weet dan zijn naaste en wil dit voor zichzelf bevestigen. Wie discussiëert, geeft slechts getuigenis van zichzelf, namelijk: dat hij niets weet en onzeker is. Daarom discussiëert hij.
    Wie echter de waarheid heeft gevonden, discussiëert niet over de waarheid, ook niet over wat geloof is. Het woord "geloof" bevat ook onwetendheid: wat de mens tenslotte niet weet of niet kan bewijzen, dat gelooft hij. Wie in de waarheid gelooft, heeft de eeuwige waarheid nog niet gevonden. Hij beweegt zich ook nog niet in de stroom van de eeuwige waarheid. Geloof is dus nog blindheid.
    Wie echter de eeuwige waarheid heeft gevonden, hoeft niet meer in de waarheid te geloven - hij wéét de waarheid, omdat hij zich in de stroom van de waarheid beweegt. Dat is de ware wijze mens, die in zichzelf de schat, de waarheid, heeft opgegraven. Ware wijzen rusten in zichzelf. Dat is innerlijke zekerheid en standvastigheid. Zij discussiëren niet over het geloof, omdat zij van geloof tot wijsheid, die waarheid is, zijn gekomen.
    Wie dus slechts gelooft in God, zonder de diepte van de eeuwige waarheid, de eeuwige wet, te kennen, gebruikt veel woorden over zijn geloof.
    Ook met zijn gebeden zal hij het zo doen: hij gebruikt veel woorden, omdat hij zijn woorden niet bezielt met onbaatzuchtige liefde. Hij meent, met veel woorden God te kunnen overtuigen of Hem zelfs te kunnen overreden. Hij meent, dat hij zich voor God verstaanbaar moet maken, omdat hij aanneemt, dat God zijn gebeden ánders zou kunnen opvatten, dan hij heeft bedoeld. Zo denken en bidden ook de heidenen.
    Erken: hoe dieper de mens in de goddelijke waarheid binnendringt, des te minder woorden zal hij ook in het gebed gebruiken. Zijn gebeden zijn kort, maar krachtig, omdat het woord geleefde kracht uitstraalt.

    ... Daarom zullen jullie, als jullie samen zijn, aldus bidden:
    6. Onze Vader, die in de hemel is, geheiligd zij Jouw naam. Jouw rijk kome. Jouw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons dag na dag ons dagelijks brood en de vrucht van de levende wijnstok. En zoals Jij ons onze zonden vergeeft, mogen wij zo ook de zonden van anderen vergeven. Verlaat ons niet in de bekoring. Verlos ons van het kwade. Want van Jou is het rijk en de kracht en de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. (Hoofdst. 26, 5-6)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het gemeenschapsgebed, het onzevader, wordt met verschillende woorden en inhouden gebeden, omdat elke gemeenschap het zo bidt als het overeenstemt met het liefdepotentieel.
    Als Jezus van Nazareth leerde Ik het gemeenschapsgebed, het onzevader, in Mijn moedertaal, dus met andere woorden en dus ook met een andere inhoud, dan het in latere tijden en andere talen werd gebeden.
    De woorden als zodanig zijn onbelangrijk. Belangrijk is, dat de mens verwezenlijkt, wat hij bidt! Dan is ieder woord, dat uit zijn mond komt, bezield met liefde, kracht en wijsheid.
    Je moet niet naar de letter bidden of ernaar streven, het onzevader, dat Ik de Mijnen heb geleerd, letterlijk te bidden. Belangrijk is, dat je de woorden van je gebeden bezielt met de liefde tot de Eeuwige en tot je naaste en dat de inhoud van je gebeden overeenkomt met je leven.
    Mensen, die vervuld zijn van de eeuwige waarheid, de liefde en wijsheid van God, zullen weer anders bidden dan zij, die slechts bidden, omdat het hen zo werd geleerd of omdat zij tot een bepaalde godsdienst behoren, waarin de gebeden overeenkomstig het bewustzijn van die religie worden gesproken.
    Mensen die op weg zijn naar hun goddelijke oorsprong, bidden vrij, dat wil zeggen, met zelfgekozen woorden, die bezield zijn door liefde en kracht.
    Mensen, die in Mijn Geest leven, die doordrongen zijn van Gods liefde en wijsheid, die dus de wetten van God in hun dagelijkse leven verwezenlijken, zullen vooral God voor hun leven en voor alles danken, Hem loven en prijzen en hun leven steeds meer aan Hem wijden - in gevoelens, gedachten, woorden en werken -, omdat zij leven uit Zijn leven zijn geworden.
    Mensen in de Geest van de Heer leven het gebed. Dat wil zeggen, zij vervullen steeds meer de wetten van de Eeuwige en zijn zelf gebed geworden, dat een aanbidding is van God.

    Wie dus Gods wil vervult, leeft steeds meer in de aanbidding van God. Zulke mensen houden zich niet alleen aan de wetten van God, maar zijn grotendeels de wet van liefde en wijsheid geworden.

    In het langzaam groeiende vredesrijk van Jezus Christus, waarin Ik de heerser en het leven Ben, zullen de mensen zich steeds meer aan de wet van God houden. Velen van hen zijn tot wet geworden - en zo tot Godmensen, die het leven, God, belichamen in alles, wat zij denken, spreken en doen. Hun gebeden zijn het leven in Mij, de vervulling van de eeuwige wet. Met hun leven, dat de wet van God is, danken zij God voor het leven.

    De dank aan God is dus het leven in God. Hun leven, dat één grote dankzegging is, stroomt het vredesrijk binnen.
    Zij bidden met gebedswoorden van de volgende strekking, die zij in het dagelijkse leven vervullen:

    Onze Vader, Jouw Geest is in ons,
    en wij zijn in Jouw Geest.
    Geheiligd is Jouw eeuwige naam in ons
    en door ons.
    Jij bent de Geest van het leven,
    Jij bent onze Vader Oer.
    Uit Jou dragen wij onze eeuwige namen.   
    Jij, Eeuwige, hebt hen ons gegeven
    en in onze namen heb Je de gehele overvloed   
    van de oneindigheid gelegd.
    Onze namen, die Jij ons hebt ingeademd,
    zijn liefde en wijsheid -
    overvloed uit Jou,   
    de wet in ons en door ons.
    Ons eeuwige rijk is de oneindigheid -
    de kracht en de heerlijkheid in en uit Jou.   
    Wij zijn erfgenamen van het eeuwige rijk.
    Daarom zijn wij het rijk zelf,
    het eeuwige tehuis.   
    Het is in ons en werkt door ons.
    Jouw oneindige, heerlijke wil is in ons
    en werkt door ons.
    Jouw wilskracht is de sterkte van onze wil.
    Zij werkt in ons en door ons,
    want wij zijn geest uit Jouw Geest.
    De hemel is geen ruimte en tijd -
    hemel en aarde zijn één,
    omdat wij in Jou verenigd zijn.
    De liefde en de kracht in ons en door ons
    zijn ons dagelijks brood.
    Jij, o eeuwige, heerlijke Vader,
    hebt alles in ons voortgebracht,
    wat in de oneindigheid vibreert.
    Jij schept door ons in de hemel
    en op aarde.
    Wij zijn in Jou en Jij heerst in ons   
    en door ons.
    Wij zijn vervuld in Jouw Geest,
    omdat wij geest zijn uit Jouw Geest.
    Wij zijn rijk in Jou,
    omdat wij ons erfdeel, de oneindigheid uit Jou, leven.
    Ons eeuwige erfdeel, geest uit Jouw Geest,
    brengt datgene voor ons voort,
    dat wij als mensen in het vredesrijk
    nodig hebben.
    Wij leven in Jou en uit Jou.
    Leven stroomt en schenkt zichzelf.
    Wij leven in de overvloed uit God,
    omdat wij zelf overvloed zijn.
    De aarde is de hemel
    en het vredesrijk de rijkdom van de aarde,
    waarin wij leven en zijn -
    geest uit Jouw Geest.
    Wij leven in het innerlijke rijk -
    en zijn toch mensen, die in het uiterlijke belichamen,
    wat in het innerlijk straalt.
    De naam van de Heer zij geprezen,
    Hij is leven, in en door ons.
    De naam van God is de geleefde wet van liefde
    en vrijheid.   
    De zonde is getransformeerd -
    het licht is ingekeerd.
    Wij leven uit Zijn licht
    en leven in en uit Zijn Geest,
    omdat wij geest zijn uit Zijn Geest.
    In God is alles weer goedgemaakt.
    Zijn naam heeft alles gezuiverd.
    Gods heerlijkheid zij geprezen!
    Gods wil, liefde en wijsheid
    doordringen de aarde en het land.
    Wij zelf zijn aarde en land -
    wil, liefde en wijsheid.
    In ons is Gods goedheid - het goede uit God.
    Wij zijn in God en handelen uit God.
    De aarde is van de Heer -
    zij is het rijk van de liefde.
    Het werkt in ons en door ons.   
    Het leven, de heerlijkheid van de Vader,   
    werkt in ons en door ons -
    van eeuwigheid tot eeuwigheid.

    Inhoudelijk is deze lofprijzing het leven van diegenen, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven. Zij leven in Mij, Christus, en Ik leef door hen; en samen leven wij in de Vader-Moeder-God en de Vader leeft door ons van eeuwigheid tot eeuwigheid.

