Dit is
Mijn woord
A en W

 

Het evangelie van Jezus

De Christusopenbaring,
die de wereld niet kent

 

Deel 1

 

Christus,
de zoon Gods,
de mederegent der hemelen,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de stichter en heerser
van het rijk Gods op aarde,
openbaart zich
over Zijn leven, denken en werken
als Jezus van Nazareth

 

Hiermee verschijnt
het machtige openbaringswerk van Christus,

 

Het leven in God
is eeuwig stromende energie.
Zoals het het mensenkind,
onze zuster Gabriële,
uit de eeuwige bron toestroomt,
wordt het telkens aan ons doorgegeven.

Christus,
de Verlosser van alle mensen en zielen,
de heerser van het vredesrijk,
schenkt ons Zijn woord, opdat wij daarin
ook ons eigen leven herkennen
en het zo gestalte geven,
dat het God welgevallig is.


Uitgever: Universelles Leben e.V.
Haugerring 7, D-97070 Würzburg
Uit het Duits vertaald.
Originele Duitse titel:
Das ist Mein Wort
A und W
Das Evangelium Jesu
Die Christus-Offenbarung,
welche die Welt nicht kennt

Eerste druk 1991
In licentie uitgegeven boek, met toestemming van de uitgever.
Voor alle vragen betreffende de betekenis van de inhoud is de Duitse
originele uitgave doorslaggevend.
1e Nederlandse uitgave: januari 1999


 

Inhoud

 

De titels van de hoofdstukken van het »Evangelie van Jezus« zijn vet en cursief gedrukt; de in normaal cursief geplaatste ondertitels hebben betrekking op de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van het »Evangelie van Jezus«, momenteel door Christus gegeven (1989). De tussen haakjes geplaatste getallen duiden telkens de verzen aan van het »Evangelie van Jezus« waarop de verklaringen, verbeteringen en verdiepingen van Christus betrekking hebben.

Voorwoord 

Ik Ben 

Proloog 

1) De verkondiging van de geboorte van Johannes de Doper - Johannes de Doper; zijn afkomst en opdracht in het verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid van Zacharias (8) 

2) De reine verwekking van Jezus Christus - Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5). De verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25) 

3) De geboorte en naamgeving van Johannes de Doper - De ware profeten (5

4) De geboorte van Jezus Christus - Het volk Israël heeft gefaald - Christus’ heerschappij in het vredesrijk wordt voorbereid met de geïncarneerde zonen en dochters van God uit de stam van David (5). De »verschijningen van de engelen« aan de herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning van aardse wetten, voor zover deze niet in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten (12) 

5) De aanbidding van de wijzen en Herodes - De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5). Verkondigingen van God en Zijn engelen, zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13) 

6) Kindschap en jeugd van Jezus - De tempel van het innerlijk (4). Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond van trouw voor God - Ervaring van het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en kruisdood waren niet nodig geweest (10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der Egyptenaren (11). Kort bericht over het leven van Jezus voor het begin van Zijn leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de almacht en liefde van God en vervulde het gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond, gesloten met de Oergemeente Nieuw Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het reinigingsproces van de aarde (17) 

7) Boeteprediking van Johannes - De betekenis van symbolen en ceremonies (4). Het gerecht: de wet van zaad en oogst - Loutering van de ziel (10).

8) Het doopsel van Jezus, de Christus - God en Christus openbaren thans de volledige waarheid door de serafijn van de goddelijke wijsheid - de stam David bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)  

9) De vier bekoringen - De duisternis mag zich meten aan het licht (1). Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)  

10) Jozef en Maria bereiden Jezus een feest - Andreas en Petrus vinden Jezus - Aan de mensen van de Nieuwe Tijd: de verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van Jezus van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)

11) Zalving van Jezus door Maria Magdalena - Oordeel naar aardse maatstaf (6). De verlichte mens schouwt (10) 

12) De bruiloft van Kana - De genezing in Kapharnaüm - De geïncarneerde geestwezens en hun opdracht in het verlossingswerk (9). God is liefde, Hij verdoemt niet - Van God verwijderde mensen scheppen wraakgoden - Afgodendienst is ook verering van aardse machten en machthebbers - »Eeuwige verdoemenis« is bespotting van God (11). Hemel en hel zijn in de mens zelf - De atmosferische kroniek (12). Leven in de waarheid - de drie stappen naar de waarheid (16)  

13) De eerste prediking in de synagoge - Het evangelie van de liefde, de weg naar de innerlijke vrijheid (2). Geloof, vertrouwen en verwezenlijking als basis voor hulp en genezing uit de Geest (4)  

14) De roeping van Andreas en Petrus - De honden-dresseur - De rijken - Weg in de navolging van Christus eerst na het ordenen van alle menselijke betrekkingen en situaties (1-3). Voorwaarden voor genezing (4). Zonde tegen de schepping door het minachten en doden van medeschepselen en de gevolgen daarvan - In de omwentelingstijd komen de oorzaken sneller tot uitwerking - De mogelijkheid tot incarneren neemt af met de verfijning van de aarde - Omwentelingstijd is catastrofentijd - Christus beschermt de Zijnen - Leven op de gereinigde aarde (6-7). Uiterlijke en innerlijke rijkdom (11-12) 

15) De genezing van een melaatse, een lamme en een dove - De mensen in de geest van de Heer 

16) De roeping van Mattheus - Nieuwe wijn in oude zakken - De mogelijkheid tot reïncarneren en afdragen is beperkt 

17) Jezus zendt de twaalf uit - De vooruitgang van het verlosserswerk is afhankelijk van de trouw en evolutie van degenen die de opdracht hebben ontvangen (3). Doopsel met de geest der waarheid (6). Genezing der zieken en opwekking van doden - Groepsschuld - Uitdrijven van duivels - Gaven der liefde niet opdringen (7). De hel is geen plaats, maar een toestand van de ziel (10). Voor God is niets verborgen - Slechts wie in het licht der waarheid leeft, kent het woord der waarheid (13). Wie tegen Christus is, is tegen zijn naaste (14) 

18) De uitzending van de tweeënzeventig - Over het doorgeven van de waarheid (3). Gedrag als gast (6). Maatstaven voor de samenleving der mensen; het doel: de onbaatzuchtige liefde (10-12) 

19) Jezus leert bidden - Het juiste en het verkeerde bidden (2-4). De essentie van al het Zijn is in het binnenste van iedere ziel - Gods almacht dient hem, die bewust leeft in verbinding met God, door alle levensvormen (6). Terechtwijzing uit de liefde en de ernst (8). Achting voor het leven van planten en dieren (9). De verantwoordelijkheid van een genezene (10)  

20) Terugkeer van de tweeënzeventig - Succes of mislukking van de door Christus uitgezondenen - Verfijning van de materie - Aardvlekken, resten van negatieve energieën: de basis voor de laatste opstand van de demonen aan het einde van het vredesrijk - De ontbinding van de aardziel - Over »geesten« (3). De »wijzen« van de wereld herkennen de krachten van het heelal niet; zij worden beïnvloed en strijden tegen het licht (4). Christus openbaart Zijn eigen positie en Zijn verhouding tot God, het valgebeuren en Zijn Verlossersdaad (5). Christus in het aardse lichaam en Zijn boden konden en kunnen alleen door diegenen worden herkend, die het innerlijke schouwen en horen hebben ontwikkeld - Wie Christus’ geboden hoort en verwezenlijkt, aan die openbaart zich de goddelijke wet en hij leeft in Hem (6). Machtige instraling van de eeuwige waarheid door de wijsheid in de tijd van de omwenteling (7)  

21) Jezus berispt de wreedheid tegen een paard - De zelfzuchtige, egoïstische mens heerst over de dieren en kwelt hen - Wie in God leeft, is één met alle schepselen (2-4). De mens schendt en vernietigt het leven op aarde - Het uitsterven van vele diersoorten - Betekenis van veel dieren voor het ecologische evenwicht - De wet van zaad en oogst geldt ook in de omgang met de schepping (5). Onbaatzuchtige liefde, de sleutel tot begrip van en hulp voor de naaste en tot inzicht in de causaliteitswet en het overwinnen daarvan - Honger en dorst van de ziel naar de innerlijke bron (7). Het doden van dieren, ook als offer, is een gruwel voor God - Ieder mens zou vrijwillig zijn ik moeten offeren - Verkeerd Godsbeeld - »Oog om oog, tand om tand« (8) en »zo wil Ik jullie verstoten« juist begrepen - Overlevering en inter-pretatie van bijbelse woorden (10). Aardse rijkdommen en innerlijke rijkdom (11). Uiterlijke rijkdom is slechts geleend, om hem voor velen in te zetten (12-13). De wet Gods is absoluut en zal vervuld worden - Het doopsel met water, een symbool - Het »volbracht« - Christus leert nu de gehele waarheid (14). De planning en voorbereiding van de verlossersopdracht en van het verlosserswerk - Vele geestwezens staan in de op-dracht, totdat alle valwezens zijn teruggekeerd (16) 

22) De opwekking van de dochter van Jaïrus - Voor-waarden voor genezing van het lichaam - De Christus is in jou (2-5). De opwekking van »doden« (6-12) 

23) Jezus en de Samaritaanse - Het water des levens, de waarheid, een eeuwig stromende kracht (3-7). Wie ernstig zoekt, vindt de waarheid - Test degenen, die over de waarheid spreken - Over de waarde van uiterlijke vormen van aanbidding - Wie is thans het volk Israël? - Het nieuwe Jeruzalem - Het laatste Verbond (16) 

24) Jezus veroordeelt wreedheid - Hij geneest zieken en drijft duivels uit - Alle overtredingen tegen de wet des levens vallen op de mens terug; natuur en schepsels op aarde zijn geschenken van God, tot welzijn van de mensen (1). Verklaring van de »verdorde arm« (3). Heil en genezing voor het lichaam, wanneer het goed is voor de ziel (7). Farizeeën toen en nu - Strijd tegen het groeiende licht op aarde en in de reinigingsgebieden, nog in de tijd van het vredesrijk - In de tijds-omwenteling wordt het fundament van het vredesrijk gelegd en neemt vorm aan - Vermaning aan de mensen in het vredesrijk: vergeet de pioniers niet en de geïncarneerde serafijn van de goddelijke wijsheid, Mijn profetes en verkondigster - De strijd achter de nevel-wand gaat door (8). Verklaring van de »wonderbare broodvermenigvuldiging« (12-13) 

25) De Bergrede (1e deel) - De Bergrede, de Innerlijke Weg naar de volmaaktheid - De zaligen - De »armen« - Draag je leed op de juiste manier - De zachtmoedig-heid, eigenschap van hen, die onbaatzuchtig liefhebben - De Tien Geboden en de Bergrede als weg naar waarheid en gerechtigheid - De barmhartigheid, de poort naar het eeuwige Zijn - De reine zielen in de Absolute Wet Gods - De vredestichters hebben de vrede in zich - Strijd van de pioniers op verschillende fronten - Kerkleiders, farizeeën, wolven in schaapskleren - Slachtveld achter de nevelwand - Bidt voor de onver-lichte zielen (2-4). Aardse rijkdom als verplichting en opdracht - Verkeerd gebruik van rijkdom heeft ernstige gevolgen - Waarschuwing aan de spotters - rijken, machthebbers, valse profeten, mooipraters, schijnchris-tenen: werktuigen van de satan (5). De rechtvaardigen zijn het zout der aarde, die het onrecht aan het licht brengen (6). Benoeming en opdracht van de profetes en verkondigster van God - Het werk van de pioniers onder directe scholing en leiding - Het Nieuwe Jeruzalem (7). Vrij worden van de wet van zaad en oogst door Christus, binding in de valwet door kerkgenootschappen en dogma’s - Christus leidt thans naar de gehele waarheid (8). Valse en ware leraren (9). Alleen redding door geloof en verwezenlijking (10). Christus trans-formeert vrijwillig aan Hem gegeven zonden (11). In het reine brengen, voordat een zwaar karma ontstaat - De schijnbare vijand, je spiegel (12-13). Eenieder ontvangt, wat hij zelf heeft gezaaid - Geeft onbaatzuchtige liefde (14). Persoonlijke wensen leiden tot binding aan mensen en dingen - Leven in een "poel van verderf" (16). Rondvliegend zaad in de zielenakker van je naaste - De reinigingsweg van de pioniers tot aan het vredesrijk (18) 

26) De Bergrede (2e deel) - De eerste stappen op de Innerlijke Weg, een evolutieproces naar onbaatzuch-tigheid (2). Gebed als zelfpresentatie of bezield gebed (4). Ware wijzen rusten in zichzelf en discussiëren niet (5). Over het onzevader (6). Vergeven en om vergeving vragen; gerechtigheid en genade Gods (7-9). De aardse dood - Het bewustzijn van de ziel daarna - De rouwenden - Herhaalde incarnatie - Bindingen tussen mensen en zielen - Juiste instelling (10-11). Schatten verzamelen - Einde der incarnaties in de Nieuwe Tijd (12-14). Bezorgd zijn om jezelf, plannen maken in vertrouwen op God - Het juiste bidden en werken - Al het Zijn staat onder Gods hoede (15-18) 

27) De Bergrede (3e deel) - Je negatieve gedachten, woorden en daden zijn je eigen rechters (1). Splinter en balk - Noodzaak van zelfkennis (2). Missioneren is willen overtuigen - Leef de waarheid en wees een voorbeeld (3). Vragen, zoeken, aankloppen; de innerlijke poort opent zich niet voor het verstand (4). Wat je van je naaste verlangt, bezit je zelf niet in je hart; verwachtingshouding leidt tot binding (6). De strijd op de smalle weg naar het leven (7). Onderscheid maken tussen goede en slechte vruchten (8-9). Neem het woord des levens met je hart op - »Dit is Mijn woord«: een werk van leven en liefde (13) 

Nawoord 
Tot beter begrip van dit werk:

De profetie van God 

Wat is Universeel Leven? 

Voorwoord

van broeder Emanuel,
de cherubijn van de goddelijke wijsheid.

    Voor menige lezer is het onbegrijpelijk, dat Christus, de zoon van God, op een nauwelijks bekend evangelie teruggrijpt en niet alleen daarop opbouwt, maar het ook verklaart, verbetert en verdiept, dat wil zeggen, ook aanvult.
    De reden daarvoor is de volgende:
    christelijke kerkgenootschappen en gemeenschappen, evenals veel bijbeldeskundigen, hebben »hun bijbel«, die zij voor de volledige en zuivere waarheid houden, tot hun eigendom gemaakt. Zij vergissen zich in de overtuiging, dat het woord Gods in hun bijbel eenmalig en voor alle tijden werd gegeven en daarmee afgesloten. Daardoor was het Christus, de Verlosser van alle zielen en mensen, niet mogelijk, binnen de nog bestaande christelijke kerken en de aan zich bindende gemeenschappen, dit boek, hun bijbel, te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
    Daarom ging Christus andere wegen; Hij openbaarde en openbaart de waarheid buiten de christelijke kerken en bindende gemeenschappen om. Want alle wezens en mensen dienen God, het eeuwige licht, de onbeperkte waarheid, te ervaren. Aan allen is de vrije wil gegeven, haar aan te nemen of af te wijzen.
    Christus, de zoon van de levende God, de Verlosser van alle mensen en zielen, is de inspirator in Zijn verlossingswerk, Universeel Leven - waaruit het vredesrijk van Jezus Christus voortkomt. Hij verzocht in het begin van dit decennium (1980) enkele broeders - die allen, op één na, bijbeldeskundigen waren -, de essentie der waarheid, zowel uit het Oude Testament, als uit het Nieuwe Testament, op te schrijven.
    Christus’ wens was en is, dat de feiten over Zijn leven en denken als Jezus van Nazareth opgetekend worden, opdat zij in de toekomst als historisch bericht voor diegenen beschikbaar zijn, die in het vredesrijk van Jezus Christus leven en door Hem een grote mate van volmaaktheid zullen hebben bereikt.
    In Zijn openbaring sprak Hij tot deze broeders, met woorden van de volgende strekking:
    neemt de bijbelteksten ter hand, die Ik jullie zal doen toekomen en laat jullie geestelijke bewustzijn over de teksten gaan. Dat wil zeggen: leest met de ogen der waarheid - en niet met het verstand, want dat vertroebelt het oog en de zin voor de waarheid. Het oog der waarheid zal dan op die tekstpassages vallen, die de waarheid bevatten, die voor de tegenwoordige en voor de komende tijd van betekenis is, want Ik zal het in jullie hart leggen. Dan zal Ik door jullie verklaren en verdiepen. Het zijn de woorden van God, die grote profeten en verlichten uit de Geest der waarheid als voorschouw voor de tegenwoordige en voor de komende tijd ontvingen.
    Zijn beweegreden was en is, dat de Zijnen in de huidige tijd - en de grotendeels volmaakte mensen van de komende tijd in het vredesrijk - datgene kunnen nalezen en kunnen begrijpen, wat Hij als Jezus van Nazareth de mensheid heeft gebracht - en wie Hij was en in de geest is. Als eens het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omspannen, is de verlossing in de mensen afgesloten, omdat in het vredesrijk alleen nog vrijwel volmaakte zielen zullen incarneren.
    In het vredesrijk van Jezus Christus is geestelijke kennis onbelangrijk geworden, omdat de verregaand volmaakte mensen het Goddelijke nabij zijn, omdat zij de wijsheid bezitten en niet meer via geestelijke kennis tot de wijsheid moeten komen. Ook de vele bijbelversies, waarop de kerken in deze tijd (1989) nog steunen, zullen dan onbetekenend zijn. Want wie goddelijke wijsheid heeft verworven, heeft zijn geestelijke bewustzijn ontsloten en zijn reine geestlichaam, waarin de essentie van de oneindigheid volledig werkt, is voor hem dan het boek van de goddelijke wijsheid. Wanneer het vredesrijk van Jezus Christus de aarde zal omvatten, zal er geen mensenwerk meer bestaan. Mensenwerken zijn ook de kerken en hun bijbels, waarin zij veel naar eigen goeddunken inbrachten en daaruit datgene hebben onderwezen, wat hen vanuit hun confessionele denken noodzakelijk leek. 
    Veel geestwezens gingen voor het verlossingswerk ter incarnatie. Het is als een groot mozaïek, dat alle vier de reinigingsgebieden, met inbegrip van de aarde, omvat. Elk van deze geestwezens heeft een opdracht in het verlosserswerk aangenomen; het nam als zijn aandeel van de opdracht één of meerdere »mozaïeksteentjes« in zijn geestlichaam op, om in het aardse bestaan datgene te kunnen vervullen, wat het als opdracht heeft aangenomen. Dit aandeel in de opdracht is dus in de ziel gegraveerd en moet worden vervuld.
    Sommige geestwezens namen in hun mozaïeksteentje verschillende mogelijkheden op. Dat wil zeggen: als een opdracht, waarvoor een geestwezen ter incarnatie is gegaan, niet werd vervuld, dan moet het »debet«, wat daardoor in zijn geestlichaam is opgetekend, elders door hem vervuld worden - in een andere incarnatie of in de reinigingsgebieden.
    Is echter het tijdstip aangebroken, waarop dit mozaïeksteentje van de opdracht op aarde moet worden ingezet, dan nemen andere geïncarneerde geestwezens datgene over, wat hun naasten in de opdracht - als gevolg van een belasting of een verleiding door de satan der zinnen - niet hebben gedaan. Dit mozaïeksteentje, dat nu door andere geïncarneerde geestwezens, door mensen dus, vervuld werd, is dan in het opdrachtenpotentieel voor de aarde weliswaar afgelost, het betreffende geestwezen echter, dat verzuimd heeft, zijn aandeel in de verlossersopdracht tijdig uit te voeren, moet dit elders goedmaken.
    Als op deze wijze voor Christus hier en daar deuren gesloten blijven, gaat Hij andere wegen, zoals het bijvoorbeeld met dit boek »Dit is Mijn woord« gebeurde.
    Wanneer de Heer de geestelijke gaven in een mens aanspreekt, herinnert Hij bijvoorbeeld deze broeders aan hun geestelijke opdracht, dan heeft ook de vorst van deze wereld de mogelijkheid, hen op de proef te stellen en eventueel te verleiden - ook diegenen dus, die als mens onder mensen leven, om de waarheid en de vrede in de wereld te brengen. Zij hadden in het rijk van het licht de beslissing genomen, in het aardse gewaad de werken Gods te vervullen en Christus en hun naasten te dienen in de wereld, die het territorium is van de duisternis. Ieder ogenblik echter staat de mens op een tweesprong - voor de keuze: vóór of tegen God.
    De broeders, die geïncarneerd waren met de geestelijke opdracht, een werk te schrijven, dat voor nu en later van betekenis is, waren onderhevig aan het menselijke. Zij konden datgene, dat zij in hun geestlichaam hadden ingegeven, niet volgens plan vervullen. Zo werd een andere weg bewandeld, dus een andere mogelijkheid geopend: de weg via onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Want het schrijven van het boek »Dit is Mijn woord« is een essentiële bouwsteen in het werk van de Heer, van Universeel Leven, omdat het zijn betekenis vooral in het vredesrijk van Jezus Christus zal hebben. Het omvat alle belangrijke gebeurtenissen, die Christus, de heerser van het vredesrijk, als Jezus van Nazareth heeft beleefd en doorleden. Want door Zijn leven en denken en door de liefde voor de mensen heeft Hij de verlossing gebracht.
    Alleen door Zijn verlossersdaad zal op aarde Zijn vredesrijk ontstaan. Zalige, dus nagenoeg volmaakte mensen zullen haar dan bewonen en haar meer en meer bezitten, omdat de heerschappij van de duisternis ten einde gaat. Want sinds Zijn »volbracht« aan het kruis bindt het satanische zichzelf steeds meer. Wanneer eenmaal het vredesrijk de aarde omspant, is het satanische gebonden. Alleen door de verlossersdaad is dit mogelijk geworden!
    Christus, de Verlosser van alle mensen en zielen, heeft dus vele wegen, om te bereiken wat - voor de tegenwoordige tijd (1989) en in het bijzonder voor de Nieuwe Tijd - van betekenis is. 
    Het boek »Dit is Mijn woord« maakte niet de direct deel uit van de opdracht van onze zuster, de profetes en verkondigster van God. Zij nam de mogelijkheid aan, die geboden werd, om het boek »Het evangelie van Jezus«* tot basis van het openbaringswerk »Dit is Mijn woord« te maken. Christus kwam haar met dit boek tegemoet, omdat de opdracht, zo een werk voor de tegenwoordige tijd en de toekomst te ontvangen, niet direct in haar opdracht stond.
*Das Evangelium Jesu. Was war vor 2000 Jahren? (Rottweil 1986) (Het evangelie van Jezus. Wat gebeurde er 2000 jaar geleden?) Hierna ook kortweg »Evangelie van Jezus« genoemd.

    Christus sprak onder andere tot onze zuster, met woorden van de volgende strekking: 
  
Aangezien nu een andere weg moet worden gegaan, jij echter voor de geestelijke taken van jouw onmiddellijke opdracht bent bestemd, - wil Ik jou - voor zover dit op aarde mogelijk is - met dit verslag tegemoetkomen. Opdat jij jouw directe taken voor dit aardse leven kunt vervullen en omdat de tijd hiervoor kostbaar is, zal ik op het boek »Het evangelie van Jezus« voortbouwen door te verklaren, te verbeteren en te verdiepen.
    Het boek, dat door de mensen »Het evangelie van Jezus« wordt genoemd, bevat, ondanks de vertalingen en ondanks de woorden, die in deze tijd (1989) een andere betekenis hebben - diepe inzichten in het gebeuren, dat zich gedurende Mijn aardse leven als Jezus van Nazareth voltrok.
    Jij leeft in het aardse gewaad. Daarom hoeft niet met veel moeite een geheel nieuw werk te worden geschreven, omdat het je voor een langere tijd zou beletten, de taken van je directe opdracht na te komen en te vervullen. 
    Daarom bouwt Christus voort op de in het Boek »Het evangelie van Jezus« voorhandene waarheid. Hij verklaart, verbetert en verdiept deze en vervult daarmee door onze zuster datgene, wat in de opdracht van het verlosserswerk ligt: een historisch werk voor het vredesrijk van Jezus Christus te brengen, het werk »Dit is Mijn woord«.*
*Dit werk bevat zowel de originele tekst uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus), in cursief gedrukt - alsook de door Christus bij de afzonderlijke passages nieuw geopenbaarde tekst - deze is normaal gedrukt. 

    Omdat de wil van onze zuster rust in Gods wil, die zij vervult, groeide uit het boek »Het evangelie van Jezus« het werk »Dit is Mijn woord«.
    Dit werk zal pas in het vredesrijk van Jezus Christus zijn volle betekenis krijgen. 
   Of het nu of in de toekomst - tot aan de volledige ontplooiing van het vredesrijk - door mensen gelezen wordt - Christus is en blijft dezelfde: de mederegent der hemelen en wij zijn met Hem, als broeders en zusters van eeuwigheid tot eeuwigheid.
    Zolang ik door onze zuster, de profetes en verkondigster van God, onderricht, noem ik mij voor de mensheid broeder Emanuel. In de geest Gods ben ik de cherubijn van de goddelijke wijsheid, de verantwoordelijke in het verlosserswerk van Jezus Christus.
    In het vredesrijk werkt dan alleen de eeuwige wet van de liefde. Dan is er niet langer behoefte aan leringen en uitleg van de eeuwige wet.
    Ik ben en blijf Gods wetsengel, de hoeder van de goddelijke wijsheid.

    Vrede!

Ik Ben

 

    Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren niet het gefemel van de farizeeën en schriftgeleerden, die het volk naar de mond praatten, om waardering, lof en loon te krijgen. Mijn woorden als Jezus van Nazareth waren helder en niet mis te verstaan - zoals ook Mijn woorden als Christus door Mijn instrument, door Mijn profetes, de straal van de goddelijke wijsheid, stromen.

    Alleen de zondaars, degenen, die in de zonde wilden volharden, zeiden tegen Mij als Jezus van Nazareth: »Je woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« De eeuwige wet is absoluut. En wie haar hoort, ziet in, dat zij van de mens een beslissing en consequentie verlangt - vóór of tegen God. Wie echter niet wil beslissen, omdat hij zelf de room op de melk is, om haar - de melk - ook zelf af te romen, dat wil zeggen, van alles een beetje mee te krijgen, om dan voor zichzelf daaruit profijt te trekken, die spreekt van de hardheid van de eeuwige wet.
    Ik Ben de wet, de Absoluutheid. De besluiteloze is hard tegen zijn medemensen, echter boterzacht, als het om hem persoonlijk, om hemzelf, gaat. Hij wil zich alleen aan de oppervlakte bewegen - zoals de room op de melk - en de diepte, het ware, niet doorgronden, omdat de eeuwige wet consequentie van hem verlangt. 
    Wie Mijn woorden leest en zich van hen afwendt met de argumenten van de vroegere schriftgeleerden en farizeeën en hun aanhangers - »Zijn woorden zijn hard. Wie kan ze aanhoren?« -, die moet het laten, tot hij zichzelf als de huidige farizeeër en schriftgeleerde erkent, die de Christus, die Ik Ben, weer niet wil aannemen, omdat hij niet voor de waarheid wil kiezen.
    Mijn woorden zijn de al-wet, de eeuwige wet; zij verlangen een beslising vóór of tegen Mij. Wie het vatten kan, die vatte het. Wie het laten wil, die late het. Ieder draagt datgene, wat hij is - en voor datgene, wat hij is, draagt hij zelf de verantwoordelijkheid voor de al-wet, God. 
    Jij bent je waarneming, je gedachte, je woord en je handeling. Meet je daaraan!

In de naam van de Allerheiligste.
Amen

    Hier begint het evangelie van Jezus, de Christus, de nakomeling van David, - lichamelijk door Jozef en Maria - en de zoon Gods door goddelijke liefde en wijsheid naar de Geest.

 

Proloog

 

Van eeuwigheid tot eeuwigheid
is de eeuwige gedachte,
en de eeuwige gedachte is het woord,

het woord Gods is eeuwige oergewaarwording,*
is licht en kracht -
*Met de tekst, die in recht schrift is gedrukt, verklaart, verbetert en verdiept Christus de overeenkomstige passages uit het boek »Das Evangelium Jesu« (Het evangelie van Jezus)

en het woord is de daad,
en deze drie zijn één in de eeuwige wet;
en de wet is bij God,
en de wet gaat van God uit.

God is de eeuwige wet.
Hij straalt vanuit de Oercentraalzon
door alle gebieden van de oneindigheid
en door alle reine wezens,
door al het reine Zijn.

Alles is geschapen door de wet
en zonder haar is niets geschapen,
van wat voorhanden is.

In het woord is leven en substantie,
het vuur en het licht.

Het woord Gods is leven en substantie,
is vuur en licht.

De liefde en de wijsheid
zijn één tot verlossing van allen.