    7. Want wanneer je mensen hun schuld vergeeft, zal je hemelse Vader jou ook vergeven. Als je echter de mensen hun schuld niet vergeeft, zal ook je Vader in de hemel jouw schuld niet vergeven.
    8. Ook wanneer je vast, zie er dan niet terneergeslagen uit zoals de huichelaars. Want zij vertrekken hun gezicht, om er als mensen uit te zien, die vasten. Waarlijk, Ik zeg je, zij hebben hun loon reeds ontvangen.
    9. En Ik zeg je, je zult nooit het hemelrijk vinden, tenzij je je hoedt voor de wereld en haar boze aard. En je zult nooit de Vader in de hemel zien, tenzij je de Sabbath houdt en afziet van je ijver om rijkdommen te verzamelen. Als je echter vast, zalf dan je hoofd en was je aangezicht, opdat je niet voor de mensen te koop loopt met je vasten. En de heilige Ene, die in het verborgene ziet, zal je openlijk erkenning schenken. (Hoofdst. 26, 7-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het gebod, te vergeven en om vergeving te vragen, geldt zolang, tot alles uitgeboet en in het reine gebracht is, wat niet overeenstemt met de eeuwige wetten. Het gebod, te vergeven en om vergeving te vragen, behoort tot de wet van zaad en oogst. Het is dan opgeheven, als al het menselijke is uitgeboet en iedere ziel een rein, vlekkeloos geestwezen is geworden.
    Tot dan geldt dus het gebod: vergeef en je zult vergeving ontvangen. Als je om vergeving vraagt en je naaste je vergeeft, dan heeft ook je Vader in de hemel je vergeven. Maar als je om vergeving vraagt en je naaste vergeeft je nog niet, omdat hij daartoe nog niet bereid is, dan zal ook je eeuwige Vader jou niet vergeven. Wie zich aan zijn naaste heeft bezondigd, moet ook van zijn naaste vergeving ontvangen. Pas dan neemt God de zonde weg.
    De eeuwig rechtvaardige heeft al Zijn kinderen lief - ook degenen, die nog niet de kracht hebben om te vergeven. Zou Hij alleen degene vergeven, die aanleiding heeft gegeven tot een zonde en diegene niet vergeven, die door de ander tot een zonde werd verleid en nog niet kan vergeven - waar zou dan de gerechtigheid van God zijn? Beiden kunnen pas dan de hemel binnengaan, als hun zonden zijn uitgeboet.
    Let er daarom op, wat er van je mond uitgaat en let op je daden, of zij overeenstemmen met de eeuwige wet, dus onbaatzuchtig zijn! Zeer snel is iets tegenstrijdigs uitgesproken of gedaan - doch lang kan het duren, voor het vergeven is.
    Als je om vergeving hebt gevraagd en je naaste nog niet bereid is je te vergeven, dan zal Gods genade zich in je versterken, je omhullen en dragen - Hij zal echter niet van je afnemen, wat nog niet in het reine is gebracht. Gods barmhartigheid zal zich dan ook in je naaste versterken en hem, met inachtneming van zijn vrije wil, zo leiden, dat hij zijn fouten sneller inziet, berouwt en je vergeeft. Pas als al diegenen je vergeven hebben, tegen wie je gezondigd hebt - als alles dus weer is goedgemaakt -, dan pas kun je de hemel binnengaan, omdat God dan al het menselijke in goddelijke kracht heeft omgezet.
    God is alomtegenwoordig. Zo is Hij ook werkzaam in de wet van zaad en oogst. Ook in al het negatieve is het positieve, God, de eeuwige wet. Wanneer de mens zijn zonden en fouten inziet en berouw heeft, worden de positieve krachten daarin actief en moedigen de mens, die tot inzicht van zijn schuld is gekomen, aan, om zijn zonden met de kracht van Christus in het reine te brengen.
    Erken: de wet van God; zij is eeuwig leven van eeuwigheid tot eeuwigheid - alles in alles: alles is in alles besloten, het kleinste in het grote en het grote in het kleinste, in de zonde de kracht tot vergeving en in de kracht, die door de vergeving vrijkomt, de verheffing naar het innerlijke leven, het eeuwige Zijn.
    Daarom kan ook in het negatieve het Goddelijke werken - dan, als de mens van harte om vergeving vraagt, vergeeft en niet meer zondigt. De mens moet echter de eerste stap zetten naar het innerlijke leven.
    Erken: alles wat je doet - of je nu bidt, vast of aalmoezen uitdeelt -, als je het niet onbaatzuchtig doet, maar om door je medemensen te worden gezien, dan heb je het loon al van de mensen ontvangen. God zal je dan niet belonen. En als je alleen vast vanwege je lichaamsomvang, zul je de Geest van je Vader niet in je vermeerderen. Wie echter de voeding in naam van de Allerhoogste tot zich neemt, matig is en van tijd tot tijd vast, om zijn lichaam te ontspannen en te ontslakken, opdat Gods kracht alle cellen en organen op de juiste wijze kan verzorgen, oefent zich ook oprecht, het leven uit God aan- en op te nemen, om daarin te leven. En hij zal tegelijkertijd zijn leven aan God, de Eeuwige, in gebed wijden, om zo geleidelijk het geleefde gebed te worden.

    10. Evenzo moeten jullie doen, als jullie om de doden weeklagen en rouwen, want jullie verlies is hun winst. Handelt niet zoals degenen, die voor het aangezicht van de mensen rouwen en luid weeklagen en hun kleren verscheuren, opdat de anderen hun rouw zouden zien. Want alle zielen staan in Gods hand en al diegenen, die goed hebben gedaan, zullen met hun voorvaderen rusten in de schoot van de Eeuwige.
    11. Bidt liever voor hun rust en hun verheffing en bedenkt, dat zij in het land van rust zijn, dat de Eeuwige voor hen heeft bereid en een rechtvaardig loon voor hun daden zullen ontvangen, en mort niet zoals de hopelozen. (Hoofdst. 26, 10-11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie de doden betreurt, is nog ver van het eeuwige leven verwijderd, omdat hij de dood ziet als het einde van het leven. Hij heeft de opstanding in Mij, Christus, nog niet bereikt. Hij behoort tot de geestelijk doden.
    Treurt niet over jullie doden! Want wie het verlies van een mens betreurt, denkt niet aan de winst van de ziel, die - voor zover zij in Mij, Christus, heeft geleefd - hogere bewustzijnsgebieden van het leven ingaat. Want als hun leven tijdens het aardse bestaan in God was, zal het ook in een andere bestaansvorm in God zijn.
    Erkent: het tijdelijke, het leven in het lichaam, is niet het leven van de ziel. De ziel heeft slechts voor korte tijd een lichaam aangenomen, om in het tijdelijke datgene in het reine te brengen en af te lossen, wat zij zich in verschillende incarnaties heeft opgelegd. De aarde is slechts te beschouwen als doorgangsstation, waar de zielen in het aardse lichaam in korte tijd datgene in het reine kunnen brengen, wat zij aan gene zijde van de bewustzijnssluiers - ook nevelwanden genaamd - niet zo snel kunnen volbrengen.
    Wanneer een ziel haar aardse lichaam verlaat, beweent de mens slechts het kleed van de ziel en denkt daarbij niet aan de ziel, die het kleed heeft verlaten.
    Een lichtende ziel wordt na het afleggen van haar aardse lichaam door lichtende, voor de mens onzichtbare wezens, naar dat bewustzijnsgebied geleid, dat overeenstemt met het denken en leven van de mens, waarin de ziel was geïncarneerd.
    Erkent: iedere ziel, die het lichaam heeft verlaten, wordt nog enige tijd naar de mensen getrokken, waarmee zij als mens heeft samengeleefd. Wanneer zij moet ervaren, dat haar voormalige aardse verwanten om haar omhulsel treuren, dan is dat voor de ziel zeer pijnlijk. De ziel, die nog dicht bij de aarde is, beseft heel goed, waarom haar familieleden alleen om haar aardse omhulsel treuren en waarom zij als ziel van de rouwenden geen aandacht krijgt. Een ziel, die dit moet erkennen, ondervindt daarbij na het afleggen van het fysieke lichaam de eerste diepe zielepijn; want zij ervaart, waarom de mens treurt en haar niet in liefde en verbondenheid gedenkt. Zij ziet daarbij menige egoïstische gedachte van haar vroegere aardse familieleden. Zij kan zich niet aan hen kenbaar maken, omdat zij niet door hen wordt waargenomen. Wat zij zegt, hoort de mens niet en wat zij schouwt, ziet hij niet. De ziel neemt echter veel waar.
    Ik zet jullie aan tot nadenken: treuren jullie als de slang vervelt, als zij haar huid achterlaat en verder kruipt?
    Zo is het ook met de ziel. Zij verlaat haar vergankelijke lichaam, haar omhulsel, en gaat verder. Je treurt dus om het verlies van het omhulsel en gedenkt niet de ziel! Wie de ziel gedenkt, dankt God, Die de ziel terugriep in Zijn schoot, voor zover deze in het aardse lichaam het leven in God heeft benut en daardoor dichter bij Hem kwam. Denk eraan, dat voor een stralende ziel het afleggen van het lichaam een winst is.
    En: wanneer je slechts voor de mensen rouwt om het verlies van de mens, is het niets dan huichelarij. In werkelijkheid gedenk je noch de mens, noch de ziel. Je denkt alleen aan jezelf. De ziel, die dit registreert, ziet, dat zij niet onbaatzuchtig werd bemind, dat zij er mogelijk alleen was voor het eigenbelang van haar medemensen.
    Veel zielen moeten inzien, dat zij in hun aardse gewaad door hun aardse familieleden en kennissen werden geleefd. Dat wil zeggen, dat zij zich als mens niet konden ontplooien en hun wezenskenmerken niet konden uitleven, omdat zij de wil moesten doen van anderen, die datgene van hen verlangden, wat voor henzelf van voordeel was. Veel van deze zielen zien, wat zij allemaal op aarde hebben verzuimd en keren daarom ook weer in het aardse bestaan terug. Zij gaan weer door de bewustzijnssluiers naar de aarde en vertoeven als ziel weer onder diegenen, die door hen hebben geleefd. Weer anderen trachten op aarde dat te leven, wat zij voordien als mens niet konden ontwikkelen.
    Zolang mensen gebonden zijn aan mensen of dingen - zoals bezit, rijkdom en macht - keren hun zielen weer terug naar de aarde en glippen weer in nieuwe aardse lichamen. Er bestaan talrijke oorzaken en beweegredenen, waarom zielen weer incarneren. Wanneer een ziel bijvoorbeeld erkent, dat zij door zonden aan haar familieleden is geketend, dan berust zij vaak en laat de wens toe, weer een nieuw lichaam aan te nemen. Bezield door deze wens, leeft zij dan in het bewustzijnsgebied, dat overeenkomt met haar zielentoestand en wordt daar onderwezen. Haar wordt onder andere het vóór en tegen van een nieuwe incarnatie duidelijk gemaakt. Zij gaat dan weer ter incarnatie, als de hemellichamen, waarin haar vóór en tegen is opgeslagen - en daarmee ook haar aardse weg -, haar de weg naar de materie wijzen en als op aarde een lichaam is verwekt, dat overeenkomt met haar geestelijke bewustzijnstoestand. In dit menselijke omhulsel glijdt zij dan bij de geboorte binnen.
    De man, die het lichaam verwekte en de vrouw, in wie het embryo groeide, trokken die ziel aan, waarmee zij samen nog iets in het reine te brengen hadden - of om samen met haar, in onbaatzuchtige dienst voor hun naasten, de weg van de Heer te bewandelen.

    Laat de mens niet alleen naar zijn lichaam kijken, maar vooral naar het geïncarneerde wezen in hem en ernaar streven, de wil van God te doen en zich niet de menselijke wil van derden te laten opdringen.
    Erken: ook als je zegt: »Ik doe de wil van mijn naaste om de uiterlijke vrede te bewaren«, verhinder je je eigen ziel en ook die van je naaste, zich zo te ontwikkelen en te ontplooien, zoals het voor beiden goed is. Je belet jezelf en je naaste die taken te vervullen, die jullie zielen hebben meegebracht naar hun aardse bestaan: zich te reinigen en zich te bevrijden van de last van de zonde, die eventueel nog uit vorige incarnaties werden meegebracht in deze incarnatie. Wie zich door zijn medemensen laat ringeloren, wie dus doet, wat anderen zeggen, hoewel hij inziet, dat dit niet zijn weg is, die wordt geleefd en leeft aan zijn eigenlijke aardse bestaan voorbij. Hij benut de dagen niet; hij wordt gebruikt door degenen, aan wie hij horig is en kent daardoor zijn weg als mens over deze aarde niet.
    Wie zijn medemensen bindt, doordat hij hen zijn wil oplegt, is te vergelijken met een vampier, die de energie van zijn medemensen opzuigt. Hij kent zichzelf niet en bindt zich tevens aan zijn slachtoffers - en omgekeerd bindt zich het slachtoffer, dat zich laat uitzuigen, ook aan hem. In één van de levens, op aarde, of als zielen in de gebieden aan gene zijde, worden beiden weer samengeleid - en dat zo vaak en zo lang, tot de één de ander heeft vergeven.
    Als twee mensen zich aan elkaar binden - ongeacht, of men gebonden heeft of zich liet binden-, dan hebben beiden zich belast en beiden moeten met elkaar in het reine komen, opdat tussen hen de liefde en de eenheid weer kunnen worden hersteld.
    Niemand kan zeggen: »Ik wist niets van de wetten van het leven.« Ik zeg jullie: Mozes heeft jullie de essentie uit de eeuwige wetten gebracht, de Tien Geboden. En als jullie je daaraan houden, zullen jullie je niet aan elkaar binden, maar in vrede met elkaar leven.
    Erken: enkel de liefde en de eenheid onder elkaar tonen ziel en mens de weg tot het hogere leven.
    God, de eeuwig goedertierene, reikt iedere ziel en ieder mens Zijn hand. Wie deze aanneemt, benut zijn aardse leven. Hij waardeert de dagen en vermag deze ook overeenkomstig de geboden te leven, door datgene in het reine te brengen, wat de dag hem laat zien. Eens zal hij als ziel in God vertoeven en rusten met al diegenen, die hun aardse bestaan eveneens hebben benut, doordat zij dagelijks datgene hebben ingezien en met Mij, Christus, hebben overwonnen, wat de dag hen heeft gebracht en getoond - blijdschap en verdriet.
    En als je niet omwille van jezelf treurt om het sterfelijke omhulsel, dat je naaste heeft afgelegd, maar je in de geest verheugt, dat de ziel in het aardse lichaam haar geestelijke leven heeft erkend en zich daarop heeft voorbereid, dan zul je via Mij, Christus, blij tot de Vader voor je naaste bidden. Je zult de ziel, die nu dichter bij God is, krachten van liefde zenden, opdat zij verder moge gaan naar hogere sferen, om zich steeds meer met God te verenigen.
    De ziel voelt de blijdschap en het verdriet van haar familieleden. De zielen, die in Mij, Christus, zijn ontslapen, voelen zich door Mij, Christus, verbonden met allen, die nog in het aardse gewaad zijn. De blijdschap van de ziel, dat haar verwanten haar in liefde gedenken, vervult haar met kracht.
    Erken: onbaatzuchtige, liefhebbende gebeden schenken de vertrekkende ziel kracht en sterkte op haar weg naar het Goddelijke. In jouw onbaatzuchtige gebed voelt zij de verbondenheid en ontvangt meer kracht. Daardoor zal zij de nog aan haar hechtende menselijkheid sneller afleggen en zo vrij worden voor Degene, die vrijheid en liefde is - God, het leven. Groot is Gods loon voor elke ziel, die er ernstig naar streeft, Zijn wil te vervullen.
    Erken: slechts diegene is zonder hoop, die alleen spreekt over zijn geloof en niet leeft, waaraan hij schijnbaar gelooft. Uiteindelijk gelooft de twijfelaar zelf niet, wat hij beweert te geloven. Daaruit ontwikkelt zich de hopeloosheid.

    12. Je zult ook niet voor jezelf op aarde schatten verzamelen, die de motten en de roest verteren en die dieven opgraven en stelen. Verzamel echter schatten in de hemel, waar zij noch door motten, noch door roest worden verteerd en waar de dieven graven noch stelen. Want waar je schat is, daar is ook je hart.
    13. De lichten van het lichaam zijn de ogen. Als je dus helder kijkt, zal je hele lichaam vol licht zijn. Mis je echter je ogen of zijn deze vertroebeld, dan zal je hele lichaam donker zijn. Als nu het licht, dat in jou is, duisternis is, hoe groot zal dan de duisternis zijn!
    14. Niemand kan twee heren dienen. Of hij zal de één haten en de ander liefhebben; of hij zal de één trouw blijven en de ander verachten. Je kunt niet tegelijk God dienen en de mammon. (Hoofdst. 26, 12-14)
   

Ik, Christus, verklaar, verbeter
   en verdiep het woord:

    Slechts die mens verzamelt schatten op aarde, die niet gelooft in God, in Zijn liefde, wijsheid en goedheid. Veel mensen beweren in God te geloven; aan hun werken echter zul je hen herkennen! Veel mensen spreken over de liefde en de werken Gods - slechts aan hun daden zul je hen herkennen.
    Veel mensen spreken over het innerlijke rijk en over de innerlijke rijkdom en toch verzamelen zij voor zichzelf in hun schuren en vergaren voor zichzelf aardse rijkdommen, om in aanzien te staan bij de mensen.
    Wie alleen bedacht is op zijn persoonlijke welzijn, bespeurt de roofvogel nog niet, die zijn vleugels al heeft gespreid om het nest te vernietigen en de rijkdom weg te halen, die de rijke, de bouwer van het nest, zijn persoonlijk eigendom noemt.
    Wie echter eerst naar het rijk Gods streeft, verzamelt innerlijke waarden, innerlijke schatten. Hij zal ook in het tijdelijke alles ontvangen, wat hij nodig heeft en meer dan dat.
    Wie in zijn innerlijk rijk is, zal in het uiterlijke geen gebrek lijden. Maar wie in het uiterlijke rijk is en rijkdom vergaart, zal eens gebrek lijden. Wie op aarde schatten verzamelt, zullen ze worden ontnomen, opdat hij zich moge bezinnen op de schat van het innerlijk, en het leven, de innerlijke rijkdom, vermag binnen te gaan
    Het zal de ziel zolang aan goddelijk licht ontbreken, tot zij in de eerste plaats naar het rijk Gods streeft. En zolang het nog op aarde mogelijk is, zal de lichtarme ziel weer in een lichtarm lichaam geboren worden en eventueel in armoede onder de armen leven. Het inzicht zal komen, dat de schat, de rijkdom, enkel in God is.
    Wiens hart bij God is, zal rijk zijn aan innerlijke waarden en het rijk van de vrede binnengaan.
    Ik, Christus, geef je een maatstaf, opdat je mag erkennen, waar je staat - in het licht of in de schaduw: »Want waar je schat is, daar is ook je hart«, daar zal ooit je ziel zijn.
    Bedenk: wie deze woorden leest en in de omwenteling staat van de oude naar de Nieuwe Tijd, doet er goed aan zich te haasten, opdat hij zijn geestelijke leven nog vindt! Want als de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus, op de hele aarde openbaar is en het innerlijke leven wordt geleefd, zijn er geen incarnaties meer voor diegenen, die streven naar uiterlijke waarden. Evenmin zullen er dan incarnaties zijn voor de aardse rijken, om als de armste onder de armen dat weer goed te maken, wat zij als rijken hebben verzuimd.
    Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus verdere evolutiestappen heeft gezet, zal er geen arm en rijk meer bestaan. Alle mensen zijn dan rijk in Mijn Geest, omdat zij het innerlijke rijk hebben ontsloten. Dienovereenkomstig zullen zij ook op de nieuwe aarde leven, onder een andere hemel.
    Wees daarom bereid, God te dienen en uit liefde tot God ook je medemensen.
    Erken: niemand kan twee heren dienen, God en de mammon. Alleen de onbaatzuchtige liefde verenigt alle mensen en volkeren. De mens op aarde en de zielen in de reinigingsgebieden - beiden zullen eens voor de keuze worden gesteld: God of de mammon te dienen, vóór God of tegen God te zijn. Daartussen is niets: vóór God - of voor het satanische.