Uit de liefde kwam daarom de wijsheid
en woont onder de mensen,
opdat deze ontvangen,
wat God, de liefde en wijsheid,
hen te zeggen heeft -
heden (1989) in de grote tijd
van de bevrijding der geslachten
van een leven in benauwing en droefenis.

En het licht schijnt in de duisternis,
en de duisternis verbergt het niet.

Het licht is de sterkte,
de kracht en de macht.

Het woord is het ene levenschenkende vuur,
en doordat het deze wereld verlicht,
wordt het tot vuur en licht in iedere ziel,
die de wereld betreedt.
Ik Ben in de wereld *
en de wereld is in Mij;
en de wereld weet het niet.
*De wijziging van de kleingeschreven persoonlijke voornaamwoorden die betrekking hebben op Jezus, de Christus, op God (bijvoorbeeld Ik, Mijn, Mij) in het schrijven met een hoofdletter, alsook de hoofdletterspelling van "Ik Ben", gebeurde met de vriendelijke toestemming van de uitgever »DAS WORT«.

Ik Ben in de wereld,
en Ik doorstraal de wereld -
doch de wereld weet het niet.

Ik kom naar Mijn eigen huis,
en mijn vrienden nemen Mij niet op.
Doch allen, die opnemen en gehoorzamen,
is de macht gegeven,
zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen, die in de heilige naam geloven,
die niet uit de wil van vlees en bloed,
maar uit God geboren zijn.

Ik kom naar Mijn eigen huis,
naar alle zielen en mensen,
en Mijn vrienden nemen mij niet op.
Doch allen, die Mij opnemen
en Mij gehoorzamen,
is de macht gegeven,
bewust zonen en dochters van God te worden,
en evenzo degenen,
die in de heilige naam geloven
en ernaar leven,
die niet aan de wil van het vlees en
het bloed onderworpen zijn,
maar Gods wil vervullen.
Zij zijn bewust geborenen uit God.

En het woord is vlees geworden en woont onder ons
en wij zagen Zijn heerlijkheid vol van genade.
Ziet de goedheid en de waarheid
en de schoonheid van GOD!

 

HOOFDSTUK 1

De verkondiging van de geboorte van Johannes
de Doper

 

Johannes de Doper;
zijn afkomst en opdracht in het verlossingswerk (4-6). Verklaring van de stomheid van Zacharias (8)

 

    1. In de tijd van Herodes, de koning van Judea, leefde er een priester van de stam Abias, Zacharias genaamd, en zijn vrouw, van de dochters van Aaroni, heette Elisabeth.
    2. Zij waren beiden vroom voor God en leefden onberispelijk in alle geboden en wetten van de Heer. En zij hadden geen kind; want Elisabeth was onvruchtbaar en beiden waren hoogbejaard.
    3. En het gebeurde, dat hij volgens de orde van zijn dienst het priesterambt moest waarnemen. Volgens de gebruiken van het priesterambt trof hem het lot te moeten wieroken, als hij de tempel van Jehova betrad. En de gehele mensenmenigte was buiten en bad op het uur van het wierookoffer.
    4. En hem verscheen een engel des Heren en stond boven het wierookaltaar. En toen Zacharias hem zag, schrok hij, en angst beving hem. Maar de engel sprak tot hem: »Vrees niet, Zacharias; want je gebed is verhoord, en je vrouw Elisabeth zal je een zoon baren; en je zult hem de naam Johannes geven.
    5. En je zult vol blijdschap en geluk zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. Want hij zal groot zijn in de ogen van de Heer en zal geen vlees eten, noch sterke drank drinken en reeds in het moederlichaam vervuld worden van de Heilige Geest.
    6. En hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot God, hun Heer. En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elias om de harten van de vaderen te bekeren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de rechtvaardigen, om een volk voor te bereiden, opdat het gereed is voor de Heer.« (Hoofdst. 1, 1-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woorden van deze strekking hoorde Zacharias ongeveer zo in zijn hart. Want God en Zijn engelen hebben niet de taal van de mensen.
    In Johannes was niet de cherubijn van de goddelijke wil, op aarde Elia genaamd, geïncarneerd, maar de geest van Elia overstraalde Johannes.
    Het wezen, dat in Johannes was geïncarneerd, is in de geest een directe nakomeling van de cherubijn van de goddelijke wil.
    Ook Johannes had reeds de opdracht van God, de kinderen van Israël te roepen en te onderwijzen. Zij moesten zich bekeren en één volk worden, opdat zij Mij aan- en opnamen, wanneer Ik als Christus in Jezus geboren zou worden. Want met hen wilde Ik de verlossersopdracht vervullen. Ik vervulde het werk van de verlossing - echter niet met het volk Israël, maar eenzaam in God.
    Omdat de kinderen Israëls niet luisterden, werd het plan Gods vertraagd. Het gaat toch in vervulling, want God kent geen tijd. Hij roept zo lang, tot de kinderen Gods tot één volk worden en Gods wil vervullen. Dan zullen Israël en Jeruzalem daar zijn, waar mensen de wil van God doen.

   7. En Zacharias sprak tot de engel: »Waaraan zal ik dat herkennen? Want ik ben oud en mijn vrouw is bejaard.« De engel antwoordde en sprak tot hem: »Ik ben Gabriël, die voor God staat en ben gezonden, om met jou te spreken en je deze blijde boodschap te brengen.
    8. En zie, je zult stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag, waarop dit zal geschieden; dan zal je tong losgemaakt worden, opdat je mijn woorden kunt geloven, die op hun tijd vervuld zullen worden.« (Hoofdst. 1, 7-8)

Ik, Christus verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel Gabriël is de cherubijn van de goddelijke barmhartigheid. Niet de engel des Heren ontnam Zacharias de spraak, maar het schrikken voor het machtige licht van de engel en de twijfel aan dat, wat hij zag en hoorde, verlamden de stembanden van Zacharias. De wet Gods bindt niet. Zij legt zielen en mensen straffen, noch gebreken op. Dit zijn gevolgen van oorzaken, die door de mens zelf geschapen werden.

    9. En het volk wachtte op Zacharias en verwonderde zich, dat hij zo lang in de tempel bleef. En toen hij naar buiten kwam, kon hij niet met hen praten en zij zagen in, dat hij in de tempel een visioen had gehad; want hij maakte tekens en bleef stom.
    10. En het gebeurde, dat hij terugkeerde naar zijn huis, toen de tijd van zijn dienst beëindigd was. En na die dagen werd zijn vrouw Elisabeth zwanger en verborg zich vijf maanden en sprak: »Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen, toen Hij mij heeft aangezien, dat Hij mijn schande onder de mensen van mij weg zou nemen.« (Hoofdst. 1, 9-10)

HOOFDSTUK 2

De reine verwekking van Jezus Christus

 

Eerste verwijzing naar de stam van David en zijn opdracht (5).
De verlossersvonk - Vrij worden van zonde (6). De engel des Heren sprak tot Maria in de lichttaal van de hemelen (8). De oude voorstelling van een straffende God; de door Christus geopenbaarde God van liefde (17). Verbreking van het oude Verbond - Het nieuwe Verbond - Hymne op het komende vredesrijk (25)

 

    1. En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, Nazareth genaamd, naar een maagd, die verloofd was met een man met de naam Jozef, uit het huis David, en de maagd heette Maria.
    2. Nu was Jozef een rechtschapen en verstandig man en hij was vaardig in het bewerken van alle soorten hout en steen. En Maria was een meelevende en helder ziende ziel en weefde sluiers voor de tempel. En beiden waren zij rein voor God. En van hen beiden was Jezus-Maria, die de Christus wordt genoemd.
    3. En de engel trad bij haar binnen en sprak: »Wees gegroet, Maria, je hebt genade gevonden; want Gods moederschap is met jou, je bent gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.«
    4. En toen zij hem zag, was zij verward over zijn woorden en overwoog in haar geest, wat deze groet te betekenen had. En de engel sprak tot haar: »Vrees niet Maria, je hebt genade gevonden bij God. Zie, je zult zwanger worden en een zoon baren, die zal groot zijn en een zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
    5. En God, de Heer, zal Hem de troon geven van Zijn vader David en Hij zal voor altijd regeren over het huis Jakob en Zijn koninkrijk zal geen einde hebben.«
    6. Toen sprak Maria tot de engel: »Hoe kan dat geschieden, daar ik geen man beken?« ... (Hoofdst. 2, 1-6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    David is de biologische stamvader voor alle wezens van het licht, die in de opdracht van de verlossing staan. Zij zullen met Mij het vredesrijk van Jezus Christus stichten en in een lang tijdsbestek opbouwen. Daarbij wordt de verdichte materie geleidelijk verfijnd, tot zij - in de laatste fase van het vredesrijk van Jezus Christus - fijnere, lichtstoffelijke materie is. Daarom wordt gezegd: en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn stamvader op aarde, David, geven.
    De woorden: »Hoe moet dat geschieden, daar ik geen man beken?« betekenen: hoe moet dat geschieden, daar ik alleen maar verloofd ben met een man?

    ... En de engel antwoordde en sprak tot haar: »De Heilige Geest zal over Jozef, je verloofde, komen, en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen, o Maria; daarom zal ook het Heilige, dat uit jou geboren wordt, Christus, Gods zoon worden genoemd en Zijn naam op aarde zal zijn Jezus-Maria; want Hij zal de mensen van hun zonden verlossen, telkens wanneer zij berouw tonen en Zijn wet gehoorzamen. (Hoofdst. 2, 6)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    En het geschiedde. Ik heb het volbracht!
    Mijn verlosserslicht brandt in alle zielen tot aan het vierde reinigingsgebied - of zij nu op aarde zijn óf als ziel in het zielenrijk.
    Eenieder - ziel of mens - zal slechts dan bevrijding van zonde en schuld ontvangen, als hij berouw heeft en de eeuwige wetten vervult.
    De zonde van mens en ziel heeft haar uitwerking in ziel en mens. De schuld is gelijk aan de zonde. Zij bindt vaak verschillende mensen aan elkaar, die samen hetzelfde of iets soortgelijks hebben veroorzaakt, opdat zij elkaar vergeven en met elkaar in het reine brengen, wat hen samengebracht heeft.

    7. Daarom zul je ook geen vlees eten, noch sterke drank drinken; want het kind zal van de schoot van Zijn moeder af, aan God gewijd zijn en geen vlees, noch sterke drank zal Het tot zich nemen, noch zal ooit een scheermes Zijn hoofd aanraken.
    8. En zie, Elisabeth, je nicht, is in haar ouderdom ook zwanger van een zoon en is nu in de zesde maand, zij, die onvruchtbaar genoemd werd. Want bij God is niets onmogelijk.« En Maria sprak: »Zie, ik ben de maagd des Heren, mij geschiede naar jouw woord.« En de engel nam afscheid van haar. (Hoofdst. 2, 7-8)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel des Heren sprak tot Maria in de taal der hemelen, in de lichttaal, die de reine ziel binnenstroomt. Hij duidde slechts aan, wat zich in Elisabeth voltrok, sprak echter niet over de maand en de onvruchtbaarheid.

    9. En op dezelfde dag verscheen de engel Gabriël aan Jozef in een droom en sprak tot hem: »Wees gegroet, Jozef, je bent uitverkoren; want het vaderschap Gods is met jou. Gezegend ben jij onder de mannen en gezegend de vrucht van je lendenen.«
    10. En toen Jozef over de woorden nadacht, werd hij verward. En de engel des Heren sprak tot hem: »Vrees niet Jozef, zoon van David; want je hebt genade gevonden voor God en zie, je zult een kind verwekken en je zult Hem de naam Jezus-Maria geven; want Hij zal Zijn volk verlossen van zijn zonde.«
    11. Dit is echter geschied, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door de profeet heeft gezegd, die spreekt: »Zie, een maagd zal ontvangen en zwanger worden en een zoon baren en hem de naam Emmanuel* geven, wat betekent: God in ons.«
*In het werk van de Heer is geopenbaard »Immanuel« is God en »Emanuel« is Zijn dienaar. Met Emmanuel wordt Immanuel bedoeld.

    12. Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakte, deed hij, wat de engel hem bevolen had en ging naar Maria, zijn verloofde en zij ontving in haar schoot de Heer. (Hoofdst. 2, 9-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    En zo waren zij als man en vrouw voor God verbonden. Hun verbintenis werd door God gezegend.

    13. Maria echter stond op in die dagen en ging ijlings naar het bergland, naar een stad in Judea en kwam in het huis van Zacharias en groette Elisabeth.
    14. En het geschiedde, toen Elisabeth de groet van Maria vernam, dat het kind opsprong in haar schoot. En Elisabeth werd vervuld van de kracht van de Heilige Geest en sprak met heldere stem: »Gezegend ben je onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.
15. En vanwaar komt het, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen ik je stem hoorde om mij te begroeten, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. En gezegend is degene, die geloofde. Want het zal volbracht worden, wat haar is gezegd door de heilige Ene.«
    16. En Maria sprak: »Mijn ziel verheerlijkt Jou, de Eeuwige, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Heiland. Want Hij heeft de nederigheid van Zijn maagd gezien; want zie, van nu af aan zullen alle geslachten mij zalig prijzen.
    17. Want Jij, die machtig bent, hebt grote dingen aan mij gedaan en heilig is Jouw naam. En Jouw barmhartigheid is voortdurend bij hen, die Jou vrezen. (Hoofdst. 2, 13-17)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Maria doelde met de zaligheid vooral op haar innerlijk, op haar ontwaakte ziel - niet op haar menszijn. Zij is en blijft het reine, onbaatzuchtige wezen in God, Zijn dienares en die der mensen. Zalig, zo bedoelde zij, is de ziel van de mens, die Gods wil vervult.
    Het oude Verbond bevindt zich in de overgang van het geloof in verscheidene goden, - het geloof aan een godenwereld - naar het geloof aan de ware Ene, die is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarom klinkt steeds weer de straffende en tuchtigende God door, die de mens moet vrezen. Ik echter zeg jullie: de mens moet vol eerbied zijn voor God, doordat hij gewetensvol Gods geboden vervult. De ware, eeuwige Ene is liefde. Hij straft en tuchtigt niet. De straf en de tuchtiging legt de mens zichzelf op, die tegen de geboden van God handelt en dan ontvangt, wat hij gezaaid heeft - tenzij hij tijdig berouwt en in het reine brengt, wat hij veroorzaakt heeft. Ik, Christus in Jezus, openbaarde en prentte de mens de ene God en Vader van liefde in, die de waarheid en het leven is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

    18. Jij hebt geweld uitgeoefend met Je arm, Jij hebt verstrooid hen, die hoovaardig zijn in de verbeelding van hun hart.
    19. Jij hebt de machtigen van hun stoelen gestoten en de deemoedigen en zachtmoedigen verheven. Jij vervult de hongerigen met het goede en de rijken stuur Je met lege handen weg.
    20. Jij helpt Je dienaar Israël in de gedachtenis aan Jouw barmhartigheid, zoals Je gesproken hebt tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nakomelingen voor alle tijden.« En Maria bleef drie maanden bij haar; daarna keerde zij weer naar huis terug.
    21. En dit zijn de woorden die Jozef sprak: »Gezegend ben Jij, God van onze vaders en moeders in Israël; want op de juiste tijd heb Jij mij verhoord en op de dag van de verlossing heb Jij mij geholpen.
    22. Want Jij sprak: Ik wil je beschermen en met jou een bond met het volk sluiten, om het aanschijn van de aarde te vernieuwen en de troosteloze oorden te bevrijden uit de handen van de verwoesters.
    23. Dat Jij tot de gevangenen kunt zeggen: gaat heen en weest vrij en tot degenen, die in de duisternis wandelen: toon je in het licht. En zij zullen grazen op de paden van vreugde en zij zullen nooit meer jagen, noch doden de schepselen, die Ik heb geschapen, om zich voor Mij te verblijden.
    24. Zij zullen geen honger en dorst meer lijden, noch zal de hitte hen te gronde richten, noch de kou hen vernietigen. En Ik wil op al Mijn bergen een weg maken voor de wandelaars en Mijn hoogten zullen worden geprezen.
    25. Zingt, o hemelen en juich, o aarde, woestijnen, schalt van gezang! Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die onrecht hebben geleden.« (Hoofdst. 2, 18-25)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het volk Israël bleef doof. Het nam de genadegaven van de Christus Gods niet aan.
    Nu is een nieuwe tijd aangebroken; liefde en wijsheid werken in het plan van de verlossing. God, de rechtvaardige Al-Ene, verbrak (1988) het verbond met het oude Israël en sloot een nieuw verbond met hen, die in Mijn werk van de verlossing op aarde dienen. En het zal dan het Nieuwe Israël en het Nieuwe Jeruzalem op aarde zijn. Uit dit volk ontstaat, in de loop van zijn evolutie, het vredesrijk van Jezus Christus en het zal zijn, zoals het geschreven staat: »Gaat heen en weest vrij!«
    En zij, die tot nu toe in de duisternis met woorden van deze strekking hebben gewandeld, zullen de weg naar het licht gaan en getuigen van het licht. En zij zullen grazen op de paden van blijdschap en zij zullen nooit meer jagen of de schepselen doden, die de Eeuwige geschapen heeft. Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten, noch lijden, noch zal de hitte hen verdelgen of de kou hen vernietigen. Want in het rijk van de vrede zal een andere zon schijnen en de elementen zullen niet meer in tegenstelling staan tot de stromende liefde. Zingt, o hemelen en juich, o aarde - want alles zal vruchtbaar zijn met inbegrip van de woestijnen. Want Jij, o God, helpt Jouw volk en troost hen, die ten onrechte hebben geleden, met de gaven van het innerlijke leven.

HOOFDSTUK 3

De geboorte en naamgeving van Johannes de Doper

 

De ware profeten (5)

 

    1. Toen de tijd voor Elisabeth gekomen was, dat zij zou baren, baarde zij een zoon. En haar buren en verwanten hoorden, hoe de Heer grote barmhartigheid aan haar gedaan had en zij verheugden zich met haar.
    2. En het geschiedde, dat zij op de achtste dag kwamen, om het kindje te besnijden en zij noemden de knaap naar zijn vader Zacharias. Maar zijn moeder antwoordde en sprak: »Zo niet, want hij zal Johannes heten.« En zij zeiden tegen haar: »Er is toch niemand in je familie, die zo heet.«
    3. En zij wenkten zijn vader, en vroegen hoe hij hem wilde noemen. En hij vroeg om een lei en schreef en sprak tegelijk: hij heet Johannes. En zij waren allen verbaasd, omdat zijn mond zich plotseling opende en zijn tong was losgemaakt en hij sprak en prees God. (Hoofdst. 3, 1-3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het aannemen van datgene, wat Zacharias verkondigd werd door de engel en de blijdschap over het kind, dat Zacharias trouw Johannes noemde, loste in Zacharias op, wat hij veroorzaakt had.

    4. En een grote eerbied kwam over allen, die in de nabijheid waren en deze gebeurtenis werd bekend gemaakt in het gehele bergland van Judea. En allen die het hoorden, namen het ter harte en spraken: »Wat zal dat voor een kindje zijn? En de hand van Jehova was met hem.«
    5. En zijn vader Zacharias werd vervuld van de Heilige Geest, voorspelde en sprak: »Geprezen ben Jij, o God van Israël; want Jij hebt Je volk aangenomen en verlost. En hebt voor ons een hoorn van heil opgericht in het huis van Je dienaar David. Zoals Je door de mond van Jouw heilige profeten hebt gesproken, die er geweest zijn, sinds de wereld begon. (Hoofdst. 3, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Woorden hebben vaak velerlei betekenissen. Het komt erop aan, welk gevoel de mens in het woord legt. Zo waren ook met de woorden »Jouw heilige profeten«, niet alleen de in de boeken van het zogenaamde Oude Testament genoemde profeten bedoeld.
    Slechts Eén is er heilig: God, de Eeuwige.
    Zalig waren en zijn de door God gezonden profeten, die Zijn wil vervulden en vanuit het eigen vervulde leven Gods woord schonken en de mensen vermaanden, dit aan te nemen en te verwezenlijken. Dat zijn de ware profeten.

    6. Dat wij gered zouden worden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten. Dat Jij de barmhartigheid toont, die Je onze vaders hebt beloofd en Je herinnert aan Je heilige verbond,
    7. aan de eed, die Je onze vader Abraham hebt gezworen, dat Je ons toestaat, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Jou kunnen dienen zonder angst, in heiligheid en gerechtigheid, alle dagen van ons leven.
    8. En dit kind zal de profeet van de Allerhoogste heten; want het zal voor Jouw aangezicht, o God, uitgaan, om Jouw wegen te bereiden en Jouw volk het inzicht van het heil te brengen door de vergeving van hun zonden.
    9. Door de liefdevolle barmhartigheid van onze God, waardoor ons de zonsopgang uit de hoogte heeft bezocht, opdat Hij licht geve aan hen, die daar zitten in de duisternis en in de schaduw van de dood en onze voeten leide op de weg naar de vrede.«
    10. En het kindje groeide op en werd sterk in de geest en zijn zending bleef verborgen, tot aan de dag van zijn optreden voor het volk Israël. (Hoofdst. 3, 6-10)

HOOFDSTUK 4

De geboorte van Jezus Christus

 

Het volk Israël heeft gefaald -
Christus’ heerschappij in het vredesrijk wordt voorbereid met de geïncarneerde zonen en dochters van God uit de stam van David (5). De »verschijningen van de engelen« aan de herders vonden innerlijk plaats (6-9). Erkenning van aardse wetten, voor zover deze niet in tegenstelling zijn met de goddelijke wetten (12)

 

    1. De geboorte van Jezus, de Christus, geschiedde op deze wijze: het gebeurde in die tijd, dat een bevel van keizer Augustus uitging, dat het hele volk geteld zou worden. En iedereen in Syrië ging naar zijn geboorteplaats, om zich te laten tellen, het was midden in de winter.
    2. En ook Jozef met Maria gingen weg uit Galilea, uit de stad Nazareth, naar het land Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij van het huis en het geslacht David was, opdat hij geteld werd met Maria, zijn gehuwde vrouw, die zwanger was van het kind.
    3. Toen zij daar waren, kwam de tijd, dat zij zou baren. En zij baarde haar eerste zoon in een grot in een rots en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, die in de grot was, want zij hadden anders geen plaats daarvoor in de herberg. En zie, de grot werd vervuld van licht en straalde als de zon in al haar pracht.
    4. En in de grot waren een os, een paard, een ezel en een schaap en naast de kribbe lag een kat met haar jongen; en er waren ook duiven en ieder dier had zijn metgezel, een mannetje of vrouwtje.
    5. Zulks geschiedde, dat Hij geboren zou worden temidden van dieren. Want Hij kwam, om ook hen van hun lijden te bevrijden. Hij was gekomen, om de mensen vrij te maken van hun onwetendheid en zelfzucht en hen te openbaren, dat zij zonen en dochters van God zijn. (Hoofdst. 4, 1-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik heb als Jezus het rijk Gods geopenbaard en heb Zijn wetten geleerd en geleefd. Met de zonen en dochters van Israël uit de stam David en met alle zonen en dochters van God, die de wil van de Eeuwige vervullen, wilde Ik in Israël het rijk Gods stichten en opbouwen - en na Mijn terugkeer in de heerlijkheid van Mijn Vader wederkomen in de geest en het met het volk Israël verder uitbouwen en het vredesrijk, dat in de fijne materie zijn hoogtepunt bereikt, regeren. Maar de zonen en dochters van God en van Israël waren verblind door de zonde.
    Na Mijn verlossersdaad riep God, de Eeuwige, in alle daaropvolgende eeuwen steeds weer de zonen en dochters uit het geslacht David en uit andere geslachten, die Zijn wil vervullen, opdat zij inzien, wat hun opdracht is.
    Nu (1989) is er een nieuwe tijd aangebroken: de tijd van de wending van de oude naar de nieuwe wereld, de wereld van Christus. Ik bereid Mijn geestelijke komst voor - weer door de zonen en dochters uit de stam David en de andere zonen en dochters van de Eeuwige uit andere geslachten, die Gods wil vervullen. Door de geïncarneerde goddelijke wijsheid onderwijs Ik hen en allen, die Mij navolgen, opdat zij bewuste zonen en dochters van God worden, die Gods wil vervullen.
    Dan voltrekt zich wat geopenbaard is: Ik kom in de Geest. Dan zullen alle mensen in vrede leven en ook de dieren zullen van hun knechtschap en hun lijden bevrijd zijn door Mij, de Christus Gods. Want wie zijn leven in het zoon- en dochterschap van God plaatst, zal niet doden - noch mensen, noch dieren.

    6. En er waren herders in diezelfde streek op het veld, die ’s nachts hun kudden hoedden. En zie, de engel Gods verscheen hen en de glans van de Allerhoogste omstraalde hen en zij waren zeer bevreesd.
    7. En de engel sprak tot hen: »Vreest niet, zie, ik verkondig jullie een grote blijdschap, die heel het volk zal wedervaren; want vandaag is in de stad van David de Verlosser geboren, die de Christus is, de heilige Ene Gods. En dit zal het teken voor jullie zijn: jullie zullen het kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.«
    8. En plotseling was bij de engel een menigte van hemelse heerscharen, die God loofden en spraken: »Ere aan God in de hoge en vrede op aarde aan allen, die van goede wil zijn.«
    9. En toen de engelen weer ten hemel gingen, spraken de herders onder elkaar: »Laat ons nu naar Bethlehem gaan en kijken, wat daar is gebeurd, wat onze God ons heeft verkondigd.« (Hoofdst. 4, 6-9)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De engel sprak tot de herders. Zij zagen hem echter niet met de menselijke ogen en hoorden hem niet met de menselijke oren.
    Zij zagen en hoorden ook niet met menselijke ogen en oren de heerscharen, die God loofden en prezen. Enkele herders schouwden in hun innerlijk het licht en weer anderen hoorden in hun hart de lofprijs Gods. Want wat niet in het lichaam is, heeft niet de menselijke woorden en niet de klank van het woord. Het woord Gods en dat van de wezens van God wordt in het innerlijk van de mens vernomen.
    De engel des Heren stond niet als een mens voor hen. Zij stonden aan het vuur en verwarmden zich. Zij zagen hoe de vuurzuil omhoogkringelde. En in het vuur meenden zij de gestalte te zien van een engel, die enkelen van hen in hun hart vernamen. De herders waren het oneens over datgene, wat zij zagen en hoorden. Degenen echter, die de zin van de boodschap in hun hart ontvingen, gingen op weg naar Bethlehem.
    Zoals toen verkondigen ook nu de engelen Gods: bereidt de Heer de wegen! Christus, de Verlosser, komt in de Geest - en Hij zal de herder van een kudde zijn, die het volk Gods op aarde is. Hij zal het in Zijn rijk op aarde regeren, en zij zullen met Hem zijn in de geest, omdat zij de wetten van God in acht nemen.

    10. En zij kwamen ijlings en vonden Maria en Jozef in de grot en het kind, liggend in de kribbe. En toen zij dit gezien hadden, verspreidden zij de woorden, die hen over dit kind gezegd waren.
    11. En allen, die hen hoorden, verwonderden zich over dat, wat de herders hen hadden gezegd. Maria echter onthield dit alles en bewaarde het in haar hart. En de herders gingen weer terug en prezen en loofden God voor alles, wat zij hadden gehoord en gezien.
    12. En toen er acht dagen voorbij waren en het kind besneden werd, werd Hem zijn naam gegeven: Jezus-Maria; die genoemd was door de engel, voordat het kind in de moederschoot werd ontvangen. En toen de dagen van haar reiniging naar de wet van Mozes voorbij waren, brachten zij het kind naar Jeruzalem, om het aan God aan te bieden. (Zoals staat geschreven in de wet van Mozes: al het mannelijke, dat de moederschoot opent, moet voor de Heer geheiligd worden). (Hoofdst. 4, 10-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter,
en verdiep het woord:

    De besnijdenis is de wet van de Joden. Aangezien deze aardse wet niet in strijd is met de eeuwige wet, wordt zij door God - uitsluitend voor de mens - getolereerd. Wanneer een wezen uit God door zijn incarnatie mens wordt, dan is deze mens onderhevig aan de natuurwetten en dient hij de wetten van de wereld in acht te nemen, voor zover deze niet in strijd zijn met de goddelijke wetten.

    13. En zie, een mens met de naam Simeon was in Jeruzalem, en hij was rechtvaardig en godvruchtig en wachtte op de troost van Israël en de Heilige Geest kwam over hem. En hem was beloofd, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Christus Gods aanschouwd had.
    14. En hij kwam door ingeving van de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten, om het voorschrift van de wet te vervullen, verscheen het kind hem, als ware het een lichtzuil. Toen nam hij het op zijn arm, prees God en sprak:
    15. »Nu laat Jij Je dienaar gaan in vrede, zoals Je gezegd hebt. Want mijn ogen hebben Je Heiland gezien, die Jij bereid hebt, om in het aangezicht van alle volkeren een licht te zijn, om de heidenen te verlichten en tot roem van Jouw volk Israël.« En zijn ouders verwonderden zich over alles, wat over Hem gezegd werd.
    16. En Simeon zegende hen en sprak tot Maria, Zijn moeder: »Zie, dit kind werd bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat tegengesproken wordt (en waarlijk, een zwaard zal ook jouw ziel doordringen), opdat van vele harten de gedachten openbaar worden.«
    17. En daar was Anna, een profetes, de dochter van Fanuel, van de stam Aser, en zij was hoogbejaard en verliet de tempel nooit, maar diende God met vasten en bidden, dag en nacht.
    18. Ook zij kwam bij hen in dit uur en prees de Heer en sprak over Hem tot allen, die daar in Jeruzalem wachtten op de verlossing. En toen zij alles hadden beëindigd naar de wet van de Heer, keerden zij weer naar Galilea terug, naar hun woonplaats Nazareth. (Hoofdst. 4, 13-18).