    15. »Daarom zeg Ik je: wees niet bezorgd voor je leven, wat je zult eten en drinken; ook niet voor je lichaam, waarmee je je zult kleden. Is het leven niet méér dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding? En wat baat het een mens, als hij de hele wereld zou bezitten, maar zijn leven zou verliezen?
    16. Ziet de vogels in de lucht: zij zaaien niet en oogsten niet, noch verzamelen zij in schuren en jullie hemelse Vader voedt hen toch. Zijn jullie dan niet veel beter beschermd dan zij? Wie van jullie zou aan zijn lengte ook maar één el kunnen toevoegen, als hij dat wilde? En waarom hebben jullie zoveel zorgen over jullie kleding? Ziet de leliën op het veld, hoe zij groeien; zij werken niet en spinnen niet. En toch, Ik zeg jullie, Salomon in al zijn pracht en heerlijkheid was niet zo getooid als zij.
    17. Waarom zou God, die het gras op het veld kleedt, dat toch vandaag groeit en morgen in de oven wordt verbrand, jullie niet veel beter kleden, kleingelovigen?
    18. Weest daarom niet bezorgd en vraagt niet: wat zullen wij eten? Wat zullen wij drinken? Of: waarmee zullen wij ons kleden? (Zoals de heidenen doen.) Want jullie hemelse Vader weet, dat jullie dit allemaal nodig hebben. Streef eerst naar het rijk Gods en naar Zijn gerechtigheid, dan zal dit alles je deel zijn. Daarom, maak je geen zorgen om de narigheid van morgen. Het is genoeg, dat iedere dag zijn eigen narigheid heeft.« (Hoofdst. 26, 15-18)

Ik, Christus verklaar, verbeter
   en verdiep het woord:

    Wie zich om zijn persoonlijke leven, om zijn welzijn, zorgen maakt - wat hij bijvoorbeeld morgen zal eten en drinken of waarmee hij zich zal kleden - is een slechte plannenmaker; immers hij denkt daarbij alleen aan zichzelf, aan zijn eigen welzijn en bezit. Hij neemt daarmee tegelijkertijd zijn ach en wee in het plan op.
    Wie daarentegen de wil van God vervult, is een goede plannenmaker. Hij zal zowel de dagen alsook de toekomst plannen. Maar hij weet, dat zijn plan alleen een voornemen is, die in Gods hand rust.
    Hij legt zijn plan in Gods hand, werkt met Gods krachten en laat zich in het dagelijkse gebeuren door God leiden. Want hij weet: God is de alwetende Geest en de rijkdom van zijn ziel. Wie zich aan God toevertrouwt, zijn dagelijkse werk in Zijn licht plaatst en de wet "bid en werk" vervult, zal het rechtvaardige loon ontvangen. Hij zal alles bezitten wat hij nodig heeft.
    Wanneer God, de Eeuwige, de natuur tooit en de lelies van het veld kleedt, hoeveel beter zal Hij dan niet Zijn kind voeden en kleden, dat Zijn wil vervult! Heb dus geen zorgen over morgen, maar maak een plan en leg je plan in Gods wil - en God, die je plan kent, zal dát vervullen, wat goed voor je is.
    Ik geef een voorbeeld: een goede architect zal zorgvuldig een plan maken voor het huis en aan alle details denken. Wanneer hij zijn plan klaar heeft, zal hij het nogmaals nalopen en het dan aan de opdrachtgever ter goedkeuring voorleggen. Als deze accoord gaat met zijn plan, zullen de ambachtslieden volgens het plan werken. De architect en de opdrachtgever zullen toezicht houden op de uitvoering en alleen dan ingrijpen, als iets niet met het plan overeenstemt.
    Zo zou je het ook met je leven moeten doen: maak voor iedere dag een plan, een goed plan! Houd ook tijd vrij voor bezinning, waarin je tot innerlijke rust komt en je leven en je plan steeds weer kunt overdenken. Een zorgvuldige dagplanning, die in de wil van God werd gelegd, zal God ook met Zijn wil doordringen. Wie zijn plan zo uitvoert, hoeft zich over morgen geen zorgen te maken. Zijn geloof in Gods leiding zijn de positieve gedachten; daaruit ontstaan positieve woorden en wetmatig handelen. Positieve gedachten, woorden en handelingen zijn de beste werktuigen, want daarin werkt Gods wil. Dat betekent, in iedere positieve gedachte, in ieder onbaatzuchtig woord, in ieder onbaatzuchtig gebaar en iedere daad werkt Gods wil, Zijn Geest. God zal degene, die een goed plan maakt alles geven, wat hij nodig heeft, en meer dan dat.
    Slechts diegene maakt zich zorgen om morgen, die zich niet aan God toevertrouwt, die de dagen laat verstrijken en ze niet benut. Wie van de ene dag in de andere leeft en dan zijn naaste de schuld geeft, als hem veel mislukt, als hij ziek is, als hij honger heeft, als hij het noodzakelijke voor het dagelijkse leven niet kan verwerven - is geen goede plannenmaker. Hij is een angstig, egoïstisch mens, die dát aantrekt, wat hij niet wil en waarvoor hij bevreesd is. Wie niet met Gods hulp een plan maakt voor de uren, dagen en maanden en zijn plan en zichzelf niet in de wil van God plaatst, kan niet door Hem geleid worden. Alleen degene, die zijn dagwerk aan God toevertrouwt en gewetensvol het gebod "bid en werk" vervult, kan door God worden geleid, die is van Hem vervuld - die is vol liefde, wijsheid en kracht. Dat betekent, zijn bokaal, zijn leven, is vervuld van vertrouwen en geloof in God.
    Mensen in de Geest Gods zullen niets te kort komen. Zij maken goede plannen, zijn sterk in het geloof en werken met de krachten van de geest. Alleen de angstige mens is op zichzelf, op zijn kleine ik, gericht. Hij maakt zich zorgen om morgen, omdat hij niet in God verankerd is en niet aan Gods wijsheid en liefde gelooft. Daarmee opent hij onbewust de schuur voor de dieven, die komen stelen. Wat hij voor zichzelf heeft veroverd en vergaard, zal hij verliezen.
    Uit Gods hand ontvangen de mensen voedsel, onderdak en kleding. Wie zijn leven, zijn denken en zijn werk in Gods hand legt, hoeft zich geen zorgen te maken om morgen. Hij zal bezitten, wat hij vandaag, morgen en in de toekomst nodig heeft - en meer dan dat.
    Wie dus in het innerlijke rijk leeft, zal ook uiterlijk niets te kort komen. Wie echter innerlijk arm is, zal in het uiterlijke gebrek lijden. Als hij nu in het uiterlijke leeft en wereldse rijkdom voor zichzelf vergaart en voor zich persoonlijk houdt, is hij innerlijk arm en zal in een ander leven gebrek lijden, dus arm zijn.
    Streef daarom eerst naar het rijk Gods en zijn gerechtigheid, dan wordt je alles door God gegeven, wat je nodig hebt - en meer dan dat. Zie de vogels in de lucht: zij zaaien en oogsten niet en verzamelen niet in schuren; en toch voedt onze hemelse Vader hen. »Ziet de lelies op het veld, hoe zij groeien; zij werken niet en spinnen ook niet.« De natuur in haar veelsoortigheid is mooier gekleed dan de rijkste onder de rijken. Wie alleen aan zijn eigen welzijn en aan zijn volle schuren denkt, die zal ofwel in dit aardse bestaan of in een andere incarnatie - zolang dat nog mogelijk is - in het zweet zijns aanschijns zijn brood verdienen.
    Juist bidden en werken betekent, dat men voor zichzelf en voor het algemeen welzijn werkt. Erken: de lelies op het veld - ja, de hele natuur - is er voor alle mensen en schenkt zich aan hen op de meest veelvuldige wijze. Wie dit vermag te begrijpen en te waarderen, zal niet in het zweet zijns aanschijns zijn brood hoeven te verdienen. Hij zal de wet "bid en werk" vervullen - voor zichzelf en voor zijn naasten.
    En als er staat geschreven »zij werken niet en spinnen ook niet«, dan betekent dit: de mens moet niet alleen aan zichzelf denken en alleen maar werken, om voor zichzelf winst te maken, om zich daarmee te tooien en te tonen.
    Erken: het hele Zijn staat onder Gods hoede. Dieren, bomen, planten, grassen en stenen staan onder Gods bescherming. Zij staan in het evolutieleven, dat door de eeuwige Scheppergod wordt bestuurd. Omdat al het leven uit God is, voelen ook de dieren, bomen, planten, grassen en stenen. Zij beleven in zichzelf de evolutiekracht van de Schepper, die hen bezielt en hen in de cyclus van de goddelijke aeonen tot verdere ontplooiing leidt. De Schepperkracht, het eeuwige Zijn, schenkt de natuurrijken alles, wat zij nodig hebben. De gaven van het leven stromen naar de levensvormen in die mate, waarin zij geestelijk ontwikkeld zijn.
    De eeuwige Vader gedenkt iedere grasspriet. Hoeveel meer zal de Eeuwige dan Zijn kinderen gedenken, die de evolutiefasen van de mineralen- planten- en dierenrijken al in zich hebben ontwikkeld! De kinderen van God dragen de microkosmos uit de macrokosmos in zich en staan zo met de hele oneindigheid in verbinding.
    Hoe arm is toch de mens, die zich zorgen maakt voor morgen! Hij laat zien, dat hij het gisteren nog niet heeft overwonnen, omdat hij niet in het heden, in het nu, dus in God, vermag te leven.
    Het innerlijk van de mens, het reine Zijn, is het wezen van de oneindigheid. Wie dit als mens begrijpt, schouwt naar binnen en ontwikkelt de wetten van het leven, zodat hij al het uiterlijke in het licht van de waarheid vermag te schouwen.
    Erken: de mens, die alomvattend - dus onbegrensd - denkt en leeft, wordt door de oneindigheid gediend. Mensen in de geest van de liefde zijn niet op zichzelf gericht, maar albewust. Zij staan in voortdurende verbinding met de goddelijke krachten in al het Zijn. Wat zij doen, doen zij van binnenuit met de kracht van de liefde. Zij maken plannen en werken volgens het gebod "bid en werk" en verspillen de dag niet. Zij zijn zich bewust van de kostbaarheid van de dag, de uren en minuten en benutten de tijd.
    Wie dus waarachtig leeft, maakt zich geen zorgen om morgen; hij ontvangt vandaag al, wat hij morgen bezit. Want wie in God leeft, zal vandaag en morgen geen gebrek lijden. Wie echter angstig blijft en zijn have en goed vasthoudt, zal morgen arm zijn.
    Wie zichzelf echter als kosmisch wezen ziet, dat Gods wil ten volle vervult, verwerft wijsheid en kracht. Wie vervuld is van liefde en wijsheid, diens leven is doordrongen van de kracht Gods. Hij zal aan niets gebrek hebben. Wie zich echter zorgen maakt om morgen en de toekomst donker inziet, trekt het kwaad aan; hij zal elke dag zijn last moeten dragen.
    Denk dus niet angstig aan morgen! Maak een plan met Gods kracht - en laat de Eeuwige door jou werken. Dan zijn je gedachten positieve magneten, die weer het positieve en opbouwende aantrekken. Want gedachten, woorden en daden zijn magneten. Overeenkomstig hun aard trekken zij weer hetzelfde of iets gelijksoortigs aan.