HOOFDSTUK 5

De aanbidding van de wijzen en Herodes

 

De betekenis van de zes stralen van de ster van Bethlehem (5). Verkondigingen van God en Zijn engelen zijn aanwijzingen, echter geen directe uitspraken over mogelijke gebeurtenissen - Indirecte leiding (13)

 

    1. Toen Jezus te Bethlehem in het land Judea geboren was, in de tijd van koning Herodes, zie, daar kwamen enkele wijze mannen uit het Oosten naar Jeruzalem. Zij hadden zich gereinigd en geen vlees, noch sterke drank tot zich genomen, opdat zij de Christus zouden kunnen vinden, die zij zochten. En zij spraken: »Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij in het Oosten hebben Zijn ster gezien en zijn gekomen, om Hem te aanbidden.«
    2. Toen koning Herodes dit hoorde, schrok hij en met hem heel Jeruzalem. En hij liet alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen roepen en verlangde van hen te horen, waar de Christus geboren zou worden.
    3. En zij zeiden hem: »Te Bethlehem in het land Judea, want zo staat het geschreven bij de profeet: en jij, Bethlehem in het land Juda, bent niet de geringste onder de vorsten van Judea, want uit jou zal de heerser komen, die Mijn volk Israël zal regeren.«
    4. Toen riep Herodes de wijzen in het geheim bij zich en ondervroeg hen precies, wanneer de ster was verschenen. En hij zond hen naar Bethlehem en sprak: »Gaat heen en zoekt zorgvuldig naar het kindje en als jullie Het gevonden hebben, laat het mij dan weten, zodat ook ik kan komen en Het aanbidden.«
    5. En toen zij de koning hadden gehoord, gingen zij heen; en zie, de ster, die de wijzen uit het Oosten zagen en de engel van de ster gingen hen voor, tot hij kwam en boven de plaats stond, waar het kindje was. En de ster schitterde met zes stralen. (Hoofdst. 5, 1-5)

 

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Wat betekent het symbool van de zes stralen? Gods zoon brengt de wet Gods, de zeven basisstralen van de hemelen, op deze aarde. Zes stralen stralen in de geest op Hem neer - de zevende straal, de barmhartigheid, woont onder de mensen: de zoon van de Allerhoogste in het aardse gewaad, de Christus Gods in Jezus. Ook Maria droeg een deelstraal van de straal der barmhartigheid in zich, want zij is in de geest van de Heer met de cherubijn van de goddelijke barmhartigheid verbonden.

    6. Zij gingen hun weegs met hun kamelen en ezels, die beladen waren met hun gaven. En zij keken op zoek naar het kind zo aandachtig naar de ster aan de hemel, dat zij hun vermoeide dieren, die de last en de hitte van de dag droegen en dorstig en uitgeput waren, voor een poosje vergaten. En de ster verdween uit hun ogen.
    7. Vergeefs stonden zij daar en staarden en keken elkaar ontsteld aan. Toen herinnerden zij zich hun kamelen en ezels en haastten zich, hun lasten af te laden, zodat zij konden rusten.
    8. Nu was daar in de buurt van Bethlehem een bron langs de weg. En toen zij zich voorover bogen, om water op te halen voor hun dieren, zie, daar weerspiegelde de ster, die zij hadden verloren zich op de stille watervlakte.
    9. En toen zij dit zagen, werden zij vervuld van grote blijdschap.
    10. En zij prezen God, die hen barmhartigheid toonde, op het moment, dat zij zich over hun dorstige dieren hadden ontfermd.
    11. En toen zij het huis waren binnengegaan, vonden zij het kindje met Maria, Zijn moeder en zij vielen neer en aanbaden het. Zij openden hun schatten en legden hun gaven voor Hem neer: goud, wierook en mirre.
    12. En omdat zij door God in een droom gewaarschuwd waren, niet terug te gaan naar Herodes, gingen zij langs een andere weg terug naar hun vaderland. En naar hun gebruik ontstaken zij een vuur en aanbaden God in de vlam.
    13. Toen zij echter vertrokken waren, zie, daar verscheen de engel des Heren aan Jozef in een droom en sprak: »Sta op en neem het kindje met zijn moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar, tot ik je meer zeg; want Herodes tracht Het te doden.« (Hoofdst. 5, 6-13)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Er staat geschreven: »...want Herodes tracht Het te doden.« De woorden van de engel en de inspiratie uit de geest luidden inhoudelijk: »Vlucht nu met het kindje en Zijn moeder naar Egypte en blijf daar tot nader order.« De tijding, dat Herodes het kindje wilde doden, kwam uit andere bronnen tot Jozef en werd met de uitspraak van de engel verbonden.
    Aangezien de mensen van de Nieuwe Tijd - door verwezenlijking en vervulling van de eeuwige wetten - de vrijheid in de wet van het leven kennen, zullen zij twijfelen aan deze of vergelijkbare uitspraken: »Herodes tracht Het te doden«. Want zij weten: zulke of gelijksoortige directe uitspraken doen God en Zijn engelen niet. Daardoor zouden zij bevestigen, wat nog in de lucht hangt.
    Daarom verklaar, verbeter en verdiep Ik, Christus, deze en andere uitspraken, zodat dit boek voor velen een werk van inzicht is.
    God laat de mensen via andere bronnen, dus indirect, boodschappen overbrengen - dan, als het voornemen van een mens door hem reeds uitgesproken werd en door tweeden of derden, die het hebben gehoord, doorgegeven kan worden. Als het van betekenis is, zal het de betrokken persoon dan indirect bereiken. Op deze wijze leidt God - volgens de wet van oorzaak en gevolg - indirect.

    14. Hij stond op en nam ‘s nachts het kindje en Zijn moeder en vluchtte naar Egypte en bleef daar ongeveer zeven jaren, tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden, wat de Heer door de profeten gezegd heeft, waar Hij spreekt: »Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.«
    15. En ook Elisabeth nam, toen zij dit hoorde, haar zoontje en ging met hem het gebergte in en verborg hem daar. En Herodes zond zijn mannen naar Zacharias in de tempel en liet hem vragen: »Waar is je kind?« En hij antwoordde: »Ik ben een dienaar Gods en ben altijd in de tempel. Ik weet niet waar het is.«
    16. En hij zond hen nogmaals tot hem en liet hem vragen: »Zeg mij eerlijk, waar is je zoon, weet je dan niet, dat je leven in mijn hand ligt?« Zacharias antwoordde en sprak: »God is getuige, als je mijn bloed vergiet, zal God mijn ziel opnemen, want je vergiet het bloed van een onschuldige.«
    17. En zij sloegen Zacharias in de tempel dood, tussen het Allerheiligste en het altaar; het volk kreeg het te horen door een stem, die riep: »Zacharias werd gedood en zijn bloed mag niet eerder afgewassen worden, voordat de wreker gekomen is.« En na enige tijd wierpen de priesters het lot en het lot viel op Simeon, die zijn plaats innam.
    18. Toen nu Herodes zag, dat hij door de wijzen was misleid, werd hij uiterst vertoornd en zond zijn mensen uit en liet alle kinderen te Bethlehem en in de omgeving doden, die twee jaar of jonger waren, overeenkomstig de tijd, die hij van de wijzen had vernomen.
    19. Zo werd vervuld, wat door de profeet Jeremia is gezegd: »In Rama hoort men een stem, wenen, klagen en groot verdriet. Rachel weent om haar kinderen en wil zich niet laten troosten; want zij zijn niet meer.«
    20. Doch toen Herodes was gestorven, zie, daar verscheen de engel des Heren aan Jozef in een droom in Egypte en sprak: »Sta op en neem het kind en Zijn moeder en keer terug naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.«
    21. En hij stond op, nam het kind en Zijn moeder en kwam terug in het land Israël. En zij woonden in een stad, genaamd Nazareth. En Hij werd de Nazarener genoemd. (Hoofdst. 5, 14-21)

HOOFDSTUK 6

Kindschap en jeugd van Jezus

 

De tempel van het innerlijk (4).
Bruidegom Christus en bruid (5). Huwelijk als verbond van trouw voor God - Ervaring van het vrouwelijke voor Jezus van Nazareth - Lijden en kruisdood waren niet nodig geweest (10). Juist begrip van de tekst - Wijsheid der Egyptenaren (11). Kort bericht over het leven van Jezus voor het begin van Zijn leraarschap (12). Jezus leefde en schonk uit de almacht en liefde van God en vervulde het gebod »bid en werk« (14). Het laatste verbond, gesloten met de Oergemeente Nieuw Jeruzalem - De duisternis heeft verloren - Het reinigingsproces van de aarde (17)

 

    1. Nu gingen Zijn ouders, Jozef en Maria, ieder jaar naar Jeruzalem voor het Paschafeest; zij vierden het feest naar het gebruik van hun broeders, die bloedvergieten, het eten van vlees en het drinken van sterke drank nalieten. Toen Jezus twaalf jaar oud was, ging Hij met hen naar Jeruzalem, zoals het voor het feest gebruikelijk was. (Hoofdst. 6, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Hiermee is duidelijk, dat God, de Heer, niet ingrijpt in de wetten van de mensen, voor zover het gebruiken zijn, die niet indruisen tegen de hemelse wet. Ook de mens Jezus hield zich aan het gebruik en de Heer begeleidde Hem met Zijn Geest.

    2. En toen de dagen ten einde waren en zij terugkeerden, bleef het kind Jezus in Jeruzalem achter en Zijn ouders wisten het niet. Zij dachten, dat Hij bij het gezelschap was en gingen een dagreis ver. Toen zochten zij Hem onder vrienden en bekenden. En omdat zij Hem niet vonden, gingen zij terug naar Jeruzalem en zochten Hem daar.
    3. Het geschiedde, dat zij Hem na drie dagen in de tempel vonden, temidden van de geleerden. Hij zat, luisterde naar hen en stelde hen vragen. En allen, die Hem hoorden verwonderden zich over Zijn begrip en Zijn antwoorden.
    4. Toen Zijn ouders Hem zagen, waren zij ontsteld. En Zijn moeder sprak tot Hem: »Mijn zoon, waarom heb Je ons dit aangedaan? Zie, Je vader en ik hebben Je vol zorg gezocht.« En Hij sprak tot hen: »Waarom hebben jullie Mij gezocht? Weten jullie niet, dat Ik in het huis van Mijn Vader moet zijn?« ... (Hoofdst. 6, 2-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met de woorden »...dat Ik in het huis van Mijn Vader moet zijn« bedoelde de knaap niet het huis, de tempel van steen, maar het huis van vlees en bloed - de mens, waarin de Geest Gods woont, die door de knaap Jezus sprak. Jezus bedoelde: Ik moet in Mijzelf rusten, in de tempel van het innerlijk, om aan de mensen te geven - en degenen te antwoorden, die Mij daarom hebben gevraagd.
    Ieder mens is een tempel Gods. Wie deze tempel rein houdt, die voelt, denkt, spreekt en handelt ook zuiver en leeft daardoor in het bewustzijn van God. Jezus onderwees uit deze »tempel van het innerlijk« in de tempel van Jeruzalem degenen, die Hem in de tempel van steen wilden horen.

    ... En zij begrepen de woorden niet, die Hij tot hen sprak. Maar Zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.

    5. En een profeet, die Hem zag, zei tot Hem: »Zie, de liefde en de wijsheid van God zijn in Jou verenigd, daarom zul Jij in het komende tijdperk Jezus genoemd worden, want door de Christus zal God de mensheid verlossen, die in deze tijd waarlijk is als de bittere zee; maar deze bitterheid zal veranderd worden in liefelijkheid, maar aan dit geslacht zal de bruid nog niet verschijnen en ook niet in het tijdperk, dat komen zal.« (Hoofdst. 6, 4-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De profeet heeft uit de Geest geprofeteerd. Intussen zijn enkele tijdperken voorbij gegaan. Maar Ik, de bruidegom, - de Geest van Christus, die Ik Ben - heb Mij nu op weg begeven, om de mensen, die in Mij geloven en de wil van de Vader vervullen, te roepen, om hen in het land van de vrede te leiden. Zoals een getooide bruid, gesierd met het sieraad en de deugd van innerlijk leven, komen veel zielen en mensen Mij tegemoet - en het worden er steeds meer, die zich van bitterheid in liefelijkheid veranderen en die zullen zitten aan Mijn rechterzijde.

    6. En Hij daalde met hen af en kwam naar Nazareth en was hen gehoorzaam. En Hij maakte wielen en jukken en ook tafels met grote vaardigheid. En Jezus nam toe in grootte en ook in genade bij God en de mensen.
    7. En op een dag kwam de knaap Jezus op een plaats, waar een val opgezet was voor vogels en er stonden enkele jongens bij. En Jezus sprak tot hen: »Wie heeft deze strik hier gezet voor de onschuldige schepsels van God? Zie, zij zullen op dezelfde manier in een strik worden gevangen.« En Hij zag twaalf mussen, die zo goed als dood waren.
    8. En Hij bewoog zijn handen boven hen en sprak tot hen: »Vliegt weg en zolang jullie leven, denkt aan Mij.« En zij verhieven zich en vlogen weg met gekrijs. De joden, die dit zagen, waren zeer verbaasd en vertelden het aan de priesters.
    9. En het kind deed nog meer wonderen en men zag, hoe bloemen onder Zijn voeten ontsproten, daar, waar tot dan onvruchtbare bodem was geweest. En Zijn metgezellen kregen eerbied voor Hem.
    10. Toen Jezus achttien jaar oud was, werd Hij uitgehuwelijkt aan Mirjam, een maagd uit de stam Juda en Hij leefde zeven jaar met haar; en zij stierf; want God nam haar tot Zich, opdat Hij verder zou kunnen voortschrijden naar de hogere opdrachten, die Hij te volbrengen had en te lijden voor alle zonen en dochters van de mensen. (Hoofdst. 6, 6-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ik was nooit gehuwd. In deze generatie (1989) heeft het woord »gehuwd« een andere betekenis. Voor de mensen van deze tijd betekent het een huwelijk voor de burgerlijke stand en eventueel een ceremonie in een aardse kerk voor en met een priester.
    Ook het woord »huwelijk« heeft in de geest een andere betekenis dan »echtverbintenis«. Huwen in de Geest Gods betekent: twee mensen sluiten de bond met God en streven ernaar, in God één te worden. Met elkaar trouwen is een besluit volgens de wetten van deze wereld. Huwen daarentegen is een bond van trouw met de naaste voor God, waarin twee mensen besluiten, de goddelijke wetten te verwezenlijken en met elkaar een rein, van God vervuld leven te leiden.
    In dit boek heeft het woord »gehuwd« de betekenis: verbonden door Gods liefde.
    Jezus was in de geest met alle mensen en wezens, met al het Zijn verbonden - zoals Ik het als Christus Ben.
    Als Jezus, dat wil zeggen, als de mensenzoon, moest Ik ook deze verbinding met het vrouwelijke geslacht ervaren, om het te begrijpen en te kunnen helpen.
    Als Jezus van Nazareth had Ik een diepe, reine verbinding met deze vrouw, (Mirjam uit de stam Juda) die Mijn wezen zeer nabij was. De wet luidt: het gelijke trekt het gelijke aan. Deze vrouw had enige gelijktrillende wezensaspecten als Mijn ziel. Hierdoor stonden wij in diepe communicatie met elkaar. Ik ervaarde Mij in haar en zij zich in Mij. Daarnaast beleefde Ik de gevoelswereld van het vrouwelijke principe in het aardse lichaam en begreep daardoor ook de vele vrouwen, die in de jaren van Mijn leraarschap bij Mij waren.
    Kort vóór Mijn jaren als leraar was de aardse tijd voor deze vrouw verstreken. God, onze eeuwige Vader, haalde haar, zoals later veel mannen en vrouwen onder Mijn volgelingen, tot Zich terug. Want in deze wereld is het komen en gaan van de ziel een wetmatigheid, die niet onderworpen is aan willekeur, maar aan het verloop van de wet van zaad en oogst, of de lichtwet van God.
    Mijn opdracht als Jezus van Nazareth, de Christus Gods, was, de verlossersvonk in de zielen der mensen te plaatsen. Mijn lijden en de fysieke dood waren het teken voor de onbuigzaamheid der mensen. Hadden de zonen en dochters van God uit het geslacht David zich door Johannes en door Mij laten roepen en waren zij de Christus in Jezus trouw gevolgd, dan waren er meer zonen en dochters van God uit andere geslachten bijgekomen, om Mij trouw na te volgen. Daaruit zou een volk zijn ontstaan, dat bewust het volk David voor het vredesrijk van Jezus Christus had kunnen zijn. Omdat het geslacht David, dat in opdracht van het verlosserswerk staat, in zonde verbleef, omhulde Ik Mij met een deel van zijn schuld, alsmede gedeelten van de schuld van enkelen uit andere geslachten. Daardoor kon Ik gevangen worden genomen. En zo begon het lijden.
    Was het geslacht David niet in de zonde gebleven, dan had Ik wél de verlossersvonk aan alle zielen en mensen gebracht; het lijden en de fysieke dood aan het kruis had Ik dan echter niet hoeven te ondergaan. Zo leed Ik voor de zonen en dochters van de mensen, omdat zij niet bewust zonen en dochters van God werden, door Gods wil te vervullen.
    Had het geslacht David aan Mijn kant gestaan, dan had het hele gebeuren een ander verloop gehad. En had het gehele Joodse volk - met inbegrip van zijn schriftgeleerden en farizeeën - de zoon Gods aan- en opgenomen, door de wet Gods te vervullen, dan was de deelkracht in de oerkracht gebleven. Want wie de eeuwige wet vervult, heeft geen steun nodig.

    11. En toen Jezus de studie van de wet had afgesloten, ging Hij opnieuw naar Egypte, opdat Hij de wijsheid van de Egyptenaren zou leren, zoals Mozes het had gedaan. ... (Hoofdst. 6, 11)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Omdat veel teksten in dit boek niet naar hun betekenis worden begrepen, maar naar het woord, moet steeds weer het een en ander verklaard en verbeterd worden.
    Ik heb reeds geopenbaard, dat veel woorden bij het ontstaan van dit boek een andere betekenis hadden dan nu (1989). Ook had de mens, die toen het woord ontving en neerschreef, een bepaalde woordenschat; alleen deze kon worden gebruikt. Ook de vertalers hadden weer hun eigen woordenschat voor de vertaling. Daarom dient alles, wat uit het Goddelijke in woorden wordt gegeven, naar de zin te worden begrepen. Waar het beslist verklaard, verbeterd of verdiept moet worden, zal Ik steeds weer door Mijn instrument van deze tijd (1989) werken en het verklaren, verbeteren of verdiepen.
    Ook in deze tekst verbeter Ik de woorden: »...ging weer naar Egypte, opdat Hij de wijsheid der Egyptenaren zou leren, zoals Mozes had gedaan.« Naar de zin moet het zijn: Hij ontmoette steeds weer Egyptenaren, om met hen over de wijsheid van God te spreken. Ik ging echter niet naar Egypte, om de wijsheid Gods van de Egyptenaren te leren. Als kind was Ik met Mijn pleegouders in Egypte, maar ook toen was dit niet, om de goddelijke wijsheid te leren.
    In de woestijn ontmoette Ik bovendien steeds mannen en vrouwen, om te bidden en met hen over de eeuwige waarheid te spreken. Onder hen waren steeds weer Egyptenaren. Reeds als knaap Jezus was de wijsheid Gods in Mij openbaar; zij sprak ook door Mij. Daarom sprak Ik als knaap Jezus al uit de wijsheid Gods tot de zogenaamde geleerden in de tempel. De wijsheid Gods was dus in Mij werkzaam. Waartoe deze dan nog leren!

    ... En Hij ging de woestijn in, mediteerde, vastte en bad en Hij ontving de volmacht van de heilige naam, waardoor Hij veel wonderen verrichtte.

    12. En gedurende zeven jaren sprak Hij met God van aangezicht tot aangezicht en Hij leerde de taal van de vogels en de dieren en de geneeskracht van bomen, kruiden en bloemen en de verborgen krachten van edelstenen en leerde ook de bewegingen van zon, maan en sterren en de macht der schrifttekens, de mysteriën van de hoekmaat en de cirkel en de verandering van dingen en vormen, van de getallen en tekens. Vandaar keerde Hij terug naar Nazareth, om Zijn ouders te bezoeken en Hij onderwees daar en in Jeruzalem als een gewaardeerde rabbi, zelfs in de tempel en niemand hinderde Hem. (Hoofdst. 6, 11-12)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Alles wat God heeft geschapen en in stand houdt, is in de ziel van de mens. Wie in God leeft, ontvangt van God en wordt - ook als mens - onderwezen door God. Als Jezus van Nazareth leefde Ik in God en ontving van God, Mijn Vader, met wie Ik in voortdurende communicatie stond.
    Uit het innerlijk van Jezus stroomde de goddelijke wijsheid en Hij sprak met de dieren in het water, in de lucht en in en op de aarde. En Jezus, waarin Ik leefde, ervaarde in Zichzelf het leven van de planten en de stenen.
    Vanuit het innerlijk beleefde Ik als Jezus de beweging van de hemellichamen, waarover Ik zeer veel met de Egyptenaren sprak, onder wie ware wijzen waren.
    Omdat Ik als Jezus in de tempel onderwees, noemden veel mensen Mij rabbi. Doch Ik was profeet en Gods zoon - in het aardse lichaam de mensenzoon, die de wetten van God onderwees en leefde en Zich wegschonk, opdat de verlossing in de zielen der mensen en in de zielen, die in de valgebieden leefden, plaats kon vinden.

    13. Na enige tijd ging Hij naar Assyrië en India en naar Perzië en naar het land van de Chaldeeën. En Hij bezocht hun tempels en sprak met hun priesters en hun wijzen, vele jaren lang en Hij deed veel wonderbaarlijke dingen en genas de zieken, terwijl Hij door de landen trok.
    14. En de dieren van het veld voelden eerbied voor Hem en de vogels waren niet bevreesd voor Hem; want Hij liet hen niet schrikken, ja, zelfs de wilde dieren in de woestijn voelden de macht van God in Hem en dienden Hem vrijwillig en droegen Hem van de ene plaats naar de andere. (Hoofdst. 6, 13-14)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Als Jezus ontmoette Ik veel mensen van verschillende standen en talen en sprak met Assyriërs, Indiërs, Perzen, Chaldeeën, Israëlieten en met andere mannen en vrouwen uit de verschillende stammen. Maar Ik ging niet naar hun land of naar andere landen, om Gods wijsheid te leren. Ik kwam in veel landen en aan veel landsgrenzen. Vaak was de taal een hindernis, maar als wij over de wetten van de liefde spraken, wist iedereen, wat de ander wilde zeggen. De taal van het hart kent geen grenzen - ook nu niet, in de tijd dicht bij het jaar tweeduizend.
    Uit liefde tot de mensen brak ook de geneeskracht door - om mensen te helpen en om getuigenis te geven van dat, wat in Mij, Jezus, woonde: de almacht Gods.
    De thans (1989) nog bestaande techniek maakt het mogelijk, Mijn woord sneller te vertalen en over te brengen, zodat de harten van de mensen ontwaken en zij de taal van de liefde leren; zij wordt door alle hartedenkers begrepen.
    Veel mensen zijn van mening, dat Ik vele jaren onderweg ben geweest, om wijsheid te verzamelen en werken van liefde te doen. Als Jezus van Nazareth was Ik wel veel onderweg, om te onderwijzen en werken van liefde en barmhartigheid te doen. Ik verzuimde echter niet, het gebod »bid en werk« te vervullen.
    Zoals Jozef en Mijn lijfelijke broers verwezenlijkte Ik als timmerman, wat God de mens heeft geboden: »bid en werk«.
    De zin van de uitspraak »en droegen Hem van de ene plaats naar de andere« wil zeggen: veel dieren gingen een groot stuk van de weg met Mij mee, sommige van plaats tot plaats. Wie God liefheeft, heeft ook de natuurrijken lief. En de natuurrijken dienen hem, die God liefheeft. Want al het Zijn is leven uit God - en wie God liefheeft, die wordt door al het Zijn gediend.

    15. Want de geest van goddelijke menselijkheid vervulde Hem en vervulde zo alle dingen om Hem heen en maakte alles onderdanig aan Hem; en zo vervulden zich de woorden van de profeet: »De leeuw zal bij het kalf liggen en het luipaard bij het geitje en de wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de duif. En een kind zal hen leiden.
    16. En niemand zal verwonden of doden op Mijn heilige berg; want de aarde zal vervuld worden van het inzicht van de Heilige, zoals de wateren de zeebodem bedekken. En in deze dagen wil Ik nogmaals een verbond sluiten met de dieren der aarde en met de vogels in de lucht, met de vissen van de zee en met alle schepselen der aarde. En Ik wil de boog breken en ook het zwaard en alle oorlogswerktuigen wil Ik verbannen van de aarde en zij moeten veilig opgeborgen worden, opdat allen zonder angst leven.
    17. En Ik wil Mij voor altijd door een gelofte aan jou wijden in rechtschapenheid en vrede en in de goedheid des harten en je zult je God erkennen en de aarde zal koren en wijn en olie voortbrengen en Ik wil tot degenen zeggen, die niet Mijn volk zijn: jij bent Mijn volk en zij zullen tot Mij spreken: Jij bent onze God.« (Hoofdst. 6, 15-17)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Dit is gebeurd!
    Omdat de Israëlieten Mij, Christus, niet als hun Verlosser aan- en opgenomen hebben, verzamelen de Eeuwige en Ik, Christus, de zonen en dochters van God op een ander continent. Daar is nu »Israël« en daar is ook het nieuwe »Jeruzalem«* Want God bindt Zich niet aan een plaats en aan beloften van mensen, die hun belofte niet houden, die niet vervullen, wat Hij hen geboden heeft. 
*Vergelijk: Der Bund mit Gott für das Friedensreich Jesu Christi. Christus ruft alle geistigen Gruppen, Konfessionen und Religionen. (Würzburg 1989, 2de vernieuwde oplage. Niet in het Nederlands verkrijgbaar.) 

    Een ander volk staat in het verbond. Het is Mijn volk en Ik zal hun herder zijn. Van daaruit zullen nu de eerste krachten van het vredesrijk opstijgen.
    God verbrak het verbond met het volk Israël en sloot een nieuw verbond - het laatste verbond - met dit andere volk, met mensen, die ernaar streven, Gods wil te vervullen. Zij zijn uit het grote geslacht David en uit andere geslachten, die de geboden van het leven in acht nemen.
    De Eeuwige en Ik, Christus, riepen en roepen in deze wereld door profetenmond en verzamelen alle gewillige zonen en dochters van God: het reeds bestaande volkje zal uitgroeien tot een machtig volk van God.
    Het laatste verbond is gesloten en heeft geldigheid. Het brengt degenen, die zich eraan houden, veel hulp uit de wet Gods. Ik, Christus, sta aan het hoofd van het volk Gods en heb geen mens als plaatsvervanger. De Oergemeente Nieuw Jeruzalem, die tot Bondgemeente werd, is dit volk Gods. Het is het centrale licht in Universeel Leven.
    Het volk Gods zal nog veel hindernissen te nemen hebben, maar de geest der waarheid en des levens is met hen en allen, die met een eerlijk hart in het verbond staan, zullen de stichters en bouwers zijn van het rijk Gods op aarde. In deze tijd - dicht bij het jaar tweeduizend - kondigt zich aan, wat geschreven staat: Ik, jullie Heer en God, zal met een ander volk de bond sluiten.
    De duisternis heeft verloren; de bond is gesloten; de aarde reinigt zich - zoals het geprofeteerd werd.
    De aarde zal beven en zich openen en veel mensen verslinden. Voordat echter al dit geschiedt, zullen ziekten, ellende, noodlottige gebeurtenissen en vele andere rampen over de mensen komen. De engel des doods gaat om en neemt steeds meer mensen weg. Het onzuivere zal vergaan. De zeeën zullen over hun oevers treden en al het tegenstrijdige toedekken en de sterren zullen met hun stralen de aarde reinigen. Dan is het zwaard gebroken en al het oorlogstuig. Dan zal op de hele aarde het vredesrijk ontstaan en op de aarde zullen mensen leven, die Gods wil vervullen. En er zal vrede zijn. Dan is vervuld, wat geschreven staat:
    »De leeuw zal liggen bij het kalf en het luipaard bij het geitje en de wolf bij het lam en de beer bij de ezel en de uil bij de duif. En een kind zal hen leiden.« Dit alles zal geschieden!