HOOFDSTUK 27

De Bergrede

(Deel 3) 

Je negatieve gedachten, woorden en daden zijn je eigen rechters (1).
Splinter en balk - Noodzaak van zelfkennis (2). Missioneren is willen overtuigen - Leef de waarheid en wees een voorbeeld (3). Vragen, zoeken, aankloppen; de innerlijke poort opent zich niet voor het verstand (4). Wat je van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart; verwachtingshouding leidt tot binding (6). De strijd op de smalle weg naar het leven (7). Onderscheid maken tussen goede en slechte vruchten (8-9). Neem het woord des levens met je hart op - »Dit is Mijn woord. Alfa en omega. Het evangelie van Jezus. De Christusopenbaring, die de wereld niet kent «: een werk van leven en liefde (13)

 

    1. Oordeel niet, opdat je niet veroordeeld wordt. Want met hetzelfde recht, waarmee je oordeelt, zul jij beoordeeld worden; en met die maat, waarmee je meet, zul jij weer gemeten worden. En wat je anderen aandoet, zal ook jou worden aangedaan. (Hoofdst. 27, 1)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Je hebt gelezen: gedachten, woorden en handelingen zijn magneten. Wie zijn naaste in gedachten en met woorden be- en veroordeelt, zal zelf dus hetzelfde of iets gelijksoortigs ervaren.
    Erken: je negatieve gedachten, woorden en handelingen zijn je eigen rechters. »Met dezelfde maat waarmee je meet« - in gedachten of in woorden en handelingen -, zul je zelf gemeten worden. Zoals je je naaste afwijst, om jezelf op te waarderen, zul jij worden beoordeeld: je zult je eigen waarde ervaren en ondergaan. En als je zegt: »De één moet tevreden zijn met wat hij heeft - de ander moet meer krijgen«, zal eens slechts evenveel of nog minder bezitten dan degene, die hij minder heeft gegund: zoals je je naaste in denken, spreken en doen bejegent, zo zal het eens jezelf vergaan.

2. Wat zie je de splinter in het oog van je broeder en word de balk in je eigen oog niet gewaar? Of hoe kun je tegen je broeder zeggen: ik wil de splinter uit je oog halen? En zie, in jouw oog is een balk. Jij huichelaar, haal eerst de balk uit je eigen oog, dan pas zie je helder, om de splinter uit het oog van je broeder te kunnen halen. (Hoofdst. 27, 2)
   

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Slechts die mens spreekt steeds over de splinter in het oog van zijn naaste, die de balk in zijn eigen oog niet gewaar wordt. Alleen diegene meent de splinter uit het oog van zijn broeder te moeten halen, die zijn eigen denken en leven niet kent. Wie zichzelf niet kent en ook de balk niet - de zonden van de ziel, die zich in zijn eigen ogen weerspiegelen -, heeft geen blik voor de waarheid. Zijn oog is vertroebeld door de zonde. Hij ziet dan in de naaste alleen datgene, wat hij zelf ook nog is: een zondaar. Slechts wie aan de balk in zijn eigen oog werkt, schouwt steeds duidelijker. Dan kan hij steeds beter de splinter in het oog van zijn broeder waarnemen en hem volgens de wet van de naastenliefde helpen, deze te verwijderen.
    Wie dus negatief spreekt over zijn medemensen, hen afkeurt en kwaad over hen spreekt, kent zijn eigen fouten niet.
    Aan de vruchten zul je hen herkennen! Iedereen laat zelf zien, wie hij is - zijn vrucht dus. Wie zich opwindt over zijn medemensen en hen belachelijk maakt, laat zien, wie hij in werkelijkheid is.
    Wie eerst zijn eigen fouten aflegt, is ook in staat, zijn naaste te helpen. Daarom is iedereen een huichelaar, die afkeurend over de fouten van zijn broeder spreekt - en daarbij de balk in het eigen oog niet bemerkt.

    3. Geeft datgene, wat heilig is, niet aan de honden en gooit jullie paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun voeten vertrappen en zich niet omkeren om jullie te verscheuren. (Hoofdst. 27, 3)
   

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het stemt niet overeen met de eeuwige wet van de vrije wil, dat je met de woorden van de waarheid van stad tot stad, van huis tot huis trekt, je overredings- en overtuigingskunsten aanwendt en iedereen, die je te pakken krijgt, missioneert. Want dat zou betekenen, dat je de waarheid niet heiligt en zo handelt, als het figuurlijk beschreven staat: »Geeft datgene, wat heilig is, niet aan de honden, en gooit jullie paarlen niet voor de zwijnen.« Je moet dus het woord Gods niet aan je naaste opdringen. Wie meent, dat zijn naaste datgene moet geloven en aannemen, waarvan hij meent overtuigd te zijn, heeft zelf nog twijfels en stelt zijn eigen geloof in twijfel.
    Missioneren betekent willen overtuigen. Wie overtuigen wil, is in zijn innerlijk zelf niet overtuigd van datgene, wat hij aanprijst.
    Wees echter een goed voorbeeld in je geloof en geen missionerende. Je kunt je geloofsgoed aanbieden en iedereen vrijlaten, of hij daarin wil geloven of niet, of hij met je mee wil gaan of niet.
    De vrijheid in God is een aspect van de eeuwige wet. Als je naaste uit vrije wil naar je toekomt en je naar je geloof vraagt, dan zet hij de eerste stap naar jou; en wie in het geloof staat, zal dan naar zijn naaste toegaan en hem antwoorden.
    Wie in een goddelijke verbinding staat met zijn naaste, zal hem niet aan zijn eigen geloof binden - maar hem slechts zoveel mededelen als hij zelf heeft ingezien en verwezenlijkt. Slechts diegene wil zijn naaste aan zijn geloof binden, die weinig onbaatzuchtige liefde heeft ontwikkeld.
    Hoed je daarom voor de overijverigen, die je tot hun geloof willen overhalen. Bied de eeuwige waarheid aan in woord en schrift - en leef er zelf naar; dan zullen diegenen op je toekomen, die het leven in zichzelf hebben waargenomen.

    4. Vraag, en je zult verkrijgen; zoek, en je zult vinden. Klop aan, en jou zal worden opengedaan; want eenieder, die vraagt, zal ontvangen en wie zoekt, zal vinden en wie aanklopt, zal worden opengedaan. (Hoofdst. 27, 4)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Slechts die mens vraagt, zoekt en klopt aan de poort van het innerlijke leven, die nog niet zijn innerlijk, het koninkrijk van de liefde, heeft betreden. Het rijk Gods is binnenin de ziel van ieder mens.
    De eerste stap op het pad naar het innerlijke leven, op de weg naar de poort van het heil, is de vraag aan God om hulp en bijstand. De volgende stap is het zoeken naar Gods liefde en gerechtigheid. De zoekende vindt het leven, Gods liefde en gerechtigheid, in de geboden van het leven, die wegwijzers zijn op de weg naar binnen.
    Een volgende stap is het aankloppen aan het eigen hartekamertje, aan de innerlijke poort. Deze poort naar het hart van God opent zich slechts voor diegene, die eerlijk gevraagd, gezocht en aangeklopt heeft. Voor de verstandsmens, die alleen naar uiterlijke waarden en idealen streeft, opent de innerlijke poort zich niet. Ook de twijfelaars zullen niet ontvangen.
    Wie dus vraagt, zoekt en aanklopt, moet dit doen uit liefde tot God en niet, om Gods liefde op de proef te stellen.
    Erken: wie alleen wil controleren, of Gods liefde inderdaad bestaat, zal zeer snel zelf getoetst worden. Voor wie in God leeft, staat de hartepoort open. Hij hoeft niet meer te vragen - hij heeft reeds ontvangen; want God kent Zijn kinderen. Wie ingekeerd is in het hart van God, heeft in zijn ziel reeds ontvangen. Dat wil zeggen: de rijkdom uit God straalt versterkt in zijn ziel en straalt door hem, de mens. Wie in zijn innerlijk is ingekeerd, hoeft niet meer te zoeken - hij is thuis in het koninkrijk van het innerlijk. En wie bewust zijn woning daarin gekozen heeft, hoeft niet meer aan te kloppen; hij is reeds ingekeerd en leeft in God en God door hem.
    Slechts diegenen zullen vragen, zoeken en aankloppen, die nog buiten staan en nog niet weten, dat zij diep in hun ziel datgene dragen, wat hen waarachtig rijk maakt: Gods liefde en wijsheid.