    18. En op een dag liep Hij op een bergpad langs de rand van de woestijn; daar trof Hij een leeuw, die door een massa mensen met stenen en speren werd vervolgd en zij wilden hem doden.
    19. Maar Jezus berispte hen, zeggende: »Waarom jagen jullie op de schepselen van God, die edeler zijn dan jullie? Door de wreedheid van vele generaties werden zij tot vijanden van de mensen gemaakt, die eigenlijk hun vrienden zouden moeten zijn.
    20. Zoals in hen de macht Gods zichtbaar wordt, zo toont zich ook Zijn geduld en Zijn medelijden. Houdt op, dit schepsel te vervolgen! Het wil jullie geen leed aandoen, zien jullie niet, hoe het vlucht voor jullie en geschrokken is van jullie gewelddadigheid?« (Hoofdst. 6, 18-20)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Het woord »medelijden« betekent Gods hulp. Ik heb de verlossing voor alle mensen en zielen gebracht. In de verlossing is ook de bevrijding van de dieren. Want door de verlossing wordt in het evolutieproces alles tot eenheid verheven, in het licht Gods, dat eenheid, leven, substantie en kracht is.

    21. En de leeuw kwam naderbij en legde zich voor Jezus’ voeten en betoonde Hem zijn liefde. En het volk verwonderde zich zeer en sprak: »Ziet, deze mens heeft alle schepselen lief en Hij heeft zelfs macht over de dieren van de woestijn en zij gehoorzamen Hem.« (Hoofdst. 6, 21)

HOOFDSTUK 7

Boeteprediking van Johannes

 

De betekenis van symbolenen ceremonies (4).
Het gerecht: de wet van zaad en oogst - Loutering van de ziel (10)

 

    1. In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, terwijl Pontius Pilatus stadhouder van Judea was en Herodes viervorst van Galilea (Caïphas hogepriester en Annas hoofd van het Sanhedrin), kwam het woord Gods tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
    2. En Johannes kwam in de landstreken aan de Jordaan en predikte over de boetedoop ter vergeving der zonden. Zoals geschreven staat bij de profeten: »Zie, Ik zend Mijn bode voor Jou uit, die de weg voor Je bereidt. Het is de stem van een roepende in de woestijn: bereidt de weg van de Heilige en effent de paden voor de Gezalfde.
    3. Alle dalen zullen worden opgevuld en alle bergen en heuvels zullen worden geslecht en wat krom is, zal recht worden. En de ruwe wegen zullen geëffend worden. En alle mensen zullen de verlossing van God zien.«
    4. Johannes echter had een gewaad van kameelhaar en eenzelfde gordel om de lendenen en zijn voeding bestond uit de vruchten van de erwtenboom en wilde honing. En tot hem kwam Jeruzalem en heel Judea en allen uit het land langs de Jordaan en zij werden door hem gedoopt in de Jordaan en bekenden hun zonden. (Hoofdst. 7, 1-4)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Ook in dit bericht erkent de mens, dat God zeden en gebruiken toelaat, die niet tegen de eeuwige, heilige wet zijn: hier is het de doop met water.
    Of de mens het water als symbool van reiniging nog wil handhaven, tot hij gedoopt is met de geest des levens, dat laat God over aan Zijn mensenkinderen.
    Wie echter de liefde tot God en tot zijn naasten ontwikkeld heeft, is door de Geest Gods verheven, dat wil zeggen, hij is van de geest der waarheid doordrongen.
    Wie geestelijk gerijpt is, heeft steeds minder symbolen en ceremonies nodig. Hij leeft in het innerlijk, zoals het in de hemel is: rein! De reine is vervuld van de geest der waarheid en van de geest des levens doordrongen: hij is dus door de Geest Gods gedoopt.

    5. Toen sprak hij tot het volk, dat tot hem kwam om gedoopt te worden: »O, jij ongehoorzaam geslacht! Wie heeft jullie gewaarschuwd te vluchten voor de toorn, die komen zal? Brengt daarom rechtschapen vruchten van boete en begint niet tegen jezelf te zeggen: »Wij hebben Abraham als vader.«
    6. Want ik zeg jullie: God kan voor Abraham uit deze stenen kinderen verwekken. En reeds is de bijl gelegd aan de wortels van de bomen en iedere boom, die geen goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.«
    7. En de rijken vroegen hem en zeiden: »Wat moeten wij dan doen?« Hij antwoordde en sprak tot hen: »Wie twee kledingstukken heeft, geve er één aan degene, die er geen heeft en wie voedsel heeft, handele evenzo.«
    8. Er kwamen echter ook enkele tollenaars, om te worden gedoopt en zeiden tot hem: »Meester, wat moeten wij doen?« En hij sprak tot hen: »Eist niet meer, dan jullie is voorgeschreven en weest inschikkelijk bij jullie beoordeling.«
    9. Evenzo vroegen de krijgslieden hem: »Wat moeten wij doen?« En hij sprak tot hen: »Doet niemand geweld aan, noch onrecht en weest tevreden met jullie soldij.«
    10. En hij sprak tot allen en zei tot hen: »Houdt jullie verre van het bloed van gewurgden en van de dode lichamen van vogels en dieren en hoedt jullie voor alle wreedheid en onrecht. Denken jullie soms, dat het bloed van dieren en vogels zonde kan afwassen? Ik zeg jullie: neen. Spreekt de waarheid! Weest rechtvaardig, weest barmhartig jegens jullie naasten en alle schepselen die leven en wandelt deemoedig met jullie God.« (Hoofdst. 7, 5-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Met het woord »toorn« is het gerecht bedoeld, dat over die mens komt, die niet tijdig omkeert: wie de goddelijke wet veronachtzaamt, zal onder hetgeen hij gezaaid heeft, lijden. Geen mens kan voor zijn eigen gerecht, voor de gevolgen van zijn eigen oorzaken, vluchten. Slechts het berouw en de vraag om vergeving en de vergeving en ook het weer goed maken - als dit nog mogelijk is - wassen de ziel rein van zonde. Dat, wat de mens in zijn ziel heeft ingegeven, licht en schaduw, dat draagt hij met zich mee, tot het goedgemaakt is. Ongeacht op welke tijd, ongeacht op welke plaats hij zich bevindt - hij draagt datgene aan schaduwen in zich, wat hij zelf in zijn ziel heeft ingegeven - zo lang, tot het is goedgemaakt.
    De woorden: »En reeds is de bijl aan de wortels van de bomen gelegd en iedere boom, die geen goede vruchten brengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen« willen zeggen: iedere onuitgeboete oorzaak komt tot uitwerking. De bijl is de wet van zaad en oogst. De boom is de mens, die zijn zonden niet berouwt en niet weer goedmaakt, wat hij veroorzaakt heeft. Het vuur betekent de loutering van de ziel; het is het actieve gevolg van de niet uitgeboete daad, de oorzaak.
    Wie in dat, wat geschreven staat, de zin vermag te begrijpen, die erkent, dat ziel en mens alleen dan rein worden, als zij hun fouten en zonden inzien, berouwen, vergeven, om vergeving vragen en boete doen - dat wil zeggen, weer goedmaken en hetzelfde of iets dergelijks niet meer doen.
    Erkent: de hele natuur, dieren, planten en stenen, zijn de tuin van God, Zijn scheppingswerk. Wie het veronachtzaamt, zondigt - en hij zal steeds weer opnieuw voor zijn zonden staan, tot hij erkent, berouwt en boete doet. En als hij niet meer zondigt en de geboden in acht neemt, zal hij in Mij leven en Ik bewust door hem.
    Wie zijn naaste onbaatzuchtig liefheeft, zal ook geen dieren meer doden of eten. Zo een mens wordt rein in zijn ziel en de vruchten, die hij voortbrengt, zullen het leven in Mij zijn.

    11. Het volk echter was in afwachting en allen vroegen zich af in hun hart, of Johannes de Christus was of niet. Johannes antwoordde en sprak tot allen: »Ik doop jullie met water; er komt echter een sterkere na mij, wiens schoenriemen ik niet waard ben los te maken.
    12. Hij zal jullie dopen met water en met vuur. In Zijn hand is de schepel en Hij zal Zijn dorsvloer vegen en zal het koren in Zijn schuur verzamelen en het kaf zal Hij met onblusbaar vuur verbranden.« En nog veel meer sprak hij tot het volk in zijn boetepreek. (Hoofdst. 7, 11-12)

HOOFDSTUK 8

Het doopsel van Jezus, de Christus

 

God en Christus openbaren
thans de volledige waarheiddoor de serafijn van de goddelijke wijsheid - de stam David bereidt met Christus het vredesrijk voor (3)

 

    1. En het was midden in de zomer in de tiende maand. Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes weerde Hem af en sprak: »Ik heb het nodig, door Jou gedoopt te worden en Jij komt tot mij«? Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Neem het nu zo aan, want het komt ons toe, alle gerechtigheid te vervullen.« Toen liet hij het Hem toe.
    2. En toen Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water; en zie, de hemelen openden zich boven Hem en een lichtende wolk stond boven Hem en achter de wolk twaalf lichtstralen en daaruit daalde gelijk een duif de Geest Gods op Hem neer en omstraalde Hem. En zie, een stem uit de hemel sprak: »Dit is Mijn geliefde zoon, waarin Ik welbehagen heb. En op deze dag heb Ik Hem verwekt.« (Hoofdst. 8, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Water symboliseert de reiniging van ziel en lichaam. Water is stromend - geest is stromend.
    Het gebeuren na het doopsel van Jezus, waarvan hier wordt bericht, voltrok zich in de geest. Johannes zag het in zijn innerlijk in deze symbolen. Het woord »verwekt« moet »geroepen« zijn. Door de roeping door de Eeuwige volbracht Ik, de Christus, wat in Jezus steeds meer openbaar werd.

    3. En Johannes gaf getuigenis van Hem en sprak: »Deze was het, van wie ik gezegd heb, Hij zal na mij komen en is vóór mij geplaatst; want Hij was eerder dan ik. En uit Zijn overvloed hebben wij allen ontvangen, genade op genade. Want de wet is slechts ten dele door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus in overvloed. (Hoofdst. 8, 3)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De eeuwige waarheid straalt nu in ontelbare facetten in deze wereld. In veel generaties schonk de Eeuwige uit de eeuwige waarheid, die Hij is, steeds die facetten van de waarheid, die naar God toestrevende mensen konden begrijpen en waarnaar zij konden leven. Zo gaf Hij door Mozes de overeenkomstige facetten der waarheid voor de toenmalige generaties. Ik, Christus in Jezus, schonk uit de waarheid de overvloed. Weinigen echter konden Mij begrijpen.
    Nu (1989) is de tijd aangebroken, waarin Ik alle facetten der waarheid openbaar. Wie het vatten kan, die vatte het!
    Erkent: de eeuwige waarheid zal zich nu in de hele wereld verbreiden en al het onware zal een prooi van het vuur worden, zodat de overvloed, de gehele waarheid, openbaar wordt. De goddelijke wijsheid heb Ik vanuit de geest als stammoeder van het vredesrijk van Jezus Christus uitverkoren. De vrouwelijke straal, de serafijn uit Gods wijsheid, is thans geïncarneerd en werkt voor de Eeuwige en voor Mij als profetes en verkondigster van God. Door haar riepen en roepen de Eeuwige en Ik, Christus, in deze wereld en brengen alle bereidwillige mensen - voor zover het met woorden mogelijk is - de volledige waarheid.
    Naar de wil van God is David, uit wie het geslacht David voortkwam, de biologische stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus. Want hij bracht het zaad en daaruit de genen in deze wereld, die het geslacht David vormen.
    De wezens uit God incarneren in die mensen, waarin de genen van David actief zijn. Zij staan met andere zonen en dochters uit andere geslachten in de opdracht van de verlossing in mijn werk, in Universeel Leven.
    David is derhalve de stamvader van het vredesrijk van Jezus Christus als mens en de straal van de goddelijke wijsheid, de stammoeder uit de geest. David bracht aldus het zaad en de genen voor het volk Gods vanuit de mens; de goddelijke wijsheid brengt de gehele waarheid in het aardse woord door haar geïncarneerde deelstraal, de serafijn van de goddelijke wijsheid.
    De zielen op aarde zijn geroepen.
    Door de profetes en verkondigster van God ontvangen zielen en mensen door Mij, de Christus, in het geopenbaarde woord de volledige waarheid. De geïncarneerde deelstraal van de goddelijke wijsheid leert de eeuwige wetten ook in details en toont alle bereidwilligen, hoe deze in de wereld vervuld kunnen worden.
    De tijd is gekomen. De wereld nadert het jaar tweeduizend. Ik bereid Mijn komst als Christus voor, door het uitverkoren volk Gods, waarmee de Eeuwige en Ik, Christus, in de Alkracht, God, het laatste verbond hebben gesloten. Alleen die zielen en mensen zullen aan Mijn rechterzijde staan, die de gehele waarheid kennen en haar ook vervullen.