    5. Wie is er onder jullie, die een kind een steen geeft, als het om brood vraagt of een slang, als het om een vis vraagt? Als jullie, die slecht zijn, toch jullie kinderen goede gaven kunnen geven, hoeveel meer zal jullie Vader in de hemel dan goede gaven geven aan hen, die Hem erom vragen?
    6. Wat je ook wilt, dat de mensen voor jou zullen doen, doe zo ook met hen en wat je niet wilt, dat zij jou aandoen, doe dat ook hen niet aan; want dit is de wet en de profeten. (Hoofdst. 27, 5-6)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Erken: verlang niet van je medemensen, wat je zelf niet bereid bent te geven.
    Als je van je naaste iets verwacht, dat hij voor je moet doen, stel jezelf dan de vraag: waarom doe ik het niet zelf? Wie van zijn naaste bijvoorbeeld geld en goed verwacht, opdat hij zelf in zijn gemakzucht niet zou hoeven te werken, of wie van zijn naaste trouw verwacht en zelf niet trouw is, of wie door zijn naaste aan- en opgenomen wil worden, zelf echter zijn medemensen aan- noch opneemt - is egoïstisch en arm in de geest.
    Wat je ook van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart.
    Het is onwetmatig om uit een verwachtingshouding zijn medemensen tot handelingen, uitspraken of gedragingen te dwingen, waartoe zij vanuit zichzelf niet bereid zouden zijn.
    Heb je in je wensen aan je naaste je verwachtingshouding herkend, keer dan snel om en doe eerst zelf, wat je van je naaste verlangt.
    Elke dwang is een druk, die weer dwang en tegendruk opwekt. Door zo’n afpersend gedrag tegenover je medemensen bind je je aan hen en maak je zowel jezelf, alsook degene, die zich liet afpersen, tot slaaf van de lagere natuur. Zulke dwangmethoden als: »Ik verwacht van jou en jij verwacht van mij - ieder geeft de ander, wat deze verlangt« leiden tot binding.
    Wat gebonden is, heeft geen plaats in de hemel. Beiden, die aan elkaar gebonden zijn, zullen elkaar eens weer ontmoeten, in het fijnstoffelijke leven of in latere incarnaties.
    Deze vorm van binding geldt niet op het werk. Heb je je in het beroepsleven vrijwillig in een betrekking gerangschikt en de verantwoordelijke geeft je opdrachten, die je in het kader van je werk moet uitvoeren, dan heb je hiertegen al met je intrede in het bedrijf ja gezegd. Je hebt je vrijwillig in het bedrijf en het bedrijfsteam ingepast, om te doen, wat je wordt opgedragen. Wanneer je dus een bepaalde werkkring kiest, dan moet je ook uitvoeren, wat je in overeenstemming met je zelfgekozen taak wordt opgedragen. De uitspraak »Wat je wilt, dat de mensen jou zullen doen, doe zo ook met hen...« geldt dus niet voor het zelfgekozen beroep of bedrijf.
    »Wat jij niet wilt dat de mensen jou aandoen, doe dat ook hen niet aan« betekent: als je niet wilt, dat men je uitlacht en bespot, dat je belogen en bestolen wordt, dat men je have en goed afneemt, dat je geringeloord wordt of beroofd wordt van je vrije wil, dat je geslagen en uitgescholden wordt, doe dat dan ook niet met je medemensen. Want wat je de geringste van je broeders aandoet, dat doe je Mij aan - en jezelf. Wat jij niet wilt, dat jou geschiedt, doe dat ook je naaste niet - want alles, wat van jou uitgaat, komt weer op jou terug. Controleer daarom je gedachten en houd je tong in toom!

    7. Gaat in door de nauwe poort. Want smal is het pad en nauw is de poort, die naar het leven leidt en het zijn er slechts weinigen, die haar vinden. Maar wijd is de poort en breed de weg, die naar het verderf leidt en er zijn velen, die daarop wandelen. (Hoofdst. 27, 7)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    »... smal is het pad en nauw is de poort, die naar het leven leidt« betekent: in iedereen, die zich inspant, de smalle weg naar het leven te bewandelen, meldt zich de duisterling en toont hem - zoals Mij als Jezus van Nazareth - de schatten en de aangename kanten van deze wereld. Iedere dag opnieuw is het nodig, het satanische te weerstaan en het af te wijzen. Wie niet waakzaam is, wordt hem horig.
    Erken: ieder, die de eerste stappen naar het leven zet, voelt zich eerst beperkt en beknot, tot hij definitief heeft gekozen. Want wat hij tot nu toe aan menselijks gedacht en gedaan heeft, moet hij nu laten.
    De eerste stappen gaan naar het ongewisse - zij heten geloof en vertrouwen. Tot de eerste stappen zijn gezet, is het pad naar het leven smal en nauw. De eerste hindernissen, die op de weg naar het hart van God genomen moeten worden, heten: verander je denken en laat de oude, menselijke gewoonten los! Berouw, vergeef, vraag om vergeving en zondig niet meer! Dat betekent voor ieder persoonlijk een inspanning en een omschakeling van alles, wat bij hem tot dusverre gebruikelijk was.
    Wie echter volhoudt met Mijn kracht, zal het smalle pad verlaten en dan de grote lichtstraat in het rijk van het innerlijk bereiken, waarop hij samen met de zoekenden naar het licht, streeft naar de poort van het Absolute, het leven in God.
    Iedere dag wordt de mens beproefd: vóór of tegen God.
    Wie tegen Mij beslist, doordat hij al het menselijk aangename behoudt en alles, wat hem menselijk maakt, zal op de brede, donkere straat niet in bekoring worden gebracht, omdat hij zich aan de verleider heeft overgegeven. Velen, zeer velen wandelen op deze straat naar het verderf. Zij worden niet beproefd zoals zij, die het smalle pad naar het leven gaan.
    Wie zich heeft overgegeven aan de verleider, zegt daarmee ook onvoorwaardelijk ja tegen datgene, wat hij op grond van zijn zaad heeft te oogsten.

    8. Hoed je voor de valse profeten, die in schaapskleren tot je komen, maar van binnen verscheurende wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Kan men druiven plukken van doornen of vijgen van distels?
    9. Evenzo brengt elke goede boom goede vruchten, een rotte boom echter brengt slechte vruchten. Elke boom, die geen goede vruchten brengt, is alleen nog maar goed, om omgehakt en in het vuur geworpen te worden. Daarom, aan hun vruchten zul je het goede van het slechte onderscheiden. (Hoofdst. 27, 8-9)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Aan het einde van de materialistische dagen, de tijd van de "schraapzucht en de hebzucht" zullen veel valse profeten optreden. Zij zullen veel over de liefde van God spreken - en toch zijn hun werken mensenwerk. Niet hij is een ware profeet en een geestelijk wijze, die over de liefde van God spréékt, maar alleen hij, wiens werken goed zijn.
    De gave dit te toetsen heeft echter slechts diegene, die eerst zijn eigen gezindheid onderzoekt: of hij zelf waarachtig gelooft in het evangelie van de onbaatzuchtige liefde en ook de zin van het evangelie vervult - en wat hij zelf reeds uit onbaatzuchtige liefde aan zijn naaste heeft verwezenlijkt.
    Je kunt pas dan je medemensen herkennen en het onderscheid tussen goed, minder goed en slecht aanvoelen, als je enkele graden van geestelijke rijpheid hebt bereikt.
    Wie zijn naasten nog veroordeelt en negatief over hen denkt en spreekt, kan zijn medemensen niet toetsen. Het ontbreekt hem aan onderscheidingsvermogen. Hij oordeelt alleen - en toetst niet.
    Als je zelf nog een slechte vrucht bent, hoe kun je dan de goede vruchten herkennen? Wie Gods wetten niet verwezenlijkt, ontbreekt het dus aan onderscheidingsvermogen voor wat goed, minder goed en slecht is.
    Wie zijn naaste wil toetsen, moet dus eerst zichzelf onderzoeken, of hij de gave van het onderscheid heeft tussen rechtvaardig en onrechtvaardig.
    Zeer snel kan een goede vrucht worden verworpen en een slechte aangenomen: namelijk dan, als de rotte vrucht met veel gepraat op de voorgrond treedt en met veel schijnbaar overtuigende woorden en gebaren werkt.
    Erken: het gelijke trekt het gelijke aan. Wie zelf nog een rotte vrucht is, staat dichter bij de rotte vruchten dan bij de goede. Wie echter onbaatzuchtig is, is een goede vrucht, hij staat ook dicht bij het goede, het onbaatzuchtige.
    Wie onbaatzuchtig is, heeft ook het vermogen te onderscheiden tussen goede, minder goede en slechte vruchten. Wie dus de goede van de slechte vruchten wil onderscheiden, moet eerst zelf een goede vrucht zijn. Alleen de goede vrucht kan de slechte herkennen. De slechte vrucht zoekt steeds weer haar gelijkgezinde slechte vruchten, om iets tegen de goede te ondernemen. De slechte vruchten veroordelen, verwerpen, oordelen en binden.
    De goede, rijpe vruchten hebben begrip, zijn welwillend, tolerant en goedhartig jegens hun naaste. Wel wijzen zij op de wantoestanden, maar bewaren toch hun naasten in hun hart. Dat betekent: zij oordelen, veroordelen en vonnissen niet meer.
    Ik herhaal: aan hun vruchten zul je hen herkennen.
    De goede vrucht kent de slechte vrucht, maar de slechte vrucht herkent de goede vrucht niet. De goede vrucht kijkt slechts naar het goede, de slechte vrucht alleen naar het slechte. Overeenkomstig denkt, spreekt en handelt de mens.

    10. Niet allen die tot Mij zeggen: Heer! Heer! zullen in het hemelrijk komen, maar zij, die de wil doen van Mijn Vader, die in de hemel is. Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in Jouw naam geprofeteerd? Hebben wij niet in Jouw naam duivels uitgedreven? Hebben wij niet in Jouw naam veel wonderbaarlijke werken gedaan? Dan zal Ik tot hen zeggen: Ik heb jullie nooit gekend; gaat allen weg van Mij, die het kwade teweegbrengen. (Hoofdst. 27, 10)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie alleen Mijn naam aanroept en niet de wil van Mijn Vader vervult, is ondanks zijn schijnbaar geestelijk indrukwekkende spreken en zijn schijnbaar vriendelijke woorden, arm van geest en zal het hemelrijk niet binnengaan. Wie echter onbaatzuchtige daden volbrengt, zonder loon en waardering te verwachten, die is het, die de wil van Mijn Vader doet; want zoals hij handelt, zo denkt en spreekt hij ook.
    Onbaatzuchtige daden ontstaan enkel uit godvervulde gevoelens en gedachten. Zijn de gedachten van de mens onzuiver, dan zijn ook zijn woorden zonder inhoud en zijn daden ik-gericht.

    Erken: wie de schijn wekt uit het Ik Ben te spreken, dus schijnbaar Mijn woord spreekt en de schijn wekt in Mijn naam te handelen en daarvan goed leeft, die heeft zijn loon reeds ontvangen. Hij zal in de hemel geen loon meer ontvangen. Wie onbaatzuchtige werken van liefde doet en voor zijn aardse brood werkt, zal in de hemel het rechtvaardige loon ontvangen.

    Erken: het geestelijke brood is het geestelijke voedsel voor de ziel. Het brood voor het lichaam moet naar de wet "bid en werk" verdiend worden.
    Het geestelijke brood komt uit de hemelen en wordt diegenen aangereikt, die de wet van de liefde en het leven in acht nemen en ook het gebod "bid en werk" vervullen.
    God schenkt de mensen het aardse voedsel via de aarde. De vruchten van de aarde behoeven de toebereiding door het werk van de handen. Zo is de arbeider zijn loon waard.
    Herken het verschil tussen het brood voor de ziel en het brood voor het aardse lichaam! Weliswaar stromen beide uit één bron, maar het ene is geestelijk en wordt de ziel aangereikt, het andere is verdichte stof, materie en wordt aan het fysieke lichaam gegeven. Wat de grote Geest, God, de mensen schenkt voor hun fysieke lichaam, heeft menselijke arbeid nodig; moet bijvoorbeeld gezaaid, verzorgd, geoogst en verwerkt worden. Daarvoor behoort de mens ook door mensen betaald te worden.
    Slechts diegene wordt in het rijk Gods opgenomen, die alles doet uit liefde tot God en de mensen.

    11. Daarom, wie Mijn woorden hoort en ze navolgt, vergelijk Ik met een verstandig man, die zijn huis solide op een rots bouwde. En de regen viel en de vloed kwam en de winden waaiden rond dit huis: en het stortte niet in; want het was op een rots gegrondvest.
    12. En wie Mijn woorden hoort en ze niet navolgt, die vergelijke men met een dwaze man, die zijn huis op zand bouwde. En de regen viel en de vloed kwam en de winden waaiden en beukten tegen het huis en het stortte in en groot was zijn val. Maar een stad, die solide gebouwd is en rondom stevig is ommuurd of op de top van een berg en op een rots is gegrondvest, kan nooit instorten, noch verborgen zijn.
    13. En het geschiedde, toen Jezus deze rede had beëindigd, dat het volk verbaasd was over Zijn leer. Want Hij sprak hoofd en hart aan als Hij onderwees en sprak niet als de schriftgeleerden, die slechts ambtshalve onderwezen. (Hoofdst. 27, 11-13)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wie Mijn woorden hoort en navolgt, ontwikkelt zijn geestelijke leven. Hij grondvest zijn leven op Mij, de Rots. Dan zal hij ook bestand zijn tegen storm en vloed. Na dit aardse leven zal zijn ziel bewust ingaan in het geestelijke leven en daar geen vreemdeling zijn, omdat de mens reeds op aarde in het rijk van zijn innerlijk heeft geleefd.

    De profetische geest is het vuur in de profeet en in alle verlichte wezens. God sprak en spreekt door hen niet als degenen, "die slechts ambtshalve onderwezen". De profeten en verlichten spraken en spreken uit de volmacht van de Eeuwige, de sprekende God, of de mensen het willen weten of niet.
    Er staat geschreven: »Hij sprak hoofd en hart aan«. Wat het intellect, het hoofd, opneemt, wordt door de "verstandsmensen" besproken en bediscussiëerd. Desondanks valt zo menig zaadje in hun hart. Wie het woord des levens met het hart opneemt, beweegt het ook in zijn hart en brengt het goede zaad, het leven, meteen tot ontkiemen.
    Wie echter het woord Gods alleen met het intellect wil begrijpen, zal later - misschien pas na enkele tegenslagen - moeten inzien, wat hij door zijn twijfels en zijn arrogantie heeft afgewezen. Hij moet inzien, dat het zaad, het woord Gods, dat uit de hoorn des overvloeds van het leven door profeten en verlichte mensen werd gegeven, hem veel zou hebben bespaard.

    Het boek "Dit is Mijn woord" werkt door in de Nieuwe Tijd, de tijd van Christus. Mijn leven, eens als Jezus van Nazareth en Mijn woord nu (1989) als Christus, zijn het fundament.
    Zoals Ik als Jezus van Nazareth gedacht, geleerd en geleefd heb, zal voor het leven en denken van de mensen van de Nieuwe Tijd in het vredesrijk van Jezus Christus de maatstaf zijn. Op deze wijze Ben Ik hen zeer nabij. Zij zullen Mij in de geest als hun broeder begroeten en Mij als heerser van het rijk Gods op aarde aan- en opnemen.
    Dit boek is een werk van liefde en van leven. Daaruit ervaren de mensen in het vredesrijk tevens, hoe Ik de lichttijd op aarde heb ingeleid en opgebouwd. Zij ervaren, dat Ik door vele getrouwen heb gewerkt, die met Mij voor de Nieuwe Tijd hebben gestreden en geleden. Het boek "Dit is Mijn woord" is daarmee een historisch document. Het zal zowel nu - in de ten einde lopende oude wereld - alsook dan - in de steeds meer doorbrekende Nieuwe Tijd - worden gelezen.
    De mensen herkennen daarin ook de vervulling van de goddelijke verlossersopdracht, begonnen door Mijn werken als Jezus van Nazareth, daarna als Verlosser, als Christus Gods - en nu als oprichter van de Nieuwe Tijd, waarin Ik Mijn komst als heerser van het vredesrijk voorbereid, waarin Ik broeder Ben van degenen, die met Mij en met de velen, wier harten rein zijn, in de broederschap van Christus leven.

 

Nawoord

 

    Ik Ben de Christus Gods, de weg, de waarheid en het leven.

    Ik Ben de waarheid en de waarheid, die Ik Ben, straalt in talloze facetten in deze wereld.

    Het zogenaamde »evangelie van Jezus« is een van de vele facetten van de waarheid. Niet een of ander mens, maar Ik, de Christus Gods, nam het, verklaarde, verbeterde en verdiepte het en voegde verder licht, dus verdere facetten der waarheid, toe, opdat de mensen van de tegenwoordige generatie (1998) en de toekomstige generaties de eeuwige waarheid, Mij, de Christus Gods, uit meerdere facetten van de waarheid zien stralen.

    Ik Ben de waarheid en de waarheid geeft de kinderen de waarheid - en zo is het de waarheid.

    Ik, de Christus, vervloek en verwens geen mens.* Dat doen die mensen, die Mij, de Christus, de waarheid, voor hun menselijke doeleinden misbruiken, zichzelf aan.
   *Deze woorden hebben betrekking op het slot van het boek »Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren?« (Het evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) (Hoofdst. 96, 26) 

    Ik Ben het evangelie van de waarheid en de waarheid, die Ik Ben, geeft de generaties, zoals zij het nu en in de toekomst in het licht der waarheid kunnen begrijpen.

 

Tot beter begrip van dit werk:

De profetie van God

 

Wat is een profeet? -
Zijn roeping en zijn opdracht - Het profetische woord van de Christus Gods in onze tijd

 