    4. Niemand heeft God ooit gezien. Slechts in de alleen Geborene, die uit de schoot van de Eeuwige komt, is God geopenbaard.« En dit is de uitspraak van Johannes, toen de joden van Jeruzalem priesters en levieten zonden, om hem te vragen: »Wie ben je?« En hij loochende niet, maar bekende: »Ik ben niet Christus.«
    5. En zij vroegen hem: »Wie dan? Ben je Elia?« Hij sprak: »Ik ben het niet.« »Ben je de profeet, over wie Mozes sprak?« En hij antwoordde: »Neen.« Toen spraken zij tot hem: »Wie ben je dan? Zodat wij antwoord kunnen geven aan hen die ons gezonden hebben. Wat zeg je over jezelf?« En hij sprak »Ik ben de stem van een roepende in de woestijn. Bereidt de weg van de Heilige, zoals de profeet Jesaja heeft gezegd.«
    6. En zij, die gezonden waren, kwamen van de farizeeën en vroegen hem: »Waarom doop je dan, als je Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet, waarvan Mozes sprak?«
    7. Johannes antwoordde en sprak: »Ik doop met water; maar daar staat de Ene onder jullie, die jullie niet kennen. Hij zal met water en met vuur dopen. Hij is het, die na mij komen zal en mij toch voor zal gaan; ik ben het niet waard Zijn schoenriemen los te maken.«
    8. Dit geschiedde in Bethabara, aan de andere kant van de Jordaan, waar Johannes doopte. En Jezus was in die tijd dertig jaar oud geworden, in menselijke gedaante werkelijk de zoon van Jozef en Maria, maar naar de geest Christus, de zoon van God, de eeuwige Vader, zoals door de Geest van Heiligheid met macht verkondigd was.
    9. En Jozef was de zoon van Jakob en Elischeba en Maria was de dochter van Eli (Joachim genoemd) en van Anna, die de kinderen waren van David en Bathscheba, van Juda en Schela, van Jakob en Lea, van Isaak en Rebecca, van Abraham en Sara, van Seth en Maat, van Adam en Eva, die de kinderen waren van God. (Hoofdst. 8, 4-9)

HOOFDSTUK 9

De vier bekoringen

 

De duisternis mag zich meten aan het licht (1).
Wie in God leeft, is met al het Zijn verbonden en nooit eenzaam (5)

 

    1. Jezus werd door de geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord. En de wilde dieren van de woestijn waren om Hem heen en dienden Hem. En toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij honger. (Hoofdst. 9, 1)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De satan mocht Jezus op de proef stellen. De Geest van Mijn eeuwige Vader liet de beproeving toe. Ook de satan moest zich daaraan kunnen herkennen en meten, om te ervaren, dat degenen, die in God leven, sterker zijn dan de macht van de duisternis.
    Het is een wetmatigheid uit Gods liefde en genade, dat wanneer mensen kennis en wijsheid uit God hebben verkregen, de duisternis zich aan hen mag meten. Daardoor ontvangt ook de diepst gevallen ziel de mogelijkheid tot zelfkennis: - door haar nederlaag mag zij aan zichzelf ervaren, dat diegene die in God leeft, sterker is dan de satan; hem dient het reine. Wie Gods Geest in zijn innerlijk nog niet tot ontplooiing heeft gebracht, moet het afleggen tegen de satan, want hij dient deze in veel aspecten van zijn aardse leven.
    Het woord »vasten« betekent: weinig voedsel tot zich nemen.

    2. En de verleider kwam naar Hem toe en sprak: »Ben Je Gods zoon, zeg dan, dat deze stenen brood worden; want er staat geschreven: Ik wil Je voeden met de fijnste tarwe en met honing en uit de rots wil Ik je verzadigen.«
    3. Maar Hij antwoordde en sprak tot hem: »Er staat geschreven: de mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat komt uit de mond van God.«
    4. Toen plaatste de duivel een vrouw voor Hem van buitengewone schoonheid en liefelijkheid en fijne geest en levendig verstand en sprak tot Hem: »Neem haar, als Je wilt, want haar wens gaat naar Jou uit en Je zult liefde en geluk genieten Je hele leven lang, en Je kleinkinderen zien. Want staat er niet geschreven, het is niet goed, dat de mens alleen zij?«
    5. En Jezus sprak: »Ga weg van Mij! Want er staat geschreven: laat je niet door de schoonheid van een vrouw verleiden; want al het vlees is als gras en als de bloemen op het veld; het gras verdort en de bloemen verwelken, maar het woord van de Eeuwige duurt altijd. Mijn opdracht is, de mensenkinderen te onderrichten en te genezen en hij, die uit God geboren is, houdt zijn zaad in zich.« (Hoofdst. 9, 2-5)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    De zin van de woorden: »houdt zijn zaad in zich« is: mensen in God zullen hun kracht niet verkwisten aan genot en prikkeling. Wie in God leeft, houdt van de innerlijke waarden van de mens, de innerlijke schoonheid en deugd. Wie het innerlijk van de mens liefheeft, is met alle mensen en wezens verbonden. Hij zal nooit alleen en eenzaam zijn, omdat hij het goede van zijn naaste in zich bewaart. Alleen op deze wijze vervult zich het gebod »Het is niet goed, dat de mens alleen zij«.
    God is eenheid - en wie in God leeft, leeft in verbondenheid met al het Zijn. En al het Zijn, het reine, is met hem en werkt door hem.
    Eenzaam is alleen die mens, die zijn medemensen afwijst en afkeurt.

    6. En de duivel leidde Hem naar de heilige stad en plaatste Hem op de tinne van de tempel. En hij sprak tot Hem: »Als Je Gods bent, stort Je dan naar beneden, want er staat geschreven: Hij zal Zijn engelen bevelen, dat zij Je behoeden en op hun handen dragen, opdat Je Je voet niet zult stoten aan een steen.«
    7. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Er staat ook geschreven: je zult de Heer, je God, niet verzoeken.«
    8. Toen leidde de duivel Hem op een zeer hoge berg, temidden van een grote vlakte en om hem heen lagen twaalf steden met hun bewoners. Van daaruit toonde hij Hem alle rijken van de wereld in één ogenblik. En de duivel sprak tot Hem: »Deze macht wil ik Je helemaal geven en haar heerlijkheid; want zij is aan mij gegeven. En ik geef haar aan wie ik wil; want er staat geschreven: Je zult heersen van zee tot zee, Je zult Je volk regeren in rechtschapenheid en de armen met barmhartigheid en een eind maken aan alle onderdrukking. Als Je mij nu wilt aanbidden, zal dit alles van Jou zijn.«
    9. En Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Ga weg van Mij, satan; want er staat geschreven: je zult God aanbidden en Hem alleen dienen. Zonder de macht Gods kan er geen eind komen aan het kwaad.«
    10. En toen de duivel aan het einde was met alle verzoekingen week hij voor enige tijd van Hem. En zie, er kwamen engelen Gods en dienden Hem. (Hoofdst. 9, 6-10)

HOOFDSTUK 10

Jozef en Maria bereiden Jezus een feest -Andreas en Petrus vinden Jezus

 

Aan de mensen van de Nieuwe Tijd:
de verlossersdaad van Jezus niet vergeten (2). Karakterisering van de volgelingen van Jezus van Nazareth - Aardse naamgeving en stralingsnaam van de ziel (10)

 

    1. Toen Jezus teruggekomen was uit de woestijn bereidden zijn ouders op dezelfde dag een feest voor Hem. Zij boden Hem de gaven aan, die de wijzen Hem in zijn kindertijd hadden gebracht. En Maria sprak: »Deze gaven hebben wij tot de dag van vandaag voor Jou bewaard.« En zij gaven Hem het goud, de wierook en de mirre. En Hij nam van de wierook, het goud echter schonk Hij aan Zijn ouders en aan de armen en van de mirre gaf Hij wat aan Maria, Magdalena genaamd.
    2. Deze Maria nu was uit de stad Magdala in Galilea. En zij was een grote zondares en had velen door haar schoonheid en bekoorlijkheid verleid. En zij kwam ’s nachts tot Jezus en bekende Hem haar zonden en Jezus strekte Zijn hand uit en genas haar. En zeven demonen dreef Hij uit haar en Hij sprak tot haar: »Ga heen in vrede; want je zonden zijn je vergeven!« En zij stond op en verliet alles en volgde Hem na en diende Hem met haar bezittingen, zolang Hij in Israël werkte. (Hoofdst. 10, 1-2)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Tot beter begrip, opdat de eeuwige wet wordt herkend: het was Maria, genaamd Magdalena, die over de zeven demonen sprak, die haar zouden hebben verlaten. Zij was in de veronderstelling, dat dit gebeurd was. De verlichte spreekt daar niet over. Hij helpt en geneest, voorzover het goed is voor de ziel.
    Deze verklaring is vooral voor de mensen van de tegenwoordige tijd (1989) en de beginnende Nieuwe Tijd gegeven, die de wetten van God kennen. Het boek »Dit is Mijn woord« is vooral voor de mensen van de Nieuwe Tijd van betekenis. Want zij beleven Christus als de heerser der wereld en niet langer als de Verlosser. Daarom zal voor hen dit boek een historisch werk zijn.
    De mensen van de Nieuwe Tijd mogen het fundament, waarop het vredesrijk van Jezus Christus werd opgebouwd, de verlossing, niet vergeten. Het denken, leven, werken en lijden van de zoon Gods in Jezus van Nazareth, die nu de heerser van de aarde en bestuurder van het rijk Gods op aarde is, zou in herinnering moeten blijven bij de mensen van de Nieuwe Tijd.

    3. De volgende dag ziet Johannes Jezus naar zich toekomen en spreekt: »Zie het Lam Gods, dat door de gerechtigheid de zonden van de wereld wegneemt. Deze is het, waarvan ik heb gezegd: Hij was eerder dan ik. En ik kende Hem niet, maar opdat Hij bekend zou worden in Israël, ben ik gekomen om met water te dopen.«
    4. En Johannes legde getuigenis af en sprak: »Ik zag de Geest neerdalen van de hemel als een duif en boven Hem blijven. En ik kende Hem niet; maar die mij zond, om met water te dopen, sprak tot mij: over wie je de Geest ziet neerdalen en op Hem ziet blijven die is het, die met water en met vuur en met de Geest zal dopen. En ik zag het en getuig, dat dit de zoon Gods was.«
    5. De volgende dag stond Johannes aan de Jordaan met twee van zijn discipelen. En toen hij Jezus zag lopen sprak hij: »Ziet de Christus, het Lam Gods!« En de beide discipelen hoorden Hem spreken en volgden Jezus na.
    6. Jezus draaide zich om, zag hen volgen en sprak tot hen: »Wat zoeken jullie?« Zij spraken echter tot Hem: »Rabbi (dat betekent: Meester), in welke herberg verblijf Je?« Hij sprak tot hen: »Komt mee en ziet.« Zij kwamen mee en zagen, waar Hij verbleef en zij bleven die dag bij Hem, het was echter in het tiende uur.
    7. Eén van de twee, die van Johannes hoorden en Jezus navolgden, was Andreas, de broer van Simon Petrus. Hij vindt zijn broeder Simon en zegt tot hem: »Wij hebben de Messias gevonden (wat betekent: de Christus).« En hij bracht hem bij Jezus. En toen Jezus hem zag, sprak Hij: »Jij bent Simon Bar Jona, je zult Kephas heten (dat betekent: een rots).«
    8. De volgende dag gaat Jezus naar Galilea en vindt Phillippus en spreekt tot hem: »Volg mij na!« Philippus was uit Bethsaida, de stad van Andreas en Petrus. Phillippus vindt Nathanael, genaamd Bar Tholmai, en zegt tot hem: »Wij hebben Hem gevonden, waarover Mozes in de wet en de profeten geschreven hebben, Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef en Maria.« En Nathanael zegt tot hem: »Kan uit Nazareth dan iets goeds komen?« Philippus zei tot hem: »Kom en zie!«
    9. Jezus ziet Nathanael tot zich komen en spreekt over hem: »Zie, een echte Israëliet, waar geen kwaad in is!« Nathanael zegt tot Hem: »Waarvan ken Je mij?« Jezus antwoordde en sprak tot hem: »Voordat Philippus je riep, toen je onder de vijgeboom zat, zag Ik je.« Nathanael antwoordde en sprak tot Hem: »Rabbi, Jij bent Gods zoon, Jij bent de koning van Israël. Ja, onder de vijgeboom vond ik Jou.«
    10. Jezus antwoordde en sprak tot Hem: »Nathanael Bar Tholmai, je gelooft, omdat Ik je heb gezegd, dat Ik je onder de vijgeboom heb gezien; jij zult nog grotere dingen zien dan dit.« En Hij spreekt tot hem: »Waarlijk, waarlijk, Ik zeg jullie, van nu af aan zullen jullie de hemelen open zien en de engelen Gods naar boven zien gaan en neer zien dalen op de Mensenzoon.« (Hoofdst. 10, 3-10)

Ik, Christus, verklaar, verbeter
en verdiep het woord:

    Hetgeen in dit boek al lang geleden neergeschreven is komt inhoudelijk in veel uitspraken overeen met het werkelijke gebeuren. Daarom moet elke uitspraak niet woordelijk, maar inhoudelijk worden begrepen.
    Er heerste grote onenigheid onder degenen, die in Mij geloofden en Mij navolgden - of zij met name zijn genoemd of niet. Vaak waren het geloofsvragen of levenssituaties, die de gemoederen verhitten: de één geloofde direct aan Mijn zending, de ander twijfelde eraan, omdat hij veel uit Mijn rede tot hem en zijn naasten niet kon begrijpen. De één wilde Mij navolgen, de ander had nog wereldse interessen, die belangrijker voor hem waren. Weer anderen wilden al hun bezittingen meenemen op de trektocht, om deze op geëigende plaatsen te vermeerderen. De voorstellingen en interesses waren veelvuldig en het denken zo verschillend als de mensen zelf. Bij velen was er veel heen en weer, veel hoe en wat. De besluiteloosheid was voor velen fataal. Zij bleven enige tijd - dan namen zij weer afscheid van Mij. Het was een klein, bont volk van gelovigen, twijfelaars, geïnteresseerden en mensen, die via Mij, via Mijn denken en leven als Jezus van Nazareth, goede zaken wilden doen.
    Degenen, die van harte een keuze maakten en Mijn lessen hebben verwezenlijkt, stonden aan Mijn rechterzijde en bleven aan Mijn rechterzijde. Ook nu staan zij in de geest aan Mijn rechterzijde. De rechtvaardigen schouwden de engelen, die de Mensenzoon dienden. Velen van hen werken in de geest voor het grote geheel. Enigen kwamen en komen - naar gelang hun geestelijke opdracht - steeds weer in het aardse lichaam, om in het grote geheel van het evolutie-gebeuren Mijn komst voor te bereiden.
    Ieder mens heeft een voor- en een achternaam, die hem bij zijn aardse geboorte wordt gegeven. Deze voor- en achternaam komt overeen met de trilling van de ziel op het tijdstip van de incarnatie. Hebben mensen in de loop van de aardse jaren een ontwikkelingsfase van de ziel volbracht, dan verandert ook de straling van hun ziel. In het kosmische evolutie-gebeuren verandert dan ook de stralingsnaam van de ziel.
    Is bijvoorbeeld tussen mensen het één en ander in het reine gebracht - zoals ook tussen ouders en kind - dan veranderen ook de stralingsnamen van de zielen. Dat gebeurt zowel in het evolutieproces van de mens, alsook in de ziel in de reinigingsgebieden en in de voorbereidingsgebieden zo lang, tot het geestwezen weer zijn oernaam uit God draagt, omdat het weer rein geworden is.
    De stralingsnamen van de mens veranderen dus naar gelang de ontwikkeling van de ziel. In de reinigingsgebieden wordt dit de ziel van evolutiefase tot evolutiefase bewust.
    Op aarde gelden in veel gevallen starre normen. Zo behoudt de mens zijn voor - en familienaam - als het ware als legitimatiebewijs - gedurende zijn hele aardse bestaan. Volgens de aardse wet blijft de starre vorm van de naamgeving oo