    »Dit is Mijn woord. Alpha en Omega. Het evangelie van Jezus. De Christusopenbaring, die de wereld niet kent« is het boek, wiens inhoud rechtstreeks uit de oerbron God komt: Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, openbaart zich door het profetische woord van de mens Gabriële - door onze zuster, de profetes en verkondigster Gods in deze machtige tijdsomwenteling.
    Ofschoon God te allen tijde door profetenmond sprak en zich aan de mensen meedeelde, hen inlichtte, vermaande, troostte en leidde - dus mét Zijn kinderen was - weten in onze tijd veel mensen niets meer van deze nabijheid van de sprekende God; de profetie had nauwelijks meer een plaats in het op het aardse leven betrokken, materialistische denken en leven. Daarom zijn deze ophelderende woorden over de profetie nodig. Doch ook voor de mensen in de komende tijdperken en ook voor hen, die na de machtige tijdwende op aarde leven, de bewoners van het vredesrijk van Jezus Christus, zijn deze uiteenzettingen van betekenis. Ze dienen tot herinnering; want in de lichttijd zal er geen profetisch woord meer zijn. De mensen zijn dan zelf het woord geworden, omdat zij de wet Gods leven.
    God sprak tot de mensen in het Oude Verbond; Hij sprak de mensen in Zijn »Ik Ben« aan - door profetenmond. Jesaja, Elia, Jeremia, Daniël, Job heetten enkele van de bekendste profeten. De grootste aller profeten was Jezus van Nazareth, de geïncarneerde zoon Gods. En ook in de daaropvolgende tweeduizend jaren traden in de christenheid steeds weer profeten van God op. In hun menselijke lichamen waren lichte wezens van de hemelen geïncarneerd, die de opdracht in zich droegen, spreekbuizen van God te zijn.
    De profeet is als een bazuin, waarin God, de eeuwige Geest, blaast. Zijn instrument - de mens, door wie Hij profetisch spreekt - is daarbij in het volle waakbewustzijn; in hem wordt de lichttaal Gods in zijn moedertaal omgezet, opdat de mensen de eeuwige waarheid, God, kunnen horen en verstaan. Ware Godsprofeten blijven gedurende het inspreken van de Godsgeest in het waakbewustzijn. Jezus van Nazareth, de grootste profeet, is ook, wat dit betreft, het voorbeeld. God, de Eeuwige, sprak door Hem in het waakbewustzijn - zoals ook door alle ware profeten, zowel in het Oude Verbond, als ook na Jezus’ tijd. De mens raakt alleen dan in trance, wanneer hij krachten van gene zijde opneemt, welke niet de rechtstreekse Godsstraling zijn. Dit is bij de echte Godsprofeet niet het geval.
    De ziel van de profeet wordt op de komende opdracht in het mensenlichaam lang voorbereid, vaak generaties lang. De mens wordt uiteindelijk op een bepaald tijdstip door God aan de in de ziel liggende opdracht herinnerd; dit is de zogenaamde roeping.
    De weg van de Godsprofeet is een lijdensweg. Hij staat onder de absolute plicht tegenover God en heeft datgene uit te spreken, wat God hem ingeeft. De ernstige en vermanende woorden van God, die tot ommekeer oproepen, zijn de mensen van deze wereld steeds onaangenaam, waardoor de profeten in de regel hoon, spot, laster, vervolging en vaak de dood moesten ondergaan.
    Er zijn twee categorieën van profeten: de verkondigerprofeten - in het algemeen profeten genaamd - en de leerprofeten. Door verkondigerprofeten gaf en geeft God de mensheid het geestelijke weten en de fundamentele geestelijke wetmatigheden, die de mensen nodig hebben, om hun leven op het Goddelijke af te stemmen en stap voor stap in een wetmatig leven te komen. Hij vermaande en vermaant de mensen, dat te vervullen, wat Gods wil is. Verkondigerprofeten roepen de mensen in het bewustzijn, dat zij Gods kinderen zijn; zij brengen hen Zijn liefde en wijsheid naderbij en wijzen de weg naar huis tot Hem.
    Door leerprofeten, die omstreeks de grote tijdwende optreden, verankert de eeuwige Geest niet alleen het geestelijke goed in het bewustzijn van de mensen, dat reeds voorheen geopenbaard werd, doch Hij geeft verderleidende en hogere wetmatigheden en aspecten van de heilige oerwet. De leerprofeet brengt dus gedetailleerd de wetten Gods en legt deze ook uit. Door hem leert de Geest Gods de mensen de Innerlijke Weg terug naar het eeuwige vaderland, vanwaar eens elke ziel is uitgegaan. Door de leerprofeet leert God steeds geestelijk goed, dat boven het tot nu toe bekende uitgaat.
    De leerprofeet heeft alles, wat God, de Heer, door hem wil onderrichten, zichzelf tevoren eigen te maken, te ontwikkelen en te verwezenlijken. Hij moet de Innerlijke Weg, de weg van zelferkenning en loutering, vóór alle mensen eerst zelf gaan. Na geruime tijd bereikt deze, uit de Geest Gods direct onderrichte en geschoolde mens, de hoogste top van mystieke ontwikkeling, het doel van het pad met zeven fasen tot God, dat de eenwording met het bewustzijn, God, tot gevolg heeft. In één ogenblik herkent, schouwt en weet zo een mens dan van de dingen en gebeurtenissen, die diegene verborgen zijn, die nog in de zinnelijke wereld leeft.
    Daardoor wordt de leerprofeet de verkondiger Gods, die uit zijn ontsloten en met het Goddelijke ééngeworden bewustzijn, put. Hij ziet de dingen of de mensen niet meer, zoals ze schijnen, maar hij schouwt de dingen, gebeurtenissen en mensen, zoals ze zijn. Hij schouwt alles, was is, tot op de kern.
    In het Oude Testament zond God vooral verkondigerprofeten op deze aarde, door wie Hij de mensheid uit haar gebondenheid aan de materie, op de juiste weg tot geestelijk hogere ontwikkeling trachtte te brengen.
    Daarna werkte Christus, de deelkracht van de oerkracht, de mederegent van de hemelen, als Verlosser en leerprofeet onder de mensen. Zij hebben Hem als Jezus van Nazareth - zoals vele van de gerechte profeten - niet herkend, niet aangenomen en Zijn leven een voortijdig einde bereid. Op Golgotha kon Hij met de woorden »het is volbracht« de verlossing voltrekken: het inbrengen van een vonk van de verlossende deelkracht van de oerkracht als ondersteunende en weer tot God leidende kracht in iedere ziel.
    Nu heeft God wederom een wezen in deze wereld gezonden. Het incarneerde in de mens, die Gabriële genoemd wordt. Zij dient de Eeuwige in deze wereld als Zijn leerprofetes. Haar ontsloten geestelijke bewustzijn, dat in de Almachtige rust en doordrongen is van de kracht van de Almachtige, kent de eeuwige wetten en weet de weg naar de eeuwige wet, God. Onze zuster, Gabriële dus, schouwt in haar goddelijke bewustzijn en ontvangt van de Eeuwige door haar goddelijke bewustzijn de alomvattende weg naar het hart van God. Met eenvoudige woorden vermag zij de alomvattende Innerlijke Weg te verklaren, de mens tot zijn oorzaken te leiden, hem te helpen deze op te heffen en, wanneer hij wil, hem naar Christus te leiden. Zij heeft inzicht in de diepte van de mensen, in hun zielentoestand. Haar verdere opgave als leerprofetes is, de details van de eeuwige wetten van God nu voor alle levensgebieden in deze wereld te brengen, de details van de goddelijke wetten voor het samenleven van de mensen in gezin en beroep, in het zakenleven en de maatschappij, voor de kinderopvoeding en de sociale diensten, alsook voor de gezondheid van ziel en lichaam. Tevens onderricht zij stap voor stap de toepassing van de eeuwige wetten op alle gebieden van het leven.
    Leerprofeten dienen dus, - aanvullend aan de opdracht, Gods directe bazuin te zijn - de opdracht, hun medemensen in alle wetten van het geestelijke leven te onderrichten en hen in alle vragen van het innerlijke leven terzijde te staan. Daarom moest onze zuster Gabriële zelf veel beleven, ervaren, doorlijden en overwinnen - in meerdere aardse levens - opdat zij de mensen kan begrijpen en hen de juiste weg kan wijzen.
    In deze grote tijdwende, waarin wij nu staan, stichtte Christus door Zijn profetische woord en door de christelijke oergemeente Nieuw Jeruzalem Zijn vredesrijk op deze aarde.
    Ter voorbereiding van de mensheid voor het Godsrijk op aarde, geeft de Eeuwige nu op alle kernvragen van de mensen in deze tijd, uitleg en onderricht. Zo openbaarde Christus zich door Zijn profetische woord in 1989 ook over Zijn leven, denken en werken als Jezus van Nazareth; tevens verklaarde Hij de samenhangen en de betekenis van Zijn leven op aarde voor deze en de komende tijd. De verklaringen, verbeteringen en verdiepingen in dit boek »Dit is Mijn woord« zijn het authentieke woord van Christus. De in het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus) gegeven uiteenzettingen en het nu door Christus daartoe verklaarde, verbeterde en verdiepte, zijn belangrijke toelichtingen over Zijn leven, denken en werken als Jezus van Nazareth - tot beter begrip en als voorbeeld voor de mensen in deze tijd en ook voor de bewoners van het vredesrijk, het lichtrijk van Christus op aarde.
    In deze machtige tijdwende leidt Christus ons bovendien in de gehele waarheid: Hij openbaart nu - zoals verklaard - de wetten Gods voor alle levensgebieden op deze aarde en bouwt zo het omvangrijke rijk Gods op deze aarde op.

De oerchristenen
in Universeel Leven

Wat is Universeel Leven?

 

Universeel Leven is te vergelijken met een machtige boom.

    Zijn leven ontstond uit een kleine zaadkorrel, die in de akker van de wereld werd gelegd: de openbaringen van de Eeuwige, van de Christus Gods, in het begin voor een kleine kring Christusvrienden.
    De zaadkorrel ontkiemde en werd een spruit, waarin reeds openbaar werd, wat zijn kern inhield: Gods licht, dat liefde en wijsheid is.
    Toen het plantje groeide, bracht het meer aan het licht: het thuisbrengingswerk van Jezus Christus, met de eerste aanwijzingen van de Christus Gods voor een goddelijk leven van de mensen.
    Dit leer- en voorlichtingswerk, dat ongeveer 20 jaar geleden door de Christus Gods in het leven werd geroepen, groeide snel aan tot een krachtige plant, een klein boompje, geworteld in Gods liefde en wijsheid. Aan ons mensen werden alle fundamentele wijsheden van het leven geschonken, om zo onze weg naar het Godsleven te kunnen vinden, dat vruchten voortbrengt.
    Steeds meer mensen dronken uit de bron der goddelijke openbaringen en het boompje werd de boom des levens. Mensen verzamelden zich, om Gods wil te vervullen. Zo groeide uit het kleine zaadje, dat het leven, God, in zich droeg, de grote levensboom, die zich Universeel Leven noemt, wat betekent: leven in de Geest Gods, leven, niet slechts voor ieder afzonderlijk, maar voor allen, die van goede wil zijn.
    De wortel van het werk Gods, Christus in Zijn goddelijke openbaring, thans sinds 20 jaar, bereikt vele miljoenen mensen. Zo wordt vervuld, hetgeen Jezus aan de Zijnen had opgedragen: het evangelie van de liefde in de hele wereld te brengen. Hij, Jezus, sprak 2000 jaar geleden inhoudelijk: »Wanneer de geest der waarheid zal komen, zal Hij jullie in de gehele waarheid leiden.« Hij is nu in deze omwentelingstijd gekomen en leidt ons in de gehele waarheid, voor zover wij deze met onze woorden begrijpen en met ons bewustzijn in staat zijn op te nemen.

    In de machtige kroon van de boom Universeel Leven rijpen thans de vruchten van de daad. Het zijn Gods werken door hen die, aangetrokken door de grote lichtkracht van Christus, hun weg vonden naar degenen, die samen het werk des levens opbouwen. Het is een volkje, een groeiend volk in Christus en voor Christus, voor een nieuwe wereld in het teken van liefde en wijsheid en van vrede; rechtvaardige mannen en vrouwen, die elke dag meer in Zijn Geest leven. Het zijn zij, die elk moment ja zeiden en ja zeggen tegen de grote Geest van eenheid, van vrede en van liefde, zodat het werk van de Heer in enkele jaren wereldomvattend werd. Het zijn zij, die zich geroepen voelen, Gods liefde en wijsheid in de gemeenschap om te zetten in de daad. Zij zijn werkzaam voor de hogere waarden van het leven, voor het rijk van vrede, het rijk Gods op deze aarde, dat reeds door Jesaja werd aangekondigd en waarom alle Christenen in het onzevader bidden.

[ Uittreksel uit Dit is Mijn woord- Alpha en Omega ] [ De Profeet ]
[ De Tien Geboden van God ] [ Radiozendingen in het Duits ] [ Universeel Leven ] [ Kosteloze info ] [ Home ] [ Contactadressen ] [ Email ]

Universeel Leven, Postbus 31228, 6503 CE Nijmegen
 
Universelles Leben, Postfach 5643, D-97006 Würzburg, Deutschland
Tel. (+49) 931-3903-0, Fax: (+49) 931-3903-233
e-mail: info@universelles-leben.org

[an error occurred while processing this directive]